Rullen 15 - Bijlage 4 Ruimtelijke onderbouwing
Tekst van het document
Deze nota gaat over onroerend erfgoed, dit bestaat uit 3 typen erfgoed: • Archeologie (sporen van menselijke activiteiten in de bodem). • Gebouwd en aangelegd erfgoed (zowel gebouwen als parken, begraafplaatsen, wegen, dijken). • Historisch landschap (de historische structuren in het landschap). Borging. Bij het opstellen van het bestemmingsplan houdt de gemeente rekening met haar cultureel erfgoed door terreinen geen functie te geven die de archeologie, het gebouwde en aangelegde erfgoed of het historische landschap kunnen schaden. Onderzoeksverplichting archeologie. De archeologische beleidskaart geeft een vlakdekkend overzicht van alle bekende en verwachte archeologische waarden en verwachtingen binnen het grondgebied van de gemeente Nuenen waaraan het archeologische beleid van de gemeente is gekoppeld. In 2010 heeft de gemeente Nuenen al vrijstellingsgrenzen vastgesteld voor archeologisch onderzoek die gelden voor de verschillende aanwezige archeologische verwachtingen- en waarden binnen de gemeente.28 Het archeologiebeleid van 2023 borduurt hier op voort en maakt onderscheid in 8 gebiedscategorieën. De vrijstellingsgrenzen zijn bepaald voor zowel de diepte-ingreep als de oppervlakte-ingreep (zie tabel 1). Archeologisch onderzoek wordt noodzakelijk geacht zodra beide vrijstellingsgrenzen overschreden worden.
Onder onderzoeksverplichting wordt de verplichting verstaan om door middel van inventariserend onderzoek de archeologische waarde te laten bepalen van een terrein waarvoor een omgevingsvergunning wordt aangevraagd. Deze verplichting is afhankelijk van het risico dat de geplande ingreep voor het bodemarchief vormt, gemeten aan oppervlakte en diepte. Per categorie wordt het risico anders ingeschat. Hoe waardevoller het gebied of hoe hoger de trefkans, des te groter is het risico dat
R & S ADVIES TOELICHTING BESTEMMINGSPLAN ‘BUITENGEBIED, HERZIENING RULLEN 15’, VERSIE 26 APRIL 2024
65
een beperkte ingreep schade aanricht. Omgekeerd is er in een gebied van een minder waardevolle categorie pas bij een grote ingreep een risico op het verlies van zinvolle informatie. De systematiek is dat het al dan niet opleggen van een onderzoeksplicht eerst bepaald wordt door de oppervlakte van het plangebied, waarvoor een vergunning wordt gevraagd. Als die meer is dan de vrijstellingsdiepte voor de betreffende gebiedscategorie bepaalt vervolgens de diepte van de geplande ingreep of er een onderzoeksplicht geldt (zie handleiding archeologische beleidskaart). Na het vaststellen van de waarde en het selectiebesluit kan in tweede instantie de uitvoering van een opgraving als onderzoeksverplichting worden opgelegd, of de verplichting tot het nemen van technische maatregelen welke direct gerelateerd zijn aan de werkzaamheden waarvoor de vergunning verleend wordt. Omdat de kosten van het onderzoek (tot en met deponering van vondsten en rapportage) en van de technische maatregelen voor rekening van de initiatiefnemer zijn, is bij het bepalen van de grenzen voor de onderzoeksverplichting gezocht naar proportionaliteit. Er dient een redelijke verhouding te bestaan tussen het verwachte kennisrendement en de belasting voor vergunningvrager en ambtelijk apparaat.
In veel gevallen geldt dat een onderzoek op terreinen kleiner dan 250 m² of van een beperkte gaafheid meestal weinig meerwaarde heeft, terwijl een groot aantal van de vergunningen op een dergelijke beperkte oppervlakte betrekking heeft. Uitzonderingen bevestigen echter de regel, bijvoorbeeld bij graven, deposities of kampen van jagers-verzamelaars. Deze hebben een kleine omvang, kunnen veel (nieuwe) kennis opleveren en kunnen binnen grotere gebieden aanwezig zijn. Om te bepalen of een aanpassing van de ondergrenzen in oppervlak en diepte noodzakelijk is, is een analyse gemaakt van de archeologische onderzoeken die de afgelopen tien jaar binnen de gemeente Nuenen zijn uitgevoerd. Daarbij is gekeken naar de geldende archeologische verwachting en of en hoe vaak de verschillende archeologische onderzoeken vondsten en/of nieuwe kennis hebben opgeleverd. Uit deze evaluatie is gebleken dat de opgenomen ondergrenzen in oppervlakte en diepte, zoals die zijn vastgesteld in 2010, naar behoren functioneren zowel vanuit het oogpunt van erfgoedbescherming als belasting voor de initiatiefnemer. Alleen bij de archeologische waarden was een kleine aanpassing nodig. Net zoals bij de archeologische verwachtingen, geldt ook bij de archeologische waarden een gradatie in waardering van waardevol naar zeer hoge waarde en tot slot beschermd monument.
Deze gradatie in waardering was echter nog niet door vertaald in de ondergrenzen, waardoor het in de praktijk mogelijk was om van een middeleeuwse begraafplaats 100 m² weg te graven zonder archeologisch onderzoek. Dat is met de aanpassing, zie hieronder, nu opgelost. Tabel Categorieën en bijhorende vrijstellingsgrenzen gemeente Nuenen
R & S ADVIES TOELICHTING BESTEMMINGSPLAN ‘BUITENGEBIED, HERZIENING RULLEN 15’, VERSIE 26 APRIL 2024
66
Categorie 1. Beschermde archeologische monumenten (blauw op de kaart) Geen vrijstelling. Hier is altijd een monumentenvergunning vereist, tenzij de richtlijnen van het specifieke monument vrijstelling geven van deze vergunningplicht. Categorie 2. Gebieden van zeer hoge archeologische waarde (donker rood op de kaart) Vanwege de aanwezige concentraties aan archeologische waarden is hier een archeologisch onderzoek vereist bij bodemingrepen en te bebouwen oppervlakten van projectgebieden die groter zijn dan 10 m² en dieper gaan dan 30 cm onder maaiveld. Categorie 3. Gebieden van (hoge) archeologische waarde (licht rood op de kaart) Bij deze categorie ligt de vrijstellingsgrens op 100 m2 oppervlakte van het totaal te vergraven gebied en de diepte op 30 cm onder het maaiveld, aangezien het hier om het waardevolle delen van het bodemarchief van Nuenen gaat. Categorie 4. Historische kernen met een hoge archeologische verwachting (paars op de kaart) Bij deze categorie is de vrijstellingsgrens van de oppervlakte van het totaal te vergraven gebied verruimd tot 250 m2, aangezien het risico op verlies van waardevolle informatie hier geringer is en grotere ingrepen hier meer kennisrendement geven. Hierdoor wordt de belasting voor betrokkenen beperkt, aangezien een groot deel van de aanvragen onder deze grens vallen. De vrijstellingsgrens van 30 cm diepte blijft gehandhaafd.
De grens van 30 cm is gekozen, omdat onder deze diepte gemiddeld genomen nog volop informatie aanwezig is en omdat het bodemarchief in de regio door velerlei verstoringen al veel geleden heeft. Een diepere vrijstellingsgrens kan in kwetsbare gebieden tot onherstelbare schade leiden. Categorie 5. Gebieden met een hoge archeologische verwachting (donker oranje op de kaart) Bij deze categorie is de vrijstellingsgrens van de oppervlakte van het totaal te vergraven gebied, verruimd tot 500 m2, aangezien het risico hier geringer is dan in de eerdere categorieën, terwijl de belasting voor betrokkenen verminderd wordt. De vrijstellingsgrens van 30 cm diepte blijft gehandhaafd, om dezelfde reden als bij categorie 3. De vrijstellingsdiepte in gebieden met een esdek wordt verruimd tot 50 cm onder het maaiveld, enerzijds om de belasting voor betrokkenen te verminderen, anderzijds omdat in deze categorie relatief veel door plaggendekken afgedekte zones aanwezig zijn, hetgeen conserverend werkt voor onderliggend bodemarchief. Categorie 6.
