CConstaterende datNuenen
Koppel je AI →
Document · PDF

Erfgoedbeleid - Erfgoed uitgediept

Beeldvormende raadsbijeenkomst 7 september 2023, gemeente NuenenBij agendapunt: Erfgoedbeleid38.288 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 4 van 5

Op de grens tussen Brabant en Limburg komen als gevolg van de Gelderse invallen tal van “landweren” voor, zoals in Gemert, Bakel, Deurne, Budel en Valkenswaard. Een landweer is een kilometerslange wal,

138 Van Asseldonk 2016. 139 Adriaensen 2007.

71

liefst met gracht en palissade of doornige struiken, waarmee men een landstreek tegen roofzuchtige (leger)benden kon afschermen. Op plaatsen waar er wegen doorheen liepen moest er ook een verdedigbare structuur zijn. In het naburige Limburg dateren de landweren uit de eerste helft van de vijftiende eeuw. In Budel markeert op de kadasterkaart een zwak gebogen lopende en 1900 meter lange sloot genaamd de “Weergracht” vermoedelijk een dergelijke landweer. In Dommelen is een groot deel van de landweer in beeld gebracht bij opgravingen en markeert de landweer de grens tussen de gemeynte en het dorp.140 Bij Doonheide in Gemert bestond de landweer behalve uit twee greppels met een wal ertussen uit zeven rijen struikelkuilen (zie reconstructie hieronder).141 In Nuenen zijn vooralsnog geen landweren bekend, maar dat ze hier ook lagen, valt zeker niet uit te sluiten.

Reconstructie van de landweer bij Doonheide in Gemert (tekening P. Becx).

2.9

De Tachtigjarige oorlog en zijn naweeën

De Tachtigjarige Oorlog, 1568 – 1648, heeft deze streek losgeweekt uit het oude hertogdom Brabant en tot onderdeel van Staats-Brabant gemaakt. Wie echter meent dat met de Vrede van Munster van 1648 de vrede en rust was weer gekeerd, heeft het mis. Nog tot een eind in de achttiende eeuw bleven bij tijd en wijle vreemde legerbenden de streek teisteren, gingen de dorpen gebukt onder de aflossing van in de oorlog aangegane leningen en werd zelfs de grens met de Zuidelijke Nederlanden diplomatiek betwist. De bevolkingsomvang was in de late zestiende eeuw erg teruggelopen. Ze herstelde weer wat, maar zeker tot 1750 was er van een echte groei geen sprake. De in hoofdzaak katholieke bevolking had bovendien te maken met de merkwaardige manier waarop men na 1648 omging met het begrip “godsdienstvrijheid”. Dit alles is reden om heel de periode 1568 – 1795 hier als één blok te bespreken.

140 Moerman 2014. 141 Bosman 2009.

72

2.9.1

De oorlog

De streek had vanaf 1572 te maken met rondtrekkende legerbenden, te beginnen met geuzen en soldaten die vanuit Weert opereerden. Dat was in een aantal dorpen reden om boerenschansen te bouwen. Daartoe werd een perceel omgeven met gracht en wal. De toegang werd een verdedigbare brug. De paar schansen die teruggevonden en herkend zijn, zijn echter zo klein, dat niet voorstelbaar is dat daar de bevolking van een heel gehucht, laat staan van het hele dorp, in ondergebracht kon worden. Misschien dienden ze alleen voor enkele afgelegen boerderijen. In 1576 kwamen Spaanse muiters op onvriendelijk bezoek142en zo zouden er nog veel plagen volgen. De bevolking bewapende zich en in 1576 kon men de volgende aantallen noteren: Bewapende bevolking in 1576. Plaats

Vuurwapen

steek- of hakwapen

Totaal

Gemeente 1997

Bladel

103

180

283

Bladel

Casteren

41

Bladel

Hapert

59

Bladel

Hoogeloon

84

Bladel

Duizel

39

Eersel

132

Eersel

45

Eersel

72

113

Reusel-De Mierden

13

13

Valkenswaard

Eersel

33

99

Steensel Reusel

41

Dommelen Valkenswaard

18

31

49

Valkenswaard

Aalst

12

18

30

Waalre

Waalre

13

19

32

Waalre

Woensel

74

135

209

Eindhoven

Bron: Adriaenssen, 2007, 95. Vervolgens kwam de streek terecht in een episode waarin min of meer de tactiek van de verbrande aarde werd toegepast, vooral in 1580-1587. Dorpen ontvolkten, velen stierven of trokken weg naar verre streken om niet terug te keren. Adriaenssen schat dat de bevolking in de Meierij toen 68,5% terugliep!143 Bladel zag in 1583 bijna heel de veestapel verdwijnen, in Eersel bleven dat jaar van de 300 huizen er maar 3 overeind. In Eersel brak daarnaast ook de pest uit waarbij de helft van de inwoners omkwam.144 In 1587 werd ook de Geefhuishoeve in Gerwen145 verbrand in het kader van de verschroeide aardecampagne. De schade bleef beperkt: de pachtopbrengst van Gerwen, verreweg de grootste hoeve van het Geefhuis, daalde van 34 mud 11/2 zester in 1586 tot 10 mud in 1587, waarna de opbrengst weer steeg tot 32 mud I zester in 1588. Ook de Heeze, Leende, Bladel en Eersel en andere dorpen werden in 1590 als voorbeeld rigoureus gebrandschat en lagen er in 1591 verlaten bij.146 Overigens heetten Hulsel, Maarheeze, Soerendonk en Bladel al in 1588 onbewoond te zijn.147 Veel was daar dus niet te halen. In Bladel was in 1583 reeds de helft van de 180 huizen onbewoond, in Lage Mierde was een derde van de huizen verwoest en de bevolking van Riethoven kromp tussen 1570 en 1600 met 40%.148 In Budel waren in 1590 inwoners in de kerktoren gevlucht, waar ook het archief lag.

142 Adriaenssen 2007, 94. 143 Adriaenssen, 2007, 275. 144 Adriaenssen, 2007, 108. 145 Het betreft hier het goed Ten Alvensoen of Ten Broeke, dat gelegen was nabij het buurtschap Broekeind, niet ver van het gasthuis van Gerwen. Het was een van de 46 boerderijen van de Tafel van de Heilige Geest van de Sint-Jansparochie te 'sHertogenbosch (Adriaenssen 2007, 288-293). 146 Adriaenssen, 2007, 210, 243. 147 Adriaenssen, 2007, 244. 148 Adriaenssen, 2007, 271.

73

Dat belette de vijand niet de toren in brand te steken. Inwoners en archief verbrandden. Een ander deel van de administratie werd door de soldaten geroofd uit de sacristie.149

Staatse troepen schieten tijdens een gevecht een kerk in brand.[Uit: Uytven, R. van (red.), e.a., Geschiedenis van Brabant van het hertogdom tot heden, Zwolle/Leuven, 2004.] Het land bleef braak liggen of oogsten werden verbrand. Na deze diepe crisis moest er veel heropgebouwd worden en het is mogelijk dat daarbij gehuchten definitief verdwenen of een nieuwe vorm kregen. Tekenend is dat veel oude dorpsarchieven, met uitzondering van een paar oudere stukken, vaak niet verder teruggaan dan deze rampperiode. Het Twaalfjarig Bestand (1609 – 1621) betekende een hele verademing. Het voorzichtige herstel zette nu met kracht door en op veel plaatsen is er een brede opleving te zien. Men vond zelfs tijd en geld om kerken te herstellen. Anders dan gehoopt hernam de oorlog in 1621 weer. In 1629 viel Den Bosch in handen van de Republiek en deze claimde daarop de zeggenschap over de hele Meierij. Dit leidde tot een periode waarin zowel vanuit het zuiden als vanuit het noorden belasting geheven werd, naast de tussendoor opgelegde brandschattingen van loslopende legerbenden. Voor de betaling van deze en eerdere oorlogslasten gingen de dorpen grote schulden aan waar ze nog tot ver in de achttiende eeuw last van hadden. Uiteindelijk werd bij de Vrede van Munster vastgelegd dat de Meierij inderdaad aan de Republiek werd toegewezen: ze ging deel uitmaken van Staats-Brabant.

