RV Bp Kapperdoes - Bijlage 1 Toelichting BP Kapperdoes, herziening 1
Tekst van het document
De gemeente Nuenen zorgt voor het inzamelen en verwerken van afvloeiend hemelwater, wanneer dit doelmatig is en het niet redelijkerwijs verwacht kan worden van dat de initiatiefnemer het hemelwater zelf verwerkt. De doelmatigheid en de redelijkheid is afhankelijk van: • de ligging in stedelijk dan wel landelijk gebied; • de mogelijkheden voor infiltratie van hemelwater; • de grootte van de percelen; • de aanwezigheid van een regenwaterriool op straat; • de nabijheid van oppervlaktewater. Infiltratie van hemelwater in de bodem wordt verondersteld mogelijk zijn als de bodem voldoende doorlaatbaar is (>1 m/d) en de grondwaterstand voldoende laag is. Bij een toename en afkoppeling van het verhard oppervlak geldt het uitgangspunt dat plannen zoveel mogelijk hydrologisch neutraal worden uitgevoerd. In principe dient er 60 mm retentie gerealiseerd te worden (600 m³ per hectare verhard oppervlak). Als hemelwater op eigen terrein verwerkt wordt ligt hier geen zorgtaak voor de gemeente. Als decentrale voorzieningen niet doelmatig zijn en bodeminfiltratie en/of lozing op oppervlaktewater niet mogelijk is, dan ontvangt de gemeente het afstromende hemelwater en verwerken van afvloeiend hemelwater. In dit geval wordt een bedrag in rekening gebracht per m³ die niet op eigen terrein geborgen kan worden.
5.2.5 Regeling in bestemmingsplan Het creëren van bouwmogelijkheden in een bestemmingsplan resulteert vaak in een toename aan dak- en erfverharding. Hemelwater dat op deze daken valt wordt meestal óf via het rioolstelsel óf via watergangen afgevoerd. Bij hevige regenval kan op verschillende plaatsen wateroverlast ontstaan doordat in korte tijd veel hemelwater tot afstroming komt. Bovendien zorgt de versnelde afvoer op de hoge zandgronden in Brabant ook nog eens voor verdrogingsproblemen, omdat water niet de tijd krijgt om het grondwater aan te vullen. In het watertoets proces is 'hydrologisch neutraal ontwikkelen' dus een belangrijk kwantitatief beleidsuitgangspunt, dat in ruimtelijke plannen dient te worden “vertaald” : • De bestemming moet zodanig zijn dat de compensatievoorziening zoals in de toelichting
beschreven ook kan worden gerealiseerd, bijvoorbeeld met voldoende bebouwingsvrije ruimte. In de toelichting moet de wijze waarop invulling wordt gegeven aan het hydrologisch neutraal ontwikkelen op hoofdlijnen duidelijk zijn en worden onderbouwd. Het ruimtebeslag voor water en/of waterhuishoudkundige voorzieningen is sterk afhankelijk van de gekozen wijze waarop hieraan invulling wordt gegeven.
60
5.3 Beschrijving huidig en toekomstig watersysteem plangebied Bestaand watersysteem In de huidige situatie is het plangebied deels verhard en deels onverhard. In figuur 19 is de bestaande situatie weergegeven. Het bestaande perceel is aangesloten op een drukrioolsysteem aan de zijde van de Dubbestraat. Het plangebied beslaat 9.827 m2, waarvan ca. 2.200 m2 is bebouwd en nog eens 1.165 m2 bestraat met betonplaten en/of bestrating. Tevens zijn een aantal toegangswegen ter grootte van ca. 930 m2 voorzien in de vorm van puinverharding. In totaal is ca. 4.300 m2 verhard en 5.530 m2 onverhard. In het plangebied is geen watergang of openwater aanwezig. Het plangebied is verder niet gelegen in een gebied dat is aangewezen als boringsvrije zone, reserveringsgebied waterberging, ecologische verbindingszone.
