Erfgoedbeleid - Erfgoed uitgediept
Tekst van het document
De meeste ervan hebben eeuwenlang bestaan. De grootste waarneembare veranderingen bestaan uit de vervanging van oude gebouwen door nieuwe, met als gevolg dat de archeologische ondergrond regelmatig bestaat uit een wirwar van elkaar overlappende plattegronden van allerlei houten gebouwen. De veestapel bestond uit runderen, varkens, schapen, geiten, kippen en tamme ganzen. Het vee werd naar de vochtige en grasrijke beekdalen gedreven. Schapen werden gehoed op de heide. De akkers lagen op de hogere gronden, waar rogge, gerst, haver en vlas werd verbouwd. Na enkele jaren graan verbouwd te hebben, kwam de akker een jaar braak te liggen. Het onkruid dat er groeide en de herfstbladeren zorgden voor enige bemesting, zodat de vruchtbaarheid van de akkers herstelde. Aanwijzingen voor bewoners in Nuenen in de Merovingische periode zijn nog maar zeer beperkt. Het gaat enkel om wat scherven van de Heuvelakkers. Bijzonder is wel de vondst van een zilveren munt, een Merovingische sceatta uit 690-715 n.Chr. bij Kerkhoef in Nederwetten. 114 Beex 1964. 115 Gebaseerd op Ball & Janssen 2018 en Huijbers 2018A en B. 116 Een voorbeeld hiervan is Hogeloon. Zie hoofdstuk 2.7.1.
47
Reconstructie van een vroegmiddeleeuwse boerderij in Brugge – Sint Andries. Gedurende de Karolingische tijd, van circa 750 tot circa 900 na Chr., komt de zogenaamde domeinstructuur tot ontwikkeling, waarbij verspreid in het landschap kleine, geïsoleerde ontginningsnederzettingen werden gesticht als satellieten van de centrale nederzettingen. In deze periode worden ook de eerste kerken gesticht in de regio. De inrichting van de domeinen gaat gepaard met grootschalige ontginningen, waardoor het landschap een meer open karakter kreeg. Grondbezit betekent macht. Niet meer iedereen heeft dezelfde rechten op de bestaansbronnen. Er ontstaan allerlei afhankelijkheidsrelaties. De samenleving bestond behalve de adel en de vrije boeren uit grote groepen horige boeren. Kenmerkend voor het middeleeuwse bestuur is het feodale leenstelsel. Dit betekende dat een groot deel van de landerijen van de heer in bruikleen werden gegeven aan zijn leenmannen. Deze horigen moesten daarvoor in de plaats het land bewerken en producten en diensten leveren aan de leenheer. Gedurende de Vroege Middeleeuwen werden gestorvenen begraven op het erf bij hun huis of in kleine grafvelden. Veel vroegmiddeleeuwse grafvelden in de Kempen zijn net buiten de oude akkergebieden aangetroffen, op relatief hooggelegen locaties (bijvoorbeeld Hoogeloon-Broekeneind, Bergeijk, Veldhoven-Oeienboschdijk).
Ofschoon het hier om een gekerstende samenleving gaat, gaf men de doden nog allerlei voorwerpen mee, zoals wapens, sieraden, aardewerk (gevuld met voedsel) en in sommige gevallen ook kostbaarheden zoals met zilver ingelegde ijzeren voorwerpen of een gouden munt. Dergelijke graven waren echter slechts voor een klein deel van de samenleving voorbehouden vermoedelijk alleen aan de elite. Vaak werden er op de domeinen kloosters of kerken gesticht door schenkingen van adellijke eigendommen. Later werden de doden begraven in gewijde grond in en rondom de parochiekerk van de domeincentra zonder noemenswaardige bijgiften. Begraafplaatsen uit deze regio kennen we uit Bladel, Bergeijk, Dommelen, Veldhoven en Geldrop.117 117 Verwers 1998, p. 130-133.
48
Overzicht van de opgegraven middeleeuwse nederzetting in Geldrop (600-1250 na Chr.). 2.7.2
Aard en dynamiek van erf en nederzetting in de middeleeuwen
In oostelijk Noord-Brabant is de vroegste middeleeuwse bewoning vaak te vinden op plaatsen die vanaf de late middeleeuwen niet of nauwelijks meer bewoond zijn. In het bestaande beeld, gebaseerd op onderzoek in de Kempen, zou in de kolonisatiefase van de vroege middeleeuwen sprake zijn van zwervende erven met akkers in een boslandschap, gevolgd door aanleg van geconcentreerde nederzettingen die tot in de volle middeleeuwen bestaan. Naast de geconcentreerde nederzettingen zouden zowel in de laat-Merovingische als Karolingische tijd opnieuw geïsoleerde erven bestaan. Tussen 875 en 950 zou het aantal nederzettingen en de omvang van bestaande nederzettingen sterk afnemen. Vanaf de volle middeleeuwen neemt het aantal soorten nederzettingen toe evenals de omvang daarvan. Omgrachte woonplaatsen komen op, naast gehuchten en verspreide erven. Dit bewoningspatroon houdt stand tot zeker 1200, waarna verplaatsing optreedt van woonplaatsen. Tot nog toe is over die verplaatsing weinig bekend omdat laatmiddeleeuwse nederzettingen nauwelijks zijn onderzocht.
Kunnen we voor de Zuid-Nederlandse zandgronden spreken van één transitie of verliepen de laatmiddeleeuwse veranderingen overal anders? De aard van de agrarische woonplaatsen in de vroege en volle middeleeuwen varieert van relatief kortdurig bestaande éénledige nederzettingen uit de volle middeleeuwen tot woonplaatsen die eeuwen lang, vanuit de vroege tot in de volle middeleeuwen hebben bestaan en meerdere gelijktijdige erven hebben omvat. Qua samenstelling zien we in de Merovingische tijd minimaal een huis en een waterput, soms bijgebouwen en soms erfbegravingen. Voor de Karolingische tijd bestaat hetzelfde beeld, maar dan zonder erfbegravingen. In de volle middeleeuwen is er altijd een huis, een waterput en een of meer bijgebouwen. Soms zien we in die periode greppels om erven. Het gaat om greppels die erven indelen en afscheiden. Verder zijn er soms langwerpige kuilen op erven.
49
De indeling van erven in de vroege middeleeuwen vertoont, overeenkomstig erven uit late prehistorie en Romeinse tijd, geen duidelijk patroon. In de Merovingische tijd liggen waterputten soms bij de lange zijde van het huis (Nistelrode, Geldrop), soms overhoeks (Dommelen). Bijgebouwen liggen soms bij de korte zijde van het huis (Dommelen, Gassel, Geldrop), soms bij de lange zijde (Nistelrode). In de Karolingische tijd liggen waterputten soms overhoeks (Geldrop, Dommelen) ten opzichte van het huis, soms bij de lange zijde (Dommelen), soms bij de korte zijde (Nistelrode). Bijgebouwen liggen bij de korte zijde (Dommelen), soms bij de lange zijde (Nistelrode). In de volle middeleeuwen is er meer uniformiteit, met name tussen 1125 en 1250. Er is dan sprake van dwarsgeplaatste bijgebouwen bij de zijde van het huis met de waterput en tevens bij die zijde van het huis waar de haard ligt. Overhoeks van het huis zijn, met de lengterichting van het huis mee, bijgebouwen aan de andere korte zijde van het huis gebouwd. Bij de lange zijde van het huis liggen soms veekralen en soms zijn er toegangen tot het erf waarneembaar.
Reconstructie van een Karolingisch erf bij Amersfoort (De Bergkamp). Wat huizen betreft kan gesteld worden dat er In de vroege middeleeuwen rechthoekige huizen zijn en in de volle middeleeuwen bootvormige. Een overgangstype daartussen is eveneens aanwijsbaar. Te Nistelrode-Zwarte Molen II is een huis gevonden dat bootvormig is en mogelijk al uit de achtste eeuw dateert. Het is daarmee het oudste bootvormige huis in het Maas-Demer-Scheldegebied tot dusver. In de periode 1200-1600 wordt voor het eerst gefundeerd op poeren. Dat zien we ook in een stedelijke context. In steden als ’s-Hertogenbosch, Utrecht, Zutphen, Venlo en Bergen op Zoom wordt vanaf de periode 1300-1575 gebouwd op poeren. Omdat poeren vaak geen sporen in de bodem achterlaten zullen van de gevonden erven niet alle gebouwen zijn overgeleverd. Op agrarische erven zien we in de gehele late middeleeuwen huizen gefundeerd op zowel poeren als met ingegraven palen. Het gaat vooral om driebeukige huizen, soms tweebeukige. Het laatste huistype van de volle middeleeuwen wordt tot zeker 1350 gebouwd. Vanaf circa 1350, maar waarschijnlijker vanaf circa 1450 verschijnen potstallen in boerderijen. Met de aanleg van potstallen verandert de lengte-breedteverhouding van de boerderij. Huizen worden relatief langer en smaller. Met de bouw van huizen met brede potstallen verandert de indeling van huizen.
