CConstaterende datNuenen
Koppel je AI →
Document · PDF

Lyndakkers - Bopa-onderbouwing

Gemeenteraad 9 oktober 2025, gemeente NuenenBij agendapunt: Buitenplanse Omgevingsplanactiviteit woningbouwproject Lyndakkers24.473 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 3

Uitsnede digitale kaart Achtergrondbelasting Geur met projectgebied blauw omcirkeld (Bron: ODZOB)

53/69

In de omgeving komen geen relevante kleinschalige functies voor met milieugebruiksruimte voor geur of deze bevinden zich op een afstand groter dan 20 meter van de nieuwe woongebouwen. Ook ligt het projectgebied niet binnen het invloedsgebied van een industriële functie met milieugebruiksfunctie, RWZI of veehouderij. In het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties is het relevant om de achtergrondbelasting geur van veehouderijen te beschouwen. Dit kan aan de hand van de kaart 'Achtergrondbelasting geur' van Omgevingsdienst Zuidoost-Brabant. Uit voorgaande afbeelding blijkt dat het projectgebied is gelegen binnen het concentratiegebied en dat de achtergrondbelasting ter plaatse als 'zeer goed' (< 3 ouE/m³) mag worden beschouwd. 5.7.3 Conclusie Het project maakt geen nieuwe geurbron mogelijk. De geursituatie is ter plaatse van het projectgebied aanvaardbaar voor de nieuwe functies. Het project is niet in strijd met instructieregels voor geur en het is niet nodig om voor dit aspect voorschriften aan de omgevingsvergunning te verbinden

5.8

Cultureel erfgoed

5.8.1 Instructieregels Cultureel erfgoed (en werelderfgoed is onderdeel van de fysieke leefomgeving. Voor het behoud van cultureel erfgoed zijn er internationaalrechtelijke verplichtingen die nopen tot toetsing vooraf van activiteiten die cultureel erfgoed kunnen aantasten. Onder cultureel erfgoed in de fysieke leefomgeving wordt verstaan: 'monumenten, archeologische monumenten, stads- en dorpsgezichten, cultuurlandschappen en, voor zover dat voorwerp is of kan zijn van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties in het omgevingsplan, ander cultureel erfgoed als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet". Dat andere cultureel erfgoed is roerend cultureel erfgoed (in de Erfgoedwet gedefinieerd als 'cultuurgoederen'), zoals historische schepen in een historische haven, of immaterieel cultureel erfgoed dat aan een specifieke plek gebonden is, zoals het molenaarsambacht. De instructieregels van het Rijk staan in artikel 5.130 Bkl. In dit artikel is bepaald dat in een omgevingsplan rekening moet worden gehouden met het belang van het behoud van cultureel erfgoed, met inbegrip van bekende of aantoonbaar te verwachten archeologische monumenten.

Hierbij wordt rekening gehouden met bepaalde aspecten van cultureel erfgoed die zien op: • het voorkomen van aantasting van: o de omgeving van rijksmonumenten en op grond van het omgevingsplan beschermde monumenten o het karakter van in het omgevingsplan beschermde stads- of dorpsgezichten of beschermde cultuurlandschappen door de sloop van bestaande gebouwen, de bouw van nieuwe gebouwen of andere belangrijke veranderingen • het conserveren en in stand houden van archeologische monumenten, bij voorkeur in situ Het gemeentelijk beleid over archeologie en cultuurhistorie is vooruitlopend op de Ow opgenomen op de archeologische beleidskaart en de cultuurhistorische waardenkaart. Deze archeologische waarden en verwachtingen en de cultuurhistorische waarden zijn veelal door vertaald in respectievelijk archeologische dubbelbestemmingen en cultuurhistorische dubbelbestemmingen opgenomen in het (tijdelijk) omgevingsplan of activiteitgericht in het gemeentebrede omgevingsplan. 5.8.2 Toetsing Archeologie Om het aspect archeologie te beoordelen zijn de volgende onderdelen van het Omgevingsplan gemeente Nuenen van belang: • Bestemmingsplan ‘Nuenen Zuidoost, herziening 1’ • Erfgoedverordening 2023 gemeente Nuenen, Gerwen en Nederwetten c.a. (voor wat betreft het onderdeel archeologie, i.c.

hoofdstuk 7) In het bestemmingsplan Nuenen Zuidoost, herziening 1 heeft het projectgebied een dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie middelhoog’. Aan die dubbelbestemmingen zijn regels gekoppeld die bepalen dat bij de aanvraag van een

54/69

omgevingsvergunning voor het bouwen een archeologisch onderzoeksrapport benodigd is. Er zijn wel uitzonderingen gemaakt, maar die zijn niet van toepassing voor dit project. Daarom is voor het projectgebied een archeologisch onderzoek uitgevoerd. Dit onderzoek is bijgevoegd als bijlage bij deze onderbouwing. Archeologische bureauonderzoek en verkennend booronderzoek Uit het archeologisch bureauonderzoek is naar voren gekomen dat er zich mogelijk archeologische waarden in het projectgebied zouden kunnen bevinden. Daarom is er aansluitend een inventariserend veldonderzoek in de vorm van een verkennend booronderzoek uitgevoerd. De gespecificeerde archeologische verwachting, zoals die is weergegeven tijdens het bureauonderzoek, is door het booronderzoek bijgesteld naar laag voor alle perioden. Op basis van de waargenomen bodemverstoringen kan worden geconcludeerd dat archeologische waarden niet meer in situ worden verwacht. Op grond van de resultaten van het bureau- en veldonderzoek wordt geadviseerd om het projectgebied vrij te geven. Selectieadvies Omgevingsdienst Zuidoost-Brabant (ODZOB) Het archeologisch onderzoek is namens gemeente Nuenen ca. door ODZOB beoordeeld en heeft geleid tot het volgende selectieadvies: Met het huidige rapport is de archeologische potentie van het plangebied nog onvoldoende duidelijk.

