Kloostertuin - Bopa
Tekst van het document
In hoofdstuk 4 van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) zijn alle activiteiten opgenomen waarbij een vaste norm van toepassing is en voor welke activiteiten een berekening van PR-contour en aandachtsgebied vereist is. Groepsrisico / aandachtsgebieden Het groepsrisico betreft de kans op het overlijden van een groep van tien of meer personen per jaar als gevolg van een ongewoon voorval. Het groepsrisico legt een relatie tussen de kans op een ramp en het aantal mogelijke slachtoffers. Onder de Omgevingswet is gekozen voor een nieuwe benadering van het groepsrisico, met aandachtsgebieden. Aandachtsgebieden zijn gebieden rond activiteiten met gevaarlijke stoffen die zichtbaar maken waar mensen binnenshuis, zonder aanvullende maatregelen onvoldoende beschermd zijn tegen de gevolgen van ongevallen met gevaarlijke stoffen. Aandachtsgebieden zijn er voor brand, explosie en gifwolk. Afhankelijk van het type activiteit met gevaarlijke stoffen, zijn er voor het aandachtsgebied in de regelgeving vaste afstanden vastgesteld of zijn deze afstanden rekenkundig te bepalen (bijlage VII Bkl). Aandachtsgebieden worden zichtbaar gemaakt in het Register externe veiligheidsrisico's (REV). Binnen een aandachtsgebied kan sprake zijn van een voorschriftengebied.
Een gemeente kan in het Omgevingsplan afzien van aanwijzing van een brand- of explosievoorschriftengebied of een kleiner brand- of explosievoorschriftengebied aanwijzen (art. 5.14 Bkl). Als het initiatief ligt in een voorschriftengebied, dan gelden voor nieuwbouw aanvullende bouweisen uit het Besluit bouwwerken leefomgeving (art. 4.90 tot en met 4.96 Bbl. Voor zeer kwetsbare gebouwen, zoals scholen, kinderdagopvang en verzorgingstehuizen, geldt altijd een voorschriftengebied, en gelden dus aanvullende bouweisen bij nieuwbouw (art. 5.14 Bkl). Los van een eventueel voorschriftengebied kan een gemeente aanvullende eisen stellen, bijvoorbeeld aan vluchtroutes en de bereikbaarheid van het gebied door hulpdiensten. Dergelijke eisen worden dan opgenomen in de omgevingsvergunning. Kwetsbare functies Bij de beoordeling van de hiervoor beschreven risico’s wordt uitgegaan van een onderscheid in zeer kwetsbare gebouwen, kwetsbare gebouwen, beperk kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties en beperkt kwetsbare locaties. Of een bepaald gebouw of een bepaalde locatie is aan te merken als één van voornoemde gebouwen of locaties volgt uit het Bkl (Bijlage IV). Gebouwen met een woonfunctie zijn kwetsbare gebouwen, net als onder andere gebouwen met een kantoor- of
47/74
onderwijsfunctie. Basisscholen, kinderdag- verblijven en gebouwen met 24-uurszorg zijn voorbeelden van zeer kwetsbare gebouwen. Deze indeling is gemaakt op basis van de volgende afwegingen: • Hoeveel personen zijn in dat gebouw c.q. op die locatie gelijktijdig aanwezig? • Wat is de aanwezigheidsduur van die personen? • In hoeverre zijn die personen in staat zichzelf in veiligheid te brengen bij een incident. Het realiseren van zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare gebouwen en locaties is niet mogelijk binnen een plaatsgebonden risicocontour. Voor het overige geldt dat rekening dient te worden gehouden met de relevante plaatsgebonden risicocontouren en aandachtsgebieden. Dat vraagt om een afweging en motivering (verantwoording) bij het wijzigen van het omgevingsplan. 5.7.2 Toetsing Met dit project wordt niet voorzien in een nieuwe risicovolle activiteit. Wel worden kwetsbare gebouwen (woonfunctie) mogelijk gemaakt. Daarom is het van belang om af te wegen of ten aanzien van die nieuwe woningen een veilige omgeving kan worden geboden gelet op externe veiligheidsrisico’s. Met behulp van de kaart ‘Veilige omgeving’ is in beeld gebracht welke risicobronnen zich in de omgeving van het projectgebied bevinden.
Daarbij is gekeken naar risicovolle inrichtingen, buisleidingen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen en transportroutes over land (wegen, spoorwegen en vaarwegen) waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd. Risicovolle inrichtingen De dichtstbijzijnde risicovolle inrichting is het zwembad aan de Sportlaan in Nuenen en ligt op meer dan 400 meter van het projectgebied. Het projectgebied bevindt zich niet binnen de plaatsgebonden risicocontour of aandachtsgebied van deze risicovolle inrichting of van andere risicovolle inrichtingen. Buisleidingen voor vervoer van gevaarlijke stoffen De dichtstbijzijnde buisleiding voor vervoer van gevaarlijke stoffen bevindt zich op ongeveer 2,7 kilometer ten zuidoosten van het projectgebied, parallel aan de spoorlijn Eindhoven-Venlo. Gelet op de afstand bevindt het projectgebied zich niet binnen het aandachtsgebied of plaatsgebonden risicocontour van deze risicobron. Transport gevaarlijke stoffen over land De rijkswegen A50 en A67 en de spoorweg Eindhoven-Venlo zijn transportroutes waarover vervoer van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. Uit onderstaande afbeelding blijkt dat het projectgebied niet is gelegen binnen het brandaandachtsgebied, explosieaandachtsgebied of gifwolkaandachtsgebied van deze (spoor)wegen. De A270 bevindt zich tevens ten zuiden van het projectgebied op een afstand van circa 2,7 kilometer.
Deze weg maakt geen onderdeel uit van het Basisnet. Wel vindt er vervoer van gevaarlijke stoffen over deze weg plaats. De maatgevende stofcategorie betreft GF3 met een invloedsgebied van 355 meter. Het projectgebied bevindt zich niet in het invloedsgebied.
48/74
Uitsnede kaart Externe veiligheid van Atlas Leefomgeving (Bron: Ministerie IenW – Register externe veiligheid, 2024). Projectgebied met blauw marker aangeduid
5.7.3 Conclusie Het project maakt geen nieuwe risicobron mogelijk en het projectgebied is niet gelegen binnen het invloedsgebied van een risicobron. Het project is niet in strijd met instructieregels voor omgevingsveiligheid en het is niet nodig om voor dit aspect voorschriften aan de omgevingsvergunning te verbinden.
5.8
Water
5.8.1 Instructieregels Bij verlening van een omgevingsvergunning voor een bopa wordt rekening gehouden met de gevolgen voor het beheer van watersystemen en dienen voor het waterbelang de opvattingen van de waterbeheerder te worden betrokken. Dit volgt uit paragraaf 5.1.3 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) en geldt in het algemeen voor alle waterbelangen, zoals: • watercompensatie in verband met toenemende verharding; • waterkwaliteit, bebouwing niet wenselijk in verband met waterwinning; • bebouwing in werkingsgebieden van keringen en andere waterstaatswerken; • waterketen, relatie met de afvoer van afvalwater, (Industriële) lozingen en of lozing oppervlaktewater. Voor een aantal specifieke rijksbelangen (bescherming primaire waterkeringen, behoud waterveiligheid kust en grote rivieren, IJsselmeergebied) stelt het Bkl aanvullende instructieregels. Daarnaast moet rekening worden gehouden met watergerelateerde instructieregels uit de provinciale omgevingsverordening. Verder moet worden getoetst aan de waterschapsverordening. Deze bevat regels specifiek gericht op het watersysteem en waterstaatswerken binnen het beheergebied van een waterschap.
49/74
Ten slotte wordt het project ook getoetst aan het relevante gemeentelijke beleid met betrekking tot water. 5.8.2 Toetsing Op de digitale verbeelding van de provinciale TAM-omgevingsverordening Noord-Brabant zijn op kaart 4 locaties aangeduid waar specifieke instructieregels gelden voor grondwaterbescherming, waterveiligheid en waterberging. Het projectgebied is niet gelegen binnen een dergelijke locatie, waardoor geen instructieregels met betrekking tot water van belang zijn voor dit project. Wel ligt het projectgebied binnen het werkingsgebied ‘Diep grondwaterlichaam’. Volgens artikel 3.11 van de omgevingsverordening is de onconventionele winning van koolwaterstoffen verboden. Dit project maakt geen onconventionele winning van koolwaterstoffen mogelijk. De projectlocatie is niet gelegen op of nabij een waterkering, oppervlaktewaterlichaam of binnen diens beschermingszone. Ook ligt het projectgebied niet binnen grondwaterbeschermingsgebied of een boringsvrije zone. Ten slotte is het projectgebied niet gereserveerd voor (regionale) waterberging. Wel hanteert waterschap De Dommel het uitgangspunt ‘Hydrologisch neutraal ontwikkelen’, waarmee zoveel mogelijk moet worden voorkomen dat hemelwater snel verdwijnt in het riool of in de sloot.
