Gewijzigde vaststelling bestemmingsplan ”Buitengebied herziening Rullen ong. bij 13A” - Bijlage 1 Plantoelichting met aanpassingen
Tekst van het document
VASTGESTELD Crijns Rentmeesters bv
28
Bestemmingsplan ‘Buitengebied, herziening Rullen ongenummerd (nabij 13a), Ruimte voor Ruimte’ - Toelichting
Bij de aankoop van de bouwtitel Ruimte voor Ruimte zal voldaan worden aan de voorwaarden Ruimte voor Ruimte zoals gesteld in artikel 3.80 van de79 Interim omgevingsverordening NoordBrabant, geconsolideerde versie augustus 2023.
3.3
Gemeentelijk beleid
3.3.1 Structuurvisie Nuenen c.a. De gemeenteraad van Nuenen heeft op 5 november 2009 de ‘Structuurvisie Nuenen c.a.’ vastgesteld. Op 18 juni 2015 is een wijziging daarop vastgesteld. In de structuurvisie worden de visie en ambities voor de toekomst van de gemeente Nuenen uiteengezet. Middels de in de structuurvisie opgenomen structuurkaart wordt per gebied aangegeven wat de doelen zijn voor dat gebied. Navolgende figuur betreft een uitsnede uit deze kaart voor de omgeving van het plangebied, waarbij het plangebied is aangeduid met de zwarte cirkel.
Figuur 16: Uitsnede kaart bij ‘Structuurvisie Nuenen c.a., wijziging 2015’
De bebouwingsconcentratie Rullen is aangeduid als ‘Versterken kleinschalig landschap’ en ‘Bebouwingslinten behouden en versterken’. Het bebouwingslint zal met de bouw van een Ruimte voor Ruimte woning door stedenbouwkundige en landschappelijke inpassing versterkt worden. In de structuurvisie worden de bebouwingslinten beschreven maar voor mogelijkheden tot nieuw- of herbouw wordt verwezen naar het bestemmingsplan buitengebied. Hierin wordt geen uitsluitsel gegeven over de mogelijkheid tot woningbouw binnen bebouwingsconcentraties. Wel wordt aangegeven dat niet-agrarische bedrijvigheid binnen bebouwingsconcentratie Rullen niet gewenst is door haar ligging op korte afstand van belangrijke groenstructuren. De oprichting van een Ruimte voor Ruimte woning kan daarentegen wel gecombineerd worden met een ligging op korte afstand van groenstructuren.
VASTGESTELD Crijns Rentmeesters bv
29
Bestemmingsplan ‘Buitengebied, herziening Rullen ongenummerd (nabij 13a), Ruimte voor Ruimte’ - Toelichting
3.3.2 Woonvisie 2013-2020 De Sectorale Structuurvisie Wonen (Woonvisie) 2013-2020 van gemeente Nuenen is door de gemeenteraad vastgesteld op 5 maart 2014. Hierin zijn zeven kaders uitgewerkt die belangrijk zijn in het kader van de woonvisie: - aandacht voor bijzondere (sociale) doelgroepen; - het thema wonen-zorg-welzijn verdient extra aandacht; - regionaal de aandacht die uitgaat naar arbeidsmigranten en de zogenaamde kenniswerkers ondersteunen; - niet alleen door toevoegingen, maar ook door aanpassingen van de bestaande voorraad moet deze voor een groot deel voor iedereen toegankelijk zijn; - door te bouwen voor verschillende doelgroepen, werken we aan een evenwichtige opbouw van de bevolking; - duurzame verbeteringen aan de bestaande woningvoorraad moeten worden gestimuleerd; - wonen in de kernen Nuenen, Gerwen, Nederwetten en Eeneind heeft elk een eigen karakter Voor nieuwe projecten geldt het volgende: ‘In principe is er geen ruimte meer voor nieuwe projecten, tenzij een nieuw project beperkt van omvang is (maximaal 10 woningen per project) en aantoonbaar van belang is voor de gemeente Nuenen. Daarnaast geldt een maximum van 15 woningen per kalenderjaar (woningcontingent)’. De bouw van een nieuwe Ruimte voor Ruimte woning valt niet onder het gemeentelijke woningbouwcontingent en levert daarmee geen belemmeringen op in het kader van de Woonvisie 2013-2020.
De gemeente Nuenen bereidt thans een nieuwe woonvisie voor en is voornemens deze in het voorjaar van 2020 vast te stellen.
3.3.3 Bebouwingsconcentraties gemeente Nuenen 3.3.3 Bouwen in het buitengebied van Nuenen, Richtlijn voor Ruimte voor Ruimte-initiatieven in bebouwingsconcentraties Woningbouw in het buitengebied is enkel mogelijk in het kader van de provinciale Ruimte voor Ruimte regeling binnen bebouwingsconcentraties. De gemeente Nuenen heeft geen vastgesteld beleid ten aanzien van bebouwingsconcentraties. Gemotiveerd dient dan ook te worden dat ter plaatse van een beoogde Ruimte voor Ruimte kavel sprake is van een bebouwingsconcentratie. In de provinciale Interim omgevingsverordening worden ‘kernrandzones’, ‘bebouwingslinten’ en ‘bebouwingsclusters’ geschaard onder de definitie van een ‘bebouwingsconcentratie’.het stedelijk gebied of in een bebouwingsconcentratie in Landelijk gebied. De gemeente Nuenen heeft op 29 september 2022 de visie ‘Bouwen in het buitengebied van Nuenen, Richtlijn voor Ruimte voor Ruimte-initiatieven in bebouwingsconcentraties’ vastgesteld. In de visie worden voorwaarden en ontwerprichtlijnen gegeven voor de afweging bij het behandelen van verzoeken om Ruimte voor Ruimte woningen te realiseren. In totaal zijn er 23 bebouwingsconcentraties beschreven. Per bebouwingsconcentratie zijn de mogelijkheden aangegeven. VASTGESTELD Crijns Rentmeesters bv
30
Bestemmingsplan ‘Buitengebied, herziening Rullen ongenummerd (nabij 13a), Ruimte voor Ruimte’ - Toelichting
Een bebouwingsconcentratie, ofwel cluster, is een ruimtelijk en functioneel samenhangend ensemble van bebouwing die op geringe afstand van elkaar staat. Een bebouwingsconcentratie kan een ‘kernrandzone’, ‘bebouwingscluster’ betreft conform de provinciale Interim omgevingsverordening een “vlakvormige verzameling van bebouwing buiten bestaand stedelijk gebied”. of ‘bebouwingslint’ betreffen. Het cluster aan ‘Rullen’ kan worden gezien als een bebouwingscluster en daarmee is het plangebied is in de gemeentelijke visie aangewezen als gelegen binnen een ‘bebouwingsconcentratie’de bebouwingsconcentratie ‘Rullen’. Rullen betreft een bebouwingscluster, gelegen op de overgang van de hogere bosgronden aan de oostzijde naar het lagere en nattere beekdal van de Beek door `t Spek aan de westzijde. Op historische topografische kaarten rondom Gerwen is zichtbaar dat bebouwingsconcentraties zijn ontstaan aan een ‘plaatse’. Een plaatse betreft een driehoekige ruimte die ontstaat door een samenkomst van drie wegen. Rondom deze plaatse ontstonden van oudsher vaak buurtschappen, zo ook bebouwingsconcentratie ‘Laar’, ‘Wettenseind’ en ‘Rullen’ waarbinnen het plangebied gelegen is. Navolgende figuur geeft een beeld van de historische bebouwingsstructuur van de bebouwingsconcentratie ‘Rullen’ en omgeving. Het plangebied is hierbij weergegeven in de rode cirkel.
Figuur 17: Historische topografische kaarten omgeving plangebied, 1850 (links) en 1900 (rechts) (Bron: topotijdreis.nl)
Navolgende figuur betreft een topografische kaart van de omgeving van het plangebied in de huidige situatie. Het plangebied is hierbij zwart omcirkeld. De van oudsher gevormde, en thans aanwezige bebouwingscluster is hierbij duidelijk zichtbaar. Het plangebied sluit hier naadloos op aan.
VASTGESTELD Crijns Rentmeesters bv
31
Bestemmingsplan ‘Buitengebied, herziening Rullen ongenummerd (nabij 13a), Ruimte voor Ruimte’ - Toelichting
Figuur 18: Topografische kaart 2018
Het buurtschap Rullen is al op kaarten terug te vinden van vóór 1900. Op de kaarten is te zien hoe het buurtschap ter plaatse van het plangebied is ontstaan rondom de eerder beschreven kenmerkende ‘plaatse’. Rullen komt samen in een driehoekig patroon. Rondom dit plein is een bebouwingsconcentratie ontstaan. Het plangebied is direct aansluitend op van oudsher aanwezige bebouwing gelegen. De historische plaatse is in de huidige situatie thans nog als zodanig te herkennen. Navolgende figuur geeft een beeld van deze ‘plaatse’.
