Erfgoedbeleid - Erfgoed uitgediept
Tekst van het document
Links een Grand-Pressigny-dolk of -mes uit een laatneolithische grafheuvel die samen met een All-OverOrnamented-beker (rechts) te Witrijt is gevonden (Collectie Noord-Brabants Museum, foto’s: thuisinbrabant.nl). Vuursteen werd tijdens het Neolithicum vaak aangevoerd vanuit de Zuid-Limburgse en aangrenzende kalksteengebieden zoals te Aken, waar veel kwalitatief goed vuursteen voorkomt.56 Daarnaast vond, zoals eerder gezegd, aanvoer vanuit Frankrijk plaats. Behalve Grand-Pressigny-vuursteen werd Frans tertiair vuursteen – ook wel Romigny-Lhéry-vuursteen ̶ geïmporteerd. Bij het geïmporteerde vuursteen gaat het (waarschijnlijk) zowel om de ruwe grondstof, onvoltooide als kant-en-klare artefacten. Een belangrijke component daarbij waren geslepen bijlen en (geretoucheerde) klingen, waarvan sommige als dolk worden aangeduid (zie de hierboven afgebeelde dolk van Grand-Pressigny-vuursteen uit Witrijt). Frequent zijn deze bijlen en klingen ware kunstwerkjes en vermoed wordt dat sommige ervan niet eens zijn gebruikt, maar geofferd werden aan de (natuur)goden. Er worden in de regio ZuidoostBrabant nogal eens prachtige, waarschijnlijk ongebruikte bijlen ontdekt in moerasgebieden. Een aantal neolithische bijlen van opvallende plaatsen in de overstromingsvlakte van het Broek kunnen we 51 Arts 2010, 191; Arts en Bosman 2017, 29-30. 52 Drenth et alii 2008, 154.
53 Zie in dit verband Drenth 2014. 54 Arts en Bosman 2017; Fokkens et alii 2016. 55 Drenth et alii 2008. 56 De Grooth 2011.
24
mogelijk zien als dergelijke rituele deposities. Deze traditie van depositie werd voortgezet tijdens de Bronstijd en de IJzertijd, zoals een vondst van een bronzen bijl in het Nuenens Broek aangeeft.57 Metaal, in het bijzonder koper en goud, deed in Nederland waarschijnlijk vanaf ca. 3.400 v.Chr. zijn intrede. Het gaat om bijlen, dolken en diverse sieraden. 58 De vroegste aanwijzingen voor metaalbewerking in de vorm van stenen werktuigen (hamers en aambeelden) uit onze streken (b)lijken gerelateerd te zijn aan de Klokbekercultuur.59 Tot dusver zijn dergelijke stenen werktuigen in de regio niet tevoorschijn gekomen.
2.4
Bronstijd en IJzertijd (ca. 1.900 - 12 voor Chr.): een periode van grafheuvels, urnenvelden en metaalbewerking
Erik Drenth De menselijke ingrepen in het landschap namen in de loop van de tijd dusdanige vormen aan dat de vegetatie begon te veranderen. Soms ging de antropogene impact zo ver dat in Nederland zandverstuivingen ontstonden.60 Deze ontwikkelingen in de Brons- en IJzertijd (achtereenvolgens ca. 1900-800 en 800-12 v.Chr.) moeten gezien worden in het licht van de voortzetting en intensivering van een agrarische levenswijze; jacht en visvangst speelden waarschijnlijk vanaf de Midden Bronstijd (ca. 1575-1200 v.Chr.) een duidelijk ondergeschikte rol.61 Kenmerkend was een voedseleconomie gebaseerd op veeteelt en akkerbouw die gekoppeld was aan sedentaire bewoning, een levenswijze die ongetwijfeld een Neolithische traditie voortzette. Zoals gememoreerd, werden tijdens de Klokbekercultuur door middel van een stenen hamer en aambeeld al gouden en koperen objecten vervaardigd in Nederland, vooral op de Veluwe. Deze fabricage was de opmaat voor een meer omvangrijke metaalbewerking tijdens de Brons- en IJzertijd. Tijdens de laatste periode werd als grondstof voor ijzer in Zuid-Nederland lokaal voorhanden zijnde ijzeroer en moerasijzererts gewonnen, hetgeen wordt aangegeven door vondsten te Sint-Michielsgestel, Keldonk en Nijnsel.62 Daar staat tegenover dat de grondstoffen in de Bronstijd geïmporteerd moesten worden bij gebrek aan natuurlijke voorkomens van koper- en tinertsen.
Dit neemt niet weg dat er verscheidene aanwijzingen zijn dat in Noord-Brabant destijds bronzen artefacten werden gefabriceerd, gelet op de vondsten van smeltkroezen te Tilburg en een gietmal te Oss-Horzak.63 Daarnaast werden metalen voorwerpen, zoals bijlen, lans-of speerpunten en zwaarden, ingevoerd uit allerlei Europese gebieden, met name Midden-Europa, Frankrijk en Engeland.64 Niet zelden worden deze metalen objecten op een selectieve plek in het landschap gedeponeerd. Het gaat om zogenaamde rituele deposities, waarbij bijzondere voorwerpen, voornamelijk wapens, in natte gebieden zoals moerassen, beekbeddingen en rivieren, werden gedeponeerd. Hoewel zeker ook profane redenen voor enkele gevonden deposities bestaan, wordt ervan uitgegaan dat de meeste deposities een spirituele achtergrond kennen. Daarbij zijn er aanwijzingen dat bepaalde bijlen in Centraal-Europa al vanaf hun
57 Van den Broeke 2005; Drenth 1994; Fontijn 2002. 58 Zie Butler 1995/1996; Fontijn 2002. 59 Drenth et alii 2013. 60 Van Gijn en Waterbolk 1984; Van Mourik 1988. 61 Zie in dit verband Gehasse 1995; Out 2009; Zeiler 1997. 62 Zie Arnoldussen 2017 en Arnoldussen en Brusgaard 2015 over de aanwijzingen van ijzerextractie en -verwerking in de (Vroege en Midden-)IJzertijd in Nederland. 63 Fokkens et alii 2002. 64 Arnoldussen en Steegstra 2015/2016; 2017/2018; Butler 1987; 1995/1996; Butler et alii 2011/2012; Butler en Steegstra 1997/1998; 1999/2000; 2001/2002; 2003/2004; 2005/2006; 2007/2008; Fontijn 2001/2002.
25
productie bestemd waren om te deponeren. Ze zijn gemaakt van een bijzondere compositie en volgens een recept dat afwijkt van normale bijlen.65 In Nuenen is in de 19e eeuw vermoedelijk een bronzen bijl gevonden bij de Collse Hoeve. Verder is er in het Noordbrabants Museum een bronzen bijl uit Nuenen aanwezig, waarvan echter niet bekend is waar deze precies in Nuenen is gevonden. In 1995 werd in de plantenkwekerij ‘de Walburg’ in de Boordse Velden een bronzen bijl gevonden. De vindplaats ligt in een relatief laaggelegen nat gebied met een lemige ondergrond. In 2003 werd op ongeveer 1500 meter ten zuidwesten van deze bijl nog een bronzen kokerbijl gevonden op de Paaihurken in Nuenen. De vindplaats ligt aan de rand van het dal van de Hooidonkse Beek, een zijriviertje van de Dommel. De bijlen dateren waarschijnlijk uit de periode 1100-800 v. Chr en zullen hier terecht zijn gekomen tijdens een rituele handeling. 66 Bij rituele deposities kan het deponeren van deze voorwerpen als een uitwisseling tussen deze wereld en die van de voorouders en/of bovennatuurlijke wezens worden gezien. Mogelijk werden beekdalen en moerassen ervaren als schemerzones tussen leven en dood. Waterrijke omgevingen speelden in ieder geval gedurende de hele prehistorie, Romeinse Tijd en de Vroege Middeleeuwen een belangrijke rol in de religieuze voorstellingswereld".67
In 2008 zijn in het beekdal van de Kleine Beerze, ter hoogte van Hoogeloon, een tiental bijlen uit de Midden-Bronstijd opgegraven. Een heel bijzonder depositie zijn de bronzen bijlen die in 2008 bij de herinrichting van de Kleine Beerze tussen Hoogeloon en Vessem werden aangetroffen, vlakbij de plek van de latere Romeinse dam. Op grond van het bijltype (hielbijlen) lijken de bijlen een homogenen vondstgroep te vormen die gedeponeerd is in de Midden Bronstijd. Het pollenspectrum van de plaats waar de rituele depositie is aangetroffen, duidt dat de bijlen zijn gedeponeerd in water. Gezien het feit dat tijdens de archeologische begeleiding geen beekbeddingen zijn aangetroffen, moet het open water wellicht in verband gebracht worden met een kwelbron. Hoewel de archeologische aanwijzingen voor een doorgang uit de Bronstijd ontbreken, is het zeer verleidelijk de rituele depositie in verband te brengen met een doorsteekplaats door een met veen opgevuld beekdal waarlangs een natuurlijke drenkplaats lag.68 2.4.1
Bronstijd
Bewoningssporen uit de Bronstijd zijn betrekkelijk zeldzaam in onze streken.69 In 2006-2008 werd nabij Knooppunt Ekkersrijt echter een Bronstijdnederzetting opgegraven, die inzicht in het toenmalige