Ongetwijfeld is dit mede het gevolg van de gehanteerde onderzoeksmethode. Boren geeft beduidend minder inzicht dan proefsleuven. Wij adviseren dan ook om archeologisch vervolgonderzoek in de vorm van proefsleuven uit te voeren in het gehele plangebied vanwege de onverminderd hoge archeologische verwachtingswaarde. Wij adviseren om de zones met een (hoge) archeologische verwachting binnen het plangebied en waar dieper dan 30 cm – MV zal worden verstoord of waar dit mogelijk wordt gemaakt, archeologisch vervolgonderzoek uit te voeren in de vorm van een karterend en waarderend archeologisch proefsleuvenonderzoek (conform protocol Proefsleuven KNA 4.2). Doel van dit vervolgonderzoek is het aanvullen en toetsen van de gespecificeerde verwachting die gebaseerd is op het reeds uitgevoerde bureau- en booronderzoek. Dit proefsleuvenonderzoek dient te worden uitgevoerd voor vaststelling van het omgevingsplan zodat, conform artikel 5.130 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl), de onderzoeksresultaten verwerkt kunnen worden in het plan, bijvoorbeeld door bestemmingen te kiezen die goed samengaan met de archeologische waarden. Daarbij ligt het voor de hand om conform de doelstelling van het Verdrag van Malta te streven naar het behoud van archeologische waarden in situ.

Is behoud in situ niet mogelijk, dan dienen er voorwaarden te worden gesteld voor een zo zorgvuldig mogelijke omgang met de archeologische waarden. Het proefsleuvenonderzoek dient plaats te vinden aan de hand van een door het bevoegd gezag goedgekeurd Programma van Eisen (PvE) en uitgevoerd te worden door een archeologisch bedrijf gecertificeerd voor het uitvoeren van archeologische opgravingen. In dit Programma van Eisen (PvE) staan het onderzoeksgebied, het doel, de vraagstelling en de uitvoeringswijze van het archeologisch veldonderzoek en specialistisch onderzoek verwoord, alsook de randvoorwaarden van het onderzoek. Op basis van de uitkomsten van dit proefsleuvenonderzoek beslist de gemeente of de archeologische waarden in voldoende mate zijn vastgesteld. Pas dan kan door de gemeente Nuenen besloten worden hoe verder om te gaan met de mogelijk aanwezige archeologische waarden: behoud in situ, planaanpassing, vrijgave of opgraven, en of er nadere voorschriften aan de omgevingsvergunning gekoppeld moeten worden ter bescherming van de mogelijk aanwezige archeologische waarden. Cultuurhistorie Binnen het projectgebied komen geen gronden of objecten voor die zijn aangewezen als (voorbeschermd) Rijksmonument of gemeentelijk monument. Het projectgebied ligt niet binnen een volgens de provinciale omgevingsverordening aangewezen cultuurhistorisch waardevol gebied.

Ook ligt het gebied niet binnen een als zodanig in het (tijdelijk deel van het) omgevingsplan aangewezen beschermd stad- of dorpsgezicht.

55/69

Uit zowel de Cultuurhistorische Waardenkaart van provincie Noord-Brabant als de Interactieve Erfgoedkaart van gemeente Nuenen ca. volgt dat de Lyndakkers het enige relevante cultuurhistorisch object of element in de omgeving van het projectgebied is. Het gaat om een historisch geografische lijn van redelijk hoge waarde. In het bouwplan wordt geen afbreuk gedaan aan deze lijn. Door een deel van de woningen evenwijdig en met de voorzijden naar deze weg te bouwen, in aansluiting op de andere naastgelegen woningen aan de Lyndakkers, wordt deze historisch geografische lijn juist gerespecteerd.

Uitsnede Interactieve Erfgoedkaart gemeente Nuenen, met de historisch geografisch waardevolle Lyndakkers weergegeven.

In artikel 5.130 lid d van het Bkl is bepaald dat moet worden voorkomen dat de omgeving van rijksmonumenten wordt aangetast, voor zover die monumenten door die aantasting worden ontsierd of beschadigd. Ook moet worden voorkomen dat het karakter van beschermde stads- of dorpsgezichten door de sloop van bestaande gebouwen, de bouw van nieuwe gebouwen of andere belangrijke veranderingen wordt aangetast. Binnen of in de omgeving van het projectgebied komt geen rijksmonument voor waarmee rekening gehouden dient te worden. 5.8.3 Conclusie Het project is niet in strijd met instructieregels voor cultureel erfgoed. Hoewel in de onderzoeksrapportage is geadviseerd het plangebied vrij te geven, luidt het selectieadvies van ODZOB om proefsleuvenonderzoek uit te voeren. Gemeente Nuenen ca. zal op basis van het archeologisch onderzoek en selectieadvies een selectiebesluit nemen. Indien gemeente Nuenen besluit dat nader proefsleuvenonderzoek inderdaad nodig is, zal dit als voorwaarde aan voorliggende vergunning worden verbonden.

5.9

Ladder voor duurzame verstedelijking

5.9.1 Instructieregels De ladder voor duurzame verstedelijking is een instructieregel voor zorgvuldig ruimtegebruik en het tegengaan van leegstand. Artikel 5.129g Bkl regelt dat bij een wijziging van het omgevingsplan voor een nieuwe stedelijke ontwikkeling toepassing van de ladder is vereist. Artikel 8.0b Bkl bepaalt dat deze instructieregel ook geldt voor een bopa. Bij een stedelijke ontwikkeling die bestaat uit de ontwikkeling of uitbreiding van een bedrijventerrein, een zeehaventerrein, een woningbouwlocatie, kantoren, een detailhandelsvoorziening of een andere stedelijke voorziening en die voldoende

56/69

substantieel is, wordt met het oog op het belang van zorgvuldig ruimtegebruik en het tegengaan van leegstand rekening gehouden met de behoefte aan die stedelijke ontwikkeling. Artikel 5.129g Bkl legt geen grens vast wat voldoende substantieel is. In uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State zijn wel lijnen uitgezet. Geldende jurisprudentie onder de Wro/Bro is vanaf 12 woningen, een functiewijziging met een oppervlak groter dan 500 m² bvo, meer dan 500 m² bvo bebouwing of een functie die gelet op de ruimtelijke uitstraling een stedelijke ontwikkeling is. De geldende planologische mogelijkheden zijn vertrekpunt bij de beoordeling. Leegstand mag volgens jurisprudentie niet 'onaanvaardbaar' zijn. Als die stedelijke ontwikkeling is voorzien buiten het stedelijk gebied of buiten het stedelijk groen aan de rand van de bebouwing van stedelijk gebied moet ook rekening worden gehouden met de mogelijkheden om binnen dat stedelijk gebied of binnen dat stedelijk groen aan de rand van de bebouwing van stedelijk gebied in die behoefte te voorzien. De grens van het stedelijk gebied wordt bepaald door de omstandigheden van het geval, de specifieke ligging, de feitelijke situatie, het omgevingsplan en de aard van de omgeving.