Gebieden met een middelhoge archeologische verwachting, waaronder ook de beekdalen met een specifieke archeologische verwachting (licht oranje op de kaart) Bij deze categorie is de vrijstellingsgrens van de oppervlakte van het totaal te vergraven gebied verruimd tot 2500 m2, aangezien het risico hier geringer is dan in de eerdere categorieën, terwijl de belasting voor betrokkenen verminderd wordt. De vrijstellingsgrens van 30 cm diepte blijft gehandhaafd. De vrijstellingsdiepte in gebieden met een esdek wordt verruimd tot 50 cm onder het maaiveld, enerzijds om de belasting voor betrokkenen te verminderen, anderzijds omdat in deze categorie relatief veel door plaggendekken afgedekte zones aanwezig zijn, hetgeen conserverend werkt voor onderliggend bodemarchief. Categorie 7. Gebieden met een lage archeologische verwachting (geel op de kaart) In gebieden van deze categorie gelden geen beperkingen voor de activiteiten bouwen, slopen en aanleggen in het kader van de omgevingsvergunning. Voor een wijziging van het bestemmingsplan geldt dat, wanneer het plangebied groter is dan 24.000 m2 middels een quickscan of een bureauonderzoek een onderzoek naar de risico’s voor het bodemarchief moet worden ingesteld.
Indien hieruit blijkt dat er binnen het plangebied risico’s zijn voor het bodemarchief, kan alsnog een rapport naar de waarde van het te verstoren terrein of een deel daarvan worden verlangd. Ingrepen
R & S ADVIES TOELICHTING BESTEMMINGSPLAN ‘BUITENGEBIED, HERZIENING RULLEN 15’, VERSIE 26 APRIL 2024
67
als gevolg van een omgevingsvergunning (tbv projectbesluit) die ondieper zijn dan 40 cm onder het maaiveld gelden niet als een risico. Categorie 8. Gebieden zonder archeologische verwachting (wit op de kaart) Hier geldt geen onderzoeksverplichting. Burgemeester en Wethouders kunnen van de verplichting tot het laten uitvoeren van inventariserend onderzoek en het overhandigen van een rapport over de waarde van het terrein, vrijstelling verlenen indien een onafhankelijke deskundige het initiatief in kwestie heeft beoordeeld en heeft geconcludeerd dat geen archeologisch relevante waarden in het geding zijn. Locatietoets – erfgoedkaarten Nuenen 2022. De erfgoedwaarden op en rond de locatie Rullen 15 te Nuenen zijn in beeld gebracht middels de raadpleging van de viewer ‘Ergoedkaarten Nuenen 2022’. •
Archeologische verwachtingen – waardenkaart. Esdekkken Historische langgevelboerderij (paars) Hoge archeologische verwachtingswaarden
•
Historisch landschap
R & S ADVIES TOELICHTING BESTEMMINGSPLAN ‘BUITENGEBIED, HERZIENING RULLEN 15’, VERSIE 26 APRIL 2024
68
•
Cultuur historische waardenkaart 2020 Langgevelboerderij: Historische bouwkunst (hoge waarde, geen rijks-/gemeentelijk monument) Bestemmingsvlak in vlak met cultuurhistorische waarden Achterliggende landerijen in vlak met aardkundig waardevol gebied.
Conclusie Het plangebied Rullen 15 te Nuenen kenmerkt zich op basis van de volgende ‘Erfgoedwaarden’ Aardkundige waarden. De provincie Noord-Brabant heeft in Nuenen één aardkundig waardevol gebied aangewezen. Het gaat om de Dommel, Vresselsche Bosch, Breugelse Beemden, Nuenens Broek; een erg groot gebied dat zich ver buiten de gemeentegrenzen uitstrekt. Het gaat hier om een waardevol klein rivierdal in dekzandlandschap, met verscheidenheid aan fluviatiele landvormen, en bijhorende aardkundige (en cultuurhistorische) landschapselementen in de directe omgeving. Het Breugels Broek en het Nuenens Broek zijn vlakke, laaggelegen komvormige gebieden waar de slecht doorlatende Brabantse Leem dichtbij de oppervlakte voorkomt. Dit bemoeilijkt de waterhuishouding en maakt deze gebieden erg vochtig. Voor de aardkundige waarden zal in het bestemmings-/omgevingsplan een beschermende regeling opgenomen moeten worden. Het gaat om instructieregels vanuit de provinciale omgevingsverordening. Dit houdt in dat in dit gebied de reliëfverschillen niet mogen worden ver- of afgegraven of anderszins aangetast (ontgrondingen / ophogingen), met name de natuurlijke overgang rivierdal-dekzandlandschap moet beschermd worden (steilranden, dalglooiing, etc.).
Verder mag uitbreiding van bebouwing en infrastructuur (met name op de hogere delen) niet ten koste gaan van de kenmerkende landschapsstructuren en zichtrelaties. De historische bolle akkers en historische beemdenpercelering mogen ook niet worden aangetast (door o.a. bebouwing).
R & S ADVIES TOELICHTING BESTEMMINGSPLAN ‘BUITENGEBIED, HERZIENING RULLEN 15’, VERSIE 26 APRIL 2024
69
Het plangebied Rullen 15 grenst aan het landerijen die zijn gelegen in het gebied met aardkundige waarden. De herontwikkeling van het plangebied schaad het vlak met aardkundigen waarden niet. Historisch landschap. De plangebied Rullen 15 is grotendeels gelegen op agrarische Esdek – gronden. Het plangebied was aan de achterzijde voor 1850-1900 in gebruik als bos. Historisch bouwkunst, langgevelboerderij (geen monument). Voor de rijks- en gemeentelijke monumenten en de waardevolle historische bouwkunst worden in het bestemmingsplan maatwerkregels opgenomen. De bedrijfswoning Rullen 15 is een langgevelboerderij met een hoge waarde van historisch bouwkunst (geen monument). Door de herontwikkeling van het plangebied blijft de langgevelboerderij ongewijzigd gehandhaafd en de bebouwing blijft op geruime afstand van de historische langevelboerderij. Hoge archeologische verwachtingswaarden. De terreinen met een hoge verwachting buiten de dorpskernen liggen in zones van het landschap waar de meeste archeologische vindplaatsen verwacht mogen worden. De uitgestrektheid van het gebied met een hoge archeologische verwachting houdt een direct verband met de ligging van de regio op een groot aantal langgerekte vruchtbare dekzandruggen met de aanwezigheid van laaggelegen beemden en een uitgestrekt heidegebied. De locatie Rullen 15 is gelegen in categorie 5 ‘Hoge archeologische verwachting’.
Een archeologisch onderzoek is vereist bij ontgravingen dieper dan 50 cm (bij esdek) en vergraving van meer dan 500 m². Voor dit plangebied is een archeologisch onderzoek overlegd (Econsultancy, rapportnr. 16226.001 d.d. 14 maart 2024). De conclusie is dat op basis van de waargenomen bodemverstoringen (sloop voormalige stallen) en de aanwezigheid van relatief natte zandafzettingen in de ondergrond, kan worden geconcludeerd dat archeologische waarden niet (meer in situ) worden verwacht. Op grond van de resultaten van het bureau- en veldonderzoek adviseert Econsultancy om het plangebied vrij te geven.
4.5.3 Beleidsnota Erfgoed Om de archeologische waarden en verwachtingen veilig te stellen, zijn dubbelbestemmingen opgenomen voor de verschillende zones uit de gemeentelijke archeologische beleidskaart. Op deze gronden gelden beperkingen ten aanzien van het bouwen voor de met deze samenvallende bestemmingen. Bouwen is uitsluitend toegestaan indien uit onderzoek blijkt dat er geen archeologische waarden aanwezig zijn of dat de waarden voldoende worden veilig gesteld. Daarnaast geldt er een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van bepaalde werken, geen bouwwerk zijnde, of van bepaalde werkzaamheden. Het archeologiebeleid is vertaald in het bestemmingsplan ‘Buitengebied Nuenen’.