De potstal komt tegen een korte zijde aan te liggen, daar waar die eerder in een (verbrede) zijbeuk lag.
50
Wat de overige erfelementen betreft kan worden waargenomen dat erven in de dertiende eeuw vooral kleine bijgebouwen hebben. Er is mogelijk sprake van een overgang van grote naar kleine bijgebouwen op erven tussen de twaalfde en dertiende eeuw. In de veertiende eeuw zijn vaker grotere bijgebouwen op erven zichtbaar, zoals in Nederweert, Best en Sterksel. Voor het eerst komen ook erven voor zonder bijgebouwen, namelijk in Best. Ofwel de verschillen tussen erven worden groter naar aantal en omvang van bijgebouwen ten opzichte van de dertiende eeuw. Vervolgens lijken bijgebouwen te ontbreken in de vijftiende eeuw, maar deze waarneming is echter gebaseerd op slechts één opgraving. In de zestiende eeuw is opnieuw sprake van variatie naar omvang van bijgebouwen op erven. Op erven komen tot zeker 1450 mestkuilen voor, soms op het erf en soms in bijgebouwen. Vanaf 1450 liggen mestkuilen in huizen: potstallen. Wanneer erven uit de twaalfde tot en met zestiende eeuw worden vergeleken is een tendens waarneembaar waarbij de bijgebouwen steeds kleiner worden of zelfs op erven ontbreken. 2.7.3
Verplaatsing van bewoning
Wanneer de aanvangs- en einddata van agrarische bewoningsplaatsen samen worden beschouwd blijkt het dat reeds vanaf de vroege middeleeuwen verplaatsing van bewoning plaatsvindt, niet pas vanaf de volle middeleeuwen of pas in de overgang van de volle naar de late middeleeuwen. We zien bijvoorbeeld veel einddata van bewoningsplaatsen in de twaalfde eeuw. In elke eeuw van de periode 1200-1600 zien we de aanleg van nieuwe bewoningsplaatsen. Dat geeft aan dat in elke eeuw bewoning eerder op een andere plaats lag en dat dus van dynamiek sprake is binnen de late middeleeuwen zelf. Alleen over de Karolingische tijd bestaat wat onduidelijkheid; er zijn geen woonplaatsen bekend die aanvangen of eindigen in de negende eeuw. Parallel aan verplaatsing van woonplaatsen zien we in de vroege, volle en late middeleeuwen het naast elkaar bestaan van verschillende typen woonplaatsen (naar bestaansduur en samenstelling). Met name aangaande de volle middeleeuwen zijn we daarover goed geïnformeerd. Een mooi voorbeeld is Someren, waar zowel geïsoleerde erven, kleine meerledige als ook grote meerledige nederzettingen in elkaars nabijheid voorkomen. In het grootschalig onderzoek van een middeleeuws landschap in Someren zien we geen duidelijke verandering van de locatie van bewoningsplaatsen door de periode 450-1250 heen ten opzichte van de hoogteligging.
Wel zien we een duidelijke verplaatsing van bewoningsplaatsen vanuit, in de vroege middeleeuwen aangelegde kernen, naar volmiddeleeuwse bewoningsplaatsen. Die uit de volle middeleeuwen liggen deels in een langgerekt patroon op de rand van een langgerekte laagte waarin de huidige dorpskern ligt. Deels liggen ze ook verder van die rand af, zowel met geïsoleerde erfplaatsen langs wegen als met geconcentreerde erfplaatsen bij kruispunten. In totaliteit is te Someren sprake van een verplaatsing van bewoning van oost naar west. Te Nistelrode is zichtbaar dat vanaf de Karolingische tijd bewoning lager komt te liggen dan daarvoor. Tevens is daar sprake van een overgang van kort bestaande bewoningsplaatsen (ca. 125 jaar) naar een lang bestaande (ca. 425 jaar), dus van relatief dynamische naar langdurig plaatsvaste bewoning. Ook hier is sprake van verplaatsing van oost naar west. Te Best-Aarle zien we dat laatmiddeleeuwse bewoning hoger ligt dan volmiddeleeuwse bewoning. De bewoning daar is vanaf de vijftiende eeuw tot op het heden op één plaats gefixeerd. De bewoningsverplaatsing te Best-Aarle moet niet lineair worden beschouwd, maar in het licht van een excentrische beweging vanuit akkerkernen naar buiten, samenhangend met expansie van het landbouwareaal.
Dit is wellicht een van de sleutels tot het begrijpen van de verplaatsing van de bewoning in de overgang van de volle naar de late middeleeuwen, maar ook bij het begrijpen van verplaatsing in algemeen tussen de vroege middeleeuwen en de nieuwe tijd.
51
Impressie van bewoning in het plangebied Best-Aarle in de tweede helft van de elfde eeuw bezien vanaf het zuidoosten (Tekening Mikko Kriek). Een belangrijke onderzoeksvraag van de afgelopen jaren was wanneer er een overgang van zwervende erven naar stabiele bewoning plaatshad in de periode tussen 800 en 1200. In de eerste plaats moeten we vaststellen dat niet van zwervende erven sprake was in de vroege tot en met late middeleeuwen, er was continu sprake van stabiele bewoning, zij het met verschillen (kort, middellang en lang bestaande woonplaatsen). ‘Kort’ bestaande woonplaatsen bestonden bijvoorbeeld geen 25 jaar zoals in het zwervende ervenmodel, maar eerder 75 jaar (op basis van compleet opgegraven exemplaren). In de tweede plaats is sprake van fixatie van bewoning vanaf de tiende eeuw bij aristocratische woonplaatsen en waarschijnlijk vanaf de late middeleeuwen bij bewoningsconcentraties met alleen agrarische woonplaatsen, hoewel daar in archeologische zin nog weinig over bekend is. Verder moet worden opgemerkt dat in Oost-Brabant ook plaatsen bestaan waar nauwelijks sprake is van verplaatsing, zoals te Son en Oss. Daar zien we bewoning vanaf de vroege middeleeuwen tot en met nu op dezelfde plaats. Daarvan is wellicht ook sprake te Sint-Oedenrode en Bergeijk, waar spaarzaam Karolingische bewoning op de aristocratische woonplaatsen is aangetroffen.
De verplaatsing van agrarische bewoning in de middeleeuwen van oostelijk Noord-Brabant van hoog (in de Merovingische tijd) naar laag (in de late middeleeuwen) lijkt vooral te maken te hebben met een verschuivend agrarisch accent ten gunste van veeteelt, samenhangend met de steeds verdere intensivering van akkerbouw. Er wordt steeds een agrarisch strategische positie gekozen die van belang is voor de aard van het agrarisch bedrijf van het moment (vooral akkerbouw, vooral veeteelt of een gemengd bedrijf). De intensivering van akkerbouw begint kort na 1000 en is zichtbaar in de vorm van mestkuilen op erven. In depressies worden in de volle middeleeuwen veekralen aangelegd en ook op kruispunten van wegen. In de opgravingen te Someren-Waterdael is dat fraai zichtbaar, waar zelfs een depressie met veekraal is opgenomen in de erfindeling. Die intensivering van veeteelt zal samenhangen met intensivering van akkerbouw. In de loop van de late middeleeuwen worden potstallen in de boerderijen aangelegd, te Best-Aarle zijn daar verschillende voorbeelden van gevonden. Tegelijkertijd is sprake van de opkomst van plaggendekken. De intensivering van de akkerbouw zelf kan samenhangen met vier factoren: bevolkingsgroei, bodemverarming, perceelversnippering en marktproductie. De verplaatsing van bewoning in de twaalfde en dertiende
52
eeuw naar lage gebieden zal primair samenhangen met intensivering van veeteelt voor de intensivering van de akkerbouw en de expansie van het cultuurland als geheel. Daarom gaat men in de late middeleeuwen vooral in lage gebieden wonen, maar soms ook hoog zoals te Best-Aarle. Een rol van betekenis bij die verplaatsing in die periode kan ook de toenemende marktafhankelijkheid zijn, maar ook de losmaking van verticale relaties met aristocraten. Markten komen namelijk niet toevallig juist op eind twaalfde en in de dertiende eeuw in oostelijk-Noord-Brabant (en in heel Europa). Het feit dat aristocratische woonplaatsen buiten gebruik raken einde dertiende en begin veertiende eeuw (Oerle, Bergeijk) en eind twaalfde eeuw worden gereorganiseerd, dan wel in de dertiende eeuw (1232?) worden overgenomen (Sint-Oedenrode), is geen aanwijzing voor de gedachte dat de machtsbasis van lokale heren in die periode goeddeels is verdwenen. De machtsbasis van lokale heren verdwijnt niet, maar verandert. In de dertiende en veertiende eeuw worden talloze kastelen en moated sites gesticht, hetgeen erop wijst dan hun rol, zeker op lokaal niveau, toeneemt. De hertog van Brabant reduceerde de bovenlokale aspiraties van bepaalde families, zoals de graven van Rode, maar hun rol is daarmee op lokaal niveau zeker niet uitgespeeld. Veel edellieden worden dienstmannen van de hertog.