Als wordt voorzien in de vestiging van een dienst als bedoeld in artikel 1 van de Dienstenwet en de beoordeling van de behoefte aan een stedelijke ontwikkeling heeft betrekking op de economische behoefte, de marktvraag of de mogelijke of actuele economische gevolgen van die vestiging, heeft de beoordeling alleen tot doel na te gaan of de vestiging van een dienst in overeenstemming is met een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. 5.9.2 Toetsing Voor wonen geldt, dat voor woningbouwlocaties vanaf twaalf woningen sprake is van een stedelijke ontwikkeling die Ladderplichtig is. De beoogde ontwikkeling betreft 10 sociale huurwoningen. In de huidige situatie is reeds sprake van één woning. Met de beoogde woning is derhalve slechts sprake van de toevoeging van 9 woningen, daarvoor is geen ladderonderbouwing verplicht. Voor de volledigheid is het echter goed om te vermelden dat per definitie sprake is van een duurzame stedelijke ontwikkeling, omdat een verantwoorde verdichting plaatsvindt op een ruim woonperceel binnen bestaand stedelijk gebied, vlakbij voorzieningen (bushalte, centrum en wijkwinkelcentrum Kernkwartier). Er worden 10 sociale huurwoningen gerealiseerd waaraan volgens het regionale en lokale woonbeleid (zie hoofdstuk) voldoende behoefte bestaat. 5.9.3 Conclusie Er is geen sprake van een duurzame verstedelijking.

5.10 Nationale belangen 5.10.1 Instructieregels Ter bescherming van enkele nationale belangen binnen de fysieke leefomgeving heeft het Rijk in paragraaf 5.1.6 en 5.1.7 van het Bkl enkele instructieregels meegegeven. Het gaat om instructieregels om enerzijds ruimte voor toekomstige functies van nationaal belang te waarborgen en anderzijds om de staat en de werking van infrastructuur of voorzieningen te behoeden voor nadelige gevolgen van activiteiten. Gemeenten moeten in het omgevingsplan rekening houden met deze instructieregels. 5.10.2 Toetsing Hierna volgt een opsomming van de in paragraaf 5.1.6 en 5.1.7 van het Bkl opgenomen, met daarbij in cursief benoemd de relevantie voor dit project: 1. Behoud van ruimte voor toekomstige functies: a. Autowegen, autosnelwegen en hoofdspoorwegen;

57/69

Het projectgebied is niet gelegen binnen een zone die is gereserveerd voor aanleg of uitbreiding van een autoweg, autosnelweg, hoofdspoorweg b. Buisleidingen van nationaal belang; Het projectgebied is niet gelegen binnen een zone die is gereserveerd voor aanleg of instandhouding van een buisleiding van nationaal belang. c. Project Mainportontwikkeling Rotterdam; Het projectgebied ligt niet binnen of nabij de bij aangewezen aanleggebieden voor Maasvlakte 2 en compensatie. 2. Behoeden van de staat en werking van infrastructuur of voorzieningen voor nadelige gevolgen van activiteiten: a. Landsverdediging en nationale veiligheid; Het projectgebied ligt niet binnen of nabij een militair terrein of terrein met een militair objecten, oefen- en schietgebieden, militaire zend- en ontvangstinstallaties, en laagvliegroutes voor jacht- en transportvliegtuigen. Wel ligt het projectgebied binnen een invloedsgebied van een militaire radar. Het projectgebied ligt namelijk binnen het radarverstoringsgebied van Radarstation Herwijnen, waarbinnen windturbines het radarbeeld kunnen verstoren. Daarom geldt hier een bouwbeperking voor windturbines hoger dan 90 m boven NAP. Dit project maakt echter geen windturbines of andere bouwwerken met een dergelijke bouwhoogte mogelijk. b.

Elektriciteitsvoorziening; Het project heeft geen betrekking op een locatie voor/nabij een grootschalige elektriciteitsopwekking, kernenergiecentrale of hoogspanningsverbinding met een spanning van tenminste 220 kV. c. Rijksvaarwegen; Het projectgebied heeft geen betrekking op een locatie voor/nabij rijksvaarwegen. d. Communicatie-, navigatie- en radarapparatuur voor de burgerluchtvaart; Het projectgebied is niet gelegen binnen een gebied waar voor bouwwerken beperkingen gelden vanwege mogelijke verstoring van communicatie-, navigatie- en radarapparatuur voor burgerluchtvaart. Het projectgebied is wel gelegen binnen meerdere radarverstoringsgebieden voor windturbines (zie sub a.). e. Landelijke fiets- en wandelroutes; Doorheen het projectgebied of over de direct aangrenzende wegen of paden lopen geen landelijke fiets- of wandelroutes. f. Hyperscale datacentra: Het projectgebied heeft geen betrekking op een locatie voor/nabij rijksvaarwegen. 5.10.3 Conclusie Gelet op het voorgaande is het project niet in strijd met de instructieregels ten behoeve van nationale belangen met betrekking tot de fysieke leefomgeving. Het is niet nodig om voor dit aspect voorschriften aan de vergunning te verbinden.

5.11 Toegankelijkheid openbare buitenruimte 5.11.1 Instructieregels In artikel 5.162 van het Bkl is bepaald dat als een omgevingsplan voorziet in nieuwe ontwikkelingen met gevolgen voor de inrichting van de openbare buitenruimte, in dat omgevingsplan rekening moet worden gehouden met het belang van het bevorderen van de toegankelijkheid van die openbare buitenruimte voor personen met een functiebeperking. Hetzelfde uitgangspunt geldt voor een bopa waarmee van het omgevingsplan wordt afgeweken. 5.11.2 Toetsing Dit project gaat gepaard met de aanleg van een parkeertussen tussen beide rijen woningen. Deze parkeerplaatsen zijn vooral bedoeld zijn voor de bewoners van de nieuwe woningen maar is openbaar toegankelijk. De openbare ruimte zal een groene inrichting krijgen door gebruik te maken van grasbetontegels en parkeren tussen het groen. De parkeerplaats wordt met een uitritconstructie op de Wielewaallaan aangesloten. In de openbare ruimte binnen het projectgebied en de

58/69

openbare ruimte direct aansluitend die wellicht wat wordt aangepast, wordt rekening gehouden met personen met een functiebeperking door zo min mogelijk obstakels toe te voegen. 5.11.3 Conclusie Gelet op het voorgaande is het project niet in strijd met de instructieregels ten behoeve van de toegankelijkheid van de openbare buitenruimte. Het is niet nodig om voor dit aspect voorschriften aan de vergunning te verbinden.

