Oranjebuurt - Bijlage Bopa-onderbouwing Nuenen
Tekst van het document
Als die stedelijke ontwikkeling is voorzien buiten het stedelijk gebied of buiten het stedelijk groen aan de rand van de bebouwing van stedelijk gebied moet ook rekening worden gehouden met de mogelijkheden om binnen dat stedelijk gebied of binnen dat stedelijk groen aan de rand van de bebouwing van stedelijk gebied in die behoefte te voorzien. De grens van het stedelijk gebied wordt bepaald door de omstandigheden van het geval, de specifieke ligging, de feitelijke situatie, het omgevingsplan en de aard van de omgeving. Als wordt voorzien in de vestiging van een dienst als bedoeld in artikel 1 van de Dienstenwet en de beoordeling van de behoefte aan een stedelijke ontwikkeling heeft betrekking op de economische behoefte, de marktvraag of de mogelijke of actuele economische gevolgen van die vestiging, heeft de beoordeling alleen tot doel na te gaan of de vestiging van een dienst in overeenstemming is met een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Toetsing Het project is een nieuwe stedelijke ontwikkeling in de zin van de ladder voor duurzame verstedelijking. Ten opzichte van de huidige planologische mogelijkheden (22 woningen) worden 18 woningen extra mogelijk gemaakt. In totaal wordt wonen in 40 woningen (20 appartementen en 20 beneden-bovenwoningen) mogelijk gemaakt. Het project is gelet op de geldende jurisprudentie voldoende substantieel.
Het project ligt in stedelijk gebied gelet op de huidige stedelijke functie de ligging in het samenstel van bebouwing met andere stedelijke functies. Er zal in toekomstige situatie gezien de grote woningbehoefte geen sprake zijn van onaanvaardbare leegstand. Ook is geen sprake van een dienst.
38/71
Gelet op het bovenstaande is hierna de woonbehoefte beschreven. Beschrijving behoefte De relevante regio voor wonen is Stedelijk Gebied Eindhoven binnen de regio Zuidoost-Brabant. De woningbehoefte in de gemeente Nuenen c.a. blijkt uit diverse bronnen die hierna worden behandeld. Bevolkings- en woningbehoefteprognose Noord-Brabant 2023 Voor het woningbouwprogramma van de gemeente Nuenen c.a. is de provinciale 'Bevolkings- en woningbehoefteprognose Noord-Brabant van de provincie Noord-Brabant richtinggevend. Hierin wordt de kwantitatieve woningbehoefte geraamd op het toevoegen van 650 woningen in de periode 2023 tot en met 2035. Versnelling van de woningbouw en (vervolgens) vasthouden van het bouwtempo is een belangrijke doelstelling van de Brabantse Agenda Wonen.
Indicatie toename woningvoorraad (bron: Bevolkings- en woningbehoefteprognose Noord-Brabant 2023 Monitor bevolking en wonen (Provincie Noord-Brabant, september 2023) Uit de actuele monitor bevolking en wonen blijkt dat de benodigde capaciteit in de gemeente Nuenen c.a. in de periode 2023 t/m 2032 645 woningen is (prognose + vervangingsopgave). Er is harde plancapaciteit voor 985 woningen. Dit betekent dat de gemeente kan bijdragen aan de regionale opgave. In de periode 2023-2027 zijn 1.350 woningen gepland, waarvan 65% in het betaalbare segment. Hieronder vallen de sociale huurwoningen, middeldure huurwoningen en koopwoningen tot €355.000,-. De woningen voor de periode 2028 t/m 2032 zijn nog niet in een categorie ingedeeld. Toetsing In Nuenen c.a. is behoefte aan het toevoegen van 650 woningen in de periode 2023 tot en met 2035. Er is harde plancapaciteit voor circa 985 woningen. Met dit plan kan harde plancapaciteit worden toegevoegd, in de categorie betaalbaar. Hiermee kan invulling worden gegeven aan de regionale behoefte. Afsprakenkader Wonen SGE 2022 'Bouwen aan de toekomst' (2022) De negen gemeenten in het Stedelijk Gebied Eindhoven (hierna SGE) werken regionaal intensief samen op het thema 'wonen'.
De druk op de woningmarkt is groot, met flinke woningtekorten en de gezamenlijke opgave om te komen tot een versnelling van de woningbouwplannen in de SGE-regio wordt breed gevoeld. Uit het monitoringsoverzicht blijkt dat er in de gemeente Nuenen c.a. behoefte is aan 665 woningen tot 2030 en dat er harde plannen zijn voor 219 woningen. Dat betekent dat er nieuwe harde plancapaciteit noodzakelijk is. Het project is een van de zachte plannen.
39/71
Monitoringsoverzicht Afsprakenkader wonen SGE 2022 Regionale woondeal Zuidoost-Brabant (maart 2023) Er is sprake van een groot woningtekort. De regio zet zich, in samenwerking met corporaties en marktpartijen, in voor de realisatie van minimaal 45.135 woningen in de periode 2022 tot en met 2030. Elke gemeente neemt een fair share van de regionale opgave. Ze maken daarom afspraken over de minimale opgave per gemeente. Meer realiseren mag, dan wordt het woningtekort sneller ingelopen. In de regionale woondeal Zuidoost-Brabant staat voor gemeente Nuenen c.a. het te bouwen aantal van netto 760 woningen tot en met 2030, waarvan tweederde betaalbaar (30% sociaal, 16% middenhuur en 20% betaalbare koop). Kwalitatieve behoefte In het Regionaal Woningbehoefteonderzoek voor Stedelijk Gebied Eindhoven (2021) en de bijbehorende factsheet voor de gemeente is de kwalitatieve behoefte onderzocht. Hieruit blijkt dat er door de vergrijzing een grote behoefte is aan behoefte aan nultredenwoningen, vooral in het koopsegment en sociale huursegment. Omdat ook het aantal gezinnen in Nuenen groeit neemt de behoefte aan grondgebonden woningen nog licht toe. Er is sprake van een negatieve opgave voor grondgebonden sociale huur. Tegelijkertijd is er wel een constante opgave voor appartementen in de sociale huur.
De opgave in de sociale huur is daarmee voornamelijk kwalitatief en kan deels worden opgevangen door aanpassing van bestaande grondgebonden woningen. De krapte in de sociale huurmarkt is echter dusdanig groot (en zeker ook de vraag naar eengezinswoningen in de sociale huur) en de doorstroming zo laag, dat de gemeente een overschot aan dit segment niet herkent.
40/71
Kwalitatieve woningbehoefte 2020-2040 in 2 scenario's (bron: Regionaal Woningbehoefteonderzoek, factsheet Nuenen) Kwalitatief zijn in alle woningbouwplannen de 7 'Brainport principles' leidend: koesteren van identiteit, ruimte voor innovatie, invloed voor bewoners, aantrekkelijke en gevarieerde woonmilieus; de 'wauw-factor', vraaggericht ontwikkelen, benutting regionaal schaalniveau en gezonde verstedelijking. De afspraken hierover zijn vastgelegd in het Afsprakenkader Wonen SGE 2022. In de plannen wordt onderbouwd hoe invulling wordt gegeven aan de Brainport Principes. Iedere gemeente toetst dit allereerst zelf. Boven een bepaald aantal woningen leggen gemeenten plannen ook voor aan het onafhankelijk Coördinatieteam Wonen. In dit geval gaat het om een herstructureringslocatie met minder dan 75 woningen binnen bestaand stedelijk gebied van een van de grotere kernen. In dat geval hoeft de ontwikkeling niet regionaal afgestemd te worden. Door de druk op de woningmarkt en de gemaakte woondeal-afspraken wordt op allerlei manieren gewerkt aan het versnellen van de woningbouwproductie, waarbij ook kwaliteit en betaalbaarheid van belang zijn.
Programma wonen 2020-2030 In dit programma dat in juli 2020 is vastgesteld, wordt onder andere aangegeven wat de woningvoorraad nodig heeft: Kleiner, betaalbaarder, levensloopgeschikter; Nieuwbouw zorgt voor doorstroming; Kwaliteit boven aantallen, wel versnellen; Nieuwbouw is levensloopgeschikt en energieneutraal.