Figuur 19: Overzicht plangebied met bestaande bebouwing / verharding
61
Verhardingen toekomstige situatie Voor deze ontwikkeling is een schetsontwerp inrichtingsplan opgesteld, weergegeven in figuur 20. Gericht op de berekening van de hoeveelheid te bergen hemelwater, zijn voor de inrichting van het plangebied de volgende uitgangspunten aangehouden: •
De verharding van de rijbaan wordt uitgevoerd in klinkers met aan de zijden van de rijbaan waar groen naast komt een strook grasbetontegels als bermversteviging;
•
De inritten/parkeerplaatsen bij de percelen worden in een nader te bepalen waterdoorlatende verharding uitgevoerd;
•
Bouwnummer 1, 2 en 3 worden conform het beeldkwaliteitsplan in riet uitgevoerd. Voor de overige woningen wenst ontwikkelaar ontwerpvrijheid met betrekking tot de toe te passen dakafwerking en daarmee wijze van afwatering van de woningen. Het water van deze daken wordt via het erf geïnfiltreerd en niet via hemelwaterafvoeren via een collectief stelsel afgevoerd. De woningen tellen dan ook niet mee in de berekening van afstromend/verhard oppervlak.
Figuur 20: Overzicht plangebied met nieuwe bebouwing / verharding
De afmetingen van de bouwvlakken variëren. Voor de kavels 1, 2 en 3 zijn de bouwvlakken ca. 230 m2, kavel 4 en 5 zijn gezamenlijk ca. 350 m2 en voor de kavels 6 t/m 11 zijn deze ca. 210 m2. In Tabel 2 is een overzicht gegeven van uitgangspunten van de nieuwe situatie. In de nieuwe situatie wordt circa 4.150 m2 verhard/bebouwd oppervlak gerealiseerd. Dat is een afname van verhard oppervlak van ca. 150 m2 ten opzichte van de bestaande situatie, waarmee ruimschoots binnen de norm van maximaal 500 m2 toename van het verhard oppervlakte van het waterschap wordt gebleven. De eis van het waterschap is daarmee ondergeschikt aan de eis van de gemeente Nuenen. 62
Om te voldoen aan de eisen van de gemeente Nuenen dient het totaal afstromend oppervlak binnen het plangebied gebufferd te worden. In onderstaande tabel is de berekening van het verhard/afstromend wateroppervlak weergegeven. Tabel 2 Berekening verhard/afstromend oppervlak Totaal opp. (m2) Openbare verharding elementen Openbare verharding, grasbetontegels/split Bouwoppervlak woningen Inritten/parkeren split Openbaar groen/tuinen Totaal
Percentage afstroming
Afstromend opp. (m2)
625
100%
625
100
50%
50
2300 1118 5684 9827
0% 50% 0%
0 559 0 1234
Grondwater In het plangebied wordt uitgegaan van een gemiddelde hoogste grondwaterstand (GHG) van 15.15+ NAP en een gemiddelde laagste grondwaterstand (GLG) van 14.60+ NAP alsmede een infiltratiesnelheid van 0,5 meter per dag. De regionale stromingsrichting van het freatisch grondwater is noordwestelijk. De regionale stromingsrichting van het grondwater in het eerste watervoerende pakket is eveneens noordwestelijk. De maaiveldhoogte ligt voor het woningbouwdeel gemiddeld op NAP + 16,35 m. Toekomstig watersysteem Voor de ontwikkeling gelden wat betreft het aspect water enkele algemene uitgangspunten: - Bij nieuwbouwplannen dient vermenging van vuil afvalwater en schoon hemelwater te worden voorkomen. Het schone hemelwater wordt zoveel als mogelijk verwerkt op eigen terrein; - Bij de inrichting, het bouwen en het beheer dienen zo min mogelijk vervuilende stoffen toegevoegd te worden aan de bodem en het grond- en oppervlaktewatersysteem. Daarbij wordt aandacht gevraagd voor het materiaalgebruik: om watervervuiling te voorkomen dienen geen uitloogbare of uitspoelbare bouwmaterialen te worden toegepast; - In aansluiting op het landelijk beleid hanteert het waterschap het beleid dat bij nieuwe plannen altijd onderzocht dient te worden hoe omgegaan kan worden met schoon hemelwater.