5.12 Gezondheid 5.12.1 Instructieregels Een doel van de Omgevingswet is het beschermen van de gezondheid (artikel 2.1, lid 3, onder b). In lid 4 van dit artikel wordt benadrukt dat bij het stellen van regels met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties in ieder geval rekening moet worden gehouden met het belang van het beschermen van de gezondheid. Daarbij gaat het volgens paragraaf 5.1.4 van het Bkl in ieder geval om ● Kwaliteit buitenlucht ● Geluid door activiteiten ● Geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen ● Trillingen ● Slagschaduw van windturbines ● Bodem ● Geur In paragraaf 5.1 is in tabel 5.1 reeds aangegeven of deze thema's voor dit project relevant zijn. De thema's die relevant zijn, zijn eerder in dit hoofdstuk behandeld. Naast deze thema’s waarvoor in het Bkl instructieregels zijn opgenomen in het kader van gezondheidsbescherming, is in tabel 5.2 kort ingegaan op enkele andere thema’s in relatie tot gezondheidsbescherming. Het gaat om gezondheid in relatie tot veehouderijen en gewasbeschermingsmiddelen bij spuitzones. Bij de afweging van de gezondheidsgevolgen kunnen ook gezondheidsbevorderende aspecten een rol spelen. zoals bijvoorbeeld een groene leefomgeving, ruimte voor beweging, beschikbaarheid /toegankelijkheid van voorzieningen en sociale cohesie. Hiervoor zijn in het Bkl geen instructieregels opgenomen.

Wel kan het zijn dat de provincie, regio en/of gemeente hiervoor beleid heeft. In het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties wordt in de belangenafweging betrokken. 5.12.2 Toetsing Gezondheidsbescherming Een deel van de hiervoor beschreven omgevingsaspecten heeft een gezondheidscomponent, waarbij het in de meest gevallen gaat om gezondheidsbescherming. Op deze plaats volstaat kort de conclusie dat er gelet op de gestelde normen voor geen enkel omgevingsaspect (bijv. bodemkwaliteit, luchtkwaliteit, geluidhinder, geurhinder) belemmeringen zijn voor woningbouw op de projectlocatie. Aanvullend is het goed om kort in te gaan op de volgende gezondheidsrisico’s: • Geitenhouderijen: Het projectgebied ligt niet binnen 2 kilometer van een geitenhouderij. Zodoende vormt dit aspect dan ook geen belemmering voor het project of andersom. • Endotoxinen vanwege varkens- of pluimveehouderijen: Het project is niet gelegen binnen 250 meter van een veehouderij met welke diersoort dan ook. Zodoende vormt dit aspect dan ook geen belemmering voor het project of andersom. • Spuitzones vanwege gewasbeschermingsmiddelen:

59/69

In de directe omgeving van het projectgebied liggen geen gronden waar (mogelijk) sprake is van een spuitzone. Spuitzones vormen dan ook geen belemmering voor dit project. Gezondheidsbevordering Bij de afweging van de gezondheidsgevolgen kunnen ook gezondheidsbevorderende aspecten een rol spelen zoals een groene leefomgeving, ruimte voor beweging, beschikbaarheid en toegankelijkheid van voorzieningen en sociale cohesie. In subparagraaf 4.4.1 is het thema gezondheid in relatie tot de voorgenomen ontwikkeling reeds behandeld in het kader van de Omgevingsvisie Nuenen. Op deze plaats volstaat daarom een verwijzing naar die subparagraaf met de conclusie dat met dit project in voldoende mate rekening is gehouden met het belang van het beschermen en het bevorderen van de gezondheid. 5.12.3 Conclusie Met dit project wordt voldoende rekening gehouden met het aspect gezondheid, zowel voor wat betreft bescherming als bevordering.

5.13 Mobiliteit en parkeren 5.13.1 Wettelijk kader Op het gebied van verkeer en vervoer bestaat geen specifieke wetgeving die relevant is voor de voorgenomen activiteit. Wel dient in het kader van het ruimtelijk plan dat de activiteit mogelijk maakt, te worden onderbouwd dat het geheel voldoet aan een evenredige toedeling van functies aan locaties. Dit houdt onder meer in dat er voldoende parkeergelegenheid aanwezig dient te zijn en de eventuele verkeerstoename niet leidt tot knelpunten in de verkeersafwikkeling of de verkeersveiligheid. De parkeerbehoefte wordt berekend op basis van het in 2017 vastgestelde Mobiliteitsbeleid van de gemeente Nuenen. In module 5 van deze visie zijn de parkeer- en verkeerskencijfers van CROW publicatie 317 als leideind beschouwd om een uitspraak te kunnen doen over de parkeerbehoefte of een verkeersgeneratie van een bepaalde ontwikkeling. Deze kencijfers zijn dan ook gebruikt om de parkeerbehoefte en verkeersgeneratie van deze ontwikkeling te bepalen. Het plan is gelegen in de “rest bebouwde kom” en verder heeft de gemeente Nuenen een 'matig stedelijk’ karakter' op basis van de adressendichtheid van het CBS.

5.13.2 Toetsing Ontsluiting Gemotoriseerd verkeer Het projectgebied wordt aan de westkant ontsloten via de Lyndakkers over de Wederikdreef en Vallesrap op de Europalaan en aan de oostkant via de Spotvogelstraat en de Refeling op de Europalaan (noordoostelijke richting) of via de Kamperlaan naar de Smits van Oyenlaan (zuidoostelijke richting). De Lyndakker, de Wederikdreef, Vallestap, de Spotvogelstraat en de Refeling zijn ingericht als erftoegangswegen binnen de bebouwde kom met een maximumsnelheid van 30 km/uur. De Europalaan en Smits van Oyenlaan zijn ingericht als een gebiedsontsluitingsweg binnen de bebouwde kom met een maximumsnelheid van 50 km/uur. De Smits van Oyenlaan, loopt in zuidelijke richting naar de A270 die Nuenen met Eindhoven en met Helmond verbindt. Via de Vinkenlaan in zuidelijke richting is het wijkwinkelcentrum Kernkwartier te bereiken. Langzaam verkeer Voetgangers en fietsers kunnen het projectgebied via alle zijden bereiken via de aanwezige infrastructuur. In de omliggende straten ligt aan beide zijden van de straat een trottoir. Fietsers worden gemengd met het gemotoriseerd verkeer afgewikkeld. Er zijn geen aparte fietsvoorzieningen, met uitzondering van de Vallestap waar fietssuggestiestroken zijn. De Lyndakkers vormt ten slotte een belangrijke fietsroute in Nuenen-Zuid met een onderdoorgang bij de Europalaan.

