CConstaterende datNuenen
Koppel je AI →
Document · PDF

Lyndakkers - Bopa-onderbouwing

Gemeenteraad 9 oktober 2025, gemeente NuenenBij agendapunt: Buitenplanse Omgevingsplanactiviteit woningbouwproject Lyndakkers24.473 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

29/69

Toetsingskader nieuwe woningbouwplannen

Toetsing De beoogde ontwikkeling is in paragraaf 4.2 en 4.3 getoetst aan het provinciale en regionale beleid. Daaruit blijkt dat de ontwikkeling past binnen de afspraken met de provincie en SGE. Er is veel behoefte aan sociale huurwoningen en de bouw van 10 sociale huurwoningen is dan ook van toegevoegde waarde volgens het Programma Wonen. Het betreft een herontwikkelingslocatie binnen bestaand stedelijk gebied, waarbij verdichting plaatsvindt in de vorm van grondgebonden woningen. Het dorpse karakter blijft daarmee behouden. De woningen worden volgens de hedendaagse duurzaamheidseisen opgeleverd. In paragraaf 4.3.4 is ten slotte al aangegeven dat het project past binnen de Brainport Principes. Gelet op het voorgaande past de ontwikkeling binnen de doelstellingen van Programma wonen 2020-2030. 4.4.3 Structuurvisie Nuenen-Zuid Voor Nuenen-Zuid is een structuurvisie vastgesteld. In de wijk spelen een aantal ruimtelijke opgaven. Deze opgaven hangen met elkaar samen en dienen daarom in onderling verband beschouwd te worden. Aanleiding voor de structuurvisie is de behoefte van de gemeente Nuenen om deze integrale afweging te maken hoe om te gaan met de opgaven. De structuurvisie is de basis voor bestemmingsplannen, die nodig zijn om projecten te realiseren.

30/69

Uitsnede structuurvisiekaart met het projectgebied rood omcirkeld (bovenin) (Bron: Structuurvisie Nuenen-Zuid)

Programmatisch De belangrijkste programmatische opgaven in de structuurvisie zijn het behoud van de sporthal met ruimte voor sociaalculturele voorzieningen, versterking van het winkelcentrum, realiseren van een veelzijdiger woningaanbod en een goed voorzieningen niveau op het vlak van zorg en welzijn. Het wonen in het gebied vraagt om meer variatie, gezien de demografische ontwikkelingen in het gebied, en deze moet vooral gezocht worden in inspelen op de vergrijzing en de toename van het aantal kleinere huishoudens. Ruimtelijk De ruimtelijke structuur wordt in belangrijke mate bepaald door de groenstructuur langs de Oude Kerkdijk en Lyndakkers, die verbonden wordt met het water ten zuiden van het Kernkwartier en de oostelijke groenstructuur. De groenblauwe structuur in het gebied Nuenen Zuid is het leidend principe voor de ruimtelijke ontwikkeling. Deze verbinding krijgt mede vorm door de realisatie van groene langzaam verkeersroutes, die daardoor ook meewerken aan een veel sterkere beleving van de groene structuren en het water. De groenzone langs de Lyndakkers biedt ruimte voor spelen / bewegen / ontmoeten, waarvoor dan passende voorzieningen (bankjes, speelplekken e.d.) en goede langzaam verkeersroutes nodig zijn.

Duurzaamheid Het veilig stellen en versterken van de groen- en waterstructuren in het plangebied is een belangrijke maatregel, niet alleen voor de kwaliteit en beleving van het gebied, maar ook voor behoud van waterberging en tegengaan van hittestress, een fenomeen waar steeds meer aandacht voor is.

31/69

Sociale duurzaamheid krijgt vorm door de aandacht voor beleving en ontmoeting, zowel in de groene delen van het gebied maar ook in en rondom de voorzieningen van winkels en zorg / welzijn. Bij de ontwikkeling van nieuwe gebouwen wordt in overleg met de betrokken partijen aandacht gevraagd worden voor duurzame maatregelen, op het vlak van energiebesparing, waterberging, materiaalgebruik etcetera. Toetsing Dit project voorziet in 10 grondgebonden woningen op de plek waar voorheen één vrijstaande woning stond. Het gaat om sociale huurwoningen, waar grote behoefte aan is en wat zorgt voor een gevarieerde woonmilieu van de buurt. Ruimtelijk worden de bestaande structuren van de buurt gerespecteerd. De Lyndakkers is een waardevolle groenstructuur en langzaamverkeerstructuur die gerespecteerd wordt. Een deel van de woningen wordt evenwijdig aan deze straat gebouwd, in dezelfde rooilijn als de naastgelegen woningen. De andere woningen worden gespiegeld binnen het projectgebied en komen met de rooilijn aan de Spotvogelstraat. Tussen de woningen in komt een parkeerterrein voor de woningen, waarbij de omzomende groenstructuur minimaal wordt onderbroken. De woningen worden twee bouwlagen met een kap, zodat deze bij de korrelgrootte van de buurt passen.

Zoals in paragraaf 4.4.1 is aangegeven wordt in dit plan ruimschoots aandacht besteed aan duurzaamheid, klimaatadaptatie, biodiversiteit en gezondheid (sociale duurzaamheid). Het gaat onder andere om het behoud en aanbrengen van bomen / beplanting (ecologisch van waarde en tegengaan hittestress), waterdoorlatende verharding en infiltratievoorzieningenratten om hemelwater binnen het projectgebied te verwerken, en maatregelen aan gebouwen ten behoeve van gebouwbewonende soorten. Om wat voor infiltratievoorzieningen het zal gaan wordt door initiatiefnemer in samenspraak met de gemeente nader bepaald. Oorspronkelijk werd gedacht aan infiltratiekratten, maar mogelijk wordt gekozen voor een infiltratieriool. De ligging nabij het centrum, een HOV-halte en winkelcentrum Kernkwartier nodigt uit om de auto te laten staan en zichzelf te verplaatsen per fiets, te voet of het ov. Daarmee wordt bewegen en ontmoeten gestimuleerd. Gelet op het voorgaande past de ontwikkeling binnen de ambities van de Structuurvisie Nuenen-Zuid.

4.5

Waterschap

Het projectgebied is gelegen binnen het werkingsgebied van Waterschap De Dommel. Het relevante beleid van dit waterschap is opgenomen in het waterbeheerprogramma. Daarnaast heeft het waterschap een waterschapsverordening vastgesteld. 4.5.1 Waterbeheerprogramma 2022-2027 - Water als basis voor een toekomstbestendige leefomgeving Het water- en bodemsysteem is onontbeerlijk voor een gezonde en leefbare ruimtelijke inrichting van Noord-Brabant. Meer dan ooit is het belangrijk om rekening te houden met het concept van de lagenbenadering om een toekomstbestendige leefomgeving te waarborgen. Door klimaatverandering en ruimtelijke druk, staat immers de veerkracht van het wateren bodemsysteem onder druk. De lagenbenadering beschrijft de ruimte in drie lagen. De eerste laag bestaat uit de fysieke ondergrond, het water- en bodemsysteem. De tweede laag bevat netwerken van infrastructuur met onder meer wegen, spoorlijnen en waterwegen. Tot slot de derde laag met de menselijke activiteiten zoals wonen, werken en recreëren en de fysieke neerslag daarvan. Ruimtelijke planning en gebiedsontwikkeling is een proces waarin continu keuzes worden gemaakt. De lagenbenadering helpt in dit keuze- en afwegingsproces en dient als kwaliteitskader voor alle (ruimtelijke) plannen. Elke laag draagt bij aan de ontwikkeling.

De lagenbenadering betekent wel dat een onderliggende laag voorwaarden stelt aan andere lagen. Zeker vanuit een perspectief van duurzame ontwikkeling zijn veerkracht en omkeerbaarheid van ingrepen belangrijke gegevenheden. Met het Waterbeheerprogramma 2022-2027 (WBP5) start Waterschap De Dommel met de ‘watertransitie’: op weg naar een toekomstbestendige waterhuishouding. Uiterlijk in 2050 is de waterhuishouding in ons hele beheergebied

32/69

toekomstbestendig. Dit betekent een waterhuishouding die in een goede waterkwaliteit voorziet. En een waterhuishouding die robuust, wendbaar en in balans is met de omgeving. Zowel in het bebouwde als het landelijke gebied en van de beekdalen tot en met de hoge zandruggen. Het grond- en oppervlaktewatersysteem kan de grotere weersextremen opvangen door maximaal gebruik te maken van de dempende sponswerking van de bodem/ondergrond en de natuurlijke hoogteverschillen voor het vasthouden van water. Waterschap De Dommel hanteert drie principes die inhoudelijke sturing geven aan de watertransitie: • Elke druppel vasthouden en infiltreren waar deze valt. • Functies passen zich aan het bodem- en watersysteem aan. • Wat schoon is moet schoon blijven. We moeten ons, nog meer dan voorheen, aanpassen aan de veranderende leefomgeving en op zoek gaan naar nieuwe oplossingen en antwoorden. Juist de voor Midden-Brabant zo karakteristieke verwevenheid van bebouwing, landbouw en natuur is een kans om de wateropgaven slim in te passen. Dit vereist een integrale, gebiedsgerichte aanpak samen met alle partijen. Een gebiedsgerichte aanpak is alleen succesvol als naast de wateropgaven ook de opgaven vanuit natuur, stikstof, economie, landbouwtransitie, energietransitie, biodiversiteit, mobiliteit en woningbouw onderdeel van de aanpak zijn. Niet sectoraal, maar integraal.

