CConstaterende datNuenen
Koppel je AI →
Document · PDF

BP herziening Buitengebied Stad van Gerwen 9 9a-b - Toelichting

Gemeenteraad 18 april 2024, gemeente NuenenBij agendapunt: Bestemmingsplan herziening Buitengebied Stad van Gerwen 9 9a-b25.165 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Daarnaast worden twee percelen die nu nog in gebruik zijn als agrarische cultuurgrond ingericht als natuur in de vorm van een gemengd loofbos. Hiermee wordt een bijdrage geleverd aan het verder ontwikkelen van het landschap tot een robuuste en aaneengesloten landschappelijke verbinding. Hieruit kan worden geconcludeerd dat de voorgenomen ontwikkelingen bijdragen aan de visie voor het gebied.

3.3.1

Programma Wonen 2020-2030

Het ‘Programma Wonen 2020-2030’, dat is vastgesteld op 9 juli 2020 door de gemeente Nuenen, is gericht op het verbeteren van de woonsituatie in de gemeente en het bieden van passende huisvesting voor alle inwoners, nu

23 Toelichting bestemmingsplan Stad van Gerwen 9, 9 A-B

en in de toekomst. Het doel is om de woonomstandigheden in de gemeente Nuenen te verbeteren en ervoor te zorgen dat er voldoende betaalbare en duurzame woningen beschikbaar zijn voor iedereen. Om deze doelen te bereiken, zijn verschillende acties en maatregelen opgenomen in het programma, zoals het stimuleren van particuliere woningbouw, het ontwikkelen van nieuwe woonlocaties, het verbeteren van de energieprestaties van bestaande woningen en het faciliteren van passende huisvesting voor specifieke doelgroepen. Het programma is bedoeld als leidraad voor de ontwikkeling van het wonen in Nuenen in de komende jaren. De gemeente Nuenen wil het dorpse woonmilieu graag behouden en versterken. Het groene karakter heeft het wonen in de gemeente kwaliteit, samen met de sterke sociale samenhang en de goede voorzieningen. Het is opgesteld in samenwerking met verschillende belanghebbenden, waaronder bewoners, woningcorporaties en de gemeenteraad, om de doelstellingen te realiseren. Naast het creëren van voldoende woningen, is er in het programma ook veel aandacht voor duurzaamheid. Zo wordt er gestreefd naar het realiseren van energieneutrale woningen en het verminderen van de CO 2-uitstoot in de gemeente. Daarnaast wordt er ingezet op het verduurzamen van bestaande woningen.

De omzetting van de agrarische bedrijfswoning naar burgerwoning en het in gebruik nemen van de het westelijke deel van de langgevelboerderij (Stad van Gerwen 9A) als bedrijfswoning levert een bijdrage aan het behoud van het dorpse karakter van de gemeente. De ontwikkeling voorziet daarnaast niet in nieuw ruimte beslag, maar in een transformatie. Er wordt in zekere zin gebruik gemaakt van 'bestaand vastgoed'. Bovendien neemt de stikstofuitstoot af door de herontwikkeling van rundveehouderij naar paardenhouderij en worden twee percelen die nu nog in gebruik zijn als agrarische cultuurgrond ingericht als natuur in de vorm van een gemengd loofbos. Het plan past daarmee binnen de kaders van het Programma Wonen 2020-2030.

3.3.2

Beleidsnotitie ‘Bouwen in het buitengebied van Nuenen’

De gemeente Nuenen heeft op 22 september 2022 de beleidsnotitie ‘Bouwen in het buitengebied van Nuenen, richtlijn voor Ruimte voor Ruimte initiatieven in bebouwingsconcentraties’ vastgesteld. Deze visie geeft zowel de gemeente als burgers inzicht in het wensbeeld voor ontwikkelingen in bebouwingsconcentraties. Hierdoor kunnen initiatieven op voorhand worden getoetst op haalbaarheid. Het plangebied is gelegen in het bebouwingscluster ‘Stad van Gerwen’. De buurtschap Stad van Gerwen ligt op de overgang van de hoger gelegen Nieuwe Erven en Gerwensche Heide aan de oostzijde en de lager gelegen overstromingsvlakte van de Dommel en de Hooidonkse Beek/Breugelsche Beemden ten westen van het cluster. Het westelijk deel van het cluster valt binnen de gemeente Son en Breugel. Stad van Gerwen is een compact en groen bebouwingscluster met centraal een driehoekige plaetse op een kruispunt van wegen. De plaetse wordt overschaduwd door een bomengroep. Het bebouwingscluster kenmerkt zich door agrarische bedrijvigheid aan de randen en centraal in het cluster hoofdzakelijk woonfuncties. De hoofdgebouwen variëren van langgevelboerderijen tot kleinere woonhuizen. De bebouwing bestaat uit één bouwlaag met een kap. Er zijn enkele agrarische bedrijven met grote schuren en stallen aan de randen van het cluster. Deze bebouwing is bepalend voor de landschappelijke beleving van het cluster.

Enkele landschappelijke waarden en uitgangspunten voor de Stad van Gerwen betreffen: ▪ Behouden van de landschappelijke karakteristieken zoals: de driehoekige plaetse, het kronkelige wegenpatroon, de onregelmatige verkaveling en de historische bebouwing met doorzichten op het agrarische landschap. ▪ Behoud van de open ruimten en de waardevolle zichten op het landschap om het compacte groene karakter van het cluster te bewaken. ▪ Voorkomen dat de omvang van het huidige bebouwingscluster groter wordt. ▪ Behouden van de waardevolle bebouwing inclusief bijbehorende erven als ensemblewaarde. Met het initiatief wordt geen nieuwe ruimte-voor-ruimte kavel ontwikkeld, maar wordt de bestaande bedrijfswoning herbestemd tot burgerwoning met toepassing van de Beleidsregel maatwerk omgevingskwaliteit Noord-Brabant. Deze woning is centraal in het bebouwingscluster gelegen en sluit dus aan bij de reeds bestaande woonfuncties. Het agrarisch bedrijf, wat aan de rand van het cluster gelegen is, wordt ontwikkeld tot paardenhouderij. De kenmerkende langgevelboerderij wordt weer in gebruik genomen als bedrijfswoning bij de paardenhouderij. Het gekoppelde bouwvlak aan de overzijde van de weg (1.325 m 2) wordt opgeheven en de kuilvoerplaten die hierop aanwezig zijn worden gesaneerd. Het totale bebouwd oppervlak in het plangebied wordt

24 Toelichting bestemmingsplan Stad van Gerwen 9, 9 A-B

hiermee beperkt. Om te zorgen voor kwaliteitsverbetering in het gebied worden twee percelen die nu nog in gebruik zijn als agrarische cultuurgrond ingericht als natuur in de vorm van een gemengd loofbos. Daarnaast worden zowel de beoogde burgerwoning als de paardenhouderij zorgvuldig landschappelijk ingepast. Hiermee sluit het initiatief aan bij de uitgangspunten zoals die in de beleidsnotitie zijn gesteld voor het bebouwingscluster ‘Stad van Gerwen’.

3.3.3

Landschapsstudie Buitengebied Nuenen 2020

De Landschapsstudie Buitengebied, dat is vastgesteld op 26 mei 2020, is een onderzoek naar het landschap en de ruimtelijke kwaliteit van het buitengebied van Nuenen. Het geeft inzicht in de landschappelijke kwaliteit van het buitengebied van Nuenen en biedt aanbevelingen voor het behoud en de versterking daarvan. Het rapport beschrijft de verschillende landschapstypen in het buitengebied van Nuenen en de bijbehorende ruimtelijke kwaliteiten en knelpunten. Ook worden aanbevelingen gedaan voor het behoud en de versterking van de ruimtelijke kwaliteit van het landschap. Zo wordt bijvoorbeeld aangeraden om meer aandacht te besteden aan de landschappelijke inpassing van nieuwe ontwikkelingen en om de samenwerking tussen agrarische bedrijven en natuurbeheer te bevorderen. Verder wordt er in het rapport ingegaan op de historische ontwikkeling van het landschap en de cultuurhistorische waarden die daarbij horen. Ook worden de verschillende functies van het landschap besproken, zoals landbouw, natuur, recreatie en waterberging. Volgens de Landschapsstudie Buitengebied Nuenen ligt het plangebied in het Kampen -en hoevenlandschap (oude ontginningen). De landschappelijke kenmerken van dit gebied zijn blokvormige verkavelingen, bolle akkercomplexen en gebogen wegenpatronen, veelal voorzien van wegbeplantingen van eik.