Na 1648 werd de streek af en toe toch weer overlopen door legers. Zo werd in 1672 het kasteel van Cranendonk door de Engelsen opgeblazen! Samenvattend: vanaf 1572 kreeg men te maken met rondtrekkende legerbenden die brand stichtten en geld en onderhoud eisten. In de jaren 1580 – 1587 raakten heel wat dorpen geheel of deels ontvolkt en verwoest. Ook daarna bleef het tot 1609 nog bijzonder onveilig. In dit eerste deel van de oorlog werd veel vernield of beschadigd, inclusief dorpsarchieven. Het Twaalfjarig bestand bracht een korte

149 Adriaenssen, 2007, 152, 235.

74

economische opleving met herbouw, maar na 1629 zaten de dorpen weer tegen nieuwe problemen aan te kijken: naast opnieuw stroperijen ook een dubbele belastingheffing.

De plundering van een dorp gedurende de Tachtigjarige Oorlog. (Bron: Sebastiaen Vrancx, Plundering van een dorp, ca. 1615-1620, collectie Museum Kunstpalast Düsseldorf / Wikimedia Commons)

2.9.2

Vindplaatsen uit de Nieuwe tijd in Nuenen

Archeologisch onderzoek in 2018 en 2021 aan het Witte Hondpad in Nuenen bracht een bijzonder vondstcomplex aan het licht. De vondsten zijn vermoedelijk te relateren aan de hoeve Berkenbosch, die in ieder geval teruggaat tot 1615 en de op de akker te zuiden ervan gelegen voormalige tiendschuur. Centraal binnen het opgegraven terrein ligt een drietal greppels met erbinnen een schuur en een stal. Mogelijk vormen de greppels met palissade een toegangsweg tot het perceel waarop de schuur stond of het terrein rondom de hoeve Berkenbosch. Tussen beide greppels is een diepe kuil aangetroffen met een zeer vondstrijke vulling. Het gaat om een grote hoeveelheid aardewerk waaronder een complete kan van roodbakkend aardewerk met een versiering die naar de verering van St. Catharina verwijst. Verder zijn 74 metalen voorwerpen in de kuil aangetroffen. Het gaat om diverse voorwerpen waaronder een slotplaat en twee scharnieronderdelen, een kantrechtbijl, twee ijzeren gespen, twee koebellen, beslagplaten/-strips van waarschijnlijk een kist en een aspen van een wagen. Verder zijn diverse fragmenten zoals platen, staven en stiften aanwezig die niet goed thuis gebracht kunnen worden. Het metaalassemble vormt een opmerkelijk geheel aan ijzeren voorwerpen waarin geen duidelijke onderlinge samenhang te herkennen is.

Het is daarom raadselachtig om welke reden de objecten samen in de kuil terecht gekomen zijn. De vondsten in de kuil dateren tussen 1475 en 1550. Dit plaatst het vondstcomplex historisch in de periode van de Gelderse oorlogen. In de omgeving van Nuenen vinden tussen 1470 en 1481 plunderingen plaats en in 1486 wordt Eindhoven door Gelderse troepen veroverd en platgebrand. Ook in de zestiende eeuw vinden meermalen oorlogshandelingen plaats in de omgeving van Nuenen. Met name in 1512 wordt Nuenen genoemd als één van de dorpen die door de Gelderse troepen worden gebrandschat. Uit historische bronnen blijkt dat het aantal bewoonbare huizen in Nuenen afneemt van 157 naar 103. Mogelijk is het vondstcomplex begraven

75

voorafgaand aan (of juist na) één van de genoemde oorlogshandelingen, waarbij uiteraard de brandschatting van 1512 de meest voor de hand liggende handeling is.150

De kuil die werd aangetroffen aan het Witte Hondpad met daarin veel aardewerk en metaal uit 14751550, mogelijk bewust verstopt ten tijde van plundering door de Gelderse troepen (foto R. Berkvens). 2.9.3

Generaliteitsland

Na de ondertekening van de Unie van Utrecht in 1579 kwamen de opstandige gewesten geregeld bijeen om te overleggen over de strijd tegen Spanje. Hieruit kwam de Staten-Generaal voort. Vanaf 1585 namen de gedeputeerden van Brabant niet langer deel aan deze bijeenkomsten. Als gevolg werd de Meierij van's-Hertogenbosch na de vrede van Munster in1648 als een zogenoemd generaliteitsland vanuit Den Haag bestuurd, zonder een stem te hebben in de Staten-Generaal. Na de vrede van Munster nam de Staten-Generaal de bevoegdheden van de voormalige hertog van Brabant over. De StatenGeneraal benoemden voortaan de hoogschout en laagschout van's-Hertogenbosch, de kwartierschouten en nog een aantal andere functionarissen, zoals alle secretarissen en vorsters in plaatsen waar dat benoemingsrecht niet aan een heer behoorde.151 De regelgeving op het gebied van de godsdienstvrijheid maakte dat de katholieken in 1648 hun kerk moesten afstaan aan de protestanten. Bovendien mochten ze geen nieuwe kerk stichten en mochten de priesters al helemaal niet herkenbaar over straat gaan. Aanvankelijk was de protestantse overheid daar heel streng in. In die periode zijn her en der, net over de toenmalige grens van Staats-Brabant, kapellen opgericht waar men wél de kerkelijke plichten kon vervullen. Soms werd daar zelfs een speciale weg naar aangelegd. “Kerkdijk” is dan een typische naam.

Het meest bekend is wel de Achelse Kluis die uitgroeide tot een compleet landgoed en klooster. Na 1672 werden de regels minder streng nageleefd en trad een systeem van systematische omkoping van de schout in werking. Als men hem een bedrag toeschoof, kneep hij een oogje dicht. Maar als de schout wat meer wilde, deed hij gewoon weer eens een inval… Het werd nu mogelijk ook op de gehuchten schuurkerken te bouwen, soms zelfs op verrassend korte afstand van de oude kerk. In de achttiende eeuw gaf de Raad van State zelfs toestemming om die schuurkerken volgens ingediende bouwtekening te verbeteren. 150 Bink 2020. 151 Van Asseldonk 2016.

76

In enkele plaatsen was er in de bloeiperiode rond 1500 een kleine dorpskom bij de kerk gevormd, maar nu die kerk in protestantse handen gevallen was, was daarbij niets meer te verdienen. Des te meer werd dat in de achttiende eeuw mogelijk nabij de schuurkerk. Daar ontstond soms een heuse nieuwe nederzetting, zoals ook in Nuenen. In die dorpskommen vinden we rond 1800 geen of weinig boeren, maar vooral verzorgers (smid, bakker, slager, herberg, bestuurders), verzorgden (“particulieren”, renteniers, weduwen) en in enkele dorpen ook handelaren en wagenvoerders. In Staats-Brabant werd al het kerkelijk bezit van binnen de Republiek gelegen kloosters en kerken door de Raad van State genaast. Tot de genaaste bezitscomplexen hoorde ook het bezit van het bisdom Den Bosch. Dat was pas in 1559 opgericht en had later in de zestiende eeuw vooral veel bezit van de abdij Tongerlo overgenomen. Bezit van de kloosters van Averbode, Thorn en Echternach of Luikse kerken werd niet genaast omdat die instellingen buiten de Republiek gevestigd waren. De Raad van State gebruikte het aldus gevormde formidabel bezit aan land, altaren, cijnzen en tienden om de salarissen van predikanten en kosters-schoolmeesters van te betalen.152 Toch werden de aldus verworven boerderijen aanvankelijk nogal verwaarloosd, kennelijk omdat men van plan was ze te verkopen.

Een hele reeks twaalfde-eeuwse domeinhoeven is via kloosters en deels het bisdom uiteindelijk bij de Raad van State terecht gekomen en daarna verkocht of vercijnsd. Door deze hoeven te herkennen, kunnen we dus terugkijken naar de ontstaansfase van onze dorpen! Zelfs wanneer daar nu misschien een modern bedrijf staat. 2.9.4

Herbouw

Mogelijk al enigszins na 1600, zeker tussen 1609 – 1621 en vooral na 1648 moet er veel herbouwd zijn. Het is dus te verwachten dat heel wat nu nog bestaande gebouwen in hun kern tot deze periode zullen teruggaan, al kunnen er hier of daar oudere bouwdelen bewaard gebleven zijn. Die zijn dan heel belangrijk en zeldzaam. De bouwwijze van het boerderijhoofdgebouw, het woonstalhuis, veranderde niet wezenlijk. Hooguit werd er op den duur meer baksteen verwerkt in de wanden van het woonhuis: de beginnende verstening van de boerderij. Bij de herbouw van de schuren kwam kennelijk een nieuw schuurtype in de mode: de Vlaamse schuur, waarin men langs de lange zijde van voor naar achter kon doorrijden met een beladen kar. Daarvoor moet dan het dak opwelven, wat deze schuren hun typische uiterlijk geeft. Dergelijke schuren waren zelfs exportproduct want de Eerselse timmerman Bartolomeus Jacob Jansen leverde in 1627 de gebintenconstructie voor de grote Vlaamse schuur van Gageldonk te Princenhage die er nog altijd staat. 153 Behalve boerderijen moesten er ook woningen herbouwd worden voor landarbeiders, wevers en handelaren. Deels was daarbij de bouwwijze een sterk verkleind boeren woonstalhuis, deels bouwde men op andere wijze. De rijkdom van de opdrachtgever zal mede bepaald hebben hoeveel baksteen daarbij toegepast werd. Met de herbouw van kerken ging het moeizaam.