Alleen dan gaan we oplossingen vinden voor een leefbaar Midden-Brabant met een duurzaam en toekomstbestendig watersysteem dat goed is voor inwoners, bedrijven, landbouw en natuur. De grote uitdaging zit hem vooral in de vraag hoe we dit gaan bereiken. Meer dan voorheen gaan we daarbij: • van beekdalgericht naar gebiedsgericht; onze aandacht gaat naast het beekdal ook uit naar de flanken, de hoge zandruggen en bebouwd gebied. • van sectoraal naar integraal; samen met overheden en gebiedspartners maken we keuzes over meerdere opgaven in een gebied. • van water afvoeren naar elke druppel telt; maximaal water conserveren, minder grondwater gebruiken en slimmer sturen. Toetsing Dit project voorziet in het realiseren van een woningbouwproject op een bestaand bouwperceel, binnen het stedelijk gebied. In de digitale viewer ‘Weging van het waterbelang’ van waterschap De Dommel is op de werkkaart ‘Hoge Koppen Beekdalen Flanken’ te zien dat het projectgebied en de omgeving ervan is gelegen op een hoge kop. Hoge koppen zijn geschikt voor woningbouw omdat de kans op natte voeten hier klein is. De woning op deze gronden is inmiddels gesloopt om plaats te maken voor de nieuwe woningen. Deze worden niet op exact dezelfde plek gerealiseerd. In de bebouwde situatie was zowel het hemel- als afvalwater op het ter plaatse aanwezige rioolstelsel aangesloten.

In de periode sinds de sloop van de woning op het projectgebied, was de locatie nagenoeg onverhard, waardoor het hemelwater vrij in het gebied kon afstromen en infiltreren. In de beoogde situatie dient het hemelwater conform de gemeentelijke waterbergingseis binnen de projectgrenzen te worden opgevangen en geborgen. Er vindt geen afvloeiing plaats in de richting van oppervlaktewaterlichamen in het beheer van het waterschap. Het afvalwater zal gescheiden van het hemelwater op de erfgrens worden aangeboden en aangesloten op het ter plaatse aanwezige rioolsysteem. Het project sluit dan ook aan bij de drie principes van het waterschap. 4.5.2 Waterschapsverordening Net als de provincie heeft het waterschap een omgevingsverordening vastgesteld. In de Waterschapsverordening staan de regels voor bewoners, bedrijven en andere overheden met betrekking tot activiteiten in of nabij rivieren, beken, sloten, gemalen, en dijken (waterkeringen) en activiteiten met betrekking tot het grondwater. Toetsing De projectlocatie is niet gelegen op of nabij een waterkering, oppervlaktewaterlichaam of binnen diens beschermingszone. Ook ligt het projectgebied niet binnen grondwaterbeschermingsgebied of een boringsvrije zone. Ten slotte is het projectgebied niet gereserveerd voor (regionale) waterberging.

33/69

5. THEMA’S VAN DE FYSIEKE LEEFOMGEVING 5.1

Algemeen

5.1.1 Beoordelingskader Voor het beoordelen van de aanvraag voor een omgevingsvergunning voor de bopa gelden beoordelingsregels. De gevolgen voor de fysieke leefomgeving worden hier beoordeeld. Een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit kan alleen worden vergund met het oog op een 'evenwichtige toedeling van functies aan locaties' (etfal). Daarnaast zijn in het Bkl de volgende beoordelingsregels opgenomen: a) Instructieregels rijk b) Instructieregels provincie c) Instructies rijk en instructies provincie d) Voorbereidingsbesluiten e) Projectbesluiten f) Maatwerkregel De instructieregels van het Rijk staan in hoofdstuk 5 van het Bkl. Deze gelden voor omgevingsplannen en zijn van overeenkomstige toepassing op de bopa. Hieronder wordt de toetsing van het project aan het beoordelingskader beschreven. Op de relevante onderdelen van het beoordelingskader wordt uitgebreider ingegaan. 5.1.2 Afweging instructieregels Bkl Voor de volgende thema's wordt in tabel 5.1 voor de ontwikkeling aangegeven of zij relevant zijn of niet: Tabel 5.1: Instructieregels Bkl Thema

Afdelingen en paragrafen Bkl

Relevant voor de ontwikkeling

Dienstenrichtlijn

§ 5.1.1. Algemene bepalingen

Nee, het project voorziet niet in (de huisvesting van)

artikel 5.1a.

diensten anders dan diensten die als beroep of bedrijf aan huis worden uitgevoerd en binnen iedere reguliere woning zijn toegestaan.

Omgevingsveiligheid

§ 5.1.2. Waarborgen van de veiligheid

Ja, zie paragraaf 5.2

Water

§ 5.1.3. Beschermen van de waterbelangen

Ja, zie paragraaf 5.3

Luchtkwaliteit

§ 5.1.4.1. Kwaliteit van de buitenlucht

Ja, zie paragraaf 5.4

Geluid door activiteiten

§ 5.1.4.2. Geluid door activiteiten

Nee, het project maakt geen nieuwe geluidsbron mogelijk en wordt ook niet omgeven door bedrijven of activiteiten waarvan geluidbelasting op het projectgebied te verwachten valt.

Geluid door (spoor)wegen en indu-

§ 5.1.4.2a. Geluid door wegen, spoorwegen en Ja, zie paragraaf 5.5

strieterreinen

industrieterreinen

Geluid rond luchthavens

§ 5.1.4.3. Geluid rond luchthavens

Nee, de projectlocatie ligt niet binnen de geluidcontour van een luchthaven.

Trillingen

§ 5.1.4.4. Trillingen

Nee, de projectlocatie ligt niet in de nabijheid van activiteiten waarbij structureel trillingen vrijkomen en voorziet hier in beginsel zelf ook niet in.

Slagschaduw van windturbines

§ 5.1.4.4a. Slagschaduw van windturbines

Nee, in de omgeving van de projectlocatie komen geen windturbines voor.

Bodemkwaliteit

§ 5.1.4.5. Bodemkwaliteit

Ja, zie paragraaf 5.6

Geur

§ 5.1.4.6. Geur

Ja, zie paragraaf 5.7

34/69

Cultureel erfgoed (aardkunde, ar-

§ 5.1.5. Beschermen van landschappelijke of

cheologie en cultuurhistorie)

stedenbouwkundige waarden en cultureel erf-

Ja, zie paragraaf 5.8

goed Landschappelijke kwaliteiten Kust,

§ 5.1.5. Beschermen van landschappelijke of

PKB-Waddenzee en Waddengebied

stedenbouwkundige waarden en cultureel erf- kust, PKB-Waddenzee en Waddengebied

Nee, de projectlocatie ligt niet binnen of nabij de

goed Ladder voor duurzame verstedelij-

§ 5.1.5.4. Ladder voor duurzame verstedelij-

king

king

Nationale belangen binnen de fy-

§ 5.1.6. Behoud van ruimte voor toekomstige

sieke leefomgeving

functies;

Ja, zie paragraaf 5.9 Ja, zie paragraaf 5.10

§ 5.1.7. Behoeden van de staat en werking van infrastructuur of voorzieningen voor nadelige gevolgen van activiteiten Aanwijzing woningbouwcatego-

§ 5.1.7a. Gebruik van bouwwerken

rieën

Nee, voor dit project is het niet nodig om regels te stellen over te realiseren categorieën woningen.