In het buurtschap Stad van Gerwen wisselen open en geslotenheid elkaar af. Het versterken van het besloten karakter langs de linten en het open karakter van het achterland geldt als een gewenste ontwikkelingsrichting in dit gebied. Om te zorgen voor kwaliteitsverbetering in het gebied worden twee percelen die nu nog in gebruik zijn als agrarische cultuurgrond ingericht als natuur in de vorm van een gemengd loofbos. Daarnaast worden zowel de beoogde burgerwoning als de paardenhouderij zorgvuldig landschappelijk ingepast. Deze inrichtingsmaatregelen zijn opgesteld, waarbij de Landschapsstudie Buitengebied Nuenen 2020 diende als inspiratiebron.

3.3.4

Bestemmingsplan

In paragraaf 1.3 van deze toelichting is het vigerende bestemmingsplan dat op het plangebied van toepassing is toegelicht. Het vigerende bestemmingsplan bevat geen binnenplanse afwijking- en/of wijzigingsbevoegdheden om de agrarische bestemming te wijzigen naar een bedrijfsbestemming. De beoogde ontwikkeling, een bedrijfsmatige paardenhouderij, is niet rechtstreeks toegestaan binnen de bestemming ‘Agrarisch met waarden – Groenblauwe mantel’. Om beoogde ontwikkeling mogelijk te maken ten behoeve van de bedrijfsgerichte paardenhouderij dient de bestemming ‘Agrarisch – Agrarisch bedrijf’ te worden gewijzigd naar ‘Bedrijf’ met een specifieke functieaanduiding ‘specifieke vorm van bedrijf – paardenhouderij’. Ten behoeve van de omschakeling van de bedrijfswoning naar burgerwoning aan de Stad van Gerwen 9 is ook geen wijzigings- of afwijkingsbevoegdheid opgenomen in het vigerende bestemmingsplan. Derhalve moet een maatwerkprocedure doorlopen worden om deze ontwikkeling mogelijk te maken. De herbestemming naar ‘Wonen’ en met toepassing van de Beleidsregel maatwerk omgevingskwaliteit Noord-Brabant maakt deze ontwikkeling mogelijk.

25 Toelichting bestemmingsplan Stad van Gerwen 9, 9 A-B

4 Omgevingsaspecten In dit hoofdstuk worden alle relevante omgevingsaspecten benoemd. Doel van dit hoofdstuk is om aan te tonen dat de ontwikkeling past binnen een goede ruimtelijke ordening, een goed woon- en leefklimaat en de ontwikkeling wordt getoetst aan milieutechnische aspecten.

4.1 Waterparagraaf Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen dient er op basis van Europees beleid, Rijksbeleid en provinciaal beleid rekening gehouden te worden met de aanwezige watersystemen en waterketens. Het waarborgen en zorgdragen voor een goede afvoer en doorstroming van water moet verplicht opgenomen worden in ieder plan. Derhalve moet ieder plan voorzien zijn van een waterparagraaf. Rijksbeleid Het Nationaal Water Programma 2022-2027 is van toepassing. In dit plan is het waterbeleid op hoofdlijnen omschreven en zijn de ruimtelijke aspecten die de doelstellingen die hieruit voorkomen opgenomen. Het Rijksbeleid richt zich met name op de waterveiligheid t.a.v. de grote rivieren; de Maas, Waal en Rijn en de kustlijn, de omgang met zoetwatergebieden, de algemene waterkwaliteit en grote watergebieden zoals Rijn-Maas delta, Ijsselmeer gebied etc. De beoogde ontwikkelingen zijn van dermate kleine omvang dat het rijksbeleid geen gevolgen dan wel consequenties heeft voor het beoogde plan. Provinciaal Water en Bodem programma 2022-2027 Provinciale Staten van Noord-Brabant hebben op 22 december 2021 het Regionaal Water en Bodem Programma 2022-2027 vastgesteld. Het plan is onderdeel van het planstelsel voor de wateropgaven in Nederland, samen met het Nationaal Water Programma en de waterbeheerprogramma’s van de waterschappen.

Met dit waterplan richt de provincie zich de komende jaren op de ontwikkeling van een duurzaam schone en veilige fysieke leefomgeving. De provincie Noord-Brabant heeft een gemeenschappelijk milieu- en waterplan opgesteld. Het zet een nieuwe koers uit naar een algeheel plan met betrekking tot water, bodem, lucht en overige milieuaspecten. Het plangebied is niet gelegen binnen een van de natte natuurparels en beschermingsgebieden. Derhalve hebben de doelstellingen en uitgangspunten hiervoor geen gevolgen van beoogde plan. Waterschap de Dommel: Waterbeheerplan 2022-2027 - Water als basis voor toekomstbestendige leefomgeving Het water- en bodemsysteem is onontbeerlijk voor een gezonde en leefbare ruimtelijke inrichting van NoordBrabant. Meer dan ooit is het belangrijk om rekening te houden met het concept van de lagenbenadering om een toekomstbestendige leefomgeving te waarborgen. Door klimaatverandering en ruimtelijke druk, staat immers de veerkracht van het water en bodemsysteem onder druk. De lagenbenadering beschrijft de ruimte in drie lagen. De eerste laag bestaat uit de fysieke ondergrond, het water- en bodemsysteem. De tweede laag bevat netwerken van infrastructuur met onder meer wegen, spoorlijnen en waterwegen. Tot slot de derde laag met de menselijke activiteiten zoals wonen, werken en recreëren en de fysieke neerslag daarvan.

Ruimtelijke planning en gebiedsontwikkeling is een proces waarin continu keuzes worden gemaakt. De lagenbenadering helpt in dit keuzeen afwegingsproces en dient als kwaliteitskader voor alle (ruimtelijke) plannen. Elke laag draagt bij aan de ontwikkeling. De lagenbenadering betekent wel dat een onderliggende laag voorwaarden stelt aan andere lagen. Zeker vanuit een perspectief van duurzame ontwikkeling zijn veerkracht en omkeerbaarheid van ingrepen belangrijke gegevenheden. Met het Waterbeheerprogramma 2022-2027 start Waterschap De Dommel met de 'watertransitie'; op weg naar een toekomstbestendige waterhuishouding. Uiterlijk in 2050 is de waterhuishouding in ons hele beheergebied toekomstbestendig. Dit betekent een waterhuishouding die in een goede waterkwaliteit voorziet. En een waterhuishouding die robuust, wendbaar en in balans is met de omgeving. Zowel in het bebouwde als het landelijke gebied en van de beekdalen tot en met de hoge zandruggen. Het grond- en oppervlaktewatersysteem kan de grotere weersextremen opvangen door maximaal gebruik te maken van de dempende sponswerking van de bodem/ondergrond en de natuurlijke hoogteverschillen voor het vasthouden van water.

Er worden drie principes gehanteerd die inhoudelijke sturing geven aan de watertransitie: ▪ Elke druppel vasthouden en infiltreren waar deze valt ▪ Functies passen zich aan het bodem- en watersysteem aan ▪ Wat schoon is moet schoon blijven Men moet zich, nog meer dan voorheen, aanpassen aan de veranderende leefomgeving en op zoek gaan naar nieuwe oplossingen en antwoorden. Juist de voor Midden-Brabant zo karakteristieke verwevenheid van

26 Toelichting bestemmingsplan Stad van Gerwen 9, 9 A-B

bebouwing, landbouw en natuur is een kans om de wateropgaven slim in te passen. Dit vereist een integrale, gebiedsgerichte aanpak samen met alle partijen. Een gebiedsgerichte aanpak is alleen succesvol als naast de wateropgaven ook de opgaven vanuit natuur, stikstof, economie, landbouwtransitie, energietransitie, biodiversiteit, mobiliteit en woningbouw onderdeel van de aanpak zijn. Niet sectoraal, maar integraal. Alleen dan kunnen oplossingen gevonden worden voor een leefbaar Midden-Brabant met een duurzaam en toekomstbestendig watersysteem dat goed is voor inwoners, bedrijven, landbouw en natuur. De grote uitdaging zit hem vooral in de vraag hoe dit bereikt zal worden. De volgende punten zijn hierbij van belang: ▪ van beekdalgericht naar gebiedsgericht; onze aandacht gaat naast het beekdal ook uit naar de flanken, de hoge zandruggen en bebouwd gebied. ▪ van sectoraal naar integraal; samen met overheden en gebiedspartners worden keuzes gemaakt over meerdere opgaven in een gebied. ▪ van water afvoeren naar elke druppel telt; maximaal water conserveren, minder grondwater gebruiken en slimmer sturen. Keur Waterschap De Dommel In de 'Keur Waterschap De Dommel 2015' staan regels (met name geboden en verboden) die het waterschap hanteert bij de bescherming van waterkeringen, watergangen en bijbehorende kunstwerken.

