CConstaterende datNuenen
Koppel je AI →
Document · PDF

Kloostertuin - Bopa

Gemeenteraad 9 oktober 2025, gemeente NuenenBij agendapunt: Buitenplanse Omgevingsplanactiviteit (BOPA) woningbouw Kloostertuin28.482 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

28/74

3. Geluid en trilling: Ook voor geluid en trillingen geldt het ‘stand still’ principe; de geluids- en trillingenhinder mag per saldo niet verslechteren. De landelijke wettelijke norm geldt als maximum. 4. Bodem en grondwater: Bij toekomstige ontwikkelingen en beleidsuitwerking moet het bodem- en watersysteem integraal worden meegewogen als onderdeel van een gezonde leefomgeving, zowel in relatie tot andere beleidsthema’s (zoals verdroging, wateroverlast, eutrofiëring, maar ook aan de gevolgen van het gebruik van de bodem voor aardwarmte) als in relatie tot ketenpartners (waterschappen) en buurgemeenten. 5. Bewegen: De ambitie is dat de fysieke leefomgeving voor alle inwoners zo uitnodigend mogelijk is om in te bewegen. Binnen de kernen heeft de gemeente een taak door bijvoorbeeld het toevoegen van (vrij liggende) fietspaden, een fiets- en wandelvriendelijk centrum, wandelafstanden bij parkeernormen, beweegmogelijkheden binnen het groen en andere (openbare) ruimten, en meer speel- en sportplekken voor jongeren en kinderen. 6. Groen en rust: Groen en rust hebben een positief effect op de gezondheid. Een groene omgeving helpt daarnaast ook de toekomstige risico’s van klimaatverandering op te vangen, zoals hittestress en waterveiligheid. Nieuwe ontwikkelingen in de gemeente Nuenen mogen deze kwaliteiten (net als de andere kwaliteiten) niet onevenredig schaden. 7.

Goede voorzieningen en woningen: Inwoners moeten zo lang mogelijk zelfstandig kunnen blijven wonen. Er moeten voldoende woningen zijn waarbij dat kan, met passende voorzieningen. Daarbij is specifieke aandacht voor ouderen, jongeren (starters) en Sinti. 8. Sociale gezondheid: Zelfredzaamheid en sociale cohesie zijn van belang. De gemeente zet zich samen met verenigingen, ondernemers en maatschappelijke organisaties in om dit zo veel mogelijk te ondersteunen en stimuleren. Vitale samenleving Gemeente Nuenen c.a. gaat voor een vitale samenleving, waar mensen gezond kunnen leven en mee kunnen doen. Dit is een thema waarbij de meeste initiatieven vanuit de samenleving zelf moeten komen. De gemeente gaat gezondheid en elkaar ontmoeten wel stimuleren. Hiervoor maken we de volgende keuzes. De meeste keuzes zijn ook al onder het thema gezondheid naar voren gekomen, daarom worden ze hier beknopt weergegeven: • Faciliteren van initiatieven uit de samenleving voor een vitale samenleving waarin iedereen mee kan doen. • Behouden, verbeteren en benutten van voorzieningen en accommodaties. • Openbare ruimte inzetten voor spelen, bewegen en ontmoeten. • Ruimte voor evenementen (met aandacht voor inclusiviteit en de omgeving). • Aandacht voor sociale veiligheid.

Toetsing Nadat het gebied Kloostertuin omstreeks 2012 na de sloop van de schoolgebouwen is vrijgekomen, is in 2022 de planvorming gestart om op deze locatie woningbouw te plegen. Het betreft een transformatie/inbreidingslocatie, waarbij een bestaand maar weliswaar braakliggend bouwperceel wordt omgezet naar een nieuw woongebied. De locatie leent zich uitstekend voor woningbouw vanwege de centrale ligging binnen de kern Nuenen de nabijheid van voorzieningen. Dit maakt de locatie niet alleen voor reguliere woningzoekenden interessant, maar ook voor de doelgroep senioren. Het uitgangspunt is dat de ontwikkeling voldoet aan de regionale Woondeal en zodoende minimaal 30% sociale huur bevat en tweederde van het programma betaalbaar moet zijn. Het aanbod richt zich voor ongeveer de helft op jongeren /starters en ongeveer de helft op senioren. De groene omgeving in dit gebied is een kernwaarde die behouden moet blijven. Om met behoud van het groen en bomen een flinke hoeveelheid woningen te kunnen bouwen is ervoor gekozen om geen grondgebonden woningen te bouwen, maar vier tot vijf bouwvolumes met drie tot vijf bouwlagen. Hoger is niet wenselijk, omdat dit op deze plek afbreuk zou doen aan het dorpse karakter van Nuenen. Bij de realisatie van de woningen en de inrichting van de openbare ruimte wordt veel aandacht besteed aan duurzaamheid, energie en klimaatadaptatie.

De woningen dienen te voldoen aan het predicaat BENG en dat vereist duurzame toepassingen zoals zonnepanelen, warmtepompen en goede isolatie. Door zo min mogelijk (gesloten) verharding toe te passen wordt ervoor gezorgd dat water de kans krijgt in de bodem te infiltreren en samen met de aanwezigheid van veel bomen en groen wordt hiermee hittestress voorkomen.

29/74

Het groen krijgt met gerichte ingrepen een kwaliteitsimpuls. Het bestaande groen heeft nu een openbaar karakter, maar feitelijk is er sprake van een bouwperceel. Het betreft immers een locatie waar waarheen enkele schoolgebouwen stonden en waarop nog steeds planologische mogelijkheden voor maatschappelijke bebouwing rusten. Met een nulmeting bomen (zie paragraaf 5.3) is de kwaliteit en levensvatbaarheid van bomen in beeld gebracht en is tevens een uitspraak gedaan over de ecologische waarden. Bij het bepalen van de bouwvelden is dit in acht genomen. Bij het verder ontwerp van het bouwplan moet rekening worden gehouden met de bomen op het terrein door het uitvoeren van een Bomeneffectanalyse (zie paragraaf 5.3). Tussen en rondom de woongebouwen wordt een park gecreëerd met wandelpaden en aanleiding tot ontmoeten, spelen en bewegen. Dit draagt niet alleen bij aan het versterken van de ecologische en landschappelijke waarde van het gebied, maar ook aan klimaatadaptieve ambities en het welzijn en daarmee de gezondheid van bewoners en omwonenden. In het volgende hoofdstuk van deze onderbouwing wordt verder ingegaan op de gevolgen van de ontwikkeling voor de fysieke leefomgeving.

Daarbij wordt voor alle relevante omgevingsaspecten (waaronder verkeersveiligheid, externe veiligheid, luchtkwaliteit, geluid, trillingen, geur, en bodem- en grondwater) afgewogen dat met de voorgenomen ontwikkeling sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan de betreffende locatie. Gelet op het voorgaande wordt bij de voorgenomen ontwikkeling rekening gehouden met alle thema's uit de Omgevingsvisie Nuenen. De ontwikkeling past dan ook binnen de uitgangspunten van deze visie. 4.4.2 Programma Wonen 2020-2030 In dit programma dat in juli 2020 is vastgesteld, wordt onder andere aangegeven wat de woningvoorraad nodig heeft: • Kleiner, betaalbaarder, levensloopgeschikter; • Nieuwbouw zorgt voor doorstroming; • Kwaliteit boven aantallen, wel versnellen; • Nieuwbouw is levensloopgeschikt en energieneutraal. In het Programma Wonen is het volgende toetsingskader voor nieuwe woningbouwplannen opgenomen, op basis waarvan wordt afgewogen of medewerking kan worden verleend. In het linkerdeel van het schema staan enkele voorwaarden waar een woningbouwlocatie aan moet voldoen om überhaupt in aanmerking te kunnen komen voor medewerking door de gemeente. In het rechterdeel staan vervolgens enkele kwalitatieve randvoorwaarden genoemd waar de nieuwbouw aan moet voldoen.