VASTGESTELD Crijns Rentmeesters bv
32
Bestemmingsplan ‘Buitengebied, herziening Rullen ongenummerd (nabij 13a), Ruimte voor Ruimte’ - Toelichting
Figuur 19: Plaatse in bebouwingsconcentratie Rullen te Nuenen
De bebouwingsconcentratie heeft van oorsprong een agrarisch karakter en bestaat thans voornamelijk nog uit (voormalige agrarische bedrijfs)woningen. Binnen de bebouwingsconcentratie is tevens een hoveniersbedrijf gelegen. Ruimte voor Ruimte is onder strikte voorwaarden mogelijk, mits landschappelijke waarden worden versterkt. Met vaststelling van de gemeentelijke visie in 2022 is reeds geanticipeerd op de beoogde Ruimte voor Ruimte woning binnen het plangebied. Met de realisatie van een Ruimte voor Ruimte woning ter plaatse van het plangebied wordt een woonfunctie toegevoegd aan het buurtschap ‘Rullen’ en daarmee op een passende plek binnen de bebouwingsconcentratie zoals gesteld in artikel 3.77 en 3.79 Interim omgevingsverordening Noord-Brabant, geconsolideerde versie augustus 2023.
3.3.4 Intergemeentelijke structuurvisie Rijk van Dommel en Aa De Intergemeentelijke structuurvisie Rijk van Dommel en Aa is vastgesteld op 29 september 2011 door de raad van Nuenen. Doel van de structuurvisie is om het Rijk van Dommel en Aa te ontwikkelen tot een regionaal landschapspark met een aantrekkelijke landschappelijke inrichting waarin natuur en recreatie de belangrijkste functies zullen zijn. De Intergemeentelijke structuurvisie Rijk van Dommel en Aa zet voor het buitengebied in op de volgende doelen: het ontwikkelen van een vrijetijdseconomie; het behoud en realisatie begrensde EHS (tegenwoordig NNB); het behoud en de versterking van de landschappelijke kwaliteiten; het herstel van de milieukwaliteit. De beoogde herbestemming is passend binnen de Intergemeentelijke Structuurvisie en doet geen afbreuk aan de uitgangspunten daarvan. In samenhang met realisatie van de beoogde Ruimte voor Ruimte woning worden landschappelijke kwaliteiten versterkt.
VASTGESTELD Crijns Rentmeesters bv
33
Bestemmingsplan ‘Buitengebied, herziening Rullen ongenummerd (nabij 13a), Ruimte voor Ruimte’ - Toelichting
4.
MILIEUHYGIËNISCHE EN PLANOLOGISCHE ASPECTEN
4.1
Vormvrije m.e.r.-beoordeling
Op 1 april 2011 is het nieuwe Besluit milieueffectrapportage in werking getreden. Een belangrijke wijziging die daarin is aangebracht, is dat voor de vraag of een m.e.r.-beoordelingsprocedure moet worden doorlopen, een toetsing aan de drempelwaarden in de D-lijst niet toereikend is. Indien een activiteit een omvang heeft die onder de grenswaarden ligt, dient op grond van de selectiecriteria in de EEG-richtlijn milieu-effectbeoordeling te worden vastgesteld of belangrijke nadelige gevolgen van de activiteit voor het milieu kunnen worden uitgesloten. Wanneer dat het geval is, is de activiteit niet m.e.r.-(beoordelings)plichtig. In het kader van de wijziging van het Besluit m.e.r. is een handreiking opgesteld over de vraag hoe moet worden vastgesteld of een activiteit met een omvang onder de drempelwaarde toch belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kan hebben. In de handreiking is opgenomen dat voor elk besluit of plan dat betrekking heeft op activiteit(en) die voorkomen op de D-lijst en die een omvang hebben die beneden de drempelwaarden liggen een toets moet worden uitgevoerd of belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. Voor deze toets wordt de term vormvrije m.e.r.-beoordeling gebruikt.
De toetsing in het kader van de vormvrije m.e.r.-beoordeling dient te geschieden aan de hand van de selectiecriteria in bijlage III van de EEG-richtlijn milieu-effectbeoordeling. Binnen het plangebied zal slechts één woning in het kader van de regeling Ruimte voor Ruimte opgericht worden. Het betreft een zeer kleinschalige ontwikkeling die geen negatieve effecten op het gebied van milieu met zich mee zal brengen. Dit is nader toegelicht in de deze toelichting. Op basis hiervan kan geconcludeerd worden dat het milieubelang in voldoende mate is afgewogen en dat er geen nadelige effecten te verwachten zijn.
4.2
Water
4.2.1 Inleiding Het doel van de watertoets is te waarborgen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op evenwichtige wijze in beschouwing worden genomen bij alle waterhuishoudkundig relevante plannen en besluiten. Een watertoets maakt de mogelijke negatieve invloeden van het initiatief op het plangebied inzichtelijk. Tevens geeft de watertoets oplossingsrichtingen aan waarmee mogelijke optredende negatieve invloeden beperkt of ongedaan gemaakt kunnen worden. Het waterschap heeft een aantal principes gedestilleerd, die van belang zijn als vertrekpunt van het overleg tussen initiatiefnemer en waterbeheerder. Het plangebied valt onder het beheer van Waterschap De Dommel.
VASTGESTELD Crijns Rentmeesters bv
34
Bestemmingsplan ‘Buitengebied, herziening Rullen ongenummerd (nabij 13a), Ruimte voor Ruimte’ - Toelichting
4.2.2 Relevant beleid 4.2.2.1
Waterbeheerplan 2016-2021, Waardevol Water
Het waterschap heeft het Waterbeheerplan 2016-2021, Waardevol Water vastgesteld. Het plan is afgestemd op de ontwikkeling van het Stroomgebiedsbeheer Maas, het Nationaal Waterplan en het Provinciaal waterplan. Het nieuwe waterbeheerplan geeft vier uitgangspunten weer die de richting aangeven van de plannen en oplossingen van het waterschap voor de periode 2016 – 2021. Deze vier uitgangspunten luiden als volgt: 1. De beekdalbenadering: Door het beekdal als groter geheel steeds voor ogen te houden, kan het waterschap integraler en effectiever werken. Wel is samenwerking met andere overheden, andere waterpartners en inwoners daarbij essentieel. Water verbindt de stad met het ommeland. Water verbindt mensen. 2. De gebruiker centraal: De omgeving wordt op heel veel verschillende manieren gebruikt. Ook veranderen de behoeften en belangen van gebruikers. De waarde van water verandert met de maatschappij mee. Daar heeft het waterschap oog voor en speelt daarop in. 3. Samen sterker: Door de handen ineen te slaan met andere overheden en waterpartners, boeren en bedrijven, bereikt het waterschap meer dan op eigen houtje. Zij aan zij zoekt het waterschap naar de beste oplossingen en maakt daar werk van. Het waterschap wil inspireren en ruimte geven. Door flexibel te zijn in de samenwerking met ideeën van derden versterkt het waterschap de uitvoeringskracht. 4.
Gezonde toekomst: Ook toekomstige generaties wil het waterschap voldoende, veilig en schoon water kunnen bieden. Overal in de maatschappij streeft het waterschap naar duurzaamheid. Het denken in kringlopen is daarbij de basis. Het waterschap sluit hierbij aan en ziet het als een inspirerende uitdaging. Mensen bewust maken van de waarde van water om zo tot duurzaam gebruik te komen zal de komende jaren in het werk van het waterschap verweven zijn. 4.2.2.2
Keur Waterschap De Dommel 2015
Waterschap De Dommel beheert het grond- en oppervlaktewater (zoals rivieren en beken) en waterkeringen met bijbehorende kunstwerken (bijvoorbeeld stuwen en gemalen). Om het gronden oppervlaktewater en de waterkeringen goed te kunnen beheren en beschermen zijn er regels nodig, vastgelegd in een verordening, de ‘Keur Waterschap De Dommel 2015’. In de Keur staan algemeen geformuleerde geboden en verboden. Naast deze geboden en verboden is er een groot aantal algemene regels opgesteld. Daarnaast zijn in veel gevallen activiteiten in en rondom kleine waterlopen helemaal vrijgesteld van regels. Het plangebied is niet gelegen in een keurbeschermingsgebied. Navolgende figuur betreft een uitsnede uit de keurkaart van Waterschap De Dommel met daarop het plangebied indicatief is aangeduid en waarop de waterlopen in de omgeving zijn aangeduid.