Ook zijn er regels voor het onderhoud van sloten, beken en andere waterlopen om de waterafvoer in dit oppervlaktewater te waarborgen. Daarnaast kent de Keur beleidsregels voor het beschermen van bepaalde deelgebieden met elk een eigen beschermingsbeleid. Het gaat hierbij om beschermde gebieden waterhuishouding, beekdalen en attentiegebieden. Met deze beleidsregels wordt aangegeven op welke wijze gebiedsgericht wordt omgegaan met waterbelangen. De keur van het waterschap is van toepassing wanneer direct en indirect wordt geloosd op een oppervlaktewaterlichaam. De Keur is ook van toepassing als het oppervlaktewater niet in eigendom en beheer is van het waterschap. Beleidsregel Hydrologische uitgangspunten bij de Keurregels voor afvoeren van hemelwater De drie Brabantse waterschappen, Aa en Maas, De Dommel en Brabantse Delta hanteren sinds 1 maart 2015 dezelfde (beleids)uitgangspunten voor het beoordelen van plannen waarbij het verhard oppervlak toeneemt. Deze (beleids)uitgangspunten zijn geformuleerd in de 'Beleidsregel Hydrologische uitgangspunten bij de Keurregels voor afvoeren van hemelwater, Brabantse waterschappen'. Het is gericht op een duurzame toekomst, waarbij rekening wordt gehouden met de waterhuishouding in de omgeving. Het beleid draagt bij aan het behoud van een gezond leefmilieu en een aantrekkelijke leefomgeving voor de inwoners van de provincie.

Het waterschap streeft naar een robuust watersysteem. Voor ontwikkelingen die dit negatief kunnen beïnvloeden, wordt daarom uitgegaan van de trits “vasthouden-bergen-afvoeren”. Dat wil zeggen dat water zoveel mogelijk in een gebied wordt vastgehouden door infiltratie en waar dit niet mogelijk is water tijdelijk wordt geborgen (retentie). Door water lokaal te infiltreren of te bergen in een voorziening wordt het versneld afvoeren van overtollig hemelwater naar het bestaande oppervlaktewatersysteem zoveel mogelijk voorkomen. Bij een toename en afkoppeling van het verhard oppervlak geldt het uitgangspunt dat plannen zoveel mogelijk hydrologisch neutraal worden uitgevoerd. De waterschappen maken bij het beoordelen van plannen met een toegenomen verhard oppervlak onderscheid tussen grote en kleine plannen. Hoewel er relatief veel kleine plannen zijn, veroorzaken deze op deelstroomgebiedsniveau nauwelijks een toename van de maatgevende afvoer. Het waterschap maakt grofweg onderscheid in projecten met een toename van verhard oppervlak van maximaal 500 m², 500 m² tot 10.000 m² en meer dan 10.000 m². Hydrologisch neutraal bouwen Het waterschap streeft naar een robuust watersysteem. Voor ontwikkelingen die dit negatief kunnen beïnvloeden, wordt daarom uitgegaan van de trits “vasthouden-bergen-afvoeren”.

Dat wil zeggen dat water zoveel mogelijk in een gebied wordt vastgehouden door infiltratie en waar dit niet mogelijk is water tijdelijk wordt geborgen (retentie). Door water lokaal te infiltreren of te bergen in een voorziening wordt het versneld afvoeren van overtollig hemelwater naar het bestaande oppervlaktewatersysteem zoveel mogelijk voorkomen. Bij zeer grote neerslaghoeveelheden zal de genoemde voorziening het aangeboden water echter onvoldoende kunnen verwerken. Een noodoverloopconstructie kan er dan voor zorgen dat het overtollige water gecontroleerd naar een plek wordt afgevoerd waar het geen overlast kan veroorzaken. Legger Een legger is een door het waterschap vastgesteld register en geeft een overzicht van: ▪ Alle aanwezige waterlopen (sloten) en waterkeringen (dijken) inclusief kunstwerken;

27 Toelichting bestemmingsplan Stad van Gerwen 9, 9 A-B

▪

▪

Wie verantwoordelijk is voor het beheer en onderhoud van sloten en kunstwerken. Dat betekent dat het gaat om de beheertaken en onderhoudsplichten van het waterschap en om de onderhoudsplichten van derden waarop het waterschap toezicht uitoefent; Waar de beschermingszone ligt, die noodzakelijk zijn voor het waterschap om haar beheerstaken te kunnen uitvoeren. Op deze beschermingszone zijn verbodsbepalingen, volgens de keur, van toepassing zijn. Ook is de legger een naslagwerk ten aanzien van waterstaatswerken.

In navolgende afbeelding is een uitsnede opgenomen uit de Leggerkaart van Waterschap De Dommel. De dichtstbijzijnde watergang in de omgeving is gelegen grenzend aan het plangebied ten noorden en westen van het plangebied. Dit betreft een A-watergang met beschermingszone. Het beoogde bouwvlak ligt niet binnen de beschermingszone van de watergang waardoor de bebouwing op voldoende afstand blijft van de beschermingszone. Derhalve heeft het planvoornemen geen invloed op de watergang.

Afbeelding 12 – Uitsnede Legger Waterschap De Dommel Watertoets Op basis van artikel 3.6 is het verboden om zonder waterwetvergunning van het bestuur neerslag door toename van verhard oppervlak of door afkoppelen van bestaand oppervlak, tot afvoer naar een oppervlaktewaterlichaam te laten komen. Als er sprake is van een toename van 500 m2 of meer zal er een maatregel getroffen moeten worden in de vorm van een retentievoorziening. In de bestaande waterhuishoudkundige situatie wordt het huishoudelijk afvalwater geloosd op het gemeentelijk riool net zoals het bedrijfsafvalwater van huishoudelijke aard. Voor het overige wordt er uit de inrichting enkel niet-verontreinigd hemelwater geloosd wat afkomstig is van de daken en erfverharding. Gemiddeld valt er jaarlijks 0,8 m3 niet-verontreinigd hemelwater per m2 verhard oppervlak. Onder afschot van daken en erfverharding wordt dit hemelwater geloosd op omliggende (perceel)sloten. Het bestaan bebouwd oppervlak bedraagt circa 3.615 m2. Met het planvoornemen wordt het bebouwd oppervlak teruggebracht tot circa 3.515 m2. Dit betekent dat er sprake is van een afname in bebouwd oppervlak van circa 100 m2. Het hemelwater wat terecht komt op de buitenrijbak wordt via het eb- en vloedsysteem opgevangen en gereguleerd. Het water wordt vastgehouden in natte periodes en vrijgegeven in droge periodes.

Hiervoor hoeft dus niet te worden voorzien in en retentievoorziening. De stapmolen en longeercirkel worden voorzien van een zandbodem, zodat het water hier kan blijven infiltreren in de bodem. Aangezien er geen sprake is van een toename in verhard oppervlak van meer dan 500 m2 is een retentievoorziening niet noodzakelijk en vormt het aspect water geen belemmering voor het initiatief.

28 Toelichting bestemmingsplan Stad van Gerwen 9, 9 A-B

4.2 Bodem De Wet bodembescherming (Wbb) stelt dat bij ruimtelijke ontwikkelingen de kwaliteit, maar ook verdachte plekken van de bodem inclusief het grondwater in kaart dienen te worden gebracht in het kader van een goede ruimtelijke ordening. De Wbb is op 1 januari 1987 in werking getreden en wordt door vertaald in diverse besluiten en regelingen en vervolgens op gemeentelijk niveau in de bestemmingsplannen. Uitgangspunt is dat de aanwezige bodemkwaliteit past bij het huidige én toekomstige gebruik van die bodem. De bodemkwaliteit als gevolg van eventueel aanwezige bodemverontreiniging mag geen onaanvaardbaar risico opleveren voor de gebruikers van de bodem. Bovendien mag de bodemkwaliteit niet verslechteren. Indien de bodemkwaliteit (humane) risico’s met zich mee brengt of er sprake is van een spoedeisend geval van bodemverontreiniging kan de ontwikkeling voor bepaalde nieuwe functies geen doorgang vinden tot de risico’s zijn beheerst of weggenomen door sanering. Wanneer de bestemming en/of het gebruik van gronden wordt gewijzigd én wanneer een gebouw of gebruik wordt gerealiseerd waarin mensen 2 uur of langer gaan verblijven moet een historisch en verkennend bodemonderzoek conform de NEN 5740 uitgevoerd worden. De bestaande bedrijfswoning op Stad van Gerwen 9 wordt in gebruik genomen als burgerwoning.