30/74

Toetsingskader nieuwe woningbouwplannen

Toetsing De woningbouwlocatie waar de voorgenomen ontwikkeling betrekking op heeft, voldoet aan de voorwaarden van gemeente Nuenen c.a. In paragraaf 4.3 is gemotiveerd dat het project past binnen de regionale afspreken (Brabantse Agenda Wonen en Stedelijk Gebied Eindhoven). Met de ontwikkeling is duidelijk sprake van transformatie / verdichting van een locatie binnen bestaand stedelijk gebied. Hierna volgt een toets aan de kwalitatieve randvoorwaarden: • De woningbouwlocatie is direct tegen het centrum van Nuenen. Ongeveer de helft van het programma is gericht op de doelgroep ouderen en worden zo ontworpen dat ze levensloopbestendig kunnen worden gemaakt. Het andere deel is met name gericht op starters. • Het gaat om gestapelde woningen in woongebouwen die niet hoger worden dan vijf bouwlagen. Het toevoegen van een flink aantal woningen gaat op deze manier niet ten koste van het dorpse karakter. • De nieuwe woningen worden conform de hedendaagse duurzaamheidseisen opgeleverd. Het uitgangspunt is bijnaenergieneutraal (BENG), maar bij de selectie van een ontwikkelende partijen kunnen extra punten worden verdiend als de woningen energieneutraal (ENG) worden opgeleverd. • Met het plan worden ook gerichte ingrepen gedaan om de kwaliteit van het groen te verbeteren en een plek te creeren die als ontmoetingsplek kan fungeren voor bewoners en omwonenden.

Dit gebeurt door aanleg van wandelpaden, speelplekken en andere aanleidingen tot bewegen, verblijven en ontmoeten. • Binnen paragraaf 4.3.4 is gemotiveerd dat binnen het project voldoende aandacht is voor de Brainport Principes. Gelet op het voorgaande past het project binnen het Programma Wonen 2020-2030. 4.4.3 Bouwgids Nuenen In 2024 is de Bouwgids Nuenen opgesteld. Met de Bouwgids wil de gemeente Nuenen de bouwopgave aangrijpen om de ruimtelijke kwaliteit van de verschillende kernen te versterken. De Bouwgids is bedoeld als instrument om initiatiefnemers te stimuleren en inspireren om het dorp nog mooier te maken. Hierbij komen verschillende thema’s aan bod die, in lijn met de omgevingsvisie, op een integrale manier richting geven aan de omgevingskwaliteit van de gebouwde omgeving. Zo kan er worden gebouwd met behoud van de eigenheid van de verschillende buurten en kernen. De Bouwgids bestaat uit vier delen. In deel 1 worden de algemene dorpse kwaliteiten van Nuenen en de kernen beschreven. Ook worden ruimtelijke richtlijnen benoemd die belangrijk zijn bij het maken van woningbouwplannen voor het mooie dorp Nuenen. In deel 2 wordt ingezoomd op verschillende gebiedstypes en wordt de nadruk gelegd op een aantal specifieke richtlijnen die hier kunnen bijdragen aan het versterken van de ruimtelijke kwaliteit.

Duidelijkheid over de verschillende processtappen en verantwoordelijkheden rondom projecten staat in deel 3 van de Bouwgids. De participatieleidraad vormt het 4e deel van de Bouwgids. De vier delen vormen samen de Bouwgids. Ze kunnen niet los van elkaar worden gezien en dienen altijd in samenhang te worden beschouwd. Toetsing De Kloostertuin valt in de Bouwgids binnen het gebiedstype “centrum buiten het lint”. Dit deelgebied kenmerkt zich door een aantal verschillende zones met een verschillende ruimtelijke opzet en een mix van functies en volumes. In de Bouwgids wordt aangegeven dat “nieuwe gebouwen kunnen ofwel worden gekoppeld aan de straat (zoals rondom de Van Goghstraat), ofwel worden gerealiseerd als vrije objecten omringd door groen.“ Voor de voorgenomen ontwikkeling is gekozen voor een opzet van gebouwen als vrije objecten in het groen. Van de richtlijnen voor dorpse kwaliteit zijn er een aantal benoemd die binnen dit gebiedstype nadrukkelijke aandacht verdienen. Op pagina 37 van het Masterplan (zie bijlage bij deze motivering) is uitgebreid omschreven op welke wijze het project zal voldoen aan de richtlijnen uit de Bouwgids.

31/74

De richtlijnen uit de bouwgids zijn doorvertaald naar de spelregelkaart uit het Masterplan. Om deze spelregels juridisch te borgen is een verbeelding met (bouw)voorschriften aan deze vergunning gekoppeld. 4.4.4 Waterbeleid Waterplan Nuenen Het waterbeleid van de gemeente Nuenen c.a. is vastgelegd in het Waterplan Nuenen middels een aantal basisprincipes: • zo weinig mogelijk waterverontreiniging; • op natuurlijke wijze reinigen voordat het de beken en rivieren in stroomt als er toch waterverontreiniging voorkomt; • beken behoeden voor te grote toe stroom van neerslag in korte tijd. Dit betekent dat binnen en in de directe nabijheid van de stad en de dorpen het (regen)water moet worden geïnfiltreerd en tijdelijk worden geborgen (vasthouden), uiteraard zonder te zorgen voor overlast of schade. Uitgangspunt in het huidige beleid van gemeente is dat planontwikkeling moet aansluiten bij een duurzaam integraal waterbeheer. Verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan (vGRP) In het gemeentelijk rioleringsplan 2019 – 2023 is vastgelegd dat, om wateroverlast te voorkomen, aan de volgende zaken aandacht wordt geschonken: • Bij nieuwbouw klimaatbestendig ontwerpen: bij de dimensionering van de riolering wordt gerekend met extremere buien.

Daarnaast wordt ingezet op voldoende ruimte voor water en zo mogelijk zorgen dat het regenwater bij overbelasting van het rioolstelsel over het maaiveld kan afstromen naar oppervlaktewater en nergens kelders of laaggelegen woningen en winkels kan instromen. Vloerpeilen van woningen en bedrijven liggen voldoende hoog boven het peil van de weg. • Aanleg van regenwaterstructuren op het moment dat in het bestaande stelsel de riolering vervangen moet worden. Kan dit niet, dan wordt ingezet op het vervangen van buizen in bestaande rioolstelsels door grotere diameters om zwaardere buien beter op te vangen. Bij bestaande stelsels dienen knelpunten, waar nu al water-op-straat of wateroverlast optreedt bij hevige buien, te worden aangepakt. Bij voorkeur door het regenwater over het maaiveld naar lagergelegen delen te leiden waar het water geen schade aanricht. • De aanvoer van afstromend hemelwater van percelen naar het gemeentelijke riool is groter wanneer tuinen volledig bestraat zijn. Door groen op eigen terrein kan water worden vastgehouden (sponswerking van de ondergrond) en wordt het gemeentelijke riool minder belast. Door voorlichting en communicatie wil de gemeente het afkoppelen van verhard oppervlak bij particulieren stimuleren en ook de steeds verdergaande verharding van tuinen tegengaan.

• Doorgaan met het afkoppelen van verhard oppervlak van gemengde rioolstelsels om zo de belasting van het rioolstelsel door zwaardere buien op te heffen, is ook een goed alternatief. Voorwaarde is wel dat de afkoppelsystemen klimaatbestendig worden ontworpen en niet zelf voor overbelasting en overlast zorgen. • Bij nieuwbouw mag het hemelwater niet worden aangesloten op het vuilwaterstelsel. De gemeente Nuenen c.a. zorgt voor het inzamelen en verwerken van afvloeiend hemelwater, wanneer dit doelmatig is en het niet redelijkerwijs verwacht kan worden van dat de initiatiefnemer het hemelwater zelf verwerkt. De doelmatigheid en de redelijkheid is afhankelijk van: • de ligging in stedelijk dan wel landelijk gebied; • de mogelijkheden voor infiltratie van hemelwater; • de grootte van de percelen; • de aanwezigheid van een regenwaterriool op straat; • de nabijheid van oppervlaktewater. Infiltratie van hemelwater in de bodem wordt verondersteld mogelijk te zijn als de bodem voldoende doorlaatbaar is (>1 m/d) en de grondwaterstand voldoende laag is ( > 1,2 m – mv). Bij een toename en afkoppeling van het verhard oppervlak geldt het uitgangspunt dat plannen zoveel mogelijk hydrologisch neutraal worden uitgevoerd. In principe dient er 60 millimeter retentie gerealiseerd te worden (600 m³ per hectare verhard oppervlak).