Tevens ontstaan er nieuwe elitegroepen, zoals kerkelijke hoogwaardigheidsbekleders en de stedelijke elite die zich op het platteland vestigen.
Grote woonstalboerderij uit de Volle Middeleeuwen zoals deze in het Historisch Openlucht Museum van Eindhoven is nagebouwd (foto R. Berkvens). De mensen leefden in de vroege middeleeuwen aanvankelijk in familiegroepen, al dan niet verspreid over meerdere dekzandgebieden (woonakkergebieden met bos) en met eigen begraafplaatsen. Dit zijn de kolonisten van Brabant. Later, vanaf eind zevende eeuw, zien we in de bronnen de eerste tekenen van statusverschillen tussen gewone mensen en bijzondere mensen, grootgrondbezitters. De grote vraag is of die grootgrondbezitters in Brabant zelf woonden dan wel daarbuiten. Nog later, vanaf de achtste eeuw komt veel grondbezit van aanzienlijke familiegroepen in handen van kloosters zoals de abdijen van Echternach, Sint-Truiden en Lorsch. Ook moet veel grondbezit in koninklijke handen zijn geraakt, koningsgoed. Die nieuwe eigenaren vormden dat grondbezit om naar bedrijfseenheden: hoeven (mansi), soms met een ‘herenhoeve’ erbij (mansus indominicatus). Archeologisch vinden we van die bedrijfseenheden vrijwel niets terug. Het exploitatiesysteem met mansi is niet archeologisch zichtbaar omdat we niet weten uit hoeveel erven een mansus bestond, of de grootte van een mansus overal hetzelfde was en of een mansus bij elkaar gelegen erven bevatte dan wel verspreid gelegen erven, met erven van andere mansi en van vrije boeren daartussen.
53
2.7.4
Aristocratische bewoningsplaatsen, grafvelden en kerken
Naast agrarische bewoningsplaatsen bestaan ook vroeg-aristocratische en aristocratische woonplaatsen. Een vroeg-aristocratische woonplaats is gevonden te Eindhoven-Blixembosch (datering 800-1050). Aristocratische bewoningsplaatsen uit de volle middeleeuwen (900-1250) betreffen Flachsiedlungen, motteburchten en waterburchten (omgrachte kastelen). In de late middeleeuwen (1250-1500) zien we naast motteburchten, die in deze tijd overigens al grotendeels verdwenen zijn, en waterburchten ook moated sites, maar ook andere kasteeltypen. Door de tijd heen is vaak sprake van complexen met per fase een of meer omgrachte eilanden. Op die eilanden kunnen woongebouwen en verdedigbare gebouwen staan ̶ die functies konden ook gecombineerd zijn ̶ , maar ook kerken en schuren (ook tiendschuren) en stallen. In Nuenen zijn aan de Beekstraat resten van een moated site ontdekt. Mogelijk betreft het hier de resten van de uit historische bronnen bekende Oudenstein. Bij de opgraving in 2012 werd een deel van de site opgegraven waaruit bleek dat de gracht circa 11-12 meter breed was en circa 1.2 meter diep. De gracht lijkt reeds in de 14e eeuw in gebruik en is ten minste tot in de 16e eeuw in gebruik gebleven.
Binnen de omgrachting werden muurfunderingen en uitbraaksporen gevonden.118 Archeologisch onderzoek bij ’t Slotje of kasteeltje van Opwetten nabij de Dommel heeft aangetoond dat dit kasteel uit de 16e eeuw niet de eerste bewoning is die hier aanwezig was, maar dat het terrein reeds in de 13-15e eeuw bebouwd/bewoond is geweest. Of we dit dan kunnen duiden als moated site is niet zeker, omdat alleen de site maar beperkt is onderzocht. Uit historische bronnen is wel bekend dat in deze periode in het gebied sprake was van enkele hoeven, waaronder de Vorswijck, dat in de 15e eeuw in bezit was van Ywan Stierkens. Na 1558 is het kasteel mogelijk vernieuwd door jonkheer Rutger van Berckel.
Funderingsresten van huis Oudenstein (foto Grontmij). Naast bewoningsplaatsen bestaan ook grafvelden en cultusplaatsen (kerken). In de vroege middeleeuwen werden mensen in kleine groepjes of alleen begraven op huiserven en in grote grafvelden. In Nuenen zijn deze plekken nog niet gevonden. Grafvelden uit de Karolingische tijd
118 Delporte 2014.
54
ontbreken in onze regio zelfs geheel. In de volle middeleeuwen worden grafvelden bij bestaande agrarische en aristocratische bewoningsplaatsen aangelegd. Kerken worden gelijktijdig met of na aanleg van het grafveld gebouwd. Vaak lag er al een nederzetting waar in de loop van de tijd een begraafplaats kwam te liggen, meestal niet voor het jaar 900, gevolgd door een houten of stenen kerk.119 De middeleeuwse kerktoren van Nuenen is, dankzij de opgravingen daar (Luistruik), van een oude nederzettingslocatie een concreet voorbeeld. Maar ook bij de oude middeleeuwse kerk van Nederwetten en Gerwen kunnen plaatsen zijn geweest van een nederzetting die in de vroege middeleeuwen begon. In de late middeleeuwen is de bewoning bij sommige kerken verdwenen en resteert alleen een eenzaam in de akkers gelegen kerktoren, zoals die in Nederwetten. In het open akkergebied rond de toren ligt vrijwel zeker de middeleeuwse voorganger van het dorpje Nederwetten.
Uitgraven van de boomstam waterput op de Luistruik I in 2009. 2.7.5
Middeleeuwse vindplaatsen in Nuenen
Noodonderzoek door de heemkundekring heeft in het verleden al diverse nederzettingen uit de volle middeleeuwen aan het licht gebracht. Nabij de Beekstraat werd in 1993 en 1997 bijvoorbeeld een bootvormige boerderij-plattegrond, twee spiekers en een greppel uit de 12-13e eeuw onderzocht. En op de Tomakker nabij de oude kerk van Nuenen zijn begin jaren 80 meerdere waterputten gevonden waarvan er een gemaakt was van een uitgeholde boomstam. Het merendeel van de vindplaatsen die de laatste jaren zijn opgegraven dateren uit ook de Middeleeuwen. Naast grote opgravingen bij De Luistruik, gaat het ook om kleinere gebieden als de Dubbestraat in Nuenen-West. De afgelopen vijftien jaar hebben opgravingen in het gebied De Luistruik meerdere vindplaatsen uit de Middeleeuwen aan het licht gebracht. De oudste bewoning dateert in de Karolingische tijd (750-1000 na Chr.) en betreft een boomstamwaterput. Een bijbehorende boerderij ontbrak; vermoed wordt dat de 119 Theuws 1989.