41/71
Toetsingskader nieuwe woningbouwplannen (bron: Programma wonen 2020-2030) Toetsing In Nuenen is slechts 16% van de woningvoorraad sociale huur. De beoogde ontwikkeling voorziet in de nieuwbouw van 40 sociale huurappartementen en zorgt ervoor dat het percentage sociale huurwoningen in Nuenen op peil blijft of wellicht zelfs toeneemt. De woningen zijn gericht op de doelgroep 1- en 2-persoonshuishoudens, starters en senioren. De woningen kunnen levensloopgeschikt worden gemaakt en zullen voldoen aan de geldende BENG-eisen met betrekking tot duurzaamheid. Conclusie In het plan worden 40 sociale huurappartementen mogelijk gemaakt voor één- en tweepersoonshuishoudens (een toevoeging van 18 ten opzichte van de huidige situatie). Uit het afsprakenkader SGE 2022 blijkt dat er in de gemeente tot 2030 behoefte is aan 665 woningen tot 2030. Inmiddels is in de regiodeal afgesproken dat Nuenen zich inzet om netto 760 woningen toe te voegen aan de voorraad, waarvan een fors deel betaalbaar. Dit plan geeft daar mede invulling aan. De ontwikkeling past binnen de regionale verstedelijkingsafspraken. In het programma wonen ligt de focus op kleiner, betaalbaarder en inbreiding. Het plan geeft daar invulling aan. De behoefte aan sociale huurappartementen blijkt ook uit het regionaal woningbehoefteonderzoek.
Met dit plan is sprake van een herinvulling en betere benutting van een bestaande locatie binnen het bebouwd gebied van Nuenen.
42/71
5.2
Welstand
Welstand gaat over hoe de uiterlijke kenmerken van een bouwwerk in de omgeving passen, denk aan vorm, kleur of gebruikte materialen. De redelijke eisen van welstand zijn uitgewerkt in de welstandsnota van de gemeente. In de Bruidsschat zijn regels opgenomen met betrekking tot (1) repressief welstand (art. 22.7), oftewel de excessenregeling en (2) beoordeling van een aanvraag om een omgevingsvergunning met betrekking tot een bouwactiviteit en het in stand houden en gebruiken van het te bouwen bouwwerk (art. 22.29). Heeft de gemeente geen welstandsnota en ook een beleidsregels voor de beoordeling van het uiterlijk van bouwwerken? Dan gelden de regels in de Bruidsschat niet. De regel geldt ook niet bij een bouwwerk of in een gebied dat de gemeente als welstandsvrij heeft aangewezen. Beoordeling van een aanvraag voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit Artikel 22.29 lid 1 onder b bepaalt dat een omgevingsvergunning met betrekking tot een bouwactiviteit en het in stand houden en gebruiken van het te bouwen bouwwerken alleen wordt verleend als het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk niet in strijd is met de redelijke eisen van welstand, beoordeeld volgens de criteria van de welstandsnota. Tijdelijke bouwwerken, niet zijnde seizoensgebonden werken zijn uitgesloten van deze welstandstoets.
Repressief welstand De excessenregeling ziet erop toe dat gemeenten een eigenaar kan verplichten om aanpassingen aan het bouwwerk te verrichten waarmee de ernstige strijd met redelijke eisen van welstand wordt opgeheven. Onder de Ow gebeurt dit middels een maatwerkvoorschrift (art. 22.4 BS). De excessenregeling is (met name) van toepassing op bestaande situaties en is minder relevant voor het beoordelen van een aanvraag voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. Toetsing Het projectgebied heeft geen betrekking op cultureel erfgoed en is volgens de gebiedskaart uit de Welstandsnota Nuenen c.a. gelegen binnen deelgebied 'Nuenen wonen west (4)' waar volgens de niveaukaart een 'gewoon' welstandniveau geldt.
43/71
Gebiedskaart Welstandsnota Nuenen CA, met het projectgebied (4) blauw omlijnd. Het woongebied Nuenen West is een gewoon welstandsgebied. Het beleid is gericht op de rust in het straatbeeld en samenhang in de architectuur. De welstandscommissie zal bij de advisering onder meer aandacht schenken aan het behoud van de maat en schaal van de gebouwen in het straatbeeld en aan samenhang in zowel de architectonische uitwerking als het gebruik van materiaal en kleur. In het stedenbouwkundig ontwerp is hier rekening mee gehouden. De nieuwe gebouwen maken deel uit van een stedenbouwkundig patroon met korte rijen en enigszins verspringende rooilijnen. De hoeken Irenestraat/Voirt en Voirt/Beatrixstraat kennen een bepaalde openheid en behouden deze of wordt in het eerste geval zelfs versterkt. De hoofdgebouwen worden met de voorgevel gericht op de belangrijkste openbare ruimte, namelijk de straat waaraan ze gelegen zijn. De bouwmassa's zijn evenwichtig en passen in de samenhang van het straatbeeld. De gebouwen bestaan uit twee lagen voorzien van een zadeldak met de nok parallel aan de straat. Voor zover aanbouwen en dakkapellen nu al zijn mee ontworpen, zijn ze vormgegeven als toegevoegd ondergeschikt element of opgenomen in de hoofdmassa. De architectonische uitwerking en detaillering sluit aan bij de omliggende woningen.
Op maaiveldniveau hebben appartementengebouwen een bewoond karakter. De hellende daken krijgen rode dakpannen, net als de woningen die worden gesloopt en omliggende woningen. De gevels worden uitgevoerd in een rode baksteen die lichter zal zijn dan de overheersende steen in de omgeving, maar niet zal contrasteren. Daarmee zijn rust in het straatbeeld en ensemble gewaarborgd. Het bovenstaande is uitgewerkt in een beeldkwaliteitsplan, dat als Bijlage 2 bij deze motivering is gevoegd. Om te waarborgen dat de nieuwe woningen binnen de kaders van het beeldkwaliteitsplan worden opgericht, wordt het beeldkwaliteitsplan als verbindend voorschrift aan de vergunning verbonden. Daarmee voldoet het project aan de redelijke eisen van welstand.
44/71
5.3
Mer-beoordeling
In Bijlage V van het Omgevingsbesluit (Ob) is aangegeven welke projecten in het kader van een omgevingsvergunning voor een bopa project-merplichtig of mer-beoordelingsplichtig zijn. Projecten die zijn genoemd in kolom 1 zijn mer-plichtig als wordt voldaan aan de drempelwaarden uit kolom 2 en mer-beoordelingsplichtig in gevallen als genoemd in kolom 3. In kolom 4 staat aangegeven bij welk besluit de mer-(beoordelings)plicht geldt. Als hier het Omgevingsplan wordt genoemd, wordt hieronder ook de omgevingsvergunning voor een bopa verstaan. Voor mer-beoordelingsplichtige activiteiten moet worden onderzocht of deze aanzienlijke milieueffecten kunnen heb-ben. De criteria om dit vast te stellen zijn genoemd in bijlage III van Richtlijn 2011/92/EU (richtlijn m.e.r.). Samengevat zijn dit de kenmerken van een project, de locatie van een project en soort en kenmerken van de verschillende milieueffecten. De initiatiefnemer van een in Bijlage V aangewezen project moet daarvan mededeling doen bij het bevoegd gezag, doorgaans het college van B&W. In die mededeling (de aanmeldingsnotitie) is een beschrijving van het project, de locatie en de mogelijke milieueffecten opgenomen. Het bevoegd gezag beslist binnen zes weken of sprake is van aanzienlijke milieueffecten en neemt die beoordeling op in de omgevingsvergunning.
Toetsing Voor dit project moet worden beoordeeld of de activiteit voorkomt in de kolom van Bijlage V van het Ob, meer specifiek of sprake is van activiteit J11 'Stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra en parkeerterreinen'. Als dat het geval is, is een mer-beoordeling noodzakelijk. De beoogde ontwikkeling waarvoor een omgevingsvergunning voor een bopa wordt aangevraagd, betreft de sloop van 22 grondgebonden woningen en de realisatie van 40 woningen. Deze woningen worden op dezelfde plaats teruggebouwd, in een vergelijkbaar bouwvlak en bouwmassa. Gelet op deze omstandigheden is geen sprake van een 'stedelijk ontwikkelingsproject' zoals bedoeld in Bijlage V van het Ob. Een mer-beoordeling is dan ook niet aan de orde.