32/74

Toetsing Toetsing vindt plaats binnen paragraaf 5.8 van deze onderbouwing. 4.4.5 Welstandsnota Welstand gaat over hoe de uiterlijke kenmerken van een bouwwerk in de omgeving passen, denk aan vorm, kleur of gebruikte materialen. De redelijke eisen van welstand zijn uitgewerkt in de welstandsnota van de gemeente. In de Bruidsschat (BS) zijn regels opgenomen met betrekking tot (1) repressief welstand (art. 22.7), oftewel de excessenregeling en (2) beoordeling van een aanvraag om een omgevingsvergunning met betrekking tot een bouwactiviteit en het in stand houden en gebruiken van het te bouwen bouwwerk (art. 22.29). Als een gemeente geen welstandsnota en ook geen beleidsregels voor de beoordeling van het uiterlijk van bouwwerken heeft, dan gelden de regels in de Bruidsschat niet. De regel geldt ook niet bij een bouwwerk of in een gebied dat de gemeente als welstandsvrij heeft aangewezen. Beoordeling van een aanvraag voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit Artikel 22.29 lid 1 onder b bepaalt dat een omgevingsvergunning met betrekking tot een bouwactiviteit en het in stand houden en gebruiken van het te bouwen bouwwerken alleen wordt verleend als het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk niet in strijd is met de redelijke eisen van welstand, beoordeeld volgens de criteria van de welstandsnota.

Tijdelijke bouwwerken, niet zijnde seizoensgebonden werken zijn uitgesloten van deze welstandstoets. Repressief welstand De excessenregeling ziet erop toe dat gemeenten een eigenaar kan verplichten om aanpassingen aan het bouwwerk te verrichten waarmee de ernstige strijd met redelijke eisen van welstand wordt opgeheven. Onder de Omgevingswet gebeurt dit middels een maatwerkvoorschrift (art. 22.4 BS). De excessenregeling is (met name) van toepassing op bestaande situaties en is minder relevant voor het beoordelen van een aanvraag voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. Toetsing Gemeente Nuenen beschikt over een geldende welstandsnota, te weten “Welstand Nuenen ca (september 2010)”. Het project is volgens de gebiedskaart gelegen binnen ‘Nuenen centrum (2)’. Hier geldt een ‘bijzonder’ welstandniveau. Bovendien komen er in en nabij het projectgebied cultuurhistorische waarden voor (zie ook paragraaf 5.15). Omdat het een ‘groter plan’ betreft dient getoetst te worden aan de betreffende gebiedscriteria uit de welstandsnota. Nuenen centrum is een bijzonder welstandsgebied. Het beleid is gericht op een harmonieus samengaan van sferen en functies met oudere bebouwing langs de linten en vernieuwingen op de terreinen daartussen of achter.

De welstandscommissie zal bij de advisering onder meer aandacht schenken aan de afstemming van de maat en schaal van de gebouwen onderling en aan een zorgvuldige architectonische uitwerking met inbegrip van het gebruik van materiaal en kleur. Traditie en vernieuwing moeten daarbij hand in hand kunnen blijven gaan. De welstandsnota bevat geen welstandscriteria voor grotere (her)ontwikkelingsprojecten die de bestaande ruimtelijke structuur en karakteristiek doorbreken, zoals bij dit project het geval is. Dergelijke welstandscriteria kunnen namelijk niet worden opgesteld zonder dat er een concreet stedenbouwkundig plan bijvoorbeeld in de vorm van een beeldkwaliteitplan aan ten grondslag ligt. Voor dit project is geen beeldkwaliteitsplan vastgesteld als onderdeel van de welstandsnota. Wel heeft de gemeenteraad van Nuenen ca. het Masterplan ‘Kloostertuin wordt Kloosterpark’ vastgesteld (zie bijlage), waarin beeldkwaliteitscriteria zijn meegegeven. Voor de beeldkwaliteit van de gebouwen gelden conform het Masterplan de volgende uitgangspunten (voor sfeerimpressies wordt verwezen naar het Masterplan in de bijlagen bij deze motivering): 1. Gebouwen te gast: Het parklandschap met de waardevolle bomen is het dominante beeld van het nieuwe Kloosterpark. Nieuwe gebouwen zijn als dorpsvilla’s te gast in het park en dus ondergeschikt. Het architectuurbeeld is ingetogen en de

33/74

2.

3.

4.

5.

6.

7.

34/74

gebouwen stralen rust en bescheidenheid uit. Er is sprake van een zorgvuldige detaillering van de gebouwen. De gebouwen zijn vormgegeven als speelse en luchtige volumes. Het volume is niet volledig rechthoekig maar heeft een vrijere vorm. Dit kan bijvoorbeeld worden bereikt door verspringingen in het volume, insnijdingen ter plaatse van bomen of het organisch laten uitkragen van de balkons. Door de toepassing van grote glasvlakken worden de bomen gereflecteerd. Gelijkwaardige familie van gebouwen: De gebouwen in het Kloosterpark hebben dus een samenhangend beeld en vormen één familie. Ze zijn individueel herkenbaar maar hebben daarnaast vergelijkbare kenmerken. De uitstraling is eigentijds, niet historiserend. Binnen het plan zullen verschillende woningtypes worden gerealiseerd binnen verschillende prijsklassen, van sociale huur tot vrije sector. De gebouwen in het Kloosterpark hebben echter allemaal een gelijkwaardige uitstraling. Dat betekent dat er tussen de gebouwen geen onderscheid is in beeldkwaliteit. Kleur en materiaal: Alle gebouwen hebben hetzelfde hoofdmateriaal als basis voor de gevel, dat kan worden aangevuld met een tweede (ondergeschikte) materiaal. Het kleurgebruik is ingetogen en afgestemd op de natuurlijke omgeving. Gebouwen ogen licht. Er is een beperkt kleurpalet dat wordt afgestemd op de omgeving, met eventueel incidenteel een accentkleur.

Het gebruik van biobased materialen wordt toegejuicht. Hiermee draagt het project bij aan duurzaamheidseisen maar kan het project ook een voorbeeldfunctie krijgen in de regio. Als alternatief kan worden gedacht aan een innovatief gebruik van baksteen. Hierdoor sluit het project aan op de tradionele baksteenarchitectuur rondom het park en het beschermd dorpsgezicht. Via materiaal en kleurgebruik wordt dan verwezen naar de historie, terwijl het architectuurconcept en detaillering vernieuwend zijn. Voorwaarde is dat de gebouwen niet te zwaar ogen. Welkome plint: De entree van de gebouwen vormt het visitekaartje en de ontmoetingsplek voor bewoners. Entrees zijn transparant en ontworpen als herkenbaar element. Dit kan bijvoorbeeld door een omlijsting, een luifel of het toevoegen van een bakje aan de gevel als ontmoetingsplek. Hierdoor zijn de entrees goed zichtbaar vanaf de hoofdroute door het Kloosterpark. Het ontwerp van de plint verdient bijzondere aandacht. Achterkanten en gesloten gevelvlakken dienen zoveel mogelijk voorkomen te worden. Gesloten gevels mogen in principe niet langer zijn dan 8 meter. Gesloten gevels dienen aan te sluiten op het parkontwerp, dat wil zeggen dat er opgaande beplanting voor komt te staan. Eventuele inpandige bergingen op de begane grond liggen niet direct aan de gevel.

Dakvorm en daklandschap: De bovenste verdieping wordt afwijkend vormgegeven door middel van een kap of als een terugliggende verdieping. Hierbij dient aandacht te zijn voor de inpassing van installaties en PV-panelen. Bij een plat dak dienen PVpanelen te worden geïntegreerd in een groen dak, bij een schuin dak zoveel mogelijk in het dakvlak. Het is ook denkbaar PV-panelen te integreren in de gevel. Installaties dienen onzichtbaar vanaf het maaiveld te worden weggewerkt achter een opstaande dakrand. Buitenruimte: Onderdeel van het wonen in het park is dat de gebouwen direct aansluiten op het parklandschap. Private buitenruimtes op het maaiveld zijn beperkt en incidenteel en lopen niet continu door rondom de gevel. De buitenruimte wordt vormgegeven als een integraal onderdeel van het gebouw. Het parklandschap loopt tegen de buitenruimtes aan. Paden lopen niet direct langs de private buitenruimtes. Met beplanting wordt afstand gecreëerd tussen private buitenruimtes en openbare paden. Buitenruimtes op de verdiepingen vormen onderdeel van het gebouwontwerp. Balkons verspringen in het gevelvlak waardoor de bouwblokken een luchtigheid krijgen. Balkons kunnen een vrije vorm krijgen waardoor een te grote “hoekigheid” van het gebouw wordt voorkomen.