Hiermee verandert het feitelijk gebruik van de gronden voor woondoeleinden niet. Een verkennend bodemonderzoek conform de NEN 5740 wordt derhalve niet noodzakelijk geacht. De langgevelboerderij aan de Stad van Gerwen 9 A-B betreft de voormalige bedrijfswoning van het agrarisch bedrijf. Deze verkeerde in een verouderde staat. Daarom is een nieuwe bedrijfswoning opgericht op Stad van Gerwen 9. Het woongedeelte van de langgevelboerderij (Stad van Gerwen 9A) is daarbij vergund als bed & breakfast. Na een grondige verbouwing is deze in gebruik genomen als mantelzorgwoning. Het object is dus altijd bestemd gebleven voor menselijk verblijf van 2 uur of langer. Ook hebben zich in de tussentijd geen spoedeisende gevallen van bodemverontreiniging voorgedaan, waardoor de bodemkwaliteit ter plaatse humane risico’s met zich mee brengt voor het gewenste gebruik als bedrijfswoning en bed & breakfast. Om dit gebruik mogelijk te maken vinden bovendien uitsluitend bouwkundig vergunningsvrije bouwactiviteiten plaats. Een verkennend bodemonderzoek conform de NEN 5740 wordt derhalve ook voor wat betreft het hergebruik van de langgevelboerderij als bedrijfswoning en bed & breakfast niet noodzakelijk geacht. Met het initiatief worden de asbesthoudende daken van de rundveestallen 4 en 5 gesaneerd. Hiertoe is reeds een sloopmelding ingediend bij en akkoord bevonden door het bevoegd gezag.

In Bijlage 8 is het bijbehorende asbestinventarisatierapport toegevoegd. De gebouwen zijn voorzien van dakgoten en rondom is aansluitend erfverharding gelegen. Er is derhalve geen sprake van mogelijke druppelzone’s in de bodem. In de werktuigenloods (gebouw 7) is een dieseltank aanwezig, welke in de beoogde situatie behouden blijft ten behoeve van het vollegrondsteeltbedrijf. De ondergrond ter plaatse moet formeel worden beschouwd als zijnde verdacht ten aanzien van minerale olie in de grond en minerale olie en btexn in het grondwater. De dieseltank is echter met de nodige beschermende voorzieningen opgesteld; dubbelwandige tank op een betonvloer in een gebouw dat niet wordt gebruikt voor menselijk verblijf. Aangezien de bodemkwaliteit ter plaatse geen humane risico’s met zich mee brengt en er geen sprake is van een spoedeisend geval van bodemverontreiniging is het op dit moment niet noodzakelijk om de bodemkwaliteit ter plaatse verder te onderzoeken. Er is geen sprake van een onaanvaardbaar risico voor de toekomstige gebruikers van de bodem en dat het initiatief doorgang kan vinden.

4.3 Cultuurhistorie en Archeologie De zorg voor archeologische monumenten wordt geregeld in het proces van de ruimtelijke ordening. Zo is wettelijk bepaald dat gemeenten in nieuwe bestemmingsplannen rekening moeten houden met de in de grond aanwezige, dan wel te verwachten, archeologische waarden. De rijksoverheid wil dat er in de monumentenzorg ook aandacht is voor de omgeving waarin het monument staat. Hierbij is het belangrijk dat er niet alleen aandacht voor het monument zelf is, maar ook voor de omgeving. De uitvoering hiervan is vastgelegd in de Momo (modernisering monumentenzorg). Belangrijkste punt uit de Momo voor dit plan is dat er bij ruimtelijke ontwikkelingen rekening gehouden moet worden met de aanwezige cultuurhistorische waarden en monumenten in de directe nabijheid van het plangebied.

29 Toelichting bestemmingsplan Stad van Gerwen 9, 9 A-B

4.3.1

Cultuurhistorie

Op basis van de cultuurhistorische waardenkaart van de provincie Noord-Brabant, Afbeelding 13, wordt geconcludeerd dat er binnen het plangebied en in de directe omgeving geen zwaarwegende cultuurhistorische waarden aanwezig zijn. De bestaande bebouwing heeft geen cultuurhistorische waarden. Enkele landschapsvormen over een groter gebied zijn aangewezen als cultuurhistorisch kenmerk. Het plan laat de landschappelijke karakteristiek in groter verband ongemoeid, waarmee aantasting van cultuurhistorische waarden is uitgesloten.

Afbeelding 13 – Uitsnede Cultuurhistorisch waardenkaart Noord-Brabant

4.3.2

Archeologie

Gemeenten hebben de wettelijke taak om verantwoord om te gaan met het archeologisch erfgoed (zorgplicht). De gemeente Nuenen heeft hiervoor een beleidsplan opgesteld, dat is overgenomen in het bestemmingsplan ‘Buitengebied Nuenen’. In hoofdlijnen komt het erop neer dat archeologisch onderzoek noodzakelijk is in gebieden met een middelhoge en hoge verwachtingswaarde en in gebieden met archeologische resten. In het bestemmingsplan ‘Buitengebied Nuenen’ zijn binnen de beoogde bouwvlakken de dubbelbestemmingen ‘Waarde – Archeologie 2 archeologische waarde’, ‘Waarde – Archeologie 3a hoe verwachting’ en ‘Waarde – Archeologie 5 lage verwachting’ opgenomen. Uit bijbehorende regels blijkt dat binnen ‘Waarde – Archeologie 2 archeologische waarde’, zonder een vergunning met aanvullend onderzoek, geen gebouwen of bouwwerken mogen worden gerealiseerd met een diepte van meer dan 30 centimeter, bij een oppervlakte van meer dan 100 m2. Binnen de bestemming ‘Waarde – Archeologie 3a hoge verwachting’, zonder een vergunning met aanvullend onderzoek, geen gebouwen of bouwwerken mogen worden gerealiseerd met een diepte van meer dan 30 centimeter, bij een oppervlakte van meer dan 500 m2. Binnen de bestemming ‘Waarde – Archeologie 5 lage verwachting’ mogen, zonder een vergunning met aanvullend onderzoek, geen gebouwen of bouwwerken met een oppervlakte van meer dan 10.000 m2 worden gerealiseerd.

Een vergunning met aanvullend onderzoek is binnen deze dubbelbestemmingen niet benodigd voor vervanging, vernieuwing of verandering van bestaande bebouwing, waarbij de oppervlakte, voor zover gelegen op of onder peil, niet wordt uitgebreid en waarbij gebruik wordt gemaakt van de bestaande fundering. Een vergunning met aanvullend onderzoek is eveneens niet nodig voor het uitvoeren van werken en/of werkzaamheden binnen het bestaande bouwvlak, dan wel binnen de gestelde grenzen van de dubbelbestemming. De aanwezige bebouwing binnen het plangebied blijft grotendeels als zodanig behouden. Alleen de bestaande rundveestal wordt herbouwd/verbouwd tot paardenstal. De gewenste paardenstal is gelegen ter plaatse van gronden met de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 2 archeologische waarde’. De geplande bodemingrepen voor de herbouw/verbouw zullen de grens van 100 m2 buiten bestaande funderingen echter niet overschrijden.

30 Toelichting bestemmingsplan Stad van Gerwen 9, 9 A-B

De bestaande rundveestal is grotendeels onderkelderd tot een diepte van 1,75 meter. Deze mestkelders blijven in ieders geval behouden. Gronden rondom oudere mestkelders zijn ernstig verstoord door het doen van afgravingen t.b.v. de bouwwerkzaamheden. Dit gebeurde destijds niet rechtstandig, maar met enkele meters speling. Een groot gedeelte van de opbouw zal eveneens worden hergebruikt. Alleen aan de voorzijde van het object wordt een gedeelte gesloopt, zodat de voorgevel van het gebouw in één lijn komt te liggen. Sanering vindt uitsluitend bovengronds dan wel rechtstandig ondergronds plaats. Hiervoor worden dus nier meer gronden geroerd dan bij de bouw reeds zijn verstoord. De paardenstal wordt in oostelijke richting uitgebreid over de bestaande sleufsilo. Dit gedeelte van het gebouw wordt niet onderkelderd, dus bodemingrepen reiken maximaal tot funderingsdiepte. De bestaande sleufsilo ligt ook minimaal tot op funderingsdiepte. Bovendien geldt hetzelfde als voor de mestkelders. Ten behoeve van de aanleg zijn de bodemverstoringen ruimer geweest dan de bestaande afmeting van de sleufsilo. De gronden tussen de bestaande rundveestal en de sleufsilo zijn voorzien van erfverharding. Hierdoor is er minimaal sprake van bodemverstoring in de toplaag.