De middeleeuwse kerkgebouwen waren overgedragen aan de vaak minuscule of zelfs ontbrekende protestantse gemeenten die voor herstel echt geen geld hadden. Wat er van die oude kerken overbleef hing dus af van de opgelopen schade en de omvang van de protestantse gemeente. De kerktorens waren vaak in beheer bij het dorp of daarvoor kon men nog wel eens een tiendheffer interesseren omdat de tiendklok erin hing. Bovendien zijn kerktorens vaak wat steviger gebouwd. Zo kan het dus gebeuren dat van een oude kerk alleen de toren de zeventiende en achttiende eeuw overleefd heeft. De wat grotere kapellen werden aan geestelijk gebruik onttrokken en – als ze daarvoor gunstig gelegen waren – soms als schooltje ingericht.

152 BHIC, Archief Generaliteitsrekenkamer, 3512 (rekening 1677). 153 Leenders 1977, 71.

77

De oude pastorie bleef soms in handen van de abdij die ook het patronaatsrecht en het tiendrecht van de parochie bezat. Financiële regelgeving maakte dat deze instellingen de opbrengsten van hun bezit niet uit Staats-Brabant mochten exporteren. Daarom werd dat geld onder andere gebruikt om de pastorie fraai uit te bouwen. Rond 1500 hadden enkele rijkere plaatsen zich al een stenen raadhuis gebouwd. Dat werd ook zover en zo vlug mogelijk hersteld. In andere dorpen kwam er pas financiële ruimte voor een raadhuis in de tweede helft van de achttiende eeuw.

Het in 1763 gebouwde wevershuis Berg 40 in Nuenen (Google streetview 2022). Het is weinig bekend, maar na 1650 is men het stelsel van doorgaande wegen in deze streek gaan verbeteren. Zeker op de heide werden ze rechtgetrokken, opgehoogd tot dijken, voorzien van een tonrond wegdek en met bomen beplant. Of daar enige coördinatie bij was is onbekend, maar het resultaat beviel zo goed, dat in 1697 verordonneerd werd om overal in de Meierij de wegen op die manier te verbeteren. Een jaartje later gaf de prins van Oranje als heer van Cranendonk aldaar eenzelfde bevel uit. In de loop van de daaropvolgende eeuw zijn zo hier en daar nog wegen op deze manier verbeterd. Zo kwam de Bredase Baan tussen Bladel en Bergeijk pas in 1788 aan de beurt! Geheel nieuw was het project om een “moderne” en zelfs bestrate weg aan te leggen van Den Bosch naar Maastricht. De zandbaan kwam een heel eind gereed (vanaf Valkenswaard zuidwaarts werd er in 1789 aan begonnen), maar de bestrating kwam in 1800 vanuit Den Bosch nog maar tot Best. Waar zo’n nieuwe weg gereed kwam, werd het stil op de oude middeleeuwse banen die erdoor vervangen werden.

2.10 De periode 1800 – 2000154 2.10.1 Bestuurlijke ontwikkelingen in de 19e eeuw De inval van Franse troepen in 1793 luidde een twintigjarige periode met veel veranderingen in. Uiteindelijk ontstond daaruit het koninkrijk der Nederlanden waar in 1815 de Zuidelijke Nederlanden aan toegevoegd werden, waarna deze 15 jaar later weer hun eigen weg gingen. De grensafbakening tussen Nederland en België was pas in 1843 gereed. Vooral na 1900 onderging de streek ingrijpende veranderingen. De Franse periode had diverse gevolgen. Er ontstaat een gecentraliseerd staatsbestel. De nieuwe staat krijgt een Grondwet, een Burgelijk Wetboek, een burgelijke stand, de dienstplicht, het kadaster, nieuwe standaard maten en - gewichten. In 1810 worden Nuenen en Gerwen één gemeente volgens de Franse 154 Peters 2016; Coenen 2000.

78

wetgeving. Nederwetten vormt tot 1821 een gemeente met Eckart. Dan wordt Nederwetten toegevoegd aan de gemeente Nuenen-Gerwen. De bestuursstructuur blijft dezelfde als in de Franse tijd. Vanaf 1851 wordt het gemeentebestuur geregeld door de Gemeentewet. De gemeente wordt bestuurd door een gekozen gemeenteraad. Het dagelijks bestuur wordt gevormd door burgemeester en wethouders. 2.10.2 De kerken De omwentelingen brachten voor de katholieken weer meer vrijheid. Ook moesten de kerkeigendommen opnieuw verdeeld worden tussen de katholieken en de protestanten. In de meeste plaatsen betekende dit dat de oude kerk – of wat er van over was – weer in katholieke handen kwam en de protestanten een nieuw bedehuis moesten zoeken. Een aantal nieuwe kerkgebouwen was het resultaat, mede omdat sommige oude kerken onbruikbare ruïnes waren. Nadat de strijd om de kerken gewonnen was, richtte de Kerk zich op de inrichting van kloosters van waaruit scholen voorzien werden met onderwijzend personeel. Zo vormde zich een klassiek geworden dorpscentrum: kerk, kerkhof, pastorie, klooster en school. Met daarbij natuurlijk een kroeg en banketwinkel. Toen ook dat geregeld was, werd de rest van het landschap gekerstend door de plaatsing van kapelletjes en wegkruisen. In 1798 wordt de kerk van de Heilige Clemens teruggegeven aan de katholieken van Nuenen. De onbruikbare oude kerk wordt in 1823 gesloopt.

Met de stenen herstelt de parochie de schuurkerk, die ze in gebruik heeft. In de jaren daarna wordt deze kerk steeds verfraaid. Pastoor van Lent neemt in 1868 het initiatief tot de bouw van een nieuwe kerk. Hij koopt dan de grond, waarop hij de kerk in 1871-1872 bouwt naar een ontwerp van de architect Carl Weber. De schuurkerk en de toren van de oude kerk worden in 1885 afgebroken. De kerkklokken uit de oude toren worden overgebracht naar de nieuwe kerk van Nuenen. Pastoor Van Lent nam ook het intiatief tot de bouw van het Sint Elisabeth Gesticht. De Zusters van Jezus, Maria en Jozef uit 's-Hertogenbosch gebruiken het voor het geven van onderwijs en het verlenen van zorg. De bouw van de kerk en het gesticht leidt ertoe dat het centrum van de plaats Nuenen zich verplaatst. Het is voortaan niet meer geconcentreerd rondom de Linde aan de Berg maar rondom het Park bij de Clemenskerk. In 1798 komt ook de Sint Clemens in Gerwen weer in bezit van de katholieken. Rijke inwoners van deze plaats bekostigen de bouw van een pastorie. In 1894 krijgt pastoor van Hoeck toestemming voor de bouw van een nieuwe kerk en pastorie in Nederwetten. De kerk wordt in 1896 ingezegend. De oude kerk wordt in 1898 afgebroken. Alleen de toren blijft tot op heden staan.

Nuenen op de historisch-topografische kaart van 1900 met daarop in het noorden de bewoning rond Berg met de protestatntse kerk en in het zuiden Park met de kartholieke nieuwe kerk en het klooster van het Sint Elisabeth Gesticht. 79

De 15e eeuwse St. Clemenskerk in Gerwen (bron: collectie Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, nr. 9859) In 1826 wordt een nieuw waterstaatskerkje aan de Papenvoort in gebruik genomen. Het is nu bekend als het Van Goghkerkje. De vader van Vincent van Gogh was er tussen 1881 en 1855 predikant van de hervormde gemeente van Nuenen en Geldrop. Een groot deel van de eeuw werd de gemeente bediend door een van zijn voorgangers, dominee Willem Lodewijk Begemann (1804-1876). Hij startte in 1845 een linnenfabriek, om protestante wevers werkgelegenheid te bezorgen. De protestantse gemeente ondersteunde door middel van de "Maatschappij van Welstand" ook boeren. Deze organisatie stelde hen in staat enkele boerderijen te pachten.