65 Kuijpers 2018. 66 Arts 2003. 67 Huijbers 1998.
68 Roymans & Sprengers 2012. 69 Fokkens et alii 2016.
26
leven biedt.70 Qua grootte is deze nederzetting in Zuid-Nederland ongeëvenaard. In totaal werden meer dan twintig plattegronden van huizen opgetekend uit de Midden- en Late Bronstijd (ca. 1575-800 v.Chr.), waarvan waarschijnlijk slechts twee à drie exemplaren gelijktijdig bewoond werden. In zo’n huis leefden mens en vee onder één dak; men spreekt daarom van woonstalhuizen. 71 Vooral runderen waren waarschijnlijk van belang. Noemenswaardig is dat te Son-Ekkersrijt het restant van een grafheuvel te voorschijn is gekomen. Het is, gezien andere vondsten uit Nederland, goed mogelijk dat dit grafmonument ouder was dan de bewoning en de aanleiding was ter plekke een nederzetting te stichten.72 De materiële cultuur die te Son-Ekkersrijt werd opgegraven, is goed vergelijkbaar met wat elders uit Bronstijdnederzettingen in de Lage Landen bekend is: hoofdzakelijk aardewerken vaatwerk en in mindere mate natuurstenen en vuurstenen werktuigen en afval.73 In Nuenen kennen we een Bronstijd vindplaats met wat aardewerkscherven van een noodopgraving bij de Collse Hoeve.
Sporenoverzicht van de Bronstijdnederzetting bij Ekkersrijt in Son (bron: De Jong & Beumer 2011, bijlage 1) en een reconstructie hiervan door Paul Becx hieronder.
70 De Jong 2008; De Jong en Beumer 2011; 2013. 71 Fokkens 2005. 72 Bourgeois en Fontijn 2008. 73 Deze categorieën blijven het best bewaard, maar waarschijnlijk waren er ook veel houten voorwerpen.
27
Letterlijk de meest in het oog springende relicten uit de Vroege en Midden-Bronstijd (achtereenvolgens ca. 1.900-1.575 v.Chr. en ca. 1.575-1.200 v.Chr.) in Zuidoost-Brabant zijn grafheuvels ofwel tumuli van de Hilversum-cultuur. Verscheidene daarvan zijn onderzocht, zoals door P.J.R. Modderman bij Alphen en Bergeijk.74 Het meest bekend zijn echter de opgravingen door W. Glasbergen bij Toterfout en Halfmijl.75 Deze onderzoeker meende dat de Hilversum-cultuur van oorsprong Brits was en zich via migratie in Noord-Brabant had gevestigd. Dit idee is echter in de loop van de tijd onder vuur komen te liggen. Thans wordt veeleer de opvatting gehuldigd dat de Hilversum-cultuur zich uit de inheemse Wikkeldraadbeker-cultuur heeft ontwikkeld.76 Toch valt niet te ontkennen dat dit moet zijn gebeurd onder culturele beïnvloeding vanuit andere regio’s (Groot-Brittannië, Noord-Frankrijk en misschien zelfs Ierland).
Reconstructie van de ijzertijdnederzetting bij Meerhoven in Eindhoven (tekening P.Becx). In de Midden-Bronstijd werden al groepjes tumuli aangelegd. Dit gebruik van ‘geconcentreerde begraving’ is ook terug te vinden bij de Nederrijnse grafheuvelcultuur uit de Late Bronstijd, Vroege en begin Midden-IJzertijd in de vorm van urnenvelden.77 Naar het zich laat aanzien, betreft het hier een voortzetting van de grafgebruiken uit de Midden-Bronstijd. Lijkverbranding was zowel in de Hilversumcultuur als de Nederrrijnse grafheuvelcultuur de norm, terwijl depositie van de crematieresten in aardewerken urnen in beide culturen regelmatig voorkwam. Het feit dat frequent over urnbijzettingen uit de Late Bronstijd (ca. 1.200-800 v.Chr.) en eerste helft van de IJzertijd een heuvel werd opgeworpen, onderstreept de overeenkomsten met voorafgaande inheemse grafgebruiken. Grafheuvels uit de Midden-Bronstijd zijn in Nuenen gevonden nabij het Haneven en de Gulberg (met zgn. Drakensteinurnen), en bij het gehucht Rullen op de Gerwense Heide. In de Late Bronstijd word zowel bij het Haneven-Gulberg als bij Rullen een urnenveld aangelegd rond de oudere Bronstijd grafheuvels. De grafheuvels wijzen ongetwijfeld in op het bestaan van een nederzetting in de omgeving. Verder zijn ook onder het akkergebied rond de vroegere kerk van Nuenen omstreeks 1940 enkele urnen uit de late Bronstijd-IJzertijd gevonden.
Verder zijn aan de Dubbestraat richting de Europalaan ook enkele
74 Modderman 1955. 75 Glasbergen 1954; zie tevens Theunissen 1993. 76 Theunissen 1999. 77 Niet iedere onderzoeker is overigens ervan overtuigd dat de Hilversum-cultuur en de Nederrijnse Grafheuvelcultuur zinvolle begrippen zijn en zien daarom ervan af om ze te gebruiken.
28
grafstructuren gevonden. Op grond van de aanwezigheid van menselijk botmateriaal, dat met de C14 methode gedateerd kon worden, kon een van de grafstructuren gedateerd worden in de late ijzertijd.
Twee urnen uit het urnenveld van De Gulberg bij Eeneind (foto’s Noordbrabants Museum Den Bosch). 2.4.2
IJzertijd
Met de komst van de urnenvelden lijkt het zo te zijn dat een groter deel van de bevolking toegang kreeg tot een bijzetting onder een grafheuvel. Deze vorm van grafritueel werd als het ware gedemocratiseerd, hetgeen inhoudt dat in een urnenveld jong en oud, man en vrouw werden bijgezet, frequent in urnen. Daarentegen zijn er enkele aanwijzingen dat in de Hilversum-cultuur een urnbijzetting (vooral) was voorbehouden aan volwassenen.78 Bij gebrek aan definitief bewijs is nader onderzoek op dit punt zeker gewenst. Tot slot, urnenvelden blijken vaak te zijn aangelegd bij een oudere grafheuvel.79 Vermoedelijk hangt dit samen met een claim op land (zie onder). Nog altijd was er tijdens de IJzertijd sprake, zo wordt aangenomen, van woonstalhuizen, maar het kleinere stalgedeelte geeft een accentverschuiving binnen het gemengde boerenbedrijf weer. De nadruk kwam vermoedelijk meer te liggen op schapenfokkerij en minder op het houden van runderen.80 De intrede van Celtic fields of raatakkers, d.w.z. akkersystemen waarbij de te bewerken percelen (grofweg 40 x 40 m) van elkaar gescheiden zijn door wallen, hield eveneens een verandering in. Waarschijnlijk lag er ook op de Collse Heide zo’n akkercomplex.
Bij recent onderzoek van een Celtic field te Someren-De Hoenderboom zijn eergetouwkrassen ontdekt.81 Stuifmeelonderzoek in combinatie met een onderzoek naar macrobotanische resten geeft bovendien aan dat het terrein wel eens afwisselend als akker en weidegebied kan zijn gebruikt. De akkerbouw in de Celtic fields concentreerde zich op de verbouw van soorten als tarwe, gerst, gierst, lijnzaad en huttentut. Zoals blijkt uit vier- en zespalige structuren werd de oogst veelal opgeslagen in graanschuurtjes ofwel spiekers. Dit gebruik kennen we overigens al sinds minimaal de eerste helft van de Bronstijd. De bijbehorende akkers waren niet groot, en vermoedelijk gebruikte men in deze periode een primitieve ploeg, het zgn. eergetouw, om de bodem te bewerken. De menselijke invloed op de natuur werd steeds groter. Dennenbossen werden schaarser en heidevelden talrijker.