Door het bouwrijp maken van de aangrenzende gronden voor de mestkelders en de sleufsilo is het echter evident dat deze tussenliggende gronden minimaal tot funderingsdiepte zijn verstoord. Hierdoor overschrijden de geplande bodemingrepen voor de herbouw/verbouw van de rundveestal & sleufsilo tot paardenstal de grens van 100 m2 buiten bestaande funderingen niet. Deze gronden zijn minimaal tot funderingsdiepte verstoord. Het beoogde bedrijfsgebouw wordt op deze bestaande kelders en fundamenten ver-/herbouwd. Hierdoor hoeft enkel de onbebouwde grond tussen het bestaande gebouw en de sleufsilo (circa 50 m2) te worden geroerd ten behoeve van het nieuwe gebouw. Van deze gronden mag De longeercirkel, stapmolen en buitenbak worden gerealiseerd binnen de bestemming ‘Waarde – Archeologie 5 lage verwachting’ en hebben een gezamenlijk oppervlakte van circa 1.600 m2. Dit overschrijdt de grens van 10.000 m2 niet. Bovendien worden dergelijke voorzieningen tegenwoordig voorzien van een eb- en vloedsysteem. Hiervoor wordt een toplaag van zand, drainage zand en een folie geplaatst. Deze toplaag van 15 centimeter wordt geplaatst boven het maaiveld. Het drainage zand van 25 centimeter wordt geplaatst onder het maaiveld. Hierdoor reikt de diepte van dergelijke voorzieningen niet verder dan 30 centimeter beneden maaiveld en blijven eventuele archeologische waarden in tact.

Er wordt gebruik gemaakt van de bestaande elektriciteitsleidingen en riolering. Hiervoor zijn dus geen werken en/of werkzaamheden voorzien. De aanleg van het landschappelijk inpassingsplan vindt grotendeels binnen het bestaande bouwvlak plaats, waardoor voor het uitvoeren van de werken en werkzaamheden geen archeologisch onderzoek noodzakelijk is. De landschapsbomen die buiten het bouwvlak worden aangelegd behoeven slechts grondbewerking tot 20 centimeter beneden maaiveld. Bovendien is hier de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 5’ van toepassing en beslaat deze bodemingreep gezamenlijk met de oppervlakte ten behoeve van de longeercirkel, stapmolen en buitenbak niet meer dan 10.000 m2. Hieruit kan worden geconcludeerd dat (potentieel) aanwezige archeologische waarden niet onevenredig zijn of zullen worden geschaad. Dit is tevens bevestigd door de Omgevingsdienst Zuidoost-Brabant.

4.4 Parkeren en verkeer In deze paragraaf zijn de aspecten ‘parkeren’ en ‘verkeer’ nader bekeken. Hierbij is gekeken naar de parkeernorm en het benodigde aantal parkeerplaatsen. Daarnaast is ook gekeken naar de verkeersaantrekkende werking die bij de beoogde ontwikkeling zal plaatsvinden. 4.4.1 Parkeren De parkeernorm wordt vastgesteld op basis van de parkeerbehoefte per functie en het eventueel gecombineerd gebruik van parkeerplaatsen door verschillende functies. De parkeernorm geeft het totaal aantal parkeerplaatsen aan dat voor een ruimtelijk initiatief, plan of project aangelegd moet worden. De gemeente Nuenen hanteert geen specifiek beleid voor haar parkeernormen. Wanneer geen specifiek beleid is opgesteld wordt gebruik gemaakt van de CROW richtlijnen zoals deze zijn gepubliceerd door de stichting CROW in de publicatie met nummer 381 ‘Toekomstbestendig parkeren’. De parkeernorm kan hieruit worden vastgesteld op basis van de parkeerbehoefte per functie in combinatie met de stedelijkheidsgraad van de omgeving. Voor de omgeving van het plangebied geldt de norm voor ‘matig stedelijk gebied’.

31 Toelichting bestemmingsplan Stad van Gerwen 9, 9 A-B

De beoogde plannen voorzien op de functiewijziging van bedrijfswoning tot burgerwoning en het herbestemmen van een rundveehouderij tot paardenhouderij met bedrijfswoning. De paardenhouderij voorziet in het houden van 35 volwassen paarden en 10 opfok paarden. Om aan te sluiten bij de CROW richtlijnen worden de normen voor een bedrijf (arbeidsextensief en bezoekersextensief) aangehouden. Voor een bedrijf (arbeidsextensief en bezoekersextensief) geldt in dat geval een parkeernorm van 0,8 per 100 m 2 bruto vloeroppervlak. In de beoogde situatie is er 1.750 m2 aan bruto vloeroppervlak voor de paardenhouderij. De oppervlaktes van de berging en de voertuigenloods zijn niet meegenomen, omdat deze slechts door de eigenaren gebruikt worden. Dit houdt in dat er volgens de CROW richtlijnen behoefte is aan 14 parkeerplaatsen. De parkeerbehoefte van het bedrijf zal echter een stuk lager liggen dan de CROW norm, omdat het bedrijf zich primair richt op het houden, stallen of africhten van paarden, al dan niet in combinatie met de handel in paarden (bedrijfsmatige paardenhouderij). Gemiddeld heeft elke pensionklant twee volwassen paarden op locatie in pension staan. Pensionklanten bezoeken hun paard gemiddeld drie keer per week, in tegenstelling tot een manege waar paarden meerdere keren per dag door verschillende ruiters worden bereden.

Voor 45 paarden zullen 23 bezoekers gemiddeld drie keer per week aanwezig zijn. Bezoekers komen verspreid over de week. Dit resulteert in een gemiddelde parkeerbehoefte van 8 parkeerplaatsen per etmaal. Bovendien houdt en traint initiatiefnemer ook eigen paarden, daardoor zal het aandeel bezoekers feitelijk nog lager zijn. Om toch uit te gaan van de worstcase-scenario, zal worden aangesloten bij de CROW richtlijn van 14 parkeerplaatsen voor de paardenhouderij. Voor de bed & breakfast wordt aangesloten bij de CROW-norm voor een bungalowpark (huisjescomplex). Hiervoor geldt een parkeerbehoefte van gemiddeld 2,1 parkeerplaatsen. Het (vollegronds)teeltbedrijf wordt uitgevoerd door de eigenaar zelf. De benodigde machines en werktuigen worden in de werktuigenloods gestald. Hiervoor geldt dus geen aparte parkeerbehoefte vastgesteld. Voor een vrijstaande woning in het buitengebied geldt op basis van de CROW een parkeerbehoefte van 2,4 parkeerplaatsen. Voor de burgerwoning en de bedrijfswoning geldt dus een parkeerbehoefte van 4,8 parkeerplaatsen. De burgerwoning en bedrijfswoning zullen voorzien zijn van parkeergelegenheid op eigen privé terrein. In totaal geldt er dus een parkeerbehoefte van 20,9 parkeerplaatsen. Aan de voorzijde is ruimte voor minimaal 21 parkeerplaatsen. Er kan geconcludeerd worden dat in het gehele plangebied voldoende ruimte is voor benodigde parkeervoorzieningen.

4.4.2

Verkeer

Het plangebied is gelegen aan de Stad van Gerwen, een geasfalteerde plattelandsweg in het buitengebied. De ontsluitingsroutes van de Stad van Gerwen lopen in zuidelijke richting via de Nieuwe Dijk en in noordelijke richting via de Kwadestraat. Aangezien met de herbestemming van de bedrijfswoning op Stad van Gerwen 9 naar burgerwoning het feitelijk gebruik niet wijzigt, zal de verkeersaantrekkende werking van de woning gelijk blijven. Hierna wordt de verkeersgeneratie in de bestaande en beoogde situatie op de Stad van Gerwen 9 A-B inzichtelijk gemaakt. Voormalige situatie Tot op heden werd op de locatie een rundveehouderij i.c.m. een vollegrondsteeltbedrijf geëxploiteerd. Om aan te sluiten bij de CROW richtlijnen worden de normen voor een bedrijf (arbeidsextensief en bezoekersextensief) aangehouden. Voor een bedrijf (arbeidsextensief en bezoekersextensief) geldt in dat geval een verkeersgeneratie 3,9 verkeersbewegingen per 100 m2 bruto vloeroppervlak per dag. In de voormalige situatie was er circa 1.925 m2 aan bruto vloeroppervlak voor de rundveehouderij. Hierin zijn slechts de oppervlaktes van de drie rundveestallen meegenomen. De oppervlaktes van de berging en de voertuigenloods zijn niet meegenomen, omdat deze slechts door de eigenaren gebruikt worden waardoor dit geen extra verkeersgenerate voor de rundveehouderij genereert.