5.4
Verkeer en parkeren
Op het gebied van verkeer en vervoer bestaat geen specifieke wetgeving die relevant is voor de voorgenomen activiteit. Wel dient in het kader van het ruimtelijk plan dat de activiteit mogelijk maakt, te worden onderbouwd dat het geheel voldoet aan een goede ruimtelijke ordening. Dit houdt onder meer in dat de eventuele verkeerstoename niet leidt tot knelpunten in de verkeersafwikkeling en verkeersveiligheid. Ontsluiting Gemotoriseerd verkeer Het projectgebied aan de Voirt wordt via de oostkant ontsloten aan de Parkstraat, via de westkant ontsluit deze via de Kapperdoesweg. Zowel de Voirt, Parkstraat als de Kapperdoesweg betreft een erftoegangsweg met een maximumsnelheid van 30 km/h, welke richting de Europalaan leiden. De Europalaan is een
45/71
gebiedsontsluitingsweg met een maximumsnelheid van 50 km/h. Vanaf de Europalaan is de A270 bereikbaar om richting Helmond of Eindhoven te gaan. Tevens is er een directe verbinding via de Sterrenlaan. Langzaam verkeer Aan weerszijde van de rijbaan van de Voirt zijn fietssuggestiestroken aanwezig. Aan de Europalaan zijn tweerichtingsfietspaden gerealiseerd. Hiervan zijn gedeeltes ingericht als fietsstraat. Aan de Europalaan zijn verkeerspleinen met fietsoversteek. Op de Kapperdoesweg zijn fietssuggestiestroken aanwezig aan weerszijden van de weg. Aan beide kanten aan de Voirt, Kapperdoesweg en de Geldropsewijk zijn voetpaden aanwezig. Openbaar vervoer Op circa 450 meter loopafstand vanuit het plangebied is de dichtstbijzijnde OV-halte gesitueerd. Vanaf deze halte is Eindhoven-Station te bereiken. Met het OV richting Helmond reis je met de bus naar Eindhoven Centraal. Met de trein vervolg je de reis naar Helmond. Met de treinverbinding zijn via Eindhoven Tilburg, Breda en 's-Hertogenbosch bereikbaar. De treinverbinding gaat via Helmond door richting het oosten. Verkeersgeneratie Het plan bestaat uit 20 BEBO-woningen (beneden- bovenwoning), en 20 appartementenwoningen. De verkeersgeneratie van de beoogde ontwikkeling is berekend op basis van kencijfers uit CROW-publicatie 381 'toekomst bestendig parkeren'.
Voor het bepalen van de te hanteren cijfers is op basis van CBS-data een stedelijkheidsgraad van 'matig stedelijk' aangehouden. Het gebiedstype is gedefinieerd als 'rest bebouwde kom'. Tabel 1 toont de verkeersgeneratie van de verschillende functies voor een gemiddelde weekdag (144 mvt/etmaal). Voor de verkeerskundige beoordeling is de werkdag echter maatgevend. Bij het omrekenen van weekdag naar werkdag is daarom conform gebruik gemaakt van een omrekenfactor (wonen 1,08). De omrekenfactor is afkomstig uit CROW-publicatie 381 en 272. De verkeersgeneratie is van zowel de bestaande als de beoogde situatie berekend. Vervolgens is er gesaldeerd. Na de saldering is er een verkeerstoename van 39 mvt/etmaal op een gemiddelde werkdag. De verkeersintensiteit is dermate laag dat het plan niet zal leiden tot knelpunten. De BEBO-woningen verschillen nauwelijks van de appartementen in het plan. Daarom is er voor de BEBO-woningen ook de functie 'appartementen, huur, midden/goedkoop (incl. sociale huur)' aangehouden. Tabel 1 Verkeersgeneratie beoogde plan Bestaande situatie Programma Aantal Functie CROW 381 woningen Huurwoningen
46/71
22
Kencijfer
Huur, huis, sociale huur 4,5
Verkeersgeneratie (mvt/etmaal) Weekdag 108
Werkdag 116
Beoogde situatie Programma
Aantal woningen
Appartementen
20
BEBO-woningen
20
Functie CROW 381
Kencijfer
Appartementen, huur, 3,6 midden/goedkoop (incl. sociale huur) Appartementen, huur, 3,6 midden/goedkoop (incl. sociale huur)
Verkeersgeneratie 40 beoogd Totaal Verkeerstoename (beoogd – bestaand)
Verkeersgeneratie (mvt/etmaal) Weekdag 72
Werkdag 78
72
78
144
156
36
39
Parkeren Autoparkeren De parkeerbehoefte van de beoogde ontwikkeling is bepaald met behulp van de parkeernormen van CROW-publicatie 381. Net als bij de verkeersgeneratie is er voor de locatie een stedelijkheidsgraad van 'matig stedelijk' en gebiedstype 'rest bebouwde kom' aangehouden. Middels saldering is de parkeerbehoefte van de bestaande en de beoogde ontwikkeling berekend. Er is gekeken naar de grootste bezetting van de week, welke dan maatgevend is. Tabel 2 Normatieve parkeerbehoefte bestaande en nieuwe situatie Parkeerbehoefte Aantal Functie Bestaande situatie Huurwoning bewoners 22 Huur, huis, sociale huur Nieuwe situatie Appartementen bewoners
20
BEBO bewoners
20
Totaal
40
Huur appartement midden/goedkoop (incl. sociale huur) Huur appartement midden/goedkoop (incl. sociale huur)
Norm
Per
P-behoefte
1,6
Woning
35,2
1,4
Woning
28
1,4
Woning
28
56
Bestaande situatie In totaal is er voor de bestaande situatie een normatieve parkeerbehoefte van 35,2 = 36 parkeerplaatsen. Nieuwe situatie In totaal is er voor de situatie na toevoeging van het plan een normatieve parkeerbehoefte van 56 parkeerplaatsen.
47/71
Dubbelgebruik De beoogde ontwikkeling bestaat alleen uit twee woonfuncties. Om dubbelgebruik toe te passen zijn de parkeernormen opgedeeld in bewoners en bezoekers. Vervolgens zijn aanwezigheidspercentages uit CROW-publicatie 381 gebruikt om te bepalen wat de parkeerbehoefte is per dagdeel. Het dagdeel met de hoogste parkeerbehoefte wordt maatgevend. In de bestaande situatie is het maatgevende dagdeel 'werkdag avond', met een parkeerbehoefte van 32 parkeerplaatsen. In de situatie na toevoeging van het plan is er na dubbelgebruik een parkeerbehoefte van 50 parkeerplaatsen op het maatgevende dagdeel 'werkdag avond'. Tabel 3 laat de parkeerbehoefte zien indien rekening wordt gehouden met dit zogenaamde dubbelgebruik, rekening houdend met de aanwezigheidspercentages. Tabel 3 Parkeerbehoefte bestaande en nieuwe situatie na dubbelgebruik en na saldering Dubbelgebruik Werkdag Werkdag Werkdag Werkdag Koop Zaterdag ochtend middag avond nacht avond middag Bestaande situatie Woning bewoners 50% 50% 90% 100% 80% 60% 14,3 14,3 25,7 28,6 22,9 17,2 Woning bezoekers 10% 20% 80% 0% 70% 60% 0,7 1,3 5,3 0,0 4,6 4,0 Totaal 15,0 15,6 31,02 28,6 27,5 21,1 Afgerond naar boven 15,0 16,0 31,0 29,0 28,0 22,0 Nieuwe situatie Woning bewoners
Zaterdag Zondag avond middag 80% 22,9 100% 6,6 29,5 30,0
70% 20,0 70% 4,6 24,6 25,0
Totaal Afgerond naar boven
50% 22,0 10% 1,2 23,2 24,0
50% 22,0 20% 2,4 24,4 25,0
90% 39,6 80% 9,6 49,2 50,0
100% 44,0 0% 0,0 44,0 44,0
80% 35,2 70% 8,4 43,6 44,0
60% 26,4 60% 7,2 33,6 34,0
80% 35,2 100% 12,0 47,2 48,0
70% 30,8 70% 8,4 39,2 40,0
Saldering Bestaand Nieuw Nieuw - bestaand
15,0 24,0 9,0
16,0 25,0 9,0
32,0 50,0 18,0
29,0 44,0 15,0
28,0 44,0 16,0
22,0 34,0 12,0
30,0 48,0 18,0
25,0 40,0 15,0
Woning bezoekers
Vervolgens kan er gesaldeerd worden met de bestaande en nieuwe situatie. Van de bestaande situatie worden er 12 parkeerplaatsen onttrokken. Dat betekent dat dit aantal nog wordt opgeteld bij de parkeerbehoefte na saldering van 18 parkeerplaatsen. Uiteindelijk betekent het dat er een
48/71
parkeerbehoefte is van 18+12 = 30 parkeerplaatsen. In het plan zijn 36 nieuwe parkeerplaatsen opgenomen. Er zal bij de realisatie van het plan dus volledig in deze parkeerbehoefte van 30 parkeerplaatsen worden voorzien. Conclusie De planbijdrage is dermate laag, dat er geen verkeersknelpunten plaats zullen vinden. Vanaf de Europalaan gaat het verkeer op in het heersende verkeersbeeld. Ook 10 jaar na realisatie van het plan (2035) worden er geen knelpunten verwacht door het plan. De parkeerbehoefte van de beoogde ontwikkeling na dubbelgebruik en saldering met de bestaande situatie bedraagt 30 parkeerplekken. In het plan zijn 36 nieuwe parkeerplaatsen opgenomen, binnen 100m van de nieuwe woningen. Het plan zal dus ruim in de parkeerbehoefte van 30 parkeerplaatsen voorzien.
