CConstaterende datNuenen
Koppel je AI →
Document · PDF

Emmahof - Bijlage 1 Toelichting

Gemeenteraad 17 oktober 2024, gemeente NuenenBij agendapunt: Bestemmingsplan Emmahof19.856 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Het grond- en oppervlaktewatersysteem kan de grotere weersextremen opvangen door maximaal gebruik te maken van de dempende sponswerking van de bodem/ondergrond en de natuurlijke hoogteverschillen voor het vasthouden van water. In het waterbeheersplan is de route naar 2050 beschreven. Aansluitend op het waterbeheerplan hebben de drie Brabantse waterschappen de beschikking over één gezamenlijke verordening. Dit betreft de zogenaamde Brabant Keur. Als onderdeel van dit harmonisatietraject hanteren de waterschappen dezelfde (beleids)uitgangspunten voor het beoordelen van plannen waarbij het verhard oppervlak toeneemt. De huidige Brabant Keur is per 1 april 2021 in werking getreden. Op onderstaande uitsnede van de Keurkaart is het plangebied aangeduid. Duidelijk is dat er geen speciale waterschapsbelangen in het geding zijn.

Uitsnede keurkaart Waterschap De Dommel UrbiTom

38

Bestemmingsplan Emmahof, Nuenen

Gemeente Nuenen, Gerwen en Nederwetten

In de keur (aangepast in april 2021) is opgenomen dat het in beginsel verboden is om zonder vergunning neerslag door toename van de verharde oppervlakte of door afkoppelen van de bestaande oppervlakte, tot afvoer naar een oppervlaktewaterlichaam te laten komen. Dit verbod is van toepassing tenzij: Het afkoppelen van het verhard oppervlak maximaal 10.000 m2 is, of; de toename van het verhard oppervlak maximaal 500 m2 is, of; de toename van het verhard oppervlak bestaat uit een groen dak; de toename van het verhard oppervlak tussen 500 m2 en 10.000 m2 is en compenserende maatregelen zijn getroffen om versnelde afvoer van hemelwater tegen te gaan, in de vorm van een voorziening met een minimale retentiecapaciteit conform de rekenregel. Benodigde retentiecapaciteit (in m3) = toename verhard oppervlak (in m2) x gevoeligheidsfactor x 0,06. Bij alle in- en uitbreidingsplannen adviseert en toetst het Waterschap op hydrologische effecten, waarbij het hydrologisch neutraal ontwikkelen het uitgangspunt is. Kortom, het initiatief mag niet leiden tot een verandering in de waterhuishoudkundige situatie ter plaatse en in de directe omgeving. Daarnaast is het streven om het schone en het verontreinigde water zoveel mogelijk te scheiden. Voor nieuwbouw geldt dat het “schone” regenwater van het “vuile” huishoudelijke afvalwater gescheiden opgevangen en verwerkt dient te worden.

Het huishoudelijke afvalwater dient in overleg met de gemeente aangesloten te worden op een bestaand rioolstelsel in de omgeving van de planontwikkeling. Voor de afvoer van hemelwater geldt het uitgangspunt ‘hydrologisch neutraal ontwikkelen’. Dit houdt in dat het hemelwater dat op daken en verhardingen valt, niet versneld mag worden afgevoerd naar het oppervlaktewater. Voor behandeling van dit water geldt de trits hergebruik-vasthouden-afvoeren, nader gespecificeerd in een vijftal opties, waarbij optie 1 het meest wenselijk en optie 5 het minst wenselijk is: 1. hergebruik; 2. vasthouden / infiltreren; 3. bergen; 4. afvoeren naar oppervlaktewater; 5. afvoeren naar de riolering. -

-

De initiatiefnemer dient deze opties te doorlopen en te beargumenteren voor welke optie wordt gekozen. ‘Vasthouden’ betekent infiltratie in de bodem. Als hergebruik en (volledige) infiltratie niet mogelijk zijn, is afvoer naar een oppervlaktewater / riolering mogelijk. In dit geval kan een compenserende berging noodzakelijk zijn. Bij een compenserende berging kan worden gedacht aan een vijver, een infiltratievoorziening of buffersloot met een geknepen afvoer naar een watergang. Gemeenten stellen vanuit hun eigen verantwoordelijkheid eisen aan de afvoer van hemelwater.

UrbiTom

39

Bestemmingsplan Emmahof, Nuenen

-

-

Gemeente Nuenen, Gerwen en Nederwetten

Voor hemelwaterafvoer naar oppervlaktewater gelden de bepalingen uit de Keur van het Waterschap; art. 15 van de Algemene regels resp. art. 13 van de Beleidsregels. In de waterparagraaf dient duidelijk te worden welk type infiltratie- en/of bergingsvoorziening wordt toegepast. Middels een tekening kan inzicht worden gegeven in de locatie en het ruimtebeslag van de voorziening(en). Hierbij dient aandacht te worden besteed aan de leegloop en overstort van de voorziening. Tevens dient inzichtelijk gemaakt te worden dat door de nieuwe ontwikkeling er geen problemen elders worden veroorzaakt. Bij de inrichting, bouwen en beheer dienen zo min mogelijk vervuilende stoffen te worden toegevoegd aan de bodem en het grond- en oppervlaktewatersysteem. Conform de waterkwaliteitstrits, 1. schoonhouden 2. scheiden 3. zuiveren, dienen de mogelijkheden voor bronmaatregelen (schoonhouden) te worden onderzocht. Denk hierbij bijvoorbeeld aan zorgvuldige materiaalkeuze (pakket duurzaam bouwen), geen blootstelling van uitloogbare bouwmaterialen zoals zink, koper en lood aan hemelwater en een verantwoord beheer van de openbare ruimte (weg- en groenbeheer).

Beleid Gemeente Nuenen, Gerwen en Nederwetten Per 1 januari 2008 is de Wet gemeentelijke watertaken in werking getreden. Deze wet verplicht de gemeente om naast haar al bekende taak van rioleringszorg (GRP) ook de zorg voor de afvoer van hemelwater en de zorg voor grondwater in stedelijk gebied op zich te nemen. Dit betekent een verbreding van haar takenpakket. Het Gemeentelijk Rioleringsplan (GRP) is daarom vertaald in een verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan (vGRP). Op 26 oktober 2018 is de gemeenteraad van Nuenen akkoord gegaan met het verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan 2019-2023 (vGRP). De doelen vastgelegd in het vGRP zijn: een goede inzameling en transport van stedelijk afvalwater; inzameling, transport en / of verwerking van afvloeiend hemelwater, voor zover dit redelijkerwijs niet kan door particulieren; voorkomen van structureel nadelige gevolgen van te hoge of te lage grondwaterstanden, voor zover dit onder de gemeentelijke zorgplicht valt. 5.4.4

Locatiestudie Het plangebied betreft de percelen, kadastraal bekend gemeente Nuenen, sectie E, nummers 9767, 9768 en 9798. Totaaloppervlakte van het plangebied bedraagt 2.660 m2.

UrbiTom

40

Bestemmingsplan Emmahof, Nuenen

Gemeente Nuenen, Gerwen en Nederwetten

Toename verharding en noodzaak waterberging Door de ontwikkeling bedraagt het verharde oppervlak in de nieuwe situatie ca. 1.855 m2. Dit is tevens de verhardingstoename in het gebied. In navolgende tabel is dit verduidelijkt.

Verharde buitenruimte openbaar Verharde buitenruimte privé Bebouwing (privé) Totaal verhard oppervlak openbaar Totaal verhard oppervlak privé Totaal verhard oppervlak Onverhard oppervlak openbaar Onverhard oppervlak privé Totaal perceelsoppervlak

Huidige situatie (m2) 60 (voetpad langs Emmastraat bin-

Toekomstige situatie (m2) 315

nen plangebied)

0

915

0 60

940 315

0

1.855

60

2.170*

0

45

2.600

445

2.660

2.660

* Er is uitgegaan van 90% terreinverharding voor de aaneengebouwde woningen in het plan en van 70% terreinverharding voor de aaneengebouwde woningen. Het parkeren op eigen terrein is op grasblokken gesitueerd. Het (niet door carports overdekte) parkeren is daarom voor 50% als verharding gerekend en voor 50% als onverhard terrein

Met behulp van een eenvoudige rekenregel uit de Algemene Regel, behorend bij de Keuren van de drie Brabantse waterschappen, kan de vereiste compensatie per ontwikkelscenario berekend worden. Hierbij is voor ontwikkelingen, waarvan de toename van het verhard oppervlak minder dan 500 m2 bedraagt, geen compenserende waterberging vereist. De hydrologische gevolgen van de ontwikkelingen, kleiner dan 500 m2, zijn voor het ontvangende watersysteem namelijk beperkt. Tevens zou bij ontwikkelingen van deze omvang noodzakelijke compensatie bij een geïsoleerde voorziening resulteren in een voorziening die slecht beheer(s)baar is en weinig zekerheid op functioneren biedt. Er is dus op basis van de keur van het waterschap geen compenserende waterberging vanuit het Waterschap vereist. Op basis van het gemeentelijk beleid, zoals vastgelegd in het vGRP 2019-2023 is de perceeleigenaar echter zelf verantwoordelijk voor verwerking van hemelwater op zijn eigen perceel. In het vGRP staat hierover het volgende aangegeven: Bij een toename en afkoppeling van het verhard oppervlak geldt het uitgangspunt dat plannen zoveel mogelijk hydrologisch neutraal worden uitgevoerd. De waterschappen maken bij het beoordelen van plannen met een toegenomen verhard oppervlak onderscheid tussen grote en kleine plannen.