Op basis van de CROW richtlijnen resulteert dit in een verkeersgeneratie van 2.253 verkeersbewegingen per maand (75,1 per dag) voor de rundveehouderij. Echter ligt de werkelijke verkeersgeneratie voor de runveehouderij beduidend lager. In onderstaande tabel wordt de werkelijke verkeersgeneratie ten aanzien van de voormalige melkveehouderij weergegeven.

32 Toelichting bestemmingsplan Stad van Gerwen 9, 9 A-B

Tabel 1: Verkeersgeneratie voormalige situatie rundveehouderij

Activiteit

Frequentie

Omschrijving

Type vervoer

Transportbewegingen (aantal per maand)

Aanvoer krachtvoer

4 x per maand

Zwaar verkeer

8

Aanvoer ruwvoer

5 x per jaar

Zwaar verkeer

8,5

Afvoer melk

3 x per week 2 x per maand

Zwaar verkeer Zwaar verkeer

24

Aan- en afvoer vee Aan- en afvoer drijfmest

3 x per jaar

Zwaar verkeer

3

Kadavers

4 x per jaar

Zwaar verkeer

0,7

Divers aanvoer

3 x per week

Licht verkeer

24

Diverse bezoekers

3 x per dag

Een vrachtwagen rijdt het erf op en af naar de voersilo’s en lost de lading. 5 keer per jaar wordt de kuilvoersilo aangevuld. Om de silo te vullen zijn er 10 transporten en dus 20 verkeersbewegingen per keer nodig. Dit resulteert in 100 transportbewegingen per jaar. De melktankwagen rijdt het erf op en af naar de melktank. Een keer per maand rijdt een vrachtwagen af en aan voor de aan en afvoer van vee. Een trekker met mesttank rijdt het erf op en af naar de pomp put en zuigt de mest in de tank. Dit zijn 6 transporten en dus 12 verkeersbewegingen per keer. Dit resulteert in 36 verkeersbewegingen per jaar. Een vrachtwagen rijdt tot de kadaverplaats en laadt de lading. Een bestelwagen rijdt het erf af en aan voor de levering van diverse goederen. Bedrijf betrekt diverse bezoekers zoals dierenarts, adviseur e.d.

Licht verkeer

120

4

Voor verkeer van en naar de bedrijfsgebouwen komt dit uit op 192,2 verkeersbewegingen per maand (circa 6,4 per etmaal). Voor licht verkeer komt dit uit op 144 verkeersbewegingen per maand (circa 4,8 per etmaal). Voor zwaar verkeer komt dit uit op 48,2 verkeersbewegingen per maand (circa 1,6 per etmaal). Echter worden dus de verkeersbewegingen op basis van de CROW richtlijnen aangehouden (2.253 verkeersbewegingen per maand). Bedrijfswoning Voor de bedrijfswoning geeft de CROW-brochure een weekdaggemiddelde verkeersgeneratie van 7,8 tot 8,6 op basis van een vrijstaande woning in het buitengebied. Er wordt uitgegaan van een verkeersgeneratie van 8,2 verkeersbewegingen licht verkeer per dag, hetgeen leidt tot 246 verkeersbewegingen per maand. Mantelzorgwoning Het westelijke deel van de langgevelboerderij aan de Stad van Gerwen 9 A is vergund als bed & breakfast en vergunningsvrij in gebruik genomen als mantelzorgwoning. Derhalve wordt voor het feitelijk gebruik aangesloten bij de geldende verkeersgeneratie uit de CROW-publicatie voor een vrijstaande woning in het buitengebied. Hiervoor geldt een weekdaggemiddelde verkeersgeneratie van 7,8 tot 8,6 verkeersbewegingen per dag. Voor de berekening wordt uitgegaan van 8,2 verkeersbewegingen per gemiddelde weekdag. Dit resulteert in 246 verkeersbewegingen per maand.

Vollegrondsteeltbedrijf Aangezien het vollegrondsteeltbedrijf wordt uitgevoerd door de eigenaar zelf en er geen personeel in dienst is, wordt gemiddeld twee keer per dag af en aan gereden met zware motorvoertuigen. Dit komt neer op 120 zware verkeersbewegingen per maand en dus 4 verkeersbewegingen per etmaal.

33 Toelichting bestemmingsplan Stad van Gerwen 9, 9 A-B

Totaal voormalige situatie In totaal komt dit uit op circa 2.865 verkeersbewegingen per maand (circa 95,5 per etmaal). Voor licht verkeer komt dit uit op 2.745 verkeersbewegingen per maand (circa 91,5 per etmaal). Voor zwaar verkeer komt dit uit op 120 verkeersbewegingen per maand (circa 4 per etmaal). De totale verkeersgenerate is samengevat in de onderstaande tabel. Tabel 2: Verkeersgeneratie voormalige situatie

Activiteit

Zware transportbewegingen (per maand)

Rundveehouderij Bedrijfswoning Mantelzorgwoning Vollegrondsteeltbedrijf Totaal

Lichte transportbewegingen (per maand) 2.253 246 246

120 120

2.745

Beoogde situatie De beoogde ontwikkeling omvat het herbestemmen van een bedrijfswoning tot burgerwoning en het herbestemmen van een rundveehouderij tot paardenhouderij met bedrijfswoning. Daar met het herbestemmen van de bedrijfswoning aan de Stad van Gerwen 9 tot burgerwoning het feitelijk gebruik niet wijzigt, verandert ook de verkeersgeneratie niet. Voor wat betreft het agrarisch bedrijf aan de Stad van Gerwen 9 A-B geldt dat de verkeersgeneratie van de rundveehouderij volledig komt te vervallen. Hiermee worden de verkeersbewegingen van de beoogde paardenhouderij met bed & breakfast ruimschoots gecompenseerd. Hierna wordt volledigheidshalve de verkeergeneratie in de beoogde situatie inzichtelijk gemaakt. De beoogde plannen voorzien op de functiewijziging van bedrijfswoning tot burgerwoning en het herbestemmen van een rundveehouderij tot paardenhouderij met bedrijfswoning. Om aan te sluiten bij de CROW richtlijnen worden de normen voor een bedrijf (arbeidsextensief en bezoekersextensief) aangehouden. Voor een bedrijf (arbeidsextensief en bezoekersextensief) geldt in dat geval een verkeersgeneratie van 3,9 verkeersbewegingen per 100 m2 bruto vloeroppervlak. In de beoogde situatie is er 1.750 m2 aan bruto vloeroppervlak voor de paardenhouderij. De oppervlaktes van de berging en de voertuigenloods zijn niet meegenomen, omdat deze slechts door de eigenaren gebruikt worden.

Op basis van de CROW richtlijnen resulteert dit in een verkeersgeneratie van 68,3 verkeersbewegingen per dag en 2.049 verkeersbewegingen per maand voor de paardenhouderij. De verkeersaantrekkende werking van het bedrijf zal echter een stuk lager liggen dan de CROW norm, omdat het bedrijf zich primair richt op het houden, stallen of africhten van paarden, al dan niet in combinatie met de handel in paarden (bedrijfsmatige paardenhouderij). De paardenhouderij voorziet in het houden van 35 volwassen paarden en 10 opfok paarden. In totaal zal er pensionstalling worden geboden aan circa 45 paarden. Gemiddeld heeft elke pensionklant twee volwassen paarden op locatie in pension staan. Pensionklanten bezoeken hun paard gemiddeld 3 keer in de week. Derhalve kan worden uitgegaan van een werkelijke verkeersgeneratie van gemiddeld 140 verkeersbewegingen per week en 560 verkeersbewegingen (licht verkeer) per maand. Om de werkelijke verkeersbewegingen van de paardenhouderij op een correcte manier inzichtelijk te maken wordt daarnaast gebruik gemaakt van de Hippische monitor opgesteld door HAS Den Bosch en ervaringscijfers. Ten behoeve van de bedrijfsvoering van de beoogde paardenhouderij vindt onderstaande verkeersgeneratie plaats: Aanvoer ruwvoer/hooi Als basisregel wordt door de hippische sector geadviseerd 1,5 kg hooi per 100 kilogram lichaamsgewicht te voeren.