R & S ADVIES TOELICHTING BESTEMMINGSPLAN ‘BUITENGEBIED, HERZIENING RULLEN 15’, VERSIE 26 APRIL 2024
70
Bestemmingsplan ‘Buitengebied Nuenen’ Uit paragraaf 3.4.2 is gebleken dat de locatie met zes verschillende dubbelbestemmingen is aangeduid. Echter liggen drie van deze dubbelbestemming voor een der mate klein gedeelte in het bouwvlak én hebben de ontwikkelingen geen betrekking op dat gedeelte van het bouwvlak dat het niet relevant is om deze regels toe te lichten. Hierdoor blijven onderstaande aanduidingen over:
Figuur 12: Waarde - Archeologie 3b hoge verwachting met esdek
Waarde - Cultuurhistorie historische verkaveling
Waarde - Cultuurhistorie akkebouwcomplex
Gebieden in bovenstaanden waarden zijn voornamelijk aangewezen voor de bescherming en veiligstelling van: archeologische waarden, verkavelingsstructuur, kleinschaligheid van het landschap, de openheid en het reliefrijke karakter van het akkerbouwcomplex. Om voornamelijk de archeologische waarden te beschermen zijn er tevens regels opgenomen betreft de maximale oppervlakte en graafdiepte van de beoogde onwikkeling. Op het moment dat er graafwerkzaamheden groter dan 500 m2 én dieper dan 0,5 meter in ongeroerde grond plaats vinden is archeologisch onderzoek vereist. Om de varkenshouderij te saneren zal er dieper dan 0,5 meter gegraven worden én is betreffend oppervlak meer dan 500 m2, dit betreft echter zogenoemde geroerde grond waardoor ervoor het saneren van de varkenshouderij geen archeologisch onderzoek vereist is. De realisatie van de rundveestal(800 m2) vindt echter plaats in ongeroerde grond, waardoor er een archeologisch onderzoek vereist is. Dit onderzoek is door Ecoconsultancy uitgevoerd (zie bijlage 17) Er dient een onderscheid gemaakt te worden tussen het onderzoeksgebied en het plangebied. Het plangebied is het gebied waarbinnen feitelijk de bodemverstorende ingreep gaat plaatsvinden. Het onderzoeksgebied is het gebied waarover informatie is verzameld om een goed beeld te krijgen van de archeologische waarden binnen het plangebied.
Dit gebied is groter dan het plangebied. In het huidige onderzoek betreft het onderzoeksgebied het gebied binnen een straal van circa 1.000 meter rondom het plangebied De initiatiefnemer heeft voornemens om een rundveestal te realiseren. Om deze ontwikkeling mogelijk te maken, moet eerst een wijziging van het bestemmingsplan worden doorgevoerd. Hierbij moet ook inzichtelijk te worden gemaakt welke archeologische waarden binnen het plangebied kunnen worden verwacht. De noodzaak tot archeologisch onderzoek vloeit voort uit het Verdrag van Malta (1992) en de Wet ruimtelijke ordening (Wro, 2006). Het archeologisch onderzoek is noodzakelijk om te bepalen of er archeologische waarden aanwezig zijn binnen het plangebied en of deze door de voorgenomen bodemingrepen kunnen worden aangetast. Het toekomstige gebruik/inrichting van het plangebied kan gevolgen hebben op het in-/ex-situ behoud van de archeologische waarde. In het plangebied is de bouw van een rundveestal gepland. Hierbij zal het gehele plangebied met een oppervlakte van 800 m2 worden bebouwd tot een diepte van 60 cm
R & S ADVIES TOELICHTING BESTEMMINGSPLAN ‘BUITENGEBIED, HERZIENING RULLEN 15’, VERSIE 26 APRIL 2024
71
beneden maaiveld (zie bijlage 17). De geplande werkzaamheden kunnen tot gevolg hebben dat eventueel aanwezige archeologische waarden worden verstoord. Doel van het bureauonderzoek is een antwoord te vinden op de vraag wat de gespecificeerde archeologische verwachting voor het plangebied is. Dit wordt uitgevoerd door middel van het verwerven van informatie, aan de hand van bestaande bronnen, over bekende en verwachte archeologische waarden. Het inventariserend veldonderzoek (IVO-overig, verkennende fase) heeft tot doel de in het bureauonderzoek opgestelde gespecificeerde archeologische verwachting aan te vullen en te toetsen door middel van boringen. Het veldonderzoek heeft tot doel antwoorden te vinden op wat de bodemopbouw is binnen het plangebied en wat de gevolgen zijn van het in het plangebied aangetroffen bodemprofiel voor de gespecificeerde archeologische verwachting. Met de resultaten van het archeologisch onderzoek kan worden vastgesteld of binnen het plangebied archeologische waarden aanwezig (kunnen) zijn en of vervolgonderzoek dan wel planaanpassing noodzakelijk is. Op basis van de waargenomen bodemverstoringen en de aanwezigheid van relatief natte zandafzettingen in de ondergrond, kan worden geconcludeerd dat archeologische waarden niet meer in situ worden verwacht.
Op grond van de resultaten van het bureau- en veldonderzoek adviseert Econsultancy om het plangebied vrij te geven (zie bijlage 17). De resultaten van onderhavig onderzoek dienen te worden beoordeeld door de bevoegde overheid (gemeente Nuenen, Gerwen en Nederwetten). De bevoegde overheid neemt vervolgens een besluit. Mochten tijdens de graafwerkzaamheden toch archeologische waarden worden aangetroffen, dan dient hier-van melding te worden gemaakt conform artikel 5.10 van de Erfgoedwet uit juli 2016 bij het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed).
Advies Op basis van het archeologisch bureauonderzoek en verkennend booronderzoek rapportnr. 16226.001 van 14 maart 2024, wordt een archeologische verwachtingskaart voor het totale plangebied opgesteld, die vervolgens als onderlegger gebruikt kan worden voor de verbeelding /dubbelbestemming archeologie.
R & S ADVIES TOELICHTING BESTEMMINGSPLAN ‘BUITENGEBIED, HERZIENING RULLEN 15’, VERSIE 26 APRIL 2024
72
4.6 Cultuurhistorie 4.6.1
Cultuur historische waardenkaart 2016 Noord-Brabant
De provincie ziet het Brabantse erfgoed als belangrijk onderdeel van haar identiteit en wil het een plaats geven in de verdere ontwikkeling van Brabant. Daarom heeft ze haar ruimtelijk erfgoed opgenomen op de Cultuurhistorische Waardenkaart (CHW). De CHW is vastgesteld in 2010 en op kleine onderdelen aangepast in de herziening van 2016.
Rullen 15
Figuur 13: Cultuur historische waardenkaart 2016 - Noord-Brabant
Volgens de Cultuurhistorische Waardenkaart 2016(Noord-Brabant) is de planlocatie gelegen in een cultuurhistorisch waardevol gebied én in een omgeving dat zowel cultuurhistorische als archeologische landschappen heeft. Concreet betekent dit dat er in deze gebieden rekening gehouden moet worden met archeologische waarden, historische stedenbouw, rijksmonument en archeologische monumenten. De gebouwen aan Rullen 15 zijn niet aangemerkt als cultuurhistorisch waardevol(figuur 13). In een gebied met cultuurhistorisch landschap moeten ontwikkelingen zijn gericht op het behoud / herstel van de cultuurhistorische waarden en kenmerken. Door de herontwikkeling van deze bedrijfslocatie worden de gebiedswaarden niet aangetast maar verder versterkt als gevolg van een passende landschappelijke inpassing. - De herontwikkeling (gebouwen en voorzieningen) blijft binnen de bebouwingscontouren van de voormalige bebouwing; - Het landschapsplan draagt bij aan de verdere versterking van de ecologische verbindingszone en het terugbrengen van het kleinschalige cultuurhistorisch landschap. - De kleinschalige verkaveling van percelen begint oorspronkelijk achter de oorspronkelijke bebouwing. De percelen aan de Rullen hebben van oorsprong een openlandschap structuur
R & S ADVIES TOELICHTING BESTEMMINGSPLAN ‘BUITENGEBIED, HERZIENING RULLEN 15’, VERSIE 26 APRIL 2024
73
De herontwikkeling van de locatie Rullen 15 tast historische gebiedswaarden niet aan en wordt versterkt door de landschappelijke inpassing. De historische lijnen en landschap worden versterkt.
R & S ADVIES TOELICHTING BESTEMMINGSPLAN ‘BUITENGEBIED, HERZIENING RULLEN 15’, VERSIE 26 APRIL 2024
74
5
Milieuaspecten
5.1
Water
Per 1 november 2003 is het verplicht om bij ruimtelijke ingrepen de watertoets te doorlopen. Hierin dient inzicht worden geboden in de effecten van het initiatief op de waterhuishouding. In het kader van de watertoets dient de gemeente wateradvies in te winnen bij de waterbeheerder. De gemeente en het waterschap kunnen praktische afspraken maken over de wijze waarop het aspect water in het ruimtelijk plan is opgenomen.
