Rullen 15 - Bijlage 4 Ruimtelijke onderbouwing
Tekst van het document
Nieuwe Dijk 6 Laar 80
Melding activiteitenbesluit 06-06-2013: Melding activiteitenbesluit 15-07-2015:
R & S ADVIES TOELICHTING BESTEMMINGSPLAN ‘BUITENGEBIED, HERZIENING RULLEN 15’, VERSIE 26 APRIL 2024
310 kg/jaar 153 kg/jaar
91
In onderstaande overzicht zijn de resultaten weergegeven per coördinaat van de hoeken van het betreffende grondgebied(zie figuur 16). Tabel 10a: Luchtkwaliteit fijn stof Rullen 15
Rectorpunt Noord Oost Zuid West
PM10 18.17 18.17 18.03 18.19
Dagen 6.4 6.4 6.4 6.4
Norm PM10 31,2 – 40 μg/m³ 31,2 – 40 μg/m³ 31,2 – 40 μg/m³ 31,2 – 40 μg/m³
Norm dagen 35 35 35 35
PM 2.5 Uit RIVM-onderzoek (RIVM-onderzoek en onderzoek van ASG ,Rapport 195) blijkt dat de relatie tussen PM10 en PM2.5 dat: de kans op een overschrijding van de jaargemiddelde concentratie PM2.5 kleiner is dan 1% bij een jaargemiddelde concentratie PM10 van 32,5 μg/m3. De grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie PM2.5 is 25 μg/m3. Bij een jaargemiddelde concentratie PM10 van 32,5 μg/m3 en hoger vindt overschrijding van de dagnorm plaats. Wordt er voldaan aan de maatgevende grenswaarde voor PM10 dan wordt tevens voldaan aan de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie PM2.5. Uit bovenstaande beschrijving en de PM10 concentratie van (max.) 18.19 μg/m³ kan geconcludeerd worden dat er tevens aan de grenswaarde PM2.5 wordt voldaan. NOx De milieubelasting als gevolg van de NOx, veroorzaakt door de verkeersbewegingen, is nader uitgewerkt in de bijlage ‘Luchtkwaliteit, NOx’. Op het erf (manoeuvreren, stoppen-optrekken) worden de emissies berekend op basis van licht-/zwaar wegverkeer in combinatie met stagnerend verkeer (worst-case). Tabel 10b: Luchtkwaliteit stikstofoxide Rullen 15
Rectorpunt Noord Oost Zuid West
NOx 15.05 13.95 13.54 13.69
Dagen n.v.t. n.v.t. n.v.t. n.v.t.
Norm PM10 40 μg/m³ 40 μg/m³ 40 μg/m³ 40 μg/m³
Norm dagen n.v.t. n.v.t. n.v.t. n.v.t.
Uit beoordeling van de NOx emissies als gevolg van de verkeersbewegingen in de nieuwe situatie blijkt dat op basis van de planologische worst-case situatie voldaan wordt aan de luchtkwaliteitsnorm, grenswaarde concentratie NO2 40 µg/m3. Voor het vaststellen en realiseren van het plan gelden met betrekking tot het aspect stikstofdioxide geen belemmeringen. Conclusie: Uit bovenstaande beoordeling kan worden opgemaakt dat ter plaats van de grens van de inrichting sprake is van een goed woon- en leefklimaat ten aanzien van het thema luchtkwaliteit, fijnstof en stikstofoxide (bijlagen 5).
R & S ADVIES TOELICHTING BESTEMMINGSPLAN ‘BUITENGEBIED, HERZIENING RULLEN 15’, VERSIE 26 APRIL 2024
92
5.5
Volksgezondheid
Gezondheidsrisico's zijn een optelsom van blootstelling, gevaar en impact. Bij blootstelling wordt er gekeken hoeveel ziekteverwerkers een persoon binnen moet krijgen om geïnfecteerd te raken of ziek te worden. Gevaren zijn er in diverse vormen, zoals biologisch (bijv. ziekteverwekkende bacteriën), chemisch (bijv. diergeneesmiddelen of bestrijdingsmiddelen) of fysisch (zoals elektriciteit of ter plaatse gewond raken). Impact staat voor de grootte van het effect dat veroorzaakt wordt. Iedere veehouderij moet voldoen aan diverse wet- en regelgeving voor diverse milieuaspecten, zoals ammoniakuitstoot, geur, fijnstof, aanwezigheid en gebruik van gevaarlijke stoffen, aan- en afvoer van meststoffen, geluid, brandveiligheid, etc. Indien een veehouderij niet voldoet, zal een vergunning dus niet verleend worden. Er mag vanuit worden gegaan dat de grenswaarden die in de wet zijn opgenomen de volksgezondheid in voldoende mate beschermen.