78 Drenth 2016. 79 Drenth 2009, 242. 80 Roymans 1991, 68. 81 Arnoldussen et alii 2016.
29
IJzertijdboerderij in het prehistorisch dorp in Eindhoven (Foto R. Berkvens). Een veel gehoorde theorie over de relatie tussen nederzettingen en urnenvelden is dat de urnenvelden de foci ofwel plaatsvaste sites in het landschap waren waaromheen de nederzettingen ‘zwierven’, het zogenoemde zwervende erven-model.82 De urnenvelden zouden de collectieve identiteit van de lokale gemeenschappen hebben gesymboliseerd en uitdrukking hebben gegeven aan territorialiteit. Grond zou geclaimd dan wel het bezit ervan zou gelegitimeerd zijn door met behulp van bovengronds zichtbare graven van de (vermeende) voorouders aan te geven dat land al lang in bezit van de familie dan wel de eigen sociale groep was. Dit model voor de Late Bronstijd en de IJzertijd heeft inmiddels de nodige kritiek gekregen en gewezen is op de diverse aanwijzingen voor meer plaatsvaste woonplaatsen en stabielere erven.83 De term ‘plaatsvaste nederzettingsarealen’ wordt daarbij in de mond genomen. Overigens is kortgeleden naar aanleiding van de site Baarle-Nassau-Klein Bedaf tevens gewezen op het vermoedelijke voorkomen van plaatsvaste nederzettingen in de Midden-Bronstijd.84 Ook de ontdekkingen op de al eerder genoemde site Ekkersrijt doen plaatsvastheid vermoeden.
Hoewel veel erop wijst dat de lokale gemeenschappen in de Late Bronstijd en IJzertijd op de ZuidNederlandse Pleistocene gronden vooral zelfvoorzienende eenheden waren, betekent dit niet dat zij in splendid isolation leefden. Contacten met andere sociale groepen elders waren er wel degelijk, getuige onder meer het feit dat zout uit het West-Nederlandse kustgebied en tefrieten maalstenen uit het Midden-Rijngebied werden betrokken. Daarnaast was er een netwerk waarin behalve de Nederrijnse grafheuvelcultuur de Hallstatt-cultuur in Centraal-Europa deelnam.85 Op deze manier verwierf men in Zuid-Nederland metalen voorwerpen, zoals bronzen en ijzeren zwaarden evenals bronzen ketels en situla’s. Naar het zich laat aanzien, waren binnen de genoemde regio deze contacten vooral of exclusief in handen van de elite. Met de bovengenoemde voorwerpen konden de bezitters zich onderscheiden van de andere leden van de eigen gemeenschap dan wel hun hoge sociale positie 82 Schinkel 2005; zie Ball en Jansen (2018) voor meer uitleg over dit model. 83 Ball en Jansen 2018. 84 Van der Veken en Müller 2016. 85 Roymans 1991; Van der Vaart-Verschoof 2017.
30
benadrukken. Bij de verspreiding van deze prestige-items of statusobjecten valt het overigens op dat zij sterk gebonden zijn aan de loop van de Rijn en vooral de Maas. Op basis van het aantal en de omvang van urnenvelden evenals het aantal gelijktijdig bewoonde huizen in een nederzetting – men gaat doorgaans uit van twee à drie exemplaren, waarbij het gemiddelde aantal bewoners per boerderij op 6 wordt geschat, is een schatting gemaakt van de bevolkingsdichtheid aan het begin van de Vroege IJzertijd. De uitkomst is 3 tot 4,5 personen per km 2. Ter vergelijking vandaag de dag ligt de dichtheid op ca. 400 personen/km2.
Impressie van een boerenerf in de late IJzertijd met rondom raatakkers (bron: U. Glimmerveen). Het bovengeschetste beeld voor de Vroege en het begin van de Midden-IJzertijd geldt in hoofdlijnen ook voor de Midden- en Late IJzertijd (resp. ca. 500-275/250 v.Chr. en 275/250-12.Chr.). Vele gebruiken en tradities werden voortgezet, hoewel niet altijd in ongewijzigde vorm. Lijkverbranding bijvoorbeeld bleef de norm, maar ingeval van structuren die de bijzettingen omgaven, overheersten niet langer ronde of ovale greppels, maar vierkante en rechthoekige greppels.86 In de loop van de IJzertijd werd het grondplan van huizen in Zuid-Nederland veranderd: van drieschepig in de Vroege IJzertijd naar tweeschepig in de Midden- en Late IJzertijd.87 Zuid-Nederland stond tijdens de Midden- en Late IJzertijd duidelijk onder zuidelijke invloed. Een deel van het aardewerk uit de 5e eeuw en het begin van de 4e eeuw is duidelijk geïnspireerd op vormen van de Noord-Franse Marne-cultuur. Wellicht mogen inhumatiebegravingen uit Zuid-Nederland, zoals die aangetroffen te Someren-Waterdael88, vanwege de afwijkende lijkbehandeling toegeschreven worden aan Noord-Franse immigranten.89 In Nuenen zijn tot op heden nog geen boerderijen uit de Late Bronstijd of Vroege IJzertijd aangetroffen.
Losse vondsten van aardewerk uit deze periode op meerdere locaties binnen de gemeente zijn echter aanwijzingen dat er nederzettingen te verwachten zijn. Uit de latere periode - midden en late IJzertijd daarentegen, zijn inmiddels meerdere vindplaatsen binnen de gemeente Nuenen bekend. Vooral op de dekzandruggen ten oosten van de Dommel-Kleine Dommel zijn vele vindplaatsen bekend, die er op
86 Hessing & Kooi 2005, 651. 87 Hiddink 2014b; Schinkel 2005. 88 Kortlang 1999, 150 en fig. 8. 89 Van den Broeke & Hessing 2005.
31
lijken te wijzen dat dit hele gebied vrij dicht bevolkt moet zijn geweest. Veel nederzettingen lijken qua bewoning ook door te lopen in de Romeinse tijd. Op de plek van het tuincentrum aan de Kapperdoesweg is in 2017 een woonstalboerderij aan het licht gekomen die dateert uit de late ijzertijd – Romeinse tijd.90 Aan de Kerkakkers in Gerwen zijn in 2021 bewoningssporen tevoorschijn gekomen van een tot nog toe onbekende nederzetting uit de late IJzertijd – vroeg Romeinse tijd.91 Bij de Esrand in Nederwetten zijn in 2010 resten van een nederzetting aangetroffen uit de ( Late) IJzertijd of de Vroeg Romeinse Tijd bestaande uit twee hoofdgebouwen (woon- of woonstalhuizen) en negen bijgebouwen in de vorm van vierpalige spiekers. Verder zijn een waterkuil, losse paalkuilen en kuilen aangetroffen.92 In plangebied De Luistruik werd in 2010 een waterkuil met een huisplattegrond opgegraven die gedateerd zijn in de Midden tot Late IJzertijd (500-50 v. Chr.). Uit de waterkuil kwamen naast 380 fragmenten aardewerk, 77 fragmenten natuursteen en 123 fragmenten zacht gebakken leem, ook een deel van een houten ladder tevoorschijn.93 In 2014 werden nog meer (bij)gebouwen en waterkuilen gevonden uit de late ijzertijd en vroeg Romeinse tijd.94
Houten ladder uit een waterkuil uit de midden IJzertijd van de opgraving Luistruik door SOB Research (foto SOB Research). In 1974 werd bij nabij het gehucht Boord, tijdens de aanleg van de weg naar Eindhoven, ook een nederzetting uit de IJzertijd opgegraven.95 En in 2000 werden bij de aanleg van een ruim 2 km lange pijpleiding voor waterafvoer ten oosten van de Dommel op vijf verschillende plekken
90 Hensen 2018. 91 Merwe 2021. 92 Tump 2009. 93 Wattenberghe 2011. 94 Kiefte 2015. 95 Beex, 1974.
32
nederzettingsterreinen aangesneden uit de vroege IJzertijd, de midden Steentijd, de midden of late IJzertijd, de volle Middeleeuwen (2x) en de Romeinse tijd (1ste eeuw na Chr).96 Ze geven nadere aanwijzingen over de aard en datering van de archeologische ondergrond onder de ten oosten gelegen esdekken op de hogere zandruggen. Van de meeste nederzettingsterreinen zijn vooral delen van de stortplaatsen van voornamelijk aardewerk van de op aanpalende, hoger gelegen gronden gelegen woonplaatsen gevonden. In een kuil uit de vroege IJzertijd werden echter meer dan 200 scherven aardewerk, fragmenten van zoutgootjes en een kruisvormig ijzeren voorwerp gevonden. Ten noorden van Nederwetten werd in 1967 en ín 1973 al een grote nederzetting uit de IJzertijd opgegraven op de Hooidonkse Akkers.97 Verder hebben grootschalige opgravingen in de regio vindplaatsen uit deze periode aangetoond in Son, Mierlo, Mierlo-Hout, Someren, Geldrop en Brandevoort.