Hierbij dient de voorkeursvolgorde (hergebruik – infiltratie – buffering afvoer) doorlopen te worden; - Plannen dienen te voldoen aan het principe van hydrologisch neutraal ontwikkelen, waarbij de hydrologische situatie minimaal gelijk moet blijven aan de oorspronkelijke situatie. Hierbij mag de oorspronkelijke landelijke afvoer niet overschreden worden. - De gemeente Nuenen stelt de eis dat het verhard oppervlak (dak- en straatwater) afgekoppeld dient te worden en dat 60 mm regenwater van dit oppervlak binnen de projectlocatie geborgen dient te worden.
63
In het kader van het toekomstige watersysteem is er een waterhuishoudkundig plan opgesteld welke als bijlage 10 is bijgevoegd. Middels een infiltratieriool in een drainzandpakket onder de toekomstige openbare wegen in het plangebied is het mogelijk het hemelwater te bergen en vertraagd te laten infiltreren. Op termijn kan er een overstort gerealiseerd worden op het nieuw aan te leggen rioolsysteem voor Nuenen-West. Tot die tijd is voorzien in een overstort naar de sloten in het gebied. Nadere civieltechnische uitwerking vindt in overleg en met goedkeuring van de gemeente en het waterschap plaats, zodat geborgd is dat eventueel benodigde voorzieningen daadwerkelijk en tijdig worden gerealiseerd. Daarmee is voldoende gewaarborgd dat onderhavige ontwikkeling voldoet aan de eisen en het beleid van het waterschap en de gemeente Nuenen. Afvalwater Momenteel is er binnen het projectgebied geen riolering aanwezig waarop de nieuwbouw kan worden aangesloten. Er liggen gemeentelijk plannen om de projectlocatie Boord aan te sluiten op het gescheiden stelsel van de aan westzijde van het plangebied te ontwikkelen woningbouwlocatie Nuenen-West. De gemeente Nuenen is voornemens om het rioleringsstelsel van Nuenen-West voorafgaand aan de ontwikkeling van Boord te realiseren. Zodra dit rioleringsstelsel is aangebracht, kan het gescheiden stelsel van het plan Boord daar op worden aangesloten.
Met dit als uitgangspunt is het ontwerp voor het DWA riool opgesteld. Indien de ontwikkeling van Boord vooruitloopt op de aanleg van het rioleringsstelsel NuenenWest (en daarmee de aansluiting nog niet op het nieuwe stelsel kan worden aangesloten) bestaat de mogelijkheid om het DWA tijdelijk aan te sluiten op het bestaande persriool in de Dubbestraat. Voor het afvalwater zijn de uitgangspunten voor aanleg bepaald in het waterhuishoudkundig plan. Vervuiling zal worden voorkomen door het gebruik van duurzame materialen en productiewijzen voor te schrijven. Dit wordt getoetst bij de aanvraag voor een omgevingsvergunning voor het bouwen.
5.4 Afspraken waterschap Het plangebied valt onder het beheer van Waterschap De Dommel. De waterparagraaf en het waterhuishoudkundig plan zijn inhoudelijk reeds beoordeeld door het Waterschap. Gezien de zwaardere eisen van de gemeente Nuenen ten aanzien van waterberging, stemt het Waterschap in voor herziening van het bestemmingsplan bij een akkoord vanuit de gemeente.