5.5.1 Onderzoek veehouderij en gezondheid omwonenden Op 7 juli 2016 is het onderzoek veehouderij en gezondheid omwonenden (VGO) gepubliceerd, dat in opdracht van de Ministeries van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) en Economische Zaken (EZ), op advies van de Gezondheidsraad, was uitgevoerd. Uit dit onderzoek wordt duidelijk dat er sprake is van positieve en negatieve gezondheidseffecten ten gevolge van het wonen in de nabijheid van veehouderijen. Als positief wordt beschouwd dat mensen die rondom veehouderijen wonen minder astma en allergieën hebben. Voor melkvee- en varkenshouderijen zijn de effecten op de volksgezondheid naar de omgeving zeer beperkt vanwege de beperkte emissies van met name fijnstof. Bedrijven waar paarden of schapen gehouden worden zijn in de onderzoeken niet meegenomen. Endotoxine in de (fijn)stof emissie uit intensieve veehouderijen is wel een relevante component gebleken voor luchtwegklachten. Dit resulteert in de volgende negatieve effecten: - Een verhoging van het risico op pneumonie (longontsteking), met name in de nabijheid van pluimveehouderijen; Verhoogd voorkomen van luchtwegklachten en een verminderde longfunctie in relatie tot dichtheid van veehouderijbedrijven rond de woning, ongeacht het type bedrijf; - Een verlaagde longfunctie na dagen en weken van verhoogde ammoniakconcentraties.
De effecten worden waarschijnlijk niet door ammoniak zelf veroorzaakt maar zijn mogelijk het gevolg van omzetting in secundair fijnstof. Het VGO onderzoek maakt duidelijk dat gezondheidseffecten worden veroorzaakt door de combinatie van emissies van fijnstof, aan stofdeeltjes gebonden endotoxine en ammoniak-secundair fijnstof uit de veehouderijen. Endotoxine wordt gezien als een goede indicator voor blootstelling van omwonenden aan stoffen uit stallen die een negatieve invloed hebben op de luchtwegen. Derhalve wordt een maximale endotoxinewaarde van 30 EU/m3 geadviseerd. De emissie van stofdeeltjes met endotoxine is in zes veel voorkomende stalsystemen met vleesvarkens, leghennen en vleeskuikens gemeten. Met een verspreidingsmodel is berekend of de voorgestelde endotoxinewaarde van 30 EU/m3 werd overschreden. De onderzoekers concludeerden dat bij individuele pluimveestallen de geur en fijnstof norm niet kunnen voorkomen dat de door de Gezondheidsraad geadviseerde endotoxinegrenswaarde, onder lokale omstandigheden, wordt overschreden. Op 16 juni 2017 is het eerste vervolgonderzoek van dit VGO-onderzoek gepubliceerd. Dit rapport bevat een nadere analyse van de gegevens met krachtige statistische technieken wat de conclusies uit het hoofdonderzoek bevestigd en steviger onderbouwd.
Er zijn sterke aanwijzingen dat (componenten van) fijnstof van geitenhouderijen mensen gevoeliger maken voor luchtweginfecties. Specifieke
R & S ADVIES TOELICHTING BESTEMMINGSPLAN ‘BUITENGEBIED, HERZIENING RULLEN 15’, VERSIE 26 APRIL 2024
93
ziekteverwekkers afkomstig van dieren kunnen daarbij niet uitgesloten worden. Deze associatie is ook voor pluimveehouderijen gevonden, hetzij aanzienlijk zwakker. Uit luchtwegmetingen in de woonomgeving blijkt dat de concentratie endotoxinen in de lucht toeneemt naarmate de afstand tot een intensieve veehouderij kleiner wordt of de dichtheid toeneemt. Wat betreft fijnstof is de bijdrage van de veehouderij niet te onderscheiden van de bijdrage van vele andere bronnen, zoals verkeer en (buitenlandse) industrie. In de eerste twee onderzoeken zijn de gezondheidsrisico's onderzocht aan de hand van gegevens uit huisartsenpraktijken over de periode 2007 t/m 2013. Op 1 september 2018 is het onderzoek 'Veehouderij en Gezondheid Omwonenden III' gepubliceerd. Hierin is de actualisering voor de jaren 2014 t/m 2016 gepubliceerd. Er is daarbij specifiek gekeken naar de associatie tussen diverse luchtwegaandoeningen en de nabijheid van geiten- en pluimveehouderijen. De associatie tussen het voorkomen van longontsteking en het wonen in de nabijheid van pluimveehouderijen zou mogelijk verklaard kunnen worden door de uitstoot van fijnstof en endotoxinen door deze bedrijven al dan niet in combinatie met de al aanwezige achtergrondblootstelling. Deze veronderstelling lijkt voor geitenhouderijen echter minder voor de hand liggend, omdat de emissie van fijnstof en endotoxinen beperkt is.