Hoewel er relatief veel kleine plannen zijn, veroorzaken deze op deelstroomgebiedsniveau nauwelijks een toename van de maatgevende afvoer. Het waterschap maakt grofweg onderscheid in projecten met een toename van verhard oppervlak van maximaal 500 m², 500 m² tot 10.000 m² en meer dan 10.000 m². In principe dient er 60 mm retentie gerealiseerd te worden, dat wil zeggen 600 m³ retentie per hectare verhard

UrbiTom

41

Bestemmingsplan Emmahof, Nuenen

Gemeente Nuenen, Gerwen en Nederwetten

oppervlak. Indien particulieren bij uitbreidingen, herinrichtingen en of revitaliseringen doelmatig hun hemelwater op eigen terrein kunnen verwerken dan ligt hier geen zorgtaak voor de gemeente. Als decentrale voorzieningen niet doelmatig zijn danwel dat bodeminfiltratie en/of lozing op oppervlaktewater niet mogelijk is, dan ontvangt de gemeente het afstromende hemelwater en zorgt voor verwerking daarvan. Decentrale voorzieningen worden in ieder geval doelmatig geacht voor percelen vanaf 1 hectare, en voor meerdere aangrenzende percelen van eenzelfde eigenaar of beheerder die samen 1 hectare of groter zijn. Voor kleinere percelen wordt tijdens de ontwerpfase beoordeeld of decentrale voorzieningen doelmatig zijn. De afweging gebeurt per straat, wijk of project en niet per perceel, waarbij rekening wordt gehouden met de beheersbaarheid. Als decentrale voorzieningen niet doelmatig worden geacht, dan zorgt de gemeente voor het inzamelen en verwerken van afvloeiend hemelwater. In dit geval wordt aan degene die zich van het water ontdoet een bedrag in rekening gebracht per m³ water die niet op eigen terrein geborgen kan worden. De hoogte van de bijdrage bedraagt momenteel € 200,- /m³. De bijdrage zal indien gewenst worden geactualiseerd en vastgesteld door de gemeenteraad.

Benodigde berging Bij een verhard oppervlak van 2.170 m2 en een bergingseis van 60 mm is er, volgens de rekenregel van het waterschap (2.170 x 1 x 0,060 =) 130.2 m3 berging nodig voor het plangebied. Grondwater en infiltratie Blijkens metingen in de meest nabijgelegen putten blijkt dat de gemiddeld hoogste grondwaterstand (GHG) bij beide meetpunten op 15.80 m + N.A.P. ligt (bron: Dinoloket): Put met identificatienummer B51G0535-001 – kruising Weverstraat – Berg, maaiveldhoogte 17.58 m + N.A.P., GHG = 15.80 m + N.A.P. Put met identificatienummer B51G0178 – Kruising Lindenlaan – Parkstraat, maaiveldhoogte = 16.67 m + N.A.P., GHG = 15.80 m + N.A.P. De maaiveldhoogte in het plangebied bedraagt ca. 17.15 m + N.A.P. Ervanuitgaand dat de GHG ook hier 15.80 m + N.A.P. bedraagt, zou de GHG voor het plangebied 1.35 m –mv bedragen. De bodem betreft hoge zwarte enkeerdgronden met leemarm en zwak lemig fijn zand (zEZ21). Blijkens het bodemrapport (zie bijlage bij deze toelichting) gaat het om matig tot zeer fijn, zwak siltig zand. Hierbij hoort een k-waarde van 1 - 5. De bodem is derhalve goed geschikt voor infiltratie. Mogelijkheden voor berging Voor oppervlakkige infiltratievoorzieningen, zoals wadi’s zijn de woonpercelen te klein en is in openbaar gebied onvoldoende groene ruimte aanwezig.

In het openbaar gebied kan berging onder de verharding van het hofje voorzien worden met infiltratiekratten en/of IT-riolering. Omdat de ruimte toegankelijk is voor auto’s moet rekening gehouden worden met een voldoende dikke afdeklaag boven de infiltratievoorzieningen van ca. 80 cm. Dit betekent dat er boven de GHG ongeveer

UrbiTom

42

Bestemmingsplan Emmahof, Nuenen

Gemeente Nuenen, Gerwen en Nederwetten

(1,35 – 0,60 =) 55 cm bergingshoogte overblijft. Voor realisering van de bergingsopgave van 130,2 m3 is dan (130,2/0,55 =) 236,7 m2 oppervlak nodig. Er is ca. 315 m2 verhard oppervlak beschikbaar, dus ruimschoots voldoende om de bergingsopgave te realiseren. Hemelwater van de woningen kan dan met een IT-riool naar een gemeenschappelijke ondergrondse infiltratievoorziening worden gevoerd, die in beheer is bij de gemeente. Infiltratie onder het uitgeefbare terrein is in principe mogelijk, maar heeft niet de voorkeur. Een goed beheer van de infiltratievoorzieningen is in het openbaar gebied beter geborgd. De toepassing van groene daken vormt ook een mogelijkheid voor hemelwaterberging, omdat de woningen van platte daken worden voorzien. Hemelwater wordt door het groene dak langer vastgehouden en vertraagd afgevoerd. Een groen dak isoleert en draagt dus bij aan het voorkomen van hittestress, extra belangrijk bij de doelgroep senioren. Daarnaast draagt een groen dak ook bij aan de biodiversiteit. Bij de toepassing van zonnepanelen worden de mogelijkheden voor groene daken wel weer beperkter. Hierover zal in de uitvoeringsfase nog een afweging moeten worden gemaakt. Een rechtstreekse aansluiting van het hemelwater op de openbare riolering is niet toegestaan.

Wel zal worden voorzien in een noodoverloop op het rioolstelsel, die in werking treedt als de waterberging volledig gevuld is, wat kan voorkomen bij extreme buien. In de regels van dit bestemmingsplan is een voorwaardelijke verplichting opgenomen, waarmee het aanbrengen van voldoende waterberging en de instandhouding ervan geborgd is. Waterkwaliteit Ten behoeve van de waterkwaliteit zal de voorgestelde ontwikkeling bij de aanleg geen gebruik maken van uitloogbare materialen, waardoor de uitspoeling van vervuilende stoffen via de bodem naar het oppervlaktewater voorkomen wordt. De aansluiting op het gemeentelijk rioolstelsel zal gerealiseerd worden met een gescheiden rioleringssysteem voor hemel- en vuilwater. Conclusie In het kader van de planprocedure zijn de gevolgen ten aanzien van de waterhuishouding inzichtelijk gemaakt en de daaruit voortkomende waterbergingsbehoefte. Geconcludeerd kan worden dat er met het voorliggend initiatief geen waterschapsbelangen in het geding zijn. Er is derhalve geen belemmering aanwezig vanuit het aspect water. Op basis van het gemeentelijk beleid, zoals vastgelegd in het vGRP 2019-2023 is de perceeleigenaar echter zelf verantwoordelijk voor verwerking van hemelwater op zijn eigen perceel. Voor het plangebied is daarom totaal 100.5 m3 berging benodigd, waarvan 18.9 m3 in openbaar gebied en 81.6 m3 op uitgeefbaar terrein.

Hiervoor zijn voldoende mogelijkheden aanwezig.