Ecologie: In het ontwerp dient aandacht te zijn voor natuurinclusief ontwerpen: de gebouwen zijn te gast in het landschap en samen met het park moeten ze een natuurinclusief milieu vormen. De gebouwen kunnen hierin een rol spelen door het toepassen van gebouwgebonden groen en nestmogelijkheden voor specifieke soorten. Groene gevels kunnen bijdragen aan de kwaliteit en de ecologie van de gebouwen in het park. Gebruik van een groene gevel wordt aanbevolen maar is niet verplicht.

Het project zal dan ook moeten voldoen aan deze criteria. Deze criteria uit het Masterplan worden als voorschrift aan de vergunning gekoppeld. In de tweede fase dient de aangevraagde omgevingsvergunning dan ook te voldoen aan deze beeldkwaliteitscriteria.

4.5

Waterschap

Het projectgebied is gelegen binnen het werkingsgebied van Waterschap De Dommel. Het relevante beleid van dit waterschap is opgenomen in het waterbeheerprogramma. Daarnaast heeft het waterschap een waterschapsverordening vastgesteld. 4.5.1 Waterbeheerprogramma 2022-2027 - Water als basis voor een toekomstbestendige leefomgeving Het water- en bodemsysteem is onontbeerlijk voor een gezonde en leefbare ruimtelijke inrichting van Noord-Brabant. Meer dan ooit is het belangrijk om rekening te houden met het concept van de lagenbenadering om een toekomstbestendige leefomgeving te waarborgen. Door klimaatverandering en ruimtelijke druk, staat immers de veerkracht van het wateren bodemsysteem onder druk. De lagenbenadering beschrijft de ruimte in drie lagen. De eerste laag bestaat uit de fysieke ondergrond, het water- en bodemsysteem. De tweede laag bevat netwerken van infrastructuur met onder meer wegen, spoorlijnen en waterwegen. Tot slot de derde laag met de menselijke activiteiten zoals wonen, werken en recreëren en de fysieke neerslag daarvan. Ruimtelijke planning en gebiedsontwikkeling is een proces waarin continu keuzes worden gemaakt. De lagenbenadering helpt in dit keuze- en afwegingsproces en dient als kwaliteitskader voor alle (ruimtelijke) plannen. Elke laag draagt bij aan de ontwikkeling.

De lagenbenadering betekent wel dat een onderliggende laag voorwaarden stelt aan andere lagen. Zeker vanuit een perspectief van duurzame ontwikkeling zijn veerkracht en omkeerbaarheid van ingrepen belangrijke gegevenheden. Met het Waterbeheerprogramma 2022-2027 (WBP5) start Waterschap De Dommel met de ‘watertransitie’: op weg naar een toekomstbestendige waterhuishouding. Uiterlijk in 2050 is de waterhuishouding in ons hele beheergebied toekomstbestendig. Dit betekent een waterhuishouding die in een goede waterkwaliteit voorziet. En een waterhuishouding die robuust, wendbaar en in balans is met de omgeving. Zowel in het bebouwde als het landelijke gebied en van de beekdalen tot en met de hoge zandruggen. Het grond- en oppervlaktewatersysteem kan de grotere weersextremen opvangen door maximaal gebruik te maken van de dempende sponswerking van de bodem/ondergrond en de natuurlijke hoogteverschillen voor het vasthouden van water. Waterschap De Dommel hanteert drie principes die inhoudelijke sturing geven aan de watertransitie: • Elke druppel vasthouden en infiltreren waar deze valt. • Functies passen zich aan het bodem- en watersysteem aan. • Wat schoon is moet schoon blijven. We moeten ons, nog meer dan voorheen, aanpassen aan de veranderende leefomgeving en op zoek gaan naar nieuwe oplossingen en antwoorden.

Juist de voor Midden-Brabant zo karakteristieke verwevenheid van bebouwing, landbouw en natuur is een kans om de wateropgaven slim in te passen. Dit vereist een integrale, gebiedsgerichte aanpak samen met alle partijen. Een gebiedsgerichte aanpak is alleen succesvol als naast de wateropgaven ook de opgaven vanuit natuur, stikstof, economie, landbouwtransitie, energietransitie, biodiversiteit, mobiliteit en woningbouw onderdeel van de aanpak zijn. Niet sectoraal, maar integraal. Alleen dan gaan we oplossingen vinden voor een leefbaar Midden-Brabant met een duurzaam en toekomstbestendig watersysteem dat goed is voor inwoners, bedrijven, landbouw en natuur. De grote uitdaging zit hem vooral in de vraag hoe we dit gaan bereiken. Meer dan voorheen gaan we daarbij: • van beekdalgericht naar gebiedsgericht; onze aandacht gaat naast het beekdal ook uit naar de flanken, de hoge zandruggen en bebouwd gebied. • van sectoraal naar integraal; samen met overheden en gebiedspartners maken we keuzes over meerdere opgaven in een gebied.

35/74

•

van water afvoeren naar elke druppel telt; maximaal water conserveren, minder grondwater gebruiken en slimmer sturen.

Toetsing Dit project is voorzien op een bestaand bouwperceel binnen bestaand stedelijk gebied. Jaren geleden is op deze locatie reeds bebouwing gesloopt om plaats te maken voor woningen. In de bebouwde situatie was zowel het hemel- als afvalwater op het ter plaatse aanwezige rioolstelsel aangesloten. In de periode nadat was de locatie nagenoeg onverhard, waardoor bodem vrij in het gebied kon afstromen en infiltreren. In de beoogde situatie dient het hemelwater conform de gemeentelijke waterbergingseis binnen de projectgrenzen te worden opgevangen en geborgen. Er vindt geen afvloeiing in de richting van oppervlaktewaterlichamen in het beheer van het waterschap plaats. Het project sluit dan ook aan bij de drie principes van het waterschap. 4.5.2 Waterschapsverordening Net als de provincie heeft het waterschap een omgevingsverordening vastgesteld. In de Waterschapsverordening staan de regels voor bewoners, bedrijven en andere overheden met betrekking tot activiteiten in of nabij rivieren, beken, sloten, gemalen, en dijken (waterkeringen) en activiteiten met betrekking tot het grondwater. Toetsing Voor dit project gelden geen instructieregels vanuit de waterschapsverordening. De projectlocatie is niet gelegen op of nabij een waterkering, oppervlaktewaterlichaam of binnen diens beschermingszone.

Ook ligt het projectgebied niet binnen grondwaterbeschermingsgebied of een boringsvrije zone. Ten slotte is het projectgebied niet gereserveerd voor (regionale) waterberging.

36/74

5. ASPECTEN VAN DE FYSIEKE LEEFOMGEVING 5.1

Inleiding

Voor het beoordelen van de aanvraag voor een omgevingsvergunning voor de bopa gelden beoordelingsregels. De gevolgen voor de fysieke leefomgeving worden hier beoordeeld. De beoordelingsregels zijn in tabel 5.2 opgenomen. Een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit kan alleen worden vergund als sprake is van een ‘evenwichtige toedeling van functies aan locaties’ (etfal). Dit vraagt voor bepaalde thema’s uit de fysieke leefomgeving om een bredere benadering dan alleen het toetsen aan de instructieregels. Ook zijn er bepaalde thema’s waarvoor geen instructieregels in het Bkl zijn opgenomen, maar die vanuit het oogpunt van etfal wel bij de belangenafweging moeten worden betrokken. Deze thema’s komen terug in tabel 5.1. Tabel 5.1: Overige aspecten van de fysieke leefomgeving betrokken vanuit oogpunt van etfal Thema

Wettelijk kader

Relevant voor de ontwikkeling

Mobiliteit en parkeren

Voor parkeren gelden bepalingen uit Omge-

Ja, zie paragraaf 5.2

vingsplan gemeente Nuenen; Voor mobiliteit geldt geen wet- en regelgeving, maar in het kader van etfal wel in de belangenafweging betrokken. Ecologie: gebiedsbescherming

Afdeling 11.1 van het Bal.

Ja, zie paragraaf 5.3

Ecologie: soortenbescherming

Afdeling 11.2 van het Bal.

Ja, zie paragraaf 5.4

Ecologie: houtopstanden

Afdeling 11.3 van het Bal.

Ja, zie paragraaf 5.3

Bezonning / schaduwhinder

Geen onderdeel van Bkl of andere wet- en re-

Ja, zie paragraaf 5.5

gelgeving, maar in het kader van etfal wel in de belangenafweging betrokken. Windhinder

Geen onderdeel van Bkl of andere wet- en re-

Ja, zie paragraaf 5.6

gelgeving, maar in het kader van etfal wel in de belangenafweging betrokken. Lichthinder

Geen onderdeel van Bkl of andere wet- en re-

Nee, binnen het projectgebied worden geen activi-

gelgeving, maar in het kader van etfal wel in

teiten of bouwwerken mogelijk gemaakt met enige

de belangenafweging betrokken.

vorm van lichtuitstraling (bijvoorbeeld bedrijfsterrein, sportveld of glastuinbouw met assimilatieverlichting), anders dan reguliere straat- en erfverlichting. Hinder van dergelijke activiteiten is niet te verwachten omdat deze niet in de omgeving voorkomen.