5.1.1 Waterprogramma 2022-2027 Het waterbeheerplan (WBP5) ‘Water als basis voor een toekomstbestendige leefomgeving’ is een strategisch document. Hierin geeft het waterschap De Dommel aan wat haar doelen zijn voor de periode 2022-2027 en laat ruimte voor initiatieven en kansen om hierop in te spelen. Het water- en bodemsysteem is onontbeerlijk voor een gezonde en leefbare ruimtelijke inrichting van Noord-Brabant. Meer dan ooit is het belangrijk om rekening te houden met het concept van de lagenbenadering om een toekomstbestendige leefomgeving te waarborgen. Door klimaatverandering en ruimtelijke druk, staat immers de veerkracht van het water en bodemsysteem onder druk. De lagenbenadering beschrijft de ruimte in drie lagen. De eerste laag bestaat uit de fysieke ondergrond, het water- en bodemsysteem. De tweede laag bevat netwerken van infrastructuur met onder meer wegen, spoorlijnen en waterwegen. Tot slot de derde laag met de menselijke activiteiten zoals wonen, werken en recreëren en de fysieke neerslag daarvan. Ruimtelijke planning en gebiedsontwikkeling is een proces waarin continu keuzes worden gemaakt. De lagenbenadering helpt in dit keuze- en afwegingsproces en dient als kwaliteitskader voor alle (ruimtelijke) plannen. Elke laag draagt bij aan de ontwikkeling. De lagenbenadering betekent wel dat een onderliggende laag voorwaarden stelt aan andere lagen.
Zeker vanuit een perspectief van duurzame ontwikkeling zijn veerkracht en omkeerbaarheid van ingrepen belangrijke gegevenheden. Met het Waterbeheerprogramma 2022-2027 start Waterschap De Dommel met de ‘watertransitie’; op weg naar een toekomstbestendige waterhuishouding. Uiterlijk in 2050 is de waterhuishouding in ons hele beheergebied toekomstbestendig. Dit betekent een waterhuishouding die in een goede waterkwaliteit voorziet. En een waterhuishouding die robuust, wendbaar en in balans is met de omgeving. Zowel in het bebouwde als het landelijke gebied en van de beekdalen tot en met de hoge zandruggen. Het grond- en oppervlaktewatersysteem kan de grotere weersextremen opvangen door maximaal gebruik te maken van de dempende sponswerking van de bodem/ondergrond en de natuurlijke hoogteverschillen voor het vasthouden van water. We hanteren drie principes die inhoudelijke sturing geven aan de watertransitie: • Elke druppel vasthouden en infiltreren waar deze valt • Functies passen zich aan het bodem- en watersysteem aan • Wat schoon is moet schoon blijven We moeten ons, nog meer dan voorheen, aanpassen aan de veranderende leefomgeving en op zoek gaan naar nieuwe oplossingen en antwoorden. Juist de voor Midden-Brabant zo karakteristieke verwevenheid van bebouwing, landbouw en natuur is een kans om de wateropgaven slim in te passen.
Dit vereist een integrale, gebiedsgerichte aanpak samen met alle partijen. Een gebiedsgerichte aanpak is alleen succesvol als naast de wateropgaven ook de opgaven vanuit natuur, stikstof, economie, landbouwtransitie, energietransitie, biodiversiteit, mobiliteit en woningbouw onderdeel van de aanpak zijn. Niet sectoraal, maar integraal. Alleen dan gaan we oplossingen vinden voor een leefbaar
R & S ADVIES TOELICHTING BESTEMMINGSPLAN ‘BUITENGEBIED, HERZIENING RULLEN 15’, VERSIE 26 APRIL 2024
75
Midden-Brabant met een duurzaam en toekomstbestendig watersysteem dat goed is voor inwoners, bedrijven, landbouw en natuur. De grote uitdaging zit hem vooral in de vraag hoe we dit gaan bereiken. Meer dan voorheen gaan we daarbij: ▪ van beekdalgericht naar gebiedsgericht; onze aandacht gaat naast het beekdal ook uit naar de flanken, de hoge zandruggen en bebouwd gebied. ▪ van sectoraal naar integraal; samen met overheden en gebiedspartners maken we keuzes over meerdere opgaven in een gebied. ▪ van water afvoeren naar elke druppel telt; maximaal water conserveren, minder grondwater gebruiken en slimmer sturen.
5.1.2 Keur Waterschap De Dommel 2015 In de 'Keur Waterschap De Dommel 2015' staan regels (met name geboden en verboden) die het waterschap hanteert bij de bescherming van waterkeringen, watergangen en bijbehorende kunstwerken. Ook zijn er regels voor het onderhoud van sloten, beken en andere waterlopen om de waterafvoer in dit oppervlaktewater te waarborgen. Daarnaast kent de Keur beleidsregels voor het beschermen van bepaalde deelgebieden met elk een eigen beschermingsbeleid. Het gaat hierbij om beschermde gebieden waterhuishouding, beekdalen en attentiegebieden. Met deze beleidsregels wordt aangegeven op welke wijze gebiedsgericht wordt omgegaan met waterbelangen. Realisatie van nieuw verhard oppervlak en het afkoppelen van verhard oppervlak moet op grond van de keur hydrologisch neutraal worden uitgevoerd en optimaal worden ingepast in het bestaande watersysteem. De aanvrager/initiatiefnemer moet daarom voldoende compenserende maatregelen nemen, zodat het oppervlaktewatersysteem na realisatie van de verharding voldoende robuust blijft. Uitgangspunt hierbij vormt de voorkeurstrits “vasthouden-bergen-afvoeren”. Vasthouden kan door hergebruik of door het infiltreren van water in de bodem. In geval niet of onvoldoende kan worden geïnfiltreerd is een aanvullende voorziening noodzakelijk die het water tijdelijk bergt. .
5.1.3 Huidige waterhuishoudkundige situatie Ligging en gebruik Het plangebied is gelegen in het landelijk gebied van de gemeente Nuenen en maakt onderdeel uit van het agrarisch gebied. De omgeving is landelijk. Bodem en grondwater De bodem in het plangebied bestaat uit voedsel rijk en vochtig tot droge esdekgrond. De grondwaterstanden is voor het plangebied globaal als volgt: • Gemiddeld Hoogste Grondwaterstand 60 - 100 cm-mv Na realisatie val alle beoogde ontwikkelingen is sprake van een toename van het bebouwd oppervlak. Deze toename heeft gevolgen op het infiltreren van hemelwater. Aangezien op basis van bodemgesteldheid en grondwaterstanden er kan worden geconcludeerd dat de locatie geschikt is voor het infiltreren van het hemelwater afkomstig van de bedrijfsbebouwing. Als voorwaardelijke verplichting is in de planregels opgenomen dat bij een toename van meer de 500 m² verhard oppervlak
R & S ADVIES TOELICHTING BESTEMMINGSPLAN ‘BUITENGEBIED, HERZIENING RULLEN 15’, VERSIE 26 APRIL 2024
76
het hemelwater (60 mm/m² toename verharding) moet kunnen infiltreren in een wadi met een diepte van maximaal 60 cm-mv).
A-/B-watergangen In de nabijheid van het plangebied zijn B-watergangen gelegen. Beoogde ontwikkelingen laten deze watergangen geheel in stand, ook bij de realisatie van de EVZ. Kaart-B-watergangen
Grondwaterbescherming Het plangebied is gelegen in een waterwingebied(voor menselijke consumptie), zeer kwetsbare gebieden WAV 250 meter-zone en een boringsvrije zone, zoals deze zijn vastgelegd in de Provinciale Milieuverordening (PMV) van de provincie Noord-Brabant. Hieronder wordt onderzocht of de gebieden enige belemmering kunnen veroorzaken voor het realiseren van de plannen. Waterwingebied: Op basis van de provinciale regels (afdeling 2.1 betreft waterwinning voor menselijke consumptie) zullen de voorgenomen ontwikkelingen geen nadelige invloed hebben de waterwinning. De toekomstige activiteiten zijn niet in strijd met de provinciale regels. Zeer kwetsbare gebieden WAV 250 meter-zone: Binnen een zeer kwetsbaar gebied, en de 250 meter zone rondom, is oprichten van dierenverblijven slechts beperkt mogelijk. De toets hiervan staat in paragraaf 3.5.8 van het Activiteitenbesluit. Kort samengevat is het in WAV 250 meter-zone niet mogelijk om een nieuw dierenverblijf op te richten,
R & S ADVIES TOELICHTING BESTEMMINGSPLAN ‘BUITENGEBIED, HERZIENING RULLEN 15’, VERSIE 26 APRIL 2024
77
tenzij dit gebeurt binnen een bestaand stikstofplafond. Wat in onderhavig geval van toepassing is, door het saneren van de varkenshouderij. Daarnaast blijkt uit paragraaf 5.2.2 dat de totale uitstoot van de nieuwe activiteiten onder het stikstofplafond blijven. Boringsvrije zone: De provincie stelt in de Provinciale Milieuverordening (PMV) voor aangewezen gebieden (beschermingszones) regels ter bescherming van het grondwater met het oog op de waterwinning. Uit de regels van Interim omgevingsverordening Noord-Brabant blijkt dat ter plaatse van Rullen 15 tot een diepte van 90 meter geboord mag worden. Aangezien de ontwikkelingen geen betrekking hebben op activiteiten t.b.v. boringen, worden er geen belemmeringen verwacht. Oppervlaktewater De projectlocatie is omgeven door (droogvallende) kavelsloten, greppels en/of waterlopen. Aan de zuidzijde van het plangebied is een B-watergang gelegen. Riolering De bedrijfswoning is aangesloten op de bestaande riolering (drukriolering) van de gemeente Nuenen. Hemelwater wordt niet afgevoerd naar de riolering, de hemelwaterafvoerbuizen vloeien over het terrein waarna het de bodem kan infiltreren.