5.5
Ecologie: soortenbescherming
De activiteit waarvoor een omgevingsvergunning voor een bopa wordt aangevraagd en die mogelijke gevolgen heeft voor verblijfsplaatsen van beschermde dieren of planten, is een flora- en fauna-activiteit. Het is in beginsel verboden om zonder vergunning een flora- en fauna-activiteit te verrichten. Voor de aanvraag om een omgevingsvergunning voor een bopa is het nodig om te onderzoeken of er aanwijzingen zijn van de aanwezigheid van beschermde soorten op de locatie waar de activiteit zal worden verricht of in de directe nabijheid van die locatie. Dit is de quickscan ecologie. Is het resultaat van de quickscan ecologie dat er aanwijzingen zijn dat specifieke beschermde soorten voorkomen, dan is aanvullend onderzoek nodig. Voor sommige flora- en fauna-activiteiten is een omgevingsvergunning nodig. In alle gevallen geldt de specifieke zorgplicht voor het verrichten van een flora- en fauna-activiteit die er kort samengevat op neerkomt dat maatregelen moeten worden getroffen om nadelige gevolgen voor beschermde soorten te voorkomen dan wel zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken (artikel 11.27 Bal). Toetsing Bij dit project kunnen verblijfsplaatsen van (beschermde) soorten verloren gaan, met name omdat bestaande woongebouwen worden gesloopt. Daarom heeft in 2020 ecologisch onderzoek plaatsgevonden.
Uit dat ecologisch onderzoek is gebleken dat er waarnemingen zijn gedaan van (verblijfplaatsen van) huismussen, gierzwaluwen en gewone dwergvleermuis. Er zijn geen bijzondere functies van beschermde soorten aangetoond tijdens het onderzoek dat is uitgevoerd bij de woningen. Naar aanleiding van de resultaten van het ecologisch onderzoek is voor de ontwikkeling een ecologisch werkprotocol opgesteld (zie Bijlage 3). De woningen worden ruimschoots voor aanvang van de werkzaamheden voor de beschermde soorten ontmoedigd. Drie tot vijf dagen na de ontmoediging wordt door de ecoloog een laatste controle op activiteiten van vleermuizen uitgevoerd, waarna deze een "natuurvrijverklaring" afgeeft en de geplande werkzaamheden kunnen starten. De permanente voorzieningen worden tijdens de werkzaamheden gerealiseerd en alle werkzaamheden worden in een logboek bijgehouden.
49/71
Aangezien met de sloopwerkzaamheden verblijfplaatsen van beschermde soorten verloren zullen gaan, is ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming gevraagd. Deze ontheffing is verleend op 29 maart 2021 (zie Bijlage 4) en is vijf jaar geldig (met optie tot verlenging, mede afhankelijk van de evaluatie). De sloopwerkzaamheden kunnen dan ook vóór 29 maart 2026 plaatsvinden op basis van deze ontheffing. Bij gewenste verlenging dient minimaal 5 maanden voor het verstrijken van de looptijd van de ontheffing een onderbouwd verlengingsverzoek ingediend te worden.
5.6
Ecologie: gebiedsbescherming
Ter bescherming van de natuur zijn in het Bkl diverse regels opgenomen. Deze regels komen grotendeels overeen met de regels die zijn opgenomen in de voormalige Wet natuurbescherming. Het gaat hierbij in de eerste plaats om regels voor de gebiedsbescherming van aangewezen Natura 2000-gebieden, regels voor de soortenbescherming van te beschermen planten, diersoorten (waaronder vogels) en regels ter bescherming van houtopstanden. Het gebieds- en soortenbeschermingsregime vloeit voor een belangrijk deel voort uit twee Europese richtlijnen, te weten de Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en de Habitatrichtlijn (92/43/EEG). Daarnaast bevat het Bkl regels over het Natuur Netwerk Nederland. Natura 2000-gebieden De Europese Vogel- en Habitatrichtlijn beschermt Natura 2000-gebieden. De minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit wijst de Natura 2000-gebieden aan. Op grond van artikel 2.43 Omgevingswet legt hij ook de instandhoudingsdoelstellingen vast. Dit gebeurt in een aanwijzingsbesluit. Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten, mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze bij de voorbereiding van een omgevingsplan in kaart te worden gebracht en beoordeeld.
Natura 2000-gebieden hebben een externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden en verstoring kunnen veroorzaken, moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. Een ruimtelijk plan dat significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied kan alleen worden vastgesteld indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. Indien deze zekerheid niet is verkregen, kan het plan worden vastgesteld, indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden: 1. Alternatieve oplossingen zijn niet voorhanden; 2. Het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard; en 3. De noodzakelijke compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000-netwerk bewaard blijft. In afdeling 8.6 Bkl staat het beoordelingskader voor de omgevingsvergunning voor Natura 2000-activiteiten. Dit is door middel van het aanvullingsspoor Natuur gebeurd. Natuurnetwerk Nederland (NNN) Een bopa-activiteit kan gevolgen hebben voor NNN-gebieden. De gebieden die het NNN vormen zijn aangewezen in de provinciale omgevingsverordening. In de provinciale omgevingsverordening worden de wezenlijke kenmerken en waar-den vastgesteld van deze gebieden.
Deze wezenlijke kenmerken en waarden moeten worden beschermd, in stand worden gehouden, verbeterd en ontwikkeld. Hiertoe zijn in de provinciale
50/71
omgevingsverordening instructieregels opgenomen. Houtopstanden (bos) Mocht de bopa-activiteit gevolgen hebben voor houtopstanden buiten de bebouwingscontour houtkap (dat wil zeggen: er moeten bomen worden geveld), gelden rijksregels uit het Bal. Bij vellen hoort een herplantingsplicht maar hierop bestaan uitzonderingen (zie artikel 11.111 Bal). Als de rijksregels voor vellen van toepassing zijn, is het vellen van houtopstanden verboden zonder eerst een melding te doen. Toetsing Het projectgebied is geen onderdeel van een natuur- of groengebied met een beschermde status, zoals Natura 2000. Het dichtstbijzijnde stikstofgevoelige Natura 2000-gebied Strabrechtse Heide & Beuven ligt op circa 7 kilometer. Het projectgebied maakt ook geen deel uit van het Natuurnetwerk Nederland/Natuurnetwerk Brabant. Het dichtstbijzijnde onderdeel van het NNB bevindt zich op een afstand van circa 670 meter (zie onderstaande figuur).
Projectgebied (rood omcirkeld) ten opzichte van NNB en Natura 2000 Vanwege de afstand zijn directe effecten zoals areaalverlies, versnippering, verandering van de waterhuishouding en verstoring op NNB en Natura 2000-gebied op voorhand uitgesloten. Voor het onderzoeken van de mogelijke effecten op het nabijgelegen stikstofgevoelige Natura 2000-gebied voor de realisatie- en gebruiksfase is een AERIUS-berekening uitgevoerd (zie bijlage 6 voor de memo en bijlage 7 voor de berekening). Uit de berekening blijkt dat geen sprake is van rekenresultaten die hoger zijn dan 0,00 mol N/ha/jr voor de realisatie- en gebruiksfase van de ontwikkeling. Ten slotte gaat dit project niet gepaard met het vellen van houtopstanden buiten de bebouwingscontour.