Toegankelijkheid openbare buiten-

§ 5.1.8. Bevorderen van de toegankelijkheid

ruimte

van de openbare buitenruimte voor personen

Ja, zie paragraaf 5.11

De omgevingsvergunning wordt geweigerd voor de aangevraagde omgevingsplanactiviteit als de omgevingsplanactiviteit zou leiden tot een situatie die niet is toegelaten op grond van een instructieregel tenzij ontheffing is verkregen van de instructieregel. 5.1.3 Afweging instructieregels provinciale omgevingsverordening De provinciale omgevingsverordening bevat instructieregels. In paragraaf 4.2.2 is de Omgevingsverordening van de provincie behandeld en zijn de relevante instructieregels benoemd. Voor zover deze instructieregels betrekking hebben op een thema van de fysieke leefomgeving, wordt in hoofdstuk 5 aan deze instructieregels getoetst. 5.1.4 Evenwichtige toedeling van functies aan locaties Daarnaast zijn er thema's die vanuit het oogpunt van etfal relevant zijn om bij de belangenafweging te betrekken. Deze thema's komen terug in tabel 5.2. Tabel 5.2: Thema's in het kader van etfal Thema

Wettelijk kader

Relevant voor de ontwikkeling

Gezondheid

§ 5.1.4. Bkl behandelt enkele thema's in het

Ja, zie paragraaf 5.12.

kader van gezondheidsbescherming. Gezondheidsbevordering volgt uit provinciaal en/of gemeentelijk beleid. In het kader van etfal is een integrale benadering nodig. Gezondheidsrisico's vanwege vee-

In het kader van etfal in de belangenafweging

Nee, de projectlocatie ligt niet binnen 2 km van een

houderijen

betrokken.

geitenhouderij of endotoxine invloedssfeer van een varkens- of pluimveehouderij.

Spuitzones vanwege gewasbescher- In het kader van etfal in de belangenafweging

Nee, de projectlocatie ligt niet in de nabijheid van

mingsmiddelen

betrokken.

gronden waar (mogelijk) sprake is van een spuitzone

Mobiliteit en parkeren

In het kader van etfal in de belangenafweging

Ja, zie paragraaf 5.13

betrokken. Natuurbescherming NNN

Afdeling 7.3 van het Bal.

Nee, de projectlocatie ligt niet binnen Natuur Netwerk Nederland, zie paragraaf 5.14

35/69

Ecologie: gebiedsbescherming

Afdeling 11.1 van het Bal.

Ja, zie paragraaf 5.14

Ecologie: soortenbescherming

Afdeling 11.2 van het Bal.

Ja, zie paragraaf 5.15

Ecologie: houtopstanden

Afdeling 11.3 van het Bal.

Nee, het projectgebied is gelegen binnen de bebouwingscontour voor houtkap waardoor in dit geval geen wettelijke bepalingen voor kappen en herplant gelden. De beoordeling van de ecologische waarde van bomen binnen of direct buiten het projectgebied heeft plaatsgevonden in de paragraaf over 5.14 en 5.15.

Bezonning / schaduwhinder (niet

In het kader van etfal in de belangenafweging

Nee, gezien de aard en omvang van het project is

zijnde slagschaduw windturbines)

betrokken.

onacceptabele schaduwhinder niet te verwachten

Windhinder

In het kader van etfal in de belangenafweging

Nee, gezien de aard en omvang van het project is

betrokken.

windhinder of windgevaar niet te verwachten

Lichthinder

In het kader van etfal wel in de belangenafwe- Nee, binnen de projectlocatie worden geen activiteiging betrokken.

ten of bouwwerken mogelijk gemaakt met enige vorm van lichtuitstraling (bijv. bedrijfsterrein, sportveld of glastuinbouw met assimilatieverlichting), anders dan reguliere straat- en erfverlichting. Hinder van dergelijke activiteiten is niet te verwachten omdat deze niet in de omgeving voorkomen.

Duurzaamheid en klimaatadaptatie

In het kader van etfal in de belangenafweging

Ja, paragraaf 5.16.

betrokken.

5.2

Omgevingsveiligheid

5.2.1 Instructieregels Omgevingsveiligheid beschrijft de risico's die ontstaan als gevolg van opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen en windturbines. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen de kans op een ramp en het aantal mogelijke slachtoffers. Ook wordt onderscheid gemaakt in het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Voor omgevingsveiligheid zijn regels opgenomen in het Besluit kwaliteit leefomgeving (paragraaf 5.1.2) Plaatsgebonden risico Het plaatsgebonden risico is de kans dat een denkbeeldig persoon, die zich een jaar lang permanent op de betreffende plek bevindt (de plek waarvoor het risico is uitgerekend), dodelijk verongelukt door een ongeval. Deze kans mag niet groter zijn dan eens in de miljoen jaar (ofwel 10-6). Grenswaarden en standaardwaarden voor het Plaatsgebonden Risico (PR) ten aanzien van (zeer) (beperkt) kwetsbare gebouwen en (beperkt) kwetsbare locaties zijn opgenomen in artikel 5.6 tot en met artikel 5.11a van het Bkl. Grenswaarden voor kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties (art. 5.7 lid 1 Bkl) worden in een Omgevingsplan in acht genomen. Met standaardwaarden voor beperkt kwetsbare gebouwen en locaties wordt in een omgevingsplan rekening gehouden (art. 5.11 Bkl). Voor het PR gelden, afhankelijk van de activiteit, vastgestelde afstanden of te berekenen afstanden (bijlage VII Bkl).

In hoofdstuk 4 van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) zijn alle activiteiten opgenomen waarbij een vaste norm van toepassing is en voor welke activiteiten een berekening van PR-contour en aandachtsgebied vereist is. Groepsrisico / aandachtsgebieden Het groepsrisico betreft de kans op het overlijden van een groep van tien of meer personen per jaar als gevolg van een ongewoon voorval. Het groepsrisico legt een relatie tussen de kans op een ramp en het aantal mogelijke slachtoffers. Onder

36/69

de Omgevingswet is gekozen voor een nieuwe benadering van het groepsrisico, met aandachtsgebieden. Aandachtsgebieden zijn gebieden rond activiteiten met gevaarlijke stoffen die zichtbaar maken waar mensen binnenshuis, zonder aanvullende maatregelen onvoldoende beschermd zijn tegen de gevolgen van ongevallen met gevaarlijke stoffen. Aandachtsgebieden zijn er voor brand, explosie en gifwolk. Afhankelijk van het type activiteit met gevaarlijke stoffen, zijn er voor het aandachtsgebied in de regelgeving vaste afstanden vastgesteld of zijn deze afstanden rekenkundig te bepalen (bijlage VII Bkl). Aandachtsgebieden worden zichtbaar gemaakt in het Register externe veiligheidsrisico's (REV). Binnen een aandachtsgebied kan sprake zijn van een voorschriftengebied. Een gemeente kan in het Omgevingsplan afzien van aanwijzing van een brand- of explosievoorschriftengebied of een kleiner brand- of explosievoorschriftengebied aanwijzen (art. 5.14 Bkl). Als het initiatief ligt in een voorschriftengebied, dan gelden voor nieuwbouw aanvullende bouweisen uit het Besluit bouwwerken leefomgeving (art. 4.90 tot en met 4.96 Bbl. Voor zeer kwetsbare gebouwen, zoals scholen, kinderdagopvang en verzorgingstehuizen, geldt altijd een voorschriftengebied, en gelden dus aanvullende bouweisen bij nieuwbouw (art. 5.14 Bkl).

Los van een eventueel voorschriftengebied kan een gemeente aanvullende eisen stellen, bijvoorbeeld aan vluchtroutes en de bereikbaarheid van het gebied door hulpdiensten. Dergelijke eisen worden dan opgenomen in de omgevingsvergunning. Kwetsbare functies Bij de beoordeling van de hiervoor beschreven risico’s wordt uitgegaan van een onderscheid in zeer kwetsbare gebouwen, kwetsbare gebouwen, beperk kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties en beperkt kwetsbare locaties. Of een bepaald gebouw of een bepaalde locatie is aan te merken als één van voornoemde gebouwen of locaties volgt uit het Bkl (Bijlage IV). Gebouwen met een woonfunctie zijn kwetsbare gebouwen, net als onder andere gebouwen met een kantoor- of onderwijsfunctie. Basisscholen, kinderdag- verblijven en gebouwen met 24-uurszorg zijn voorbeelden van zeer kwetsbare gebouwen. Deze indeling is gemaakt op basis van de volgende afwegingen: • Hoeveel personen zijn in dat gebouw c.q. op die locatie gelijktijdig aanwezig? • Wat is de aanwezigheidsduur van die personen? • In hoeverre zijn die personen in staat zichzelf in veiligheid te brengen bij een incident. Het realiseren van zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare gebouwen en locaties is niet mogelijk binnen een plaatsgebonden risicocontour. Voor het overige geldt dat rekening dient te worden gehouden met de relevante plaatsgebonden risicocontouren en aandachtsgebieden.