In de waterschapsverordening is een verbod opgenomen om zonder omgevingsvergunning water in een oppervlaktewaterlichaam in beheer bij het waterschap te lozen. Dat verbod geldt niet als maximaal 100 m² per uur wordt geloosd en voor het afvoeren van hemelwater naar een oppervlaktewaterlichaam door: 1. Toename van verhard oppervlak als: a. het verhard oppervlak toeneemt met maximaal 500 m², b. of de toename van verhard oppervlak alleen bestaat uit groen dak; 2. Toename van verhard oppervlak als: a. de toename meer dan 500 m² maar maximaal 10.000 m² bedraagt; en b. er compenserende maatregelen worden getroffen om versnelde afvoer van hemelwater tegen te gaan in de vorm van een bergingsvoorziening met een minimale compensatie die voldoet aan de volgende rekenregel: benodigde compensatie (in m³) = toename verhard oppervlak (in m²) x <gevoeligheidsfactor> x 0,06 (in m). 3. Afkoppeling, als er maximaal 10.000 m² bestaand verhard oppervlak wordt afgekoppeld. Vanuit het Waterplan Nuenen en het Verbreed Gemeentelijke Rioleringsplan (vGRP) geldt de verplichting om retentievoorzieningen te realiseren met een capaciteit van 60 mm per vierkante meter verhard oppervlak. Hoewel de exacte verharding in deze fase nog niet bekend is, zal een toename van verhard oppervlak plaatsvinden groter dan 500 m² maar minder dan 10.000 m².
De bouwvelden (na toepassing maximaal bebouwingspercentage en zoekgebied voor de parkeergarage bij elkaar opgeteld gaat het om ongeveer 4.500 m² aan dakoppervlak. De openbare ruimte tussen en rondom de gebouwen zal als park worden ingericht, wat logischerwijs ertoe leidt dat geen grote oppervlakten verharding wordt toegepast. Het uitgangspunt is zo min mogelijk verharding, maar er zal wel een robuuste padenstructuur worden aangelegd. Hemelwater dat op het verhard oppervlak terecht komt zal niet worden geloosd op een oppervlaktewaterlichaam of rioolstelsel. Conform het vigerende beleid van de gemeente Nuenen dient per vierkante meter verharding 60 millimeter retentie gerealiseerd te worden (600 m³ per hectare verhard oppervlak). Dat is ook in lijn met de rekenregel voor compensatiemaatregelen uit de waterschapsverordening: benodigde compensatie (in m³) = toename verhard oppervlak (in m²) x <gevoeligheidsfactor> x 0,06 (in m). Uit de digitale kaart ‘Weging van het waterbelang’ is op te maken dat de gevoeligheidsfactor ter plaatse van het projectgebied 1 bedraagt. Uitgaande van ongeveer 4.475 m² aan verhard oppervlak is zodoende in ieder geval een waterbergingscapaciteit nodig van (4.469 m2 x 1 x 0,06 m =) 268,1 m³. De opgave aan de ontwikkelaar wordt meegegeven om hiervoor waterbergingsvoorzieningen binnen het projectgebied toe te passen.
Dat kan bijvoorbeeld door toepassen van groene daken, maar ook door middel van halfverharding rondom de
50/74
gebouwen en in het park. Ook het toepassen van natuurlijke laagtes, wadi’s, IT-riool en/of infiltratiekratten behoort tot de mogelijkheden. In een situatie waarbij in een korte tijd meer regen valt dan het systeem aan kan zal overtollig hemelwater vrij kunnen stromen richting de onverharde terreindelen. Tijdelijk kan dan een zogenaamde ‘water-op-straat’-situatie ontstaan. Door de wandelpaden in het gebied hoger aan te leggen dan de naast gelegen onverharde terreindelen wordt lokale wateroverlast voorkomen. Afstroming van hemelwater richting gebouwen en/of aangrenzende particuliere percelen dient te worden voorkomen.
Schetsplan met bouwvelden en zoekgebied parkeergarage waarop de verhardingsoppervlakten zijn gebaseerd
51/74
Bouwveld
Oppervlakte
Maximaal percentage verhard
Verhard oppervlak
Noordwest
974 m²
70 %
682 m²
Noordoost
2.315 m²
65 %
1.505 m²
Zuidwest
1.027 m²
70 %
719 m²
Zuidoost
877 m²
85 %
745 m²
Zoekgebied parkeren*
1.636 m²
50 %**
818 m²
Totaal
6.829 m²
4.469 m²
* Zoekgebied voor zover dit niet binnen een ander bouwveld valt ** Voor het zoekgebied parkeerkelder wordt gerekend met een verhard oppervlak van maximaal 50 %. Het weliswaar om op maaiveld onverhard terrein, maar het bodempakket is niet dusdanig groot dat deze volwaardig kan worden meegerekend voor infiltratiemogelijkheden. Tabel met benadering van de verhardingsoppervlakten per bouwveld
Gevoeligheidsfactor volgens digitale kaart ‘Weging van het waterbelang’ van waterschap De Dommel (projectgebied blauw omlijnd)
Op basis van een op locatie uitgevoerd bodemonderzoek1 blijkt de bovengrond tot maximaal 1,0 m -mv voornamelijk te bestaan uit zwak tot matig humeus, matig tot sterk siltig, matig fijn zand. De bovengrond bevat daarbij sporen van puin. De ondergrond bestaat overwegend uit matig siltig, matig fijn zand. Vanaf ongeveer 2,0 meter beneden maaiveld worden in de ondergrond op wisselende diepten en variërend in dikte (0,5 m en 1,0 m) sterk zandige leem lagen aangetroffen. De ledigingscapaciteit of ledigingstijd wordt naast de doorlatendheid van de bodem mede bepaald door het infiltratieoppervlak van een voorziening. De ledigingstijd is de tijd die nodig is om een hemelwatervoorziening te ledigen wanneer het volledig gevuld is. De waterdoorlatendheid is in-situ (nog) niet onderzocht. Op basis van de aangetroffen bodemopbouw en beschikbare ruimte binnen het plan worden echter vooralsnog geen problemen verwacht met de lediging van een toekomstig hemelwatersysteem. Indien er bij de nadere uitwerking van het project voor wordt gekozen om water in de bodem te laten infiltreren, bijvoorbeeld door middel van een IT-riool, infiltratiekratten of een wadi, dan dient de
1 Tritium Advies: Verkennend en nader bodem- en asbestonderzoek ‘Kloostertuin te Nuenen’ (2112/162/TB-01, versie 0)
52/74
waterdoorlatendheid te worden onderzocht van de locaties waar hemelwater wordt geïnfiltreerd. Bij het ontwerp van geschikte infiltratievoorzieningen dient rekening gehouden te worden met bestaande en te verplaatsen / herplanten bomen. Voor afvalwater geldt dat dit gescheiden van het hemelwater aan de grens van het projectgebied wordt aangeboden en wordt aangesloten op het bestaande rioolsysteem. Als gevolg van de ontwikkeling zal het aanbod van vuilwater wijzigen. Voor de berekening van het toekomstige aanbod, is voor de berekening uitgegaan van een gemiddeld verbruik van 120 liter per dag geproduceerd per IE. Per woning wordt worst-case uitgegaan van een gemiddelde woningbezetting van 2,5 bewoners (feitelijk zal het gaan om kleinere huishoudens, zoals starters en senioren). Dit betekent dat er dus 2,5 x 120 liter = 300 liter per dag per woning wordt geloosd. Conform het planontwerp zullen er in totaal maximaal 115 woningen worden gerealiseerd. Dit komt overeen met een aanbod c.q. toename van 34,5 m³/dag. De berekening is gebaseerd op basis van aannames en betreft derhalve een indicatie van hoeveelheden. De mogelijkheden en wijze van aansluiting zal in overleg met de gemeente bij de verdere uitwerking van het plan getoetst worden.