5.1.4 Water in relatie tot de beoogde ontwikkeling Hydrologisch Neutraal ontwikkelen In het kader van ruimtelijke ontwikkelingen is een watertoets verplicht. Ruimtelijke ontwikkelingen dienen zodanig te worden vormgegeven dat er geen negatieve gevolgen ontstaan voor de plaatselijke waterhuishouding en de waterhuishouding in de omgeving. Zo mag een ruimtelijk plan niet tot een structurele verandering van de grondwaterspiegel leiden of tot een structurele toename van het afvloeiend hemelwater naar het omliggende watersysteem leiden. Ook mag de kwaliteit van gronden oppervlaktewater niet worden aangetast. Kort gezegd dient een ruimtelijke ontwikkeling zoveel mogelijk ‘hydrologisch neutraal’ te geschieden. Bestaand situatie verhard oppervlak De oppervlakte daken , erfverharding en onverhard terrein is in beeld gebracht voor de bestaande situatie voor de sloop van de varkenshouderij en de beoogde situatie. Oppervlakte bebouwing (daken) en verharding: *Referentie: (zie paragraaf 2.1)
R & S ADVIES TOELICHTING BESTEMMINGSPLAN ‘BUITENGEBIED, HERZIENING RULLEN 15’, VERSIE 26 APRIL 2024
78
Bebouwing (= daken) Verharding
: 8.784,0 m² : 6.704,0 m²
Totaal: 15.488 m² verharding Nieuwe situatie verhard oppervlak Nog niet gebouwd, conform vergunning activiteit BOUW
Tuin niet verhard
Nog niet gebouwd, nog geen vergunning activiteit BOUW
Bebouwing (= daken)
Verharding Zonnepark
gebouw woning : 229,0 m² gebouw agrarisch : 4.200,5 m² gebouw nevenactiviteit : 2.838,5 m² (bouwbloak 1,6 hectare – tuin) : 6.346,0 m² : 3.200,0 m²
Totaal: 16.814 m² verharding
R & S ADVIES TOELICHTING BESTEMMINGSPLAN ‘BUITENGEBIED, HERZIENING RULLEN 15’, VERSIE 26 APRIL 2024
79
Tabel. Overzicht verdeling verhard oppervlak Referentie m² Daken 8.784 Terrein verharding 6.704 Zonnepark 0 Onverhard terrein 8.512 24.000 m² Toename verhard oppervlak
Toekomstig m² 7.268 6.346 3.200 7.186 24.000 m² + 1.326 m²
Hemelwaterafvoer Het plangebied valt in de groenblauwe mantel op basis van de Iov. In artikel 3.32 zijn instructieregels opgenomen voor gemeenten. Deze zijn door vertaald in het bestemmingsplan en stelt regels ter bescherming van de ecologische , landschappelijke en hydraulische waarden en kenmerken van het gebied. Als voorwaardelijke verplichting is in de planregels opgenomen dat voor de toename van het verhard oppervlak met 1.326 m², een waterbergende voorziening te realiseren van 60 mm per m² verhard oppervlak, het geen overeen komt met 80 m³. Hierdoor is het in beginsel noodzakelijk om compenserende maatregelen te realiseren. Het hemelwater afkomstig van de zonnepanelen zal hoofdzakelijk ter plaatse infiltreren in de bodem en het hemelwater van de bedrijfsgebouwen zal infiltreren in het omringende terrein en/of wordt geleid naar de ‘wadi’. Het hemelwater wordt NIET afgevoerd naar omliggende Ter plaatse bedraagt de GHG 80-100 – mv. Uitgaande van een GHG van 80 cm-mv volstaat een infiltratie-voorziening van 100 m². De bestaande voorziening wordt vergroot.
Vuilwaterafvoer Met de ontwikkeling is geen toename van de vuilwaterafvoer gemoeid. Er zijn echter geen capaciteitsproblemen te verwachten op dit vlak. De huidige drukriolering is van voldoende omvang om een eventuele toename van de vuilwaterafvoer aan te kunnen. Waterkwaliteit Zoals in buitengebieden gebruikelijk, zal afvloeiend hemelwater niet worden afgevoerd via de riolering. Hemelwater van daken zal ter plaatse in het milieu worden gebracht. Voor het waarborgen van een goede grond- en/of oppervlaktewaterkwaliteit is het van groot belang dat oppervlakken waarvan water afstroomt niet worden vervaardigd van uitlogende bouwmaterialen (zoals koper, lood en zink), zonder dat daarbij gebruik wordt gemaakt van een coating. Conclusie: De huidige waterhuiskundige situatie is van voldoende omvang, de afname van verhard oppervlak zal hierdoor geen problemen opleveren voor het realiseren van beoogde ontwikkelingen. Daarnaast zal de bebouwing worden vervaardigd van niet uitlogende bouwmaterialen. In zekere zin zal de ontwikkeling positief voor de plaatselijke waterhuishouding worden ervaren.
R & S ADVIES TOELICHTING BESTEMMINGSPLAN ‘BUITENGEBIED, HERZIENING RULLEN 15’, VERSIE 26 APRIL 2024
80
5.2
Natuur
Sinds 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming van kracht. Deze vervangt 3 wetten; de Natuurbeschermingswet 1998, de Boswet en de Flora- en Faunawet.
5.2.1 Wet natuurbescherming, gebiedsbescherming Natura2000 De Wet natuurbescherming bevat specifieke regels voor de aanwijzing, het beheer en de, waaronder een groot aantal gebieden die als essentieel leefgebied dienen voor vogels. Het belangrijkste rechtgevolg van de aanwijzing als Natura 2000-gebied is dat er een vergunningplicht geldt voor alle activiteiten die mogelijk schade kunnen toebrengen aan een gebied. De wet biedt geen bescherming aan andere natuurgebieden, maar vereist wel van provincies dat zij gebieden aanwijzen voor het natuurnetwerk Nederland en verleent hen de bevoegdheid om bijzondere provinciale natuurgebieden en bijzondere provinciale landschappen aan te wijzen. De Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit kan daarnaast op grond van de wet nationale parken aanwijzen die vooral een educatieve en communicatieve functie hebben. De voormalige beschermde natuurmonumenten zijn met bijbehorende doelen opgeheven met de inwerkingtreding van de Wet natuurbescherming. Ondanks dat de Natura2000 gebieden ‘Strabrechtse Heide & Beuven (ca. 9,6 km) en ‘Leenderbos, Groote Heide & De Plateaux ’ (ca. 10,7 km) op ruime afstanden liggen, zouden de toekomstige activiteiten en de sloop- en realisatiewerkzaamheden invloed kunnen hebben op de omliggende beschermende gebieden. In de volgende paragraaf zal d.m.v.
een Aerius berekening onderzocht worden wat voor invloed deze wijziging uitoefent op het omliggende Natura2000 gebied.
Rullen 15
Strabrechtse Heide & Beuven Leenderbos, Groote Heide & De Plateaux
Figuur 14: Omliggende Natura2000 gebieden
R & S ADVIES TOELICHTING BESTEMMINGSPLAN ‘BUITENGEBIED, HERZIENING RULLEN 15’, VERSIE 26 APRIL 2024
81
5.2.2 Gebiedsbescherming Beoordeeld dient te worden of er in het kader van de plantoets een Passende beoordeling nodig is. De berekening van het planeffect (stikstof depositie) is met de meest recente versie van AERIUS herberekend. Wanneer er een herontwikkeling plaats vindt, moet er worden berekend of als gevolg van deze wijziging er een significant negatief effect optreedt op omringende natuurgebieden ten aanzien van stikstofdepositie. Met behulp van de Aerius calculator (versie 2021) wordt berekend of er sprake is van een (negatief) effect. Als gevolg van de voorgenomen ontwikkelingen zijn er meerdere berekeningen uitgevoerd. Verschilberekening herontwikkeling Om te onderzoeken of er een toename van depositie optreedt nadat de beoogde herontwikkeling gerealiseerd zijn, is er een verschilberekening uitgevoerd. Deze berekening is uitgevoerd door de uitstoot van de vergunde situatie te vergelijken met de verwachte uitstoot in de beoogde situatie. -Referentie De Heydehoeve B.V. beëindigd aan de Rullen 15, 5674 PC te Nuenen de gehele varkenshouderij (intensieve veehouderij) als gevolg van de deelname aan de Sanering Regeling Varkenshouderij (SRV). In het kader van de SRV moet de Omgevingsvergunning betreft het houden van varkens geheel worden ingetrokken.