UrbiTom

43

Bestemmingsplan Emmahof, Nuenen

Gemeente Nuenen, Gerwen en Nederwetten

5.5

Geluid

5.5.1

Wegverkeerslawaai Een woning wordt in het kader van de Wet geluidhinder aangemerkt als een geluidgevoelig object. Er zijn in de nabijheid van het plangebied geen wegen met maximumsnelheid boven 30 km/u, er zijn dus geen gezoneerde Wegen, waarvoor akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai noodzakelijk is. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is wel onderzoek gedaan naar de cumulatieve geluidbelasting van de wegen. De ontwikkeling, waarvoor voorliggend bestemmingsplan is opgesteld, past niet binnen het geldende bestemmingsplan. Het akoestisch onderzoek wordt derhalve uitgevoerd ten behoeve van een juridisch-planologische procedure. In september 2023 is onderzoek verricht door De Roever Omgevingsadvies. In dit onderzoek is de geluidbelasting vanwege het wegverkeerslawaai berekend voor de gewenste woningen aan de Emmastraat in Nuenen. De rapportage van het onderzoek is als bijlage bij deze toelichting opgenomen. Navolgend zijn de conclusies van het akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai weergegeven. Conclusie Hogere waarden Een hogere waarde is niet nodig, aangezien er geen gezoneerde wegen in de omgeving liggen. Bouwbesluit en woon- en leefklimaat Benodigde gevelwering (wegverkeerslawaai) De geluidbelasting bedraagt op zijn hoogst 52 dB ter plaatse van de voorgevel.

De vereiste karakteristieke geluidwering Ga;k bedraagt dan ten hoogste 52 – 33 ≤ 20 dB (standaardeis uit het bouwbesluit). Een onderzoek gevelwering zal dan niet nodig zijn. Woon- en leefklimaat De milieukwaliteit wordt bij het gebouw wordt geclassificeerd als ‘Zeer Goed’ tot ‘Redelijk’. Het woon- en leefklimaat ter plaatse van het gebouw wordt als acceptabel aangemerkt. Op basis van de toelichting in de rapportage akoestisch onderzoek (paragraaf 3.2.1 en 3.2.2) kan gesteld worden dat de cumulatieve geluidbelasting (wegverkeer) een aanvaardbaar woon- en leefklimaat niet in de weg staat.

5.5.2

Geluid warmtepompen Door VDM akoestiek is een akoestisch onderzoek uitgevoerd waarin is beoordeeld of de cumulatie van het geluid door warmtepompen bij/op de bestaande en nieuwe woningen verenigbaar is met een goede ruimtelijke ordening.

UrbiTom

44

Bestemmingsplan Emmahof, Nuenen

Gemeente Nuenen, Gerwen en Nederwetten

De resultaten van de overdrachtsberekeningen zijn getoetst aan de richtwaarden volgens de VNG-handreiking ‘bedrijven en milieuzonering’. Ook is getoetst aan de eisen aan de geluidniveaus door installaties voor warmte- en koudeopwekking, zoals die gesteld zijn in afdeling 3.2 van het Bouwbesluit 2012. Binnen het plan worden 12 woningen gerealiseerd, die per woning worden voorzien van een warmtepomp. Door de architect is aangegeven dat, wanneer gebruik gemaakt mocht worden van warmtepompen met een buitenunit, de warmtepompen op het platte dak van de woningen en appartementen worden gerealiseerd. Posities warmtepompen In de berekeningen is uitgegaan van een ‘worst-case-scenario’ waarbij voor alle nieuwe woningen warmtepompen met een buitenunit worden gehanteerd met posities op de daken die maatgevend zijn voor de geluidbelasting bij de dichtst bij het plan en de nieuwe woningen gelegen perceelsgrenzen. De tekening met de worstcase posities van de warmtepompen (blauwe stippen) is in onderstaande figuur weergegeven.

Mogelijke posities (worstcase) warmtepompen daken nieuwe woningen (bron: NEXIT Architecten)

Bronnen Bij opstelling van het onderzoek is het plan uitgewerkt als voorlopig ontwerp. Daarbij is nog geen definitieve keuze voor de warmtepompen gemaakt. Door de architect is wel aangegeven een voorkeur te hebben voor het toepassen van horizontale warmtepompen van het type Weheat Blackbird. Technische specificaties van deze warmtepomp zijn opgenomen in bijlage 4 van het bij deze toelichting gevoegde geluidsonderzoek . Volgens opgaaf van de leverancier heeft deze warmtepomp een geluidniveau van 49 dB(A) op een afstand van 1 meter bij maximaal vermogen. Dit komt neer op een geluidvermogenniveau (LW) van circa 60 dB(A).

UrbiTom

45

Bestemmingsplan Emmahof, Nuenen

Gemeente Nuenen, Gerwen en Nederwetten

Door de leverancier zijn geen gegevens verstrekt over een mogelijk tonaal karakter van de warmtepomp. Om vrijheid voor de uiteindelijke keuze van de warmtepompen te behouden is ervoor gekozen om in de berekeningen uit te gaan van een geluidvermogenniveau (LW) van 65 dB(A) per warmtepomp. Deze waarde is haalbaar met een ruim assortiment aan warmtepompen van diverse leveranciers, waaronder de eerder aangegeven Weheat Blackbird. Voor het geluidspectrum is uitgegaan van spectrum 2 (Ctr) uit de norm ISO-717-1. De warmtepompen zullen in een reguliere situatie nooit 100% van de tijd in werking zijn, of niet op vol vermogen draaien. Toch is ervoor gekozen om overeenkomstig de beoordelingsmethode in de bouwregelgeving geen bedrijfsduurcorrectie toe te passen. Conclusie Uit de resultaten blijkt dat, uitgaande van uitgangspunten zoals hiervoor weergegeven onder ‘positie warmtepompen’ en ‘bronnen’, bij de bestaande woningen in de omgeving en de nieuwe woningen binnen het plan een aanvaardbaar woon- en leefklimaat gewaarborgd wordt. Hierbij wordt nog het volgende opgemerkt: Overeenkomstig de bouwregelgeving is in de berekening van de geluidniveaus geen bedrijfsduurcorrectie toegepast. Bij gebrek aan een toetsingskader is voor de ruimtelijke toets aangesloten bij de VNG-handreiking bedrijven en milieuzonering.

Bij beoordelingen van geluid door bedrijven wordt echter wel rekening gehouden met de bedrijfsduurcorrectie. De gehanteerde systematiek kan daarmee als conservatief beschouwd worden. In de berekeningen is ervan uitgegaan dat de warmtepompen van alle woningen gelijktijdig op vol vermogen in werking zijn. Dit zal in de praktijk echter niet tot nauwelijks voor komen. De gehanteerde systematiek kan daarmee als conservatief (met ruime zekerheidsmarge) beschouwd worden.

5.6

Luchtkwaliteit Algemeen Hoofdstuk 5 van de Wet milieubeheer (titel 5.2 Luchtkwaliteitseisen, ook wel bekend als de ‘Wet luchtkwaliteit’) bevat de regelgeving op het gebied van luchtkwaliteit. In de Wet milieubeheer zijn luchtkwaliteitseisen opgenomen voor diverse verontreinigende stoffen, waaronder stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM2.5 en PM10). In artikel 5.16 van de Wet milieubeheer is vastgelegd in welke gevallen de luchtkwaliteitseisen geen belemmering vormen voor een nieuwe ontwikkeling. Dit is het geval wanneer: -

ten gevolge van een ontwikkeling de concentraties van de betreffende stoffen verbeteren of ten minste gelijk blijven; een ontwikkeling niet in betekenende mate bijdraagt aan de concentraties van de betreffende stoffen in de buitenlucht; een ontwikkeling past binnen een vastgesteld programma (zoals het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit); een ontwikkeling niet leidt tot overschrijding van de grenswaarden voor luchtkwaliteit.

UrbiTom

46

Bestemmingsplan Emmahof, Nuenen

Gemeente Nuenen, Gerwen en Nederwetten

5.6.1

De ontwikkeling draagt niet in betekenende mate bij aan luchtverontreiniging Een nadere uitwerking van de regelgeving met betrekking tot het begrip ‘niet in betekenende mate’ is vastgelegd in het ‘Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)’ en de ‘Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)’. In de Regeling zijn categorieën van gevallen benoemd die in ieder geval als ‘niet in betekenende mate’ worden aangemerkt en waarvoor toetsing aan de grenswaarden dus zonder meer achterwege kan blijven. Er is blijkens deze regeling geen onderzoek nodig voor ‘woningbouwlocaties, indien een dergelijke locatie, in geval van één ontsluitingsweg, netto niet meer dan 1.500 nieuwe woningen omvat, dan wel, in geval van twee ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling, netto niet meer dan 3.000 woningen omvat’.