Uit de onderzoeksresultaten van deze tweede vervolgstudie blijft dezelfde verhoging voor het aantal longontstekingen bij omwonenden van geitenhouderijen zichtbaar als in de jaren daarvoor. Voor legpluimveehouderijen kan deze verhoging niet (meer) statistisch significant worden aangetoond. Voor vleeskuikenbedrijven alleen in 2014, ondanks dat de emissie van fijnstof hier relatief gezien hoger is dan van legpluimveehouderijen. Conclusie uit deze vervolgstudie is dan ook dat er meer onderzoek zal moeten plaats vinden naar de oorzaak van de associatie tussen longontsteking en het wonen in de nabijheid van geitenhouderijen.
5.5.2 Handelingsperspectieven veehouderij en volksgezondheid Naar aanleiding van het eerste VGO-onderzoek wordt momenteel door het Rijk, op advies van de Gezondheidsraad, een landelijk toetsingskader ontwikkeld voor endotoxine. In afwachting hierop is door het ondersteuningsteam van bestuurders van gemeenten in Brabant in 2016 de notitie 'Handelingsperspectieven veehouderij en volksgezondheid: endotoxine toetsingskader 1.0' opgesteld. Aan de hand van deze notitie kan het risico van de verspreiding van endotoxinen van uitbreidende veehouderijen beoordeeld worden. Gemeenten en provincie willen uit voorzorg voorkomen dat door lopende en nieuwe aanvragen de endotoxine advieswaarde van de Gezondheidsraad wordt overschreden. Daar waar de advieswaarde al wordt overschreden willen ze voorkomen dat de overschrijding toeneemt. Een standstil van de emissie fijnstof-endotoxine is dus gewenst. Bij voorkeur wordt er een reductie van de emissie bereikt. Om de relatie bronsterkte fijnstof en aan te houden afstand om te voldoen aan de door de Gezondheidsraad geadviseerde endotoxinegrenswaarde van 30 EU/m3 te kunnen berekenen zijn voor vleeskuikens, legkippen en vleesvarkens formules afgeleid uit het rapport van Erbrink (2016). Omgekeerd kan met deze formules voor de ontwikkeling van een gevoelig object worden berekend of ter plaatse voldaan wordt aan de adviesgrenswaarde van 30 EU/m3.
R & S ADVIES TOELICHTING BESTEMMINGSPLAN ‘BUITENGEBIED, HERZIENING RULLEN 15’, VERSIE 26 APRIL 2024
94
Het VGO onderzoek gaat uit van een endotoxine risicogebied indien 15 veehouderijen (of meer) zijn gelegen binnen een kilometer van een gevoelig object. In de praktijk blijkt dit dat dit aantal echter niet hanteerbaar is. In de notitie wordt derhalve een locatiegerichte specifieke benadering voorgesteld, omdat blijkt dat ook bij kleinere clusters (binnen 250 meter) cumulatie speelt vanwege de grote omvang van de veehouderijen, de hiermee gepaard gaande emissie van fijnstof-endotoxine en de geringe afstanden naar te beschermen objecten. De cumulatie van endotoxinen is echter (nog niet) kwantitatief te bepalen, daarom is in het kader van een omgevingsbewuste benadering een zogenaamde 'Cumulatieve toets' opgesteld. Dit betreft een stappenplan t.b.v. de uitbreiding van een veehouderij, maar kan in het kader van de omgekeerde werking ook voor het realiseren van nieuwe gevoelige objecten worden doorlopen. De eerste vraag van dit stappenplan is of er in de omgeving van het plangebied meerdere veehouderijen zijn gelegen met een hoge fijnstof-endotoxine emissie. Voor het afbakenen van de Omgeving' wordt aangesloten bij de clusters van 250 meter die voortvloeien uit de locatiegerichte specifieke benadering. Op grond van de regeling beoordeling luchtkwaliteit (Rbl), aldus vastgesteld d.d.