55
bewoning zich vooral concentreerde rond de oude kerktoren aan de Tomakker. In de vulling van de vroegmiddeleeuwse waterput zijn resten gevonden van takjes van pruimenbomen. Tot nu toe werd aangenomen dat er geen pruimenbomen bestonden in Nederland in de vroege middeleeuwen, maar met de vondst van de takjes in de waterput in Nuenen lijkt dit beeld te moeten worden veranderd. Opvallend in het botanische assemblage uit de waterput is ook de vondst van resten van tuinbouwgewassen als dille, kervel en selderij. Vooral resten van kervel zijn nog nooit aangetroffen binnen een vroegmiddeleeuwse context.120
Nuenen Luistruik 3. Achterzijde van een haardwandfragment met rest van de het gat voor de blaasbalge. De schaalverdeling is in cm (bron Wesdorp 2020). Het merendeel van de opgegraven erven op De Luistruik daren in de Volle Middeleeuwen (1050-1300 n.Chr.). Een van de boerenerven bestond uit een hoofdgebouw (woon- of woonstalhuis), een grote schuur of stal en een spieker of graanopslag. Op het erf lag verder een boomstamwaterput, een waterkuil, losse paalkuilen en kuilen waarvan de functie niet duidelijk isn.121 Bij de laatste opgravingen in 2018 werden aan de zuidzijde meerdere gebouwen en sporen uit de volle middeleeuwen aan het licht gebracht. Het gaat om twee gebouwen, vijf bijgebouwen, twee waterkuilen, twee waterputten, drie kuilen en vijf greppels. Het gevonden aardewerk is schaars maar wijst op een datering in de 12 e eeuw. De metaalvondsten afkomstig uit enkele sporen dateren in de Volle Middeleeuwen en de samenstelling van de assemblage slakmateriaal wijst op een datering in de Volle en/of Late Middeleeuwen. De boerderijen hebben een constructie bestaande uit gebinten gehad wat kenmerkend is voor huizen uit de Volle Middeleeuwen. Ook de constructie van de waterputten waarbij de bekisting bestaat uit een uitgeholde boomstam is typisch voor de Volle Middeleeuwen.
Twee bijgebouwen zijn geïnterpreteerd als smidsen vanwege de grote hoeveelheid slakmateriaal die hier werd gevonden. Het gaat om slak dat bij het smeden van ijzer is ontstaan (smeedslak). Er lijkt sprake te zijn geweest van een verhoogde smeedhaard. Nagenoeg alle hamerslag is afkomstig uit de kuilen in het midden van beide structuren wat als een aanwijzing gezien mag worden dat hier het aambeeld heeft gestaan. Het lijkt erop dat de smeedhaard ooit compleet is vernieuwd waarbij resten van de oude haard in de waterkuil terecht zijn gekomen. De smidsen zijn een unieke vondst in Nederland aangezien op verschillende opgravingen wel de plaats van de smederij vermoed kon worden aan de hand van vondstmateriaal maar dit nog nooit te relateren was aan structuren.122
120 Kiefte 2015. 121 Wattenberghe 2011. 122 Wesdorp 2020.
56
Overzicht van de aangetroffen sporen en structuren uit de Volle Middeleeuwen bij de opgraving Nuenen-Luistruik 3 (bron Wesdorp 2020). Aan de Dubbestraat is in 2010 een erf uit de volle middeleeuwen opgegraven. Het gaat o.a. om een woonhuis, hooimijt, twee waterputten en (mest)kuilen. Het woonhuis betreft een bootvormig gebouw van het type Dommelen A1. Op basis van het vondstmateriaal dat werd aangetroffen in de sporen, kan het huis gedateerd worden de periode 1050-1200. De twee waterputten, die zijn aangetroffen, zijn gemaakt van uitgeholde boomstammen en horen bij het woonhuis. De oudste waterput ligt direct ten noordwesten van het woonhuis en dateert op grond van het vondstmateriaal en een C14 datering uit de tweede helft van de 11-12e eeuw. De tweede waterput dateert op grond van het vondstmateriaal uit 1125-1200. Naast deze laatste waterput ligt een drenkkuil.123
123 Tump 2012.
57
Impressie van de bewoning op De Luistruik in de 12e eeuw gezien naar het noordwesten. Het gaat om twee losstaande boerenerven met bijgebouwen, waarbij een gebouw in gebruik was als smederij (bron VUhbs, Mikko Kriek).
58
2.7.6
Historische bronnen over Nuenen
In de 12e eeuw liet de abt van Sint-Truiden een lijst opstellen van al zijn goederen. Hierin werden diverse parochies genoemd, die mogelijk al eeuwen vanuit Sint-Truiden werden bediend. In de 11e eeuw had de abdij het beheer van de verafgelegen gebieden namelijk in handen gegeven van de lokale en regionale adel. In Woensel had heer Engelbert van Horne omstreeks 1250 de goederen van de abdij in handen. Zijn oom Dirk van Altena bezat de rechten van de abdij in Son, Strijp, Nuenen en Gerwen. Toen deze edellieden merkten dat zlj vrijwel ongemoeid hun gang konden gaan, eigenden zij zich steeds meer rechten toe. Het was daarom van belang voor de abt om vast te laten leggen welke rechten de abdij van Sint-Truiden had. Ze deed dit door grootgrondbezitters en edellieden te overtuigen dat zij voor hun zieleheil een deel van hun bezit moesten afstaan aan de kerk. Uit 13e eeuwse stukken blijkt een duidelijk verband te zijn tussen de parochies Woensel, Son, Strijp, Nuenen, Gerwen en Stiphout. Nuenen wordt in deze lijsten niet vermeld, maar dit kan er op wijzen dat de kerken van Nuenen en Gerwen in de 12e eeuw nog niet bestonden of mogelijk deel uitmaakten van een zogenaamde moederparochie. Gezien het feit dat de kerk van Woensel tevens dekenale kerk was, ligt het voor de hand om te veronderstellen dat Woensel de moederkerk is geweest voor Nuenen en Gerwen. 124
De oude kerktoren van Nuenen met een ploeger, 1884, door Vincent van Gogh (foto Kröller-Müller, Otterlo). Sinds 1225 waren de rechten over de parochie Nuenen in handen van het kapittel van Kortessem in België. Dit kapittel was in 1225 gesticht door Dirk van Altena. In de 14e eeuw bestond de parochie uit tenminste twee kerken, te weten die van Nuenen en die van Gerwen. Op grond van het feit dat alleen de naam Nuenen in 13e eeuwse documenten in het archief van Kortessem voorkomt, mogen we aannemen dat de kerk van Nuenen waarschijnlijk ouder was dan die van Gerwen.125 De verdwenen kerk van Nuenen was de voorganger van het gebouw dat tot in de 19e eeuw eenzaam midden in het akkergebied “de Kerkakkers” stond, thans bekend als algemene begraafplaats in het bosje nabij de wijken Langakker en Tomakker. De 14e eeuwse kerk van Gerwen, die ook tot in de 19e eeuw eenzaam
124 Coenen 2000, 21-23. 125 Coenen 2000, 23.
59
in de akkers stond, was de voorloper van het huidige 15e eeuwse kerkgebouw. Aan de hand van een bescheiden opgraving in de kerk is bekend dat we te maken hebben met een 14 e eeuws Romaans zaalkerkje met een versmald koor. Onder de funderingen van dit 14 e eeuwse zaalkerkje en de huidige kerk werden grafkuilen gevonden, die erop wijzen dat de oudste kerk niet erg ver van de huidige locatie gezocht moet worden. In de directe omgeving zijn ook brokken oersteen en tufsteen gevonden, waarvan enkele brokken tufsteen later zijn verwerkt in het fundament voor het altaar in de huidige kerk. De tufsteen is oorspronkelijk mogelijk afkomstig van een Romeins bouwwerk uit de omgeving. Dit wordt versterkt door de vondst van een Romeinse dakpan, die ook hergebruikt werd als bouwmateriaal. Er werden verder ook paalgaten aangetroffen van een ouder bouwwerk, maar het aantal was te gering om daaruit conclusies te trekken.126 In 1146 werd door een kanunnik van de abdij van Rolduc het klooster Hooidonk gesticht. Als plaatsbepaling werd niet Nederwetten genoemd, maar de streek Tessandria. Blijkbaar was het klooster in de 13e eeuw zo bekend dat de naam Nederwetten overbodig was. Gezien het feit dat zuidelijk van Nederwetten op Nuenens grondgebied het gehucht Opwetten voorkomt, is het niet onmogelijk dat men oorspronkelijk uitsluitend de naam Wetten gebruikte.
Op het kloosterterrein werd in 1148 een houten kapel gebouwd, die in 1240-1248 werd vervangen door een stenen kapel. Van de kerk van de priorij van Hooidonk hebben we geen enkele afbeelding; dat geldt ook voor de kloostergebouwen. De kerk van de priorij ging in 1579 in vlammen op en werd niet meer herbouwd. De Sint-Lambertuskerk van Nederwetten kennen we aan de hand van foto’s van het einde van de 19e eeuw. Van de bakstenen toren resteert nog een gerestaureerde romp. De eerste stenen parochiekerk werd hier in 1244 ingewijd ter ere van de H. Lambertus als patroon van de nieuwe parochie. Tussen 1438 en 1442 werd een nieuwe vrij kleine parochiekerk gebouwd door de priorij van Hooidonk in de stijl van de Kempische Gotiek. In 1898 werd de kerk afgebroken op de klokkentoren na, die in het bezit van de gemeente was.