Om een en ander juridisch te waarborgen richting de opvolgende fase van de bopa, worden de volgende voorschriften aan de vergunning verbonden: • Voor wat betreft het aspect (afval- en hemel)water dient vooraf een plan van aanpak te worden gemaakt. Dit plan van aanpak dient ter beoordeling aan het bevoegd gezag te worden voorgelegd; • Afvalwater moet worden gescheiden van hemelwater, waarbij het afvalwater aan de grens van het projectgebied op het gemeentelijk riool wordt aangesloten; • Binnen het projectgebied moet worden voorzien in de waterberging voor hemelwater wat op verhard oppervlak neerkomt. Daarbij geldt de rekenregel: benodigde capaciteit = verhard oppervlak x 0,06; • Indien er gekozen wordt voor een infiltratievoorziening op of beneden maaiveld, zoals natuurlijke laagtes, wadi’s, infiltratiekratten en/of IT-riool, dan dient door middel van doorlatendheidsonderzoek onderzocht te worden of de bodem hiervoor geschikt is. Tevens dient rekening te worden gehouden met bestaande, te verplaatsen of te herplanten bomen. 5.8.3 Conclusie Het project past binnen de geldende instructieregels voor water. Voor de opvolgende fase van deze buitenplanse omgevingsplanactiviteit worden enkele voorschriften meegegeven voor de realisatie van voldoende waterberging op eigen terrein en het scheiden van hemel- en afvalwater.
5.9
Gezondheid
5.9.1 Instructieregels Een doel van de Omgevingswet is het beschermen van de gezondheid (artikel 2.1, lid 3, onder b). In lid 4 benadrukt de wet dat bij het stellen van regels met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties in ieder geval rekening gehouden met het belang van het beschermen van de gezondheid. Een deel van de in dit hoofdstuk beschreven omgevingsaspecten heeft een gezondheidscomponent, waarbij het in de meest gevallen gaat om gezondheidsbescherming. Bij de afweging van de gezondheidsgevolgen kunnen ook gezondheidsbevorderende aspecten een rol spelen zoals bijvoorbeeld een groene leefomgeving, ruimte voor beweging, beschikbaarheid /toegankelijkheid van voorzieningen en sociale cohesie. Met het oog op dit doel heeft gemeente Nuenen c.a. in haar omgevingsvisie ten aanzien van gezondheid een aantal ambities vastgesteld gericht op gezondheidsbescherming en gezondheidsbevordering.
53/74
5.9.2 Toetsing Gezondheidsbescherming Een deel van de hiervoor beschreven omgevingsaspecten heeft een gezondheidscomponent, waarbij het in de meest gevallen gaat om gezondheidsbescherming. Op deze plaats volstaat kort de conclusie dat er gelet op de gestelde normen voor geen enkel omgevingsaspect (bijv. bodemkwaliteit, luchtkwaliteit, geluidhinder, geurhinder) belemmeringen zijn voor woningbouw op de projectlocatie. Aanvullend is het goed om kort in te gaan op de volgende gezondheidsrisico’s: • Geitenhouderijen: Op basis van verschillende onderzoeken (Veehouderij en Gezondheid Omwonenden (VGO)) is aangetoond dat er verhoogde gezondheidsrisico's (verhoogde kans op longontsteking) zijn wanneer in de nabijheid (1,5 tot 2 kilometer) van een geitenhouderij wordt gewoond. Dit moet in overweging worden genomen in het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Het projectgebied ligt niet binnen 2 kilometer van een geitenhouderij. Zodoende vormt dit aspect dan ook geen belemmering voor het project of andersom. • Endotoxinen vanwege varkens- of pluimveehouderijen: Op basis van de notitie Handelingsperspectieven Veehouderij en Volksgezondheid: Endotoxinen toetsingskader 1.0 van Omgevingsdienst Zuidoost-Brabant (ODZOB) kan worden beoordeeld of er sprake is van een verhoogd volksgezondheidsrisico ten aanzien van varkenshouderijen en pluimveehouderijen.
Dit is met name het geval bij omschakeling naar, nieuwvestiging of uitbreiding van dergelijke bedrijven. Voor de omgekeerde werking (realisatie van een kwetsbaar object zoals een woning in de omgeving van een dergelijke veehouderij) kan gebruik worden gemaakt van de afstandsbepaling uit het toetsingskader. Op basis daarvan kan worden bepaald of sprake is van een aanvaardbaar woonen leefklimaat met betrekking tot endotoxinen. ODZOB adviseert om bij een situatie waarbij binnen een afstand van 250 meter van het te realiseren kwetsbare object een veehouderij is gelegen, de genoemde afstandsbepaling toe te passen. Als uit blijkt dat niet voldaan kan worden aan de afstand dan, adviseert ODZOB negatief te besluiten op de ontwikkeling. Het project is niet gelegen binnen 250 meter van een veehouderij met welke diersoort dan ook. • Spuitzones vanwege gewasbeschermingsmiddelen: In het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties moet een afweging worden gemaakt tussen het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen en de volksgezondheid. Als gevolg van die afweging kan het nodig zijn om een spuitvrije zone aan te houden tussen gevoelige functies zoals woningen en percelen waar gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt. In de directe omgeving van het projectgebied liggen geen gronden waar (mogelijk) sprake is van een spuitzone.
Spuitzones vormen dan ook geen belemmering voor dit project. Gezondheidsbevordering Bij de afweging van de gezondheidsgevolgen kunnen ook gezondheidsbevorderende aspecten een rol spelen zoals bijvoorbeeld een groene leefomgeving, ruimte voor beweging, beschikbaarheid en toegankelijkheid van voorzieningen en sociale cohesie. In subparagraaf 4.4.1 is het thema gezondheid in relatie tot de voorgenomen ontwikkeling reeds behandeld in het kader van de Omgevingsvisie Nuenen. Op deze plaats volstaat daarom een verwijzing naar die subparagraaf met de conclusie dat met dit project in voldoende mate rekening is gehouden met het belang van het beschermen en het bevorderen van de gezondheid. 5.9.3 Conclusie Met dit project wordt voldoende rekening gehouden met het aspect gezondheid, zowel voor wat betreft bescherming als bevordering.
54/74
5.10 Luchtkwaliteit 5.10.1 Instructieregels Als een bopa betrekking heeft op een milieubelastende activiteit die leidt tot een verhoging van de concentratie in de buitenlucht van luchtverontreinigende stoffen, kan deze alleen worden verleend als de omgevingswaarden voor deze stoffen in acht worden genomen (artikel 8.17 Bkl). Dit wil zeggen dat deze omgevingswaarden niet mogen worden overschreden. De kans op overschrijding is met name aanwezig als een activiteit in of nabij een aandachtsgebied plaatsvindt. In deze gebieden (aangewezen in artikel 5.51, lid 2, van het Bkl) bestaat een reële kans op (een dreigende) overschrijding van een omgevingswaarde. Onderzoek zal moeten uitwijzen of de activiteit daadwerkelijk leidt tot een overschrijding van de omgevingswaarden. Onderzoek is niet nodig als de activiteit niet in betekenende mate bijdraagt aan een verslechtering van de luchtkwaliteit. Dit is het geval als activiteiten leiden tot een verhoging van de kalenderjaargemiddelde concentratie in de buitenlucht van zowel stikstofdioxide als PM10 van 1,2 μg/m³ of minder. Daarnaast zijn in artikel 5.54 Bkl standaardactiviteiten genoemd die niet in betekenende mate bijdragen. Als een activiteit niet in betekenende mate bijdraagt aan een verslechtering van de luchtkwaliteit, dan is het omgevingsaspect luchtkwaliteit geen belemmering.