12-122018, is sprake van een hoge fijnstofemissie, indien de fijnstofemissie van een bedrijf meer dan 500 kg PM10 per jaar bedraagt. Deze norm wordt derhalve aangehouden voor het begrip 'hoge fijnstofendotoxine emissie'. Dit betreft uitsluitende de fijnstofemissie van varkens en kippen, omdat andere diersoorten niet meegewogen hoeven te worden in de door de gezondheidsraad geadviseerde endotoxinegrenswaarde. Voor overige diersoorten zijn de effecten op de volksgezondheid naar de omgeving namelijk zeer beperkt vanwege de beperkte emissie van met name fijnstof. Binnen 250 meter van de projectlocatie is geen enkele veehouderijen gelegen, waardoor de gezondheid niet in het geding kan komen. Er kan dus worden geconcludeerd dat er in de omgeving geen veehouderijen met een hoge fijnstof-endotoxine emissie zijn gelegen. De beoogde gronden blijven derhalve buiten de endotoxine-risicocontouren van de omliggende agrarische bedrijven. Vraag twee betreft een eventuele toename in emissie voor geur en/of fijnstof en/of ammoniak. Wat voor onderhavig plan niet van toepassing is. Vraag drie, vier en vijf gaan over het aspect geur: -
Is op grond van een geurevaluatie of geurgebiedsvisie bekend dat er sprake is van een overbelaste achtergrond geur- of fijnstofsituatie? Is op grond van toetsing aan de Verordening ruimte 2014 bekend dat er sprake is van een overbelaste achtergrond geur- of fijnstofsituatie? Spelen in het betreffende gebied regelmatig klachten over geur of stof uit veehouderijen?
Uit paragraaf 5.4 blijkt dat er ter plaatse van de projectlocatie geen sprake is van een overbelaste achtergrond geur- of fijnstofsituatie. Ten slotte, de laatste twee vragen van het stappenplan hebben betrekking op agrarische gerelateerde activiteiten. Dit betreft vragen over mestbe- of verwerking en ongerustheid over de volksgezondheid, het geen niet van toepassing. Conclusie Uit de omgevingsbewuste benadering ten aanzien van de cumulatie van endotoxinen kan worden geconcludeerd dat het plangebied buiten de cumulatieve risico contour van omliggende veehouderijen is gelegen. In de directe omgeving van de beoogde gronden zijn geen bedrijven gelegen met een fijnstofemissie van meer dan 500 kg PM10 per jaar. Het aspect volksgezondheid vormt derhalve geen belemmering voor het initiatief.
R & S ADVIES TOELICHTING BESTEMMINGSPLAN ‘BUITENGEBIED, HERZIENING RULLEN 15’, VERSIE 26 APRIL 2024
95
5.5.3 Geitenhouderijen In RIVM Rapport 2017-0062 (Veehouderij en Gezondheid Omwonenden (VGO) (aanvullende studies), is gesteld dat er gezondheidsrisico’s zijn vastgesteld voor omwonenden van intensieve veehouderijbedrijven. Uit het rapport komt naar voren dat omwonenden van, met name, pluimveehouderijen een grotere kans hebben op het krijgen van een longontsteking. Ook rondom geitenhouderijen hebben mensen een grotere kans op longontsteking. Eerder zijn hiervoor al aanwijzingen gevonden, die nu nader onderbouwd zijn over een langere periode. Naar aanleiding van het rapport VGO adviseert de GGD aan gemeenten geen nieuwe gevoelige objecten planologisch mogelijk te maken binnen een afstand van 2 kilometer tot een geitenhouderijen. De Brabantse GGD vindt tevens dat gemeenten bij het verstrekken van vergunningen aan veehouders de aangetoonde effecten op de gezondheid van omwonenden in aanmerking moeten nemen. Gemeente Eersel mag een eigen afweging maken over de mogelijkheid tot het planologisch toestaan van nieuwe gevoelige objecten binnen de invloedsfeer van geitenhouderijen. Binnen de afstand van 2 kilometer tot de planlocaties zijn geen geitenhouderijen gevestigd. Derhalve worden belangen van omliggende bedrijven en/of woning niet geschaad en levert het geen risico’s betreft de volksgezondheid.