Deze route maakt bovendien deel uit van het recreatieve fietsroutenetwerk.

60/69

Openbaar vervoer De dichtstbijzijnde openbaar vervoer halte is gelegen op circa 230 meter loopafstand vanaf het projectgebied aan de Europalaan. Bij deze halte halteren de buslijnen 260, tussen Geldrop ziekenhuis en Best station, lijn 322 tussen Eindhoven station en Uden via Gemert, en buslijn 404 tussen Eindhoven station en Nuenen centrum. Parkeren Gemeente Nuenen ca. heeft geen parkeernormen vastgesteld. Daarom is voor het bepalen van de parkeerbehoefte aangesloten bij de kencijfers van het CROW. Het aansluiten bij de CROW parkeerkencijfers is gebruikelijk en breed geaccepteerd wanneer een wegbeheerder geen parkeernormen heeft vastgesteld. Het CROW is een landelijk kennisinstituut op gebied van infrastructuur en mobiliteit dat voor verschillende aspecten, op basis van uitvoerig en continue onderzoek, kencijfers en richtlijnen optelt. Het CROW heeft ook kencijfers waarmee de parkeerbehoefte van een bepaalde functie kan worden bepaald. Deze kencijfers worden regelmatig herijkt. De laatste herijking heeft in juni 2024 plaatsgevonden, met de uitgifte van de CROW publicatie 744. Hierin staan dus de meest actuele parkeerkencijfers voor verschillende functies opgenomen. Bij de berekening van de parkeerbehoefte zijn de volgende uitgangspunten genomen: • Voor voorliggende bopa wordt voor het bepalen van de parkeerbehoefte aangesloten bij de kencijfers uit publicatie 744.

Door aan te sluiten op de meest actuele kencijfers ontstaat er realistisch beeld van de parkeerbehoefte van de beoogde ontwikkeling. • De planontwikkeling ligt binnen de bebouwde kom van Nuenen en buiten het dorpscentrum. Nuenen kent geen zogenaamde ‘schil’ rond het centrum. Daarom is aangesloten bij de ligging ‘rest bebouwde kom’. • Op basis van statistische informatie van het CBS ‘Kerncijfers wijken en buurten 2024’ is voor het bepalen van de stedelijkheidsgraad aangesloten bij ‘matig stedelijk’. • De planlocatie is niet bovengemiddeld goed bereikbaar per auto. Verder zijn het centrum en andere belangrijke berstemming goed bereikbaar per fiets. Daarnaast zijn er geen maatregelen die zorgen voor een lager autobezit of autogebruik. Zo is er bijvoorbeeld geen sprake van parkeerregulering. Geconcludeerd kan worden dat het plangebied ligt in een gebied waar sprake is van een gemiddeld autogebruik. Daarom is bij het bepalen van de van toepassing zijnde kencijfers in CROW publicatie 744, aangesloten bij het midden van de bandbreedte. Binnen het projectgebied worden in totaal 10 sociale huurwoningen gerealiseerd. Het parkeerkencijfer voor de parkeerbehoefte van de bewoners voor sociale huurwoningen (huur, huis, sociale huur) ligt tussen de 0,7 en 1,5 per woning, oftewel gemiddeld 1,1 parkeerplaats per woning. Het aandeel bezoekersparkeren is 0,15 parkeerplaats per woning.

Als volgens de meest actuele parkeerkengetallen zou worden gerekend, dan zouden 12,5 (afgerond 13) parkeerplaatsen nodig zijn. In het parkeerhofje tussen beide woonblokken zijn in totaal 14 parkeerplaatsen voorzien. Daarmee is de parkeerbalans sluitend. Gelet op het voorgaande voldoet het project aan gemeentelijk beleid ten aanzien van parkeren en zijn parkeerproblemen in de omgeving van het projectgebied op voorhand niet te verwachten. Verkeersgeneratie Met kencijfers van CROW publicatie 317 kan voor verschillende functies de verkeersgeneratie bepaald worden uitgaande van gebied 'rest bebouwde kom' en stedelijkheidsgraad 'matig stedelijk'. Een boven- of onder gemiddelde parkeerbehoefte wordt niet verwacht, zodoende kan worden uitgegaan van het gemiddelde van de door het CROW gegeven bandbreedte. Voor sociale huurwoningen geldt een verkeersgeneratie van minimaal 4,5 en maximaal 5,3 motorvoertuigen per etmaal. Dus voor 10 sociale huurwoningen komt dit uit op 10 x 4,9 = 49,7 motorvoertuigen per etmaal (mvt/etmaal)voor een gemiddelde weekdag. Voor het beoordelen van de verkeersafwikkeling zijn de werkdagintensiteiten maatgevend. conform CROW publicatie 317 wordt voor het omrekenen van weekdagintensiteiten naar werkdagintensiteiten voor woningen een omrekenfactor van 1,11. Dit leidt tot een verkeersgeneratie van 55 mvt/etmaal gedurende een gemiddelde werkdag.

61/69

In de voormalige situatie genereert de vrijstaande woning 8 motorvoertuigen per etmaal gedurende een gemiddelde weekdag. Omgerekend naar werkdagintensiteiten bedraagt de voormalige verkeersgeneratie van de vrijstaande woning 9 mvt/etmaal. In totaal zal de beoogde ontwikkeling leiden tot een verkeerstoename van 46 mvt/etmaal op een gemiddelde werkdag ten opzichte van de voormalige situatie. Zoals eerder onder het kopje ‘Parkeren’ aangegeven is CROW-publicatie 317 inmiddels verouderd en vanwege voortschrijdend inzicht meermaals vervangen. De actuele CROW-kengetallen staan in publicatie 744. Het kencijfer voor verkeersgeneratie van sociale huurwoningen (huur, huis, sociale huur) ligt in die publicatie tussen de 4,0 en 4,8 mvt/etmaal, oftewel gemiddeld 4,4 mvt/etmaal per woning op een weekdag. Als volgens de meest actuele kengetallen zou worden gerekend, dan zou de beoogde situatie 44 mvt/etmaal genereren en de voormalige situatie (koop, huis, vrijstaand; kencijfer tussen 7,8 en 8,6 mvt/etmaal) 8,2 mvt/etmaal. Dat zou een toename van (44 - 8.2 =) 35,8 mvt/etmaal op een weekdag en 39,7 mvt/etmtaal op een werkdag opleveren. Dit betekent dat volgens de meest actuele kencijfers de verkeersgeneratie lager zou uitkomen dan volgens de kencijfers die de gemeente hanteert.