De kerk van Nederwetten nog intact op een schets uit 1791 van Hendrik Verhees. Toen bovenstaande foto in 1915 werd gemaakt, stond alleen de kerktoren nog overeind. 127 In het begin van de 13e eeuw maakt Nuenen, Gerwen en Nederwetten deel uit van het graafschap Rode. Later wordt dit graafschap een onderdeel van het gebied van de hertog van Brabant. Op 4 december 1300, Sint Barbaradag, schreef Hertog Jan II van Brabant (1275-1312) een brief waarin hij de inwoners van Nuenen en Gerwen gebruiksrechten over de gemeenschappelijke gronden verkoopt. De
126 Halbertsma 1978. 127 Coenen 2000, 81, 129.
60
gemeenschappelijke gronden waren woeste gronden binnen het grondgebied van een plaats. Zij bestonden uit heide, grasland en moerassen. Op deze gronden konden inwoners van de plaats hun vee laten grazen, zij konden er turf steken en de heide maaien, die men als ondergrond gebruikte in de stallen. De inwoners moesten met elkaar regels opstellen om de gronden adequaat te beheren. Nuenen was hiermee een hertogsdorp geworden. Na 1300 kregen de inwoners van Nuenen en Gerwen ook steeds meer voorrechten van de hertog van Brabant. Er ontstond een zelfstandig dorpsbestuur, dat geleid werd door de kwartierschout, als plaatsvervanger van de hertog van Brabant. Nederwetten was daarentegen in 1300 economisch en bestuurlijk afhankelijk van de priorij van Hooidonk. De inwoners van Nederwetten mochten de woeste gronden van de priorij gebruiken. Het beheer bleef bij de priorij.128 Economisch gezien beleefde de priorij haar bloeitijd. De 15e eeuw kunnen we voor Nuenen beschouwen als een gouden eeuw. Er werden in ieder kerkdorp nieuwe kerken gebouwd, een kapel in Opwetten en een klooster op Soeterbeek.
Links, portret van hertog Jan II van Brabant geschilderd door Henri Leys in de 19e eeuw (bron: Art in Flanders, Jan II hertog van Brabant 1306; Beeldnummer 0031553000, Inventarisnummer 1221); rechts portret van Jan II (bron: afbeelding uit Ducum Brabantiae chronica, te vinden in Complutense University Library of Madrid). In de twaalfde eeuw strekte een aantal graven hun macht over de streek uit, nadat in de voorgaande eeuw de bisschop van Luik iets dergelijks ondernomen schijnt te hebben. Verondersteld wordt dat sommige kerken onder zijn invloed gesticht zijn. De graven waar we daarna mee te maken hebben zijn die van Leuven (later hertog van Brabant); van Gelre (dat toen veel zuidelijker lag dan nu) en van Loon (nu ruwweg Belgisch Limburg). Vooral in de jaren 1180 – 1235 werd de streek grotendeels onder 128 Peters 2016.
61
Brabants gezag gebracht, al bleef de Dommel nog een tijdje de oostgrens van de Brabantse invloed. Pas na 1300 rukte Brabant verder oostwaarts op, zodat het uiteindelijk ook Nuenen omvatte.129
Kaart van de gebiedsuitbreiding van de hertogen van Brabant, 1000-1250 (naar Steurs 2004, 69).
129 Sanders, van Ham & Vriens (red.) 1996. 36.
62
2.8
Tot de Tachtigjarige Oorlog (1250 – 1570 n.Chr.)
K.A.H.W. Leenders
2.8.1
De middeleeuwse reorganisatie130
De twaalfde eeuw (tot 1175/1185) is in oostelijk Noord-Brabant een bloeiperiode met de opkomst van veel nieuwe woonplaatsen, bevolkingsgroei, expansie van cultuurland, grotere agrarische bedrijven (erven met grote bijgebouwen) en versterkte communale sociaal-economische relaties als het gaat om veeteelt (en akkerbouw?). Parallel daaraan kan de intensivering van akkerbouw, via intensivering van veeteelt, de cultuurlandexpansie vanaf 1000 gezien worden als een middellange termijnproces. Dat middellange proces is zelf deel van een lange termijnproces: de verschuiving van woonplaatsen van hoog naar laag, bevolkingsgroei, verdichting van bewoning, uitbreiding van cultuurland en veranderingen in het agrarische bedrijf vanaf de vroege middeleeuwen. Aldus zijn – deels – drie processen zichtbaar in de middeleeuwen van oostelijk Noord-Brabant, die in bepaalde perioden hand in hand verlopen: 1. Een lange termijnproces 500-1500/1600 van de verschuiving van woonplaatsen van hoog naar laag, maar met uitzonderingen. Daarnaast zijn bevolkingsgroei, verdichting van bewoning, cultuurlandexpansie en wijzigende agrarische accenten aanwijsbaar. 2. Een middellange termijnproces 1000-1500/1600 van intensivering van akkerbouw via intensivering van veeteelt voor mestproductie.
Als gevolg van het verschuivende agrarische accent (steeds meer een nadruk op veeteelt) zien we telkens verplaatsing van agrarische woonplaatsen naar nieuwe agrarischstrategische locaties in landschap. In de periode 1000-1200 verschuiven bewoningsplaatsen naar depressies en andere natte zones, zoals beekdalvormige laagten. Vervolgens in de periode 1200-1500 naar woonlocaties in die laagten zelf. Te bedenken valt dat tussen 1000 en 1500/1600 ook locaties bij heidevelden steeds belangrijker worden indien men schapenmest wil gebruiken. 3. Een korte termijnproces 1175/1185-1300/1325 met veel veranderingen in korte tijd: •
verdwijning van agrarische woonplaatsen op de dekzandruggen;
•
opkomst van markten in opkomende steden en het platteland en zo een toenemende marktafhankelijkheid;
•
opname van grote delen van het studiegebied in het hertogdom Brabant;
•
verdwijning, herinrichting en/of overname van (een aantal) volmiddeleeuwse aristocratische woonplaatsen als gevolg van gewijzigde machtsverhoudingen tussen hertog en lokale heren (en zo meer vrijheid bij boeren);
•
opkomst van het verschijnsel stad zelf.
Over de vraag of landschappelijke veranderingen een rol in de laatmiddeleeuwse transitie spelen, zoals het verdwijnen van bossen en het ontstaan van steeds grotere heidevelden, en of de opkomst van de intensieve schapenhouderij aan de laatmiddeleeuwse transitie kan worden gerelateerd, kan op basis van het palynologische onderzoek nauwelijks iets gezegd worden. Dat komt omdat naar verhouding weinig pollengegevens uit waterputten, waterkuilen, greppels of grachten voor deze periode beschikbaar zijn. Alleen twee pollendiagrammen uit ’s-Hertogenbosch laten duidelijk de landschappelijke gevolgen zien van de agrarische intensivering vanaf de late middeleeuwen. Vanaf ca. 1300-1400 stijgt daar het aandeel van cultuurindicatoren sterk. Er zijn aanwijzingen voor de continue verbouw van winterrogge en blijkbaar wordt de braakperiode afgeschaft. Uit macrorestenvondsten blijkt zeker dat vanaf het laatste kwart van de dertiende eeuw bemesting met stalmest plaatsvindt. Het afschaffen van de braakperiode gaat dus samen met stalmestbemesting. Vrijwel gelijktijdig stijgt ook het aandeel van struikhei enorm, ongetwijfeld als gevolg van de agrarische intensivering. Het is goed
130 Huijbers 2018B.
63
mogelijk dat de uitbreiding van de heide te maken heeft met een toename van de schapenhouderij. Struikheidevegetaties zijn uitermate geschikte begroeiingen voor begrazing door schapen. Een andere verandering was dat in de voorgaande eeuwen geleidelijk het aanvankelijk overal wel aanwezige bos opgebruikt was. Waar men aanvankelijk het vee in het bos kon weiden en uit het bos allerlei bosstrooisel en vruchten kon halen, moest men zich nu met een veel kalere wildernis tevreden stellen. Kale heide was het nog lang niet, maar de resterende bossen werden nu zuinig beheerd. Rond 1300 zou de hertog nog een aantal bossen voor de houtkap en ontginning verkopen en dat was het dan. De heer van Cranendonk richtte misschien een deel in als jachtpark (De Perk), de abdij van Tongerlo wist het Loons Bos zelfs voortdurend overeind te houden: het staat er nóg! Dergelijke oude restbossen zijn dus uiterst zeldzaam.