2.10.3 Sociaaleconomische ontwikkelingen in de 19e eeuw Tot het midden van de 19e eeuw waren alle wegen onverhard. In perioden met veel regen waren deze wegen nagenoeg onbegaanbaar. In de loop van de eeuw zijn er belangrijke infrastructurele werken aangepakt. Vanaf 1846 loopt het kanaal van Eindhoven naar Helmond door de gemeente. Vanaf 1866 heeft Nuenen een station op het Eeneind aan de spoorlijn van Eindhoven via Helmond naar Venlo. In 1872 wordt een verharde weg aangelegd van Beek en Donk over Lieshout, Gerwen en Nuenen naar Tongelre. In 1886 kwam een keiweg klaar van Nuenen naar Woensel. Er komen ook moderne communicatiemiddelen; in 1861 is dat een hulp-postkantoor; in 1875 werd er in Eeneind een telegraafdienst voor particulier gebruik ingericht. Nederwetten krijgt eerst in het begin van de 20e eeuw een verharde wegverbinding met Son en Breugel. In de 19e eeuw was de landbouw de belangrijkste bron van inkomsten. De gemeenschappelijke gronden speelden daarbij nog steeds een belangrijke rol. De drie plaatsen hadden enkele straten, waaraan boerderijen en kleine wevershuizen lagen. Kleine groepjes boerderijen lagen in de omliggende gehuchten. De grote boerderijen uit kerkelijk bezit werden verkocht, onder meer aan de kasteelheer van Helmond. Op de akkers groeide rogge, boekweit, haver, vlas en aardappelen. De meeste boeren hielden enkele koeien, varkens en wat kippen.

Echte veeteeltbedrijven kwamen niet voor.

80

In het verloop van de eeuw werden er bomen aangeplant, vooral de populieren en de zogenaamde canadassen. Deze werden voor de klompenproductie opgekocht door houthandelaren. In 1845 en 1859 verkoopt de gemeente gronden ten behoeve van ontginningen. In de jaren tachtig wordt het Broek ontgonnen en voor een deel met bomen beplant. Door de vorming van bossen veranderde het heidegebied ten noorden van Nuenen. Ten zuiden van deze plaats veranderden de heidegebieden door de aanleg in 1846 van het Eindhovens Kanaal en de aanleg van de spoorweg Eindhoven-Venlo in 1866. In het begin van de 19e eeuw woonden er nog veel wevers in Nuenen. Zij werkten voor fabrikeurs uit Eindhoven, Geldrop en Helmond. Zij produceerden vooral linnen stoffen. Arnoldus van Lieshout heeft een kleine fabriek. Daarnaast start in 1845 dominee Begemann een linnen- en damastfabriek. In 1864 starten Jacob Tirion en Jacob Lodewijk Begemann een fabriek, waar zij "bonte katoenen weefgoederen" produceren. De twee fabriekanten gaan enkele jaren later uiteen. Jacob Begemann zet de fabriek voort en plaats in 1871 een stoommachine die twaalf paardenkracht levert. Deze fabriek gelegen aan de Berg gaat in 1879 failliet. Jacob Tirion gaat in 1873 samen met Robert Carlier. Zij starten op Eeneind een linnen- en damastweverij. Verder waren er nog textielfabrieken op de Berg bij de Beekstraat en op Papenvoort.

Aan het einde van de eeuw zijn er nog enkele andere bedrijven, zoals zeepziederij "De Krans" en mineraalwaterfabriek "De Oorsprong". Ook was er aan de Berg in Nuenen een fabriek van A. Vos en Zonen, die torenuurwerken produceerden. Tot de nieuwe bedrijven behoorden ook de windgraanmolen “de Roosdonck”. Die werd in 1873 gebouwd aan de weg van Nuenen naar Gerwen.

De voormalige linnenfabriek H.C. van Hoven, nu ’t Weefhuis aan de Papenvoort in Nuenen (foto Joke van Ouwerkerk-van Eck via https://drijehornick.nl/project/1888-bouw-weefhuis/). Het onderwijs was vóór 1648 in handen van de pastoor of de koster. Na 1648 gaan de katholieke kinderen naar scholen in Nuenen of in Gerwen. Het onderwijs wordt verzorgd door protestante schoolmeesters. Vanaf de Franse tijd kennen de plaatsen openbaar onderwijs. Na 1821 wordt het oude raadhuis van Nederwetten als school ingericht. Na 1842 krijgen alle plaatsen nieuwe scholen; Nuenen in 1845, Gerwen in 1846 en tenslotte Nederwetten in 1871. In 1887 openden de zusters van Jezus, Maria en Joseph in 1887 een bewaarschool voor jongens en meisjes en een bijzondere meisjesschool. De openbare school werd vanaf dan bezocht door jongens en protestante meisjes.

81

2.10.4 Structuur van het huidige landschap Nuenen zelf is ontstaan uit verschillende (laat-)middeleeuwse gehuchten, en op een strategische locatie, namelijk rond het snijpunt van verschillende doorgaande routes. Deze ligging verklaart de regionale handelsfunctie van de nederzetting. Het patroon van historische wegen is nog goed bewaard gebleven en structureert tot op de dag van vandaag de bebouwde kom. De ontstaansgeschiedenis van Nuenen is vooral goed herkenbaar in het noordelijke gedeelte van de bebouwing (rond de oude kern), dat op de cultuurhistorische waardenkaart van Noord-Brabant is aangegeven als een historischstedebouwkundige structuur met een hoge waarde. De belangrijkste gehuchten waren Heieind (nu Park) en Berg, elk met een eigen plein. Rond de pleinen en in de zone daartussen is (van oudsher) sprake van een dichte bebouwing, daarbuiten van bebouwing met een verspreid karakter. Het noordelijke plein (Berg) is een goed voorbeeld van een verstedelijkt akkerdorp. De historische bebouwing rond dit kleine pleintje bestaat vooral uit woonhuizen. Dit plein maakt ook deel uit van een molenbiotoop. Iets ten noorden van het pleintje staat namelijk molen De Roosdonk (1883). Tevens vinden we hier een historische linnenweverij (Begemann) uit het vierde kwart van de 19de eeuw.

Vanuit het noordelijke plein richting Nederwetten loopt een oud wegtracé met historische groenstructuur. Direct ten zuiden hiervan ligt het Nuenens Broek. Het zuidelijke plein (Park) is groter en jonger, en laat bovendien een afwijkende ontwikkeling zien. Het plein werd in 1920 ingericht als landschapspark in de Engelse landschapsstijl, voorzien van een kiosk. Daarbij werd de drenkplaats voor het vee heringericht als parkvijver. Aan de oostzijde van het plein is sprake van een horeca- en detailhandelfunctie. Aan de westzijde staan huizen uit de periode 1825-1925 (met nokrichting parallel aan de straat) en een klooster.

Op deze foto van rond 1920 zien we het tweede raadhuis van Nuenen, nu het Vincentre. Op de achtergrond zien we enkele fietsers op een smal bestrate weg als deel van de Provinciale grintweg van Lieshout naar Stratum, aangelegd in 1872 (foto beeldbank heemkundekring De Drijehornick).

82

Enkele honderden meters ten westen van de oude kern van Nuenen, in de richting van het Dommeldal, verraadt het nederzettingspatroon weer een andere historische ontwikkeling. Het agrarische karakter is hier het belangrijkst gebleven. Van Nederwetten in zuidelijke richting –naar Landgoed Soeterbeektreffen we lintvormige bebouwing aan met een agrarische functie. De bebouwing bestaat hier vooral uit langgevelboerderijen uit de periode tussen 1850 en 1900, en enkele woonhuizen. De bewoning gaat hier echter veel verder terug. De boerderijen en huizen staan langs de Soeterbeekse weg, die een noord-zuid-georiënteerde dekzandrug volgt. Dit is een kasseienweg met delen van historische laanbeplanting (eik, esdoorn en beuk). Mogelijk gaat de ouderdom van de weg terug op een doorgaande route met een hoge ouderdom, die de hoogste punten van de oostrand van het Dommeldal met elkaar verbond. De dekzandrug ligt parallel aan het Dommeldal en wordt in het westen over een langgerekte strook vergezeld door een groot aantal archeologische complexen, daterend uit de ijzertijd, Romeinse tijd en Middeleeuwen. Bewoningscontinuïteit is hier niet uitgesloten. Langs de flanken van de rug liggen daarnaast de overblijfselen van nog oudere (tijdelijke) nederzettingen uit het Meso- en Neolithicum. Opvallend aan de lintvormige bebouwing is vooral de intacte relatie met het aangrenzende cultuurlandschap.