De verkeersafwikkeling en veiligheid worden hierna beschouwd op basis van het de door de gemeente gehanteerde kengetallen, aangezien dit vastgesteld beleid is. Dit geeft dan ook een meer ‘worst-case’-beeld dan rekenen met de actuele CROW-kengetallen. Verkeersafwikkeling Voor het beoordelen van de verkeersafwikkeling van de beoogde ontwikkeling dient gekeken te worden naar de verkeertoename gedurende het maatgevende uur, waarin doorgaans 10% van de etmaalintensiteit wordt afgewikkeld. Gedurende het maatgevende uur bedraagt de verkeersgeneratie van de beoogde ontwikkeling 4 á 5 mvt/uur. Het gegenereerde verkeer zal ontsloten worden over de Refeling richting de Europalaan. Conform het principe Duurzaam Veilig is de Refeling ingericht als een erftoegangsweg type I. op dergelijke wegen over het algemeen een etmaalcapactiteit van 5.000 à 6.000 mvt/etmaal zonder problemen worden afgewikkeld. De verkeerstoename ten gevolge van de beoogde ontwikkeling is dermate laag dat de invloed op de doorstroming op de omliggende wegen gering zal zijn. Gesteld kan worden dat de verkeersafwikkeling ook na realisatie van de planontwikkeling gewaarborgd is. Verkeersveiligheid De omliggende straten wikkelen met name het verkeer van de aanliggende woningen af, zodat de verkeersomvang op deze wegen beperkt is. Daarnaast geldt binnen de wijk een 30 km/h-regime.

De verkeersveiligheid op de wegen rond het projectgebied is dan ook voldoende gewaarborgd. 5.13.3 Conclusie De verkeerstoename ten gevolge van de beoogde ontwikkeling bedraagt 4 á 5 mvt in het drukste uur ten opzichte van de voormalige situatie. Deze toename is dermate laag dat het niet zal leiden tot knelpunten in de verkeersafwikkeling en verkeersveiligheid op de omliggende wegen. Verder voorziet het plan in voldoende parkeerplaatsen (14) om de berekende parkeerbehoefte van 13 parkeerplaatsen op te kunnen vangen. De aspecten verkeer en parkeren staan de ontwikkeling dan ook niet in de weg.

5.14 Ecologie: gebiedsbescherming 5.14.1 Wettelijk kader Ter bescherming van de natuur zijn in het Bkl diverse regels opgenomen. Deze regels komen grotendeels overeen met de regels die zijn opgenomen in de voormalige Wet natuurbescherming. Het gaat hierbij in de eerste plaats om regels voor de gebiedsbescherming van aangewezen Natura 2000-gebieden, regels voor de soortenbescherming van te beschermen

62/69

planten, diersoorten (waaronder vogels) en regels ter bescherming van houtopstanden. Het gebieds- en soortenbeschermingsregime vloeit voor een belangrijk deel voort uit twee Europese richtlijnen, te weten de Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en de Habitatrichtlijn (92/43/EEG). Daarnaast bevat het Bkl regels over het Natuur Netwerk Nederland. Natura 2000-gebieden De Europese Vogel- en Habitatrichtlijn beschermt Natura 2000-gebieden. De minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit wijst de Natura 2000-gebieden aan. Op grond van artikel 2.43 Omgevingswet legt hij ook de instandhoudingsdoelstellingen vast. Dit gebeurt in een aanwijzingsbesluit. Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten, mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze bij de voorbereiding van een omgevingsplan in kaart te worden gebracht en beoordeeld. Natura 2000-gebieden hebben een externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden en verstoring kunnen veroorzaken, moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. Een ruimtelijk plan dat significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied kan alleen worden vastgesteld indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten.

Indien deze zekerheid niet is verkregen, kan het plan worden vastgesteld, indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden: 1. Alternatieve oplossingen zijn niet voorhanden; 2. Het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard; en 3. De noodzakelijke compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000-netwerk bewaard blijft. In afdeling 8.6 Bkl staat het beoordelingskader voor de omgevingsvergunning voor Natura 2000-activiteiten. Dit is door middel van het aanvullingsspoor Natuur gebeurd. Natuurnetwerk Nederland (NNN) Een bopa-activiteit kan gevolgen hebben voor NNN-gebieden. De gebieden die het NNN vormen zijn aangewezen in de provinciale omgevingsverordening. In de provinciale omgevingsverordening worden de wezenlijke kenmerken en waarden vastgesteld van deze gebieden. Deze wezenlijke kenmerken en waarden moeten worden beschermd, in stand worden gehouden, verbeterd en ontwikkeld. Hiertoe zijn in de provinciale omgevingsverordening instructieregels opgenomen. Houtopstanden (bos) Mocht de bopa-activiteit gevolgen hebben voor houtopstanden buiten de bebouwingscontour houtkap (dat wil zeggen: er moeten bomen worden geveld), gelden rijksregels uit het Bal.

Bij vellen hoort een herplantingsplicht maar hierop bestaan uitzonderingen (zie artikel 11.111 Bal). Als de rijksregels voor vellen van toepassing zijn, is het vellen van houtopstanden verboden zonder eerst een melding te doen. 5.14.2 Toetsing Het projectgebied ligt niet binnen een natuurgebied dat is aangewezen als Natura2000-gebied. De dichtstbijzijnde natuur die onderdeel uitmaakt van het Natura2000-netwerk is het gebied ‘ Het projectgebied ligt niet binnen een natuurgebied dat is aangewezen als Natura2000-gebied. De dichtstbijzijnde natuur die onderdeel uitmaakt van het Natura2000-netwerk is het gebied “Strabrechtse Heide & Beuven” op ongeveer 6,3 kilometer ten zuidoosten van het projectgebied. Een ander dichtbijgelegen Natura2000-gebied is het gebied “Leenderbos, Groote Heide & De Plateaux” op ongeveer 7,1 kilometer ten zuidwesten. Op ongeveer 800 meter ten zuidoosten van het projectgebied is het dichtstbijzijnde stukje Natuur Netwerk Nederland (in de TAM-omgevingsverordening Noord-Brabant begrensd als zijnde Natuurnetwerk Brabant). Verder is het projectgebied niet gelegen binnen of in de nabijheid van een belangrijk weidevogelgebied.