R & S ADVIES TOELICHTING BESTEMMINGSPLAN ‘BUITENGEBIED, HERZIENING RULLEN 15’, VERSIE 26 APRIL 2024
96
5.6
Geluid
5.6.1 Algemeen In verband met deze ruimtelijke procedure voor de inrichting aan de Rullen 15 te Nuenen, is een akoestisch onderzoek uitgevoerd (rapportnr. 221-NRu15-il-v6 d.d. 11 april 2024). De aanleiding is dat de huidige varkenshouderij (varkensstallen) mee doet aan de Saneringsregeling Varkenshouderij. De varkenshouderij is in zijn geheel gesloopt. In dit akoestisch onderzoek is de geluidsuitstraling van het bedrijf bepaald. Hierbij kan bepaald worden of er sprake is van een goed woon- en leefklimaat in de omgeving van de inrichting. Er zal worden getoetst aan de VNG-publicatie ‘bedrijven en milieuzonering’ en het Activiteitenbesluit. In dit onderzoek zal de geluidsinvloed van het bedrijf worden beschreven en bepaald. De belangrijkste geluidsbronnen van het bedrijf bestaan uit A. In- en uitschuren aardappels, graan en maïs; B. Droging akkerbouwproducten (aardappelen, graan en korrelmaïs in loodsen); C. Transportbewegingen naar en van verhuur-units en t.b.v. akkerbouw; C. Transportbewegingen t.b.v. akkerbouw, teeltwerkzaamheden en in-/uitschuren aardappelen en graan/korrelmaïs D. Vullen voersilo’s rundveestal; E. Voederen rundvee; F. Uitmesten rundveestal; G. Laden / lossen rundvee; H. Personeel / Bezoekers Heihoef vleesconcept / vleesverkoop aan huis; I. Personenautobewegingen Detailhandel (vleesverkoop); J. Lossen balen gras, hooi en stro; K. Inkuilen maïs; L.
Algemeen (bedrijfsafvalcontainer/ kadavers/lossen diesel). Met een akoestisch model is de geluidsuitstraling naar de omgeving bepaald, aan de hand van methode II.8 van de handleiding “Meten en Rekenen Industrielawaai” (1999). Met behulp van het model zijn de langtijdgemiddelde beoordelingsniveaus en de maximale geluidsniveaus bepaald.
5.6.3 Wegverkeerslawaai Bij de ontwikkeling van nieuwe ruimtelijke functies is het noodzakelijk inzicht te verkrijgen in de mogelijke geluidshinder in het kader van de Wet geluidhinder. Langs alle wegen, wegen met een maximumsnelheid van 30 kilometer per uur en woonerven daargelaten, zijn geluidzones aanwezig waarbinnen de geluidhinder getoetst dient te worden. De maximumsnelheid ter plaatse op de Rullen is 60 km/uur buiten de bebouwde kom. Het wegdek bestaat uit asfalt. Er wordt in het plangebied geen nieuwe geluidgevoelige objecten toegevoegd, slechts de bestaande bedrijfswoning blijft gehandhaafd. Een nader onderzoek naar wegverkeerslawaai is niet noodzakelijk.
R & S ADVIES TOELICHTING BESTEMMINGSPLAN ‘BUITENGEBIED, HERZIENING RULLEN 15’, VERSIE 26 APRIL 2024
97
5.6.4 Akoestisch onderzoek industrielawaai Als gevolg van de voorgenomen activiteiten kan er geluidhinder optreden. Om dit nader te onderzoeken is door M&A Omgeving BV een akoestisch onderzoek uitgevoerd. Dit onderzoek is als bijlage toegevoegd. Hierna zal er kort op de bevindingen van het onderzoek worden ingegaan: Het bedrijf is gevestigd in het buitengebied van Nuenen en zal zich in de toekomstige situatie bezig houden met een flink aantal activiteiten. In het rapport zijn de navolgende activiteiten beschouwd als akoestisch relevant: A. In- en uitschuren aardappels, graan of korrelmaïs Er zijn diverse opslagloodsen op het terrein aanwezig. Bij de opslag van aardappels/ graan of maïs zijn er verschillende seizoensgebonden activiteiten: - Inschuren van landbouwproducten middels tractoren in het najaar ( max 10 tractoren/dag); - Droogperiode, middels drooginstallatie, na het inschuren gedurende enkele maanden. - Uitschuren van landbouwproducten middels tractoren/ vrachtwagens, op afroep. In het najaar wordt de aardappelbewaarplaatsen “vol gereden” met landbouwproducten. De landbouwproducten worden aangevoerd middels kippers achter tractoren of vrachtwagens. De voertuigen worden leeggestort in de stortbak, welke wordt aangedreven door een elektromotor. De stortbak staat opgesteld bij de overheaddeuren van de loodsen.