Dat vraagt om een afweging en motivering (verantwoording) bij het wijzigen van het omgevingsplan. 5.2.2 Toetsing Met dit project wordt niet voorzien in een nieuwe risicovolle activiteit. Wel worden kwetsbare gebouwen (woonfunctie) mogelijk gemaakt. Daarom is het van belang om af te wegen of ten aanzien van die nieuwe woningen een veilige omgeving kan worden geboden gelet op externe veiligheidsrisico’s. Met behulp van de kaart ‘Veilige omgeving’ is in beeld gebracht welke risicobronnen zich in de omgeving van het projectgebied bevinden. Daarbij is gekeken naar risicovolle inrichtingen, buisleidingen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen en transportroutes over land (wegen, spoorwegen en vaarwegen) waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd. Risicovolle inrichtingen De dichtstbijzijnde risicovolle inrichting is gelegen op 260 meter ten noorden van het projectgebied en aan de andere kant van de Europalaan ligt een zwembad met chlooropslag. Op 570 meter ten oosten van het projectgebied ligt een tankstation met LPG. Het projectgebied bevindt zich niet binnen de plaatsgebonden risicocontour of aandachtsgebied van deze risicovolle inrichtingen of van andere risicovolle inrichtingen. Buisleidingen voor vervoer van gevaarlijke stoffen De aardgasleidingen Z-514-06 en Z-514-01 bevinden zich ten zuiden van het projectgebied op een afstand van circa 2,0 kilometer.

Beide buisleidingen hebben een grootte van 12 inch en een maximale werkdruk van 40 bar. Het bijbehorende

37/69

invloedsgebied is 140 meter. Het projectgebied bevindt zich niet in het invloedsgebied. Ook voor deze risicovolle bron hoeft het groepsrisico niet berekend of verantwoord te worden. Transport gevaarlijke stoffen over land De rijkswegen A50 en A67 en de spoorweg Eindhoven-Venlo zijn transportroutes waarover vervoer van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. Uit onderstaande afbeelding blijkt dat het projectgebied niet is gelegen binnen het brandaandachtsgebied, explosieaandachtsgebied of gifwolkaandachtsgebied van deze (spoor)wegen. De A270 bevindt zich ten zuiden van het projectgebied op een afstand van circa 1 kilometer. Deze weg maakt geen deel uit van het Basisnet. Wel vindt er vervoer van gevaarlijke stoffen over deze weg plaats. De maatgevende stofcategorie betreft GF3 met een invloedsgebied van 355 meter. Het projectgebied bevindt zich niet in het invloedsgebied.

Uitsnede kaart Externe veiligheid van Atlas Leefomgeving (Bron: Ministerie IenW – Register externe veiligheid, 2024). Projectgebied geel omcirkeld.

5.2.3 Conclusie Het project maakt geen nieuwe risicobron mogelijk en het projectgebied is niet gelegen binnen het invloedsgebied van een risicobron. Het project is niet in strijd met instructieregels voor omgevingsveiligheid en het is niet nodig om voor dit aspect voorschriften aan de omgevingsvergunning te verbinden.

5.3

Water

5.3.1 Instructieregels Bij de vaststelling van het omgevingsplan moet de gemeente voor het waterbelang de opvattingen van de waterbeheerder betrekken. Dit volgt uit instructieregels opgenomen in paragraaf 5.1.3 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). De weging van het waterbelang geldt bij het vaststellen van het omgevingsplan. Dit volgt uit artikel 5.37 van het Bkl. Daarnaast kan de weging van het waterbelang ook nodig zijn bij andere instrumenten.

38/69

De gemeente moet de opvattingen van de waterbeheerder betrekken bij het omgevingsplan. Dit geldt in het algemeen voor alle waterbelangen. Voorbeelden zijn: • watercompensatie in verband met toenemende verharding; • waterkwaliteit, bebouwing niet wenselijk in verband met waterwinning; • bebouwing in werkingsgebieden van keringen en andere waterstaatswerken; • waterketen, relatie met de afvoer van afvalwater, (Industriële) lozingen en of lozing oppervlaktewater. Er gelden geen regels voor hoe de gemeente de waterbeheerder hierbij betrekt. De gemeente is vrij om hier zelf invulling aan te geven. Aanvullende instructieregels Voor een aantal specifieke Rijksbelangen stelt het Bkl aanvullende instructieregels. Deze zijn: • bescherming van primaire waterkeringen, artikel 5.38 Bkl; • behoud waterveiligheid kust, artikel 5.40 van het Bkl; • behoud waterveiligheid grote rivieren, artikel 5.46 van het Bkl; • IJsselmeergebied, artikel 5.49 van het Bkl. Een bopa moet ook worden getoetst aan de instructies van de omgevingsverordening van het waterschap en de provincie. De gemeente of initiatiefnemer is verantwoordelijk voor het opstellen van de uitwerking, mogelijke effecten en de te nemen maatregelen om aan te tonen dat wordt voldaan aan de normen. De gemeenten kunnen strengere normen opnemen in het omgevingsplan. Dit is altijd maatwerk en gebiedsafhankelijk.

5.3.2 Toetsing Vanuit het Rijk gelden binnen het projectgebied geen aanvullende instructieregels. Om op een gedegen wijze rekening te houden met het waterbelang wordt hierna ingegaan op verschillende omgevingsaspecten met betrekking tot het thema water. Omgevingsaspecten Hoogte Het maaiveld bevindt zich op circa 18,2 meter +NAP (bron: ahn). Bodem Het projectgebied ligt volgens de bodemkaart van Nederland, in een niet-gekarteerd gebied. De dichtstbijzijnde kaarteenheid betreft een hoge zwarte enkeerdgrond, die volgens de Stichting voor Bodemkartering voornamelijk is opgebouwd uit leemarm en zwak lemig fijn zand. Op basis van een op locatie uitgevoerd verkennend bodemonderzoek blijkt de bodem voornamelijk te bestaan uit zwak tot matig siltig, matig fijn tot matig grof zand. De bovengrond is bovendien zwak humeus. De ondergrond is plaatselijk matig tot sterk gleyhoudend. In de ondergrond kan lokaal een zwak zandige leemlaag voorkomen. Grondwater Veranderingen in de grondwaterstand (stijghoogte) worden voornamelijk veroorzaakt door neerslag en verdamping, maar ook door ingrepen in de waterhuishouding. De stijghoogte kan daardoor van dag tot dag verschillen. Voor beleid, vergunningen en ontwateringsdieptes is het belangrijk om te weten wat de actuele karakteristieken zijn, zoals de GHG en de GLG (Gemiddeld Hoogste Grondwaterstand en Gemiddelde Laagste Grondwaterstand).

Tijdens het in 2024 uitgevoerde Milieu- en Civieltechnisch onderzoek (Tritium) is naast de bodemopbouw ook de doorlatendheid van de bodem onderzocht. Tijdens de grondwaterbemonstering is op 13-05-2024 een grondwaterstand gemeten op 1,0 m -mv. Op basis van de actueel gemeten grondwaterstand en waargenomen gleykenmerken (roest) is door Tritium een GHG ingeschat op 0,8 tot 0,9 m -mv. Gezien de hydrologisch zeer extreem natte periode eind 2023 en begin 2024 lijkt de aangetroffen grondwaterstand op 13-05-2024 niet representatief te zijn voor de ingeschatte GHG. Naar verwachting is de daadwerkelijke GHG op locatie lager gelegen.

39/69

Binnen de beschikbare literatuur zijn in de directe nabijheid van het plangebied geen bruikbare grondwaterdata beschikbaar. Op basis van de beschikbare literatuurgegevens kunnen derhalve geen concrete uitspraken worden gedaan omtrent de GHG of GLG. Uitgaande van beschikbare grondwaterdata als ook van gegevens uit de BRO en de KlimaatEffectAtlas (KEA) wordt verwacht dat de GHG dieper is gelegen dan 1,5 m -mv. Hierbij wordt ook gerefereerd aan het verkennend bodemonderzoek in 2022 (Econsultancy), waar tijdens de grondwaterbemonstering op 23 maart 2022 een grondwaterstand gemeten op 1,64 m -mv. Volgens het BRO zijn in 2021 door de gemeente Nuenen ca. diverse grondwatermonitoringsputten in Nuenen geplaatst. Er is echter geen data ontsloten en bovendien bestaat een goede GHG-meetreeks uit het gemiddelde van 8 jaar aaneengesloten metingen. Waterschap De Dommel heeft bij de voorbereiding van het ontwerp meegekeken en heeft op basis van eigen data (Bron: iDomingo Waterschap, GHG 2009-2016) voor de locatie de inschatting gegeven dat de GHG zich inderdaad rond de 1,6 – 2,5 m -mv bevindt. Het projectgebied maakt geen deel uit van een waterwingebied of een grondwaterbeschermingsgebied. Doorlatendheid Uit de meetresultaten blijkt dat de doorlatendheid van de onverzadigde zone op 0,7 m -mv circa 0,6 - 1,82 m/dag bedraagt en is daardoor slecht tot matig te noemen is.