Gouden stater van de Ambiani (omgeving Amiens), geslagen omstreeks 50 v.Chr., gevonden in 1999 op de Beekse Akkers te Lieshout (bron Collectie van het Provinciaal Depot Bodemvondsten Noord-Brabant).
2.5
Romeinse tijd (12 voor Chr. – 450 na Chr.): een periode van groei en vooruitgang98
Ria Berkvens 2.5.1
Continuïteit van late ijzertijd naar vroeg-Romeinse tijd?
Rond 50 v.Chr. viel ons gebied in handen van de Romeinen. Voor het eerst worden deze streken vermeld in historische bronnen. Julius Caesar beschrijft de strijd die hij hier voert tegen de Eburonen, een opstandige stam uit deze contreien, die door de Romeinse troepen volledig in de pan worden gehakt. Tot nu toe ontbreken overtuigende archeologische bewijzen van de door Caesar beschreven Gallische oorlogen met massaslachtingen halverwege de eerste eeuw v. Chr. Ook hoe de door historische bronnen genoemde grootschalige verhuizing van Germaanse stammen als de Bataven en Texuandri in de eerste eeuw voor Chr. precies voorgesteld moet worden, blijft een belangrijke onderzoeksvraag voor de komende jaren. Vooral het aantonen van veranderingen in materiele cultuur, de wijze van voedselvoorziening en bouwtradities op basis van scherpe dateringen blijft nodig, want er is nog te weinig zicht op de veranderingen die zich hebben afgespeeld in de eerste eeuw voor Chr. In het algemeen lijken locatiekeuze en bewoningsdynamiek – en alles wat daar mee samenhangt – veel minder grote verschillen te vertonen voor én na het begin van de jaartelling dan is verondersteld. In grote delen van oostelijk Noord-Brabant zijn pas in de loop van de eerste eeuw grote veranderingen te zien in huizenbouw, uitleg van nederzettingen en de import van gebruiksgoederen.
Tot die tijd blijft de huizenbouw en de erfsamenstelling zeker in het zuiden nog sterk geënt op ijzertijdtradities met gemengde boerenbedrijven en kleinschalige landbouw. Grote veranderingen zien we vooral vanaf circa
96 Arts, Berkvens en De Jong. 2000. 97 Vd Broeke 1980. 98 Berkvens 2018.
33
70 n. Chr., na de Bataafse Opstand, wanneer het Romeinse bestuur haar invloed en bemoeienis op oostelijk Noord-Brabant vergroot.99
De verspreiding van de inheemse stammen in het noordelijk frontiergebied van Gallia Belgica rond 20/30 na Chr. (naar Slofstra 1991,185). 2.5.2
Vroeg Romeinse tijd
In Nederland begint de Romeinse tijd in 12 v.Chr., toen alle stammen in Nederland, inclusief die ten noorden van de grote rivieren, door de Romeinse veldheer Drusus waren onderworpen. Vanaf het midden van de 1e eeuw n.Chr. werd de Rijn de noordgrens van het Romeinse Rijk in West-Europa. Rond de jaartelling woonden hier verschillende groepen, die leefden in een redelijk georganiseerde maatschappij van lokale leiders en stammen. Deze groepen werden opgenomen in het Romeinse Rijk en integreren langzaam in de nieuwe Romeinse maatschappij. Langzaam komt het gebied onder het Romeinse bestuur tot grote bloei. De Texuandri, zoals de bewoners van de Zuid-Nederlandse en NoordBelgische zandgronden vanaf de eerste eeuw heten, worden administratief ingedeeld bij de Civitas Tungrorum, met Atuatuca Tungrorum, de huidige Belgische stad Tongeren als hoofdstad. In de Late IJzertijd waren de stamoudsten en leden van de elite verantwoordelijk voor de interregionale contacten. Uit de geschreven bronnen is bekend dat de leiders van verschillende stammen onderling verdragen en huwelijken sloten en geschenken en goederen uitwisselden.100 De macht van de elites berustte in belangrijke mate op bezit van grondstoffen, goederen en kostbaarheden (agrarische producten, vee, slaven, goud).
Goederen en kostbaarheden verkreeg men door tribuut (belasting) te heffen, maar vooral ook door het houden van raids (plundertochten) bij naburige stammen. Hierdoor was het nodig dat een leider een gevolg van krijgers aan zich bond. Hij moest zich kunnen beroepen op een voorname afstamming, succesvol zijn in de strijd en ten slotte vrijgevig betonen tegenover zijn krijgers. De hele samenleving was doortrokken van elitaire gedragscodes en de bijbehorende krijgshaftigheid. Tegen deze achtergrond werd deze regio ingelijfd in het Romeinse Rijk en werd de Kempen onderdeel van een honderd km brede grenszone tussen de Rijn en het Gallische achterland. Dit gebeurde vooral na de Bataafse opstand. Omdat dit gebied nooit door een paar Romeinse legioenen gecontroleerd kon worden, schakelde men (gebruik makend van de al heersende krijgshaftige instelling) inheemse groepen in. De stammen in de hedendaagse Benelux en aangrenzende Duitse 99 Van der Linde 2016; Ball et al. 2016. 100 Roymans 1990
34
Moezel- en Rijngebied leverden in de Vroeg Romeinse tijd maar liefst 5 alae (cavalerie) en 31 cohortes (infanterie), in totaal zo’n 18.000 manschappen.101 Dit impliceert dat mannen uit talloze families in het Romeinse leger dienden en dat het krijgshaftige karakter van de samenleving lang in stand bleef.
Veel Romeinse legionairs werden gerekruteerd bij de lokale bevolking (bron: BrabantsErfgoed.nl). Deze krijgshaftigheid komt tot uiting in het voorkomen van graven met wapens in de 1 e eeuw n.Chr. maar ook uit het Romeinse diploma dat bij de opgraving van de villa van Hoogeloon is aangetroffen. Dit diploma dateert tussen 80 en 114 na. Chr.102 Een Romeins krijgersgraf is bijvoorbeeld aangetroffen in Someren. Het gaat om een graf uit de Augusteïsche of Tiberische periode, waarbij de dode is begraven met bijgiften als een Romeins zwaard, een schaar, een scheermes en een kruik. Hij was bijgezet in de greppel van een ouder graf, een zogeheten langbed binnen een urnenveld dat toen al een paar eeuwen buiten gebruik was.103 Ook bij Bladel is een graf gevonden uit de periode voor 50 na Chr. In dit graf zijn geen wapens mee begraven, maar wel Romeinse producten die in die periode uitsluitend via contacten met het leger verkregen kunnen zijn.104 Daarna komen een tijdlang geen wapengraven meer voor. Pas in de vierde eeuw, worden ze weer aangetroffen. 105 Het aantal nederzettingen groeit sterk vanaf het begin van de jaartelling, waarschijnlijk als gevolg van de vraag naar voedselmiddelen en gebruiksgoederen vanuit steden, legerkampen en de vici. Nederzettingen komen in heel oostelijk Noord-Brabant al voor vanaf het begin van de eerste eeuw en bestaan dan uit drie tot vier erven.
In het laatste kwart van de eerste eeuw n.Chr. worden huizen
101 Roymans 1995, 1996 102 Hiddink 2004 103 Roymans en Kortlang 1993, 33 104 Slofstra 1982, 99-100 105 Van Ginkel en Theunissen 2009
35
steevast op hetzelfde erf herbouwd en lijken nederzettingen te zijn ingedeeld in percelen, hoewel erfscheidingen, zoals die in Uden-Noord, maar zelden worden aangetroffen. Mogelijk zien we hier de gevolgen van gewijzigde bezitsverhoudingen en/of afhankelijkheidsrelaties die volgden op de reorganisatie van de civitates na de Bataafse opstand.