5.10.2 Toetsing Dit project voorziet in het saneren van een bedrijfslocatie om plaats te maken voor ‘gebouwen met een woonfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan’. In artikel 5.54 Bkl is bepaald dat een dergelijke activiteit niet in betekenende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit als het gaat om: • één ontsluitingsweg: ten hoogste maximaal 1.500 woningen, of • twee ontsluitingswegen: ten hoogste maximaal 3.000 woningen. Het project voorziet in de realisatie van maximaal 115 woningen aan een of meerdere bestaande ontsluitingsweg(en). Vanwege de omvang van het project kan deze worden aangemerkt als ‘niet in betekenende mate bijdragend’. Gemeente Nuenen is echter gelegen binnen een aandachtsgebied die wordt gemonitord voor fijnstof (PM10) en stikstofdioxide (NO2). Daarom dient de bijdrage aan luchtkwaliteit te worden berekend met behulp van de NIBM-tool. NIBM-berekening Met behulp van de NIBM-tool kan worden aangetoond dat het project ‘niet in betekenende mate’ bijdraagt aan de luchtkwaliteit. Daarbij zijn, om uit te gaan van een ‘worstcasescenario’, de volgende invoergegevens gebruikt: • Jaar van planrealisatie: 2026 • Extra voertuigbewegingen (weekdaggemiddelde): o Er is niet gerekend met extra motorvoertuigbewegingen ten opzichte van de huidige planologische situatie, maar met de totale verkeersgeneratie van de beoogde situatie.
o In paragraaf 5.2.2 is de verkeersgeneratie van de toekomstige situatie bepaald op 462,2 mvt/etmaal (weekdaggemiddelde). • Aandeel vrachtverkeer: 5 % (logischerwijs ligt dit percentage in werkelijkheid veel lager) Uit onderstaande weergave van de ingevulde NIBM-tool volgt dat de ontwikkeling niet in betekenende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit.
55/74
CIMLK-beoordeling Naast een beoordeling van de bijdrage aan de luchtkwaliteit door de activiteit zelf is het ook nodig om te beoordelen of de nieuwe functie aan de betreffende locatie kan worden toegewezen gelet op de achtergrondconcentratie van luchtverontreinigende stoffen. Dit kan worden beoordeeld met behulp van het Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit (CIMLK). In artikel 2.4 en 2.5 van het Bkl staan de ten hoogste toelaatbare omgevingswaarden benoemd. Gemeente Nuenen heeft geen afwijkende omgevingswaarden vastgesteld, waardoor aan de wettelijke normen moet worden getoetst.
Uitsnede CIMLK-viewer, met het projectgebied blauw omlijnd, het dichtstbijzijnde toetspunt (1) in blauw en het toetspunt met de hoogste waarden (2) rood.
Hierboven is een uitsnede opgenomen van de CIMLK-viewer waarop te zien is waar de meest relevante toetspunten zich bevinden ten opzichte van het projectgebied. De figuur geeft de NO2-concentratie weer in de meest recente monitoringsronde en het meest nabijgelegen monitoringsjaar. Eenzelfde uitsnede kan worden gemaakt van andere monitoringsronden, monitoringsjaren en luchtverontreinigende stoffen (per monitoringsjaar en monitoringsronde), maar het is niet zinvol om hiervoor steeds afzonderlijk een figuur op te nemen. Wel is het van belang om de relevante concentraties te beoordelen. In
56/74
onderstaande tabel zijn voor het dichtstbijzijnde toetspunt en de meest actuele monitoringsronde de omgevingswaarden in beeld gebracht voor de meest relevante luchtverontreinigende stoffen. Toetspunten
1) Park, Nuenen ca (x: 166168.565328021 ; y: 387240.434671979) 2) Parkstraat, Nuenen ca (x: 166214.273770973; y: 387295.943105909)
Monitoringsronde:
2024
Monitoringsjaar
NO2-concentratie in µg/m³
PM10-concentratie in µg/m³
PM10-overschrijdingsdagen
PM2,5-concentratiein µg/m³
Toetspunt
Punt 1
Punt 2
Punt 1
Punt 2
Punt 1
Punt 2
Punt 1
Punt 2
2025
14,56
14,22
15,38
15,32
6
6
8,76
8,64
2030
12,01
11,75
14,28
14,23
6
6
7,74
7,72
Maximaal toelaat-
40 µg/m³
40 µg/m³
35
25 µg/m³
baar (art. 2.4 en 2.5 Bkl)
kalenderjaargemiddelde
kalenderjaargemiddelde
dagen per kalenderjaar
kalenderjaargemiddelde
Uit voorgaande tabel blijkt dat de concentraties luchtverontreinigende stoffen de in het Bkl vastgestelde omgevingswaarden niet overschrijden. Zodoende is het gelet op de luchtkwaliteit aanvaardbaar de functie wonen met bijbehorend terrein aan de projectlocatie toe te delen. 5.10.3 Conclusie Het project levert niet in betekenende mate een bijdrage aan de luchtkwaliteit. De luchtkwaliteit in de omgeving is bovendien aanvaardbaar voor de nieuwe functies. Het project is niet in strijd met instructieregels voor luchtkwaliteit en het is niet nodig om voor dit aspect voorschriften aan de omgevingsvergunning te verbinden.
5.11 Geluid door activiteiten 5.11.1 Instructieregels Bij een nieuwe ontwikkeling moet rekening worden gehouden met het geluid van activiteiten met gebruiksruimte op geluidgevoelige gebouwen. Dat geldt voor het toestaan van activiteiten met gebruiksruimte nabij geluidgevoelige gebouwen, maar ook andersom ook voor het mogelijk maken van geluidgevoelige gebouwen nabij bestaande activiteiten met gebruiksruimte. Van belang is dat enerzijds de geluidbelasting ter plaatse van geluidgevoelige gebouwen aanvaardbaar is en blijft, anderzijds dat de gebruiksruimte van activiteiten in beginsel ongemoeid wordt gelaten. Voor de beoordeling van geluidhinder afkomstig van activiteiten moet rekening worden gehouden met verschillende soorten geluidhinder, namelijk: • Geluidhinder afkomstig van één of meerdere activiteiten op een locatie (directe hinder); • Maximale geluidhinder; dit zijn de piekniveaus die optreden als gevolg van activiteiten op een locatie. In Artikel 5.65 Bkl zijn voor geluid door activiteiten, anders dan door specifieke activiteiten zoals windturbines of militaire activiteiten, standaardwaarden en grenswaarden opgenomen voor het toelaatbare geluid op een geluidgevoelig gebouw en in geluidgevoelige ruimten binnen in- en aanpandige geluidgevoelige gebouwen.
Deze waarden zijn van toepassing op nieuwe geluidbelastende activiteiten, maar omgekeerd ook op het toevoegen van nieuwe geluidgevoelige objecten nabij een geluidbelastende activiteit. Het geluid door een activiteit is aanvaardbaar als wordt voldaan aan de waarden als aangegeven in onderstaande tabellen: Standaardwaarden toelaatbaar geluid op een geluidgevoelig gebouw LAr,LT als gevolg van activiteiten LAmax door aandrijfgeluid van transportmiddelen
57/74
07.00-19.00 uur
07.00-19.00 uur
07.00-19.00 uur
50 dB(A)
45 dB(A)
40 dB(A)
--
65 dB(A)
65 dB(A)
LAmax door andere piekgeluiden
--
65 dB(A)
65 dB(A)
07.00-19.00 uur
07.00-19.00 uur
07.00-19.00 uur
35 dB(A)
30 dB(A)
25 dB(A)
LAmax door aandrijfgeluid van transportmiddelen
--
55 dB(A)
55 dB(A)
LAmax door andere piekgeluiden
--
45 dB(A)
45 dB(A)
Standaardwaarden toelaatbaar geluid in geluidgevoelige ruimten LAr,LT als gevolg van activiteiten
5.11.2 Toetsing Rondom het project komen diverse niet-woonfuncties voor, zoals cultureel centrum Het Klooster en het centrum van Nuenen met diverse voorzieningen ten zuidoosten, een supermarkt ten zuiden, maatschappelijke functies ten westen, detailhandel ten noorden en dienstverlening ten oosten van het projectgebied. De functies zijn ofwel feitelijk aanwezig, ofwel planologisch toegestaan. Bij de toevoeging van de nieuwe woningen binnen het projectgebied moet dan ook rekening worden gehouden met de (milieu)gebruiksruimte van deze functies. Daarom is een onderzoek uitgevoerd naar de niet-woonfuncties en (milieubelastende) activiteiten in de omgeving van het projectgebied. Dit onderzoek is als bijlage bij deze onderbouwing gevoegd. Hierna volgen de belangrijkste bevindingen. In dit akoestisch onderzoek industrielawaai heeft voor een aantal functies in de omgeving een kwantitatieve onderbouwing plaatsgevonden waarom deze geen belemmering vormen voor de beoogde ontwikkeling. Ten aanzien van een aantal andere bronnen heeft een kwalitatief onderzoek plaatsgevonden waarbij de geluidsniveaus zijn berekend op de geprojecteerde bouwvlakken uit het masterplan. Daarbij is uitgegaan van volledige vulling van de bouwvlakken en het maximaal aantal bouwlagen.