De doorlatendheid van de verzadigde zone bedraagt circa 0,1 - 0,2 m/dag en is slecht te noemen. De theoretische doorlatendheid op basis van de SCG-zeefkromme van de zandlaag onder de laag humeuze grond/ teelaarde (0,70 - 2,00 m-mv) bedraagt circa 7,9 - 10,3 m/d en is hiermee goed te noemen. De k-waarde van de zeefkrommen vallen hoger uit dan de gemeten k-waarden van de veldproeven. Een reden hiervoor is dat bij k-waarde bepaling aan de hand van een korrelverdelingsanalyse er onder meer geen rekening wordt gehouden met de gelaagdheid van de bodem en de pakking van de bodem. De k-waarde bepaling aan de hand van een korrelverdelingsanalyse is vaak een overschatting en dient te worden beschouwd als een indicatie. De gemeten k-waarde van de veldproeven worden derhalve als representatiever beschouwd. Oppervlaktewater Volgens de digitale kaart ‘Weging van het waterbelang’ van waterschap De Dommel is in de directe omgeving van het projectgebied geen oppervlaktewater gelegen.

Uitsnede Legger Waterschap De Dommel met het projectgebied rood omkaderd

40/69

Veiligheid en waterkeringen Het projectgebied bevindt zich niet in de kern- of beschermingszone van een waterkering. Klimaat Korte, hevige buien zullen naar verwachting steeds vaker voorkomen. Dit klimaateffect kan een grote impact hebben. In dat kader heeft de gemeente Nuenen een klimaatstresstest voor wateroverlast uitgevoerd. Met deze klimaatstresstest kan inzicht worden verkregen in de kwetsbaarheid van de omgeving ten gevolge van extreme regenval. De kaarten uit de klimaatstresstest maken inzichtelijk waar wateroverlastlocaties kunnen ontstaan na extreme buien van 70 mm en 90 mm in 1 uur. Het is mogelijk dat de gepresenteerde wateroverlast niet altijd in de praktijk (in die mate) herkend wordt. Aan de resultaten kunnen geen rechten worden ontleend, maar geven wel een goede indicatie van de te verwachten overlastlocaties bij hevige neerslag. In onderstaande figuren is voor het projectgebied voor beide buisituaties het resultaat van de klimaatstresstest zichtbaar. Het resultaat laat zien dat het projectgebied in het algemene niet gevoelig is voor wateroverlast vanuit de omgeving. Een uitzondering is een klein deel aan de oostzijde van het projectgebied. Hier kan vanuit de Spotvogelstraat in een zeer extreme situatie water blijven staan.

Hier zal bij het toekomstig ontwerp rekening mee gehouden worden door de bouwpeilen minimaal 20 tot 30 cm hoger aan te leggen dan het aangelegen wegpeil.

Klimaatstresstest bui 70 mm in 1 uur (bron: gemeente Nuenen)

41/69

Klimaatstresstest bui 90 mm in 1 uur (bron: gemeente Nuenen)

Watersysteemkwaliteit en ecologie Binnen het projectgebied of in de nabije omgeving liggen geen oppervlaktewaterlichamen die zijn aangewezen vanuit de Kaderrichtlijn Water. Er bevinden zich ook geen natte ecologische verbindingszone zoals opgenomen in het (provinciale) Natuurnetwerk Nederland binnen of in de nabijheid van het projectgebied. Afvalwaterketen en riolering Voorheen was het projectgebied deels bebouwd en aangesloten op de het gemeentelijke rioolsysteem. Afvalwater In de rondom het projectgebied gelegen wegen is een gemengd rioolstelsel gelegen. Verhardoppervlak en waterbergingsopgave Binnen het projectgebied stond tot voor kort een vrijstaande woning met bijbehorende bouwwerken en erfverharding. Deze zijn inmiddels verwijderd om de beoogde ontwikkeling mogelijk te maken. In totaal was in de huidige situatie 331 m² aan verharding aanwezig bestaande uit onder andere 108 m² dakoppervlak en 148 m² terreinverhardingen (openbare ruimte), zie onderstaande figuur. Daarnaast is gerekend dat ongeveer 75 m² erfverharding aanwezig is geweest (toegang tot perceel en woning, terras e.d.)

42/69

Oppervlakten bestaande situatie (bron: Analyse & SO+ buitenruimte Lyndakkers, Nuenen)

In de toekomstige situatie zullen 10 woningen worden gerealiseerd. Ten aanzien van het toekomstig verhard oppervlak wordt vooralsnog uitgegaan van een oppervlak van 1.274 m² (met inbegrip van bijgebouwen en bestrating). In totaal bestaat het toekomstig verhard oppervlak uit 536 m² dakoppervlak, 288 m² terreinverhardingen en waterdoorlatende verhardingen met een oppervlak van 354 m². In het kader van het bepalen van het toekomstig verhard oppervlak is 70% van het oppervlak aan waterdoorlatende verharding beschouwd als verhard. Dit is overeenkomstig met een oppervlak verhard van 248 m² (= 354 m² * 0,70). Voor de achtertuinen (exclusief bergingen) is gerekend met 50% verharding. De verdeling van de oppervlakten in de toekomstige situatie is weergegeven in onderstaande figuur. Tabel verhouding verhard/onverhard

Huidig

Toekomstig

Saldo

Verhard oppervlak

331 m²

1.336,5 m²

+ 1.005,5 m²

-

Daken

108 m²

536 m²

+ 428 m²

-

Terrein verharding (openbare ruimte)

148 m²

497 m²

+ 349 m²

-

Waterdoorlatende verharding

0 m²

101,5 m² (70% van 145 m²)

+ 101,5 m²

-

Tuin verhard*

75 m²

202 m² (50% van 404 m²)

+ 127 m²

Onverhard oppervlak

2.099 m²

1.093,5 m²

- 1.005,5 m²

-

Tuin onverhard*

1.417 m²

202 m² (50% van 404 m²)

- 1.215 m²

-

Openbaar groen

682 m²

848 m²

+ 166 m²

-

Waterdoorlatende verharding

0 m²

43,5 m² (30% van 145 m²)

+ 43,5 m²

Totaal

2.430 m²

2.430 m²

-

* Voor de tuinen is in de huidige situatie gerekend met indicatief 75 m² erfverharding op basis van luchtfoto’s. Op basis van een kadastraal perceel van 1.600 m² minus 108 m² dak en 75 m² erfverharding is 1.417 m² tuin onverhard. Voor de toekomstige situatie is gerekend met een indicatieve verdeling van 50% verhard / onverhard van in totaal 404 m² aan achtertuin (excl. bergingen).

43/69

Oppervlakten toekomstige situatie (bron: Analyse & SO+ buitenruimte Lyndakkers, Nuenen)

Oppervlakten onverhard terrein en capaciteit bergingsvoorziening toekomstige situatie (bron: Analyse & SO+ buitenruimte Lyndakkers, Nuenen)

Zoals uit voorgaande tabel blijkt neemt de oppervlakte van het verhard oppervlak met ongeveer 1.005,5 m² toe. De toename van verhard oppervlak zorgt voor versnelde afvoer van hemelwater. De toename van verharding dient gecompenseerd te worden in de vorm van waterberging. Om hieraan te voldoen, hanteert het waterschap een compensatienorm van 60 mm ten opzichte van de toename in het verharde oppervlak. Op basis van deze norm bedraagt de waterbergingsopgave voor het projectgebied in totaal 60,33 m³ (= 1.005,5 m² x 60 mm).

44/69

Waterhuishouding Randvoorwaarden en uitgangspunten Ten aanzien van het plan en de omgang met hemelwater zijn de volgende uitgangspunten gehanteerd: • Toepassen voorkeursvolgorde waterkwantiteit (vasthouden, bergen en afvoeren); • Toepassen voorkeursvolgorde waterkwaliteit (schoonhouden, scheiden, zuiveren); • Niet afwentelen op anderen in ruimte en tijd; • Verhard oppervlak toekomstige situatie 1.336,5 m²; • Toename verhard oppervlak 1.005,5 m²; • Wateropgave 60,33 m³; • De maximale ledigingsduur van het systeem bij voorkeur <48 uur; • Aanlegdiepte bergingsvoorzieningen boven de GHG; • GHG > 2,0 m -mv; • Calamiteit in beschouwing nemen (mag niet tot overlast leiden); • Geen gebruik van uitlogende (bouw)materialen. Compensatie Water wordt expliciet en op evenwichtige wijze in beschouwing genomen en op een duurzame wijze verwerkt. In de toekomstige situatie wordt het schone hemelwater (zogenaamde hemelwaterafvoer; HWA) gescheiden van het vuilwater (zogenaamde droogweerafvoer; DWA) ingezameld en verwerkt. Hemelwater zal op conventionele wijze worden ingezameld en worden afgevoerd. Mogelijkheden hiervoor zijn infiltratiekratten onder de parkeerplaatsen of een IT-riool en drainkoffer onder de rijloper van de parkeerkoffer. Hiervoor is voldoende ruimte beschikbaar. Afhankelijk van het type voorziening en de belastbaarheid hebben ondergrondse systemen een bepaalde gronddekking nodig.