VASTGESTELD Crijns Rentmeesters bv
35
Bestemmingsplan ‘Buitengebied, herziening Rullen ongenummerd (nabij 13a), Ruimte voor Ruimte’ - Toelichting
Plangebied
Figuur 20: Uitsnede keurkaart Waterschap De Dommel met tevens de watergangen aangeduid
4.2.2.3
Beleidsregel Hydrologische uitgangspunten bij de Keurregels voor afvoeren van hemelwater, Brabantse waterschappen
Op basis van de Keur en de ‘Beleidsregel Hydrologische uitgangspunten bij de Keurregels voor afvoeren van hemelwater, Brabantse waterschappen’ wordt geen compensatie vereist voor plannen met een toename van verhard oppervlak van minder dan 2.000 m², zoals in dit plan. Het hemelwater afkomstig van het toegenomen verhard oppervlak mag naar bestaand oppervlaktewater worden afgevoerd. Op vrijwillige basis is de aanleg van een infiltratievoorziening toegestaan, mits daarbij in voldoende mate met de omgeving rekening gehouden wordt en geen wateroverlast op eigen terrein of bij derden ontstaat. De beoogde ontwikkeling voorziet in de toevoeging van één vrijstaande woning ter plaatse van het plangebied. Ter plaatse wordt derhalve voorzien in circa 500 m² nieuw verhard oppervlak, bestaande uit hoofdgebouw, bijgebouwen en erfverharding. Op basis van artikel 15 van de ‘Algemene regels Keur waterschap De Dommel 2015’ geldt voor een dergelijke ontwikkeling met een toename van verhard oppervlakte < 2.000 m² een vrijstelling van het verbod, zoals bedoeld in artikel 3.6 van de Keur, voor het afvoeren van hemelwater via toename verhard oppervlak of door afkoppelen van verhard oppervlak, naar een oppervlaktewaterlichaam.
4.2.3 Waterparagraaf 4.2.3.1
Bodemgebruik en grondwaterstand
De bodem ter plaatse van het plangebied betreft enkeerdgrond en bestaat uit leemarm en zwak lemig fijn zand (bodemtype zEZ21) en is voedselrijk en vochtig tot droog. Ter plaatse vindt geen grondwateronttrekking plaats. De gemiddelde hoogste grondwaterstand (GHG) ter plaatse van het plangebied bedraagt tussen de 40 en 80 centimeter beneden maaiveld.
VASTGESTELD Crijns Rentmeesters bv
36
Bestemmingsplan ‘Buitengebied, herziening Rullen ongenummerd (nabij 13a), Ruimte voor Ruimte’ - Toelichting
4.2.3.2
Hydrologisch neutraal bouwen
Het waterschap streeft naar een robuust watersysteem. Voor ontwikkelingen die dit negatief kunnen beïnvloeden, wordt daarom uitgegaan van de trits “vasthouden-bergen-afvoeren”. Dat wil zeggen dat water zoveel mogelijk in een gebied wordt vastgehouden door infiltratie en waar dit niet mogelijk is water tijdelijk wordt geborgen (retentie). Door water lokaal te infiltreren of te bergen in een voorziening wordt het versneld afvoeren van overtollig hemelwater naar het bestaande oppervlaktewatersysteem zoveel mogelijk voorkomen. Op basis van de Keur en de ‘Beleidsregel Hydrologische uitgangspunten bij de Keurregels voor afvoeren van hemelwater, Brabantse waterschappen’ wordt geen compensatie vereist voor de beoogde herontwikkeling ter plaatse van het plangebied. Het hemelwater afkomstig van het nieuw verhard oppervlak mag naar bestaand oppervlaktewater worden afgevoerd. Op vrijwillige basis is de aanleg van een infiltratievoorziening toegestaan, mits daarbij in voldoende mate met de omgeving rekening gehouden wordt en geen wateroverlast op eigen terrein of bij derden ontstaat. Het plangebied is gelegen in het buitengebied, in de nabijheid van het Natuurnetwerk Brabant en keurbeschermingsgebieden. Binnen deze gebieden wordt getracht water vast te houden. In het plangebied dient het water te worden opgevangen en verwerkt.
In de nieuwe situatie zal de infiltratie van het regenwater dat valt op daken van de woningen en bijgebouwen worden bewerkstelligd door het schone hemelwater via dakgoten en regenpijpen af te voeren naar een ondergronds infiltratie transportriool. Vanuit dit transportriool zal het water in eerste instantie zoveel mogelijk infiltreren in de ondergrond. Op het moment dat de capaciteit van het transportriool volledig is benut, voert deze het water af naar een infiltratievoorziening. Deze voorziening wordt zodanig gedimensioneerd dat er een voldoende dynamische berging bij een extreme regenval. Gedacht kan daarbij worden aan het afvoeren van het hemelwater naar een laagte op het eigen perceel (wadi of zaksloot). Het perceel biedt hiertoe voldoende ruimte. In het grootste deel van het jaar zal het water echter via infiltratiebuizen in de bodem infiltreren. Voor toevoeging van de Ruimte voor Ruimte woning met bijbehorende bouwwerken en verharding wordt een omvang aan verharding verwacht van circa 400 m². Voorbeelden van manieren van infiltreren zijn weergeven in navolgende figuur.
Figuur 21: Manieren om water op eigen terrein te infiltreren
VASTGESTELD Crijns Rentmeesters bv
37
Bestemmingsplan ‘Buitengebied, herziening Rullen ongenummerd (nabij 13a), Ruimte voor Ruimte’ - Toelichting
Infiltratievoorzieningen dienen altijd plaats te vinden boven de Gemiddelde Hoogste Grondwaterstand (GHG). De GHG ter plaatse van het plangebied bedraagt circa 40 tot 80 centimeter beneden maaiveld. De gevoeligheidsfactor op deze locatie bedraagt 0,5. De juiste maat van de voorziening voor hemelwaterberging deze locatie is derhalve te berekenen met de volgende formule: m2 afvoerend verhard oppervlak x 0,06 x 0,5 = m3 benodigde berging. Bij de aanvraag van de omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen van de woning zal hierop nader worden ingegaan middels berekeningen aan de hand van de juiste maatvoeringen.
4.2.4 Kwaliteit van te lozen en infiltreren hemelwater Om de kwaliteit van het hemelwater te garanderen dienen onderdelen welke met regenwater in aanraking kunnen komen, te worden vervaardigd of te bestaan uit niet-uitloogbare bouwmaterialen zoals kunststoffen of gecoat staal of aluminium (in plaats van lood of asfalt etc.). Door het gebruik van niet-uitlogende materialen komen geen verhoogde concentraties verontreinigende stoffen (DuBo-maatregelen) voor in het te infiltreren water. Infiltratie van afgekoppelde verhardingen zoals opritten, parkeerplaatsen en terrassen mag niet verontreinigd zijn met chemische bestrijdingsmiddelen, olie, agressieve reinigingsmiddelen of andere verontreinigende stoffen.
4.3
Flora en fauna
4.3.1 Inleiding Op 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming (Wnb) van kracht geworden. Deze wet vervangt drie wetten: de Natuurbeschermingswet 1998, de Boswet en de Flora- en faunawet. Zowel in de voorgaande als nieuwe wetgeving zijn de nationale natuurwetgeving en internationale richtlijnen en verdragen verankerd, zoals Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn, Wetland-Conventie, Conventie van Bern, Cites en Verdrag van Ramsar. De wet is opgesplitst in de bescherming van gebieden (gebiedsbescherming) en de bescherming van soorten (soortenbescherming). Door Maassen Ecologisch Advies en Onderzoek is een ecologische quickscan uitgevoerd. De conclusies uit het uitgevoerde onderzoek is in navolgende subparagrafen nader toegelicht. Het onderzoek (J.F.G. Maassen, Herontwikkeling perceel ongenummerd Rullen te Nuenen, d.d. 10 december 2019) is als bijlage bij onderhavig bestemmingsplan gevoegd.
4.3.2 Gebiedsbescherming Het meest nabij gelegen Natura 2000-gebied betreft de Strabrechtse Heide en Beuven op een afstand van circa 8,5 kilometer ten zuiden van het plangebied. Gezien de afstand van de Natura2000 gebieden tot het plangebied en de kleinschaligheid van de ontwikkeling kan gesteld worden dat er geen significante effecten op het Natura-2000 gebied. Het plangebied is wel gelegen in de directe nabijheid van bestaande natuur, welke door de provincie is aangeduid als Natuur Netwerk Brabant. Navolgende figuur geeft een uitsnede van het Natuurbeheerplan, waarbij het plangebied is weergegeven middels de zwarte cirkel.