Aan weerszijden treffen we oude akkercomplexen met bolle akkers aan. In het westen sluit het nederzettingscomplex aan op het Dommeldal, een landschap dat wordt door beemden en broeklanden, met plaatselijk hakhoutbosjes (es en els) en broekbossen (populieren). Bijzonder is de perceelsrandbegroeiing van knotwilgen. Wel heeft in dit deel van het Dommeldal in de twintigste eeuw kavelvergroting plaatsgevonden en is de perceelsrandbegroeiing op veel plaatsen gerooid. Het landschap heeft daardoor een veel opener karakter dan in de negentiende eeuw. Enkele wegen en paden zijn haaks op de Dommel georiënteerd. Het gaat hier voor een deel om historische veedriften. Het Nuenens Broek, gelegen ten oosten van de lintbebouwing, bestaat nu voornamelijk uit een populierenbos met veel oud hakhout. Dit bos is grotendeels ontstaan tussen 1850 en 1904, maar een deel ervan dateert uit de periode voor 1850. Het bos was o.a. in gebruik als geriefbos.

De Kleine Dommel bij de Colse watermolen (foto beeldbank heemkundekring De Drijehornick). Het gebied ten noorden en westen van Nuenen wordt nog steeds bepaald door een nederzettingspatroon met kleine dorpen (Nederwetten en Gerwen) en gehuchten (Heerendonk, Spekt, Stad van Gerwen, Nieuwe Dijk en Rullen), die ontstaan zijn uit laatmiddeleeuwse hoeven. Al deze nederzettingen bezitten historisch-bouwkundige waarden die bijzonder zijn voor Peelland. In Gerwen bijvoorbeeld wordt het dorpsbeeld mede bepaald door een schoolgebouw (St. Clemens) in de stijl van

83

de Amsterdamse School (ca. 1929), een villa in `expressionistische’ stijl (ca. 1920) en de oude St.Clemenskerk (1618).

Kaart van de gemeente Nuenen in de Gemeente atlas van de provincie Noord-Brabant van Jacob Kuyper uit 1865 (bron: heemkundekring De Drijehornick). In het beekdal van de Kleine Dommel of Rul vinden we o.a. de Hooidonkse watermolen, de Opwettense watermolen (1306) en de Collsche watermolen (met molenaarshuis; vroegste vermelding 1335), in het laatste geval met kleinschalige verkavelingsstructuur met perceelsrandbegroeiing en de Collsche Zeggen (een broek- en moerasbos) in de directe omgeving. Nabij het beekdal staat het landhuis Soeterbeek (in de Late Middeleeuwen was dit klooster Soeterbeek). Aan het einde van de 19e eeuw en vooral in de eerste helft van de vorige eeuw is ten oosten van de lijn Nuenen-Eeneind/Hulsterbrug en langs de zuidoost en oostgrens van de gemeente het heideontginningslandschap ontstaan. Dit landschap wordt gekenmerkt door een regelmatige en grootschalige verkaveling. Plaatselijk heeft in dit landschap herbebossing met naaldhout plaatsgevonden zoals op de Collsche-, Refelingsche- en Papenvoortsche Heide. 84

Het karakter van de drie plaatsen veranderde eerst in de tweede helft van de 20e eeuw. De werkgelegenheid in de omliggende gemeenten nam na 1900 snel toe. Veel inwoners van Nuenen, Gerwen en Nederwetten werkten in Eindhoven, Geldrop en Helmond. Pas na 1960 veranderde dat. Nuenen werd een forensengemeente. Werknemers uit andere gemeenten kwamen er wonen. In Nuenen nam de bevolking snel toe. In de kerkdorpen Gerwen en Nederwetten was de groei beperkt. Hier bleef het landelijk karakter behouden.

De explosieve groei van het dorp Nuenen vanaf 1960 (boven) tot 2021 (onder) (bron Topotijdreis).

85

2.10.5 Historisch stedenbouwkundige ontwikkeling155 Op bovenstaande afbeeldingen is duidelijk te zien hoe Nuenen, en met name het gebied rond het centrum, zich heeft ontwikkeld. De eerste bebouwing was aanwezig rondom de doorgaande routes en de verschillende parken. Later zijn open ruimten in deze linten verder verdicht en zijn de achterliggende gebieden bebouwd. Nuenen is in al die jaren stapsgewijs uitgebreid. In eerste instantie is Nuenen uitgebreid naar het westen, richting het dal van de Kleine Dommel. Later werd ook aan de zuidzijde richting Eeneind en de oostzijde richting de aldaar gelegen bosgebieden uitgebreid. Al deze uitbreidingen vonden plaats rond het centrum van de kern, dat ondanks de groei haar historische karakter behouden heeft. Zowel de historische bebouwing als de verschillende groenelementen verwijzen nog naar het verleden. Historisch dorpsgebied Het centrum van Nuenen wordt grotendeels gekenmerkt door historische lijnen en plekken. Zo zijn de Parkstraat, Berg en Kerkstraat historische lijnen met daaraan historische bebouwing. Ook de Beekstraat is een historische lijn waar al aan het begin van de 20e eeuw bebouwing aanwezig was. Dit historische karakter is in de huidige situatie nog duidelijk herkenbaar. Monumenten en beeldbepalende panden wisselen elkaar af. Deze bebouwing wordt vervolgens weer afgewisseld door inbreidingen van recentere datum.

Kenmerkend voor deze linten is de grote variatie in bebouwing. De bebouwing wisselt in typologie, goot- en bouwhoogte, maar ook in rooilijn, frontbreedte en kavelbreedte. Dit levert een gevarieerd beeld op van individueel herkenbare panden. Omdat individuele initiatieven in de loop der jaren hebben geleid tot een invulling van de linten is er sprake van een licht rafelende gevelwand. Individuele verschillen in situering hebben een soort ‘gemiddelde’ gevellijn opgeleverd. Voor de dorpskern van Nuenen is het bestaan van zo’n lijn bijna even karakteristiek als de afwijkingen daarvan. Alleen bijzondere gebouwen wijken sterk af van deze lijn. Daarnaast is de mate van geslotenheid die in de loop der tijd is ontstaan kenmerkend, mede ingegeven door de verdergaande ‘verstedelijking’. In het verlengde hiervan is ook de bouwhoogte toegenomen van historisch één tot nu twee of drie bouwlagen (incidenteel zelfs vier bouwlagen). Karakteristiek is de toepassing van kappen, waarbij de langskap het meeste voorkomt. Platte daken komen alleen voor bij de meer recentere inbreidingen. Hoofdelement in de stedenbouwkundige structuur is de as Berg-Parkstraat die zich ter plaatse van het Park splitst in Kerkstraat en Parkstraat, terwijl ook de Vincent van Goghstraat hier is aangehaakt.

Rond dit knooppunt, één van de twee historische pleinen, bevinden zich enkele bijzondere gebouwen, zoals het klooster en de kerk. Deze driehoekige ruimte wordt verder voornamelijk begrensd door lagere bebouwing, waardoor de karakteristieke hogere bebouwing duidelijk tot zijn recht komt. Kenmerkend element is de muziekkiosk die hier aanwezig is. De splitsing Berg-Beekstraat vormt in dit stelsel eveneens een knooppunt. Hier bevindt zich als bijzonder element de oude dorpslinde. Deze linde domineert de Berg sterk vanwege haar maat, die van geheel andere orde is dan die van de aanwezige bebouwing. Dat het centrum van Nuenen haar historische karakter heeft behouden, blijkt onder andere uit de aanwezige beschermde dorpsgezichten: ‘Park Nuenen’, ‘Berg/Lindeboom’ en ‘Papenvoort/Houtrijk’. Anno 1992 biedt Park-Nuenen nog een nagenoeg ongeschonden aanblik van een vooroorlogs dorpsplein. De driehoekige structuur met de overheersende groenvoorzieningen bepaalt het aanzicht en bindt de, sterk in grootte, hoogte en rooilijn verschillende, bebouwing. De kwaliteit van deze nagenoeg geheel vooroorlogse bebouwing is zeer hoog. Grootschalige complexen zoals kerk, pastorie en klooster worden afgewisseld met vrijstaande of kleine blokjes, laat 19de-eeuwse dorpswoonhuizen en bedrijfsgebouwtjes.

Bij de ‘verstedelijking’ van het tot circa 1880 nog agrarische Park, een uitbreiding van de oude kom van Nuenen, is geen omlijnd stedenbouwkundig plan gehanteerd: alle 155 Gebaseerd op de diverse bestemmingsplannen van de woongebieden van de gemeente Nuenen (via

RuimtelijkePlannen.nl).