De GHG en de benodigde gronddekking zijn bepalend of een ondergrondse bergingsvoorziening zonder verlies van berging kan worden aangelegd. Op basis van de verwachtte diepte van de GHG (> 2,0 m -mv) worden hierin geen problemen verwacht. Initiatiefnemer zal de waterbergingsvoorziening nader uitwerken in samenspraak met gemeente Nuenen ca. Deze afstemming vindt momenteel al plaats. Bodem en grondwater De beoogde ontwikkeling heeft geen gevolgen voor bodem en grondwater. Watersysteemkwaliteit en ecologie Uitgangspunt bij elke nieuwe ontwikkeling is, dat de kwaliteit van oppervlaktewater en grondwater ten opzichte van de huidige situatie niet mag verslechteren. Waar mogelijk wordt een verbetering nagestreefd. De waterkwaliteit wordt beïnvloed door het (veranderende) ruimtegebruik en het gebruik van bouwmaterialen. Om de water- en bodemkwaliteit niet negatief te beïnvloeden wordt geen gebruik gemaakt van uitlogende bouwmaterialen (koper, zink, lood). De emissies vanuit bouwmaterialen worden beperkt door gebruik te maken van producten die voorzien zijn van een keurmerk. Veiligheid en waterkeringen De in dit bestemmingsplan mogelijk gemaakte ontwikkeling heeft geen negatieve invloed op de waterveiligheid in de omgeving. Deze vallen ook niet in het projectgebied. Afvalwater Hemelwater en afvalwater wordt gescheiden ingezameld, verwerkt en aangeleverd.

Als gevolg van de ontwikkeling zal het aanbod van vuilwater wijzigen. Voor de berekening van het toekomstige aanbod en eventuele toename hierin, is voor de berekening uitgegaan van onderstaande uitgangspunten zie onder:

45/69

• • •

Gemiddelde woningbezetting: Gemiddeld waterverbruik: Piekbelasting:

2,7 inwoners; 150 l/inw./dag; 15 l/inw./uur.

Conform het planontwerp worden in totaal 10 woningen gerealiseerd. Dit komt overeen met een gemiddeld waterverbruik van 4,05 m³/dag en een piekbelasting van 0,405 m³/uur. De berekening is gebaseerd op basis van aannames en betreft derhalve een indicatie van hoeveelheden. Het vuilwater (zogenaamde droogweerafvoer; DWA) zal in de toekomstige situatie worden aangesloten op het bestaande rioleringsstelsel in de omgeving. De mogelijkheden en wijze van aansluiting zal in overleg met de gemeente besproken moeten worden. 5.3.3 Conclusie Het project past binnen de geldende instructieregels voor water. Uit de waterparagraaf blijkt dat de beoogde ontwikkeling geen negatieve gevolgen heeft voor het waterhuishoudkundige systeem ter plaatse en dat het voldoet aan het beleid van de gemeente.

5.4

Luchtkwaliteit

5.4.1 Instructieregels Als een bopa betrekking heeft op een milieubelastende activiteit die leidt tot een verhoging van de concentratie in de buitenlucht van luchtverontreinigende stoffen, kan deze alleen worden verleend als de omgevingswaarden voor deze stoffen in acht worden genomen (artikel 8.17 Bkl). Dit wil zeggen dat deze omgevingswaarden niet mogen worden overschreden. De kans op overschrijding is met name aanwezig als een activiteit in of nabij een aandachtsgebied plaatsvindt. In deze gebieden (aangewezen in artikel 5.51, lid 2, van het Bkl) bestaat een reële kans op (een dreigende) overschrijding van een omgevingswaarde. Onderzoek zal moeten uitwijzen of de activiteit daadwerkelijk leidt tot een overschrijding van de omgevingswaarden. Onderzoek is niet nodig als de activiteit niet in betekenende mate bijdraagt aan een verslechtering van de luchtkwaliteit. Dit is het geval als activiteiten leiden tot een verhoging van de kalenderjaargemiddelde concentratie in de buitenlucht van zowel stikstofdioxide als PM10 van 1,2 μg/m³ of minder. Daarnaast zijn in artikel 5.54 Bkl standaardactiviteiten genoemd die niet in betekenende mate bijdragen. Als een activiteit niet in betekenende mate bijdraagt aan een verslechtering van de luchtkwaliteit, dan is het omgevingsaspect luchtkwaliteit geen belemmering.

5.4.2 Toetsing Dit project voorziet in het saneren van één woonlocatie om plaats te maken voor 'gebouwen met een woonfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan'. In artikel 5.54 Bkl is bepaald dat een dergelijke activiteit niet in betekenende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit als het gaat om: ● één ontsluitingsweg: ten hoogste maximaal 1.500 woningen, of ● twee ontsluitingswegen: ten hoogste maximaal 3.000 woningen. Het project voorziet in de realisatie van 10 woningen aan een bestaande ontsluitingsweg. Vanwege de omvang van het project kan deze worden aangemerkt als ‘niet in betekende mate bijdragend’. Gemeente Nuenen is echter gelegen binnen een aandachtsgebied die wordt gemonitoord voor fijnstof (PM10) en stikstofdioxide (NO2). Daarom dient de bijdrage aan luchtkwaliteit te worden berekend met behulp van de NIBM-tool. Met behulp van de NIBM-tool kan worden aangetoond dat het project ‘niet in betekenende mate’ bijdraagt aan de luchtkwaliteit. Daarbij zijn, om uit te gaan van een ‘worstcasescenario’, de volgende invoergegevens gebruikt:

46/69

• • •

Jaar van planrealisatie: 2025; Extra voertuigbewegingen (weekdaggemiddelde): 41,7 mvt/etmaal (dit zijn de additionele motorvoertuigbewegingen ten opzichte van de huidige motorvoertuigbewegingen (49,7-8 mvt/etmaal) (zie paragraaf 5.14). Aandeel vrachtverkeer: 5 % (logischerwijs ligt dit percentage in werkelijkheid veel lager)

Bovenstaande afbeelding bevat de uitkomst van de NIBM-tool. De grens waaronder een project “niet in betekenende mate” bijdraagt aan de luchtkwaliteit is 1,2 μg/m³. Uit de tabel blijkt dat zowel voor stikstofdioxide (NO2) als fijn stof (PM10) de bijdrage van het extra verkeer niet in betekenende mate is. Een onderzoek naar luchtkwaliteit is dan ook niet nodig. Naast een beoordeling van de bijdrage aan de luchtkwaliteit door de activiteit zelf is het ook nodig om te beoordelen of de nieuwe functie aan de betreffende locatie kan worden toegewezen gelet op de achtergrondconcentratie van luchtverontreinigende stoffen. Dit kan worden beoordeeld met behulp van het Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit (CIMLK). In artikel 2.4 en 2.5 van het Bkl staan de ten hoogste toelaatbare omgevingswaarden benoemd.