51/71
5.7
Luchtkwaliteit
Als een bopa betrekking heeft op een milieubelastende activiteit die leidt tot een verhoging van de concentratie in de buitenlucht van luchtverontreinigende stoffen, kan deze alleen worden verleend als de omgevingswaarden voor deze stoffen in acht worden genomen (artikel 8.17 Bkl). Dit wil zeggen dat deze omgevingswaarden niet mogen worden overschreden. De kans op overschrijding is met name aanwezig als een activiteit in of nabij een aandachtsgebied plaatsvindt. In deze gebieden (aangewezen in artikel 5.51, lid 2, van het Bkl) bestaat een reële kans op (een dreigende) overschrijding van een omgevingswaarde. Onderzoek zal moeten uitwijzen of de activiteit daadwerkelijk leidt tot een overschrijding van de omgevingswaarden. Onderzoek is niet nodig als de activiteit niet in betekenende mate bijdraagt aan een verslechtering van de luchtkwaliteit. Dit is het geval als activiteiten leiden tot een verhoging van de kalenderjaargemiddelde concentratie in de buitenlucht van zowel stikstofdioxide als PM10 van 1,2 µg/m³ of minder. Daarnaast zijn in artikel 5.54 Bkl standaardactiviteiten genoemd die niet in betekenende mate bijdragen. Als een activiteit niet in betekenende mate bijdraagt aan een verslechtering van de luchtkwaliteit, dan is het omgevingsaspect luchtkwaliteit geen belemmering.
Toetsing De ontwikkeling van woningen is geen categorie waarvoor een luchtkwaliteitstoets uitgevoerd moet worden. De activiteiten in het project behoren tot een categorie van gevallen die niet in betekenende mate bijdragen. Tevens is de gemeente Nuenen niet binnen een aandachtsgebied gelegen die gemonitord wordt voor fijnstof (PM10) en stikstofdioxide (NO2). Er is geen belemmering voor het realiseren van de woningen. Naast een beoordeling van de bijdrage aan de luchtkwaliteit door de activiteit zelf is het ook nodig om te beoordelen of de nieuwe functie aan de betreffende locatie kan worden toegewezen gelet op de achtergrondconcentratie van luchtverontreinigende stoffen. Dit kan worden beoordeeld met behulp van het Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit (CIMLK). In artikel 2.4 en 2.5 van het Bkl staan de ten hoogste toelaatbare omgevingswaarden benoemd. In de Omgevingsvisie heeft gemeente Nuenen bepaald dat voor luchtkwaliteit het ‘stand still’ principe geldt. Dat wil zeggen dat de luchtkwaliteit per saldo niet mag verslechteren. De landelijke wettelijke norm geldt als maximum.
52/71
Uitsnede CIMLK viewer, met het projectgebied blauw omlijnd en rechts de toetspunten aan het wegdeel 'Parkstraat'. Hierboven is een uitsnede opgenomen van de CIMLK viewer waarop te zien is waar het relevante toetspunt zich bevindt ten opzichte van het projectgebied. De figuur geeft de PM10-overschrijdingsdagen weer in de meest recente monitoringsronde en het meest nabijgelegen monitoringsjaar. Eenzelfde uitsnede kan worden gemaakt van andere monitoringsronden, monitoringsjaren en luchtverontreinigende stoffen (per monitoringsjaar en monitoringsronde), maar het is niet zinvol om hiervoor steeds afzonderlijk een figuur op te nemen. Wel is het van belang om de relevante concentraties te beoordelen. In onderstaande tabel zijn voor het dichtstbijzijnde toetspunt en de meest actuele monitoringsronde de omgevingswaarden in beeld gebracht voor de meest relevante luchtverontreinigende stoffen.
Uit voorgaande tabel blijkt dat de concentraties luchtverontreinigende stoffen de in het Bkl vastgestelde omgevingswaarden niet overschrijden. Zodoende is het gelet op de luchtkwaliteit aanvaardbaar de functie wonen aan de projectlocatie toe te delen.
5.8
Geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen
Algemeen In een Omgevingsplan of bij het toepassen van een bopa moet worden getoetst of het geluid van wegverkeer aanvaardbaar is. Het geluid is in ieder geval aanvaardbaar als wordt voldaan aan de standaardwaarden volgens artikel 5.78t van het Bkl. Het geluid mag hoger zijn dan de standaardwaarde als er geen geluidbeperkende maatregelen kunnen worden getroffen om aan de standaardwaarden te voldoen en de overschrijding van de
53/71
standaardwaarden zoveel mogelijk wordt beperkt.
Geluidaandachtsgebieden De toets wordt in eerste instantie beperkt/afgebakend door het geluidaandachtsgebied behorend bij de omliggende wegen. Dit is het gebied waar de standaardwaarde kan worden overschreden. De omvang van geluidaandachtsgebieden dient te worden berekend conform Bijlage IVc bij artikel 3.5 van de Omgevingsregeling. Omvang geluidaandachtsgebieden Voor het projectgebied geldt dat de omliggende wegen allemaal vallen onder de geluidbronsoort gemeentewegen. Voor gemeentewegen dient het geluidaandachtsgebied te worden berekend op basis van de uiterlijk in 2026 vast te stellen basisgeluidemissie (BGE). Op basis van artikel 17.5 van de Omgevingsregeling geldt er overgangsrecht en zijn aan gemeentewegen geluidaandachtsgebieden toegekend op basis van vaste afstanden. Alle direct omliggende wegen zijn 30 km-wegen en daarmee bedraagt (totdat de BGE's zijn vastgesteld) een geluidaandachtsgebied van 100 meter aan weerszijden van de verschillende wegen. Voor de Europalaan geldt dat dit een 50 km-weg is met een geluidaandachtsgebied van 200 meter aan weerszijden. De woningen binnen het project gebied vallen daarmee binnen het geluidaandachtsgebied van gemeentewegen. Van toepassing zijnde standaard- en grenswaarde Voor de geluidbronsoort gemeentewegen bedraagt de standaardwaarde Lden = 53 dB. De grenswaarde bedraagt Lden = 70 dB.
Onderzoek en toetsing Er is een akoestisch onderzoek uitgevoerd naar het geluid van de omliggende gemeentewegen. Het onderzoeksrapport is opgenomen als Bijlage 5 bij deze motivering. Uit dit onderzoek blijkt dat de berekende geluidbelasting van gemeentelijke wegen maximaal 53 dB bedraagt . Hiermee worden de standaardwaarde akoestische maatregelen te onderzoeken of voor te schrijven. Gezamenlijk geluid Het gezamenlijke geluid als bedoeld in art. 5.78ad van het Bkl moet in het besluit tot verlening van de omgevingsvergunning voor de buitenplanse omgevingsplanactiviteit worden vastgelegd. De verleende
54/71
omgevingsvergunning moet (art. 4.17 van de Omgevingswet) op een later tijdstip in het omgevingsplan worden verwerkt, inclusief de waarde van het gezamenlijk geluid. De waarde van het gezamenlijke geluid kan eventueel op een later tijdstip nog opnieuw worden bepaald in een maatwerkvoorschrift als bedoeld in art. 4.103a van het Besluit bouwwerken leefomgeving. Het gezamenlijk geluid is de ongecorrigeerde energetische optelling van het geluid van alle relevante geluidbronsoorten. De gecumuleerde geluidbelasting bedraagt ten hoogste 53 dB ter plaatse van de voorgevels van meerdere woningen direct aan de Voirt (beide verdiepingen). Omdat er wordt voldaan aan de standaardwaarde voor gemeentewegen is er geen verplichting om het gezamenlijk geluid vast te leggen. De vereiste karakteristieke geluidwering Ga;k bedraagt dan 20 dB. Nader onderzoek naar de geluidwering van de gevels is niet nodig. Woon- en leefklimaat De milieukwaliteit wordt geclassificeerd als ‘Zeer goed’ tot ‘Redelijk’. Het woon- en verblijfsklimaat ter plaatse van de beoogde woningen wordt als acceptabel aangemerkt. Gesteld kan worden dat de cumulatieve geluidbelasting een aanvaardbaar woon- en verblijfsklimaat niet in de weg staat.