Zuidoost-Brabant maakt vanaf circa 70 n.Chr. deel uit van de Romeinse provincie Germania Inferior en ligt daarbij in de Civitas Tungrorum met als hoofdstad Tongeren. 2.5.3
Romeinse overheersing
De Romeinse aanwezigheid heeft in het gebied ten zuiden van de Rijn ruim vier eeuwen geduurd en deze resulteerde in ingrijpende veranderingen voor de inheemse samenleving van onder andere de Noord-Brabantse zandgronden. De Romeinen introduceren hier een groot aantal technische innovaties, waarbij gedacht kan worden aan gereedschappen, landbouwwerktuigen, dakpannen, waterleiding, glas, vloerverwarming, badhuizen en een uitgebreid wegennet. Voor het eerst werd met geld betaald in plaats via de traditionele ruilhandel. Een van de meest gebruikte goederen, aardewerk, werd voortaan geïmporteerd vanuit pottenbakkerijen, zoals in het Duitse Rijnland en uit het huidige Frankrijk. Een wezenlijk verschil met het inheemse aardewerk, waarvan de productie in de eerste eeuw zelfs geheel werd gestaakt, was dat het hardgebakken Romeinse aardewerk op de draaischijf was gemaakt, in
36
tegenstelling tot het handgevormde zachtgebakken inheemse aardewerk. Ook is de invloed van de Romeinen op de inheemse agrarische economie zeer groot geweest. Er werden nieuwe gewassen ingevoerd, die sindsdien lokaal zijn verbouwd, waaronder peer, perzik, druif, selderij en walnoot en tamme kastanje. Ook in de veestapel veranderde veel, zoals onder andere de introductie van de kip. Afhankelijk van de landschappelijke omstandigheden werd in de Romeinse tijd gekeken naar de verschillende mogelijkheden voor economische exploitatie van gronden en grondstoffen in de diverse (micro-)regio’s. Nieuwe nederzettingen als Helmond-Mierlo-Hout, Lieshout–Nieuwenhof, Uden-Noord, Veghel-Scheifelaar en Nistelrode-Zwarte Molen worden geïnterpreteerd als (grootschalige) gespecialiseerde bedrijven vergelijkbaar met de bedrijfsmatig ingerichte villa’s op de lössgronden. Een akkerbouwbedrijf zal meer opleveren op de meer leemrijke, vruchtbare en niet te natte gronden, terwijl een veeteeltbedrijf voldoende hooi- en weidegronden tot zijn beschikking moet hebben. Rond Eindhoven, Uden en Weert is mogelijk nauwelijks sprake van akkerbouw, maar wel van veeteelt. Het hoge aantal graslandpollen wijst op weilanden en het gebrek aan cultuurgewassen laat tegelijkertijd zien dat er weinig geakkerd werd. Ook waterputten in Best-Aarle hebben aanwijzingen opgeleverd voor het grote belang van veeteelt.
Mogelijk hadden deze Aarlese gemeenschappen zich in de loop van de Romeinse tijd in belangrijke mate gespecialiseerd in het houden van vee. 2.5.4
Erf en nederzetting in de Romeinse tijd106
De belangrijkste elementen op een agrarisch erf in de Romeinse tijd zijn de boerderij met daar omheen de bijgebouwen en een waterput. Vergelijkbaar met eerdere perioden lijkt er geen sprake van een gestandaardiseerde inrichting en de aanwezigheid en aantallen van bijgebouwen, waterputten en woonhuizen verschilt sterk per nederzetting. Het is ook niet altijd duidelijk of er binnen een nederzetting sprake is van meerdere individuele erven of dat er sprake is van één samengesteld erfcomplex. In het laatste geval vormen meerdere boerderijen samen één agrarisch bedrijf. Deze nieuwe nederzettingsvorm, die in uitzonderlijke gevallen uitgroeide tot een villa rustica of groot landbouwbedrijf met een stenen hoofdgebouw, zijn een duidelijke verandering ten opzichte van de late prehistorie. Het inrichten van grootschaligere bedrijven hangt mogelijk samen met de verdeling van grond(bezit) en het zo optimaal mogelijk exploiteren van de bestaansbronnen in de Romeinse tijd waar we vanuit archeologische bronnen echter nog maar weinig grip of bewijs voor hebben. Deze herverdeling lijkt ook de oorzaak te zijn van het nog sterker concentreren van huizen in de Romeinse tijd.
Hoewel erfafscheidingen veelal ontbreken, lijken de huizen door de tijd heen veelal op dezelfde plek of daar direct aansluitend gebouwd te worden, ook al was daar beperkt ruimte of was er sprake van een slechte ondergrond (zoals bij het overbouwen van oude waterputten). De erven lijken daarmee systematisch verdeeld te zijn over percelen land. Dit beeld wordt goed zichtbaar in de onderzochte delen van Romeinse dorpen (vici) in de vorm van lintbebouwing, zoals zichtbaar in Cuijk en Venlo, waarbij lange percelen dwars op de straat worden ingericht met lange smalle huizen aan de voorzijden en werkruimten achterin op het perceel. Na 70 n.Chr. ontstaan in oostelijk Noord-Brabant ook grotere, planmatig aangelegde nederzettingen die gericht waren op het produceren voor de markt, zoals Nistelrode-Zwarte Molen, Hoogeloon en OssWesterveld, waarbij verkavelingssystemen rond de erven en de nederzetting wijzen op landindeling. In het zuiden vindt rond 150-200 n.Chr. een bouwgolf plaats wanneer de nederzettingen in Oerle-Zuid, Helmond-Mierlo-Hout en Veghel-Scheifelaar worden gesticht. In deze periode verandert ook de indeling van de nederzetting in Lieshout-Nieuwenhof naar een axiale indeling en wordt de villa van Hoogeloon uitgebreid. Er worden nieuwe nederzettingen gesticht op plekken waar eerder geen bewoning plaatsvond.
106 Berkvens 2018.
37
Reconstructie van de planmatig aangelegde Romeinse nederzetting bij Helmond-Mierlo-Hout, gesticht in de tweede helft van de 2e eeuw n.Chr. en in gebruik tot circa 250 n.Chr. Eén van de zijden werd afgesloten door een langgerekte spieker of spiekerij (De Jong et al. 2015, 126, afb. 75). Deze nederzettingen verschilden fundamenteel van hun voorgangers uit de latere ijzertijd en vroegRomeinse tijd. Dat kan ook bijna niet anders, als men bedenkt dat de verovering door de Romeinen zorgde voor de komst van groepen nieuwe bewoners, de herverdeling van grondbezit, het betalen van belastingen, het ontstaan van een markteconomie en de groei van slavenarbeid107 en afhankelijke arbeiders. In sommige gevallen lijkt zelfs sprake te zijn van een bedrijf dat bestond uit diverse gebouwen met werk- en woonfuncties, zoals in de nederzettingen van Oerle-Zuid, LieshoutNieuwenhof, Helmond-Mierlo Hout en Nistelrode-Zwarte Molen. De dicht op elkaar gesitueerde huizen met bijgebouwen zijn hier gegroepeerd rond een open plaats waarbij gezamenlijk gebruik werd gemaakt van één of meer waterput(ten). De axiale symmetrie van deze nederzettingen komt sterk overeen met villa-terreinen, de villa rustica, waarbij naast het hoofdgebouw meerdere rijen met bedrijfsgebouwen aanwezig waren.
Het is goed mogelijk dat het hier dan ook gaat om grote boerenbedrijven, gesticht door de staat of grootgrondbezitters en verpacht aan pachters, waarbij naast een woonhuis, werkruimten en/of stallen, ook onderkomens aanwezig waren voor de al dan niet afhankelijke landarbeiders. Daarnaast zijn er nog andere aanwijzingen voor grootschalige productie in de vorm van structuren voor opslag en ambachtelijke activiteiten, die aan de randen van diverse nederzettingen voorkomen. De grote hoeveelheid gestempelde dakpannen en de maatvoering in de nederzettingen NistelrodeZwarte Molen en Oss-Westerveld wijzen op de invloed van het Romeinse leger. Deze bouwgolf valt niet alleen samen met de bouw van de tempels bij Empel, Kessel en Cuijk aan het einde van de 1e en begin van de 2e eeuw, maar ook met de verbetering van de wegenstructuur in de Limes. Ervaring en de benodigde kennis om in steen en volgens Romeinse bouwschema’s te bouwen was in eerste instantie waarschijnlijk niet bij de lokale bevolking aanwezig. Dat gold ook voor de bouw van een villa in steen zoals in Hoogeloon. Deze vormt tot nu echter nog de enige stenen villabouw in oostelijk Noord-Brabant en zal in de 2e eeuw n.Chr. gebouwd zijn door stedelijke ambachtslieden, vermoedelijk uit Tongeren.
De villa van Hoogeloon fungeerde als verzamelbedrijf op regionale schaal, waarbij omringende afhankelijke pachtnederzettingen vee teelden voor de stedelijke markt via de pachtheer, de
107 Bij de opgraving van de de villa in Hoogeloon en een Romeinse nederzetting in Someren – Ter Hofstadlaan zijn voetboeien gevonden.