Oude beukenbomen in het Loonsch Bos (bron: Roymans & Sprengers 2012). Archeologisch onderzoek heeft laten zien dat de vroeg- en hoogmiddeleeuwse nederzettingen in deze overgangsperiode “verlaten” werden. Dat wil zeggen: het aanvankelijk bewoonde akkergebied werd een onbewoond akkergebied. Kennelijk werden de boerderijen verplaatst naar de rand van de oude akkergebieden, zodat Kakebeeke’s “kransakkerdorpen” tot stand kwamen: groepen lintvormige gehuchten rond een centrale akker, met aan de andere kant vaak een beekdal dat ontgonnen werd om als hooiland te dienen. Maar… in sommige akkers stond al een kerk met kerkhof! Het stenen kerkgebouw werd niet verplaatst en ook de begraafplaats was onbewegelijk. Zo leidde deze ontruiming tot het ontstaan van de typische “eenzame kerken op de akker”. In enkele gevallen is er later (1500 en later) bij die kerk weer een nieuwe nederzetting gevormd, elders bleef die kerk daar eenzaam staan. Opvallend is dat de naam van de meestal kleine nederzetting bij de kerk in oude archiefstukken zelden gelijk blijft aan de dorps- of parochienaam. Veeleer heet die nederzetting “Kerk”, “Kerkeind” of “Kerkhof”. Zelfs in een grote plaats als Oirschot is de naam van de dorpskern: “Kerkhof” en omdat de Latijnse weergave “Cymeterium” of “Atrium” luidt, weten we dat echt de begraafplaats bedoeld wordt
64
en niet zomaar een veldje van de kerk. De parochie- of dorpsnaam was dus echt de naam van de hele gemeenschap en niet die van de hoofdkern – als die er al was. Pas in de negentiende eeuw gaat men de gemeenschapsnaam, die intussen gemeentenaam geworden is, systematisch toekennen aan de toenmalige hoofdkern. De nieuwe plaatselijke heren lieten nu grotere watermolens oprichten die de oude kleintjes al snel uit de markt maalden. Deze grote watermolens zijn vaak tot in de negentiende eeuw blijven bestaan en enkele bestaan nog steeds. Van andere herinnert alleen een toponiem Molenstraat, Molenbrug, Vloed (overstroomd gebied bovenstrooms van de molen) of een “molenwiel” (beekverbreding bij een stuw of molen) aan een dergelijke molen, als die bij de beek”normalisatie” niet verwoest zijn. Een watermolen laat in de regel tal van archeologische sporen na, waarbij ook de sluis- en stuwwerken niet vergeten mogen worden; het archeologisch bewijs hiervoor werd aangetroffen bij de Collse watermolen waar een verdeelwerk aan het licht is gekomen. Het gaat om een houten constructie, waarvan het opgaande houtwerk geërodeerd is en alleen de vloer nog (gedeeltelijk) in situ bewaard is gebleven.
Een ingenieus systeem van heipalen, liggers, aangepunte planken en vloerplanken, vastgezet met pen-gat verbindingen en ijzeren klinknagels en afgedicht met jutte of hennep en een afdeklatje, zorgde ervoor dat de constructie kon weerstaan aan de eroderende werking van het stromend water van de Dommel. Uitsparingen in de vloer markeren de locatie van tussenschotten waarmee watertoevoer kon geregeld worden. Een zware paal van de kernconstructie is in de 16e eeuw gedateerd, net het moment dat onder Karel V het stuwrecht werd ingevoerd en er aan verschillende molens werken uitgevoerd werden. 131 Vanaf 1250 drong de windmolen door tot in deze streek. Die eerste windmolens waren houten standerdmolens. Ze werden graag midden op de akker of juist aan de rand ervan geplaatst, of op een heuvel in de hei. In de bodem laten ze weinig sporen na: de molen stond op stenen poeren, maar soms wierp men een molenberg op. Bovendien hoort bij zo’n molen een krans van palen waaraan de staart van de molen vastgezet werd om de molen goed op de wind te houden. Die kransen, plus allerlei afval, moeten terug te vinden zijn. Standerdmolens hielden het alleenrecht tot na 1650.
De aangetroffen houten constructie met planken vloer (bron Vansweevelt & Janssens 2016).
131 Vansweevelt & Janssens 2016.
65
2.8.2
Verdere uitbouw van de dorpen en hun cultuurland
Na de middeleeuwse transformatie stond de ontwikkeling niet stil. De regio zat midden in een periode van snelle bevolkingsgroei en dus van voortgaande ontginningen. Daarvoor werd de wildernis steeds meer aangesproken, maar allerlei lokale heren en niet te vergeten de hertog van Brabant verlangden daarvoor een jaarlijks vergoeding: de cijns van nieuwe gronden. Door al die uitbreidingen kwam er meer bouwland en minder heide. Dit leidde tot de behoefte om het gebruik van de woeste gronden voor de dorpelingen veilig te stellen. Het feit dat enkele kloosters hun deel van de woeste gronden daadwerkelijk afschermden voor lieden van elders versterkte deze behoefte bij de gewone dorpelingen. De ontginningen van voor de gemeyntevorming en ook die van daarna kregen in het veld, als ze veroverd werden op de wildernis, vaak de gedaante van een “kamp”. Dat zijn vaak wat afgeronde gehelen die met een levende haag omgeven waren en soms ook met een wal. Lang niet altijd stonden daar boerderijen in: soms was het puur een uitbreiding van het cultuurland. Ook in de beekdalen werd ontgonnen, wat dan grasland, hooiland opleverde met vaak flinke begroeiing langs de scheidingssloten: de beemden. In deze streek was in de middeleeuwen en lang daarna de algemene benaming voor dergelijke met levende hagen omgeven akkers of beemden: “bucht” of “bocht”.
Het woord “kamp” komt juist weinig voor: dat lijkt meer een woord uit wat noordelijker streken als Boxtel. De omheinde percelen binnen de bochten waren vaak van één of althans weinig eigenaren. Bovendien waren en bleven ze min of meer vierkant, zodat de boer ze bol kon ploegen. De akker komt dan in het midden een halve meter of meer hoger te liggen dan aan de randen. Dat bevorderde de afwatering en het vervroegde het begin van de groei van het gewas. Wanneer deze grondbewerking in zwang kwam is niet duidelijk. Vaak zijn deze bolle akkers in de laatste decennia weer belangrijk afgevlakt, zodat we aan nog duidelijke bolle akkers een belangrijke herinneringswaarde moeten toekennen. De bevolkingsgroei werd deels opgevangen door uitbreiding en verdichting van de oude gehuchten. Daarnaast ontstonden er ook nieuwe, vaak op de rand van de heide. Deze gehuchten dragen in deze streek in een tiental gevallen namen als Heikant, Hei-eind, Heike. Ze dateren van de vijftiende en zestiende eeuw. Andere gehuchten lagen naast ontgonnen broekgebieden en werden daar ook naar genoemd: namen op “broek” en “rijt”.
Breughel 1600-1700 BdH 20376 (PK) (prent, ets), 16e eeuwse Noord- en Zuid-Nederlandse grafiek, Prentenkabinet Museum Boijmans Van Beuningen
66
De bevolking groeide waarschijnlijk nog fors door tot omstreeks 1350. In andere streken decimeerden pestepidemieën de bevolking soms, maar hier merken we daar helemaal niets van. Wel lijkt de groei in de meeste dorpen te stoppen en blijven de bestuurlijke structuren tussen 1350 en 1550 in grote mate ongewijzigd. Pas tegen het eind van de vijftiende eeuw bloeit de economie blijkbaar weer op en neemt ook de bevolking toe. Dat is de tijd waarin heel wat dorpskerken geheel of deels vernieuwd werden en in tal van gehuchten een flinke kapel verrees. De eerste deftige boerderijen werden deels met baksteengevels verrijkt. Voor al dat bouwen waren bakstenen nodig die in plaatselijke en vaak tijdelijke steenovens gebakken werden. De benodigde leem werd ter plaatse gewonnen. Veldnamen als “Steenoven” en “Leemkuilen” herinneren daar nog aan. De oudste schriftelijke gegevens over de gehuchten en boerderijen van Nuenen gaan terug tot het begin van de 14e eeuw, waarmee we hier vanuit de archeologie aansluiten op de historische bronnen. Tot de oudste gehuchten in Nuenen behoren Beekstraat, Berg, Heieind, Weverstraat, Vaarle en Refeling. In Gerwen gaat het onder meer om Rullen, Ter Heeze, het Alvershool, Broekeind, Ten Rode, Ter Waarde, het Laar, de Wijtmanshoeve, Nieuwendijk, Olen en Stad van Gerwen.