VASTGESTELD Crijns Rentmeesters bv
38
Bestemmingsplan ‘Buitengebied, herziening Rullen ongenummerd (nabij 13a), Ruimte voor Ruimte’ - Toelichting
Figuur 22: Uitsnede Natuurbeheerplan
In het uitgevoerde flora- en faunaonderzoek komen de navolgende conclusies getrokken voor wat betreft de gebiedsbescherming: “Natura 2000-gebied Gelet op de kleinschaligheid en aard van de voorgenomen ontwikkeling en ligging op voldoende geruime afstand tot Natura 2000 kunnen negatieve effecten op Natura 2000 gebied als een kwaliteitsverlies of overschrijding van de gestelde drempelwaarden geheel uitgesloten worden. Natuurnetwerk Nederland (NNN, voorheen EHS) Er worden geen negatieve effecten verwacht die de wezenlijke waarden en kenmerken van de NNN/EHS aantasten gelet op de aard en schaal van de voorgenomen ingrepen en ontwikkeling en de ligging op voldoende afstand. Een toetsing aan het NNN/EHS-beleid wordt niet noodzakelijk geacht. Groenblauwe mantel De nieuwe bestemming van het plangebied wordt als passend beoordeeld binnen de geldende gebiedsvisie voor de Groenblauwe mantel. De voorgenomen ontwikkeling betekent geen aantasting van functies en landschappelijke kwaliteiten van de Groenblauwe mantel.”
4.3.3 Soortenbescherming In de Wet natuurbescherming geldt een aantal verbodsbepalingen ter bescherming van plantenen diersoorten. Er is sprake van 2 beschermingsniveaus, te weten: Europees beschermde soorten volgens de Habitat- en Vogelrichtlijn en Nationaal beschermde soorten. Voor alle inheemse diersoorten, beschermd of onbeschermd, geldt de zorgplicht. De zorgplicht wil zeggen dat men deze niet onnodig mag doden, verwonden of beschadigen. Voor onbeschermde soorten
VASTGESTELD Crijns Rentmeesters bv
39
Bestemmingsplan ‘Buitengebied, herziening Rullen ongenummerd (nabij 13a), Ruimte voor Ruimte’ - Toelichting
geldt geen ontheffingsplicht maar alleen de zorgplicht. Naast soorten beschermt de Wet natuurbescherming ook verblijfplaatsen die als ‘vast’ kunnen worden aangemerkt. Een vaste verblijfplek betreft een verblijfplek waarnaar een dier regelmatig terugkeert en niet slechts eenmalig voor een specifieke functie gebruikt wordt, zoals de nesten van de meeste vogels. Voor beschermde soorten dienen de effecten op populatieniveau te worden getoetst. In tegenstelling tot de voorgaande Flora- en faunawet is de bescherming in mindere mate individueel en dient de staat van de instandhouding van de gehele populatie in aanmerking te worden genomen. In het uitgevoerde flora- en faunaonderzoek komen de navolgende conclusies getrokken voor wat betreft de soortenbescherming: “Soorten Habitatrichtlijn De enige soort die onder strenge beschermingsregiem van de Habitatrichtlijn vallen en met enige waarschijnlijkheid binnen het plangebied verwacht kunnen worden zijn vleermuizen en in het bijzonder de gewone dwergvleermuis. Binnen het plangebied en de directe invloedsfeer daarvan ontbreken geschikt verblijfsmogelijkheden voor vleermuizen en andere soorten waarvoor een strikte bescherming geldt. Negatieve effecten op verblijfplekken en functioneel leefgebied voor soorten van de habitatrichtlijn kunnen uitgesloten worden.
Soorten nationaal beschermd (geen vrijstelling) Niet geheel uitgesloten kan worden dat nationaal beschermde soorten waarvoor geen vrijstelling geldt op een incidentele wijze het plangebied bezoeken. Verblijfplekken van deze soorten kunnen echter binnen het plangebied en invloedsfeer daarvan uitgesloten worden. Jaarrond beschermde verblijfplekken van zoogdieren en vogels Binnen het plangebied en de invloedssfeer daarvan kunnen verblijfplaatsen die als jaarrond beschermde vaste verblijfplaatsen van vogels en zoogdieren kunnen worden aangemerkt uitgesloten worden. Als gevolg van de ontwikkeling worden ook geen negatieve effecten verwacht op elementen die van essentieel belang kunnen zijn voor de instandhouding van het functioneel leefgebied van soorten waarvoor een strikte bescherming geldt. Beschermde houtopstanden Binnen het plangebied ontbreken houtopstanden die beschermd zijn via de Wet natuurbescherming of kapvergunning plichtig zijn.”
4.3.4 Stikstof De Wet natuurbescherming voorziet in specifieke kaders voor gebieden die op grond van internationale verplichtingen moeten worden beschermd, te weten de Natura 2000 gebieden, bedoeld in de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn. Ten aanzien van de gebiedsbescherming is het de bedoeling dat plannen en projecten eenduidig en integraal worden getoetst op hun invloed op de te beschermen natuurwaarden in de Vogel- en Habitatrichtlijngebieden.
VASTGESTELD Crijns Rentmeesters bv
40
Bestemmingsplan ‘Buitengebied, herziening Rullen ongenummerd (nabij 13a), Ruimte voor Ruimte’ - Toelichting
Het Programma Aanpak Stikstof (PAS) regelde sinds 2015 de ruimte voor economische ontwikkelingen die gepaard gaan met de uitstoot van stikstof nabij Natura 2000-gebieden. Enerzijds heeft het PAS tot doel het behoud en herstel van de Natura 2000-gebieden. Anderzijds creëert het PAS door de reductie van stikstof ruimte voor nieuwe economische ontwikkelingen, zoals de verbreding van een snelweg, woningbouw of de uitbreiding van een veehouderij. Op 29 mei 2019 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State einduitspraken gedaan in enkele procedures tegen het Programma Aanpak Stikstof. De Afdeling komt tot de conclusie dat de passende beoordeling die aan het PAS ten grondslag ligt niet voldoet aan de eisen die het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) daaraan stelt. De Afdeling heeft bepaald dat de PAS niet meer gehanteerd kan worden als toetsingskader voor projecten. Het Hof oordeelt dat zeker gesteld moet zijn dat een ontwikkeling geen nadelige gevolgen heeft voor een Natura 2000-gebied. Met AERIUS Calculator 2019 wordt de uitstoot van stikstof en de neerslag daarvan op Natura 2000-gebieden die het gevolg is van een ontwikkeling berekend. Door de Rijksoverheid is de ‘Handreiking woningbouw en Aerius’ opgesteld.
Uit deze handreiking blijkt samengevat dat bij maximaal 50 laagbouwwoningen, gebouwd op zandgrond op minimaal 7 km afstand van een Natura 2000-gebied, de stikstofdepositie onder gemiddelde omstandigheden 0,00 mol/ha/jaar bedraagt. Binnen het plangebied is sprake van realisatie van één woning op een afstand van circa 8,5 kilometer van voor stikstof gevoelige richtlijngebieden. Hiermee kan uitgesloten worden dat de ontwikkeling een effect heeft op stikstof van meer dan 0,00 mol/hectare/per jaar.
4.3.5 Conclusie De beoogde ontwikkeling is geen bezwaar in het kader van de Wet natuurbescherming. De beoogde ontwikkeling heeft geen sloop van gebouwen of verwijdering van landschapselementen tot gevolg. Niettemin wordt aanbevolen om verblijfsmogelijkheden voor vleermuizen en huismussen in te bouwen in de nieuwbouw. Indien hiervan gebruik wordt gemaakt, wordt hier bij de omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen voor de woning nader op ingegaan.
4.4
Archeologie
4.4.1 Wet op de archeologische monumentenzorg Op 1 september 2007 is de Wet op de archeologische monumentenzorg (Wamz) van kracht geworden. Voor archeologische waarden geldt per 1 september 2007 op basis van de gewijzigde Monumentenwet 1988 de wettelijke verplichting om bij vaststelling van een bestemmingsplan rekening te houden met de in de grond aanwezige, dan wel te verwachten monumenten. In de Wamz zijn de uitgangspunten van het Verdrag van Valletta voor Nederland nader uitgewerkt. Eén van de uitgangspunten van de Wamz is dat op gemeentelijk niveau op verantwoorde wijze wordt omgegaan met het archeologisch erfgoed. De Wamz heeft dan ook een decentraal karakter en heeft gemeenten tot bevoegd gezag gemaakt wat betreft de zorg voor het archeologische bodemarchief binnen hun grondgebied.