63/69

Uitsnede digitale kaart ‘Natuurnetwerk Nederland’ en ‘Natura 2000-gebieden’ (Bron: Atlas Leefomgeving). Projectgebied met blauwe marker aangeduid.

Directe negatieve effecten van dit project op bovengenoemde beschermde natuurgebieden zijn vooral gelet op aard en omvang van het plan in combinatie met de afstand van het projectgebied tot aan deze natuurgebieden niet te verwachten. Indirecte negatieve effecten zoals stikstofdepositie zijn echter niet op voorhand uit te sluiten, omdat verstoring van natuurgebieden door stikstof nog op een grote afstand van een bepaalde ontwikkeling kan plaatsvinden. Om die reden is voor dit project een stikstofberekening uitgevoerd. De resultaten hiervan zijn gerapporteerd en als bijlage bij deze onderbouwing gevoegd. Uit de berekening blijkt dat geen sprake is van rekenresultaten die hoger zijn dan 0,00 mol N/ha/jr voor de realisatie- en gebruiksfase van de ontwikkeling. Verder gaat dit project niet gepaard met het vellen van houtopstanden buiten de bebouwingscontour, waarvoor een verbod en herplantplicht geldt. 5.14.3 Conclusie Gelet op het voorgaande kan worden geconcludeerd dat het project geen (significant) negatieve effecten voor beschermde gebieden met zich meebrengt.

5.15 Ecologie: soortenbescherming 5.15.1 Wettelijk kader Indien een activiteit waarvoor een omgevingsvergunning voor een bopa wordt aangevraagd mogelijk gevolgen heeft voor verblijfsplaatsen van beschermde dieren of planten, dan is sprake van een flora- en fauna-activiteit. Het is in beginsel verboden om zonder vergunning een flora- en fauna-activiteit te verrichten. Voor de aanvraag om een omgevingsvergunning voor een bopa is het nodig om te onderzoeken of er aanwijzingen zijn van de aanwezigheid van beschermde soorten op de locatie waar de activiteit zal worden verricht of in de directe nabijheid van die locatie. Dit is de quickscan ecologie. Is het resultaat van de quickscan ecologie dat er aanwijzingen zijn dat specifieke

64/69

beschermde soorten voorkomen, dan is aanvullend onderzoek nodig. Voor sommige flora- en fauna-activiteiten is een omgevingsvergunning nodig. De aanvraag om omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit loopt separaat van de omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit en de provincie is het bevoegd gezag. In alle gevallen geldt de specifieke zorgplicht voor het verrichten van een flora- en fauna-activiteit die er kort samengevat op neerkomt dat maatregelen moeten worden getroffen om nadelige gevolgen voor beschermde soorten te voorkomen dan wel zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken (artikel 11.27 Bal). 5.15.2 Toetsing Vanwege de sloop van de woning en het wegnemen van vegetatie binnen het projectgebied is een quickscan flora en fauna uitgevoerd om te bepalen of hiermee mogelijk (verblijfplaatsen van) soorten verloren gaan. Uit die quickscan en daaropvolgende aanvullende onderzoek is gebleken dat voor de beoogde ingrepen vanwege meerdere soorten een ontheffing van de toenmalige Wet natuurbescherming nodig was. Op 9 april 2020 hebben de Gedeputeerde Staten van Noord-Brabant besloten ontheffing te verlenen aan Woningstichting Helpt-Elkander voor de gierzwaluw, huismus, huiszwaluw, gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis, laatvlieger en steenmarter.

Ten behoeve van de ontheffing is een soortenmanagementplan (SMP) gebouwbewonende soorten opgesteld. Nadat de ontheffing is verkregen hebben de werkzaamheden voor bouwrijp maken conform dit SMP plaatsgevonden. De ontheffing is evenals het onderzoeksrapport (quickscan Wet natuurbescherming en aanvullend onderzoek) en het soortenmanagementplan opgenomen als bijlage bij deze onderbouwing. 5.15.3 Conclusie Het aspect soortenbescherming ecologie vormt geen belemmering voor de gewenste ontwikkeling.

5.16 Duurzaamheid 5.16.1 Wettelijk kader Vanuit de doelen van de Omgevingswet is duurzaamheid een thema waarmee bij het aanvragen van een omgevingsvergunning voor een bopa rekening gehouden moet worden. Duurzaamheid is een veelomvattend begrip waar veel aspecten onder vallen zoals onder andere de energietransitie, mobiliteit en herbruikbaarheid. 5.16.2 Toetsing De woningen worden gebouwd conform de hedendaagse duurzaamheidseisen. Conform het Besluit bouwwerken leefomgeving zullen de woningen voldoen aan de eisen voor 'BENG', waarmee hoge eisen worden gesteld aan duurzaamheid en energiebehoefte en energieverbruik. Daarnaast wordt in de buitenruimte veel inspanning gedaan om duurzaam te ontwikkelen. Er is geen sprake van nieuw ruimtebeslag maar van een verantwoorde verdichting, waarbij een vrijstaande woning plaatsmaakt voor 10 grondgebonden sociale huurwoningen. Zoals in paragraaf 4.4.1 te zien is, worden daarbij diverse maatregelen genomen in het kader van klimaatadaptatie en biodiversiteit. Het gaat onder andere om het behoud en aanbrengen van bomen / beplanting (ecologisch van waarde en tegengaan hittestress), waterdoorlatende verharding en infiltratievoorzieningen om hemelwater binnen het projectgebied te verwerken, en maatregelen aan gebouwen ten behoeve van gebouwbewonende soorten.

Om wat voor infiltratievoorzieningen het zal gaan wordt door initiatiefnemer in samenspraak met de gemeente nader bepaald. Oorspronkelijk werd gedacht aan infiltratiekratten, maar mogelijk wordt gekozen voor een infiltratieriool.

65/69

5.16.3 Conclusie In het project wordt ruimschoots rekening gehouden met duurzaamheid, klimaatadaptatie en biodiversiteit.