5.5 Conclusie Bij de uitwerking van het planvoornemen wordt rekening gehouden met het beleid van het waterschap en de gemeente Nuenen. De nieuwe ontwikkeling zal voldoen aan de uitgangspunten zoals deze ook door het Waterschap De Dommel met betrekking tot het 64
duurzaam omgaan met water worden gehanteerd. Voldaan wordt aan het principe van hydrologisch neutraal ontwikkelen en gehanteerd wordt de voorkeursvolgorde hergebruik infiltratie - buffering - afvoer. Voor het hydrologisch neutraal ontwikkelen in het plangebied, is een voorwaardelijke verplichting opgenomen in de planregels.
65
Hoofdstuk 6 Juridische vormgeving 6.1 Algemeen In het bestemmingsplan worden ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening bestemmingen aan de in het plan begrepen gronden toegekend. Met het oog op deze bestemmingen worden regels gegeven. Daarnaast bestaat het bestemmingsplan uit een volledige, toegankelijke en begrijpelijke verbeelding van het plan (de plankaart). Het bestemmingsplan gaat voorts vergezeld van een toelichting waarin de gemaakte keuzes voor de totstandkoming van het bestemmingsplan onderbouwd worden. Een bestemmingsplan dient digitaal beschikbaar, raadpleegbaar en uitwisselbaar te zijn. Navolgende zaken bepalen de opzet en inrichting van het bestemmingsplan: • • •
de digitale raadpleegbaarheid; de Standaard Vergelijkbare BestemmingsPlannen 2012 (SVBP2012); Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo).
Onderhavig bestemmingsplan is ontwikkelend van aard. De regels van onderhavig bestemmingsplan bieden dan ook een dusdanige ruimte dat de ontwikkeling van de locatie voor woningbouw mogelijk is.
6.2 Structuur De structuur van het plan is zodanig dat de verbeelding de primaire informatie geeft over waar gebouwd mag worden. Bij het raadplegen van het bestemmingsplan dient dan ook eerst naar de verbeelding gekeken te worden. Vervolgens kan in de regels teruggelezen worden welk gebruik en welke bouwmogelijkheden zijn toegestaan. De ordening van regels is daartoe zodanig opgezet dat bij iedere bestemming een nagenoeg compleet beeld van de regels voor die bestemming is gegeven. Desondanks blijven aanvullende, inleidende bepalingen en algemene bepalingen nodig. De bouw van de 11 woningen zal mogelijk worden gemaakt door middel van de bestemming 'Wonen' ter plaatse van een hiertoe opgenomen bouwvlak.
6.3 Verbeelding In de verbeelding van het plan zijn aangegeven: • • • • •
de grens van het plangebied; de bestemming 'Wonen'; de dubbelbestemming 'Waarde – Archeologie hoog'; bouwvlakken; Bouwaanduidingen (twee-aaneen) . 66
6.4 Regels Algemeen De regels zijn als volgt opgebouwd: • • • •
inleidende regels; bestemmingsregels; algemene regels; overgangs- en slotregels.
Allereerst zijn de inleidende regels opgenomen: de begripsbepalingen en de regels omtrent de wijze van meten. Vervolgens zijn artikelen van de afzonderlijke bestemmingen en dubbelbestemmingen opgenomen. Deze bevatten de specifieke regels voor de betreffende bestemming. Daarna volgen de algemene regels. Dit is een aantal regels van een algemeen en administratief karakter, welke onontbeerlijk zijn voor een bestemmingsplan. Het betreft hier de anti-dubbeltelregel, algemene regels met betrekking tot bouwen, gebruik, afwijking, wijziging, procedure en overige regels. Tot slot volgen de regels met betrekking tot overgangsrecht en de slotregel. Opbouw bestemmingsregels Bij de aanwijzing van de afzonderlijke bestemmingen is steeds dezelfde structuur gekozen, en wel de volgende: • • • • • • • •
bestemmingsomschrijving, om het toegelaten gebruik te verduidelijken; regels voor het bouwen; nadere eisen; afwijken van de bouwregels, voor zover aan de orde; specifieke gebruiksregels, onderscheiden naar gebruik van de grond en gebruik van de opstallen; afwijking van de gebruiksregels, voor zover aan de orde; omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde en werkzaamheden, voor zover aan de orde; wijzigingsbevoegdheden, voor zover aan de orde.