Uit de rekenresultaten voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau blijkt dat overal aan de randen van de bouwvelden en op iedere bouwlaag wordt voldaan aan de geluidwaarde(n) van 50 dB(A) in de dagperiode, 45 dB(A) in de avondperiode en 40 dB(A) in de nachtperiode. Gesteld kan worden dat de geprojecteerde woningen geen overlast zullen ondervinden van de omliggende activiteiten. Op alle woningen en bouwhoogtes is sprake van een aanvaardbaar geluidniveau. Uit de rekenresultaten voor de maximale geluidsniveaus blijkt dat ter plaatse van geluidgevoelige gebouwen overal wordt voldaan aan de geluidwaarde(n) van 70 dB(A) in de dagperiode en 65 dB(A) in de avondperiode. Uit de rekenresultaten blijkt verder dat in de nachtperiode alleen in het zuidoostelijke bouwveld nabij het Klooster niet aan de geluidwaarde van 60 dB(A) wordt voldaan. Hier zijn op de randen van het bouwveld op de bovenste bouwlagen geluidwaarden berekend tot afgerond 61 dB(A). De verhoogde geluidwaarden worden veroorzaakt door het optrekken en/of ontsnappen van remlucht bij vrachtwagens in de nachtperiode bij een nabijgelegen bron. Bij de nadere uitwerking van de bouwplannen dient rekening te worden gehouden met deze geluidbelasting. In het geluidsrapport zijn meerdere oplossingen genoemd.
Echter, de meest doelmatige is om het gebouw in dit bouwveld dusdanig te ontwerp dat de woningen op de bovenste bouwlaag verder van de bron komen te liggen. Aan de omgevingsvergunning voor de bopa zal dan ook de voorwaarde worden verbonden dat een passende oplossing moet worden om een acceptabele geluidbelasting op de gevels en een acceptabel binnenniveau te kunnen garanderen. Er zijn diverse mogelijkheden om dit bereiken. 5.11.3 Conclusie Het project maakt geen nieuwe activiteit met mogelijke geluiduitstraling mogelijk. Uit akoestisch onderzoek blijkt dat bij de meeste bouwvelden geen geluidhinder te verwachten is. Alleen bij het meest zuidoostelijke bouwveld is, uitgaande van maximale vulling van het bouwveld en bouwvolume, op de bovenste bouwlagen een verhoogde piekbelasting gemeten in de nachtperiode. Bij de nadere uitwerking van het project dienen maatregelen te worden genomen om de geluidbelasting hier tot een acceptabel niveau te beperken. Dit wordt als voorschrift aan de vergunning verbonden.
58/74
5.12 Geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen 5.12.1 Instructieregels In een omgevingsplan wordt rekening gehouden met het geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen op geluidgevoelige gebouwen in een geluidaandachtsgebied en voorziet erin dat het geluid aanvaardbaar is. Het geluid is aanvaardbaar als wordt voldaan aan de standaardwaarden volgens navolgende tabel. Een overschrijding is mogelijk als er geen geluidbeperkende maatregelen kunnen worden getroffen om aan de standaardwaarden te voldoen, de overschrijding zoveel mogelijk wordt beperkt en er wordt voldaan aan de grenswaarden volgens navolgende tabel. Geluidbeperkende maatregelen worden in aanmerking genomen als die financieel doelmatig zijn en daartegen geen overwegende bezwaren van stedenbouwkundige, verkeerskundige, vervoerskundige, landschappelijke of technische aard bestaan. Verder wordt rekening gehouden met het belang van een geluidluwe gevel.
In een aantal gevallen kan een waarde hoger dan de grenswaarde aanvaardbaar worden geacht: • bij vervangende nieuwbouw maximaal 5 dB hoger dan de grenswaarde en het aantal geluidgevoelige gebouwen • met meer geluid dan de grenswaarde mag niet wezenlijk toenemen; • bij functiewijziging maximaal 5 dB hoger dan de grenswaarde (transformatie); • bij zeehavengebonden activiteiten maximaal 5 dB hoger dan de grenswaarde; • bij een niet-geluidgevoelige gevel met bouwkundige maatregelen; • bij een niet-geluidgevoelige gevel. Bij het overschrijden van de standaard- of grenswaarden wordt het gecumuleerde geluid beoordeeld en het gezamenlijk geluid bepaald en vastgelegd in het omgevingsplan (bij een bopa mag dit in een later stadium). 5.12.2 Toetsing Het projectgebied maakt zelf geen nieuwe weg, spoorweg of industrieterrein mogelijk. Het project maakt wel geluidgevoelige gebouwen mogelijk. Volgens ‘Geluidregister op de kaart’ ligt het projectgebied niet binnen een aandachtsgebied of geluidproductieplafond van een spoorweg, rijksweg, provinciale weg of industrieterrein.
59/74
Uitsnede van Geluidregister op de kaart, met het projectgebied blauw omcirkeld
Het projectgebied ligt wel binnen het aandachtsgebied van diverse lokale wegen, waaronder de omliggende wegen zoals de Weverstraat. Daarom is de gecumuleerde geluidbelasting ter plaatse beoordeeld. Dat is gedaan met behulp van de kaart Geluid in Nederland van de Atlas Leefomgeving. Uit navolgende uitsnede van deze kaart blijkt dat binnen de bouwvlakken, waarbinnen de nieuwe woongebouwen mogen worden opgericht, overal wordt voldaan aan de standaardwaarde van 53 dB voor gemeentewegen. Dit betekent dat een aanvaardbaar akoestisch klimaat kan worden gewaarborgd en dat voor alle woningen wordt voldaan aan de instructieregels uit het Bkl.
Uitsnede kaart ‘Geluid in Nederland’ van Atlas Leefomgeving, met het projectgebied blauw omlijnd en bouwvlakken rood omlijnd.
60/74
5.12.3 Conclusie Het project maakt geen nieuwe geluidsbron mogelijk. De akoestische situatie vanwege (gemeente)wegen in de omgeving is bovendien aanvaardbaar voor de nieuwe functies. Het project is niet in strijd met instructieregels voor geluid van (spoor)wegen en het is niet nodig om voor dit aspect voorschriften aan de omgevingsvergunning te verbinden.
5.13 Bodem 5.13.1 Instructieregels Uit de Omgevingswet volgt dat gemeenten primair verantwoordelijk zijn voor de zorg voor de fysieke leefomgeving, waaronder ook de zorg voor (de kwaliteit van) de bodem wordt verstaan. Het wettelijk instrumentarium onder de Omgevingswet is voor wat betreft de bodem gebaseerd op drie pijlers: 1. het voorkomen van nieuwe verontreiniging of aantasting (preventie); 2. het meewegen van bodemkwaliteit als onderdeel van een brede afweging van de kwaliteit van de fysieke leefomgeving in relatie tot functies (toedeling van functies); 3. het op duurzame en doelmatige wijze beheren van resterende historische verontreinigingen (beheer van historische bodemverontreinigingen). Om een bouwactiviteit op een bodemgevoelige locatie toe te staan, dient op grond van het Besluit kwaliteit leefomgeving (artikel 5.89i en 5.89j) aangetoond te worden dat de bodemkwaliteit geschikt is voor het beoogde gebruik. Een locatie is bodemgevoelig als hier een bodemgevoelig gebouw is toegelaten op grond van een omgevingsplan of omgevingsvergunning. Tot een bodemgevoelige locatie hoort ook een aaneengesloten terrein direct grenzend of toebehorend aan een bodemgevoelig gebouw, zoals een tuin of terrein.
Onder een bodemgevoelig gebouw wordt verstaan; een gebouw of een gedeelte van een gebouw dat de bodem raakt en waar personen meer dan twee uur per dag aaneengesloten aanwezig zijn. Om aan te tonen of de bodemkwaliteit geschikt is voor het beoogde gebruik is het uitvoeren van een verkennend bodemonderzoek als bedoeld in artikel 5.7b van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) noodzakelijk. Dit onderzoek moet uitwijzen of de locatie mag worden aangewend voor de beoogde ontwikkeling. Waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie zijn (op grond van artikel 5.89i Bkl) opgenomen in het omgevingsplan. Bij een overschrijding van een vastgestelde waarde is het bouwen van een bodemgevoelig gebouw alleen toegelaten als sanerende of andere beschermende maatregelen worden getroffen. 5.13.2 Toetsing De gemeente Nuenen c.a. heeft een bodemkwaliteitskaart en de bodemfunctieklassekaart vastgesteld als bijlage bij de Nota bodembeheer. Volgens de bodemfunctieklassenkaart geldt ter plaatse van het projectgebied de bodemfunctieklasse Wonen. Omdat dit project voorziet in woningbouw blijft de bodemfunctieklasse Wonen van toepassing. Er wordt dan ook niet afgeweken van de bodemkwaliteitskaart.