5.6.2

De ontwikkeling leidt niet tot overschrijding van de grenswaarden voor luchtkwaliteit Ingevolge de Europese richtlijn milieukwaliteit, worden in de Wet milieubeheer de volgende grenswaarden gehanteerd: grenswaarde jaargemiddelde concentratie PM10 = 40 μg/m3. grenswaarde jaargemiddelde concentratie PM2.5 = 25 μg/m3. grenswaarde jaargemiddelde concentratie NO2 = 40 μg/m3. Zoals op navolgende kaarten is te zien blijven de concentraties PM10, PM2.5 en NO2 ter plaatse van het plangebied ruim onder de aangegeven grenswaarden.

UrbiTom

47

Bestemmingsplan Emmahof, Nuenen

Gemeente Nuenen, Gerwen en Nederwetten

Conclusie De voorgenomen ontwikkeling heeft betrekking op de bouw van 12 nieuwe wooneenheden. Hiermee wordt ruimschoots onder de aantallen gebleven zoals genoemd in de ‘Regeling niet in betekende mate bijdragen’. De kaarten met gemiddelde concentraties fijnstof en stikstof van het RIVM laten zien dat deze ruim onder de grenswaarden blijven, die ingevolge de Europese richtlijn milieukwaliteit van toepassing zijn voor een goede luchtkwaliteit. Er is dus sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.

5.7

Externe veiligheid Externe veiligheid betreft het risico dat aan bepaalde activiteiten verbonden is voor niet bij de activiteit betrokken personen. Het externe veiligheidsbeleid richt zich op het voorkomen en beheersen van risicovolle bedrijfsactiviteiten en van risicovol transport (onder andere van gevaarlijke stoffen). Het gaat daarbij om de bescherming van individuele burgers en groepen tegen ongevallen met gevaarlijke stoffen of omstandigheden. Risicobronnen kunnen onderscheiden worden in risicovolle inrichtingen (onder andere lpg-tankstations), vervoer van gevaarlijke stoffen en leidingen (onder andere aardgas, vloeibare brandstof en elektriciteit). Om voldoende ruimte te scheppen tussen risicobron en de personen of objecten die risico lopen (kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten) moeten vaak afstanden in acht worden genomen. Ook ontwikkelingsmogelijkheden die ingrijpen in de personendichtheid kunnen om onderzoek vragen. Uit de risicokaart voor Noord-Brabant blijkt dat er geen bedrijven, leidingen of transportroutes in de nabijheid van het plangebied aanwezig zijn, die aanleiding geven tot een nader onderzoek externe veiligheid.

UrbiTom

48

Bestemmingsplan Emmahof, Nuenen

Gemeente Nuenen, Gerwen en Nederwetten

Uitsnede risicokaart (bron: Atlas voor de Leefomgeving)

Conclusie Externe veiligheid vormt geen belemmering voor de voorgenomen woningbouw in het plangebied.

5.8

Mobiliteit Ontsluiting Het plangebied is gesitueerd aan de Emmastraat, een woonstraat die gelegen is tussen de Boordseweg en de Weverstraat. Vanuit deze straten zijn eenvoudig hoofdwegen als de Europalaan, Smits van Oyenlaan en Broekdijk te bereiken. Parkeren Voor de berekening van de parkeerbehoefte is uitgegaan van de richtcijfers voor parkeernormering die door de gemeente Nuenen, Gerwen en Nederwetten gehanteerd worden. Dit betreft de richtcijfers volgens het CROW. Deze zijn vervat in brochure nr. 381 van het CROW: ‘Toekomstbestendig parkeren’. Nuenen wordt door het CBS aangemerkt als matig stedelijk gebied (verstedelijkingsklasse 3). Het plangebied ligt in een zone die in de CROW-brochure wordt gekwalificeerd als ‘rest bebouwde kom’. De, conform de geldende richtcijfers berekende, parkeereis is als volgt: Theoretische parkeerbehoefte bewoners Type woning Tussen/ hoek

Aan- Parkeernorm tal 4 1,6

Theoretische parkeerbehoefte 6,4

Huur appartement

4

1,1

4,4

Halfvrijstaande woningen

4

1,8

7,2 Totaal

UrbiTom

49

18

Bestemmingsplan Emmahof, Nuenen

Gemeente Nuenen, Gerwen en Nederwetten

De totale parkeereis voor bewoners bedraagt 18 parkeerplaatsen

Situatietekening met parkeerplaatsen

Op eigen terrein worden parkeerplaatsen aangelegd. Niet al deze parkeerplaatsen mogen als 1 parkeerplaats worden gerekend. In de kolom ‘berekeningsaantal’ is de omrekenfactor ingevolge brochure 381 van het CROW weergegeven: Parkeeraanbod eigen terrein Type parkeren Bewoners dubbele oprit Bewoners lange oprit zonder garage Bewoners parkeervakken in voortuin aan Emmastraat

Aan- Berekeningsaan- Parkeergelegenheid eigen tertal tal rein 4 1,7 6,8 4

1

4

4

1

4 Totaal

14,8

Het totaal aantal parkeerplaatsen voor bewoners op eigen terrein bedraagt derhalve 14,8. Bij een parkeereis van 18 parkeerplaatsen, resteert een opgave van 3,2 bewonersparkeerplaatsen in het openbaar gebied.

UrbiTom

50

Bestemmingsplan Emmahof, Nuenen

Gemeente Nuenen, Gerwen en Nederwetten

De parkeereis voor bezoekersparkeren is berekend in onderstaande tabel: Theoretische parkeerbehoefte bezoekers Type woning Tussen/ hoek

Aantal 4

Parkeernorm

Theoretische parkeerbehoefte

0,3

1,2

Huur appartement

4

0,3

1,2

Halfvrijstaande woningen

4

0,3

1,2 Totaal

3,6

De totale parkeereis voor bezoekers bedraagt 3,6 parkeerplaatsen. Deze moeten in de openbare ruimte worden gesitueerd. Door het bureau Buitenruimte is onderzocht in hoeverre de huidige bezettingsgraad van parkeerplaatsen in de omgeving de opvang van deze parkeerbehoefte van (3,2, afgerond) 4 parkeerplaatsen bewonersparkeren en (3,6, afgerond) 4 parkeerplaatsen bezoekersparkeren toelaat. Deze onderzoeksrapportage is als bijlage bij deze toelichting opgenomen. De maximale loopafstand voor bewoners vanaf een parkeerplaats naar de woning bedraagt 100 m (CROW). De maximale loopafstand voor bezoekers vanaf een parkeerplaats naar de woningen bedraagt 250 m. Door Buitenruimte is voor bewonersparkeren binnen 100 m loopafstand van het plangebied gekeken naar de huidige bezettingsgraad en de bezettingsgraad, wanneer 4 parkeerplaatsen worden bezet door bewoners van de Emmahof. Er wordt een maximale bezettingsgraad van 69% berekend, dus ruimschoots minder dan de 85% die door het CROW is aangegeven als maximale bezettingsgraad, die zonder meer acceptabel is: bij deze bezettingsgraad hoeven mensen niet te lang te zoeken naar een lege parkeerplaats. Voor bezoekersparkeren is het gebied tussen 100 m en 250 m loopafstand van het plangebied beschouwd. Hier wordt een maximale bezettingsgraad van 65% berekend wanneer bezoekersparkeren vanwege de Emmahof wordt meegerekend.

Ook hier is derhalve, na opvang van parkeren vanwege de Emmahof dus sprake van een bezettingsgraad die ruim onder de normatieve bezettingsgraad van 85% ligt. Verkeersgeneratie Voor de verkeersgeneratie vanwege de nieuwe woningen is uitgegaan van kengetallen verkeersgeneratie van het CROW voor een zone die wordt gekwalificeerd als ‘rest bebouwde kom’. Er is sprake van 4 appartementen in de sociale sector, van 4 halfvrijstaande woningen en van 4 tussen- of hoekwoningen.

UrbiTom

51

Bestemmingsplan Emmahof, Nuenen

Gemeente Nuenen, Gerwen en Nederwetten

De verkeersgeneratie vanwege deze woningen is in onderstaande tabel weergegeven: Type woning Appartementen soc. sector Halfvrijstaande woningen Tussen- of hoekwonig Totaal

Gem. verkeersgeneratie per woning 5.6

Aantal woningen 4

Totale verkeersgeneratie 22.4

7.8

4

31.2

7.4

4

29.6

12

83.2

De Emmastraat kent een geringe verkeersbelasting (volgens opgaaf gemeente 500 motorvoertuigen/etmaal of minder (bron: verkeersintensiteiten, zoals verwerkt in het bij deze toelichting gevoegde akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai). Met toevoeging van (afgerond) 84 motorvoertuigen/etmaal aan de bestaande belasting blijft er sprake van een rustige woonstraat met een gemiddelde belasting van 1 à 2 motorvoertuigen per minuut.