Tabel 5.2: Instructieregels Bkl Thema

Afdelingen en paragrafen Bkl

Relevant voor de ontwikkeling

Dienstenrichtlijn

§ 5.1.1. Algemene bepalingen

Nee, het project voorziet niet in (de huisvesting van)

artikel 5.1a.

diensten anders dan diensten die als beroep of bedrijf aan huis worden uitgevoerd en binnen iedere reguliere woning zijn toegestaan.

Omgevingsveiligheid

§ 5.1.2. Waarborgen van de veiligheid

Ja, zie paragraaf 5.7

Water

§ 5.1.3. Beschermen van de waterbelangen

Ja, zie paragraaf 5.8

37/74

Gezondheid

§ 5.1.4. Beschermen van de gezondheid en

Ja, zie paragraaf 5.9

van het milieu Luchtkwaliteit

§ 5.1.4.1. Kwaliteit van de buitenlucht

Ja, zie paragraaf 5.10

Geluid door activiteiten

§ 5.1.4.2. Geluid door activiteiten

Ja, zie paragraaf 5.11

Geluid door (spoor)wegen en indu-

§ 5.1.4.2a. Geluid door wegen, spoorwegen en Ja, zie paragraaf 5.12

strieterreinen

industrieterreinen

Geluid rond luchthavens

§ 5.1.4.3. Geluid rond luchthavens

Nee, het projectgebied ligt niet binnen de geluidcontour van Vliegbasis Eindhoven of een andere luchthaven.

Trillingen

§ 5.1.4.4. Trillingen

Nee, het projectgebied ligt niet in de nabijheid van activiteiten waarbij structureel trillingen vrijkomen en voorziet hier in beginsel zelf ook niet in.

Slagschaduw van windturbines

§ 5.1.4.4a. Slagschaduw van windturbines

Nee, in de omgeving van het projectgebied komen geen windturbines voor.

Bodemkwaliteit

§ 5.1.4.5. Bodemkwaliteit

Ja, zie paragraaf 5.13

Geur

§ 5.1.4.6. Geur

Ja, zie paragraaf 5.14

Cultureel erfgoed (aardkunde, ar-

§ 5.1.5. Beschermen van landschappelijke of

Ja, zie paragraaf 5.15

cheologie en cultuurhistorie)

stedenbouwkundige waarden en cultureel erfgoed

Landschappelijke kwaliteiten Kust,

§ 5.1.5. Beschermen van landschappelijke of

PKB-Waddenzee en Waddengebied

stedenbouwkundige waarden en cultureel erf- kust, PKB-Waddenzee en Waddengebied

Nee, het projectgebied ligt niet binnen of nabij de

goed Ladder voor duurzame verstedelij-

§ 5.1.5.4. Ladder voor duurzame verstedelij-

king

king

Nationale belangen binnen de fy-

§ 5.1.6. Behoud van ruimte voor toekomstige

sieke leefomgeving

functies;

Ja, zie paragraaf 5.16 Ja, zie paragraaf 5.17

§ 5.1.7. Behoeden van de staat en werking van infrastructuur of voorzieningen voor nadelige gevolgen van activiteiten Aanwijzing woningbouwcatego-

§ 5.1.7a. Gebruik van bouwwerken

rieën

stellen over te realiseren categorieën woningen.

Toegankelijkheid openbare buiten-

§ 5.1.8. Bevorderen van de toegankelijkheid

ruimte

van de openbare buitenruimte voor personen

5.2

Nee, voor dit project is het niet nodig om regels te Ja, zie paragraaf 5.18

Mobiliteit en parkeren

5.2.1 Wettelijk kader Mobiliteit en parkeren moeten als omgevingsaspecten in het belang van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties worden beoordeeld. Het Bkl en de provinciale omgevingsverordening stellen geen instructieregels op dit gebied. In de beoordeling van het project op het omgevingsaspect mobiliteit zijn de ontsluitingsstructuur, verkeersgeneratie, bereikbaarheid en verkeersveiligheid relevant. Daarbij worden alle relevante vervoerswijzen bezien (langzaam verkeer, openbaar vervoer en gemotoriseerd verkeer).

38/74

De beoordeling van het project op het omgevingsaspect parkeren houdt onder meer in dat er voldoende parkeergelegenheid aanwezig moet zijn. 5.2.2 Toetsing Verkeersgeneratie De verkeersgeneratie van het project is bepaald aan de hand van de gemiddelde van de bandbreedte van de kencijfers uit publicatie 744 van kennisplatform CROW. Het kencijfer is genomen voor het gebiedstype 'schilgebied', aangezien de locatie direct buiten maar grenzend aan het centrum ligt. Er is gerekend met het kencijfer voor ‘matig stedelijk gebied', gezien deze stedelijkheidsgraad volgens de meest actuele 'CBS Wijken en Buurt 2024' aan de orde is. Ten slotte is gerekend met de woningoppervlakten zoals weergegeven in onderstaande tabel. De eerste drie kolommen van de tabel zijn ontleend aan een tabel uit het door de gemeenteraad vastgestelde Masterplan (zie bijlage, p. 21) als zijnde referentieontwerp ten behoeve van de Nota van Uitgangspunten. Woningtype m² BVO Sociale huur Sociale huur Middeldure huur Middeldure huur Betaalbare koop Betaalbare koop Vrije sector

Aantal 45 55 60 65 65 70 95

CROW-categorie Kencijfer Verkeersgeneratie 20 Huur, appartement, sociale huur, < 75 m2 bvo 2,8 56 mvt/etmaal 18 Huur, appartement, sociale huur, < 75 m2 bvo 2,8 50,4 mvt/etmaal 8 Huur, appartement, vrije sector, <75 m² bvo 2,8 22,4 mvt/etmaal 8 Huur, appartement, vrije sector, <75 m² bvo 2,8 22,4 mvt/etmaal 13 Koop, appartement, < 75 m2 bvo 4,6 59,8 mvt/etmaal 10 Koop, appartement, < 75 m2 bvo 4,6 46 mvt/etmaal 38 Koop, appartement, 75-100 m2 bvo 5,4 205,2 mvt/etmaal 115 462,2 mvt/etmaal

Op basis van deze uitgangspunten is de invoer voor het aantal voertuigbewegingen bepaald op 462,2 mvt/etmaal weekdaggemiddelde. Omgerekend betekent dit (462,2 x 1,11 =) 513 mvt/etmaal werkdaggemiddelde. Dit verkeer zal ontsluiten van en naar de parkeerkelder binnen het projectgebied via de Kloosterstraat. Vanuit hier zijn er verschillende mogelijkheden voor de ontsluiting. Gelet op het profiel van de wegen van de mogelijke routes, in relatie tot de bekende verkeersintensiteiten op deze routes (conform het Brabantse verkeersmodel BBMA (provincie Noord-Brabant)) en de berekende verkeersgeneratie van het project, die zich bovendien ook zal verspreiden over verschillende routes, zijn geen knelpunten met betrekking tot de verkeersafwikkeling te verwachten. Parkeren Voor dit project heeft een parkeeronderzoek plaatsgevonden. Deze is als bijlage bijgevoegd. In het parkeeronderzoek is de parkeerbehoefte berekend voor een programma met 115 appartementen. Conform het Masterplan Kloostertuin is rekening gehouden met een parkeergarage met 87 parkeerplaatsen. Aan de hand van aanwezigheidspercentages is bepaald op welke momenten de capaciteit in de parkeergarage niet voldoende is voor de eigen behoefte. Dat blijkt in de avond en nacht (werkdagavond, koopavond, werkdagnacht en zaterdagavond) te zijn.