VASTGESTELD Crijns Rentmeesters bv
41
Bestemmingsplan ‘Buitengebied, herziening Rullen ongenummerd (nabij 13a), Ruimte voor Ruimte’ - Toelichting
4.4.2 Gemeentelijk archeologiebeleid De gemeente Nuenen heeft een beleidskaart ten behoeve van het behoud van archeologische waarden opgesteld. Navolgende figuur geeft een uitsnede van deze kaart voor de omgeving weer waarop het plangebied indicatief met een zwarte cirkel is aangeduid.
Figuur 23: Uitsnede archeologie beleidskaart gemeente Nuenen
Het plangebied is op de Archeologische beleidskaart aangeduid als ‘Categorie 3b: Gebied met hoge verwachting met esdek’. Voor gebieden in categorie 3 geldt op basis van geomorfologische en bodemkundige opbouw en aangetroffen archeologische en bodemkundige opbouw en aangetroffen vondsten en relicten een hoge archeologische verwachting. Dat wil zeggen dat in deze gebieden sprake is van een hoge concentratie archeologische vindplaatsen met goede conserveringsomstandigheden. De kans op het aantreffen van archeologische vondsten bij bodemingrepen is dus zeer groot. Om die reden is een archeologisch onderzoek vereist bij bodemingrepen en te bebouwen oppervlakten van projectgebieden die groter zijn dan 500 m² en dieper gaan dan 0,3 meter of 0,5 meter bij esdek onder maaiveld. De in de archeologische beleidskaart genoemde waarden en voorwaarden zijn tevens vastgelegd in het vigerende bestemmingsplan middels de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 3b Hoge verwachting met esdek’. Ter plaatse geldt een ondergrens voor archeologisch onderzoek bij bodemingrepen over een oppervlakte van meer dan 500 m².
4.4.3 Beoordeling plangebied Verwacht wordt dat de ondergrens voor archeologisch onderzoek niet wordt overschreden. Dit is echter bestemmingsplanmatig niet verzekerd. Derhalve is ter plaatse van het plangebied door KSP Archeologie een Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek, verkennende fase, uitgevoerd. Navolgende conclusie komt voort uit het uitgevoerde onderzoek: “Het doel van het archeologische bureauonderzoek was het opstellen van een gespecificeerde archeologische verwachting voor het plangebied. Op basis van de
VASTGESTELD Crijns Rentmeesters bv
42
Bestemmingsplan ‘Buitengebied, herziening Rullen ongenummerd (nabij 13a), Ruimte voor Ruimte’ - Toelichting
landschappelijke ligging binnen een ten dele verspoelde dekzandvlakte is aan het plangebied een lage verwachting toegekend voor zowel vuursteenvindplaatsen uit het Laat-Paleolithicum tot en met het Neolithicum, als voor nederzettingsresten uit het Neolithicum tot en met de Volle Middeleeuwen (tot in de 13e eeuw) alsmede voor bebouwingsresten vanaf de Late Middeleeuwen (vanaf de 13e eeuw) tot en met de Nieuwe tijd. Vervolgens is deze verwachting getoetst door middel van een inventariserend veldonderzoek, verkennende fase. Uit het booronderzoek is gebleken dat de bovengrond bestond uit een opgebracht pakket humeus zand. Daaronder zijn geen resten van een podzolbodem aangetroffen. Het blijft onduidelijk of het plangebied van oorsprong een lage ligging heeft gehad of dat er mogelijk sprake is geweest van zandwinning. In het eerste geval was het plangebied ongeschikt als nederzettingslocatie dan wel als landbouwgrond en in het tweede geval zouden eventueel aanwezige archeologische sporen zijn verdwenen. Hoe dan ook betekent dit voor het plangebied dat de kans zeer klein is dat er archeologische resten aanwezig zijn.
Op basis hiervan blijven de in het bureauonderzoek opgestelde lage verwachtingen voor zowel vuursteenvindplaatsen uit het Laat-Paleolithicum tot en met het Neolithicum, als voor nederzettingsresten uit het Neolithicum tot en met de Volle Middeleeuwen (tot in de 13e eeuw) alsmede voor bebouwingsresten vanaf de Late Middeleeuwen (vanaf de 13e eeuw) tot en met de Nieuwe tijd gehandhaafd. Tijdens een booronderzoek kan geen archeologische vindplaats worden aangetroffen, ten hoogste archeologische indicatoren die wijzen op de aanwezigheid van een archeologische vindplaats. Een waardestelling conform protocol 4003, VS06 is dan ook niet van toepassing.” Navolgend selectieadvies wordt gegeven in het onderzoek: “Er is geen enkeerdgrond en er zijn ook geen resten van een podzolbodem aangetroffen. Het bovenste deel van de bodem bestond uit een opgebracht pakket grond om de bodem vanwege de lage ligging geschikt te maken voor landbouwkundig gebruik. Het blijft onduidelijk of het plangebied van oorsprong een lage ligging heeft gehad of dat er mogelijk sprake is geweest van zandwinning. In het eerste geval was het plangebied ongeschikt als nederzettingslocatie dan wel als landbouwgrond en in het tweede geval zouden eventueel aanwezige archeologische sporen zijn verdwenen. Hoe dan ook betekent dit voor het plangebied dat de kans zeer klein is dat er archeologische resten aanwezig zijn.
Op grond van de hieruit voortvloeiende lage archeologische verwachting voor het plangebied voor alle archeologische perioden adviseert KSP Archeologie geen archeologisch vervolgonderzoek. Bovenstaand advies vormt een zogenaamd selectieadvies. KSP Archeologie wijst erop dat dit selectieadvies nog niet betekent dat reeds bodemverstorende activiteiten of daarop voorbereidende activiteiten kunnen worden ondernomen. De resultaten van dit onderzoek zullen namelijk eerst moeten worden beoordeeld door VASTGESTELD Crijns Rentmeesters bv
43
Bestemmingsplan ‘Buitengebied, herziening Rullen ongenummerd (nabij 13a), Ruimte voor Ruimte’ - Toelichting
de bevoegde overheid (gemeente Nuenen, Gerwen en Nederwetten), die vervolgens een selectiebesluit neemt. Het rapport is op 14-02-2020 beoordeeld door […] van de Omgevingsdienst Zuidoost- Brabant (Advies Archeologische Monumentenzorg 2020-nr. 41). Het advies om het plangebied niet te onderwerpen aan vervolgonderzoek wordt door de beoordeellaar onderschreven. Het uitgevoerde onderzoek is op zorgvuldige wijze verricht volgens de algemeen gebruikelijke inzichten en methoden. Het onderzoek is erop gericht om de kans op het aantreffen dan wel vernietigen van archeologische waarden bij bouwwerkzaamheden in het plangebied te verkleinen. Aangezien het onderzoek is uitgevoerd door middel van een steekproef kan echter, op basis van de onderzoeksresultaten, de aan- of afwezigheid van eventuele archeologische waarden niet met zekerheid gegarandeerd worden. Indien bij graafwerkzaamheden archeologische waarden worden aangetroffen, dienen deze conform de Erfgoedwet 2016, artikel 5.10, bij de minister gemeld te worden. In de praktijk kan de vinder terecht bij de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (T 033 – 4217 456 of info@cultureelerfgoed.nl) zodat de vondst geregistreerd wordt in het centraal archeologisch informatiesysteem.
Daarnaast wordt het advies gegeven om de vondst ook bij de gemeente te melden.” Dit selectieadvies wordt onderschreven door de Omgevingsdienst Zuidoost-Brabant en door de gemeente Nuenen, Gerwen en Nederwetten.
4.4.4 Conclusie Geconcludeerd wordt dat ter plaatse van het plangebied een lage archeologische verwachting geldt. Derhalve wordt aan het plangebied een lage verwachtingswaarde toegekend in plaats van de vigerende hoge verwachtingswaarde. Aan het plangebied wordt de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 5 Lage verwachting’ toegekend.
4.5
Cultuurhistorie
4.5.1 Cultuurhistorische Waardenkaart 4.5.1.1
Inleiding
Op de Cultuurhistorische Waardenkaart van de provincie (landschaps)waarden van bovenlokaal belang aangegeven. 4.5.1.2
zijn
de
cultuurhistorische
Meierij
Het plangebied is gelegen in de regio Meijerij. De natuurlijke terreingesteldheid heeft in de Meijerij voor een groot deel de culturele inrichting gevormd. Deze indeling van het terrein is nog steeds goed herkenbaar in het landschap en heeft in grote mate de bewoningsgeschiedenis bepaald. In combinatie met de dorpen en buurtschappen en de plaatselijk aanwezige kleinschaligheid verleent dit het gebied een grote landschappelijke en cultuurhistorische waarde.