86

bebouwing is door individueel particulier initiatief aan een bestaande structuur gekomen. In het betrekkelijk kleine gebied is de grote verscheidenheid aan functies en de daaruit voortvloeiende variatie aan type gebouwen karakteristiek. Naast kerk, pastorie en brouwerij staan er woonhuizen, herenhuis, villa, klooster, werkplaats en cafés. Het gebied Berg/Lindeboom is een in gave staat verkerende historische stedenbouwkundige structuur, die door de tijd heen tot stand is gekomen, op basis van een middeleeuwse structuur. De situering, het verloop en het profiel van Berg, Beekstraat, Papenvoort, Houtrijk, het plein rond de Lindenboom en het pad Achter de Heggen, vormen de historische wegen binnen de stedenbouwkundige structuur van het gebied. Het gebied Papenvoort/Houtrijk dateert deels uit de tweede helft van de 19de eeuw. Dit wordt mede bepaald door de oudere wegenstructuren. De situering, het verloop en het profiel van de Papenvoort en Houtrijk, inclusief het ‘pleintje’ op het punt van hun splitsing, vormen de historische hoofdwegen binnen de stedenbouwkundige structuur van het gebied.

Nuenen op de topografische kaart van 1970 (bron: TopoTijdReis). Omliggende gebieden Rondom het historisch dorpsgebied bevinden zich enkele woongebieden die zijn gerealiseerd in verschillende tijdsperioden. Kenmerkend is de overwegend strakke verkaveling en het gebruik van stedenbouwkundige stempels in het zuidelijk deel van het plangebied en de meer losse verkaveling in het gebied ten noorden van de Beekstraat. Het gebied ten zuiden van het centrum bestaat uit bebouwing van overwegend twee bouwlagen. Daarnaast komen ook enkele hogere bouwmassa’s voor. De overeenkomst is dat ze alle plat zijn afgedekt. Het gebied dat ligt ingesloten tussen de Beekstraat, Vincent van Goghlaan en de Smits van Oyenstraat kenmerkt zich door de veelal kronkelige wegen. Ook komen er verspreid over het gebied afwijkende functies voor die in ruimtelijke zin opvallende elementen zijn, zoals het zwembad, de school, de sporthal (inclusief fitnessruimte) en de bebouwing

87

aan het Vincent van Goghplein. Deze bebouwing is vaak hoger en heeft een grotere bouwmassa dan de overige bebouwing in het gebied. Nuenen-Noordwest In de periode waarin Nuenen-Noordwest is gebouwd, doet het rechte, min of meer mathematische, stedenbouwkundige principe uit de jaren ’50 en ’60 van de vorige eeuw zich nog volop gelden. De opzet met rechte planstructuren is in het plangebied nog duidelijk te herkennen. De meest structuurbepalende lijnen zijn de van oudsher al door het gebied lopende Lissevoort, Weverstraat, Boordseweg en Voirt. Tussen deze straten zijn de orthogonale verkavelingpatronen opgezet. Tussen Lissevoort en Weverstraat (ten noordwesten van de Weverstraat) zijn de bouwblokken volgens een strak patroon noordwest-zuidoost georiënteerd, haaks op de Weverstraat. Ten zuiden van de Boordseweg en rond de Voirt zijn de bouwblokken volgens een losser patroon noord-zuid georiënteerd, haaks op beide genoemde straten. Tussen de Weverstraat en Boordseweg is geen eenduidig verkavelingpatroon aanwezig: deze zone vormt als het ware een overgangsgebied tussen beide eerder genoemde woongebieden en vangt het verschil in oriënteringsrichting tussen de beide gebieden op. Binnen de te herkennen hoofdstructuur nemen 2 deelgebiedjes een bijzondere plaats in: •

het woonbuurtje rond de Populierenhof, vanwege de geïsoleerde ligging en de eigen bebouwingskarakteristiek;

•

de strook woningen langs de noordwest-zijde van de Beukenlaan en Eikenlaan, die de overgang vormt naar het buitengebied en een eigen oriënteringsrichting kent.

Aan de oostzijde sluiten de verkavelingpatronen aan op de onregelmatige bouwblokken van de oorspronkelijke kern. Deze blokken volgen enerzijds het historische stratenpatroon in het centrum en sluiten anderzijds aan op de orthogonale verkavelingpatronen in het plangebied, wat de onregelmatige vormen van deze blokken verklaart. Aan de zuid- en westzijde wordt het verkavelingpatroon rond Boordseweg en Voirt begrensd door de hoofdwegenstructuur (Europalaan en Panakkers). De noordwestelijke begrenzing wordt gevormd door de eerder genoemde strook woningen aan de Beukenlaan en Eikenlaan. Ten noorden van de Lissevoort vormt het sportpark Lissevoort de beëindiging van het plangebied. Hier is sprake van door groenstroken omzoomde open sportvelden, met slechts verspreide bebouwing. Binnen Nuenen-Noordwest zijn nog 2 deelgebieden aan te wijzen die zich qua bebouwing duidelijk onderscheiden. Dit betreft enerzijds een strook aan de Mauritsgaarde met 3 geschakelde blokken met laagbouw volgens projectmatige bouw en anderzijds de Dennenlaan en omgeving met verschillende vrijstaande woningen in laagbouw. De woningen aan de Mauritsgaarde staan schuin op de weg geprojecteerd en hebben een asymmetrische opbouw, met deels een lat dak, deels flauw hellende lessenaarsdaken. De woonblokken worden gevormd door een overal gelijke groepering van enkele basisvormen.

Hierbij wordt het beeld mede bepaald door de verschillende daklijnen met onderling variërende hoogte en richting van de daken. Door de projectmatige bouw is de eenheid in materialen en vorm van de woningen bepalend voor het straatbeeld. Ondanks dat in een deel van de voortuinen opgaande beplanting is aangebracht, is de eenheid in maatvoering en architectuur van de bebouwing in het grootste deel van het straatbeeld herkenbaar. In het winterseizoen is de bebouwing des te meer bepalend in het straatbeeld. Kenmerkend voor Dennenlaan e.o. is dat doordat de bebouwing overal laag is, vrijwel overal bomen zichtbaar zijn, welke in tuinen achter de woningen staan. Het beeld in de buurt heeft daardoor ook nog een sterk groen karakter, ondanks de relatief hoge bebouwingspercentages op de woonkavels. De woningen hebben een sterk paviljoen-achtig karakter in de groene woonbuurt en tonen geen duidelijke rooilijn naar de straat. De woningen bestaan uit één bouwlaag of incidenteel uit twee bouwlagen met een verzonken benedenverdieping. Het bebouwingsoppervlak van de woningen is vrij groot. Echter door de afstand tot de weg en de beperkte hoogte is het karakter van de buurt vrij open. Doordat de woningen allen verschillend zijn in maatvoering, vorm en materiaalgebruik, is er sprake van een gevarieerde bebouwing in de buurt. De platte vorm met één bouwlaag maken de buurt echter tot een eenheid.

Daar 88

waar momenteel sprake is van een afwijking in de bouwhoogte, valt dit nauwelijks op, omdat het hoogteverschil slechts een halve bouwlaag betreft. Nuenen-Zuid Nuenen Zuid is gebouwd in een periode dat stedenbouwkundig gezocht is naar meer organische structuren. In het gedeelte ten noorden van de Meierijlaan, Hoge Brake en Klamperlaan heerst nog het stedenbouwkundige principe van de rechte straten en de bouwblokken uit de jaren 1950-1960. Ten zuiden ervan zijn de meer organische (veelal doodlopende) structuren ontstaan. Deze zijn te herkennen aan de woonervenstructuur, de verspringende gevellijnen, wisselende oriëntatie van woningen en de getrapte ontsluitingsstructuur. De buurtjes hebben een introvert karakter en zijn vrij besloten door de relatief veel voorkomende openbare groenstroken parkjes, de opgaande beplanting in tuinen en korte rechtstanden van wegen. De bebouwing bestaat hoofdzakelijk uit twee bouwlagen al of niet met een kap, geschakeld en in rijen. Commerciële en publieke voorzieningen zijn in een afwijkende maat, vorm en stijl gebouwd. Op wijkniveau is Nuenen Zuid met een openbare groen- en waterstructuur dooraderd. Door de organische structuur van de wijk is de oriëntatie binnen de wijk matig. De hoofdstructuur zelf heeft geen herkenbare vorm en begeleid te weinig de bebouwing.