Echter voor de herontwikkeling (akkerbouw, opslagverhuur en het houden van overig rundvee) wordt conform de SRV en de provinciale IOV (art. 2.7 lid 10 onder b) 15% van de stikstof op basis van de laatst verleende Wnb-vergunning ingezet / kan worden behouden (referentie) op dezelfde bedrijfslocatie voor de planologische opvolgfunctie. Op 24 februari 2021 geeft de ODBN namens de provincie Noord-Brabant per mail aan dat met LNV is overeengekomen dat de overgebleven milieuvergunning (varkens) na gedeeltelijke intrekking, niet gekort wordt op de subsidie. De met LNV afgesproken werkwijze is: ‘De overeengekomen werkwijze is als volgt. De ondernemer verzoekt om de bestaande Wnbaanvraag om te zetten naar een gedeeltelijke intrekking. De Wnb-aanvragen van deelnemers aan de warme sanering varkenshouderij worden vervolgens middels een gedeeltelijke intrekking van de bestaande Wnb-vergunning zodanig gekort dat de beoogde situatie past binnen maximaal 15% van de vergunde emissie (minimaal 85% wordt dus ingetrokken). Daarbij blijft er in de Wnbvergunning die dan overblijft op papier nog wel sprake van een intensieve veehouderij; echter is het natuurlijk vanuit alle andere voorwaarden van de subsidieregeling niet meer mogelijk om varkens te houden op de locatie. Dit wordt ook zo gecontroleerd door de NVWA op de locatie zelf.
Het behouden van het houden van varkens op de Wnb-vergunning is dan puur op papier nog mogelijk. Dit besluit kan vervolgens gebruikt worden om de nieuwe activiteit daarbinnen plaats te laten vinden vanuit de Wnb.’ Vervolgens is verzocht om de vergunning Wet Natuurbescherming d.d. 13 augustus 2013 / kenmerk: C2070104 betreft de veehouderij aan de Rullen 15 te Nuenen in het kader van de ‘Saneringsregeling Varkenshouderij’ (SRV) GEDEELTELIJK in te trekken EN voor het houden van 2.238 gespeende biggen in stal 3, de vergunning in stand te laten. Er resteert een emissie van 469,98 kg ammoniak (15%) op basis van 2.238 gespeende biggen, Rav-code D 1.1.15.2 * 0,210 (emissiefactor kg/dier/j). Hierbij is expliciet in de beschikking expliciet opgenomen dat 15% van de totale ammoniakemissie (469,98 kg NH3) beschikbaar zijn voor de herontwikkeling aan de Rullen 15 te Nuenen, conform het besluit van 31 maart 2021 (kenmerk Z/138033-256677).
R & S ADVIES TOELICHTING BESTEMMINGSPLAN ‘BUITENGEBIED, HERZIENING RULLEN 15’, VERSIE 26 APRIL 2024
82
Tevens moet de gedeeltelijke intrekking (besluit maart 2021) ook beschouwd worden als planologische legale situatie aangezien op het moment van indienen van dit plan (26 februari 2021) alle stallen nog in werking waren, zie foto 22 februari 2021. -Beoogde situatie Als beoogde situatie zijn de stikstofemissiebronnen opgenomen zoals uit de plattegrond en bedrijfsontwikkelingsplan zijn te herleiden. Beide documenten zijn bijgevoegd als bijlagen.
-Projecteffect _ gebruiksfase In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient een ‘projecteffect berekening’ uitgevoerd te worden. Door middel van deze berekening wordt onderzocht of de beoogde situatie ontwikkeling vergunningsplichtig is. Deze berekening is terug te vinden in de bijlage. Hieruit blijkt dat de ontwikkeling een berekende depositie van oplevert, waardoor de herontwikkeling o.b.v. Wnb vergunningsplichtig is. Echter na het uitvoeren van een verschilberekening blijkt dat de ontwikkeling niet bijdraagt aan een toename van depositie op de omliggende Natura2000 gebieden. Dit betekent dat een vergunningplicht Wnb Natura2000 niet aan de orde is in het kader van intern salderen (uitspraak 201907146/1/R2). Om de beoogde verandering in beeld te brengen is een verschilberekening gemaakt met: * effecten binnen straal 25 km: Verschilberekening AERIUS_bijlage_20220802101827_beoogde situatie_kenmerk: S4qubYSNiP7W * effecten buitenlandse gebieden: Verschilberekening AERIUS_bijlage_20220802103817_beoogde situatie_kenmerk: Rm2x9SfbK1RV -Projecteffect_aanlegfase (niet van toepassing) De sloop- en bouwvergunningen zijn reeds verleend (bijlagen 11, 13 en 14), waardoor het uitvoeren van effectberekeningen m.b.t. de sloop- en realisatiefase niet van toepassing is. Op 1 juli 2021 is de wet Stikstofreductie en Natuurverbetering in werking getreden.
In de wet is een vrijstelling opgenomen voor bouw-sloop en éénmalige aanlegactiviteiten. Hierdoor is het in beeld brengen van mogelijks stikstofdepositie voor de aanlegfase voor de beoogde verandering komen te vervallen. Daarnaast zullen tijdens de aanlegfase geen emissie optreden welke zijn opgenomen in de beoogde gebruiksfase. Aangezien het een reële verwachting is dat de emissies vanuit de aanlegfase lager zullen zijn als de beoogde gebruiksfase kan worden geoordeeld dat de effecten stikstof ten aanzien van de aanlegfase niet zullen bijdragen aan een verslechtering op de omliggende Natura2000 gebieden.
R & S ADVIES TOELICHTING BESTEMMINGSPLAN ‘BUITENGEBIED, HERZIENING RULLEN 15’, VERSIE 26 APRIL 2024
83
Aerius calculator rekent op de Natura2000 gebieden binnen Nederland. Echter zijn er ook Natura2000 gebieden gelegen binnen de 25 kilometergrens van de inrichting welke in België zijn gesitueerd. Om de beoogde verandering op deze gebieden in beeld te brengen is een Aerius calculator berekening bijgevoegd doormiddel van eigen rekenpunten op deze betreffende gebieden. De berekening is bijgevoegd als bijlage. Conclusie De beoogde herontwikkeling van de inrichting aan de Rullen 15 leidt niet tot significant negatieve effecten als gevolg van stikstofdepositie op de omliggende Natura 2000-gebieden. Op grond van de Wet Natuurbescherming geldt een vrijstelling van vergunningplicht. De Wet natuurbescherming vormt geen belemmering voor de beoogde plannen. Nader onderzoek is niet noodzakelijk.
5.2.3 Soortenbescherming De Wet natuurbescherming bevat een algemene zorgplicht voor alle in het wild levende dieren en planten. Daarnaast voorziet de wet in strikte verboden die gelden voor aangewezen beschermde inheemse diersoorten, waaronder alle van nature in Nederland voorkomende soorten vogels. Dit kan om de bescherming van vogels in de tuin als op in een Natura2000 gaan. De wet werkt volgens het 'nee-tenzij' principe ten aanzien van beschermde inheemse soorten: schadelijke handelingen zijn verboden, tenzij er een uitzondering voor is gemaakt. Het is niet toegestaan om vogels te doden, vangen, verwonden, verstoren, bezitten, verhandelen, de nesten en eieren te verstoren of te vernietigen. Uitzonderingen op deze verboden zijn onder voorwaarden mogelijk, onder andere voor veiligheid, schadebestrijding of onderzoek. De wet regelt ook de jacht in ons land. Om voor onderhavig plangebied te onderzoeken wat voor ecologische waarden er van toepassing zijn, is er in de vorm van een quickscan, een flora en fauna onderzoek verricht. Een QuickScan flora en fauna onderzoek brengt de planten en dieren in een gebied in kaart. Vaak met het oog op de ontwikkeling van een project of gebied en de eventuele omgevingsvergunning die daarvoor nodig is. Rondom het plangebied is onderzocht welke (beschermde) planten en dieren er aanwezig zijn.