VASTGESTELD Crijns Rentmeesters bv
44
Bestemmingsplan ‘Buitengebied, herziening Rullen ongenummerd (nabij 13a), Ruimte voor Ruimte’ - Toelichting
De Meierij wordt gekenmerkt door een kleinschalig mozaïek van oude en jonge ontginningslandschappen en woeste gronden. Vanouds waren de randen van de beekdalen en de dekzandruggen de meest geschikte plek voor bewoning. De beekdalen zelf en de uitgestrekte broekgebieden waren te nat om te wonen of om akkerbouw te bedrijven. Deze terreinen werden gebruikt als weide, hooiland of hakhout. Op de hogere delen bevonden zich vroeger uitgestrekte heidevelden, bossen en stuifzanden. Door overbeweiding ontstonden op enkele plekken stuifzanden (bijvoorbeeld de Loonse en Drunense Duinen). Een en ander had tot gevolg dan het agrarisch landschap over het algemeen heel kleinschalig was. De beekdalen waren heel besloten. De percelen waren er klein en vrijwel allemaal omgeven door opgaande beplanting. In de negentiende en twintigste eeuw zijn veel van de ‘woeste gronden’, de heidevelden en de broekgebieden omgezet in landbouwgrond. Nieuwe boerderijen werden gebouwd op plaatsen die tot dan onbewoond waren geweest. In de jonge heideontginningen is een rationele verkaveling en ontwatering gerealiseerd. De Meierij wordt gekarakteriseerd door veel kleine dorpen, met ieder hun eigen karakter en met het landschap.
Door de achteruitgang van de populierenteelt in de introductie van het prikkeldraad, waardoor de perceelrandbegroeiing zijn functie als veekering verloor, is de kleinschaligheid van de beekdalen op veel plaatsen verloren gegaan. Dit proces werd versterkt door de uitvoering van ruilverkavelingen in de tweede helft van de twintigste eeuw. Hierdoor zijn de markante verschillen tussen de hoge zandgronden, de oude cultuurgebieden en de beekdalen voor een deel verloren gegaan. 4.5.1.3
Dekzandeiland Tongelreep-Groote Aa
Het plangebied is tevens gelegen binnen Dekzandeiland Tongelreep-Groote Aa met als hoofdlandschap zandlandschap (dekzandreliëf, beekdal, stuifduinen). Het landschap ligt ten oosten en zuidoosten van Eindhoven en omvat het dal van de Kleine Dommel en de Groote Aa van Nuenen tot voorbij Leende en het relatief hooggelegen dekzandlandschap ten westen hiervan. In het noorden is het dekzandeiland van Nuenen en het beekdal van de Hooidonkse beek bij dit landschap getrokken. De overgang van het dal van de Groote Aa naar het westelijk gelegen dekzandlandschap bestaat grotendeels uit oude bouwlanden. Westelijk van deze zone zijn uitgebreide stuifzandcomplexen aanwezig. Het dekzandeiland van Nuenen is vrijwel geheel met oude bouwlanden bedekt. 4.5.1.4
Groene Woud
Ook is het gebied gelegen in Cultuurhistorisch landschap ‘Groene Woud’, dit betreft een Nationaal Landschap. Het gebied laat zich kenmerken door beekdalen en dekzandplateaus, in de kleinschalige middeleeuwse ontginningen wisselen bossen, heidevelden, zandverstuivingen en jonge ontginningen af.
4.5.2 Waarden binnen plangebied en omgeving Het buurtschap Rullen is al op kaarten terug te vinden van vóór 1900. Op de kaarten is te zien hoe het buurtschap ter plaatse van het plangebied is ontstaan rondom de eerder beschreven kenmerkende ‘plaatse’. Rullen komt samen in een driehoekig patroon. In de omgeving is sprake van een aantal historische boerderijen welke thans nog op de zelfde plek staan als vroeger. Binnen het gehucht is in de loop der jaren meer bebouwing toegevoegd. De bebouwingsconcentratie heeft van oorsprong een agrarisch karakter en bestaat thans voornamelijk nog uit (voormalige agrarische bedrijfs)woningen. Binnen de bebouwingsconcentratie is tevens een
VASTGESTELD Crijns Rentmeesters bv
45
Bestemmingsplan ‘Buitengebied, herziening Rullen ongenummerd (nabij 13a), Ruimte voor Ruimte’ - Toelichting
hoveniersbedrijf gelegen. De toevoeging van een Ruimte voor Ruimte woning binnen het cluster is een passende ontwikkeling binnen de van oudsher kenmerkende kleinschaligheid van de Meierij en doet geen afbreuk aan de uitstraling van de reeds bestaande cultuurhistorische panden in de omgeving en het ensemble binnen het cluster. Ter plaatse van het plangebied is geen sprake van bebouwing. Als gevolg van de beoogde herontwikkeling gaat dan ook geen bebouwing verloren, en ook geen landschapselementen worden verwijderd.
4.5.3 Conclusie De beoogde herontwikkeling is dermate kleinschalig dat deze geen negatieve invloed zal hebben op voorgenoemde cultuurhistorische waarden. Hiermee wordt enkel bijgedragen aan het terugbrengen van de kleinschaligheid zoals kenmerkend binnen de Meierij.
4.6
Bedrijven en milieuzonering
De (indicatieve) lijst ‘Bedrijven en Milieuzonering’ uitgegeven door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) geeft de richtafstanden weer voor milieubelastende activiteiten. In de lijst ‘Bedrijven en Milieuzonering’ worden richtafstanden gegeven voor de aspecten geur, stof, geluid en gevaar. De richtafstanden gelden tussen de grens van de bestemming en de uiterste grens van de gevel van een milieugevoelige functie die volgens het bestemmingsplan of via vergunningvrij bouwen mogelijk is. De richtafstanden zijn afgestemd op twee omgevingstypen: ‘rustige woonwijk’ en ‘gemengd gebied’. Het kan in dergelijke gebieden gaan om bestaande gebieden met functiemenging en om gebieden waar bewust functiemenging wordt nagestreefd, bijvoorbeeld om een grotere levendigheid tot stand te brengen. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend (grootschalige) agrarische bedrijvigheid wordt hieronder verstaan. De richtafstanden in de VNG-publicatie kunnen in ‘gemengd gebied’, zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat, met één afstandsstap verlaagd worden. De omgeving van het plangebied kenmerkt zich als voormalige agrarische omgeving met (voormalige agrarische bedrijfs)woningen, een niet-agrarisch bedrijf, natuur en enkele meer recent opgerichte woningen. De omgeving is dan ook aan te duiden als ‘gemengd gebied’.
In de omgeving van het plangebied is slechts één niet-agrarisch bedrijf gelegen. Dit betreft een hoveniersbedrijf aan Rullen 11a. Een hoveniersbedrijf met een bebouwd oppervlakte van meer dan 500 m² valt volgens de VNG-brochure in de milieucategorie 3.1. Binnen het ‘gemengd gebied’ geldt voor bedrijven in de milieucategorie 3.1 een richtafstand van 30 meter tot een gevoelig object. De meest dicht bij het plangebied gelegen hoek van de bedrijfsbestemming aan Rullen 11a is gelegen op een afstand van 58,5 meter ten westen van het plangebied. Het aspect Bedrijven en milieuzonering vormt derhalve geen belemmering voor de realisatie van een Ruimte voor Ruimte woning ter plaatse van het plangebied.
VASTGESTELD Crijns Rentmeesters bv
46
Bestemmingsplan ‘Buitengebied, herziening Rullen ongenummerd (nabij 13a), Ruimte voor Ruimte’ - Toelichting
4.7
Geurhinder
4.7.1 Inleiding De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) vormt sinds 1 januari 2007 het toetsingskader voor vergunningverlening als het gaat om geurhinder vanwege dierverblijven van veehouderijen. De wet geeft onder andere normen voor de voor- en achtergrondbelasting die een veehouderij mag veroorzaken op een geurgevoelig object (bijvoorbeeld een woning). Voor een concentratiegebied geldt een maximale geurbelasting van 3 odour units per kubieke meter lucht (oue/m³) binnen de bebouwde kom en een norm van 14 oue/m³ buiten de bebouwde kom. Voor dieren waarvoor geen emissiefactoren zijn vastgesteld gelden vaste afstanden. Voor het buitengebied geldt dat er sprake is van een vaste afstand van 50 meter van de rand van het bouwvlak tot een geurgevoelig object. Voor plannen in de bebouwde kom geldt een vaste afstand van 100 meter van de rand van het bouwvlak tot een geurgevoelig object. Anders dan voorheen is het mogelijk maatwerk te leveren, niet per bedrijf of object, maar per gebied. De gemeente Nuenen heeft geen afwijkende geurnormen vastgesteld. Indirect heeft de Wgv consequenties voor de totstandkoming van geurgevoelige objecten. Een geurnorm beoogt namelijk mensen te beschermen tegen overmatige geurhinder.