38
villaeigenaar. De villa diende als centrale plaats van waaruit transporten richting de markt (vermoedelijk Tongeren) plaatsvonden. De transformatie van omgreppelde nederzetting in de 2 e eeuw tot een villa met steenbouw heeft, in tegenstelling tot de zuidelijkere lössgronden en het rivierengebied, in oostelijk Noord-Brabant zelden plaatsgevonden. Volgens Roymans, Hiddink en Derks108 zou dit te wijten zijn aan de Texuandriese bewoners die hun prehistorische stamidentiteit koesterden en door de slechte bereikbaarheid van dit vermeende afgelegen gebied. Hoe de prehistorische identiteit van de Texuandri zich echter verhoudt tot de veronderstelde verdrijving van de oorspronkelijke inheemse Eburonen uit dit gebied, is niet duidelijk. Naast deze middelgrote villa van Hoogeloon worden er villa-nederzettingen zonder stenen hoofdgebouw onderscheiden. Het gaat hierbij om nederzettingen met axiale indeling en met porticushuizen of andere typen hoofdgebouwen, waarin Romeinse maatvoering, (bak)steen, vensterglas en/of ijzeren nagels in de constructie werden gebruikt. Dit gespreide en diverse beeld van de nederzettingen in het onderzoeksgebied reflecteert de complexe Romeinse maatschappij, die zowel inzette en stuurde op de exploitatie van het natuurlijke landschap door grootgrondbezitters als door afhankelijke pachters en zelfstandigen.
Het zorgde voor sociaaleconomische welvaart voor haar inwoners en daarmee politieke rust in dit deel van het Rijk.
Reconstructietekening van de Romeinse villa van Hoogeloon (tekening M. Kriek). De opname van oostelijk Noord-Brabant binnen het Romeinse rijk en het daarbij horende imperiumwijd verbreid informatie- en handelsnetwerk, bracht op veel vlakken voor de inwoners veranderingen met zich mee. Naast andere bouwstijlen, zien we de veranderingen vooral in het gebruik van nieuwe producten en materialen als draaischijfaardewerk, muntgeld, vensterglas, natuursteen, ijzeren nagels en grofkeramisch bouwmateriaal. Hoewel het effect hiervan pas duidelijk zichtbaar wordt in de archeologische neerslag in de loop van de eerste eeuw, zal het begin al liggen in de eerste eeuw vóór Chr. als het zich beperkt tot de leden van de plaatselijke aristocratie. In de loop van de eerste eeuw en 108 Hiddink & Roymans 2015, 46; Roymans & Derks 2015a, 12-18.
39
het begin van de tweede eeuw n.Chr. begon het nederzettingslandschap op het platteland van Zuidoost-Nederland langzaam, maar zeker niet overal gelijktijdig te veranderen. De meeste nederzettingen in oostelijk Noord-Brabant lijken te hebben bestaan uit gemengde en deels zelfvoorzienende boerenbedrijven, gerund door vrije of afhankelijke boeren, waarbij men naast het houden van vee ook deed aan akker- en tuinbouw. Een deel van de opbrengst werd in de vorm van belastingen overgedragen aan de Romeinse autoriteiten. Het grote scala aan niet-lokale producten, zoals veel aardewerk, specifieke etenswaar, dakpannen, maal- en slijpstenen, bepaalde gereedschappen, sieraden, glas en soms zelfs terracotta beeldjes, die in deze nederzettingen voorkomen, zal via de verkoop van eigen producten, op de markt zijn verkregen. De aard van deze producten en daarmee de economische specialisatie van de boeren is moeilijk te achterhalen door het gebrek aan eenduidige en grote aantallen zoölogische en botanische resten. Ook over eventuele ambachtelijke productie weten we weinig. Naast de kleinere boerenbedrijven ontstaan in de loop van de vroege en midden-Romeinse tijd ook grotere boerenbedrijven die zich gaan richten op een bepaalde vorm van veeteelt of akker-/tuinbouw. Vooral na 70 n.Chr.
groeit de markteconomie wat blijkt uit het verdwijnen van handgevormd aardewerk en de opkomst van de munteconomie. In de regio rond Best, Uden en Weert wijst het hoge aantal graslandpollen op overvloedige graslanden en wordt als bestaansbasis van de nederzettingen dan ook hoofdzakelijk gedacht aan veeteelt. Of het hier dan om runderen of om schapen of geiten dan wel varkens gaat, is nog de vraag. Voor de villa van Hoogeloon en de omliggende nederzettingen wordt uitgegaan van grootschalige teelt van runderen vanwege een grote veekraal met drenkkuil en de afwezigheid van een graanopslag. De runderen werden enerzijds gefokt voor het vlees en anderzijds voor het gebruik als lastdier. Botanische analyse wijst overproductie van graan in ieder geval af, maar het telen van kruiden, groenten, fruit en noten op grotere schaal, is niet uit te sluiten. Om een goed product te garanderen was kennis nodig, wat zeker bij bijvoorbeeld de productie van draaischijfaardewerk, niet in de provincie aanwezig zal zijn geweest. Hiervoor zal een beroep zijn gedaan op vaklieden in de steden, vici of het leger. De productie werd verder afgestemd op de vraag vanuit de markt, zoals het meer produceren van het bij de Romeinen geliefde varkensvlees.
Reconstructie van een Romeinse waanstalboerderij zoals ze ook in Nuenen zijn aangetroffen. Sporen uit de Romeinse tijd zijn in Nuenen op diverse plaatsen gevonden. Langs de Dommel zijn op tal van plaatsen sporen teruggevonden. Bij een zandafgraving van een hoge akker bij het Wettenseind, 500 m ten zuidoosten van de Opwettense watermolen, werd veel Romeins aardewerk gevonden. Ook 40
bij het gehucht Boord en noordelijk van Opwetten werd Romeins aardewerk, maar ook bewoningssporen gevonden. Al deze vindplaatsen liggen aan of dicht bij de Kleine Dommel. In 1969 werd bij een noodonderzoek als gevolg van een zandafgraving bij de Collse Hoeve, ten oosten van de Eeneindseweg, wederom een groot aantal scherven van Romeins aardewerk gevonden, waaronder scherven van terra sigillata, dolia, wrijfschalen, kruiken en potten. Ook maal- en slijpstenen, dakpannen, hutteleem, een blauwglazen armband met opgelegde gele glasdraad werd gevonden. De bewoningssporen bestonden uit diverse afvalkuilen en een huisplattegrond, daterend uit de 2e-3e eeuw. Enige waterputten konden wegens de hoge grondwaterstand niet worden leeggehaald. Bij de aanleg van de Europalaan in 1972 werden munten, maalstenen, een ijzeren speer- of lanspunt, Romeinse dakpannen en aardewerk gevonden, waaronder terra sigilata, terra nigra, amforen en wrijfschalen. De talrijke vondsten wijzen op een inheems-Romeinse nederzetting in de 1ste en 2e eeuw na Chr. Tijdens woonuitbreiding van Nuenen op de Langakker-Tomakker werden ook op verschillende plaatsen Romeinse scherven gevonden. Verder zijn bij de eerder al besproken opgravingen op De Luistruik in Nuenen, bij De Esrand in Nederwetten en de Kerkakkers in Gerwen bewoningssporen aangetroffen uit de Romeinse tijd.
De speer- of lanspunt van de Europalaan (Collectie Rijksmuseum voor Oudheden, Leiden). Nabij de Dommel ten zuidwesten van Nederwetten zijn sinds 1939 enkele honderden muntvondsten gevonden, samen met twee bronzen beeldjes en twee lanspunten, allen daterend uit de Romeinse tijd. De vindplaats bevindt zich op een zandige opduiking in het beekdal van de Dommel. In de loop der jaren, maar ook onlangs nog, zijn gedeelten hiervan afgegraven om de lager gelegen zones tussen bult en oever op te hogen. De munten dateren vooral uit de tijd van keizer Nerva (96-98 n.Chr.) tot en met keizer Hadrianus (117-138 n.Chr.). Vanwege de lange omlooptijd kan het depot niet gedefinieerd worden als een gesloten schatvondst. Het zal vrijwel zeker gaan om een religieus depot en de munten beschouwen als votiefgaven. Gezien het aantal munten moet de cultusplaats Nederwetten dan een belangrijker functie in de religieuze praktijk hebben gehad. Van deze uitzonderlijke vondst is slechts een munt bewaard gebleven in het Noordbrabants Museum. In 1989 en 1990 werden nog eens 287 koperen munten uit de 1ste en 2e eeuw, enkele bronzen speerpunten en ca. 500 scherven gevonden.109 Ook werd op hetzelfde terrein ook nog een vermoedelijk Romeinse ijzeren bijl gevonden. In 1989 werd op een nabijgelegen zandpad een gem, een geslepen Romeinse (half)edelsteen, gevonden.
In 2000 werden bij de aanleg van een paar diepe kuilen voor een rioolwateraansluiting, midden in het beekdal van de Dommel, vondsten gedaan van tientallen scherven IJzertijd en Romeins aardewerk, een bronzen haakje, maalsteenfragmenten en een tiental fragmenten menselijk en dierlijk bot.110 Vermoedelijk dateren deze vondsten uit de 1ste eeuw na Chr. Een aantal botten heeft snijsporen. Bijzonder zijn de 109 Prins 1991 en 1993. 110 Arts, Berkvens & De Jong 2000.