Ook het vrij liggende langzaamverkeersnetwerk kent het probleem van herkenning en oriëntatie. Daarnaast bestaat door het introverte karakter van de wijk nauwelijks een ruimtelijke relatie met de omliggende wijken en het centrum van Nuenen. In de wijk is het winkelcentrum Kernkwartier gelegen met een clustering van voorzieningen. Echter ontbreekt de centrumvorming. Het winkelcentrum is naar binnen gekeerd en de bebouwing ligt verdekt in een groenstructuur. Dit geldt tevens voor de verspreid over de wijk gelegen basisscholen. Nuenen Zuid kent verder enkele oudere structuren in de vorm van de Opwettenseweg, het sportcomplex Wettenseind en het bedrijventerrein Berkenbosch. Dit bedrijventerrein ligt aan de westrand van de wijk en is geleidelijk gegroeid richting Eindhoven. Aan de Europalaan heeft zich grootschalige detailhandel ontwikkeld. De panden op het bedrijventerrein hebben in het algemeen een voor bedrijventerreinen herkenbare blokvormige architectuur. De openbare ruimte bestaat voornamelijk uit verharding met groenstroken. Nuenen-Oost Nuenen Oost is vanaf 1980 ontwikkeld. Het noordelijk deel bestaat uit lange woonstraten. De wijk is gegroepeerd rond de Hooidonkse beek welke de groene drager vormt van de wijk en het dorpslint Beekstraat vorm de stedelijke drager. De woningen staan veelal op ruime kavels met een open structuur.

Er zijn duidelijke overgangen naar het buitengebied. Het zuidelijk gedeelte bestaat uit korte woonstraatjes met een meer compacte bebouwing. In de brede groenzones ligt een vrij liggende langzaamverkeersontsluiting. Er is sprake van een verscheidenheid aan bouwvormen zoals vrijstaand, tweekappers en aaneen gebouwde woningen. De woningen bestaan in de meeste gevallen uit twee bouwlagen met kap. Nuenen Oost wordt ontsloten op de Beekstraat, Papenvoortsedijk, Neunderbeekselaan, Laan ter Catten en Laan van Nuenhem. Deze wegen komen uit op de Smits van Oyenlaan, de doorgaande weg door Nuenen. De Smits van Oyenlaan scheidt Nuenen Oost van het centrum van Nuenen en vormt ruimtelijk gezien een barrière naar het centrum. De Beekstraat maakt onderdeel uit van de oudste wegenstructuur van de kern. Deze weg wordt gekenmerkt door een groep langgevelboerderijen, evenwijdig aan de weg en op wisselende afstand tot de weg gelegen. Het centrum van Nuenen-Oost wordt gevormd door de rotonde in de Beekstraat. Hier is een complex bestaande uit drie lagen gebouwd. De openbare ruimte is in Nuenen Oost geconcentreerd rond de Hooidonkse beek en langs de vrij liggende fietsroutes en wijkontsluiting. Naast de recreatieve waarde van de parkzones, ligt aan de

89

inrichting van de beekzone ook een ecologische doelstelling ten grondslag. De beek vormt het bindend element in zowel functioneel als ruimtelijk opzicht. De andere dorpen Gerwen De historische wegenstructuur is in Gerwen nog duidelijk herkenbaar aan de Heuvel en directe omgeving. Een bijzonder ensemble vormt het plein aan de Heuvel met een aantal waardevolle bouwwerken zoals de basisschool uit de jaren dertig in Amsterdamse Schoolstijl en de expressionistische villa uit de jaren twintig. Verspreid staan er nog enkele oude panden. In latere perioden is de bebouwing aan de wegen verdicht. Kenmerkend is echter het behoud van ruime kavels in het oude dorpsgebied. Het centrale deel van de kern is in feite altijd een bebouwingslint gebleven, waarin centrumvorming slechts beperkt heeft plaatsgevonden. Aan het driehoekige plein de Heuvel zijn de commerciële en publieke voorzieningen geconcentreerd zonder tot een sterke verdichting te leiden. In de naoorlogse periode is de kern eerst ten westen van de Heuvel geleidelijk planmatig uitgebreid. Later vond uitbreiding aan de oostzijde plaats, met het plan rond de Ruiterweg als laatste uitbreiding. Deze uitbreidingen zijn gemengd van karakter door de verschillende woningtypen, bouwstijlen en bouwperiode. De bebouwing bestaat in hoofdzaak uit één (vrijstaand) of twee (geschakeld) bouwlagen met een kap.

De naoorlogse woningbouw is – door de omvang ten opzichte van het historische gedeelte – het beeld van Gerwen mede gaan bepalen. Het openbare gebied kenmerkt zich door weinig openbaar of buurtgroen. De relatie met het landschap is belangrijker. Verspreid in Gerwen zijn enkele groene pleintjes en een verhard plein voor de kerk gelegen. Aansluitend aan de centrale voorzieningen is ten oosten van de Heuvel het sportpark gelegen, omzoomd met hoog opgaande houtwallen.

Gerwen op de topografische kaart van 1980 (bron: TopoTijdReis). Nederwetten

90

De historische wegenstructuur is in Nederwetten nog duidelijk herkenbaar in de Hoekstraat, Kerkhoef en Zandstraat. Aan deze wegen staan enkele oude panden. In latere perioden is de bebouwing aan deze wegen verdicht. Kenmerkend is echter het behoud van ruime kavels in het oude dorpsgebied, overeenkomstig Gerwen. De kern is in feite altijd een bebouwingslint gebleven, waarin centrumvorming slechts beperkt is gebleven. In de naoorlogse periode heeft ten noorden en zuiden van de Hoekstraat geleidelijk planmatige uitbreiding plaatsgevonden. Deze uitbreidingen zijn gemengd van karakter door de verschillende woningtypen, bouwstijlen en bouwperiode. De bebouwing bestaat in hoofdzaak uit één (vrijstaand) of twee (halfvrijstaand) bouwlagen met een kap en is gesitueerd aan dwarswegen op of verbindingswegen tussen de oude structuur. De jongste uitbreiding bevindt zich langs de Eikelkampen en is daarvan gescheiden door een geluidwal. De entree van het drop wordt gemarkeerd door een garagebedrijf. Aan de Hoekstraat ter hoogte van de Sint Lambertuskerk heeft zich een dorpse centrumvorming voltrokken met een aantal gemeenschappelijke voorzieningen. Een bijzonder element vormt de basisschool in de Amsterdamse Schoolstijl uit de jaren twintig. Aansluitend op de centrale voorzieningen is het sportpark De Koppel gelegen, omzoomd met hoog opgaande houtwallen.

In het openbare gebied is weinig openbaar of buurtgroen aanwezig. De relatie met het landschap is belangrijker. Verspreid in Nederwetten zijn enkele groene pleintjes en een verhard plein voor de kerk.

Nederwetten de topografische kaart van 1990 (bron: TopoTijdReis). Eeneind De kern Eeneind is vermoedelijk ontstaan uit een hoeve-ontginning vanuit de nog bestaande Collse Hoeve, het huidige congrescentrum Collse Hoeve ten zuidoosten van Eeneind. Oorspronkelijk had de kern een sterk agrarisch karakter, hoewel er sinds de late middeleeuwen ook enige industrie was in verband met de nabijheid van een tweetal watermolens in de Kleine Dommel: de Collse en Opwettense Watermolen.

91

In de 19e eeuw maakte de industrie een verdere ontwikkeling door in de omgeving, met name na de aanleg van de spoorlijn Eindhoven-Helmond. De lijn werd midden door het toenmalige Eeneind aangelegd en uitgerust met een station van de Staats Spoorwegen. Het station bediende Nuenen, Tongelre en Geldrop en vormde derhalve het centrale punt voor communicatie en transport. Als gevolg daarvan raakte Eeneind haar agrarische karakter grotendeels kwijt en ontstond bedrijvigheid in handel en industrie. Ten noorden van de spoorlijn en aan de doorgaande weg tussen Nuenen en Geldrop werden diverse woningen gebouwd na de opening van het station. Na definitieve sluiting van het station in 1972 verloor het gebied haar karakter als geïndustrialiseerde stationsbuurt. Het plangebied Eeneind valt globaal uiteen in een dorpse woonkern ten noorden van de spoorbaan en omvangrijke bedrijventerreinen ten zuiden daarvan. In de naoorlogse periode is - ten noorden van het spoor, aan de oostzijde van Eeneind - in verschillende decennia planmatig woningbouw aan de kern toegevoegd. Deze uitbreidingen zijn gemengd van karakter door de verschillende woningtypen en bouwstijlen. In Eeneind heeft zich een zeer beperkte dorpse centrumvorming voltrokken met een aantal gemeenschappelijke voorzieningen.