5.17 Activiteiten en milieuzonering 5.17.1 Wettelijk kader In het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties moet voldoende afstand worden gehouden tussen kwetsbare of gevoelige objecten, zoals een woning, en bepaalde activiteiten en bedrijven. Deze afstand is enerzijds nodig om het woon- en leefklimaat ter plaatse van het gevoelige object niet aan te tasten, anderzijds is deze afstand nodig om het bedrijf of de functie niet te beperken in de betreffende (bedrijfs)activiteiten. Het aanhouden van voldoende afstand geldt onder andere vanwege geluid (meestal maatgevend) en geur. Hiervoor zijn opgenomen in het Bkl. Ook andere milieuaspecten dan geluid en geur, zoals externe veiligheid, trillingen en stofhinder kunnen in specifieke gevallen relevant of zelfs maatgevend zijn. Deze aspecten lenen zich, anders dan geluid en geur, niet goed om de inpasbaarheid van activiteiten indicatief te bepalen. In algemene zin geldt dat wanneer een activiteit een andere vorm van milieubelasting dan geluid- en geurhinder met zich meebrengt, aan de hand van de specifieke regelgeving moet worden bepaald of de activiteit op de gewenste locatie inpasbaar is. Het gaat dan zowel om rijksregels (Bal) als decentrale regels, bijvoorbeeld regels in het omgevingsplan. 5.17.2 Toetsing Dit project maakt woningen met bijbehorende parkeerhofje en groene inpassing mogelijk.

Er worden geen activiteiten met enige vorm van milieuhinder mogelijk gemaakt. Het projectgebied ligt in een rustig woongebied met hoofdzakelijk woningen en verspreid enkele maatschappelijke voorzieningen zoals een praktijkruimte aan de Wederikdreef en een zorginstelling aan de Vinkelaan. Deze liggen op voldoende afstand van het projectgebied, zodat geen hinder van deze functies te verwachten. In de omgeving van het projectgebied komen geen activiteiten voor waarvan enige vorm van trillingshinder te verwachten is (zie tabel 5.1). In paragraaf 5.2, 5.5 en 5.7 is ten aanzien respectievelijk omgevingsveiligheid (externe veiligheid), geluid en geur reeds gemotiveerd dat er geen belemmeringen zijn voor dit project. 5.17.3 Conclusie Het aspect activiteiten en milieuzonering vormt geen belemmering voor de gewenste ontwikkeling.

66/69

6. ECONOMISCHE UITVOERBAARHEID Een ruimtelijke ontwikkeling mag niet evident economisch onuitvoerbaar zijn. Dit houdt in dat: • de ruimtelijke ontwikkeling niet evident financieel onuitvoerbaar mag zijn en • als de ruimtelijke ontwikkeling kostenverhaal plichtige activiteiten omvat, het kostenverhaal verzekerd moet zijn.

6.1

Financiële uitvoerbaarheid

De voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling ziet toe op de realisatie van 10 woningen op een bestaand bouwperceel waar tot voor kort één vrijstaande woning stond. Het terrein is inmiddels schoon gemaakt door het opstal te slopen en vegetatie weg te nemen. De initiatiefnemer realiseert deze ruimtelijke ontwikkeling voor eigen rekening en risico. De initiatiefnemer heeft aan de gemeente voldoende aangetoond dat de ruimtelijke ontwikkeling niet evident financieel onuitvoerbaar is. Daarmee is aan de eerste vereiste voldaan.

6.2

Kostenverhaal

De bouw van één of meer woningen is op grond van artikel 8.13 van het Omgevingsbesluit aangewezen als kostenverhaalplichtige activiteit. Dit betekent dat de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling kostenverhaalplichtige activiteiten omvat. Op grond van artikel 13.12 Ow is het verboden kostenverhaalplichtige activiteiten uit te voeren voordat de hiervoor geldende kostenverhaalbijdrages zijn betaald. Dit verbod geldt niet in het geval dat het kostenverhaal anderszins is verzekerd. In dit geval is sprake van “de bouw van een of meer gebouwen met een woonfunctie” en daarmee van een kostenverhaalplichtige bouwactiviteit en gebruikswijziging. Gemeente Nuenen c.a. heeft met initiatiefnemer een overeenkomst gesloten waarmee kostenverhaal voor de ontwikkeling verzekerd is. Het toevoegen van kostenverhaalsvoorschriften bij de vergunning is daarmee niet noodzakelijk. Hiermee is ook aan de tweede vereiste voldaan en hieruit volgt dat de ruimtelijke ontwikkeling niet evident economisch onuitvoerbaar is.

67/69

7. EVENWICHTIGE TOEDELING VAN FUNCTIES AAN LOCATIES Belangenafweging Het bevoegd gezag mag alleen een omgevingsvergunning voor een bopa verlenen als aan de beoordelingsregels uit afdeling 8.1 van het Bkl wordt voldaan. Zo wordt de vergunning alleen verleend met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (artikel 8.0a, tweede lid van het Bkl). In dat kader vindt in hoofdstuk 4 van deze onderbouwing een toets aan het relevante beleid op diverse overheidsniveaus plaats. Hieruit volgt dat de ontwikkeling past binnen het van de verschillende overheden. Verder moet in elk geval worden getoetst aan de instructieregels voor het omgevingsplan uit hoofdstuk 5 van het Bkl (artikel 8.0b, eerste lid, sub a van het Bkl) en de instructieregels in de verordening van de provincie voor het omgevingsplan (artikel 8.0b, eerste lid, sub b van het Bkl). In hoofdstuk 5 van deze onderbouwing wordt voor de diverse aspecten van de fysieke leefomgeving beoordeeld of aan deze instructieregels wordt voldaan en of er met het project sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Hieruit volgt dat de ontwikkeling verantwoord is gelet op een veilige en gezonde leefomgeving.

68/69

BIJLAGEN Bijlage 1. Aanmeldingsnotitie mer (Rho Adviseurs); Bijlage 2. Participatieverslag inloopavond (Woningstichting Helpt Elkander / Heijmans); Bijlage 3. Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai (Tritium); Bijlage 4. Verkennend bodemonderzoek (Econsultancy); Bijlage 5. Milieu- en civieltechnisch onderzoek (Tritium); Bijlage 6. Archeologisch bureauonderzoek en verkennend booronderzoek (Econsultancy); Bijlage 7. Stikstofdepositieberekening (Rho Adviseurs); Bijlage 8. Ontheffing Wet natuurbescherming (ODBN); Bijlage 9. SMP Gebouwbewonende soorten (Arcadis); Bijlage 10. Quickscan Wet natuurbescherming en aanvullend onderzoek (Econsultancy).

69/69

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16001537/1