Vervolgens is onderzocht of er in de openbare ruimte rondom het projectgebied op de betreffende momenten wellicht capaciteit beschikbaar is. Om hiervan een goed beeld te krijgen is ook de parkeerbehoefte van het naastgelegen cultureel centrum ‘Het Klooster’ meegenomen. Het Klooster is namelijk recent verbouwd en dat kan enig effect op de parkeerbehoefte dan wel parkeercapaciteit in de openbare ruimte hebben. Het parkeeronderzoek geeft vervolgens inzicht in de parkeersituatie in het centrumgebied van Nuenen (omgeving projectgebied). Daarbij is gekeken of er op acceptabele loopafstand voldoende restcapaciteit beschikbaar is om het tekort aan parkeerplaatsen, ten gevolge van de parkeervraag van de nieuwe appartementen én cultureel centrum Het Klooster, op te vangen. Er is voldoende restcapaciteit als de maximale bezettingsgraad onder de 85% blijft. Uit het parkeeronderzoek blijkt dat er in de omgeving voldoende restcapaciteit beschikbaar is, zowel als gekeken wordt naar alleen de parkeervraag van bewoners van het nieuwbouwproject als ook wanneer bezoekers en bezoekers van Het Klooster worden meegerekend.

39/74

Voor dit project wordt als voorwaarde aan de vergunning verbonden dat een parkeergarage met een minimale capaciteit van 87 autoparkeerplaatsen binnen het projectgebied gerealiseerd dient te worden. Het parkeeronderzoek heeft laten zien dat er in de openbare ruimte vervolgens nog voldoende capaciteit beschikbaar is om te voorzien in het tekort aan parkeerplaatsen om in de eigen behoefte te voorzien, zelfs als de parkeerbehoefte van Het Klooster wordt meegerekend. Het project zorgt dan ook niet voor een onacceptabele parkeerdruk in de omgeving van het projectgebied. 5.2.3 Conclusie Voor mobiliteit gelden geen instructieregels vanuit het Rijk of de provinciale omgevingsverordening. In het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties is dit aspect wel beoordeeld en geconcludeerd kan worden dat het project niet tot problemen met de verkeersontsluiting en -afwikkeling zal leiden. Het is niet nodig om voor dit aspect voorschriften aan de vergunning te verbinden. Voor het onderdeel parkeren worden wel voorschriften aan de vergunning verbonden, zodat is gewaarborgd dat voldoende parkeerplaatsen op eigen terrein worden gerealiseerd en de zodoende de parkeerdruk in de omgeving niet oploopt tot een onacceptabel niveau en het terrein zelf zo groen mogelijk kan worden ingericht.

5.3

Ecologie: gebiedsbescherming en houtopstanden

5.3.1 Wettelijk kader Ter bescherming van de natuur zijn in het Bkl diverse regels opgenomen. Deze regels komen grotendeels overeen met de regels die zijn opgenomen in de voormalige Wet natuurbescherming. Het gaat hierbij in de eerste plaats om regels voor de gebiedsbescherming van aangewezen Natura 2000-gebieden, regels voor de soortenbescherming van te beschermen planten, diersoorten (waaronder vogels) en regels ter bescherming van houtopstanden. Het gebieds- en soortenbeschermingsregime vloeit voor een belangrijk deel voort uit twee Europese richtlijnen, te weten de Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en de Habitatrichtlijn (92/43/EEG). Daarnaast bevat het Bkl regels over het Natuur Netwerk Nederland. Natura 2000-gebieden De Europese Vogel- en Habitatrichtlijn beschermt Natura 2000-gebieden. De minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit wijst de Natura 2000-gebieden aan. Op grond van artikel 2.43 Omgevingswet legt hij ook de instandhoudingsdoelstellingen vast. Dit gebeurt in een aanwijzingsbesluit. Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten, mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze bij de voorbereiding van een omgevingsplan in kaart te worden gebracht en beoordeeld.

Natura 2000-gebieden hebben een externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden en verstoring kunnen veroorzaken, moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. Een ruimtelijk plan dat significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied kan alleen worden vastgesteld indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. Indien deze zekerheid niet is verkregen, kan het plan worden vastgesteld, indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden: 1. Alternatieve oplossingen zijn niet voorhanden; 2. Het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard; en 3. De noodzakelijke compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000-netwerk bewaard blijft. In afdeling 8.6 Bkl staat het beoordelingskader voor de omgevingsvergunning voor Natura 2000-activiteiten. Dit is door middel van het aanvullingsspoor Natuur gebeurd. Natuurnetwerk Nederland (NNN) Een bopa-activiteit kan gevolgen hebben voor NNN-gebieden. De gebieden die het NNN vormen zijn aangewezen in de provinciale omgevingsverordening. In de provinciale omgevingsverordening worden de wezenlijke kenmerken en waarden

40/74

vastgesteld van deze gebieden. Deze wezenlijke kenmerken en waarden moeten worden beschermd, in stand worden gehouden, verbeterd en ontwikkeld. Hiertoe zijn in de provinciale omgevingsverordening instructieregels opgenomen. Houtopstanden (bos) Mocht de bopa-activiteit gevolgen hebben voor houtopstanden buiten de bebouwingscontour houtkap (dat wil zeggen: er moeten bomen worden geveld), gelden rijksregels uit het Bal. Bij vellen hoort een herplantingsplicht maar hierop bestaan uitzonderingen (zie artikel 11.111 Bal). Als de rijksregels voor vellen van toepassing zijn, is het vellen van houtopstanden verboden zonder eerst een melding te doen. 5.3.2 Toetsing Gebiedsbescherming (Natura2000 en NNN) Het projectgebied ligt niet binnen een natuurgebied dat is aangewezen als Natura2000-gebied. De dichtstbijzijnde natuur die onderdeel uitmaakt van het Natura2000-netwerk is het gebied “Strabrechtse Heide & Beuven” op ongeveer 7 kilometer ten zuidoosten van het projectgebied. Een ander dichtbijgelegen Natura2000-gebied is het gebied “Leenderbos, Groote Heide & De Plateaux” op ongeveer 7,8 kilometer ten zuidwesten. Het Nuenens Broek op ongeveer 480 meter ten noordoosten van het projectgebied is het dichtstbijzijnde stukje Natuur Netwerk Nederland (in de TAM-omgevingsverordening Noord-Brabant begrensd als zijnde Natuurnetwerk Brabant).

Verder is het projectgebied niet gelegen binnen of in de nabijheid van een belangrijk weidevogelgebied.

Uitsnede digitale kaart ‘Natuurnetwerk Nederland’ en ‘Natura 2000-gebieden’ (Bron: Atlas Leefomgeving). Projectgebied met blauwe marker aangeduid.

Directe negatieve effecten van dit project op bovengenoemde beschermde natuurgebieden zijn vooral gelet op aard en omvang van het plan in combinatie met de afstand van het projectgebied tot aan deze natuurgebieden niet te verwachten. Indirecte negatieve effecten zoals stikstofdepositie zijn echter niet op voorhand uit te sluiten, omdat verstoring van natuurgebieden door stikstof nog op een grote afstand van een bepaalde ontwikkeling kan plaatsvinden. Om die reden is voor dit project een stikstofberekening uitgevoerd. De resultaten hiervan zijn gerapporteerd en als bijlage bij deze onderbouwing

41/74

gevoegd. Uit de berekening blijkt dat, zonder intern of extern salderen, geen sprake is van rekenresultaten die hoger zijn dan 0,00 mol N/ha/jr voor de realisatie- en gebruiksfase van de ontwikkeling. Houtopstanden Verder gaat dit project niet gepaard met het vellen van houtopstanden buiten de bebouwingscontour, waarvoor een verbod en herplantplicht geldt. Wel komen binnen het projectgebied veel bomen voor, waarbij het uitgangspunt is om zo veel mogelijk (waardevolle) bomen te behouden. Op basis van een eerdere inmeting zijn bomen binnen het projectgebied in beeld gebracht. In het door de gemeenteraad vastgestelde Masterplan is bij het intekenen van de bouwvelden zo veel mogelijk rekening gehouden met het behoud van de bomen. Op navolgende afbeelding is te zien welke bomen zullen worden gekapt.