5.9

Flora en fauna

5.9.1

Beschermde natuurgebieden Het is voor een goede ruimtelijke ordening van belang dat geen sprake is van significante gevolgen voor de omliggende natuur. Het plangebied ligt buiten de begrenzing van het NNB. De provincie Noord-Brabant hanteert een externe werking als het gaat om NNB, indien een bestemmingsplan leidt tot aantasting van de ecologische waarden en kenmerken anders dan door de verspreiding van stoffen in lucht of water. In dit geval is het plangebied op een dergelijke afstand gelegen dat er van een negatief effect op het dichtstbijzijnde NNB-gebied geen sprake is. Tevens betreft het een beperkte ingreep (nieuwbouw binnen bebouwde kom). Het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied (Strabrechtse Heide & Beuven) is op afstand (ca. 7,7 km) gelegen. Bij Natura 2000-gebieden moet verspreiding van stoffen in lucht of water wel worden beschouwd. Een AERIUSberekening is noodzakelijk om aan te tonen dat er geen sprake is van stikstofdepositie. Aan dit aspect is in de navolgende paragraaf ‘stikstofdepositie’ nader aandacht besteed.

5.9.2

Onderzoeksresultaten en effecten op aanwezige plant- en diersoorten Door Exlan is in augustus 2023 een quickscan soortenbescherming verricht. De rapportage hiervan is opgenomen als bijlage bij deze plantoelichting. Er wordt in het kader van de Wet natuurbescherming (Wnb) nagegaan of vaste rust- en verblijfplaatsen door de beoogde ingreep opzettelijk worden aangetast (verwijderd, ongeschikt gemaakt) of dat dieren opzettelijk worden verontrust, verjaagd of gedood. Verder is er gekeken of er invloeden zijn die leiden tot een verminderde geschiktheid als foerageergebied waarbij het een zodanig belang betreft dat bij het wegvallen van deze functie ook vaste rust- en verblijfplaatsen niet langer kunnen functioneren.

UrbiTom

52

Bestemmingsplan Emmahof, Nuenen

5.9.2.1.

Gemeente Nuenen, Gerwen en Nederwetten

Veldbezoek

Flora algemeen Bij de planlocatie zijn geen bijzondere beplantingen aangetroffen. Het perceel bestaat uit grasland dat regelmatig wordt gemaaid. Het perceel is bezaaid met Knolcyperus, een exoot die erg moeilijk te bestrijden is. Rechtsachter en linksvoor op het perceel staan twee zomereiken. Eentje blijft behouden. Grondgebonden zoogdieren Specifiek wordt bekeken of binnen de betreffende inrichting verwacht kan worden of er streng beschermde zoogdieren; steenmarter, bunzing, hermelijn, wezel, eekhoorn, bever en das kunnen worden aangetroffen. Door de aanwezigheid van (verwilderde) katten, is dit geen interessante locatie voor grondgebonden zoogdieren. Steenmarter De onderzoekslocatie vormt geen geschikt habitat voor de steenmarter. Steenmarters gebruiken hooizolders, loze ruimtes onder het dak, schuurtjes en dergelijke, als verblijfplaats. Aangezien de projectlocatie onbebouwd terrein is zonder verdere opslag, is deze locatie voorde steenmarter niet interessant om te huisvesten. Een steenmarter heeft binnen zijn territorium verscheidene verblijfplaatsen. Daarnaast laten steenmarters enorm veel sporen achter. Tijdens het veldbezoek zijn geen sporen, zoals uitwerpselen of prooiresten aangetroffen die duiden op het gebruik van de onderzoekslocatie als vaste rust- of verblijfplaats door deze soort.

Kleine marterachtigen De onderzoekslocatie biedt geschikte verblijflocaties voor de hermelijn, wezel en bunzing. De soorten maken gebruik van oude holen van onder andere mollen en muizen, maar ook houtwallen, steenhopen en ruimtes onder boomwortels. Desbetreffende soorten hebben binnen hun territorium verscheidene verblijfplaatsen. Tijdens het veldbezoek zijn er geen marters of sporen van marters aangetroffen op de onderzoekslocatie. Echter, dit betekent niet dat het gebied niet potentieel in gebruik is door de hermelijn, wezel en/of bunzing als migratieroute. Gezien de onderzoekslocatie kleiner is dan één hectare kan gesteld worden dat deze geen essentieel onderdeel uitmaakt van het leefgebied van een van genoemde soorten. Indien bij sloop/herinrichting van het gebied groenstructuren rond het perceel behouden blijven, is er geen sprake van een negatief effect op genoemde soorten. Eekhoorn De onderzoekslocatie is vanwege de afwezigheid van voldoende bomen niet geschikt als habitat voor de eekhoorn. Er staan te weinig bomen rondom de projectlocatie. Een negatief effect als gevolg van de werkzaamheden is uitgesloten. Bever Voor de bever is op de onderzoekslocatie geen geschikt habitat aanwezig. Vaste rust- en verblijfplaatsen van de bever kunnen worden uitgesloten.

UrbiTom

53

Bestemmingsplan Emmahof, Nuenen

Gemeente Nuenen, Gerwen en Nederwetten

Das Tijdens het veldbezoek zijn op de onderzoekslocatie en de directe omgeving geen loop- of eetsporen, latrines en/of wissels aangetroffen die duiden op de aanwezigheid en/of het gebruik van de onderzoekslocatie door de das. Dassen zullen eerder hun leefgebied hebben in de nabij gelegen natuurgebieden en de aansluitende weilanden. Verstoring ten aanzien van de das als gevolg van de voorgenomen ingreep is niet aan de orde. Overige Het voorkomen van overige grondgebonden zoogdieren waarvoor geen vrijstelling geldt, is vastgesteld. Zo zijn er sporen aangetroffen van de mol en muis. Vleermuizen Verblijfsruimte voor vleermuizen hebben specifieke voorwaarden zoals een stabiele temperatuur en het tochtvrij zijn. Bij vleermuizen worden vier verblijfplaatsen onderscheiden; winterverblijven, zomerverblijven, kraamverblijven en paarverblijven. Aan de winterverblijven worden de hoogste eisen gesteld, daarna de kraamverblijven, dan de zomerverblijven en ten slotte de paarverblijven, waarbij de vleermuizen een zeer korte tijd op een bepaalde locatie kunnen verblijven. Er is geen bebouwing aanwezig die mogelijk geschikt is als verblijfsplaats voor vleermuizen. De twee aanwezige zomereiken zijn geïnspecteerd op de aanwezigheid van eventuele schuilplaatsen voor vleermuizen. Die zijn niet aangetroffen. Derhalve wordt een boom gekapt in dit plan.

Mogelijk dat er vleermuizen huisvesten in de omliggende woningen. Dat is op enige afstand van de projectlocatie. Vleermuizen ondervinden geen last van de bouw van de nieuwe woningen. Foerageerhabitat De onderzoekslocatie zal, gelet op de aanwezige habitat, gebruikt kunnen worden door in de omgeving verblijvende vleermuizen om te foerageren. De plannen zullen echter geen aantasting van belangrijk foerageerhabitat vormen. Door de voorgenomen ingreep zal het aanbod van foerageermogelijkheden niet in het geding komen. In de directe omgeving is meer geschikt foerageerhabitat voor vleermuizen aanwezig in de vorm van bomenrijen. Vliegroutes Vleermuizen maken veelal gebruik van lijnvormige (donkere) landschapselementen zoals houtsingels, beken en lanen om zich te verplaatsen tussen verblijfsplaatsen en foerageergebieden. Doordat dergelijke lijnvormige elementen ontbreken op de onderzoekslocatie, worden er geen potentiële vliegroutes verstoord. Deze elementen zijn wel in de directe omgeving aanwezig, langs de doorgaande wegen. Vogels Tijdens het bezoek is met name gelet op de aanwezigheid van nesten en rustplaatsen voor vogels.