Een paard weegt gemiddeld 600 tot 700 kg. Dit wil zeggen dat een paard circa 10 kg hooi per dag nodig heeft. Op het bedrijf zijn 45 paarden aanwezig. Dit wil zeggen dat het bedrijf jaarlijks 164,3 ton hooi gebruikt. Op een vrachtwagen is ruimte voor 12 ton. Dit resulteert in 13,7 vrachten per jaar. Dit resulteert in 27,4 verkeersbewegingen per jaar en gemiddeld afgerond 2,3 verkeersbewegingen (zwaar verkeer) per maand. Aanvoer strooisel Per paardenbox wordt circa 8 kg per dag strooisel gebruikt. Voor 45 paarden komt dat uit op 131,4 ton strooisel per jaar. Op een vrachtwagen is ruimte voor 10 ton. Dit resulteert in 13,1 vrachten per jaar. Dit resulteert in 26,2 verkeersbewegingen per jaar, wat uitkomt op gemiddeld 2,2 verkeersbewegingen (zwaar verkeer) per maand.

34 Toelichting bestemmingsplan Stad van Gerwen 9, 9 A-B

Aanvoer krachtvoer Gemiddeld genomen verbruikt een paard circa 1.000 kg krachtvoer per jaar. Krachtvoer wordt circa één keer in de drie weken per vrachtwagen aangevoerd. Dit resulteert dus in 35 verkeersbewegingen per jaar en afgerond 3 verkeersbewegingen (zwaar verkeer) per maand. Afvoer mest Paardenmest wordt één keer in de twee weken per vrachtwagen afgevoerd. Dit resulteert in 52 verkeersbewegingen per jaar en gemiddeld 4 verkeersbewegingen (zwaar verkeer) per maand. Hoefsmid Op de beoogde paardenhouderij zijn 45 paarden aanwezig welke door de hoefsmid behandeld dienen te worden. Volwassen paarden worden iedere 6 á 7 weken bekapt of beslagen door de hoefsmid. Hiervoor zal de hoefsmid circa 1 á 2 dagen aanwezig zijn op de locatie. Dit resulteert in 4 verkeersbewegingen per twee maanden en gemiddeld 2 verkeersbewegingen (licht verkeer) per maand. Diverse bezoekers Gemiddeld komen er verder nog twee overige erf betreders per week naar de locatie (adviseur, dierenarts, overige bezoekers, etc.). Dit resulteert in 4 verkeersbewegingen per week en gemiddeld 16 verkeersbewegingen (licht verkeer) per maand. Tabel 3: Werkelijke verkeersgeneratie paardenhouderij

Activiteit Aanvoer ruwvoer/hooi Aanvoer strooisel Aanvoer krachtvoer Afvoer mest Hoefsmid Diverse bezoekers Bezoekers stallen

Type vervoer Zwaar verkeer Zwaar verkeer Zwaar verkeer Zwaar verkeer Licht verkeer Licht verkeer Licht verkeer

Transportbewegingen (aantal per maand) 2,3 2,2 3 4 2 16 560

In totaal komt dit uit op 589,5 verkeersbewegingen per maand (circa 19,7 per etmaal). Voor licht verkeer komt dit uit op 578 verkeersbewegingen per maand (19,3 per etmaal). Voor zwaar verkeer komt dit uit op 11,5 verkeersbewegingen per maand (circa 0,4 per etmaal). Echter worden dus de verkeersbewegingen op basis van de CROW richtlijnen aangehouden om uit te gaan van de worst-case-scenario (2.049 verkeersbewegingen per maand). Bedrijfswoning en B&B Voor de bedrijfswoning (Stad van Gerwen 9A) geeft de CROW-brochure een weekdaggemiddelde verkeersgeneratie van 7,8 tot 8,6 op basis van een vrijstaande woning in het buitengebied. Er wordt uitgegaan van een verkeersgeneratie van 8,2 verkeersbewegingen licht verkeer per dag, hetgeen leidt tot 246 verkeersbewegingen per maand. Tevens is het beoogd om de langgevelboerderij weer gedeeltelijk als bed & breakfast in gebruik te nemen (Stad van Gerwen 9B). Voor 2 kamers geldt op basis van de categorie ‘bungalowpark (huisjescomplex)’ een verkeersgeneratie van 5,4 verkeersbewegingen licht verkeer per dag, hetgeen leidt tot 162 verkeersbewegingen per maand. Vollegrondsteeltbedrijf Het vollegrondsteeltbedrijf verandert niet in omvang. Het gemiddelde aantal verkeersbewegingen met zware motorvoertuigen blijft 120 per maand en dus 4 per etmaal.

Totaal beoogde situatie In totaal ontstaat er in de beoogde situatie een zware verkeersgeneratie van circa 131,5 verkeersbewegingen per maand (circa 4,4 per etmaal) en een lichte verkeersgeneratie van 986 verkeersbewegingen per maand (circa 33 per etmaal). De totale verkeersgenerate is samengevat in de onderstaande tabel. Tabel 4: Verkeersgeneratie beoogde situatie

Activiteit

Zware transportbewegingen (per maand)

Lichte transportbewegingen (per maand)

35 Toelichting bestemmingsplan Stad van Gerwen 9, 9 A-B

Paardenhouderij Burgerwoning Bedrijfswoning B&B Vollegrondsteeltbedrijf Totaal

2.049 246 246 162 120 120

2.703

Er is in de beoogde situatie een beperkte afname van licht verkeer met 42 verkeersbewegingen per maand. De Stad van Gerwen zal deze verkeersbewegingen goed kunnen afwikkelen. De locatie beschikt ook over een brede inrit met daarachter voldoende manoeuvreer– en parkeerruimte, waardoor geen sprake zal zijn van obstructie op de openbare weg en de doorstroming niet in gevaar komt. Hieruit kan geconcludeerd worden dat de verkeersafwikkeling afdoende is geregeld en er geen belemmeringen zijn voor het planvoornemen.

4.5 Wet natuurbescherming Bij iedere ontwikkeling dienen de eventuele gevolgen ten aanzien van de natuurbescherming inzichtelijk gemaakt te worden. Op 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming (Wnb) in werking getreden. Deze wet heeft de Natuurbeschermingswet 1998 (gebiedsbescherming), de Flora- en Fauna wet (soortenbescherming) en de Boswet vervangen. De strekking van de wet blijft gelijk: de beschermde gebieden en soorten mogen niet aangetast worden bij ruimtelijke ontwikkelingen.

4.5.1

Bescherming op gebiedsniveau

De bescherming op gebiedsniveau wordt beschreven aan de hand van wetgeving ten aanzien van Natura 2000gebieden, het Natuur Netwerk Nederland en houtopstanden. Natura 2000-gebieden In Nederland zijn 164 Natura 2000-gebieden aangewezen op grond van de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. Per Natura 2000-gebied zijn instandhoudingsdoelstellingen (voor soorten en vegetatietypen) opgesteld vanaf een bepaalde referentiedatum. Iedereen die vermoedt of kan weten dat zijn handelen of nalaten, gelet op de instandhoudingdoelen, nadelige gevolgen voor een Natura 2000-gebied kan hebben, is verplicht deze handelingen achterwege te laten of te beperken. Het bevoegd gezag kan schadelijke activiteiten beperken en eisen dat een vergunning in het kader van de Wnb wordt aangevraagd. Er zijn verschillende factoren die kunnen leiden tot de verstoring van beschermde vogel- en habitattypen en soorten. Vooral de storingsfactoren verzuring en vermesting door stikstof uit de lucht spelen een belangrijke rol, omdat deze ook op grote afstand van een gebied voor effecten kunnen zorgen. Wanneer er vanuit een bedrijf stikstof neer slaat op een Natura 2000-gebied (hierna te noemen: stikstofdepositie) kan dit een negatief effect hebben op de instandhoudingsdoelstellingen van dat gebied. In de directe omgeving van het plangebied zijn geen Natura-2000 gebieden.

De aangewezen gebieden bevinden zich op grotere afstand: ▪ Strabrechtse Heide & Beuven, afstand circa 11 km; ▪ Leenderbos, Groote Heide & De Plateaux, afstand circa 11,5 km. Dat er vanuit een bedrijf stikstof neerslaat op Natura 2000-gebieden hoeft niet automatisch te betekenen dat er een vergunning in het kader van de Wnb nodig is. Uit de uitspraak van de Raad van State van 20 januari 2021 blijkt dat bij intern salderen geen vergunningplicht in het kader van de Wnb geldt. Bij intern salderen leidt de wijziging of uitbreiding van een activiteit niet tot een toename in stikstofdepositie ten opzichte van de referentiesituatie. De referentiesituatie is de geldende natuurvergunning, of bij het ontbreken daarvan, de milieuvergunning waarover het bedrijf beschikte vóórdat de Vogel- of Habitatrichtlijn van toepassing werd op betrokken natuurgebieden. Daarom kunnen significante gevolgen worden uitgesloten en is er geen natuurvergunning meer nodig. De minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit heeft in een Kamerbrief van 22 februari 2021 aangegeven dat een AERIUS-berekening bepalend is om vast te stellen of bij een wijziging of uitbreiding van een activiteit sprake is van intern salderen.