De gegevens van quickscan geven voldoende inzicht in de mogelijke gevolgen voor de aanwezige flora en fauna. Uit de betreffende databank blijkt dat er in de omgeving enkele beschermde diersoorten aanwezig zijn waar rekening gehouden dient te worden met het realiseren van de beoogde ontwikkeling. Dit betekent dat eventuele negatieve effecten voorkomen dienen te worden. Het rapport van Natuurloket is als bijlage 8 aan deze ruimtelijke onderbouwing toegevoegd. Verder treft u als bijlage 9 het ecologisch onderzoek, rapportnr. 2023-BE-0770 van Brabant Eco aan. Zij hebben op 4 november 2023 het ecologische onderzoek opgeleverd. Dit rapport geeft inzicht in de mogelijke knelpunten in het kader van de natuurwetgeving en -beleid en de mogelijke effecten op beschermde flora e fauna en op beschermde natuurgebieden als gevolg van het project. Het rapport kan voor de opdrachtgever als bewijsstuk dienen voor het verrichtte natuuronderzoek. Op basis van uitgevoerd onderzoek zijn geen effecten met werkzaamheden te verwachten die van negatieve invloed zijn op de gunstige staat van instandhouding van de waargenomen soorten of mogelijk aanwezige soorten en hun functioneel leefgebied. Natuurgebieden worden niet aangetast door de ontwikkeling in het plangebied. Nader onderzoek of een ontheffingsaanvraag is dan ook niet nodig.
R & S ADVIES TOELICHTING BESTEMMINGSPLAN ‘BUITENGEBIED, HERZIENING RULLEN 15’, VERSIE 26 APRIL 2024
84
5.3
Omgekeerde werking / geurhinder
De Wet geurhinder en veehouderij vormt vanaf 1 januari 2007 het toetsingskader voor vergunningverlening, als het gaat om geurhinder vanwege dierverblijven van veehouderijen. De Wet geurhinder en veehouderij geeft onder andere normen voor de voorgrondbelasting die een veehouderij mag veroorzaken op een geurgevoelig object (bijvoorbeeld een woning). De voorgrondbelasting is de individuele belasting van een veehouderij op een geurgevoelig object. Voor de geurbelasting voor geurgevoelige objecten gelden wettelijke geurnormen. Voor een concentratiegebied geldt een maximale geurbelasting van 3 odour units per kubieke meter lucht binnen de bebouwde kom en 14 odour units per kubieke meter lucht buiten de bebouwde kom. De gemeente Nuenen heeft in aanvulling op de Wet geurhinder en veehouderij de ‘Verordening geurhinder en veehouderij’ opgesteld. Deze verordening sluit zich aan bij de algemene toetsingskaders. Betreft de achtergrondbelasting geldt de norm een maximale uitstoot van 20 ou/m³, voor onderhavig plan is deze norm dan ook van toepassing. In het kader van een goede ruimtelijke ordening kan medewerking verleend worden indien voldaan wordt aan de volgende voorwaarden: 1. Door de bestemmingswijziging worden andere veehouderijen niet benadeeld in hun ontwikkelingsmogelijkheden. 2.
Ter plaatse van de geurgevoelige objecten dient sprake te zijn van een acceptabel woon- en verblijfklimaat. Hierbij dient gekeken te worden naar zowel de achtergrond- en voorgrondbelasting. In de omgeving van het plangebied zijn enkele veehouderijen gelegen, zie onderstaand figuur.
Rullen 15
Figuur 15: Omliggende veehouderijen
Uit figuur 15 valt op te maken dat er meerdere veehouderijen in de omgeving van het plangebied zijn gelegen. De omliggende veehouderijen mogen geen belemmerende werking hebben op de beoogde ontwikkelingen, of omgekeerd. Met betrekking tot het realiseren van nieuwe activiteiten moet er sprake zijn van een acceptabel woon- en leefklimaat. Daarentegen mag het nieuwe object geen belemmerende werking hebben op de toekomstige ontwikkelingsmogelijkheden van de omliggende bedrijven.
R & S ADVIES TOELICHTING BESTEMMINGSPLAN ‘BUITENGEBIED, HERZIENING RULLEN 15’, VERSIE 26 APRIL 2024
85
5.4
Beoordeling woon- en leefklimaat
5.4.1
Geurhinder
Enerzijds is overwogen dat de voor veehouderijen toepasselijke individuele geurnorm niet wordt overschreden. Indien de voor veehouderijen de toepasselijke individuele norm niet wordt overschreden, kan er niet zonder meer van worden uitgegaan dat ter plaatse een aanvaardbaar woonen leefklimaat kan worden gerealiseerd. Inzichtelijk moet worden gemaakt in hoeverre ter plaatse van het plangebied een aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden gerealiseerd. Ook indien in een verordening bepaalde geurnormen zijn vastgelegd, moet inzichtelijk zijn dat de toegestane milieubelasting in overeenstemming is met de uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening aanvaardbare inrichting van het gebied. Hiervoor dient de achtergrondbelasting ter plaatse van het plangebied is onderzocht of berekend te worden. Nu in de omgeving van het plangebied ook andere veehouderijen zijn gevestigd, moet de cumulatie van stankhinder vanwege alle omliggende veehouderijen bij de beoordeling dienen te worden betrokken. De mate waarin sprake is van een goed woon en leefklimaat kan worden getoetst met behulp van de door het RIVM onderzochte relatie tussen hinder en geurbelasting (zie onderstaande tabel). Tabel 2: Relatie tussen hinder en geurbelasting VROM 2007b
In de beoogde situatie zal in de vorm van een varkenshouderij, een geur uitstotende veehouderij volledig gesaneerd worden. Hiervoor in de plaats wordt er echter een rundveehouderij(weidevee) gerealiseerd, waardoor er nog steeds rekening gehouden dient te worden met geurcontouren. In de emissiefactoren voor diercategorieën zijn daarentegen alleen geurfactoren voor vleeskalveren (tot 8 maanden) en vleesstieren opgenomen. Voor het toetsen van de overige diercategorieën wordt hierom aangesloten bij de ‘Verordening geurhinder en veehouderij van Nuenen, Gerwen en Nederwetten aangesloten. In deze verordening wordt gerekend met een vaste afstand van 50 meter tussen de betrokken veehouderij tot een geur gevoelig object. Gezien de locatie van de rundveestal(bijlage 1) kan geconcludeerd worden dat in een straal van 50 meter, gemeten van de rundveestal, er geen geur gevoelige objecten bevinden.
R & S ADVIES TOELICHTING BESTEMMINGSPLAN ‘BUITENGEBIED, HERZIENING RULLEN 15’, VERSIE 26 APRIL 2024
86
Voorgrondbelasting Onderscheid is gemaakt tussen bedrijven waarvoor vaste afstanden gelden en bedrijven met dieren waarvoor geen vaste afstand gelden. Aan de hand van het aantal Odour Units wordt middels het rekenmodel V-stacks-Vergunning de voorgrond belasting bepaald. Op de planlocaties is sprake van een acceptabel woon en leefklimaat als de voorgrondbelasting kleiner is dan 10 OUe/m3. Binnen een straal van 1.000 meter liggen er meerdere veehouderijen waarvan de belangen geschaad zouden kunnen worden met het realiseren van de beoogde ontwikkelingen. Voor de meeste bedrijven geldt echter dat er geen geurnormen voor zijn opgenomen óf dat de geuremissie dusdanig laag is (< 500 OUe/m3) dat V-stacks de voorgrondbelasting niet kan berekenen. Voor deze locatie(s) is rekening gehouden met een minimale vereiste afstand van 50 meter. - Nieuwe Dijk 6 Melding activiteitenbesluit 06-06-2013: 36.635 Ou/s - Nieuwe Dijk 8 Melding activiteitenbesluit 07-12-2005: 0 Ou/s - Nieuwe Dijk 11 Melding activiteitenbesluit 13-09-2010: 0 Ou/s - Laar 80 Melding activiteitenbesluit 15-07-2015: 23.307 Ou/s Voor de berekening van de voorgrondbelasting worden enkel de veehouderijen aan de Nieuwe Dijk 6 (varkenshouderij) en Laar 80 (varkenshouderij en vleesstieren) meegenomen door in de berekening het dichtstbijzijnde hoekpunt van het bouwvlak(t.o.v. Rullen 15) te nemen.
Hierop wordt alle geuremissie van het bedrijf gelegd. Tijdens het berekenen is gebruik gemaakt van standaardnormen én uitgegaan van een worst case scenario door alle geuremissie op één punt van het bouwvlak te leggen. Voor het berekenen van de voorgrondbelasting zijn de coördinaten van het huidig/toekomstig bouwvlak gebruikt, zie onderstaand figuur:
Noord
West
Oost
Zuid Figuur 16: Hoekpunten bouwvlak
R & S ADVIES TOELICHTING BESTEMMINGSPLAN ‘BUITENGEBIED, HERZIENING RULLEN 15’, VERSIE 26 APRIL 2024
87
Zie hieronder de rekenresultaten van de omliggende veehouderijen, voor beide veehouderijen afzonderlijk is de voorgrondbelasting t.a.v. Rullen 15 uitgerekend door middel van de verspreidingsberekening V-Stacks vergunning (bijlage 4a en 4b). BronID
X-coord.