Voor de voorgenomen ontwikkeling heeft een verkennend en nader bodem- en asbestonderzoek en navolgend een nader asbestonderzoek plaatsgevonden. Beide onderzoeksrapporten zijn als bijlage bij deze onderbouwing gevoegd. Hierna volgen de voornaamste bevindingen. Verkennend en nader bodem- en asbestonderzoek Uit het verkennend bodem- en asbestonderzoek is naar voren gekomen dat in de matig puinhoudende bovengrond plaatselijk een sterke verontreiniging met PAK is aangetoond. Dit geeft aanleiding tot nader onderzoek. Verder zijn maximaal lichte verontreinigingen met cadmium, kwik, lood, zink, PCB en minerale olie en tevens lichte verontreinigingen met diverse organochloorbestrijdingsmiddelen (OCB) aangetoond. In het grondwater zijn lichte verontreinigingen met zink en xylenen aangetoond. De aangetoonde gehalten zijn dermate laag dat nader onderzoek hiernaar niet noodzakelijk wordt geacht.
61/74
Tijdens het nader bodemonderzoek is gebleken dat bij meerdere boringen zowel in de boven- als ondergrond sprake is van een sterke verontreiniging met PAK en incidenteel ook minerale olie. De aard en omvang van deze sterke verontreiniging is door middel van dit nader onderzoek globaal vastgesteld. De sterke verontreiniging is aangetoond over een oppervlakte van 115 m² tot een diepte van 1,5 m-mv. De omvang van de verontreiniging wordt geraamd op 115 m³. Gezien de mate en omvang van de verontreiniging in de grond kan worden afgeleid dat sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging. De verontreiniging is vermoedelijk te relateren aan de waargenomen bijmengingen in de grond met puin en kolengruis. De laag met bodemvreemd materiaal is met name in de ondergrond waargenomen en bevat grof puin en/of stenen. Mogelijk betreffen dit oude resten van gesloopte bebouwing of funderingsresten.
Situatietekening verkennend bodemonderzoek Tritium Advies, met rood omcirkeld het boorpunt waar de verontreiniging is aangetroffen
Verder is tijdens het nader bodemonderzoek in de kern van de sterke verontreiniging in de bovengrond asbestverdacht materiaal waargenomen. Het materiaal bevat chrysotiel en crocidoliet asbest. In de fijne fractie werd analytisch eveneens asbest (chrysotiel) aangetoond. In de grond is een maximaal gewogen asbestgehalte aangetoond van 658 mg/kg d.s. Omdat er sprake is van een verkennend bodemonderzoek betreft het een indicatief gehalte. Omdat het aangetoonde gehalte groter is dan de helft van interventiewaarde, kan niet worden uitgesloten dat de grond verontreinigd is met asbest. Nader onderzoek wordt noodzakelijk geacht voor het vaststellen van het daadwerkelijke asbestgehalte in de grond. Het nader bodemonderzoek geeft aanleiding om op de locatie, binnen het geval van ernstige bodemverontreiniging met PAK, een nader asbestonderzoek conform de NEN 5707 uit te voeren. Op deze wijze kan de omvang van het geval van ernstige bodemverontreiniging met PAK en mogelijk asbest beter in beeld worden gebracht. Om het terrein geschikt te maken voor het beoogde gebruik dient een bodemsanering te worden uitgevoerd. Ten behoeve hiervan dient een BUS-melding / saneringsplan opgesteld te worden en ter goedkeuring worden voorgelegd bij het bevoegde gezag Wet bodembescherming. De saneringswerkzaamheden dienen te worden uitgevoerd door een BRL 6000 gecertificeerde instelling en een BRL
62/74
7000 gecertificeerde aannemer. Deze saneringsplicht en voorwaarden waaronder de sanering dient te gebeuren wordt als voorschrift aan de omgevingsvergunning verbonden. De bodemkwaliteit binnen het overige gedeelte van het projectgebied vormt geen belemmering voor het beoogde gebruik en de herontwikkeling van de locatie tot woongebied. Wel dient bij de herontwikkeling rekening te worden gehouden met de mogelijke aanwezigheid van een ondergrondse brandstoftank binnen het projectgebied en het eventueel aanwezige geval van ernstige bodemverontreiniging met PAK en eventueel asbest. Nader asbestonderzoek Aanleiding voor dit onderzoek is het aantreffen van asbest in de bodem tijdens het eerdere verkennend en nader bodemen asbestonderzoek op de locatie. Doel van het onderzoek is het bepalen van het daadwerkelijke asbestgehalte om vast te stellen of de grond verontreinigd is met asbest en het vaststellen van de aard en omvang van de bodemverontreiniging met asbest. Zintuiglijk is op het maaiveld geen asbestverdacht materiaal aangetroffen. In de grond is zintuiglijk in het traject van 0,00 tot 1,00 m-mv wel asbestverdacht plaatmateriaal (fractie > 20 mm) waargenomen. Het materiaal betreft golfplaat, vlakke plaat en asbestcement en bevat 10-20% hechtgebonden chrysotiel asbest.
Verder zijn in de grond tot plaatselijk tot 1,50 mmv sporen tot sterke bijmengingen met puin en sporen glas aangetroffen. Analytisch is in de meest verdachte mengmonsters van de fijne fractie (< 20 mm) geen asbest aangetoond. Het maximale gewogen asbestgehalte bedraagt 8 mg/kg d.s. en is volledig te relateren aan het aangetroffen plaatmateriaal. Hiermee is voldoende aangetoond dat, binnen de I-contour van de PAK-verontreiniging, geen sprake is van een verontreiniging met asbest. In de sleuven ter verificatie van de gestaakte boring buiten de I-contour (PAK) bij het verkennend bodemonderzoek werden stukken beton aangetroffen op een diepte van circa 0,8 m-mv. Vermoedelijk is dit de reden van de destijds gestaakte boring. Verder werden hier, op wat sporen puin na, geen bijzonderheden in de bodem aangetroffen. Geconcludeerd kan worden dat ten behoeve van de saneringswerkzaamheden voor de PAK-verontreiniging geen aanvullende maatregelen ten aanzien van asbest vereist zijn. Voorafgaand aan de sanering dienen de noodzakelijke meldingen te worden verricht in het kader van de Omgevingswet. 5.13.3 Conclusie Het project maakt geen nieuwe functie of activiteiten mogelijk die schadelijk kunnen zijn voor de bodem- of grondwaterkwaliteit.
Uit bodem- en asbestonderzoek is gebleken dat de maximale toelaatbare kwaliteit van de bodem of de signaleringsparameter grondwatersanering dan wel de voorkeurswaarde grondwater (waarbij sprake is van een mobiele verontreinigingssituatie) wordt overschreden. De grondverontreiniging met PAK en minerale olie vormt een belemmering voor het toelaten van de bouwactiviteit op een bodemgevoelige locatie. Er is voldoende aannemelijk gemaakt dat er sanerend of beschermende maatregelen worden getroffen. Het uitvoeren van deze sanering en maatregelen wordt als voorschrift aan de vergunning verbonden.
5.14 Geur 5.14.1 Instructieregels Er zijn diverse sectoren waarbij geurhinder een rol kan spelen, zoals bij veehouderijen, industrie, horeca en (andere) milieubelastende activiteiten. In het kader van het beschermen van de gezondheid en het milieu dient op grond van het Bkl rekening te worden gehouden met de geur door activiteiten op gebouwen. Rekening houden met geur werkt twee kanten op: • bij het mogelijk maken van het verrichten van activiteiten in de buurt van gevoelige gebouwen;
63/74
•
bij het toelaten van geurgevoelige gebouwen in de buurt van bestaande geurveroorzakende bedrijven.