5.9
Geluid door activiteiten
Algemeen Naast wegverkeerslawaai kan er sprake zijn van (milieubelastende) activiteiten in de omgeving van het plangebied. Vanuit de systematiek van de Omgevingswet hebben bestaande bedrijven voor verschillende aspecten een milieugebruiksruimte, vastgelegd in de Bruidsschat of milieuvergunningen. In de komende jaren wordt dit vastgelegd in het omgevingsplan op basis van de instructieregels uit het Bkl. Van belang is dat niet zozeer afstanden van belang zijn, maar dat er wordt gekeken naar de milieueffecten van activiteiten. Er is in ieder geval sprake van een “evenwichtige toedeling van functies aan locaties” als wordt voldaan aan de standaardwaarden uit het Bkl. Andersom mogen activiteiten niet worden belemmerd door een ontwikkeling. Het maatgevende aspect is in veel gevallen geluid. Toetsing Aan de overzijde van de Marijkestraat bevindt zich detailhandel, waaronder een supermarkt. Omdat bestaande woningen al dichterbij liggen dan het plangebied en de geluidsruimte is vastgelegd in de Bruidsschat, wordt voldaan aan de standaardwaarden van het Bkl en wordt de detailhandel niet belemmerd.
5.10 Geur Er zijn diverse sectoren waarbij geurhinder een rol kan spelen, zoals bij veehouderijen, industrie, horeca en (andere) milieu-belastende activiteiten. In het kader van het beschermen van de gezondheid en het milieu dient op grond van het Bkl rekening te worden gehouden met de geur door activiteiten op gebouwen. Rekening houden met geur werkt twee kanten op: bij het mogelijk maken van het verrichten van activiteiten in de buurt van gevoelige gebouwen; bij het toelaten van geurgevoelige gebouwen in de buurt van bestaande geurveroorzakende bedrijven.
55/71
Voor een aantal activiteiten moet de gemeente geurregels opnemen in het omgevingsplan. Hiervoor staan instructieregels in het Bkl. Dit geldt voor rioolwaterzuiveringsinstallaties (rwzi's), het houden van landbouwhuisdieren en andere agrarische activiteiten. Voor andere geurveroorzakende activiteiten kan de gemeente zelf kiezen welke geurregels ze in het omgevingsplan geurregels stelt. Toetsing De voorgenomen ontwikkeling voorziet niet in een geurbelastende activiteit. Wel maakt het project woningen mogelijk, die volgens het Bkl geurgevoelig zijn. Hierna wordt dan ook getoetst of geur van activiteiten in de omgeving van invloed is op het woon- en klimaat ter plaatse van het projectgebied en of geurbelastende activiteiten met gebruiksruimte eventueel in hun belangen worden geschaad. Er zijn geen rwzi of agrarische bedrijven gelegen nabij de nieuwe woningen. In het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties is het relevant om de achtergrondbelasting geur van veehouderijen te beschouwen. Dit kan aan de hand van de kaart 'Achtergrondbelasting geur' van Omgevingsdienst Zuidoost-Brabant. Uit onderstaande afbeelding blijkt dat het projectgebied is gelegen binnen het concentratiegebied en dat de achtergrondbelasting ter plaatse als 'zeer goed' (< 3 ouE/m³) mag worden beschouwd.
Uitsnede kaart Achtergrondbelasting geur (projectgebied blauw omcirkeld) (Bron: https://atlas.odzob.nl/) Naast voorgenoemde specifieke gevallen kan geur ook veroorzaakt worden door bijvoorbeeld een horeca-gelegenheid of bedrijvigheid (bijvoorbeeld voedingsmiddelenindustrie of mengvoederindustrie). Hiervoor gelden in beginsel geen landelijke regels (Bkl), maar een gemeente is vrij om hier zelfs regels over op te nemen. Ten oosten van het projectgebied ligt het centrum van Nuenen met detailhandel, horeca en andere voorzieningen. Planologisch zijn hier op basis van het bestemmingsplan (thans omgevingsplan) diverse
56/71
centrumfuncties toegestaan. De voor geur meest relevante functies zijn bedrijven en horeca. Horeca is alleen toegestaan daar waar dit specifiek is aangeduid. De dichtstbijzijnde locatie met een horeca-aanduiding (en ook feitelijk aanwezig) is het restaurant aan Parkstraat 8 op ongeveer 200 meter van het projectgebied. Gelet op deze afstand is geurhinder vanwege horeca niet te verwachten en worden geen horecabedrijven in diens belangen geschaad. De dichtstbijzijnde centrumfunctie is een detailhandelzaak op de hoek Voirt/Marijkestraat (31 meter). Detailhandel zorgt niet voor geuruitstoot, maar planologisch zijn hier tevens bedrijven zijn toegestaan in de categorieën A en B van de bij het bestemmingsplan (thans omgevingsplan) gevoegde staat van bedrijfsactiviteiten - functiemenging. Die staat komt voort uit de gelijknamige tabel van de VNG (publicatie Bedrijven en milieuzonering, 2009). Voor categorie A gaat het om activiteiten van milieucategorie 1 (richtafstand 10 meter). Voor categorie B gaat het voor wat betreft geur om activiteiten van maximaal milieucategorie 2 (richtafstand 30 meter). Gelet op deze richtafstanden in relatie tot de afstand tot het projectgebied kan ter plaatse van het projectgebied een goed geurklimaat worden gegarandeerd en zorgt het project niet voor beperking van centrumvoorzieningen.
Het bedrijventerrein Berkenbos ligt op ongeveer 450 meter ten zuidwesten van het projectgebied en staat bedrijven tot en met milieucategorie 3.2 toe, waar volgens de regels van het bestemmingsplan (thans omgevingsplan) bedrijven zijn toegestaan met een richtafstand van maximaal 100 meter. Dat betekent dat zich hier geen bedrijven mogen vestigen met een forse geurbelasting, zoals de voedingsmiddelenindustrie of mengvoederindustrie. Deze bedrijven zijn dan ook niet op het bedrijventerrein aanwezig. Wel is een kunststofverwerkend bedrijf aanwezig (specifiek aangeduid). Afhankelijk van of hier wel of geen fenolharsen worden verwerkt moet rekening worden gehouden met een richtafstand voor geur van 300 of 200 meter. Gelet op de afstand van het bedrijventerrein tot het projectgebied wordt ruimschoots aan de betreffende richtafstanden voor geur voldaan. Tevens zijn er momenteel al woningen gelegen ter plaatse van het projectgebied en is de locatie al bestemd voor wonen. Bedrijven worden door de ontwikkeling hierdoor niet beperkt. Conclusie Gelet op het voorgaande is het gelet op het aspect geur verantwoord om de functie wonen aan de projectlocatie toe te delen.
5.11 Omgevingsveiligheid Omgevingsveiligheid beschrijft de risico's die ontstaan als gevolg van opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen en windturbines. Voor omgevingsveiligheid zijn regels opgenomen in paragraaf 5.1.2 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl van het Bkl). De paragrafen 5.1.2.2 tot en met 5.1.2.6 van het Bkl gaan over het toelaten van beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties in verband met het externe veiligheidsrisico van een activiteit die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit.
57/71
Plaatsgebonden risico Grenswaarden en standaardwaarden voor het Plaatsgebonden Risico (PR) ten aanzien van (zeer) (beperkt) kwetsbare gebouwen en (beperkt) kwetsbare locaties zijn opgenomen in artikel 5.6 tot en met artikel 5.11a van het Bkl. Grenswaarden voor kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties (art. 5.7 lid 1 Bkl) worden in een Omgevingsplan in acht genomen. Met standaardwaarden voor beperkt kwetsbare gebouwen en locaties wordt in een omgevingsplan rekening gehouden (art. 5.11 Bkl). Voor het PR gelden, afhankelijk van de activiteit, vastgestelde afstanden of te berekenen afstanden (bijlage VII Bkl). Aandachtsgebieden De beoordeling van het groepsrisico (GR) maakt gebruik van 'aandachtsgebieden'. Risicovolle activiteiten hebben van rechtswege aandachtsgebieden (art. 5.12 Bkl). Het opnemen van aandachtsgebieden in een omgevingsplan is niet verplicht. Aandachtsgebieden zijn gebieden rond activiteiten met gevaarlijke stoffen die zichtbaar maken waar mensen binnenshuis, zonder aanvullende maatregelen onvoldoende beschermd zijn tegen de gevolgen van ongevallen met gevaarlijke stoffen (RIVM a, z.d.). Aandachtsgebieden zijn er voor brand, explosie en gifwolk. Afhankelijk van het type activiteit met gevaarlijke stoffen, zijn er voor het aandachtsgebied in de regelgeving vaste afstanden vastgesteld of zijn deze afstanden rekenkundig te bepalen (bijlage VII Bkl).