UrbiTom

54

Bestemmingsplan Emmahof, Nuenen

Gemeente Nuenen, Gerwen en Nederwetten

Er zijn broedvogels waarvan de nesten ook beschermd zijn op het moment dat ze niet voor de voortplanting in gebruik zijn. Dit zijn: boomvalk, buizerd, havik, sperwer, wespendief, huismus, steenuil en de kerkuil. Boomvalk De boomvalk is een soort die geen eigen nest maakt, maar broedt in gebruikte kraaienen/of eksternesten in verschillende typen bos(randen) of in solitaire bomen, populierensingels, of op erven. De soort komt vooral voor in open en halfopen landschappen zoals boerenland en dorpen, alsook in buitenwijken van steden. De bomen op- en nabij de projectlocatie zijn gecontroleerd op dergelijke nesten, deze zijn niet aangetroffen. Negatieve effecten op de boomvalk als gevolg van de werkzaamheden zijn derhalve niet aan de orde. Buizerd en havik De buizerd en havik broeden op grote nesten van ongeveer een meter in doorsnede en 60 centimeter diep. Dergelijke nesten zijn tijdens het veldbezoek niet waargenomen. Een broedgeval van de buizerd en havik is daarom uit te sluiten. Wespendief en sperwer De wespendief is doorgaans gebonden aan grotere bosgebieden van zowel loof- als naaldbomen. Bij voorkeur is er afwisseling binnen het bosgebied aanwezig in de vorm van open plekken. De sperwer broedt bij voorkeur meer verborgen in naaldbomen. Beide situaties zijn op de onderzoekslocatie niet aanwezig.

Gezien de ligging van de onderzoekslocatie binnen de bebouwde kom, de afwezigheid van voldoende dekking is een nestplaats van de sperwer of wespendief niet te verwachten. Eveneens zijn er tijdens het veldbezoek geen nesten aangetroffen. Een broedgeval van zowel de wespendief als de sperwer zijn uitgesloten. Steenuil en kerkuil De kerkuil en steenuil hebben een voorkeur voor cultuurlandschappen met allerlei landschapselementen die voor afwisseling zorgen. Beide soorten broeden in gebouwen en gebruiken ook graag speciale nestkasten. Daarnaast worden door de steenuil ook wel boomholten gebruikt, mits er zich grote holten in bevinden. Er staan geen gebouwen op de projectlocatie. De aanwezige bomen zijn geïnspecteerd op de mogelijke aanwezigheid van nesten of sporen; braakballen, veren en uitwerpselen. Er zijn geen nesten en sporen van steenen kerkuilen waargenomen. Er is geen sprake van een afname van belangrijk foerageergebied. Huismus Ook voor de huismus, die veel te vinden is in de bebouwde omgeving en vooral gebonden aan gebouwen is, is het nest jaarrond beschermd. Aangezien er geen bebouwing aanwezig is in het plangebied, en dus ook geen gebouwen gesloopt worden met het initiatief, worden geen beschermde nesten van de huismus aangetast. Overige broedvogels De beplanting op de onderzoekslocatie kan nestgelegenheid bieden aan broedvogelsoorten

UrbiTom

55

Bestemmingsplan Emmahof, Nuenen

Gemeente Nuenen, Gerwen en Nederwetten

zoals de merel en winterkoning. De nesten van deze soorten zijn alleen beschermd op het moment dat ze als zodanig in gebruik zijn. Er zijn geen nesten van overige broedvogels aangetroffen. Reptielen, amfibieën en vissen Er zijn tijdens het terreinbezoek geen reptielen, amfibieën en/of vissen waargenomen. Voor de in Nederland voorkomende reptielsoorten zoals de hazelworm, de levendbarende hagedis en ringslang biedt de onderzoekslocatie geen geschikt habitat. Deze soorten worden vrijwel alleen aangetroffen in specifieke natuurgebieden. Dit geldt ook voor de specifieke beschermende amfibieënsoorten die veel eisen stellen aan zijn habitat; alpenwatersalamander, heikikker, vinpootsalamander, poelkikker en rugstreeppad. Deze zijn allen uit te sluiten omdat de betreffende locatie geen goed habitat biedt voor deze soorten door het ontbreken van voldoende oppervlaktewater. De onderzoekslocatie vormt wel een geschikt habitat voor algemene amfibieënsoorten als de bruine kikker en de gewone pad. Op de onderzoekslocatie kunnen deze soorten beschutting vinden tussen de begroeiing en onder takken- of stenenhopen. Voor algemene amfibieënsoorten geldt in het kader van de Wet natuurbescherming een vrijstelling, zodat een ontheffing bij verstoring niet noodzakelijk is. Het is echter wel zaak om aandacht te schenken aan de zorgplicht.

Vissen Vanwege het ontbreken van oppervlaktewater op de onderzoekslocatie kan deze soortgroep buiten beschouwing worden gelaten. Overige soorten Van de overige soortgroepen, zoals dagvlinders, insecten en libellen, kan worden aangenomen dat deze soorten gedurende het jaar in het plangebied aanwezig kunnen zijn of dit gebied in de migratieroute hebben liggen. Afhankelijk van het seizoen zijn mogelijk algemene soorten te vinden op/of binnen de planlocatie. Specifieke beschermende soorten zijn voornamelijk afhankelijk van specifieke terreinkenmerken met specifieke biotopen. Binnen het plangebied is een dergelijk biotoop niet aanwezig. 5.9.2.2. Effecten van de ingreep De effecten op beschermde soorten zijn onderzocht op basis van het voornemen binnen het plangebied. Flora algemeen Er is geen bijzondere flora aangetroffen binnen het plangebied, negatieve effecten zijn uitgesloten.

UrbiTom

56

Bestemmingsplan Emmahof, Nuenen

Gemeente Nuenen, Gerwen en Nederwetten

Grondgebonden zoogdieren Verstoring van algemene zoogdieren vindt mogelijk plaats. De onderzoekslocatie vormt geschikt habitat voor een aantal soorten grondgebonden zoogdieren. Het gaat daarbij om algemene soorten als de egel, konijn en diverse muissoorten. De verblijfsplaatsen van deze soorten worden mogelijk aangetast. Deze algemene soorten zullen uit het plangebied trekken op zoek naar een vervangende biotoop. Verblijfplaatsen van beschermde zoogdiersoorten zijn ter plaatse niet aangetroffen. Vleermuizen Er zijn geen sporen van vleermuizen aangetroffen waaruit blijkt dat de bestaande bomen in het plangebied als schuilgelegenheid worden gebruikt. Nader onderzoek in het kader van de soortenbescherming is niet noodzakelijk. Vogels Door de voorgenomen ingreep worden geen vogels en jaarrond beschermde nesten aangetast. Reptielen, amfibieën en vissen Er zijn geen reptielen, amfibieën en/of vissen waargenomen. De instandhoudingsdoelstellingen komen niet in het gedrang. Overige Omdat er geen geschikt biotoop is waargenomen voor overige beschermde soorten, zijn negatieve effecten uitgesloten. Nader onderzoek is niet noodzakelijk. 5.9.3

Zorgplicht Voor alle soorten geldt een zorgplicht. Deze zorgplicht houdt in dat de initiatiefnemer passende maatregelen neemt om schade aan deze soorten te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken. Hierbij gaat het bijvoorbeeld om het niet verontrusten of verstoren in de kwetsbare perioden zoals de winterslaap, de voortplantingstijd en de periode van afhankelijkheid van de jongen. De kwetsbare perioden zijn niet voor alle verschillende soortgroepen gelijk. Als “veilige” periode voor alle groepen geldt in het algemeen de periode van half oktober tot eind november, de periode waarin de voortplantingstijd achter de rug is en dieren als de egel en amfibieën nog niet in winterslaap zijn. Bovendien zijn de houtduiven uit het laatste legsel dan ook uitgevlogen. Indien vooraf bekend is dat werkzaamheden moeten worden uitgevoerd binnen de kwetsbare perioden van de betreffende soorten, is het zaak ervoor te zorgen dat het gebied tegen die tijd ongeschikt is als leefgebied voor die soorten. Zo kunnen bijvoorbeeld struiken gedurende het groeiseizoen kort gesnoeid worden, zodat er geen vogels gaan broeden. Bij het inrichten van het bouwterrein dient te worden gezorgd dat het gebied niet aantrekkelijk wordt voor de vestiging van de rugstreeppad. Het ontstaan van poeltjes of plassen op

UrbiTom

57

Bestemmingsplan Emmahof, Nuenen

Gemeente Nuenen, Gerwen en Nederwetten

het bouwterrein in het zomerhalfjaar (vanaf april) dient derhalve te wordt voorkomen, zodat er geen geschikt voortplantingswater voor de rugstreeppad aanwezig is. Indien tijdens de uitvoering van de werkzaamheden beschermde soorten worden waargenomen dienen maatregelen te worden genomen om schade aan deze individuen zo veel mogelijk te beperken (bijvoorbeeld wegvangen en verplaatsen). 5.9.4

Conclusie Voor de bepaling van de effecten en voor de beantwoording van de vraag of men in strijd komt met de Wet natuurbescherming, wordt de relatie gelegd tussen het initiatief met deze wet door, waar mogelijk, antwoord te geven op de volgende vragen: 1. Welke wettelijk beschermde soorten komen in het plangebied voor? Welke status hebben deze soorten? 2. Welke invloed heeft de geplande ingreep in het betreffende gebied op de beschermde soorten en de staat van instandhouding? 3. Hoe dient omgegaan te worden met eventuele negatieve effecten van het plan op wettelijk beschermde planten- en diersoorten, en welke vervolgstappen zijn nodig? Het voornemen en de daarbij behorende werkzaamheden zullen naar verwachting geen negatief effect hebben op de voortplanting en instandhouding van beschermde dier- en/of plantensoorten. Binnen het plangebied zijn geen (verblijfplaatsen van) strikt beschermde soorten aangetroffen die door de werkzaamheden worden beïnvloed. Uit de effectenbeschrijving blijkt dat er geen onevenredige directe of indirecte gevolgen zijn van de voorgenomen activiteiten op de voortplanting en instandhouding van beschermde dieren of plantsoorten. Lokaal zullen mogelijk algemene soorten uit het plangebied trekken op zoek naar een vervangende biotoop. Voor aanvang van de werkzaamheden hoeft derhalve geen aanvullend onderzoek plaats te vinden.