Wonen Binnen de bestemming is ‘Wonen’ de primaire functie. Voorts zijn ondergeschikte functies toegestaan, zoals een aan huis verbonden beroeps- of bedrijfsactiviteit onder voorwaarden, tuinen en erven, groenvoorzieningen, parkeervoorzieningen, voorzieningen voor verkeer en verblijf, geluidwerende voorzieningen, water en waterhuishoudkundige voorzieningen en nutsvoorzieningen. Hoofdgebouwen moeten binnen het bouwvlak worden gebouwd. De bouwvlakken zijn weergegeven op de verbeelding. Voor het bouwvlak met de bouwaanduiding `tae’ geldt dat daar uitsluitend de bouw van een ‘twee-aan-één’ woning is toegestaan. Tevens is op de verbeelding per woning de maximum goot- en bouwhoogten aangegeven. In de bouwregels staan de minimale en maximale toegestane dakhelling van de dakconstructie. 67
Aan- en uitbouwen (zoals bijkeukens of serres) en bijgebouwen en overkappingen (zoals bergingen en aangebouwde garages) behoren tot de mogelijkheden om op te richten. In de regels is voor bijgebouwen naast de zijgevel een minimale afstand tot de voorgevel aangegeven. Voor aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen is een maximale bebouwde oppervlakte opgenomen, die geldt voor alle bijgebouwen op het bouwperceel tezamen. Voor beroeps- of bedrijfsactiviteiten die onder voorwaarden zijn toegestaan binnen de bestemming wonen, dient te worden opgemerkt dat ze qua functie ondergeschikt zijn aan de woonfunctie. De mate van publieksaantrekkende werking van de activiteiten wordt als relevant onderscheid gehanteerd tussen activiteiten die wel gewenst zijn in een woonomgeving en activiteiten die onder omstandigheden gewenst kunnen zijn in een woonomgeving. De ‘aan huis verbonden beroeps- en bedrijfsactiviteit’ is rechtstreeks mogelijk, mits wordt voldaan aan een aantal voorwaarden. Hierbij is ervan uitgegaan dat een niet-publieksaantrekkende activiteit (geen verkeersaantrekkende werking / geen parkeerdruk) doorgaans zonder problemen in een woning zal kunnen plaatsvinden. Het betreft activiteiten met een introvert karakter, die inherent zijn aan de woonfunctie, zoals kantoorfuncties en ateliers. Uitgangspunt is overigens dat geen milieuvergunningplichtige bedrijven worden toegestaan.
Dit is van belang om te voorkomen dat activiteiten kunnen plaatsvinden, die weliswaar niet een publieksaantrekkend karakter hebben, maar die in verband met milieuaspecten niet bij de woonfunctie passen. De op de verbeelding weergegeven gebieden met als dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie middelhoog’ of ‘Waarde – Archeologie hoog’ zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor instandhouding en bescherming van oudheidkundig waardevolle elementen en terreinen. Voor deze gebieden gelden specifieke voorwaarden om te mogen bouwen. Deze voorwaarden zijn opgenomen in de bouwregels Tot slot zijn voorwaardelijke verplichtingen ten aanzien van de aspecten “waterberging”, “landschappelijke inpassing”, en “geluidbelasting tuincentrum” van toepassing om te borgen dat aan deze kaders wordt voldaan indien tot oprichting en ingebruikname van woningen wordt overgegaan. Deze voorwaardelijke verplichtingen zijn als bijlage van de regels opgenomen.