Bijzonder is ook dat Gerwen in de 15e en begin van de 16e eeuw beschikte over een gasthuis(je), waar rondtrekkende perlgrims konden overnachten en verzorgd werden. Het dorp Nederwetten dankt zijn ontstaan aan het aldaar in 1146 gestichte klooster Hooidonk, dat zijn landerijen in erfcijns uitgaf aan particulieren, die daarop in de 12-13e eeuw hun boerderijen bouwden. We onderscheiden de hoeven Ter Venne, Ten Hout, Schoteldonk, Ter Straten en de Kerkhofse hoeve. Verderop naar Gerwen lagen nog de hoeven Swinkel en richting Soeterbeek de hoeve Roy. De gehuchten Boord en Opwetten hadden een eigen kapel, die stond aan de Opwettenseweg. Deze kapel van Opwetten was gewijd aan Sint Antonius en dateert ergens uit het einde van de 15e eeuw. Tot de oudste gehuchten van Opwetten en Boord behoorden Soeterbeek, Boord, Wettenseind, Opwetten, Eeneind en Coll. Het klooster Soeterbeek bezat verder nog de hoeven Ter Dommelen, Vorswijk en Ter Laar. 132 2.8.3
Brabants Gouden Eeuw
De talloze imposante kerken en kerktorens in oostelijk Brabant zijn de stille getuige aan andere tijden. Ze herinneren aan de Brabantse Gouden Eeuw (de periode 15e/16e eeuw). In de Brabantse steden woonde een kapitaalkrachtige elite die haar weelde wilde tonen. De welvaart en culturele bloei waren overal zichtbaar: in de steden, de kerken, de kloosters, het hele Ommeland. In de Brabantse dorpen uitte de toegenomen welvaart zich in de bouw van vele kerken die zijn uitgevoerd in de stijl van de Kempense gotiek.133 De Gotische kerktorens in Noord-Brabant dateren uit de tweede helft van de 15e eeuw. Ook talloze kunstschatten geven aan dat de goud- en zilversmeden en de beeldhouwers volop werk hadden en de fraaiste voorwerpen voor hun opdrachtgevers vervaardigden. Gedurende de Beeldenstorm en de protestantse periode 1648-1798 zijn veel religieuze kerkschatten verloren gegaan of in het buitenland verkocht, maar het overgebleven materiaal geeft al een goede indruk hoe rijk de 15 e eeuw was. Hoewel het zuidelijk deel van het hertogdom natuurlijk rijker en meer verstedelijkt was, blijkt er sprake te zijn van een geïntegreerde Brabantse economie, waarbij het rurale noorden als leverancier van grondstoffen, een complementaire functie vervulde voor hoogontwikkelde nijverheid in het geürbaniseerde zuiden.
Een substantieel deel van de verhandelbare agrarische productie uit het noorden vond zijn weg naar de Zuid-Brabantse steden. Hierbij wordt gedacht aan wol in het bijzonder, maar ook aan vlas, haver, levend rundvee, paarden en onbewerkte huiden.134
132 Coenen 2000; Cornelissen e.a. 1987. 133 Kolman, Meierink & Stenvert, p. 15, 20. 134 Hoppenbrouwers 2004, 116.
67
De gotische schilderkunst, die zijn hoogtepunt vond in de miniaturen van de gebroeders Van Limburg, zijn adembenemend mooi en geven een prachtig beeld op het leven in Hertogdom Brabant ten tijde van de Gouden Eeuw. In de late middeleeuwen ging niet alleen verhandelbare agrarische productie van het noorden naar het zuiden, maar vonden ook veel nijverheidsproducten hun weg naar het zuiden. Aan het einde van de vijftiende eeuw rekende men in Antwerpen vooral op aanvoer van linnen uit ’s-Hertogenbosch, Hoogstraten, Zundert, De Kempen en Peelland. ’s-Hertogenbosch kende een specialiteit van koperen spelden en messen die tot in Spanje beroemd waren.135 Door de veelvuldige contacten ondergingen noorderlingen de invloed van de stedelijke cultuur van het zuiden. Deze nieuwe moderne samenleving die de toon aangaf in Europa bleef niet beperkt tot de Grote Vier (Antwerpen, Leuven, Brussel en Den Bosch): ‘Vlaanderen en iets later Brabant speelden een belangrijke rol in de moderniseringsgolf van de Europese samenleving, die gekenmerkt werd door de opkomst van stedelijke economieën in de hoge middeleeuwen’.136 Er was een druk verkeer van personen en goederen, veelvuldige (handels)contacten en dus transmissie van cultuurelementen naar de kleinere steden in het hertogdom. Kortom, de levenswijze die behoorde bij een stedelijke economie kreeg navolging in de grote dorpen en kleinere steden. 2.8.4
Het wegennet
De dorpen lagen niet in isolatie. Alleen al hun relatie met ver weg gelegen kloosters wijst op langeafstandsverkeer. Bovendien werd de streek doorsneden door oude verkeersroutes, zoals die van Antwerpen naar Roermond. Deze was tussen Turnhout en Achel een tolweg, met halverwege een marktplaats in Eersel. Later werden delen van deze route opgenomen in de route Breda – Maastricht. Dwars daarop liep de route tussen Den Bosch en Maastricht. We spreken hier van “routes” en niet van “wegen” omdat een dergelijke route in feite uit een groot aantal bundels van wegen bestond. Op tolplaatsen, markten, bij voorden en bruggen kwamen die wegen samen om daarna weer uit te waaieren. Soms was er sprake van een “zomerweg” parallel aan een “winterweg”. De ervaring had dan geleerd welke baan in welk seizoen het best begaanbaar was. Immers, alle wegen waren zandwegen op misschien hier en daar een klein bestraat stukje in steden en grote dorpen. Die oude wegen hadden dus een heel ander karakter dan de moderne A2 of A67! 135 Van Uytven 2004. 136 Blom & Lamberts (red) 2006.
68
In de late middeleeuwen trok de hertogelijke rentmeester jaarlijks vaste rondjes langs de dorpen om daar cijns op te halen. Hij kwam dan met 60.000 zilveren muntjes thuis. Hoe kwamen de boeren daaraan? Ze moesten hun producten ter markt brengen en ze daar voor geld, die muntjes, verkopen. Niks autarkie, de boeren werkten ook in de veertiende eeuw al volop voor de markt, anders konden ze die rentmeester niet betalen! Naast de doorgaande grote wegen was er een verkeers- en handelsnetwerk dat op Den Bosch gericht was. Op plaatselijke (jaar)markten werden de landbouwproducten van de dorpen en gehuchten aangeboden. Van daaruit ging het naar grotere plaatsen zoals Oirschot, Eersel, Eindhoven of Weert en van daaruit naar de grote steden Den Bosch of Roermond. De beken konden daarbij amper als waterweg dienen omdat ze te smal, te kronkelig en te rijk aan watermolens waren. Alleen vanaf Oisterwijk lijkt er scheepvaart op Den Bosch mogelijk geweest te zijn. Turfvaarten en scheepvaartkanalen zijn hier tot na 1800 nooit geweest.
De belangrijkste wegen en waterlopen in Nuenen in 1815 op de historisch topografische kaart (bron Esri Nederland). Het plaatselijke verkeer verliep tussen de boerderijen en gehuchten en hun landerijen, de kerk en de molen. De kerk en de molen waren vaak het centrum van een net van “kerkwegen”, “kerkpaden” en “molenwegen” dat naar alle zijden uitstraalde. Binnen de gehuchten was er vaak de gehuchtstraat waaraan de meeste boerderijen stonden. De talrijke beekjes en natte gebieden vormden een hindernis. Beken werden wadend overgestoken waar de beekbodem dat toeliet omdat deze stevig was of verstevigd kon worden: namen als Zandvoort, Houtvoort (met hout bestraat), Steenvoort (met keien bestraat) wijzen daar op. Bij een voorde moet je naar beneden en weer omhoog. Om die helling wat minder steil te maken, werd de doorgang wat scheef op de beek gelegd. Dat levert een knik in de weg op die soms nog als herinnering aan een voorde voort bestaat. Een enkele keer werd de knik heel nadrukkelijk: er was dan een vrij lange passage door beek en beekdal. Dat heet een “langvoort”. Nog extremer wordt het wanneer men de weg een eindje door de beekbedding liet lopen. In Engeland zijn die situaties bekend als “waterlane”, hier als “waterstraat”, al zijn er ook waterstraten die alleen maar 69
naar een water toelopen. In voetpaden volstond soms een rij palen in het water waar men overheen kon stappen (een waterstap) of een flinke plank. Bij wat zwaardere constructies moest het houten wegdek ondersteund, geschoord, worden: een schoor. De meest luxe overgangen waren al dan niet gemetselde bruggen. Kleine waterlopen en sloten werden soms door een buis (hout, later gemetseld) onder een weg of toerit door geleid: een heul of hool. Vooral bij voorden en bruggen zien we aan twee zijden vaak een wegenwaaier: alleen dáár kon men de beek oversteken. Brede natte gebieden in beekdalen en op de hei vroegen om een andere aanpak. Daar werd de weg opgehoogd, met ergens halverwege een voorde of brug. Dergelijke wegen heten hier steeds “dijk”. In tegenstelling tot de Hollandse dijken die het water keren, laten de Kempense dijken het water door. Ze dienden alleen maar om een nat gebied over te steken. Wegen in droge gebieden konden tot een holle weg worden. Daarbij kunnen vijf processen een elkaar aanvullende rol gespeeld hebben. Het verkeer, vooral met paarden bespannen wagens en complete kuddes, deed het losse zand opspringen en wegwaaien. Bermen van wegen werden graag afgegraven om aan zand voor de potstal te komen of om met dat zand de eigenlijke wegbaan tonrond op te hogen. De akkers naast de weg werden door de plaggenbemesting geleidelijk hoger.