Met een bomen effect analyse (BEA), die als bijlage bij deze motivering is gevoegd, zijn 246 bomen geïnventariseerd. Uit de BEA blijkt dat dertien bomen een slechte projectinvloed hebben en voor 24 geldt dat deze zelfs een zeer slechte projectinvloed. Deze bomen staan of volledig binnen een bouwveld, ofwel ligt de boomzone binnen een bouwveld of is het wenselijk de bomen te kappen vanwege een gewenste zichtrelatie met het klooster. Uitgangspunt is dat bomen binnen de

42/74

bouwvelden en voor het creëren van een zichtrelatie met het klooster mogen worden gekapt, maar dat overige bomen (dus ook bomen waarvan de boomzone gedeeltelijk over een bouwveld valt) zo veel mogelijk behouden blijven. De BEA geeft inzicht in de conditie en levensverwachting van de onderzochte bomen. Op basis hiervan kan worden bepaald in hoeverre en op welke wijze de te kappen bomen dienen te worden gecompenseerd binnen het projectgebied. Ook kan worden bepaald of een omgevingsvergunning voor het kappen van de bomen nodig is. Deze beoordeling zal plaatsvinden bij de voorbereiding van de aanvraag om omgevingsvergunning voor realisatie van het project (tweede fase bopa). In die fase is het exacte ontwerp uitgewerkt en is duidelijk welke bomen daadwerkelijk moeten worden gekapt. Bij het besluit op deze omgevingsvergunning voor een bopa is een verbeelding opgenomen met bouwvlakken waarbinnen de nieuwe woongebouwen en parkeergarage mogen worden gerealiseerd. Met de specifieke vormgeving van de bouwvelden is juridisch gewaarborgd dat zo veel mogelijk bomen, bosplantsoenvakken en laanstructuren blijven gevrijwaard van aantasting door nieuwe bebouwing. In het belang van duurzaam behoud van bomen worden vervolgens ook de volgende voorschriften aan de vergunning verbonden: • Bij het ontwerp van de nieuwe woongebouwen, parkeergarage en openbare ruimte dienen o.a.

de richtlijnen van Handboek Bomen 2018, Hoofdstuk 1 ‘Bomenontwerp’ in acht genomen te worden; • Er dient in de ontwerpfase rekening gehouden te worden dat er binnen de kwetsbare boomzone (kroonprojectie + 1,5 meter), geen werkzaamheden uitgevoerd mogen worden zonder een goedgekeurd werkplan door een boomspecialist. • Wanneer bomen niet in het ontwerp behouden kunnen blijven, ten behoeve van de nieuwbouw op het terrein, dienen deze te worden gecompenseerd in het ontwerp. Daarbij dient rekening gehouden te worden met het aanleggen van een groeiplaats die volstaat om de nieuwe boom uit te laten groeien tot een volwassen boom. Daarbij wordt aanbevolen om de al aanwezige bomen ook te voorzien van een voldoende grote groeiplaats. 5.3.3 Conclusie Gelet op het voorgaande kan worden geconcludeerd dat het project geen (significant) negatieve effecten voor beschermde gebieden met zich meebrengt. Om de bestaande bomen in het gebied en daarmee het groene karakter zo veel mogelijk te behouden is het nodig om enkele voorschriften aan de vergunning te verbinden.

5.4

Ecologie: soortenbescherming

5.4.1 Wettelijk kader Indien een activiteit waarvoor een omgevingsvergunning voor een bopa wordt aangevraagd mogelijk gevolgen heeft voor verblijfsplaatsen van beschermde dieren of planten, dan is sprake van een flora- en fauna-activiteit. Het is in beginsel verboden om zonder vergunning een flora- en fauna-activiteit te verrichten. Voor de aanvraag om een omgevingsvergunning voor een bopa is het nodig om te onderzoeken of er aanwijzingen zijn van de aanwezigheid van beschermde soorten op de locatie waar de activiteit zal worden verricht of in de directe nabijheid van die locatie. Dit is de quickscan ecologie. Is het resultaat van de quickscan ecologie dat er aanwijzingen zijn dat specifieke beschermde soorten voorkomen, dan is aanvullend onderzoek nodig. Als uit aanvullend onderzoek naar voren komt dat een beschermde soort door de ontwikkeling verstoord wordt, is in sommige gevallen een omgevingsplanvergunning voor een flora- en fauna-activiteit nodig. Dit is een separate omgevingsvergunning, geen omgevingsplanactiviteit, en valt dus buiten de scope van deze bopa-motivering. Een eventuele aanvraag om omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit loopt separaat van de omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit en de provincie is het bevoegd gezag.

In alle gevallen geldt de specifieke zorgplicht voor het verrichten van een flora- en fauna-activiteit die er kort samengevat op neerkomt dat maatregelen moeten worden getroffen om nadelige gevolgen voor beschermde soorten te voorkomen dan wel zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken (artikel 11.27 Bal).

43/74

5.4.2 Toetsing Binnen het projectgebied is eind 2021 al een quickscan ecologie uitgevoerd. De quickscan gaf aanleiding tot nader onderzoek naar diverse soorten. Inmiddels is het rapport ruim drie jaar oud en niet meer voldoende actueel. Daarom heeft een nieuwe ecologische quickscan plaatsgevonden, gevolgd door nader onderzoek naar enkele soorten. De rapportages van de quickscan en het nader onderzoek zijn opgenomen als bijlage bij deze onderbouwing. Hierna wordt ingegaan op de belangrijkste bevindingen. Quickscan In januari 2025 heeft een quickscan flora en fauna plaatsgevonden. Uit de quickscan is gebleken dat meerdere beschermde soorten zich binnen het projectgebied (kunnen) bevinden en dat enkele soorten (mogelijk) verstoord zullen worden ten gevolge van de ontwikkeling. In onderstaande tabel is dit overzichtelijk weergegeven. Uit de tabel kan worden opgemaakt dat aanvullend onderzoek nodig is ten aanzien van gebouwbewonende vleermuizen, steenmarter, huismus en gierzwaluw. Daarnaast geldt voor alle soorten te allen tijde dat de zorgplicht in acht moet worden genomen.

In de quickscan flora en fauna wordt ook een spechtenhol benoemd waarvan niet met zekerheid kan worden gezegd of deze in gebruik is of niet. De holte is niet geschikt voor de boommarter want daar is de holte te klein voor. De holte is mogelijk geschikt voor spechten en boombewonende vleermuizen. Volgens het planvoornemen zal deze boom echter blijven staan. Van vernieling van verblijfplaatsen is dan geen sprake, enkel mogelijk verstoring. Door te werken volgens de standaard richtlijnen (die in verband met de overige groenstructuren reeds in acht genomen dienen te worden) kan verstoring redelijkerwijs worden uitgesloten. Verder moet worden opgemerkt dat de beoordeelde nestkasten een tijdelijke mitigatiemaatregel zijn voor het project ’t Klooster. De regelgeving hierbij is dat nadat de relevante gewenningsperiode van de permanente mitigatie die wordt ingebouwd in het klooster is verstreken, buiten de kwetsbare periode, door een bevoegd persoon, de mitigatie mag worden verwijderd. De permanente verblijfplaatsen ten behoeve van het project ’t Klooster zullen voor aanvang van het actieve seizoen 2025 opgeleverd worden. Zodoende mag de tijdelijke mitigatie aanwezig in de kloostertuin na het actieve seizoen verwijderd worden. Nader onderzoek Op dit moment wordt nader onderzoek naar de hierboven genoemde soorten uitgevoerd.

Deze onderzoeken worden gedurende de procedure van voorliggende omgevingsvergunning voor de bopa uitgevoerd in de daarvoor meeste geschikte perioden. Uit dat onderzoek zal moeten blijken of en welke maatregelen nodig zijn om overtreding van de Omgevingswet te voorkomen. Indien een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit benodigd is, zal deze separaat van de bopa-omgevingsvergunning worden aangevraagd bij het daartoe bevoegde gezag.

44/74

Door tijdig mitigerende maatregelen te nemen conform een voorafgaand goedgekeurd mitigatieplan kan overtreding van de Omgevingswet worden voorkomen. Op voorhand zijn er geen signalen dat een eventuele omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit niet kan worden verkregen. 5.4.3 Conclusie In het kader van etfal is voor zover mogelijk in deze fase voldoende rekening gehouden met flora en fauna in het projectgebied. Het project is op voorhand niet evident onuitvoerbaar gelet op flora- fauna. Nader onderzoek naar de betreffende soorten wordt uitgevoerd in de daarvoor geschikte perioden en er zal naar de resultaten worden gehandeld. Dat betekent dat waarschijnlijk mitigerende maatregelen en een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit nodig zullen zijn. Dit is echter geen omgevingsplanactiviteit en maakt verder dan ook geen deel uit van deze bopa-motivering.