Een ontheffing met betrekking tot aantasting van beschermde soorten is niet nodig. De werkzaamheden kunnen leiden tot een beschadiging of vernietiging van mogelijke verblijfplaatsen en/of verstoring van eventueel aanwezige algemene soorten. Een algehele vrijstelling op basis van de Verordening natuurbescherming voor ruimtelijke ontwikkelingen is hierop van toepassing. De algemene zorgplicht blijft onverminderd van toepassing. Attentiepunt voor de uitvoeringsfase is dat de grond, waarin Knolcyperus voorkomt, afzonderlijk moet worden verwijderd en niet mag worden toegepast zonder dat de grond thermisch is gereinigd. De Knolcyperus is namelijk een invasieve soort die bestreden moet worden.

5.10

Stikstofdepositie Het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied is op circa 7,7 kilometer afstand gelegen (‘Strabrechtse Heide & Beuven’ – gebiedsnummer 137). Gezien deze afstand en de aard van de

UrbiTom

58

Bestemmingsplan Emmahof, Nuenen

Gemeente Nuenen, Gerwen en Nederwetten

ingreep valt een significant negatief effect niet te verwachten. Om deze verwachting te verifiëren, is door Van Empel Milieuadvies met de AERIUS Calculator 2023.1 een berekening gemaakt van de stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden. De rapportage hiervan is opgenomen in de bijlage bij deze toelichting. Conclusie In de rapportage van oktober 2023, die met aanvullende projectberekeningsbladen geactualiseerd is in november 2023, zijn de te verwachten effecten van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden in kaart gebracht. Uit de rekenresultaten blijkt dat de gewenste ontwikkeling in de aanlegfase en de gebruiksfase niet leidt tot nadelige effecten van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden. De stikstofdepositie in de beoogde situatie bedraagt 0,00 mol/ha/jr. Hiermee kan worden geconcludeerd dat de beoogde situatie, geen significant nadelige gevolgen met betrekking tot het aspect verzuring op Natura 2000-gebieden veroorzaakt. Conform de “Handreiking Voortoets Stikstof van BIJ12 is geen passende beoordeling noodzakelijk.

5.11

Bezonning Voldoende zonlicht en schaduw zijn aspecten van de fysieke leefomgeving. Kijkend naar de TNO-normering moeten er ten minste 2 mogelijke bezonningsuren per dag in de periode van 19 februari – 21 oktober zijn op de gevels van een woning, terwijl de 'strenge' TNO-norm ten minste 3 mogelijke bezonningsuren per dag eist in de periode 21 januari – 22 november.

UrbiTom

59

Bestemmingsplan Emmahof, Nuenen

Gemeente Nuenen, Gerwen en Nederwetten

Zoals te zien is op de situatietekening ligt de woonontwikkeling op afstand van de woningen aan de Julianastraat en ten noordwesten van de bebouwing aan de Emmastraat 2-4. Hier is vanwege de nieuwe woonbebouwing geen invloed op de bezonning aan de orde. De woning aan de Emmastraat 10 ligt ten noordwesten van het plangebied. De nieuwe woningen liggen op minimaal 6 m van de, aan het plangebied grenzende, zijgevel van Emmastraat 10. Deze zijgevel heeft een zijraam dat, ook tijdens de winterdagen, wanneer de slagschaduwen het langst zijn, reeds zon ontvangt voordat de zon in het zuiden staat (voor 12 uur). De zon draait vervolgens verder naar het westen, waardoor de slagschaduwen vanwege de nieuwe woonontwikkeling niet meer van invloed zijn op dit zijraam. Er is dus, ook in de donkerste dagen van het jaar, sprake van ruimschoots meer dan 3 uur dat er geen sprake is van hinder voor zontoetreding. De zijgevel is verder blind. Tegen de achtergevel van de woning is een bijgebouw aangebouwd. Bij deze toelichting is een bezonningsstudie gevoegd, waarin visueel inzichtelijk is gemaakt dat voldaan wordt aan de TNO-normen.

Conclusie Het aspect bezonning vormt geen belemmering voor het initiatief.

5.12

Hinderlijke niet-agrarische bedrijvigheid Voor het behoud en de verbetering van de kwaliteit van de woon- en leefomgeving is een juiste afstemming tussen de verschillende milieubelastende functies en wonen noodzakelijk. Daarbij kan gebruik worden gemaakt van een milieuzonering die uitgaat van richtinggevende afstanden tussen hinderlijke functies (in de vorm van gevaar, geluid, geur, stof) en gevoelige functies. In de brochure ‘Bedrijven en Milieuzonering’ van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) (versie 2009) zijn deze richtafstanden opgenomen. Van deze richtafstanden kan gemotiveerd worden afgeweken. In de VNG-handreiking worden twee omgevingstypen onderscheiden, namelijk ‘rustige woonwijk’/’rustig buitengebied’ en ‘gemengd gebied’. De indicatieve afstanden uit de bedrijvenlijst zijn de afstanden die moeten worden aangehouden tot de gevels van woningen in een ‘rustige woonwijk’. Voor woningen in een ‘gemengd gebied’ mag deze afstand worden gecorrigeerd en kan de indicatieve afstand met één trede worden verlaagd. Een correctie is alleen mogelijk voor de aspecten geluid, geur en stof. Voor het aspect gevaar is verlaging van de indicatieve afstand niet mogelijk. De afstand tussen de ruimtelijke ontwikkeling en de milieubelastende activiteit wordt bepaald vanaf de gevel van de woning tot de grens van de inrichting/de bestemmingsgrens.

UrbiTom

60

Bestemmingsplan Emmahof, Nuenen

Gemeente Nuenen, Gerwen en Nederwetten

Uitsnede bestemmingsplan ‘Nuenen-Noordwest’. De bestemming maatschappelijk, centraal op de kaart, betreft het plangebied (Bron: Ruimtelijke Plannen)

Zoals is te zien op de verbeelding van het geldende bestemmingsplan ‘Nuenen-Noordwest’ wordt het plangebied omringd door overwegend woonbestemmingen. Potentieel hinderlijke bestemmingen in de nabijheid van het plangebied zijn: De bestemming ‘Gemengd’ aan de zuidzijde van het plangebied met de aanduiding ‘foto- en balletstudio’. Een fotostudio is geen bedrijf dat op basis van de brochure ‘Bedrijven en Milieuzonering’ van de VNG wordt aangemerkt als een (potentieel) hinderlijk bedrijf. Voor een balletstudio geldt ten opzichte van het omgevingstype ‘rustige woonwijk’ een richtafstand van 30 m van de bestemmingsgrens tot de bouwmogelijkheden van de gevoelige bestemming vanwege geluid. In het plangebied geldt de bestemming ‘Maatschappelijk’. Hier heeft een school gestaan. Artikel 1.2 van het Besluit geluidhinder wijst o.m. onderwijsgebouwen aan als geluidgevoelige bebouwing. Het bouwvlak van deze gevoelige bebouwing is in het geldende bestemmingplan op een kortste afstand van 3 m tot de bestemmingsgrens van de bestemming ‘Gemengd’ gelegen. Dit is ook in voorliggend bestemmingsplan het geval met het bouwvlak voor de nieuwe woonbebouwing. Er zijn derhalve geen planologische veranderingen in voorliggend bestemmingsplan ten opzichte van de geldende situatie inzake de afstand van gevoelige bebouwing tot een potentieel hinderlijke bestemming.