Direct ten zuiden en zuidoosten van het voormalige stationsgebied zijn in de afgelopen decennia omvangrijke industrieterreinen verrezen - Eeneind I en II - in aansluiting op de rijksweg A270. Het gebied is vanuit de woonkern gegroeid, echter zonder hier in maat of schaal een relatie mee aan te gaan. In structuur, bebouwing en vormgeving is het gebied als grootschalig te karakteriseren en vormt derhalve een sterk contrast met de woonkern. Een uitzondering vormt de omgeving van het station (beschermd dorpsgezicht) en de weg Eeneind. Dit deel van het bedrijventerrein heeft een gemengd karakter, mede omdat hier veel kleine bedrijven met woningen zijn toegestaan.

Eeneind op de topografische kaart van 2000 (bron: TopoTijdReis).

92

3

Werkwijze Erfgoedkaart

De erfgoedkaart is een digitale opeenstapeling van gebieden en objecten (GIS-kaart). Hier zijn de te registreren "cultuurhistorische waarden" breed opgevat. Het gaat hierbij, conform de provinciale Cultuurhistorische Waardenkaart, om: -

historisch-geografische landschapselementen (oude akkers, wegen, vloeiweiden, laanbeplanting etc.);

-

gebouwde elementen (watermolen, schans, kapel, kruis, etc.);

-

historische bewoningskernen (dorp, gehucht, huizengroep, woonwijk, etc.);

-

archeologische vindplaatsen (grafheuvels, nederzettingen, kasteel, etc.);

-

gebouwde monumenten (boerderijen, landhuis, herberg, café, etc.).

De cultuurhistorische inventarisatie van de erfgoedkaart gaat uit van een onderverdeling naar landschappelijk, historisch en archeologisch thema en vervolgens naar subthema of nadere typering van het object of gebied. Dit is aantrekkelijker dan een rubricering volgens dimensionaliteit (punt - lijn - vlak) omdat het toelaat binnen een thema elementen te behandelen die onderling structureel samenhangen, maar toevallig een verschillende dimensionaliteit hebben. Door te werken met thema’s en subthema’s kan de diversiteit, eigenheid en complexiteit van het landschap beter worden gevangen. De afbakening van de gemeente volgens de huidige gemeentegrenzen komt hier en daar niet overeen met historische grenzen. Daarom beslaat de erfgoedkaart meer oppervlakte dan de huidige gemeente. In de catalogus van de cultuurhistorische inventarisatie van de erfgoedkaart (zie bijlage 1) worden de resultaten van de inventarisatie van de erfgoedkaart in detail beschreven. Binnen de hoofdindeling naar fysiek landschap, historisch landschap en archeologisch landschap, zijn alle geïnventariseerde gegevens onderverdeeld naar thema en naar type gebied of object (ofwel subthema genoemd). Elk object of gebied bezit een eigen “Uniek nummer” dat als volgt is opgebouwd: gemeentenummer.themanummer.subthemanummer.volgnummer (bijv. 1.14.4.085).

Bij het maken van de erfgoedkaart zijn de geïnventariseerde cultuurhistorische objecten en gebieden verdeeld naar thema en subthema. In totaal gaat het om 40 thema’s met bij het fysieke landschap 30 nadere typeringen of subthema’s, bij het historisch landschap 219 nadere typeringen en bij het archeologisch landschap 43 nadere typeringen; zie voor het overzicht van de opbouw van de inventarisatie van de erfgoedkaart, tabel 1 op de volgende pagina. Doel van de inventarisatie is om niet alleen een inventarisatie van nog zichtbare overblijfselen uit het verleden op te stellen, maar vooral een overzicht van voormalige elementen en structuren met hun landschapsgenetische context, ongeacht de mate waarin deze thans aan de oppervlakte nog zichtbaar zijn. Dit biedt de mogelijkheid om gericht archeologische waarden te beschermen (en bij onafwendbare vernietiging te onderzoeken), maar ook om de planvorming te adviseren over het bewaren en eventueel herstellen van cultuurhistorische waarden. Daarbij moet niet alleen gedacht worden aan stedenbouwkundige plannen, maar ook aan de planning rond landinrichting en natuurbeheer en natuurbouw.

Om de relaties tussen de fysieke ruimte en hetgeen in de loop van de eeuwen door de mens tot stand is gebracht te begrijpen, wordt in het kader van deze inventarisatie een analyse gemaakt van zowel fysieke (reliëf en bodem) als antropogene (grondgebruik, bewoning, percelering) landschapscomponenten en hun samenhang. Niet alleen de afzonderlijke historisch bepaalde landschapscomponenten, maar ook hun samenhang met reliëf en bodem worden door de moderne alles gelijkschakelende ontwikkelingen vaak in hun voortbestaan bedreigd. Wellicht kan in toekomstige planvorming ook die samenhang behouden blijven, wanneer informatie daarover eenmaal beschikbaar is.

93

Tabel 1: Thema’s en sub thema’s die voor de Erfgoedkaart van Zuidoost-Brabant van toepassing (kunnen) zijn:

94

3.1

Inventarisatie fysieke landschap

De inventarisatiekaart van het fysieke landschap is een reconstructie van het natuurlijke landschap, voor de mens daar grote veranderingen in ging aanbrengen. De kaart is vooral van belang voor het inschatten van archeologische potenties en als basis voor de historisch-geografische ontwikkeling. Met een historisch-landschappelijke analyse zijn ook de huidige verstedelijkte gebieden in de regio qua bodem geïnventariseerd. Deze gebieden zijn namelijk nooit beschreven in de standaard bodemkaarten of geomorfologische kaarten. Voor die bewerking is uitgegaan van de oude topografie en de samenhang tussen landschappelijke structuren uit 1838 met geomorfologische en bodemkenmerken, zoals die juist buiten het stedelijke gebied aanwezig zijn. Verdere verfijning is verkregen door gebruik te maken van de digitale hoogtegegevens. Omdat de mens in het landschap echter altijd al aan het werk is geweest, zowel door directe ingrepen als door gevolgen van ingrepen elders, is niet van één bepaalde tijdsperiode uitgegaan. Er is vooral praktisch te werk gegaan, waarbij de grote "kunstwerken" (ophogingen, afgravingen, kanalisaties etc.) buiten beschouwing zijn gebleven, evenals de in het platteland veel voorkomende kleine zandafgravingen. De kaart van het fysieke landschap vertoont meerderde thema’s, genummerd 01 tot en met 11. Thema nr

Thema naam

01

De lage zandgronden

02

De lage dekzandruggen

03

De hoge dekzandruggen

04

Duinen en stuifkoppen

05

Laagte op het Hoge

06

Dalen op het Hoge

07

Beken

08

De moeren op het Hoge

09

Hei

10

Grote Structuren

11

Restbossen

Tabel 2. Thema’s fysieke landschap De beschrijving van de reconstructie van het fysieke landschap is opgenomen in de bijgevoegde catalogus van de cultuurhistorische inventarisatie van de erfgoedkaart (bijlage 1).

3.2

Inventarisatie historisch landschap

Bij de reconstructie van het historische landschap wordt niet uitgegaan van een kaartbeeld dat bij één welgekozen moment in het verleden hoort. Het is een opeenstapeling van landschappelijke elementen uit ruwweg de acht eeuwen tussen 1200 en 1950, voor zover we daar enig zicht op hebben. Dat betekent dat ook de functieveranderingen in zicht komen die een zelfde object of gebied in die lange tijd kan hebben ondergaan. De reconstructie van het historische landschap wordt ook hier beschreven volgens thema’s en subthema’s. Deze thema's zijn gekozen op basis van de belangrijkste vormende krachten in het historische landschap in de regio. Gehuchten zijn een typisch fenomeen in Zuidoost-Brabant. Andere

thema's zijn meer van algemene aard, zoals lokale en doorgaande wegen, kerkelijke en bestuurlijke objecten, molens en kanalen. Onder het thema "meubilair" zijn allerlei uiteenlopende elementen van het landschap samengebracht die niet onder een van de voorgaande thema’s geplaatst konden worden. Denk aan een bijzondere boom, gedenkteken, school, zandwinput, e.d. Bij de reconstructie van het historisch landschap zijn niet alleen terreinkenmerken, gebouwen, wegen en wateren opgenomen, maar ook volksverhalen en andere bijzondere herinneringen kunnen er een plaats in vinden als ze aan een aanwijsbare plek verbonden zijn. Ieder element krijgt een beschrijving, waarin de geschiedenis van die plek kort geschilderd wordt. De thema’s worden volgend op het fysieke landschap doorgenummerd van thema 12 t/m 31. Thema nr.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/13060596/1