Uitsnede CIMLK-viewer, met de projectlocatie blauw omlijnd en de dichtstbijzijnde toetstpunten

Hierboven is een uitsnede opgenomen van de CIMLK-viewer waarop te zien is waar de meest relevante toetspunten zich bevinden ten opzichte van het projectgebied. De figuur geeft de NO2-concentratie weer in de meest recente monitoringsronde en het meest nabijgelegen monitoringsjaar. Eenzelfde uitsnede kan worden gemaakt van andere monitoringsronden,

47/69

monitoringsjaren en luchtverontreinigende stoffen (per monitoringsjaar en monitoringsronde), maar het is niet zinvol om hiervoor steeds afzonderlijk een figuur op te nemen. Wel is het van belang om de relevante concentraties te beoordelen. In onderstaande tabel zijn voor het dichtstbijzijnde toetspunt en de meest actuele monitoringsronde de omgevingswaarden in beeld gebracht voor de meest relevante luchtverontreinigende stoffen. Toetspunten

1) Europalaan, Nuenen (x: 166215.84468964 y: 386796.400826191) 2) Europalaan, Nuenen (x: 166306.727601742 y: 386784.419848829)

Monitoringsronde:

2023

Monitoringsjaar

NO2-concentratie in µg/m³

PM10-concentratie in µg/m³

PM10-overschrijdingsdagen

PM2,5-concentratiein µg/m³

Toetspunt

Punt 1

Punt 2

Punt 1

Punt 2

Punt 1

Punt 2

Punt 1

Punt 2

2025

18,28

17,37

16,03

15,86

6

6

8,89

8,85

2030

15,82

14,98

14,96

14,79

6

6

7,87

7,83

Maximaal toelaat-

40 µg/m³

40 µg/m³

35

25 µg/m³

baar (art. 2.4 en 2.5 Bkl)

kalenderjaargemiddelde

kalenderjaargemiddelde

dagen per kalenderjaar

kalenderjaargemiddelde

Uit voorgaande tabel blijkt dat de concentraties luchtverontreinigende stoffen de in het Bkl vastgestelde omgevingswaarden niet overschrijden. Zodoende is het gelet op de luchtkwaliteit aanvaardbaar de functie wonen met bijbehorend terrein aan de projectlocatie toe te delen. 5.4.3 Conclusie Het project levert niet in betekenende mate een bijdrage aan de luchtkwaliteit. De luchtkwaliteit in de omgeving is bovendien aanvaardbaar voor de nieuwe functies. Het project is niet in strijd met instructieregels voor luchtkwaliteit en het is niet nodig om voor dit aspect voorschriften aan de omgevingsvergunning te verbinden.

5.5

Geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen

5.5.1 Instructieregels In een omgevingsplan wordt rekening gehouden met het geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen op geluidgevoelige gebouwen in een geluidaandachtsgebied en voorziet erin dat het geluid aanvaardbaar is. Het geluid is aanvaardbaar als wordt voldaan aan de standaardwaarden volgens navolgende tabel. Een overschrijding is mogelijk als er geen geluidbeperkende maatregelen kunnen worden getroffen om aan de standaardwaarden te voldoen, de overschrijding zoveel mogelijk wordt beperkt en er wordt voldaan aan de grenswaarden volgens navolgende tabel. Geluidbeperkende maatregelen worden in aanmerking genomen als die financieel doelmatig zijn en daartegen geen overwegende bezwaren van stedenbouwkundige, verkeerskundige, vervoerskundige, landschappelijke of technische aard bestaan. Verder wordt rekening gehouden met het belang van een geluidluwe gevel.

48/69

In een aantal gevallen kan een waarde hoger dan de grenswaarde aanvaardbaar worden geacht: • bij vervangende nieuwbouw maximaal 5 dB hoger dan de grenswaarde en het aantal geluidgevoelige gebouwen; • met meer geluid dan de grenswaarde mag niet wezenlijk toenemen; • bij functiewijziging maximaal 5 dB hoger dan de grenswaarde (transformatie); • bij zeehavengebonden activiteiten maximaal 5 dB hoger dan de grenswaarde; • bij een niet-geluidgevoelige gevel met bouwkundige maatregelen; • bij een niet-geluidgevoelige gevel. Bij het overschrijden van de standaard- of grenswaarden wordt het gecumuleerde geluid beoordeeld en het gezamenlijk geluid bepaald en vastgelegd in het omgevingsplan (bij een bopa mag dit in een later stadium). 5.5.2 Toetsing De projectlocatie maakt zelf geen nieuwe weg, spoorweg of industrieterrein mogelijk. Het project maakt wel geluidgevoelige gebouwen mogelijk. Volgens 'Geluidregister op de kaart' ligt de projectlocatie niet binnen een aandachtsgebied of geluidproductieplafond van een spoorweg, rijksweg, provinciale weg of industrieterrein.

Uitsnede van Geluidregister op de kaart, met de projectlocatie blauw omcirkeld

De projectlocatie ligt wel binnen het geluidaandachtsgebied van diverse lokale wegen (Draviklaan, Europalaan, Herikhof, Kraanvogelhof, Lyndakkers, Spotvogelstraat, Vinkenlaan, Wederikdreef en Wielewaallaan). Daarom is voor dit project een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai uitgevoerd. Het rapport is opgenomen als bijlage bij deze motivering. Uit het onderzoek blijkt dat het geluid op de gevels van de nieuwe woningen de standaardwaarde van 53 dB nergens overschrijdt. Derhalve kan worden geconcludeerd dat het geluid op de nieuwe woningen ten gevolge van deze geluidbronsoort

49/69

aanvaardbaar is. Aangezien voor de woningen de standaardwaarde nergens wordt overschreden, is het beoordelen van het gecumuleerde geluid niet noodzakelijk. De nieuwe woningen worden echter beoogd in het geluidaandachtsgebied van één geluidbronsoort. Daarom is gezamenlijk geluid met andere geluidbronsoorten in de deze situatie niet aan de orde en kan voor het gezamenlijk geluid de geluidbelasting ten gevolge van gemeentewegen worden aangehouden. Het gezamenlijk geluid op de gevels van de beoogde nieuwe woningen bedraagt maximaal 52 dB. Mits bij toepassing van standaard geluidwerende materialen en maatregelen kan worden voldaan aan de minimaal vereiste GA;k van 20 dB, is een aanvaardbaar geluidbinnenniveau gewaarborgd. Derhalve wordt een aanvullend onderzoek ter bepaling van de geluidwering van de gevels niet noodzakelijk geacht. 5.5.3 Conclusie Het project maakt geen nieuwe geluidsbron mogelijk. De akoestische situatie vanwege (gemeente)wegen in de omgeving is bovendien aanvaardbaar voor de nieuwe functies. Het project is niet in strijd met instructieregels voor geluid van (spoor)wegen en het is niet nodig om voor dit aspect voorschriften aan de omgevingsvergunning te verbinden.

5.6

Bodem

5.6.1 Instructieregels Uit de Omgevingswet volgt dat gemeenten primair verantwoordelijk zijn voor de zorg voor de fysieke leefomgeving, waaronder ook de zorg voor (de kwaliteit van) de bodem wordt verstaan. Het wettelijk instrumentarium onder de Omgevingswet is voor wat betreft de bodem gebaseerd op drie pijlers: 1. het voorkomen van nieuwe verontreiniging of aantasting (preventie); 2. het meewegen van bodemkwaliteit als onderdeel van een brede afweging van de kwaliteit van de fysieke leefomgeving in relatie tot functies (toedeling van functies); 3. het op duurzame en doelmatige wijze beheren van resterende historische verontreinigingen (beheer van historische bodemverontreinigingen). Om een bouwactiviteit op een bodemgevoelige locatie toe te staan, dient op grond van het Besluit kwaliteit leefomgeving (artikel 5.89i en 5.89j) aangetoond te worden dat de bodemkwaliteit geschikt is voor het beoogde gebruik. Een locatie is bodemgevoelig als hier een bodemgevoelig gebouw is toegelaten op grond van een omgevingsplan of omgevingsvergunning. Tot een bodemgevoelige locatie hoort ook een aaneengesloten terrein direct grenzend of toebehorend aan een bodemgevoelig gebouw, zoals een tuin of terrein. Onder een bodemgevoelig gebouw wordt verstaan; een gebouw of een gedeelte van een gebouw dat de bodem raakt en waar personen meer dan twee uur per dag aaneengesloten aanwezig zijn.

Om aan te tonen of de bodemkwaliteit geschikt is voor het beoogde gebruik is het uitvoeren van een verkennend bodemonderzoek als bedoeld in artikel 5.7b van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) noodzakelijk. Dit onderzoek moet uitwijzen of de locatie mag worden aangewend voor de beoogde ontwikkeling. Waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie zijn (op grond van artikel 5.89i Bkl) opgenomen in het omgevingsplan. Bij een overschrijding van een vastgestelde waarde is het bouwen van een bodemgevoelig gebouw alleen toegelaten als sanerende of andere beschermende maatregelen worden getroffen. 5.6.2 Toetsing Voor dit project is in 2022 een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. Na de sloop van de opstallen in 2024 heeft opnieuw bodemonderzoek plaatsgevonden. Van beide onderzoeken is de rapportage als bijlage bij deze onderbouwing opgenomen. Hierna volgen de belangrijkste bevindingen.