5.5

Bezonning / schaduwhinder

5.5.1 Wettelijk kader Nieuwbouw kan zorgen voor toename van schaduw op omliggende panden, wat kan zorgen voor een negatieve impact op het woongenot. Met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties moet worden onderbouwd dat er bij een nieuwe ontwikkeling geen sprake is van onevenredige gevolgen voor de bezonningssituatie ter plaatse van omliggende woningen. In het Bkl of andere wetgeving zijn geen instructieregels opgesteld voor bezonning dan wel schaduwhinder. Daarom hebben gemeenten de vrijheid om deze zelf in te vullen. Daarbij kan een gemeente gebruikmaken van alle mogelijkheden van het instrument omgevingsplan. Gemeente Nuenen c.a. heeft in haar omgevingsplan of andere beleidsstukken geen omgevingswaarden of normen opgenomen voor wat betreft voor wat betreft bezonning en nadelige schaduwwerking op omliggende woningen. In het geval een gemeente niet over dergelijk beleid beschikt, dan kunnen de algemeen gehanteerde TNO-richtlijnen worden toegepast voor het beoordelen van de effecten van beschaduwing.

TNO kent een licht en een strenge norm: • de lichte TNO-norm: ten minste 2 mogelijke bezonningsuren per dag in de periode van 19 februari – 21 oktober (gedurende 8 maanden) in midden vensterbank binnenkant raam; • de strenge TNO-norm: ten minste 3 mogelijke bezonningsuren per dag in de periode 21 januari – 22 november (gedurende 10 maanden) in midden vensterbank binnenkant raam. Deze normen zijn alleen van toepassing op gevels die zon kunnen ontvangen. Noordgevels ontvangen nooit direct zonlicht. 5.5.2 Toetsing In de Masterplanfase is nadrukkelijk gezocht naar de optimale positionering van de gebouwen ten aanzien van de afstand tot de bestaande bebouwing, privacy en bezonning. Naar aanleiding van de beeldvormende raadsvergadering heeft aan de zijde van de Mgr. Cuytenlaan een aanpassing plaatsgevonden. Mede naar aanleiding van reacties uit de omgeving is specifiek gekeken of de afstand van de nieuwe woonbebouwing kon worden vergroot ten opzichte van de bestaande bebouwing bij de Mgr. Cuytenlaan. Hier is gehoor aan gegeven, zonder dat dit te veel ten koste is gegaan van de ruimtelijke en functionele waarde van de centraal gelegen parkruimte en te behouden bomen. Voor het beoogde ontwerp is met een bezonningstudie de schaduwwerking op omliggende woongebouwen onderzocht. De bezonningstudie is als bijlage bij deze onderbouwing gevoegd.

Uit de bezonningstudie blijkt dat aan de lichte TNO-norm wordt voldaan. Daarbij moet worden opgemerkt dat de bezonningstudie uitgaat van een zogenaamde ‘vrije-veldsituatie’. Dat wil zeggen dat obstakels (zoals bomen) tussen de nieuwbouw en omliggende woningen niet in de bezonningsdiagrammen zijn meegenomen. Deze obstakels kunnen in de huidige en beoogde situatie echter wel voor schaduw zorgen. Doordat deze obstakels niet in de diagrammen zijn meegenomen is alleen de schaduwvorming van de nieuwbouw op de omgeving in beeld

45/74

gebracht en kan dus worden afgewogen wat effectief de invloed van de nieuwbouw op de omgeving is. Geconcludeerd kan worden dat de nieuwbouw die met dit besluit mogelijk wordt gemaakt er niet voor zal zorgen dat bij omliggende woningen de lichte TNO-norm niet kan worden behaald. 5.5.3 Conclusie Het project zorgt niet voor onevenredige schaduwhinder binnen of buiten het projectgebied. Het is niet nodig om voor dit aspect voorschriften aan de omgevingsvergunning te verbinden.

5.6

Windhinder

5.6.1 Wettelijk kader Nieuwbouw kan vanwege de positionering en bouwhoogte veranderingen teweeg brengen in het lokale windklimaat. Met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties moet worden onderbouwd dat er bij een nieuwe ontwikkeling geen sprake is van onevenredige gevolgen voor het windklimaat in de directe omgeving. In het Bkl of andere wetgeving zijn geen instructieregels opgesteld voor windhinder. Daarom hebben gemeenten de vrijheid om deze zelf in te vullen. Daarbij kan een gemeente gebruikmaken van alle mogelijkheden van het instrument omgevingsplan. Gemeente Nuenen c.a. heeft in haar omgevingsplan of andere beleidsstukken geen omgevingswaarden of normen opgenomen voor wat betreft windhinder en windgevaar. In het geval een gemeente niet over dergelijk beleid beschikt, kan voor het beoordelen van het lokale windklimaat op loop- en verblijfsniveau de algemeen gehanteerde norm NEN 8100 ('Windhinder en windgevaar in de gebouwde omgeving') worden toegepast. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen windhinder en windgevaar. De norm werkt met uurgemiddelde windsnelheden (m/s) gerelateerd aan de overschrijdingskans in percentage van uren per jaar. Voor verschillende situaties en activiteiten (doorlopen, slenteren, langdurig zitten) is aangegeven of het windklimaat slecht, matig of goed is.

In deze norm zit een beslismodel dat aangeeft wanneer een windonderzoek nodig kan zijn: • gebouwen hoger dan 30 meter: windonderzoek is nodig; • beschut gelegen gebouwen, hoogte 15 tot 30 meter: specialist beoordeelt of windonderzoek nodig is; • onbeschut gelegen gebouwen, hoogte tot 30 meter: specialist beoordeelt of windonderzoek nodig is. 5.6.2 Toetsing Binnen het projectgebied zijn vier bouwvelden met in totaal vijf woongebouwen voorzien. Binnen ieder bouwveld is in bouwlagen aangegeven hoe hoog een gebouw mag worden. Uitgaande van ten hoogste 3,5 meter per bouwlaag komen de volgende maximale bouwhoogten in het projectgebied voor: • Bouwveld noordwest: 4 bouwlagen, oftewel 14 meter; • Bouwveld noordoost, noordelijk deel: 3 tot 4 bouwlagen, oftewel 10,5 tot 14 meter; • Bouwveld noordoost, zuidelijk deel: 4 bouwlagen, oftewel 14 meter; • Bouwveld zuidwest: 3 tot 4 bouwlagen, oftewel 10,5 tot 14 meter; • Bouwveld zuidoost, zuidelijk deel: 5 bouwlagen, oftewel 17,5 meter; Gelet op het voorgaande moet alleen ten aanzien van het meest zuidelijke gebouw worden beoordeeld of windonderzoek nodig is. In dit geval is echter geen windonderzoek nodig, omdat de woongebouwen in een parkachtige omgeving worden opgericht en door de bomen beschut staan. Het betreffende gebouw komt bovendien op minimaal 20 meter van omliggende gebouwen.

Gezien deze omstandigheden kan met zekerheid zonder onderzoek worden gesteld dat het project binnen en buiten het projectgebied geen onevenredige windhinder of windgevaar tot gevolg zal hebben. 5.6.3 Conclusie Het project zorgt niet voor onevenredige windhinder of windgevaar binnen of buiten het projectgebied. Het is niet nodig om voor dit aspect voorschriften aan de omgevingsvergunning te verbinden.

46/74

5.7

Omgevingsveiligheid

5.7.1 Instructieregels Omgevingsveiligheid beschrijft de risico's die ontstaan als gevolg van opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen en windturbines. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen de kans op een ramp en het aantal mogelijke slachtoffers. Ook wordt onderscheid gemaakt in het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Voor omgevingsveiligheid zijn regels opgenomen in het Besluit kwaliteit leefomgeving (paragraaf 5.1.2) Plaatsgebonden risico Het plaatsgebonden risico is de kans dat een denkbeeldig persoon, die zich een jaar lang permanent op de betreffende plek bevindt (de plek waarvoor het risico is uitgerekend), dodelijk verongelukt door een ongeval. Deze kans mag niet groter zijn dan eens in de miljoen jaar (ofwel 10-6). Grenswaarden en standaardwaarden voor het Plaatsgebonden Risico (PR) ten aanzien van (zeer) (beperkt) kwetsbare gebouwen en (beperkt) kwetsbare locaties zijn opgenomen in artikel 5.6 tot en met artikel 5.11a van het Bkl. Grenswaarden voor kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties (art. 5.7 lid 1 Bkl) worden in een Omgevingsplan in acht genomen. Met standaardwaarden voor beperkt kwetsbare gebouwen en locaties wordt in een omgevingsplan rekening gehouden (art. 5.11 Bkl). Voor het PR gelden, afhankelijk van de activiteit, vastgestelde afstanden of te berekenen afstanden (bijlage VII Bkl).

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/15999228/1