Aandachtsgebieden worden zichtbaar gemaakt in het Register externe veiligheidsrisico's (REV). Toetsing en conclusie Het projectgebied is niet in een PR-contour of aandachtsgebied gelegen. Een afweging van het groepsrisico is niet nodig. Tevens wordt met de ontwikkeling geen risicovolle activiteit mogelijk gemaakt.
Uitsnede risicokaart met het projectgebied rood omcirkeld
58/71
5.12 Trilling Het omgevingsaspect trillingen is geregeld in paragraaf 22.3.5 van de Bruidsschat. Daarin worden regels gesteld aan trillingen door een activiteit met een frequentie van 1 tot 80 Hz in een trillinggevoelige ruimte van een trillinggevoelig gebouw, die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. Er gelden maximale waarden voor continue trillingen en voor herhaald voorkomende trillingen. De maximale waarden zijn opgenomen in de tabellen in artikel 22.88 en 5.87a van de Bruidsschat. Toetsing Woningen worden gezien als trillinggevoelige gebouwen. In de directe omgeving van het projectgebied zijn er echter geen bronnen van trillingen gelegen, zoals spoorlijnen of zware bedrijven. Er wordt daarom voldaan aan de standaardwaarden voor trillingen.
5.13 Schaduwhinder en windhinder Met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties moet worden aangetoond dat er bij een nieuwe ontwikkeling geen sprake is van onaanvaardbare gevolgen voor het windklimaat in de directe omgeving en de bezonningssituatie ter plaatse van eventueel aanwezige bestaande woningen. De rijksoverheid heeft voor deze aspecten van de fysieke leefomgeving geen instructieregels opgesteld. Daarom hebben gemeenten de vrijheid om deze zelf in te vullen. Daarbij kan een gemeente gebruikmaken van alle mogelijkheden van het instrument omgevingsplan. 5.13.1 Schaduwhinder Nieuwbouw kan zorgen voor toename van schaduw op omliggende panden, wat kan zorgen voor een negatieve impact op het woongenot. Gemeente Nuenen c.a. heeft nog geen beleid vastgesteld voor wat betreft bezonning en nadelige schaduwwerking op omliggende woningen. In het geval een gemeente niet over dergelijk beleid beschikt, dan kunnen de algemeen gehanteerde TNO-richtlijnen worden toegepast voor het beoordelen van de effecten van beschaduwing.
TNO kent een licht en een strenge norm: de lichte TNO-norm: ten minste 2 mogelijke bezonningsuren per dag in de periode van 19 februari – 21 oktober (gedurende 8 maanden) in midden vensterbank binnenkant raam de strenge TNO-norm: ten minste 3 mogelijke bezonningsuren per dag in de periode 21 januari – 22 november (gedurende 10 maanden) in midden vensterbank binnenkant raam Deze normen zijn alleen van toepassing op gevels die zon kunnen ontvangen. Noordgevels ontvangen nooit direct zonlicht. Toetsing De goot- en bouwhoogte en positionering van de nieuwe bouwmassa's ten opzichte van omliggende woningen is nagenoeg hetzelfde als in de bestaande situatie. Daarom is geen (onevenredig) nadelige schaduwhinder op omliggende woningen te verwachten. Bij omliggende woningen is te allen tijde ten minste 3 uur bezonning (in midden vensterbank binnenkant raam) te garanderen.
59/71
5.13.2 Windhinder Nieuwbouw kan vanwege de positionering en bouwhoogte veranderingen teweeg brengen in het lokale windklimaat. Gemeente Nuenen c.a. heeft nog geen beleid vastgesteld voor wat betreft windhinder. In het geval een gemeente niet over dergelijk beleid beschikt, kan voor het beoordelen van het lokale windklimaat op loop- en verblijfsniveau de algemeen gehanteerde norm NEN 8100 ('Windhinder en windgevaar in de gebouwde omgeving') worden toegepast. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen windhinder en windgevaar. De norm werkt met uurgemiddelde windsnelheden (m/s) gerelateerd aan de overschrijdingskans in percentage van uren per jaar. Voor verschillende situaties en activiteiten (doorlopen, slenteren, langdurig zitten) is aangegeven of het windklimaat slecht, matig of goed is. In deze norm zit een beslismodel dat aangeeft wanneer een windonderzoek nodig kan zijn: gebouwen hoger dan 30 meter: windonderzoek is nodig; beschut gelegen gebouwen, hoogte 15 tot 30 meter: specialist beoordeelt of windonderzoek nodig is; onbeschut gelegen gebouwen, hoogte tot 30 meter: specialist beoordeelt of windonderzoek nodig is. Toetsing Gelet op de goot- en bouwhoogte en positionering van de nieuwe bouwmassa's ten opzichte van omliggende woningen en de bestaande situatie is geen windgevaar of (onevenredige) windhinder te verwachten. Een windonderzoek wordt niet nodig geacht.
Aangenomen wordt dat een goed windklimaat kan worden gegarandeerd ter plaatse van de nieuwe woningen en omliggende woningen.
5.14 Cultureel erfgoed Cultureel erfgoed omvat archeologie, cultuurhistorie, monumenten, karakteristieke panden, beschermde gezichten, monumentale bomen, landschap en dergelijke. De essentie van het Europees beleid is dat voorafgaand aan de uitvoering van plannen onderzoek moet worden gedaan naar de aanwezigheid van waarden en daar in de ontwikkeling van plannen zoveel mogelijk rekening mee te houden. De essentie van deze wetgeving is behoud van archeologische resten zoveel mogelijk in de bodem en de bescherming van het cultureel erfgoed en landschap. Zo zijn er in het Bkl ten aanzien van de bescherming een aantal beginselen geformuleerd (art. 5.130 Bkl). Deze beginselen richten zich op de omgang met monumenten die op grond van het omgevingsplan zijn beschermd, archeologische monumenten, (voorbeschermde) rijksmonumenten, beschermde stads- en dorpsgezichten en beschermde cultuurlandschappen. Daarnaast zijn in afdeling 8.8 van het Bkl regels gesteld voor de beoordeling van een rijksmonumentenactiviteit en het verplaatsen van gebouwde monumenten. Het gemeentelijk beleid over archeologie en cultuurhistorie is vooruitlopend op de Ow opgenomen op de archeologische beleidskaart en de cultuurhistorische waardenkaart.
Deze archeologische waarden en verwachtingen en de cultuurhistorische waarden zijn veelal door vertaald in respectievelijk archeologische dubbelbestemmingen en cultuurhistorische dubbelbestemmingen opgenomen in het (tijdelijk) omgevingsplan of activiteitgericht in het gemeentebrede omgevingsplan.
60/71
5.14.1 Archeologie In het bestemmingsplan Nuenen-Noordwest (tijdelijk deel omgevingsplan Nuenen) hebben alle deellocaties van het projectgebied de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie middelhoog'. Aan die dubbelbestemming zijn regels gekoppeld die bepalen dat bij de aanvraag van een omgevingsvergunning voor het bouwen een archeologisch onderzoeksrapport benodigd is, tenzij de aanvraag betrekking heeft op: normale onderhoudswerkzaamheden; werken of werkzaamheden van ondergeschikte betekenis; werken of werkzaamheden in het kader van het normale bodemgebruik; werken of werkzaamheden die op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan in uitvoering zijn of krachtens een voor dat tijdstip verleende (omgevings)vergunning / ontheffing of anderszins mogen worden uitgevoerd; vervanging, vernieuwing of verandering van bestaande bebouwing, waarbij de oppervlakte niet wordt uitgebreid en waarbij gebruik wordt gemaakt van de bestaande fundering; een bouwwerk met een oppervlakte kleiner dan 2.500 m²; een bouwwerk dat zonder graafwerkzaamheden dieper dan 30 centimeter en zonder heiwerkzaamheden kan worden geplaatst, of; een bouwwerk dat uitsluitend voor archeologisch onderzoek is bestemd, waarvan de bouwhoogte maximaal 3,00 meter mag bedragen. De voorgenomen ontwikkeling heeft betrekking op vervangende nieuwbouw op vier deellocaties.