Voor een aantal activiteiten moet de gemeente geurregels opnemen in het omgevingsplan. Hiervoor staan instructieregels in het Bkl. Dit geldt voor rioolwaterzuiveringsinstallaties (RWZI), het houden van landbouwhuisdieren en andere agrarische activiteiten. Voor andere geurveroorzakende activiteiten kan de gemeente zelf kiezen welke geurregels ze in het omgevingsplan geurregels stelt. Vanwege de inwerkingtreding van de Omgevingswet zijn alle geldende bestemmingsplannen binnen een gemeente gezamenlijk het tijdelijke deel van het omgevingsplan geworden, totdat de gemeente één nieuw gebiedsdekkend omgevingsplan vaststelt. Tot het tijdelijke deel van het omgevingsplan hoort ook de geurverordening, mits de gemeente deze heeft vastgesteld. Tot slot behoort ook de zogenaamde bruidsschat tot het tijdelijke deel omgevingsplan. De bruidsschat bevat onder andere regels over geur door het houden van dieren, andere agrarische activiteiten, geur door het exploiteren van zuiveringstechnische werken en geur door het bereiden van voedingsmiddelen. In artikel 5.91 Bkl is vastgelegd welke gebouwen in ieder geval als geurgevoelig worden beschouwd (woonfuncties, onderwijsfuncties, gezondheidsfuncties met bedgebied, bijeenkomstfuncties voor kinderopvang met bedgebied en nevengebruiksfuncties van voorgenoemde functies).
Naast de hiervoor genoemde functies, kan het omgevingsplan andere geurgevoelige gebouwen of gedeelten van gebouwen aanwijzen, mits er hoofdzakelijk sprake is van verblijf van mensen (artikel 5.91, vierde lid, van het Bkl). Ook biedt het Bkl de mogelijkheid om in het omgevingsplan niet alleen gebouwen aan te wijzen als geurgevoelig, maar ook locaties waarbij hoofdzakelijk sprake is van verblijf van mensen (artikel 5.91, vijfde lid, van het Bkl). 5.14.2 Toetsing De voorgenomen ontwikkeling voorziet niet in een geurbelastende activiteit. Wel maakt het project woningen mogelijk, die volgens het Bkl geurgevoelig zijn. Hierna wordt dan ook getoetst of geur van activiteiten in de omgeving van invloed is op het woon- en klimaat ter plaatse van het projectgebied en of geurbelastende activiteiten met gebruiksruimte eventueel in hun belangen worden geschaad. In de omgeving komen geen relevante kleinschalige functies voor met milieugebruiksruimte voor geur of deze bevinden zich op een afstand groter dan 20 meter van de nieuwe woongebouwen. Ook ligt het projectgebied niet binnen het invloedsgebied van een industriële functie met milieugebruiksfunctie, RWZI of veehouderij. In het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties is het relevant om de achtergrondbelasting geur van veehouderijen te beschouwen.
Dit kan aan de hand van de kaart 'Achtergrondbelasting geur' van Omgevingsdienst Zuidoost-Brabant. Uit onderstaande afbeelding blijkt dat het projectgebied is gelegen binnen het concentratiegebied en dat de achtergrondbelasting ter plaatse als 'zeer goed' (< 3 ouE/m³) mag worden beschouwd.
64/74
Uitsnede digitale kaart Achtergrondbelasting geur van ODZOB, met projectgebied blauw omlijnd.
5.14.3 Conclusie Het project maakt geen nieuwe geurbron mogelijk. De geursituatie is ter plaatse van het projectgebied aanvaardbaar voor de nieuwe functies. Het project is niet in strijd met instructieregels voor geur en het is niet nodig om voor dit aspect voorschriften aan de omgevingsvergunning te verbinden.
5.15 Cultureel erfgoed 5.15.1 Instructieregels Cultureel erfgoed omvat archeologie, cultuurhistorie, monumenten, karakteristieke panden, beschermde gezichten, monumentale bomen, landschap en dergelijke. De essentie van het Europees beleid is dat voorafgaand aan de uitvoering van plannen onderzoek moet worden gedaan naar de aanwezigheid van waarden en daar in de ontwikkeling van plannen zoveel mogelijk rekening mee te houden. De essentie van deze wetgeving is behoud van archeologische resten zoveel mogelijk in de bodem en de bescherming van het cultureel erfgoed en landschap. Zo zijn er in het Bkl ten aanzien van de bescherming een aantal beginselen geformuleerd (art. 5.130 Bkl). Deze beginselen richten zich op de omgang met monumenten die op grond van het omgevingsplan zijn beschermd, archeologische monumenten, (voorbeschermde) rijksmonumenten, beschermde stads- en dorpsgezichten en beschermde cultuurlandschappen. Daarnaast zijn in afdeling 8.8 van het Bkl regels gesteld voor de beoordeling van een rijksmonumentenactiviteit en het verplaatsen van gebouwde monumenten. Het gemeentelijk beleid over archeologie en cultuurhistorie is vooruitlopend op de Ow opgenomen op de archeologische beleidskaart en de cultuurhistorische waardenkaart. Deze archeologische waarden en verwachtingen en de
65/74
cultuurhistorische waarden zijn veelal door vertaald in respectievelijk archeologische dubbelbestemmingen en cultuurhistorische dubbelbestemmingen opgenomen in het (tijdelijk) omgevingsplan of activiteitgericht in het gemeentebrede omgevingsplan. 5.15.2 Toetsing Archeologie Om het aspect archeologie te beoordelen zijn de volgende onderdelen van het Omgevingsplan gemeente Nuenen van belang: • Bestemmingsplan ‘Nuenen Centrum 2012’ • Erfgoedverordening 2023 gemeente Nuenen, Gerwen en Nederwetten c.a. (voor wat betreft het onderdeel archeologie, i.c. hoofdstuk 7) In het bestemmingsplan Nuenen Centrum 2012 heeft het projectgebied gedeeltelijk de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie middelhoog' en deels ‘Waarde – Archeologisch waardevol’. Aan die dubbelbestemmingen zijn regels gekoppeld die bepalen dat bij de aanvraag van een omgevingsvergunning voor het bouwen een archeologisch onderzoeksrapport benodigd is. Er zijn wel uitzonderingen gemaakt, maar die zijn niet van toepassing voor dit project. Daarom is voor het projectgebied een archeologisch onderzoek uitgevoerd. Dit onderzoek is bijgevoegd als bijlage bij deze onderbouwing. Archeologisch bureauonderzoek Uit het archeologisch onderzoek is naar voren gekomen dat er binnen het noordelijke en zuidelijke deel van het projectgebied een middelhoge tot hoge trefkans bestaat op het aantreffen van archeologische resten.
Daarom is geadviseerd om aanvullend archeologisch onderzoek uit te voeren in de vorm van waarderende proefsleuven. Dit onderzoek heeft inmiddels plaatsgevonden en de rapportage is bijgevoegd als bijlage bij deze onderbouwing. Archeologisch proefsleuvenonderzoek Het plangebied ligt pal achter een bestaand kloostergebouw, direct naast de historische kern van Nuenen. Landschappelijk gaat het om de ligging op een lage dekzandrug, tussen twee beekdalen op 500 m ten noorden en zuiden van het plangebied. Oorspronkelijk heeft hier een hoge zwarte enkeerdgrond bestaan, maar deze is in bijna het gehele plangebied afgetopt tot in de C-horizont. Dit is waarschijnlijk het gevolg van egaliseringen en de bouw en sloop van gebouwen in de 19e en 20e eeuw. De weinige archeologische resten in de vorm van enkele kuilen en greppels zijn in de meeste gevallen slecht bewaard, waarschijnlijk als gevolg van deze aftopping. Het weinige vondstmateriaal van aardewerk en glas dat is aangetroffen is goed bewaard en dateert uit de 19e en of 20e eeuw. De archeologische resten worden geïnterpreteerd als de relicten van een kloostertuin.
Op basis van de waardering van de aangetroffen resten, waarbij is gekeken naar zowel de fysieke als de inhoudelijke kwaliteit van de vindplaats, wordt geconcludeerd dat het gaat om een niet behoudenswaardige vindplaats, omdat zij slecht bewaard is, niet zeldzaam en daartoe weinig informatiewaarde bezit. Het selectieadvies luidt dan ook om het gebied vrij te geven. Gemeente Nuenen ca. heeft dit advies als bevoegd gezag overgenomen en besloten om het gebied vrij te geven. Cultuurhistorie Binnen het projectgebied komen geen gronden of objecten voor die zijn aangewezen als (voorbeschermd) Rijksmonument of gemeentelijk monument. Ook ligt het projectgebied niet binnen een volgens de provinciale omgevingsverordening aangewezen cultuurhistorisch waardevol gebied. Ten slotte ligt het gebied niet binnen een als zodanig in het (tijdelijk deel van het) omgevingsplan aangewezen beschermd stad- of dorpsgezicht. Wel ligt het projectgebied direct naast het Klooster, dat wel is aangewezen als Rijksmonument en gelegen is binnen beschermd stad en dorpsgezicht. Bovendien zijn de wegen rondom het projectgebied historisch geografische lijnen van redelijk hoge waarde.