41
vondsten van bewerkt verkoold hout, goed geconserveerde botanische resten en de vondst van een ivoren bijltje met houder, gemaakt van een hoektand van een wild zwijn. Mogelijk hebben deze vondsten ook te maken met de iets naar het zuiden gelegen vermoedelijke offerplaats.
Verkenning van de Romeinse cultusplaats in het Dommeldal onder Nederwetten (foto R. Berkvens). 2.5.5
Grafritueel
Naast grote, langdurig in gebruik zijnde, grafvelden komen ook nieuwe en soms kortstondig gebruikte kleinere begraafplaatsen als ook losse begravingen voor. De grote grafvelden zijn vaak al vanaf de midden- of late ijzertijd in gebruik, waarbij een vrijwel continu gebruik van begraven zichtbaar is tot in de midden- en zelfs laat-Romeinse tijd, zoals bijvoorbeeld in Someren-Waterdael III. Oudere urnenvelden worden ook geregeld hergebruikt in de Romeinse tijd, waarbij soms bestaande grafheuvels worden gerespecteerd, maar soms wordt er ook bewust overheen gebouwd. In Nuenen zijn nog geen Romeinse grafvelden bekend, maar mogelijk wijst de vondst van een Romeins bekertje van zwart geverfd pijpaarde nabij de Europalaan op het bestaan van een grafveld uit het begin van onze jaartelling. Bovenop het bekertje lag een stuk van een Romeinse dakpan. Het is niet bekend of er crematieresten bij hebben gelegen. Binnen het grafritueel overheersen de crematies; inhumaties komen nauwelijks voor, net als het gebruik van urnen. Verschillen zijn zichtbaar in het al dan niet voorkomen van randstructuren, de vorm daarvan, de verhouding van de verschillende graftypen (en daarmee de verhouding onverbrande versus 42
verbrande bijgiften), de aardewerkassemblage, de soorten dierlijk bot, percentage graven met een munt, etc. In de Romeinse tijd lijken grafkuilen niet meer altijd gemarkeerd door een grafheuvel, maar van deze bovengrondse architectuur van de graven is nog maar weinig bekend. Het bekendst zijn de greppels of ringsloten waarmee het grafareaal in veel gevallen omsloten is. Het is vooralsnog onduidelijk wat de verschillen tussen rechthoekige en ronde grafarealen te betekenen hebben (mannelijk vs. vrouwelijk?). De meest toegepaste manier van dodenbestel was cremeren, waarbij de dode op een brandstapel werd verbrand, al dan niet met bijgiften, waarna de dode werd bijgezet in een kuil. Deze vorm komt in de meeste grafvelden van oostelijk Noord-Brabant voor. Meer monumentale graven zoals een tumulus of graftoren komen ook voor, maar duidelijk in mindere mate, waarbij ook kleine en grotere varianten voorkomen. Hoogeloon-Kabouterberg en Esch-Hoogkeiteren zijn grafvelden die horen bij villabewoners, terwijl het grafveld van Cuijk-Grotestraat hoorde bij de vicus van Ceuclum. Vooral in Cuijk is het cultuurverschil tussen de bewoners in de vicus en de landelijke nederzetting zichtbaar in de bijgiften, door de vergelijking met het grafveld van Cuijk-Heeswijkse Kampen.
Op slechts enkele kilometers afstand van elkaar lijken twee verschillende werelden te bestaan waarbij de inwoners van Ceuclum volop deelnamen aan de Romeinse cultuur en het economisch zichtbaar goed hadden, terwijl de inwoners van Cuijk-Heeswijkse Kampen nog zichtbaar 100 jaar achterliepen in welvaart. Misschien zien we hier wel het verschil in Romeinse staatsburgers en al dan niet vrije boeren, landarbeiders en slaven.
Reconstructie van de kabouterberg bij Hoogeloon met in de hoek de stenen Romeinse graftoren die dateert uit het begin van de 2e eeuw na Chr. De toren moet ongeveer 7 meter hoog zijn geweest. Het monument is het eerste exemplaar dat aangetroffen is op het platteland in Nederland en wel in de directe nabijheid van een Romeinse villa (bron: http://www.vu.nl). Grafvelden liggen vaak op de flank van een dekzandrug, grenzend aan een ven of een zone met natte veldpodzolen van bijvoorbeeld een beekdal. Deze natte plekken speelden blijkbaar een rol in de wereld van de goden wat in Dinther-Retsel duidelijk werd door de vondst van intentioneel gedeponeerde bekers aan de rand van het ven. De grafvelden lagen op veel plekken waarschijnlijk nabij of naast doorgaande wegen, hoewel dat lang niet overal vastgesteld kan worden door het gebrek aan archeologische zichtbaarheid van de wegen. Alleen in Cuijk-Grotestraat is hier duidelijk sprake van, en
43
bestaan er vermoedens van wegen bij Hoogeloon-Kabouterberg, Nederweert-Rosveld en Best-Aarle door de rechtlijnige oriëntatie van graven. 2.5.6
Infrastructuur
In de loop van de eerste eeuw na Chr. worden door de Romeinen wegen aangelegd bij Cuijk en Boxmeer, tempels gebouwd in Empel, Cuijk en Kessel-Lith en een vicus bij Cuijk. De resten van wegen die in oostelijk Noord-Brabant tot nu toe zijn gevonden, zeggen vooralsnog niets over lokale verschillen of over primaire en secundaire verbindingen in het gebied. Buiten de brug bij Cuijk en de doorgaande weg van Nijmegen naar Xanten langs de Maas bij Cuijk en Boxmeer, is er over de infrastructuur in oostelijk Noord-Brabant nog maar heel weinig bekend. De afgelopen vijftien jaar zijn er maar enkele wegen aangetroffen en wel in Lieshout aan de Beekseweg en bij Nieuwenhof Noord en in Helmond-Stepekolk. De weg bestond uit twee bermgreppels met een tussenliggende ruimte van 6,5 tot 8 m. Verder zullen op sommige plekken de wegen met grind verstevigd zijn geweest.111 Het merendeel van de waterlopen in oostelijk Noord-Brabant bestond uit beken die maar beperkt bevaarbaar zijn geweest. Alleen daar waar de stroom breed genoeg was, zal scheepvaart hebben plaats gevonden. De rest van de beken vormden smalle stroompjes met veel veengroei. Deze beken werden op plekken waar de beek het smalste was, overgestoken. Deze voorden dateren vaak al uit de latere prehistorie.
De gevonden brugconstructies bij Hoogeloon-Vessem, Stamproy en Haelen, laten een damconstructie met of zonder duiker zien, waarbij een houten bekisting opgevuld was met zand, stenen en plaggen en de twee meter brede weg bedekt was met planken of boomstammen. 112
Reconstructie van de Romeinse dam met brug over de Kleine Beerze bij Hoogeloon.
2.6
De Laat-Romeinse tijd en de vroeg Merovingische tijd (c. 300- 575): een duistere periode
Ria Berkvens Een bijzonder aandachtspunt is de dramatische demografische terugval in de Noord-Brabantse regio in de loop van de 3e eeuw. Vrijwel iedere landelijke nederzetting in de Kempen wordt in deze fase
111 Hiddink & Roymans 2015, 48-50. 112 Hiddink & Roymans 2015, 45-86.
44
verlaten. De datering is opmerkelijk: al voor de befaamde politieke en militaire crisis van de tweede helft van de 3e eeuw. Over de diepere oorzaken van de ontvolking bestaat nog volop discussie. Vanaf 175 is al een terugval te zien, waarschijnlijk als gevolg van invallen van Germanen. Veel nederzettingen, zoals Hoogeloon-Kerkakkers kwamen deze klap aanvankelijk te boven. De villa verdween, maar de nederzetting bleef bestaan. Hoewel met het afval van de villa een nieuwe voorname woning gebouwd werd, werd de welvaart van de tweede eeuw niet meer gehaald. De opleving duurde kort, want tussen 200 en 270 na Chr. werden de meeste vindplaatsen definitief verlaten. Bij opgravingen in Reusel-Kruisstraat blijkt uit de jaarringen van een houten waterput dat deze uit 240 na Chr. dateert. Na het in onbruik raken van de waterput is nog een huis aangelegd op dezelfde locatie. Dat betekent dat de bewoning hier nog tot zeker 270 na Chr. doorgelopen zou hebben. Gezien de algehele ontvolking lijkt er sprake te zijn van een van hogerhand opgelegd gedwongen vertrek. In het Maasdal continueert de bewoning plaatselijk zoals in Cuijk waar in de 4 e eeuw een castellum en een brug over de Maas worden gebouwd.