Zowel afzonderlijk als gezamenlijk hebben de nieuwe bouwwerken een oppervlakte van minder dan 2.500 m². Bovendien vindt de nieuwbouw grotendeels plaats op de plek van de huidige bebouwing. Gelet op deze omstandigheden is volgens het geldende omgevingsplan geen archeologisch onderzoek nodig. De recentere regionale Erfgoedkaart van Omgevingsdienst Zuidoost-Brabant geeft voor het projectgebied echter een hoge archeologische verwachting vanwege een landbouwobject (huis/schuur/erf) en militair object (schans walhut) aan de Voirt. Om een goede afweging over archeologie te kunnen maken is een archeologisch bureauonderzoek uitgevoerd. Dit onderzoek is als bijlage bij deze motivering gevoegd. Uit het bureauonderzoek blijkt dat voor het Paleolithicum, Mesolithicum en de Nieuwe tijd een lage verwachting geldt op het aantreffen van archeologie. De perioden Neolithicum tot en met de Late-Middeleeuwen hebben een middelhoge archeologische verwachting op het aantreffen van archeologische indicatoren binnen het plangebied. Een uitzondering is het historische erf dat op de kadastrale minuut te herkennen valt. Voor deze zone geldt een hoge verwachting voor de Late-Middeleeuwen en Nieuwe tijd. Gezien de archeologische verwachting wordt in het archeologisch onderzoeksrapport vervolgonderzoek in de vorm van een Inventariserend veldonderzoek, verkennend booronderzoek geadviseerd.
niet instemmen met het advies om een verkennend booronderzoek uit te laten voeren. Het bevoegd gezag is het echter oneens met deze conclusie. Op basis van de uitkomsten van het archeologische vooronderzoek aangevuld met de juiste (beleids)kaarten die aantonen dat de kans op archeologische waarden in
61/71
het gehele plangebied hoog zijn, achten het bevoegd gezag archeologisch vervolgonderzoek in de vorm van een karterend en waarderend archeologisch proefsleuvenonderzoek noodzakelijk. Doel van dit vervolgonderzoek is het aanvullen en toetsen van de gespecificeerde verwachting die gebaseerd is op de reeds uitgevoerde bureauonderzoek. Dit vervolgonderzoek dient plaats te vinden aan de hand van een door het bevoegd gezag goedgekeurd Programma van Eisen (PvE) en uitgevoerd te worden door een daartoe bevoegd archeologisch onderzoeksbureau. Op basis van de uitkomsten van dit proefsleuvenonderzoek beslist het bevoegd gezag (gemeenteraad Nuenen ca.) of de archeologische waarden in voldoende mate zijn vastgesteld. Indien hierbij archeologische waarden worden aangetroffen, dienen deze veilig gesteld te worden door mogelijke planaanpassing en als dat niet mogelijk is door het opgraven van de aanwezige archeologische resten. Het besluit hierover ligt bij het bevoegd gezag. De verplichting tot het uitvoeren van dit proefsleuvenonderzoek wordt opgenomen als verbindend voorschrift aan voorliggende bopa-omgevingsvergunning. 5.14.2 Cultuurhistorie Binnen het projectgebied komen geen gronden of objecten voor die zijn aangewezen als Rijksmonument of gemeentelijke monument.
Ook ligt het projectgebied niet binnen een volgens de provinciale TAM-omgevingsverordening aangewezen cultuurhistorisch waardevol gebied. Ten slotte ligt het gebied niet binnen een als zodanig in het (tijdelijk deel van het) omgevingsplan aangewezen beschermd stad- op dorpsgezicht.
Uitsnede Cultuurhistorische waardenkaart herziening 2024 van provincie Noord-Brabant. Het projectgebied is gelegen binnen de blauwe omlijning. Uit bovenstaande uitsnede van de provinciale Cultuurhistorische waardenkaart blijkt dat binnen het projectgebied geen cultuurhistorisch waardevolle objecten voorkomen. Het enige relevante cultuurhistorische waardevolle object in de omgeving van het projectgebied is de straat Voirt. Dit is een historisch geografische lijn
62/71
van redelijk hoge waarde. Met dit cultuurhistorische element wordt rekening gehouden door de woningen aan de Voirt op deze straat te oriënteren. De nieuwe bouwmassa's komen, in navolging van de bestaande bebouwing in deze straat, evenwijdig aan de Voirt en ook de nok loopt hoofdzakelijk evenwijdig met de Voirt (met uitzondering van enkele accenten). Gelet op het voorgaande is bij de voorgenomen ontwikkeling voldoende rekening gehouden met het aspect cultuurhistorie en vormt dit aspect geen belemmering voor de ontwikkeling.
5.15 Bodem Waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie worden opgenomen in het definitieve omgevingsplan (art. 5.89i Bkl). Deze waarden kunnen per gebied of per gebruiksfunctie verschillen. Bij een overschrijding van een vastgestelde waarde (zie art. 5.89i Bkl) is het bouwen van een bodemgevoelig gebouw alleen toegelaten als de in het omgevingsplan voorgeschreven sanerende of andere beschermende maatregelen worden getroffen (art. 5.89K Bkl, art. IIIa onder 2 Aanvullingsbesluit Bodem). Daarnaast zijn er specifieke regels over bodem opgenomen in het Aanvullingsbesluit Bodem en de activiteiten zijn opgenomen in het Besluit activiteiten leefomgeving: regels over nazorg van de bodem na saneren op grond van het Besluit activiteiten leefomgeving, het omgevingsplan, een omgevingsvergunning of een maatwerkvoorschrift (artikel IIIa, paragraaf 2.3.6a.2); regels over graven in de bodem (paragraaf 3.2.21 en 3.2.22Bal); regels over activiteiten op een locatie met historische bodemverontreiniging zonder onaanvaardbaar risico (paragraaf 2.3.6a.4); maatwerkregels over het saneren van de bodem in het zinkassengebied De Kempen, (paragraaf 2.3.6a.5). Bij wijzigingen van activiteiten geldt dat de bodem geschikt moet zijn voor het beoogde gebruik.
Dit kan betekenen dat een onderzoek moet worden verricht naar de bodem- en grondwaterkwaliteit. Toetsing Voor de voorgenomen ontwikkeling heeft een milieuhygiënische vooronderzoek bodem plaatsgevonden. Daarbij zijn een aantal verdachte deellocaties aangetroffen (zowel bodem als asbest). Daarom heeft vervolgens verkennend bodem- en asbestonderzoek plaatsgevonden. Zowel het vooronderzoek als het verkennend bodemen asbestonderzoek zijn als bijlage bij deze motivering gevoegd. Op basis van het verkennend onderzoek kunnen de volgende conclusies worden getrokken: De bodem bestaat tot ca. 2,5 m-mv uit zwak tot matig siltig, matig fijn zand. Plaatselijk is in de ondergrond een zwak tot sterk zandige leemlaag aanwezig. In de bovengrond zijn zintuiglijk plaatselijk (boring 203, 205, 208, 210, 214 en 216) sporen/resten baksteen en/of kolengruis aangetroffen. Verder zijn zintuiglijk geen bodemvreemde bijmengingen aangetroffen. De bovengrond ter plaatse van deelgebied 1, 2 en 3 verontreinigd is tot boven de kwaliteitsklasse wonen en onder de kwaliteitsklasse industrie en wordt geclassificeerd als kwaliteitsklasse industrie. De bovengrond ter plaatse van deelgebied 3 en 4 en de ondergrond niet verontreinigd is met de onderzochte parameters en wordt geclassificeerd als kwaliteitsklasse landbouw/natuur. Alle veldwerkzaamheden zijn uitgevoerd conform de BRL SIKB 2000 met protocol 2001 en 2002.
63/71
Op basis van het beschreven verkennend asbestonderzoek kan voor de onderzoekslocatie het volgende worden geconcludeerd: De druppelzone ter plaatse van Voirt 20-24 bestaat uit matig zandhoudend grind; De druppelzone ter plaatse van Voirt 14-18 bestaat uit zwak siltig, matig humeus, matig grof zand; Zowel op als in de bodem zijn zintuiglijk geen asbestverdachte materialen aangetroffen; Analytisch is ter plaatse van beide druppelzones géén asbest aangetoond (< 2 mg/kg d.s.) in de fijne fractie; De bovengrond ter plaatse van de druppelzones voldoet, op basis van PCB, aan de kwaliteitsklasse wonen. Op grond van de verkregen resultaten vormt de bodemkwaliteit ter plaatse van het plangebied geen belemmering voor de voorgenomen sloop van de aanwezige bebouwing en de voorgenomen nieuwbouw.