68
Hoofdstuk 7 Uitvoeringsaspecten 7.1 Economische uitvoerbaarheid Dit bestemmingsplan maakt de bouw van woningen mogelijk. Op grond van artikel 6.12 Wet ruimtelijke ordening is de gemeente verplicht haar kosten te verhalen op basis van een exploitatieplan, tenzij gemeentelijk kostenverhaal anderszins is verzekerd. De gemeente Nuenen heeft voor de uitvoering van dit bestemmingsplan een anterieure overeenkomst alsmede een planschade-verhaals-overeenkomst gesloten met een ontwikkelaar, waarin de gemeente haar kostenverhaal heeft verzekerd. Hierdoor is het wettelijk niet noodzakelijk een exploitatieplan door de gemeenteraad te laten vaststellen. De gemeentelijke grondexploitatie heeft een minimaal sluitend resultaat. Daarnaast geeft de marktbehoefte de onderbouwing dat de woningen in de bestemmingsplanperiode kunnen worden gerealiseerd. De economische uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan is hiermee gewaarborgd.
7.2 Procedure en maatschappelijke uitvoerbaarheid Vooroverleg De procedures tot en met de vaststelling van een bestemmingsplan zijn door de wet geregeld. Aangegeven is dat in eerste instantie tussen gemeente en verschillende instanties, waar nodig, overleg over het plan moet worden gevoerd, alvorens het ontwerpplan ter visie gelegd kan worden. Het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.1) geeft aan dat burgemeester en wethouders bij de voorbereiding van een bestemmingsplan overleg voeren met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en met die diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. Het Waterschap De Dommel heeft per e-mail laten weten akkoord te zijn met de inhoud van de waterparagraaf en het waterhuishoudkundig plan zoals beschreven in de toelichting. De provincie is betrokken bij de afstemming over de regionale woningbouwaantallen. De wijze waarop afstemming met Provincie en regio dient plaats te vinden is in deze toelichting verwoord. Gezien de beperkte hoeveelheid woningen en de afspraken die hierover met de Provincie en de regio zijn gemaakt heeft specifieke afstemming niet plaats hoeven vinden en aldus niet plaatsgevonden. Een voorontwerp-bestemmingsplan is niet aan de provincie voorgelegd.
Inspraak Het plan is van geringe omvang met beperkte consequenties voor de locatie en omgeving. De initiatiefnemer gaat in gesprek met omwonenden. 69
Verdere procedure Het ontwerpbestemmingsplan heeft van ……………….tot ………….. voor iedereen ter inzage gelegen. Tijdens deze periode is …… zienswijze ontvangen.
70
Bijlagen bij toelichting Bijlage 1 Bijlage 2 Bijlage 3 Bijlage 4 Bijlage 5 Bijlage 6 Bijlage 7 Bijlage 8 Bijlage 9 Bijlage 10 Bijlage 11 Bijlage 12
Beeldkwaliteitsplan Boord-Kapperdoes Akoestisch onderzoek omgevingslawaai Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai Bodemonderzoek Quickscan flora en fauna Nader onderzoek vleermuizen en marterachtigen Nader onderzoek steenuil Aerius berekening Vormvrije MER beoordeling Waterhuishoudkundig plan Bouwhistorische notitie Dubbestraat 1 Mitigatieplan vleermuizen en marterachtigen
71
Bijlage 1 Beeldkwaliteitsplan Boord-Kapperdoes
72
Bijlage 2 Akoestisch onderzoek omgevingslawaai
73
Bijlage 3 Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai
74
Bijlage 4 Bodemonderzoek
75
Bijlage 5 Quickscan flora en fauna
76
Bijlage 6 Nader onderzoek vleermuizen en marterachtige
77
Bijlage 7 Nader onderzoek steenuil
78
Bijlage 8 Aerius berekening
79
Bijlage 9 Vormvrije MER beoordeling
80
Bijlage 10 Waterhuishoudkundig plan
81
Bijlage 11 Bouwhistorische notitie Dubbestraat 1
82
Bijlage 12 Mitigatieplan vleermuizen en marterachtigen
83