De landbouwproducten worden verder middels transportbanden naar de bewaarplaatsen getransporteerd. De verschillende landbouwproducten, zoals aardappels, graan en maïs, worden niet op dezelfde dagen in- of uitgeschuurd. B. Droging akkerbouwproducten (aardappelen, graan en korrelmaïs in loodsen) Ter plaatse van de akkerbouw opslagloods 5 bevinden zich in de noordwestgevel 20 droogventilatoren. Naar gelang de buitentemperatuur lager wordt, gaan de (computergestuurde) kleppen verder dicht. Zo worden de aardappels met een redelijk constante temperatuur gedroogd. Tijdens de intensieve droogperiode in het najaar worden enkele weken de ventilatiekleppen open gezet gedurende 4 uur in de dagperiode, 1,5 uur in de avondperiode of 0,75 uur in de nachtperiode. Dit vindt plaats direct na het inschuren. De rest van de dag zijn de ventilatoren wel in werking, maar zijn de kleppen gesloten. Tijdens deze intensieve droogperiode staan 2 overheaddeuren open in de zuid oostgevel. Na de intensieve droogperiode, is er van uitgegaan dat de ventilatoren wel in werking zijn maar de kleppen dicht, met uitzondering van 5 minuten (in de dag-, avond- of nachtperiode). De overheaddeuren zijn dan gesloten (interne ventilatie). Er is in de modellering rekening gehouden met de intensieve droogperiode. C.
Transportbewegingen naar en van verhuur-units en akkerbouw In het kader van de afweging van goede ruimtelijke ordening zijn de verkeersbewegingen in een de worst-case situatie in beeld gebracht op basis van de CROW, ten behoeve van de verhuur-units (aangesloten bij een bedrijfsverzamelgebouw) en caravanstalling (bezoekers extensieve opslag):
R & S ADVIES TOELICHTING BESTEMMINGSPLAN ‘BUITENGEBIED, HERZIENING RULLEN 15’, VERSIE 26 APRIL 2024
98
Dagperiode: - unitverhuur: -
akkerbouw
10 auto’s/dag 5 vrachtauto’s / dag 2 auto’s/dag
(20 bewegingen) (10 bewegingen) (4 bewegingen)
D. Vullen voersilo’s rundveestal Het vullen van de bulkvoersilo’s aan de zuidzijde van de rundveestal (gebouw 4) geschiedt in de dagperiode. Maximaal 1 vrachtwagen bezoekt het bedrijf om brokvoer te lossen per week. Het lossen neemt maximaal 0,75 uur tijd in beslag. E. Voederen rundvee Het vee wordt dagelijks bijgevoerd vanuit de sleufsilo’s, middels een loader/tractor. Dit vindt dagelijks 2 keer plaats, in de dagperiode. F. Uitmesten rundveestal 4 keer per jaar wordt de mest uit de rundveestal gehaald met behulp van een loader en afgevoerd middels een vrachtwagen. Het laden van mest vindt plaats gedurende 2 uur in de dagperiode ter plaatse van de grote stal (gebouw 4) en 20 minuten ter plaatse van de kleine fokstierenstal (10 stuks). G. Laden / lossen rundvee Maximaal 1 keer per week wordt rundvee geladen of gelost. Dit neemt 2 uur tijd in beslag in de dagperiode ter plaatse van de grote stal (gebouw 4) en 20 minuten ter plaatse van de kleine stal (10 stuks). Er is in de modellering rekening gehouden met 1 vrachtwagenbeweging. H. Personeel / Bezoekers Heihoef vleesconcept / vleesverkoop aan huis / educatieruimte Ten behoeve van de bezoekers Heihoef vleesconcept, vleesverkoop aan huis en educatieruimte is rekening gehouden met de volgende personenauto-bewegingen (route P2): ▪ Dagperiode: 40 auto’s ▪ Avondperiode: 12 auto’s ▪ Nachtperiode: 8 auto’s
I.