50/69

Verkennend bodemonderzoek (2022) Dit onderzoek bestaat uit een milieuhygiënisch vooronderzoek en een verkennend bodemonderzoek (veldwerk). Uit het milieuhygiënisch vooronderzoek bodem blijkt, dat er geen sprake is van bodembelasting, anders dan een regionale of landelijke diffuse achtergrondbelasting in de grond en het grondwater. Op de locatie worden geen verontreinigende stoffen verwacht in gehalten boven de landelijk of regionaal geldende achtergrondwaarde voor grond en/of de streefwaarde voor grondwater. Dit geldt zowel voor natuurlijke achtergrondgehalten als voor "antropogene" achtergrondgehalten, waarvan de oorzaak niet eenduidig is aan te wijzen. Op basis van het milieuhygiënisch vooronderzoek bodem is geconcludeerd dat de onderzoekslocatie onderzocht dient te worden volgens de strategie "onverdacht, niet lijnvormig" (ONV-NL). Bij onverdachte locaties luidt de onderzoekshypothese dat de bodem niet verontreinigd is.

Locatieschets milieuhygiënisch vooronderzoek Econsultancy

Uit het veldwerk is naar voren gekomen dat de bodem voornamelijk bestaat uit zwak tot matig siltig, matig fijn tot matig grof zand. De bovengrond is bovendien zwak humeus. De ondergrond is plaatselijk matig tot sterk gleyhoudend. Plaatselijk is in de ondergrond een zwak zandige leemlaag aanwezig. De bovengrond is zeer lokaal zwak baksteenhoudend en/of zwak plastichoudend. Verder zijn in het opgeboorde materiaal zintuiglijk geen verontreinigingen waargenomen. In de (lokaal zwak baksteenhoudende) bovengrond zijn licht verhoogde gehalten aan koper, lood, zink en/of PCB aangetoond. De verhoogde gehalten zijn niet geheel eenduidig aan de aangetroffen bodemvreemde bijmengingen te relateren. In de zintuiglijk schone ondergrond zijn geen verontreinigingen aangetoond.

51/69

In het grondwater zijn een sterk verhoogde concentratie zink en een licht verhoogde concentratie cadmium aangetoond. De verhoogde concentraties betreffen zeer waarschijnlijk regionaal verhoogde achtergrondconcentraties van metalen in het grondwater. Ter plaatse zijn geen directe verontreinigingsbronnen voor een zinkverontreiniging aan te duiden, waardoor het hoogstwaarschijnlijk een regionaal verhoogde achtergrondconcentratie van metalen in het grondwater betreft. In de omgeving van Nuenen worden vaker verhoogde concentraties aan zware metalen aangetroffen. De verhoogde concentratie aan zink (1.000 μg/l) overschrijdt de signaalwaarde (1.700 μg/l) echter niet, waardoor er op basis van de grondwaterkwaliteitskaart (zie bijlagen bij deze onderbouwing) geen aanleiding is voor nader onderzoek. Milieu- en civieltechnisch onderzoek (2024) Tijdens de uitvoering van het veldwerk zijn zwakke tot uiterste bijmengingen met puin en sporen bakstenen waargenomen in de grond. Uit de resultaten van het verkennend bodemonderzoek blijkt dat in de grond géén sterke verontreinigingen zijn aangetoond. De signaleringsparameters voor grondwater worden eveneens niet overschreden. Zintuiglijk zijn op meerdere plaatsen op het maaiveld asbestverdachte materialen aangetroffen. In de bodem zijn zintuiglijk geen asbestverdachte materialen aangetroffen.

Uit de analyseresultaten blijkt dat geen asbest is aangetoond in gehalten boven de rapportagegrens (2 mg/kg d.s.). Omdat er sprake is van een verkennend bodemonderzoek betreft het een indicatief gehalte. Omdat het aangetoonde gehalte kleiner is dan helft van de interventiewaarde, mag worden aangenomen dat de grond niet verontreinigd is met asbest. Nader onderzoek wordt niet noodzakelijk geacht. Uit de interpretatie van de analyseresultaten blijkt het vrijkomende zanderige materiaal indicatief herbruikbaar te zijn als ‘zand in aanvulling of ophoging’. De grond komt indicatief niet in aanmerking voor ‘zand in zandbed’ of als ‘draineerzand’. Advies Omgevingsdienst Zuidoost-Brabant (ODZOB) Op 15 mei 2025 heeft ODZOB de uitgevoerde onderzoeken beoordeeld. Uit de resultaten van het voorafgaand bodemonderzoek blijkt dat de maximale toelaatbare kwaliteit van de bodem alsmede de signaleringsparameter grondwatersanering en/of de voorkeurswaarde grondwater (waarbij mogelijk sprake zou zijn van een mobiele verontreinigingssituatie) niet wordt overschreden. Zodoende kan ingestemd worden met de omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken. In het omgevingsplan zijn voor de locatie geen nazorg- en instandhoudingsverplichtingen van bodemmaatregelen na het uitvoeren van een bodemsanering opgenomen (Art. 4.1246, lid 3 Bal).

Daarnaast zijn er geen nazorgverplichtingen van toepassing welke in het verleden onder het Besluit Uniforme Saneringen (BUS, art. 15) of de Wet bodembescherming (Wbb, art.39d) zijn opgelegd. Uit de beoordeling blijkt dat er geen nazorg- en instandhoudingsverplichtingen van toepassing zijn. De actuele bodemkwaliteit (resultaten van het voorafgaande bodemonderzoek) zijn getoetst aan de gewenste vorm van bodemgebruik, namelijk ‘wonen met tuin’. Uit de beoordeling blijkt dat de actuele bodemkwaliteit geen belemmering vormt voor de gewenste bodemfunctie en het bijbehorende bodemgebruik. 5.6.3 Conclusie Het project maakt geen nieuwe functie of activiteiten mogelijk die schadelijk kunnen zijn voor de bodem- of grondwaterkwaliteit. Uit bodemonderzoek is gebleken dat de bodem geschikt is voor de vervolgfunctie.

5.7

Geur

5.7.1 Instructieregels Er zijn diverse sectoren waarbij geurhinder een rol kan spelen, zoals bij veehouderijen, industrie, horeca en (andere) milieubelastende activiteiten. In het kader van het beschermen van de gezondheid en het milieu dient op grond van het Bkl rekening te worden gehouden met de geur door activiteiten op gebouwen. Rekening houden met geur werkt twee kanten op:

52/69

● ●

bij het mogelijk maken van het verrichten van activiteiten in de buurt van gevoelige gebouwen; bij het toelaten van geurgevoelige gebouwen in de buurt van bestaande geurveroorzakende bedrijven.

Voor een aantal activiteiten moet de gemeente geurregels opnemen in het omgevingsplan. Hiervoor staan instructieregels in het Bkl. Dit geldt voor rioolwaterzuiveringsinstallaties (RWZI), het houden van landbouwhuisdieren en andere agrarische activiteiten. Voor andere geurveroorzakende activiteiten kan de gemeente zelf kiezen welke geurregels ze in het omgevingsplan geurregels stelt. Vanwege de inwerkingtreding van de Omgevingswet zijn alle geldende bestemmingsplannen binnen een gemeente gezamenlijk het tijdelijke deel van het omgevingsplan geworden, totdat de gemeente één nieuw gebiedsdekkend omgevingsplan vaststelt. Tot het tijdelijke deel van het omgevingsplan hoort ook de geurverordening, mits de gemeente deze heeft vastgesteld. Tot slot behoort ook de zogenaamde bruidsschat tot het tijdelijke deel omgevingsplan. De bruidsschat bevat onder andere regels over geur door het houden van dieren, andere agrarische activiteiten, geur door het exploiteren van zuiveringstechnische werken en geur door het bereiden van voedingsmiddelen. In artikel 5.91 Bkl is vastgelegd welke gebouwen in ieder geval als geurgevoelig worden beschouwd (woonfuncties, onderwijsfuncties, gezondheidsfuncties met bedgebied, bijeenkomstfuncties voor kinderopvang met bedgebied en nevengebruiksfuncties van voorgenoemde functies).

Naast de hiervoor genoemde functies, kan het omgevingsplan andere geurgevoelige gebouwen of gedeelten van gebouwen aanwijzen, mits er hoofdzakelijk sprake is van verblijf van mensen (artikel 5.91, vierde lid, van het Bkl). Ook biedt het Bkl de mogelijkheid om in het omgevingsplan niet alleen gebouwen aan te wijzen als geurgevoelig, maar ook locaties waarbij hoofdzakelijk sprake is van verblijf van mensen (artikel 5.91, vijfde lid, van het Bkl). 5.7.2 Toetsing De ontwikkeling voorziet niet in een geurbelastende activiteit. Wel maakt het project woningen mogelijk, die volgens het Bkl geurgevoelig zijn. Hierna wordt dan ook getoetst of geur van activiteiten in de omgeving van invloed is op het woon- en klimaat ter plaatse van de projectlocatie en of geurbelastende activiteiten met gebruiksruimte eventueel in hun belangen worden geschaad.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16001537/1