Omgekeerd moet een bevoegd gezag dan ook niet toestaan dat mensen zichtzelf blootstellen aan die overmatige hinder, bijvoorbeeld door zich in de directe nabijheid van een veehouderij te vestigen. Bij besluitvorming omtrent de (her)ontwikkeling van de locatie dient in het kader van het aspect ‘geur’ antwoord gegeven te worden op de vragen: Is ter plaatse een goed woon- en verblijfklimaat gegarandeerd? (belang geurgevoelig object). Wordt niet iemand onevenredig in zijn belangen geschaad? (belangen veehouderij en derden).
4.7.2 Veehouderijbedrijven in de omgeving van het plangebied In de omgeving van het plangebied is een drietal veehouderijbedrijven gelegen. Navolgende figuur geeft een beeld van de ligging van de veehouderijbedrijven ten opzichte van het plangebied. Het plangebied is hierbij weergegeven in de zwarte cirkel.
VASTGESTELD Crijns Rentmeesters bv
47
Bestemmingsplan ‘Buitengebied, herziening Rullen ongenummerd (nabij 13a), Ruimte voor Ruimte’ - Toelichting
Rullen 15
Laar 80
Rullen 7 (inmiddels ingetrokken) Figuur 24: Ligging plangebied ten opzichte van het veehouderijbedrijven in de omgeving
Op deze veehouderijen zijn de navolgende dieraantallen vergund:
Figuur 25: Vergunde dieraantallen Laar 80 (Bron: Web BVB provincie Noord-Brabant), vertaald naar de meest recente emissiewaarden
VASTGESTELD Crijns Rentmeesters bv
48
Bestemmingsplan ‘Buitengebied, herziening Rullen ongenummerd (nabij 13a), Ruimte voor Ruimte’ - Toelichting
Figuur 26: Milieuvergunning Rullen 15 te Nuenen (bron: BVB Brabant), vertaald naar de meest recente emissiewaarden
4.7.3 Woon- en leefklimaat 4.7.3.1
Inleiding
Als vuistregel voor de beoordeling van het woon- en leefklimaat geldt dat de voorgrondbelasting bepalend is voor de hinder, als de voorgrondbelasting tenminste de helft bedraagt van de achtergrondbelasting. Navolgend worden derhalve de voorgrond- en achtergrondbelasting ter plaatse van het plangebied inzichtelijk gemaakt. 4.7.3.2
Voorgrondbelasting
Laar 80
Rullen 15
Met de voorgrondbelasting wordt de geurbelasting van een individuele veehouderij bedoeld en wel van díe veehouderij welke de meeste geur op het geurgevoelige object veroorzaakt (dominantie veehouderij), hetzij omdat het een grote veehouderij betreft, hetzij omdat de veehouderij dicht bij het geurgevoelige object is gelegen. Om te bepalen welke veehouderij de dominante veehouderij betreft, is voor alle drie de veehouderijen de voorgrondbelasting berekend met het programma V-Stacks Vergunning. De XY-coördinaten van het geurgevoelige object betreffen hierbij de vier hoeken van de beoogde woonbestemming. De XY-coördinaten van de veehouderijen betreffen de meest dicht bij het plangebied gelegen punten van het bouwvlak. Hiermee is de worst-case scenario berekend. Een samenvatting van de resultaten van de berekeningen zijn weergegeven in navolgende tabel.
x-coördinaat
166 505
166 734
y-coördinaat
389 726
390 033
geuremissie
23.307
73.687
2,1
12,1
hoogste voorgrondbelasting
Tabel 1: Samenvatting berekening voorgrondbelasting omliggende veehouderijbedrijven
VASTGESTELD Crijns Rentmeesters bv
49
Bestemmingsplan ‘Buitengebied, herziening Rullen ongenummerd (nabij 13a), Ruimte voor Ruimte’ - Toelichting
Uit de berekeningen blijkt dat de veehouderij aan Rullen 15 de domainante veehouderij betreft. Derhalve is voor deze veehouderij de volledige voorgrondbelasting berekend. Deze veehouderij wordt gezien de ligging dicht tegen het Natuur Netwerk Brabant en gezien de ligging van enkele reguliere burgerwoningen reeds belemmerd in de ontwikkelingsmogelijkheden. Derhalve is voor de berekening van de voorgrondbelasting afkomstig van dit veehouderijbedrijf de werkelijke emissie gehanteerd. Navolgend is de volledige berekening van de voorgrondbelasting afkomstig van de veehouderij aan Rullen 15 weergegeven. De uitgangspunten zijn hierbij afkomstig uit de vigerende vergunning. Berekende ruwheid: 0,28 m Meteo station: Eindhoven Brongegevens: Volgnr.
BronID
X-coord.
Y-coord.
EP Hoogte
Gem.geb. hoogte
EP Diam.
EP Uittr. snelh.
E-Aanvraag
1
Stal 3
166 645
390 062
5,8
3,3
3,20
1,18
15 620
2
Stal 4A
166 685
390 010
3,0
4,1
2,90
1,15
6 397
3
Stal 4B
166 672
390 028
5,8
4,1
2,00
1,35
4 198
4
Stal 5
166 615
390 092
5,8
6,8
2,50
1,35
12 040
5
Stal 6
166 665
390 035
3,7
3,8
2,50
1,22
6 380
6
Stal 7
166 591
390 087
7,2
6,4
2,90
3,78
29 052
Geur gevoelige locaties: Volgnummer
GGLID
Xcoordinaat
Ycoordinaat
Geurnorm
Geurbelasting
7
N
166 885
389 887
14,0
8,3
8
W
166 863
389 860
14,0
8,0
9
O
166 906
389 837
14,0
7,0
10
Z
166 874
389 823
14,0
6,8
Tabel 2: Voorgrondbelasting veehouderij Rullen 15 op plangebied
De voorgrondbelasting op het plangebied bedraagt op basis van de vergunde situatie van Rullen 15 maximaal 8,3 oue/m³. De geurnorm ter plaatse bedraagt maximaal 14 oue/m³ en wordt daarmee dan ook niet overschreden. Met een voorgrondbelasting van maximaal 8,3 oue/m³ kan worden gesteld dat in een concentratiegebied sprake is van een ‘matig woon- en leefklimaat’. 4.7.3.3
Achtergrondbelasting
Ten behoeve van de bepaling van het woon- en leefklimaat ter plaatse van het plangebied is tevens de achtergrondbelasting berekend. Onder de achtergrondbelasting wordt de geurbelasting als gevolg van de veelheid aan veehouderijen in de omgeving van een geurgevoelig object verstaan. De achtergrondbelasting wordt berekend met het programma V-Stacks Gebied. De XYcoördinaten van de geurgevoelige objecten betreffen hierbij de hoekpunten van het gehele plangebied. Ten behoeve van de berekening van de achtergrondbelasting dienen de veehouderijen binnen een straal van 2 kilometer rondom de onderzoekslocatie beoordeeld te worden. Hiertoe zijn alle bedrijven in de gemeenten Nuenen, Laarbeek en Helmond ingevoerd. De invoergegevens van deze bedrijven voor het programma V-Stacks Gebied zijn afkomstig uit de database van het Bestand Veehouderijbedrijven van de provincie Noord-Brabant (uitvoer 4
VASTGESTELD Crijns Rentmeesters bv
50
Bestemmingsplan ‘Buitengebied, herziening Rullen ongenummerd (nabij 13a), Ruimte voor Ruimte’ - Toelichting
februari 2019). Deze invoergegevens zijn als bijlage bij onderhavige toelichting gevoegd. Aangezien sprake is van een berekening van de huidige situatie is de maximaal vergunbare emissie voor de bedrijven gelijk gesteld aan de vergunde emissie in de bestaande situatie. Navolgend zijn de resultaten van de berekening van achtergrondbelasting weergeven. Berekende ruwheid: 0,40 m Meteo station: Eindhoven Rekenuren: 25 % Rasterpunt linksonder x: 166 374 m Rasterpunt linksonder y: 389 323 m Gebied lengte (x): 1000 m , Aantal gridpunten: 50 Gebied breedte (y): 1000 m , Aantal gridpunten: 50
Figuur 27: Achtergrondbelasting plangebied en omgeving
Cumulatieve geurbelasting op receptorpunten, zoals berekend RecepID
X-coor
Y-coor
Geurbelasting [ou/m3]
1001
166 885
389 887
11,332
1002
166 863
389 860
10,782
1003
166 897
389 859
8,804
1004
166 872
389 828
9,081
Tabel 3: Achtergrondbelasting ter plaatse van plangebied
Ter plaatse van het plangebied bedraagt de maximale achtergrondbelasting 11,332 oue/m³. Op grond van de achtergrondbelasting kan worden gesteld dat ter plaatse sprake is van een ‘redelijk goed woon- en leefklimaat’. 4.7.3.4
Conclusie woon- en leefklimaat
Als vuistregel voor de beoordeling van het woon- en leefklimaat geldt dat de voorgrondbelasting bepalend is voor de hinder, als de voorgrondbelasting tenminste de helft bedraagt van de VASTGESTELD Crijns Rentmeesters bv
51
Bestemmingsplan ‘Buitengebied, herziening Rullen ongenummerd (nabij 13a), Ruimte voor Ruimte’ - Toelichting
achtergrondbelasting. Derhalve is in onderhavige situatie de voorgrondbelasting bepalend. Met een voorgrondbelasting van maximaal 8,3 oue/m³ kan worden gesteld dat ter plaatse sprake is van een ‘matig woon- en leefklimaat’. Ter plaatse is, zeker met inachtneming van tevens de achtergrondbelasting, sprake van een acceptabel woon- en leefklimaat.