De onbegroeide baan kon ook gemakkelijk uitstuiven maar het is ook denkbaar dan men in duingebieden van begin af aan de weg tussen de lastigste zandkoppen door gekozen heeft. Dat wekt ook de indruk van een holle weg. Mogelijk is op een aantal plaatsen de holle weg niet dieper geworden omdat een meer slijtvaste bodemlaag bereikt werd. Holle wegen getuigen soms van oude wegen die op geen enkele oude kaart staan aangegeven. 2.8.5
Brandstofvoorziening
In de vroege en hoge middeleeuwen hadden de bewoners van de streek nog bossen beschikbaar om daar onder andere hun brandhout te halen. Nadat de meeste bossen verdwenen waren, bleven er twee brandstofbronnen over: de moeren en “eigen kweek”. Op veel plekken in de wildernis, zelfs daar waar wij het nu absoluut niet zouden verwachten, moet ooit veen gezeten hebben. Zo werd van een 84 hectare grote strook in de Oirschotse Heide, nu een bebost duinengebied, in 1466 gezegd dat 22% bestond uit uitgegraven turfplekken die vol water stonden.137 Het veen is vaak al in de middeleeuwen door de boeren weggegraven en met turfgraven en baggeren is tot in de twintigste eeuw doorgegaan. Het veen waar het hier om gaat kwam voor in beekdalen, broeken en goren, maar ook in vennen en in vlakke of duinenrijke delen van de hei. Het ging niet om onafzienbare veengebieden zoals in de Peel of westelijk Noord-Brabant, maar om betrekkelijk beperkte plekken. Daarom is hier van commerciële turfafgravingen geen sprake geweest: het ging steeds om “boerenvervening”. Wie kans ziet om het water uit een veen kwijt te raken, kan daarna het veen onder droge omstandigheden weggraven. Dat zal hier niet vaak goed mogelijk geweest zijn. Er was een tweede methode: met een paar stevige kerels in één dag een flink gat in het veen graven. Zo’n gat bleef lang genoeg droog om erin te kunnen werken.
Dat leverde een stapel natte turf op die na een zomertje drogen de haard weer een winter kon laten branden. Landschappelijk was het gevolg dat een broek of goor vol oude turfgaten kwam te zitten. Die gaten gingen verlanden en dat leverde weer allerlei struiken bosachtige vegetatie op. Zo’n gebied kreeg soms een naam als “De Kuilen”of “De Putten”. Een derde methode was het baggeren, een bezigheid die vooral in vennen of eerder afgegraven veen handig was. Vanaf een bootje of misschien gewoon wadend door het water trok men met een baggerbeugel de veenlaag van de venbodem. De kletsnatte bagger werd ergens te drogen gelegd en later versneden tot turfjes. Dit leverde vaak de beste turf op: “klot” of “kliet” genaamd. Waar gebaggerd is, is de oude veenlaag verdwenen. Bij sommige boerderijen stond een apart turfhok, bij de andere werd de turf in een van de andere gebouwen opgeslagen. 137 Enklaar, 1941, nr. 92.
70
De “eigen kweek” van brandstof kreeg de vorm van de hakhoutteelt. Op de randen van de bochten en de grote dorpsakkers, maar ook tussen graslandpercelen in de broeken, goren en beekdalen, groeide allerlei hakhout: struiken van eik, els en andere houtige soorten die om de zes of acht jaar zo gekapt werden, dat ze weer uitliepen. Het hakhout werd zorgvuldig onderhouden door bijplanten van zelf gekweekte “heesters”. Het hakhout diende, naast brandstofvoorziening, allerlei doelen. In het veld was het een scheiding tussen percelen. Eenmaal gekapt leverde het blad voer op, de schors was bruikbaar als grondstof in het leerlooiproces. Het eigenlijke hout was ook geschikt voor het maken en onderhouden van wanden van de boerderijgebouwen en hekken om de hof. Je kon er bonenstaken en hopstaken uit halen, etc.. Later is men in de heggen en vooral op de voorpootstroken ook grote bomen gaan zetten. Dat leverde bouw- en klompenhout op, naast opnieuw een stapel kleinhout dat weer allerlei gebruiksmogelijkheden had. Uiteraard waren de hakhoutstroken en de grote bomen erg beeldbepalend voor het uitzicht van het cultuurland van de gehuchten. 2.8.6
De oorlogen van Brabant met Gelre (1356-1543)138
Vanaf 1356 werd de macht van de Brabantse hertog aan de noordgrens van de Meierij geregeld betwist door de graaf van Gelre. Regelmatig vielen troepen binnen en werden huizen verbrand. In 1388 werden bijvoorbeeld Oisterwijk, St. Michielsgestel, Hilvarenbeek en Boxtel geplunderd en in 1397 wordt Eindhoven belegerd. IN 1400 viel Nuenen ten prooi aan het oorlogsgeweld en ook Nederwetten werd in brand gezet. Hoewel diverse keren vrede werd gesloten, rakelde de strijd telkens toch weer op. Er werden door de inwoners landweren aangelegd op de grens met Gelre. Inwoners van de Meierij waren verder verplicht de wallen rond Den Bosch en Eindhoven te onderhouden. Diegenen die niet kwamen opdagen, kregen een boete, zoals de bewoners van Son en Breugel in 1401 en 1402. De dorpen draaiden ook op voor de kosten van de belegeringen en raakten daardoor vaak in de schulden. Veel dorpen kregen toestemming om gemene gronden te verkopen om de schade door de oorlogen en de brandschattingen te kunnen betalen. Gezien de afname van het aantal huizen in Nuenen en Gerwen tussen 1472 en 1480 moeten de troepen van Gelre ook Nuenen hebben aangedaan. Kort na het overlijden van Filips de Schone op 26 september 1506 brak de vierde Gelderse oorlog (1506-1508) uit. Zij hielden een week lang huis op het platteland: in Heeze, Leende en Someren werden veel boeren gevangen genomen en werd veel buit behaald.
Daarna werden Budel en Maarheeze geplunderd, evenals Eersel en Bergeijk.139 In 1519 staken 400 ruiters en 1500 voetknechten bij Lith de Maas over: zij brandden en plunderden Hintham, Sint-Oedenrode, Heeze-Leende, Nuenen en Nederwetten. Ook kloosters werden overvallen, waaronder klooster Soeterbeek. De regenten van Nuenen en Gerwen, waar in 1526 250 bewoonde haardsteden hadden gestaan, meldden in 1621 dat er 138 woonhuizen waren afgebrand. In 1528 vielen de Gelderse soldaten vanuit het zuiden via de Peel Brabant binnen en de weerbare mannen werden per klokslag opgeroepen om het land te verdedigen. Het Gelderse leger werd verslagen op de heide tussen Heeze en Leende. In de zomer van 1542 trok Maarten van Rossum, legerbevelhebber in dienst van Gelre, plunderend door de Meierij. Hij trok onder andere van Erp via Veghel naar Sint-Oedenrode. In juli 1543 staken de Gelderse troepen de Maas weer over en trokken plunderend van Oss via Veghel en Boxtel naar Oirschot dat vervolgens werd plat gebrand. De bruggen over de Aa werden weer afgebroken. Om een einde aan de overlast te maken viel keizer Karel V (tevens hertog van Brabant) in augustus 1543 met een groot leger Gelre binnen. De hertog van Gelre gaf zich vrij snel over. Hiermee waren de Gelderse Oorlogen ten einde.