66/74
Uitsnede Cultuurhistorische Waardenkaart 2024 provincie Noord-Brabant
In artikel 5.130 lid d van het Bkl is bepaald dat moet worden voorkomen dat de omgeving van rijksmonumenten wordt aangetast, voor zover die monumenten door die aantasting worden ontsierd of beschadigd. Ook moet worden voorkomen dat het karakter van beschermde stads- of dorpsgezichten door de sloop van bestaande gebouwen, de bouw van nieuwe gebouwen of andere belangrijke veranderingen wordt aangetast. Omdat de Kloostertuin vroeger deel uitmaakte van het klooster en dit klooster nu Rijksmonument is, moet worden beoordeeld in hoeverre het voorgenomen project het Rijksmonument ontsierd of beschadigd. Het is bovendien de ambitie van gemeente Nuenen om de cultuurhistorische waarden zo veel mogelijk een plek te geven in het project. Daarom heeft cultuurhistorisch onderzoek plaatsgevonden. Dit onderzoek is als bijlage bij deze onderbouwing gevoegd. Uit het onderzoek blijkt dat het projectgebied deel uitmaakt van een waardevol (religieus) cultuurhistorisch ensemble met als belangrijkste elementen de H. Clemenskerk met kerkhof en pastorie en het Klooster/ Sint Elisabethgesticht. In en rondom de Kloostertuin zijn nog veel elementen aanwezig, die herinneren aan het gebruik als kloostertuin en gebied waar onderwijs werd gegeven.
Gebleken is dat het gebruik van het gebied als park/ de heemtuin, het stenen muurtje dat diende ter afscheiding van de scholen van de Kloosterstraat en het transformatorhuisje een middelhoge tot hoge cultuurhistorische waarde hebben. Verder zijn verspreid op het terrein diverse bijzondere solitaire bomen en boomgroepen aanwezig die, mits ze in goede gezondheid verkeren, eveneens een hoge cultuurhistorische waarde hebben. Hiervoor wordt verwezen naar de bomen effect analyse in paragraaf 5.3 van deze motivering). Daarnaast is in en rondom het projectgebied de oude ruimtelijke structuur bewaard gebleven in de vorm van het wegenpatroon en de ‘oude’ verkaveling. Bij het toekennen van de bouwvelden in het Masterplan is rekening gehouden met de waardevolle boomgroepen en structuren binnen het projectgebied. Het gebied moet zijn kwaliteiten als park / tuin behouden en het transformatorhuisje en stenen muurtje langs de Kloosterstraat dienen behouden te blijven. Dit wordt als voorwaarde aan de vergunning gekoppeld.
67/74
5.15.3 Conclusie Het project is niet in strijd met instructieregels voor cultureel erfgoed. Uit archeologisch onderzoek is naar voren gekomen dat delen van het projectgebied nader onderzocht moeten worden. Dit is met een voorschrift aan de vergunning juridisch gewaarborgd. In de fase van het Masterplan is al rekening gehouden met cultuurhistorisch waardevolle boomgroepen en structuren binnen en rondom het projectgebied. Het behoud van het transformatorgebouw, het stenen muurtje en de inrichting van het gebied als park / tuin wordt als voorwaarde aan de vergunning verbonden.
5.16 Ladder voor duurzame verstedelijking 5.16.1 Instructieregels De ladder voor duurzame verstedelijking is een instructieregel voor zorgvuldig ruimtegebruik en tegengaan van leegstand. Artikel 5.129g Bkl regelt dat bij een wijziging van het omgevingsplan voor een nieuwe stedelijke ontwikkeling toepassing van de ladder is vereist. Artikel 8.0b Bkl bepaalt dat deze instructieregel ook geldt voor een bopa. Bij een stedelijke ontwikkeling die bestaat uit de ontwikkeling of uitbreiding van een bedrijventerrein, een zeehaventerrein, een woningbouwlocatie, kantoren, een detailhandelsvoorziening of een andere stedelijke voorziening en die voldoende substantieel is, wordt met het oog op het belang van zorgvuldig ruimtegebruik en het tegengaan van leegstand rekening gehouden met de behoefte aan die stedelijke ontwikkeling. Artikel 5.129g Bkl legt hiervoor geen grens vast. Geldende jurisprudentie onder de Wro/Bro is vanaf 12 woningen, een functiewijziging met een oppervlak groter dan 500 m² bvo, meer dan 500 m² bvo bebouwing of een functie die gelet op de ruimtelijke uitstraling een stedelijke ontwikkeling is. Leegstand mag volgens jurisprudentie niet 'onaanvaardbaar' zijn.
Als die stedelijke ontwikkeling is voorzien buiten het stedelijk gebied of buiten het stedelijk groen aan de rand van de bebouwing van stedelijk gebied moet ook rekening worden gehouden met de mogelijkheden om binnen dat stedelijk gebied of binnen dat stedelijk groen aan de rand van de bebouwing van stedelijk gebied in die behoefte te voorzien. De grens van het stedelijk gebied wordt bepaald door de omstandigheden van het geval, de specifieke ligging, de feitelijke situatie, het omgevingsplan en de aard van de omgeving. Als wordt voorzien in de vestiging van een dienst als bedoeld in artikel 1 van de Dienstenwet en de beoordeling van de behoefte aan een stedelijke ontwikkeling heeft betrekking op de economische behoefte, de marktvraag of de mogelijke of actuele economische gevolgen van die vestiging, heeft de beoordeling alleen tot doel na te gaan of de vestiging van een dienst in overeenstemming is met een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. 5.16.2 Toetsing Het project is een nieuwe stedelijke ontwikkeling in de zin van de ladder voor duurzame verstedelijking. In totaal zijn maximaal 115 woningen in ten hoogste vijf woongebouwen voorzien. Het project is gelet op de geldende jurisprudentie voldoende substantieel. Het projectgebied omvat enkele bestaande bouwpercelen binnen bestaand stedelijk gebied, omringd door bebouwing met andere stedelijke functies.
Er zal in toekomstige situatie gezien de grote woningbehoefte geen sprake zijn van onaanvaardbare leegstand. Regionale bevolkings- en woningbehoefteprognose en monitoring Voor het woningbouwprogramma van de gemeente Nuenen c.a. is de provinciale 'Bevolkings- en woningbehoefteprognose Noord-Brabant richtinggevend. Hierin wordt de kwantitatieve woningbehoefte geraamd op het toevoegen van 650 woningen in de periode 2023 tot en met 2035. Versnelling van de woningbouw en (vervolgens) vasthouden van het bouwtempo is een belangrijke doelstelling van de Brabantse Agenda Wonen.
68/74
Indicatie toename woningvoorraad (Bron: De bevolkings- en woningbehoefteprognose Noord-Brabant, actualisering 2023' (nov.2023))
Uit de actuele ‘Monitor bevolking en wonen (december 2024)’ blijkt dat de benodigde capaciteit in de gemeente Nuenen c.a. in de periode 2024 t/m 2033 640 woningen is (prognose + vervangingsopgave). Het voorgenomen project is in de monitoring opgenomen als zachte plancapaciteit. Er is harde plancapaciteit voor 975 woningen. Dit betekent dat de gemeente kan bijdragen aan de regionale opgave. In de periode 2024-2028 zijn 1.200 woningen gepland, waarvan 64% in het betaalbare segment. Hieronder vallen de sociale huurwoningen, middeldure huurwoningen en koopwoningen tot €390.000,-. De woningen voor de periode 2029 t/m 2033 zijn nog niet in een categorie ingedeeld. Samengevat is in Nuenen c.a. behoefte aan het toevoegen van 650 woningen in de periode 2023 tot en met 2035. Er is harde plancapaciteit voor circa 975 woningen. Met dit project worden 115 woningen zachte plancapaciteit omgezet naar harde plancapaciteit. Hiermee kan invulling worden gegeven aan de regionale behoefte. 5.16.3 Conclusie Met dit project worden maximaal 115 gestapelde woningen gerealiseerd. Uit het afsprakenkader SGE 2022 (zie paragraaf 4.3.3) blijkt dat er in de gemeente tot 2030 behoefte is aan 665 woningen tot 2030. Volgens de actuele ‘Monitor bevolking en wonen gaat het momenteel om 640 woningen.