4.7.4 Ontwikkelingsmogelijkheden omliggende bedrijven De ontwikkeling van het plangebied naar een locatie voor een Ruimte voor Ruimte woning mag de toekomstige ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende bedrijven niet belemmeren. De omliggende veehouderijen worden echter al belemmerd in hun ontwikkelingsmogelijkheden door de aanwezigheid van burgerwoningen die gelegen zijn tussen het plangebied en de betreffende veehouderijen en door de ligging in de directe nabijheid van het NNB. Ontwikkeling van het plangebied naar een woningbouwlocatie belemmert de ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende bedrijven dan ook niet meer dan thans het geval is.
4.7.5 Conclusie Bij besluitvorming omtrent de (her)ontwikkeling van de locatie dient in het kader van het aspect ‘geur’ antwoord gegeven te worden op de vragen: Is ter plaatse een goed woon- en verblijfklimaat gegarandeerd? (belang geurgevoelig object). Wordt niet iemand onevenredig in zijn belangen geschaad? (belangen veehouderij en derden). Ter plaatse van het plangebied is sprake van een acceptabel woon- en leefklimaat. Als gevolg van de beoogde herontwikkeling worden ook geen veehouderijbedrijven belemmerd in de ontwikkelingsmogelijkheden. De beoogde herontwikkeling is dan ook in het kader van het aspect geur geen bezwaar.
4.8
Geluid
Bij de ontwikkeling van nieuwe ruimtelijke woonfuncties is het noodzakelijk inzicht te verkrijgen in de mogelijke geluidshinder in het kader van de Wet geluidhinder. Langs alle wegen, woonerven en wegen met een maximumsnelheid van 30 kilometer per uur daargelaten, zijn geluidzones aanwezig waarbinnen de geluidhinder getoetst dient te worden. Ter plaatse van het plangebied wordt een nieuw geluidgevoelig object beoogd. Derhalve is een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai uitgevoerd. Navolgende conclusies en aanbevelingen komen voort uit het uitgevoerde onderzoek: “Voor wegverkeerslawaai is het plan gelegen binnen de geluidzone van de wegen Rullen, De Huikert en Bosweg. Voor de wegen Bosweg en De Huikert geldt dat de geluidbelasting ten gevolge van het wegverkeer op deze wegen de voorkeursgrenswaarde van 48 dB op geen enkele gevel van de nieuwe woning overschrijdt. Voor de weg Rullen geldt dat de geluidbelasting op de zijgevels van de nieuwe woning de voorkeursgrenswaarde van 48 dB overschrijdt. De maximale
VASTGESTELD Crijns Rentmeesters bv
52
Bestemmingsplan ‘Buitengebied, herziening Rullen ongenummerd (nabij 13a), Ruimte voor Ruimte’ - Toelichting
ontheffingswaarde van 53 dB voor nieuwbouw in buitenstedelijk gebied wordt ter plaatse van deze gevels niet overschreden. Derhalve is het mogelijk om een beschikking hogere waarde aan te vragen bij de gemeente indien de toepassing van overdrachts- of bronmaatregelen gericht op het terugbrengen van de geluidbelasting onvoldoende doeltreffend is dan wel overwegende bezwaren ontmoet. Voor de weg Rullen geldt tevens dat de geluidbelasting de maximale ontheffingswaarde overschrijdt ter plaatse van de voorgevel. Een overschrijding van de maximale ontheffingswaarde wordt in principe niet toegestaan door de Wet geluidhinder. Om toch woningbouw te kunnen realiseren is het mogelijk de voorgevel als “dove gevel” conform artikel 1b, lid 4 van de Wet geluidhinder uit te voeren. Een “dove gevel” is namelijk geen gevel volgens de Wet geluidhinder. Dit betekent derhalve dat er geen te openen delen (ramen en deuren) in deze gevels zijn toegestaan, met uitzondering van eventuele incidenteel te openen delen (zoals een verhuisraam), mits deze delen niet direct grenzen aan een geluidgevoelige ruimte. Aangezien draaiende delen voor de vereiste spuiventilatie noodzakelijk zijn, dient hier in de plattegrond rekening mee te worden gehouden. Bij het gedeeltelijk “doof” uitvoeren van een gevel (bijvoorbeeld alleen de eerste en tweede verdieping) is nader overleg met de gemeente vereist.
Het aanleggen van een geluidwal of geluidscherm (overdrachtsmaatregelen) gericht op het terugbrengen van de geluidbelasting ten gevolge van het wegverkeer tot de maximale ontheffingswaarde, dan wel voorkeursgrenswaarde, ontmoet in de onderhavige situatie overwegende bezwaren van stedenbouwkundige en landschappelijke aard. Het vergroten van de afstand tussen geluidbron en ontvanger is tevens niet doeltreffend in onderhavige situatie. Voor het toepassen van stiller wegdek (bronmaatregel) geldt dat de maximale ontheffingswaarde nog altijd overschreden wordt. De voorkeurgrenswaarde wordt hierbij niet meer overschreden. Het toepassen van een stiller wegdek ontmoet echter overwegende bezwaren van financiële aard. De gemeente Nuenen, Gerwen en Nederwetten heeft geen eigen geluidbeleid met betrekking tot het verlenen van hogere waarden vastgesteld. Conform opgave wordt echter wel rekening gehouden met het document “Ontheffingenbeleid Wet Geluidhinder: Wegverkeerslawaai, spoorweglawaai en industrielawaai” d.d. 10 februari 1998 van de provincie Noord-Brabant, welke is overgenomen door de gemeente Nuenen, Gerwen en Nederwetten. Conform dit beleidsstuk kan er pas een hogere waarde worden verleend als voldaan wordt aan de hoofdcriteria uit de Wet geluidhinder en aan een van de in het beleidsstuk genoemde subcriteria.
De beoogde woning sluit qua gebouwhoogte en bebouwingsdichtheid aan op de bestaande bebouwing gelegen aan de zuidzijde van het plangebied. Hiermee wordt voor onderhavig plan aan het subcriterium 'opvullen open plaats' voldaan.
VASTGESTELD Crijns Rentmeesters bv
53
Bestemmingsplan ‘Buitengebied, herziening Rullen ongenummerd (nabij 13a), Ruimte voor Ruimte’ - Toelichting
De geluidgevelbelasting is lager dan 53 dB. Derhalve geldt er geen aanvullende eis voor het beschikken van een geluidluwe gevel. Desalniettemin beschikt de woning over een geluidluwe achtergevel. Hiermee wordt er voldaan aan de voorwaarden uit het provinciaal beleid. Derhalve wordt onderbouwd verzocht hogere waarde te verlenen conform artikel 110a, lid 5 van de Wet geluidhinder. Aangezien in onderhavige situatie sprake is van een procedure hogere waarde, is voor de woning een aanvullend onderzoek ter bepaling van de geluidwering van de gevels nodig. Bij toepassing van de juiste geluidwerende materialen en maatregelen (conform een nader onderzoek) is vervolgens een goed akoestisch woon- en leefklimaat gewaarborgd. Tevens blijkt uit de rekenresultaten dat de woning beschikt over een geluidluwe achtergevel dan wel buitenruimte. Aan deze geluidluwe gevel dient een verblijfsruimte te zijn gelegen.” Het uitgevoerde akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai (Tritium Advies, documentnummer 1907/100/DJ-01, d.d. 7 oktober 2019) is als bijlage bij onderhavige toelichting gevoegd. De voorgevel zal derhalve in het geheel als ‘dove gevel’ worden uitgevoerd, evenals de noordelijke zijgevel op de begane grond. Dit wordt verankerd op de verbeelding en in de regels van onderhavig bestemmingsplan.