De foto- en balletstudio is niet meer in gebruik, omdat het perceel van eigenaar is verwisseld. De nieuwe eigenaar wil het perceel voor bewoning gebruiken. De bestemming ‘Maatschappelijk’ aan de Weverstraat ten noorden van het plangebied. Dit betreft een school met een richtafstand van 30 m tot het plangebied. De daadwerkelijke afstand bedraagt bijna 60 meter, dus ruimschoots meer dan de richtafstand. Conclusie Er is geen sprake van beperkingen vanwege hinderlijke bedrijvigheid voor de ontwikkeling, die wordt voorzien met voorliggend bestemmingsplan. Evenmin is er sprake van beperkingen voor bedrijvigheid vanwege de gevoelige bestemming die met dit bestemmingsplan wordt mogelijk gemaakt.

UrbiTom

61

Bestemmingsplan Emmahof, Nuenen

5.13

Gemeente Nuenen, Gerwen en Nederwetten

Geurhinder agrarische bedrijvigheid Algemeen Het beleid ten aanzien van het aspect geur is vastgelegd in de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) die op 1 januari 2007 in werking is getreden. Bij nieuwe planologische projecten in het kader van de Wet ruimtelijke ordening dient te worden gekeken naar de aanvaardbaarheid van deze plannen in verband met omliggende geurbronnen, de zogenaamde omgekeerde werking. In de wet zijn normen bepaald die de maximale geurbelasting op een gevoelig object bepalen. Als de geuremissie van een dier niet bekend is (geen geuremissiefactoren vastgesteld), stelt de wet minimumafstanden tussen veehouderij en geurgevoelig object. Als die geuremissie wel bekend is, dan moet de geurbelasting worden berekend met contouren. De emissie van geurstoffen uit een veehouderijbedrijf wordt uitgedrukt in geureenheden (OUÅ of OUÅ/S). Hiervoor zijn emissiefactoren vastgelegd in de Regeling geurhinder en veehouderij. De berekende geurbelasting wordt getoetst aan de norm (de maximale belasting die het bedrijf mag veroorzaken). Gemeenten mogen, binnen bepaalde bandbreedten, van deze wettelijke normen afwijken als er een gebiedsvisie is opgesteld en een geurverordening is vastgesteld. Voor de gemeente Nuenen, Gerwen en Nederwetten is een geurverordening vastgesteld op 7 april 2011. Situatie rond het plangebied Het plangebied is gelegen binnen de bebouwde kom van Nuenen.

Hinderlijke agrarische bedrijvigheid bevindt zich op afstand. Dichtstbijzijnde veehouderij betreft een paardenhouderij aan de Helsestraat 7a op ca. 600 m afstand van het plangebied. Dit bedrijf heeft vergunning voor het houden van 11 volwassen paarden. Op iets grotere afstand ligt een naastgelegen paardenhouderij aan de Helsestraat 7 met een vergunning voor het houden van 27 volwassen paarden en 15 volwassen pony’s (gegevens: Kernregistratie Dierenverblijven). Krachtens de gemeentelijke geurverordening is het houden van meer dan 30 paarden toegestaan als de afstand van de bestemming waarbinnen de paardenhouderij is toegestaan op een afstand van meer dan 100 m tot gevoelige bebouwing in de bebouwde kom ligt. Met een kleinste afstand van ca. 600 m is dat ruimschoots het geval. Door de ODZOB is in juni 2023 een kaart vervaardigd waarop de achtergrondbelasting vanwege geurhinder is weergegeven voor Noord Brabant. Op navolgende uitsnede van deze kaart is te zien dat het plangebied is gesitueerd binnen een leefomgeving met de kwalificatie ‘zeer goed’.

UrbiTom

62

Bestemmingsplan Emmahof, Nuenen

Gemeente Nuenen, Gerwen en Nederwetten

Conclusie In de omgeving van het plangebied bevindt zich geen agrarische bedrijvigheid, die geurhinder veroorzaakt. De kaart met de achtergrondbelasting laat zien dat de leefomgeving in en rond het plangebied wordt gekwalificeerd als ‘zeer goed’. Er zijn geen belemmeringen vanwege geurhinder voor de ontwikkelingen die met voorliggend bestemmingsplan worden mogelijk gemaakt.

5.14

Licht In de Emmastraat zelf hoeven geen lichtmasten te worden toegevoegd. Er staan reeds een viertal lage paaltoparmaturen langs deze straat. Een van deze armaturen staat in de nabijheid van de ingang van het toekomstige hofje. In het hofje zelf zal wel in aanvullende verlichting moeten worden voorzien. Dit aspect wordt nader uitgewerkt in de uitvoeringsfase. Het ligt voor de hand om ook hier met lage paaltoparmaturen te werken. De uitrit van het hofje is gesitueerd tegenover de voordeuren van de tegenoverliggende woningen, dus niet tegenover de woonkamers van deze woningen. Ook staat aan de zijde van de woningen een haag langs de straat, die het directe licht van koplampen zal temperen. Gezien het geringe aantal woningen/parkeerplaatsen aan het hofje, zal ook het aantal uitrijdende auto’s in de avond/nacht gering zijn, temeer omdat het seniorenwoningen betreft. Conclusie Nieuwe verlichting is nodig in het hofje zelf, maar niet in de Emmastraat. De afstand tot de Emmastraat en het gebruik van lage paaltoparmaturen (vergelijkbaar met de Emmastraat), zal ervoor zorgen dat van de toe te voegen lichtmasten geen hinderlijk effect voor de bestaande woningen rond het plan wordt ondervonden.

De situering van de uitrit van het hofje (tegenover voordeuren) en het aanwezige groen (haag) dragen eraan bij dat het effect van inschijnende koplampen bij het uitrijden van het hofje beperkt zal zijn. Het geringe aantal woningen/parkeerplaatsen leidt ertoe dat het aantal uitrijbewegingen in de avond-/nachturen ook gering zal zijn.

5.15

Gezondheid

5.15.1 Pluimvee- en varkenshouderijen De intensieve veehouderijen binnen de agrarische sector dragen bij aan de emissies van fijn stof PM10 in Nederland. Dit vrijkomende fijn stof bestaat uit een aantal stoffen, waarvan endotoxinen onderdeel uit (kunnen) maken. Op 7 juli 2016 zijn onderzoeksrapporten gepubliceerd waarin wordt aangetoond dat omwonenden rond veehouderijen gezondheidsrisico’s lopen door de blootstelling aan emissies uit veehouderijen. Endotoxine is voor luchtwegklachten een belangrijk bestanddeel in de (fijn)stof emissie uit veehouderijen. De ontwikkeling van een landelijk toetsingskader voor endotoxine door het Rijk, op advies van de Gezondheidsraad, is nog niet afgerond. Vooruitlopend daarop is door het Onder-

UrbiTom

63

Bestemmingsplan Emmahof, Nuenen

Gemeente Nuenen, Gerwen en Nederwetten

steuningsteam Veehouderij en Volksgezondheid van het Bestuurlijk Platform Omgevingsrecht de ‘Notitie Handelingsperspectieven Veehouderij en Volksgezondheid: Endotoxine toetsingskader 2.0’ opgesteld. Deze notitie haakt in op de lopende ontwikkeling van het landelijke endotoxinetoetsingskader en maakt gebruik van de daaruit voortkomende onderzoeksresultaten. De voorlopige onderzoekresultaten zijn voor de Gezondheidsraad in 2012 aanleiding geweest om voor de algemene bevolking een gezondheidskundige advieswaarde voor endotoxine van 30 EU/m³ aan het Rijk te adviseren. Deze advieswaarde wordt tevens gehanteerd in de notitie. Uitgangspunt in de ruimtelijke ordening is dat sprake moet zijn van een aanvaardbaar woonen leefklimaat en derhalve de advieswaarde van 30 EU/m³ niet wordt overschreden. Door de Omgevingsdienst Zuidoost-Brabant (ODZOB) is een berekeningsmodel opgesteld waarmee de individuele afstandscontour of endotoxine-risicocontour van 30 EU/m³ eenvoudig bepaald kan worden. In de Notitie Handelingsperspectieven Veehouderij en Volksgezondheid: Endotoxine toetsingskader 2.0’ worden de volgende richtafstanden gehanteerd: Pluimveebedrijven: binnen een afstand van 1 kilometer liggen woon- of verblijfsruimten van derden Overige veehouderijen: binnen afstand van 250 meter ligt een bebouwde kom. Binnen 250 m afstand zijn geen veehouderijen gelegen.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/14607790/1