Hoewel het er nog altijd op lijkt dat het grootste deel van oostelijk Noord-Brabant in het laatste kwart van de 3e eeuw verlaten is, zijn er wel aanwijzingen dat het gebied niet volledig werd opgegeven. De laat-Romeinse graven in de grafvelden van Someren-Waterdael en Nederweert-Promopark laten zien dat niet het hele platteland ontvolkt was. Wel lijken de bewoners een andere woonplaats in het landschap te hebben opgezocht dan voorheen. Mede door het beperkte aantal bekende nederzettingen is er relatief weinig bekend over de bewoning in deze periode. Het duurt in ieder geval enkele eeuwen voordat de bevolking van Zuidoost-Brabant weer significant zou gaan toenemen. Uit de periode 260-300 na Chr. dateren nog enkele muntvondsten maar de bewoning ontbreekt geheel.113 De meest opvallende muntvondst is een Romeinse muntschat met 2598 munten uit de 3 e, 4e en 5e eeuw die werd aangetroffen langs de weg tussen Hapert en Casteren. De schat bevatte munten van o.a. de Romeinse keizers Tetricus I, Julianus, Valentinianus I, Honorius en Arcadius. De meest opvallende Laat-Romeinse vondst is wel een vergulde zilveren helm die in het veen van de Peel even ten westen van Helenaveen bij Deurne is aangetroffen. De helm dateert uit ca. 320 na Chr.
In teksten van Laat-Romeinse auteurs wordt de indruk gewekt dat de streek die met Toxandria wordt aangeduid, en die vooral met oostelijk Noord-Brabant wordt vereenzelvigd, een rol speelt in de ‘Germanisering’ van het Romeinse Rijk omdat de Franken zich hier in de vierde eeuw zouden hebben gevestigd. Het oude beeld van Germaanse aanvallen en vijandelijke kolonisatie als belangrijk element in de val van het Romeinse rijk staat vandaag de dag echter ter discussie. De archeologie kan in belangrijke mate bijdragen aan het internationale debat betreffende de transformatie van het Romeinse rijk, door nauwkeurig na te gaan op welke wijze in de Laat-Romeinse tijd de bewoning, het landschap en de materiële cultuur veranderen. Deze veranderingen kunnen vervolgens geïnterpreteerd worden in het licht van nieuwe opvattingen over interculturele contacten tussen bewoners binnen en buiten het Romeinse rijk, over etnische identiteiten, over uitwisseling en migratie. Het heeft lang geduurd voordat archeologisch iets te zien was van de Laat-Romeinse tijd in NoordBrabant terwijl in veel handboeken Toxandria genoemd wordt. Met de ontdekking van nederzettingen uit de late vierde en vijfde eeuw te Gennep, Geldrop, Bergeijk, Alphen, Goirle en Breda-West kwam enig licht in deze duistere periode.
De vondsten lieten zien dat er een belangrijke kolonisatiebeweging op gang kwam in de late vierde eeuw en dat de nederzettingen die daarbij ontstonden vrijwel allen weer werden verlaten rond het midden en in de tweede helft van de vijfde eeuw. Met deze kennis bleek het mogelijk een eerste algemeen beeld van de Laat-Romeinse tijd te schetsen. Het debat gaat onder andere over de herkomst van de kolonisten. Daarover bestaan globaal twee visies. In de traditionele 113 Aarts 2000, 95
45
opvattingen gaat het om ‘Germanen’ van over de Rijngrens. Voorstanders van deze mening wijzen op de identieke huisplattegronden die aan beide zijden van de Rijngrens voorkomen en het handgemaakte aardewerk dat ten zuiden van de Rijn in gebruik is. Een dergelijke opvatting gaat uit van een homogene ‘Germaanse’ (materiële) cultuur, die ‘meeverhuist’ met de kolonisten. De weinige nederzettingen die tot op heden opgegraven zijn, laten echter nog een grote differentiatie in omvang, ruimtelijke organisatie, huis- en erfvormen zien. Sommige huizen lijken op die in het noorden, andere niet. Vermoedelijk is een beeld van kolonisten uit het noorden te eenvoudig en moet rekening worden gehouden (de tweede visie) met meer complexe processen waarin bevolkingsbewegingen in verschillende richtingen gecombineerd met culturele veranderingen en nog moeilijk reconstrueerbare uitwisselingsnetwerken het beeld bepalen. Daarbij moet niet worden uitgesloten dat het initiatief niet zozeer lag bij de ‘Germaanse’ groepen als wel bij de Romeinse staat, die een politiek van ‘geadministreerde vestiging’ van bevolkingsgroepen voert. Na het nagenoeg ineenstorten van de Romeinse infrastructuur en bewoning in de tweede helft van de derde eeuw is er een periode van minstens 80 jaar (c. 300-380 na Chr.) waarin het oosten van NoordBrabant nagenoeg onbewoond bleef.
Deze periode wordt gevolgd door de genoemde bewoningsfase van c. 380 tot 480 na Chr., waarna wederom een periode van ontvolking aanbreekt. Op sommige plaatsen is echter van bewoning sprake zoals in Breda-West waar vanaf c. 470 na Chr. een kleine nederzetting tot tenminste aan het begin van de zevende eeuw blijft bestaan. De ontvolking van de vroege Merovingische tijd duurt van c. 480 tot 575 na Chr. Nederzettingen en begravingen uit deze periode zijn tot op heden zeer zeldzaam. In Zuidoost-Brabant is tot op heden alleen bewoning uit de 4e-5e eeuw (‘de duistere eeuwen’) bekend uit Bergeijk en Geldrop. In beide gevallen gaat het om zeer fragmentair materiaal. Begravingen uit die tijd zijn alleen van Geldrop bekend (enkele zeer vage crematiegraven).
Een bijzonder Merovingisch drinkglas uit een graf in Bergeijk (links), een reconstructie van een Merovingisch krijgersgraf uit Meerveldhoven (rechts) en Merovingische kralen uit een graf bij Casteren (boven) (bron: Thuis in Brabant.nl en Ginkel & Theunissen 2009).
46
Vanaf c. 575 na Chr. wordt de streek opnieuw gekoloniseerd zoals blijkt uit de grafvelden die door de nieuwe kolonisten worden aangelegd. Begravingen uit deze kolonisatiefase zijn bekend uit de vroegste fasen van circa vijf Kempense grafvelden. De bekendste voorbeelden hiervan zijn de grafvelden van Meerveldhoven, Veldhoven-Oeienboschdijk en Zilverakkers. Deze grafvelden zijn aangelegd door zeer kleine groepen (drie tot vijf families of huishoudens) die verspreid in het woon-akkergebied gevestigd zijn, maar gezamenlijk een grafveld in stand houden. Ook van Broekenseind op de grens van Hoogeloon met Duizel kennen we een grafveld uit de Merovingische tijd. 114 De in de regel oost-west georiënteerde grafkuil werd bekleed met houten planken, waardoor een soort grafkelder ontstond. Het lichaam werd in een houten grafkamertje geplaatst. In een mannengraf werd rond het lichaam wapenuitrusting opgesteld. Vrouwen kregen voornamelijk kralen en metalen sierraden als bijgift.
2.7
Volop beweging in de Middeleeuwen (575 – 1500 na Chr.)115
Ria Berkvens 2.7.1
Vroege Middeleeuwen (575-1000 na Chr)
Na deze duistere periode werd het open heidelandschap langzaam vervangen door een vrij dicht bebost landschap. De bewoning in deze periode bevindt zich op de hoge, vruchtbare delen van het landschap en bestaat uit kleine, verspreid in het landschap gelegen nederzettingen van een of twee boerderijen. De bosbodems op de hogere delen waren relatief droog en bevatten veel humus (moderpodzol). Dat bosgebied, waaraan het achtervoegsel “-lo” nog herinnert, vinden we terug in toponiemen met bijvoorbeeld Loo.116 Na kap of platbranden waren deze vruchtbare bodems geschikt voor primitieve landbouw. Doordat de grond relatief snel uitgeput raakte, had deze vorm van landbouw een zeer tijdelijk karakter dat het primitieve braakstelsel genoemd werd, wat een tijdelijke verkaveling opleverde. Naast het weiden van varkens in bossen, akeren of eikelen genoemd, liet men ook vaak rundvee in de bossen grazen. Waarschijnlijk leidde gecombineerde landbouw en –veeteelt tot de geleidelijke verdwijning van het bos, zodat er in de Volle Middeleeuwen nog nauwelijks iets van over was. Wat overbleef waren zwaar verarmde en uitgeloogde bodems die deels met heide begroeid raakten. Na 650 worden deze streken opgenomen in het Frankische rijk. Uit de Karolingische tijd (circa 750900) zijn in Noord-Brabant verschillende vindplaatsen bekend. Aangenomen wordt dat de nederzettingen zelfvoorzienend waren.