Y-coord.
EP Hoogte
Gem.geb. hoogte
EP Diam.
EP Uittr. snelh.
E-Aanvraag
Nieuwe Dijk 6
166 057
390 244
6,0
0,5
4,0
36 635
6,0
Laar 80
166 504
389 726
6,0
0,5
4,0
23 307
6,0
Tabel 3: Brongegevens omliggende Veehouderijen
GGLID
Xcoordinaat
Ycoordinaat
Geurnorm
Geurbelasting
Noord
166 724
390 185
14,0
1,6
Oost
166 804
390 075
14,0
1,9
Zuid
166 650
389 981
14,0
3,7
West
166 579
390 095
14,0
2,4
Tabel 4: Voorgrondbelasting Rullen 15 t.a.v. Nieuwe Dijk 6
GGLID
Xcoordinaat
Ycoordinaat
Geurnorm
Geurbelasting
Noord
166 724
390 185
14,0
1,4
Oost
166 804
390 075
14,0
1,1
Zuid
166 650
389 981
14,0
1,3
West
166 579
390 095
14,0
1,7
Tabel 5: Voorgrondbelasting Rullen 15 t.a.v. Laar 80
Daarnaast zal in de beoogde situatie sprake blijven van een veehouderij. Hier zal er rekening gehouden worden met een vaste afstandseis van 50 meter, gemeten van de werkelijke activiteiten (dus voor zowel gebouw 2 als 4) om op deze manier de belangen van omliggende woningen van derden niet te schaden. Uit onderstaand figuur blijkt dat er binnen een straal van 50 meter geen woningen van derden zijn gelegen zijn gelegen.
R & S ADVIES TOELICHTING BESTEMMINGSPLAN ‘BUITENGEBIED, HERZIENING RULLEN 15’, VERSIE 26 APRIL 2024
88
50 m
Figuur 17: Vaste afstandseis 50 mtr, geurcontour
Conclusie Uit de rekenresultaten volgt dat de voorgrondbelasting tamelijk laag is (<4,0 OUe/m3), zie hiervoor bijlagen 4a en 4b. Door deze lage voorgrondbelasting worden de belangen van omliggende agrarische bedrijven niet geschaad en is op basis van de voorgrondbelasting een redelijk goed woon- en leefklimaat gegarandeerd (tabel 5).
R & S ADVIES TOELICHTING BESTEMMINGSPLAN ‘BUITENGEBIED, HERZIENING RULLEN 15’, VERSIE 26 APRIL 2024
89
Achtergrondbelasting Middels het programma V-Stacks Gebied is de achtergrondgeurbelasting op beide plangebieden bepaald. Hiervoor zijn gegevens van omliggende veehouderijbedrijven binnen een straal van 4,0 kilometer van het plangebied gebruikt, afkomstig uit het Bestand Veehouderij Bedrijven (d.d. 16-112020). Binnen een straal van 4 kilometer vallen de gemeentes Laarbeek, Son en Breugel, Eindhoven, Helmond, Meierijstad en Nuenen. Doordat de varkenshouderij aan de Rullen 15 in de beoogde situatie gesaneerd wordt is deze niet meegenomen in de berekening. Getoetst dient te worden aan een streefwaarde die geldt ter plaatse van het bestemde grondgebied. Het plangebied is gelegen in de gemeente Nuenen, hier is sprake van een acceptabel woon en leefklimaat als de achtergrondbelasting kleiner is dan 20 OUe/m3. De geurbelasting is door V-stacks gebied berekend op basis van de 4 hoeken volgens het beoogd bouwblok, zie figuur 16. Uit tabel 8 blijkt dat ter plaatse van de Rullen 15 sprake is van een goed woonen leefklimaat (achtergrondbelasting <5 OUe/m3) en het aspect geur het herontwikkelen van de locatie niet in de weg staat. Tabel 8: Achtergrondbelasting Rullen 15
RecepID
X-coor
Y-coor
1 2 3 4
154 414 154 437 154 375 154 351
416 801 416 741 416 716 416 772
Geurnorm Geurbelasting (OU/m3) 20.0 3.607 20.0 3.777 20.0 4.661 20.0 3.932
Percentage concentratie gebied 6% 6% 7% 6%
Beoordeling leefklimaat Zeer goed Zeer goed Zeer goed Zeer goed
Conclusie Het woon- en leefklimaat ter plaatse van de planlocatie is (redelijk) goed, zie hiervoor de bijlage 16. Dit geldt voor zowel de voor- als achtergrondbelasting. De belangen van omliggende veehouderijen worden niet geschaad en het aspect geurhinder vormt geen belemmeringen voor het realiseren van beoogde ontwikkelingen.
Slotconclusie geurhinder Er is voldoende inzichtelijk gemaakt dat omliggende veehouderijen niet worden belemmerd door beoogde ontwikkelingen. Er wordt ruimschoots voldaan aan de afstandseis van 50 meter zodat sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.
R & S ADVIES TOELICHTING BESTEMMINGSPLAN ‘BUITENGEBIED, HERZIENING RULLEN 15’, VERSIE 26 APRIL 2024
90
5.4.2 Luchtkwaliteit Het toetsingskader voor luchtkwaliteit wordt gevormd door de Wet milieubeheer luchtkwaliteitseisen 2007 (ook wel Wet luchtkwaliteit, Wlk). De Wlk bevat grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijnstof, lood, koolmonoxide en benzeen. Hierbij zijn in de ruimtelijke ordeningspraktijk langs wegen met name de grenswaarden voor stikstofdioxide (jaargemiddelde) en fijn stof (jaar‐ en daggemiddelde) van belang en rond veehouderijen uitsluitend de grenswaarden voor fijn stof. De grenswaarden zijn in onderstaande tabel weergegeven. De grenswaarden gelden voor de buitenlucht, met uitzondering van een werkplek in de zin van de Arbeidsomstandighedenwet. Tabel 9: Grenswaarde PM10
Stof PM10
Toetsing van Jaargemiddelde concentratie 24-uur gemiddelde concentratie
Grenswaarde 40 μg/m³ Max. 35 keer p.j. meer dan 50 μg/m³
Bij de beoordeling hiervan blijven de aanwezige concentraties van zeezout buiten beschouwing (volgens de bij de Wlk behorende Regeling beoordeling Luchtkwaliteit 2007).
Interim omgevingsverordening Noord-Brabant in de Verordening Ruimte van de provincie Noord‐ Brabant is vastgelegd dat bij nieuwe veehouderijinitiatieven is aangetoond dat “de achtergrondconcentratie, vermeerderd met de bijdrage van het initiatief, een jaargemiddelde fijnstofconcentratie (PM10) op gevoelige objecten veroorzaakt van maximaal 31,2 μg/m³”. Rekenmodel ISL3A Het rekenmodel ISL3a (Implementatie Standaardrekenmethode Luchtkwaliteit 3) is gebaseerd op het Nieuw Nationaal Model (NNM). Het model rekent volgens Standaard rekenmethode 3 (SRM3). Dit ligt vast in de Regeling Beoordeling Luchtkwaliteit 2007 (RBL 2007). U kunt het programma gebruiken om de gevolgen van (agrarische en industriële) punt- en oppervlaktebronnen op de luchtkwaliteit in de omgeving te berekenen. Het model is in opdracht van het toenmalige Ministerie van VROM door KEMA ontwikkeld. Het rekenmodel ISL3a (Implementatie Standaardrekenmethode Luchtkwaliteit 3) is gebaseerd op het Nieuw Nationaal Model (NNM). Het model rekent volgens Standaard rekenmethode 3 (SRM3). Dit ligt vast in de Regeling Beoordeling Luchtkwaliteit 2007 (RBL 2007). Men kan het programma gebruiken om de gevolgen van (agrarische en industriële) punt- en oppervlaktebronnen op de luchtkwaliteit in de omgeving te berekenen. Het model is in opdracht van het toenmalige Ministerie van VROM door KEMA ontwikkeld.
Voor de beoogde gronden zijn de dichtstbij, zijnde fijnstof uitstotende agrarische, bedrijven in het rekenmodel ingevoerd voor een locatie specifieker resultaat. Ten opzichte van de geur uitstotende veehouderijen, treedt er geen toe- of afname van bedrijven op. -