Lossen grasbalen Achter op het terrein, worden balen gras gelost nabij de sleufsilo. Dit geschiedt in totaal met maximaal 12 voertuigvrachten in de dagperiode.
J.
Inkuilen maïs De sleufsilo wordt met maïs gevuld/ingekuild met tractoren met kiepers. Dit geschiedt in totaal met maximaal 12 voertuigvrachten in de dagperiode op één dag. Verder wordt de maïs vastgereden met een loader (4 uur in dagperiode). In de modellering is de bronhoogte van de loader op 2 meter gesteld, in verband met de hoogte van de kuil.
R & S ADVIES TOELICHTING BESTEMMINGSPLAN ‘BUITENGEBIED, HERZIENING RULLEN 15’, VERSIE 26 APRIL 2024
99
K. Algemeen (bedrijfsafvalcontainer/kadavers/lossen diesel) De transportbewegingen die in de representatieve bedrijfssituatie in de modellering zijn meegenomen, zijn conform de geldende methodiek (Handreiking industrielawaai), zoals ze op één dag kunnen plaatsvinden. Het betreft dus een worst-case scenario. In de representatieve bedrijfssituatie wordt het volgende aantal zware transporten op één dag dus nooit overschreden: 47 vrachtwagens of tractoren, 13 vrachtwagens en 15 tractoren in de dagperiode. De volgende activiteiten vallen ook hier binnen: - Ophalen van kadavers, op oproepbasis : 1 keer per week - Lossen diesel : 1 keer per maand - Afvoer bedrijfsafval : max. 1 keer per week Alle overige, niet specifiek genoemde, geluidbronnen (zoals diergeluiden vanuit stallen, binnen opgestelde warmtepomp, inpandige koelcel t.b.v. opslag vlees ‘Heihoef vleesconcept’, werkplaats etc.) zijn akoestisch niet relevant. Er is een spuitplaats aanwezig. Hier kunnen voertuigen worden schoongespoten in de dagperiode. Dit gebeurt niet met hoge druk, maar met ‘normaal’ stromend water. Dit is akoestisch richting de omgeving niet relevant.
Conclusie. Uit de berekeningsresultaten blijkt dat wordt voldaan aan de gestelde streefwaarden in het kader van ruimtelijke ordening (R.O.). Representatieve bedrijfssituatie Er zal een piekgeluid van 69 dB(A) worden waargenomen in de dagperiode ter hoogte van de gevel van de woning Rullen 8. De VNG-brochure geeft in stap 2 van het toetsingskader een LAmax van 65 dB(A). Deze waarde wordt overschreden, maar de waarde van 70 dB(A) als maximale geluidbelasting wordt niet overschreden. Deze piekgeluidniveaus worden veroorzaakt door een vrachtwagen of tractor, welke in de dagperiode optrekt/wegrijdt bij de zuidelijke inrit. Dit piekgeluid treedt op die locatie al vele jaren op, aangezien er ook vrachtwagens via deze inrit de voormalige varkenshouderij betraden. Verder vinden vergelijkbare piekgeluiden ook al plaats op de openbare weg. Het optredende maximale geluidniveau zal het woon- en leefklimaat van de bewoners ter plaatse van de woning Rullen 8 niet negatief beïnvloeden. De optredende piekgeluiden voldoen overigens wel aan de normering in het kader van milieu (Activiteitenbesluit). Er wordt in de representatieve bedrijfssituatie (op basis van worstcase benadering) voldaan aan de grenswaarden, zoals gesteld in het Activiteitenbesluit.
Geconcludeerd kan worden, dat door de nieuwe ontwikkeling het woon- en leefklimaat in de omgeving van de Rullen 15 te Nuenen acceptabel tot goed blijft. Indirecte hinder De voorkeursgrenswaarde, van 50 dB(A) voor de indirecte hinder wordt nergens overschreden.
R & S ADVIES TOELICHTING BESTEMMINGSPLAN ‘BUITENGEBIED, HERZIENING RULLEN 15’, VERSIE 26 APRIL 2024
100