Wanneer middels het rekenprogramma AERIUS Calculator kan worden aangetoond dat er sprake is van intern salderen, is er voor de ontwikkeling in principe geen vergunning in het kader van de Wnb benodigd. Dit kan eventueel middels een volledige aanvraag in het kader van de Wet natuurbescherming worden vastgelegd in een zogeheten ‘positieve weigering’.

36 Toelichting bestemmingsplan Stad van Gerwen 9, 9 A-B

Op 1 juli 2021 is de Wet stikstofreductie en natuurverbetering in werking getreden. De wet maakte aanvankelijk een gedeeltelijke vrijstelling van de natuurvergunningplicht mogelijk voor een tijdelijke toename in stikstofemissie gedurende de bouw-, aanleg- en realisatiefase van een project. Op 2 november 2022 heeft de Raad van State uitspraak gedaan in de zogeheten Porthos-zaak waaruit volgt dat deze bouwvrijstelling in strijd is met het Europees natuurbeschermingsrecht. Het vervallen van de bouwvrijstelling leidt ertoe dat bij alle lopende en toekomstige vergunningsaanvragen eerst moet worden aangetoond dat er in de realisatiefase geen sprake is van stikstofdepositie, om aan te tonen dat er geen schade wordt aangericht aan de nabij gelegen Natura 2000gebieden. Het plan ziet op de herbestemming van een agrarisch bedrijf met bedrijfswoning tot paardenhouderij met bedrijfswoning en burgerwoning met privé bijgebouw. Aangezien met het initiatief de rundveehouderij wordt wegbestemd, zal er per saldo sprake zijn van een afname in stikstofemissie. De stikstofemissie – en daarmee ook de stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden – zal dus afnemen. Hierdoor kan worden aangenomen dat het planvoornemen geen significante negatieve effecten heeft op de Natura 2000-gebieden.

Om de stikstofdepositie als gevolg van het beoogde gebruik af te wegen tegen de referentiesituatie is een stikstofverschilberekening gemaakt met behulp van de AERIUS Calculator 2021 (Bijlage 9). Aangezien met de herbestemming van de bedrijfswoning op Stad van Gerwen 9 naar burgerwoning het feitelijk gebruik niet wijzigt, is in het onderzoek alleen de herontwikkeling van Stad van Gerwen 9 A-B meegenomen. Uit het onderzoek blijkt dat als gevolg van het plan geen rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/j zijn. Er is zelfs sprake van een afname in stikstofdepositie. In verband met de toepassing van de Beleidsregel maatwerk omgevingskwaliteit Noord-Brabant ten behoeve van de beoogde burgerwoning aan de Stad van Gerwen 9 wordt de maximale ammoniakemissie afkomstig vanuit de paardenhouderij in de regels geborgd op basis van de AERIUS-berekening voor de beoogde situatie. Het overtollige deel van de milieutoestemming van het bedrijf wordt ingetrokken. Er is derhalve geen sprake van een vergunningplicht op grond van de Wet natuurbescherming. Hiermee voldoet het plan op het aspect gebiedsbescherming. Natuur Netwerk Nederland Het Natuurnetwerk Nederland is in 1990 geïntroduceerd als antwoord op de achteruitgang van de natuur en biodiversiteit in Nederland. Het is een netwerk van natuurgebieden waarmee biodiversiteit behouden en versterkt wordt.

Planten en dieren kunnen zich van het ene naar het andere gebied verspreiden. Soorten raken hierdoor niet geïsoleerd en hebben dus minder kans op uitsterven. De NNN bestaat uit: ▪ Bestaande natuurgebieden, waaronder de 20 nationale parken; ▪ Gebieden waar nieuwe natuur aangelegd wordt; ▪ Landbouwgebieden, beheerd volgens agrarisch natuurbeheer; ▪ Ruim 6 miljoen hectare grote wateren: meren, rivieren, de kustzone van de Noordzee en de Waddenzee. Het plangebied is, zoals in onderstaande afbeelding te zien, niet gelegen in een ecologische hoofdstructuur. Doordat de beoogde ontwikkelingen buiten deze zones zijn gelegen blijven de natuurlijke en ecologische waarden van deze gebieden gehandhaafd. Bovendien wordt het plangebied voorzien van een gebiedseigen landschappelijke inpassing waardoor deze waarden worden versterkt.

37 Toelichting bestemmingsplan Stad van Gerwen 9, 9 A-B

Afbeelding 14 – Uitsnede kaart Instructieregels gemeenten: natuur en stiltegebieden Iov

Houtopstanden De bescherming van houtopstanden zoals die is vastgelegd in Wnb vloeit voort uit de voormalige Boswet. De voorwaarden hiervan zijn gericht op de instandhouding van het bosareaal. Bij houtopstanden groter dan 10 hectare of 20 rijbomen gelegen buiten de bebouwde kom geldt een meldplicht, herplantplicht en mogelijke oplegging van een kapverbod. Er worden geen houtopstanden gekapt. Toetsing aan de drie beschermingsregimes voor houtopstanden is daarmee niet aan de orde.

4.5.2

Soortenbescherming

In Nederland komen ongeveer 30.000 soorten dieren en planten voor. De Wet natuurbescherming (Wnb) regelt de bescherming van circa 300 in het wild voorkomende soorten inheemse planten en dieren. In de Wnb is onder meer bepaald dat beschermde diersoorten niet mogen worden gedood, gevangen of verontrust en plantensoorten niet geplukt, uitgestoken of verzameld mogen worden. Bovendien dient iedereen voldoende zorg in acht te nemen voor in het wild levende dieren en planten. Daarnaast is het niet toegestaan om hun directe leefomgeving, waaronder nesten en holen, te beschadigen, te vernielen of te verstoren. In de Wnb is de soortenbescherming van beschermde flora- en fauna opgenomen. In hoofdstuk 3 van de Wnb zijn de beschermingsregimes omschreven. Per beschermingsregime is bepaald welke verboden er gelden en onder welke voorwaarden ontheffing en vrijstelling kan worden verleend. Er zijn drie beschermingsregimes, de soorten op basis van de Vogelrichtlijn, de soorten op basis van de Habitatrichtlijn en de andere soorten genoemd in de Wnb. De gemeente Nuenen heeft een natuurwaardenkaart ontwikkeld om inzicht te geven in het voorkomen van beschermde planten en dieren in onze gemeente. Op de kaart zijn een zestal gebieden terug te vinden. Deze gebieden kenmerken zich door een bepaald landschap.

Op basis van de kenmerken van dit landschap en op basis van leefgebieden van planten en dieren, is bepaald welke soorten in het gebied kunnen voorkomen. Uit de navolgende afbeelding blijkt dat het plangebied onder ‘Hoevekampen landschap’ valt. Het hoevenkampen landschap ligt ten noorden van de dorpskern Nuenen en kenmerkt zich veelal door de grootschalige agrarische activiteiten binnen deze gronden. Het landschap wordt bepaald door weilanden, akkers, stallen en boerderijen.

38 Toelichting bestemmingsplan Stad van Gerwen 9, 9 A-B

Afbeelding 15: Uitsnede Natuurwaardenkaart gemeente Nuenen

Het plangebied is een agrarische bedrijfslocatie waar al enkele decennia een rundveehouderij gevestigd is. Ten dienst van de bedrijfsvoering zijn enkele gebouwen en andere voorzieningen aanwezig. De omliggende gronden zijn in gebruik als weiland en bestaan zodoende uit grasland. Aangezien het gebruik van de locatie afgelopen jaren bestaat uit het uitvoeren van een rundveehouderij is sprake van continu gebruik van het terrein. In tegenstelling tot niet-agrarische productiebedrijven hebben de ‘producten’ van dit bedrijf, de koeien, 7 dagen per week verzorging nodig. Dit geeft levendigheid op het terrein, waardoor alleen dier- en plantensoorten die zich in de buurt van de mens en menselijke activiteiten durven/kunnen begeven het terrein als leef- en/ of foerageergebied zullen gebruiken. Aangezien in de toekomstige situatie geen significante wijziging plaatsvindt van de activiteiten binnen het bouwvlak kan er van uit worden gegaan dat het plan in dit deel van het plangebied geen negatieve invloed heeft op planten- en diersoorten. De ontwikkeling bestaat uit de functiewijziging van bedrijfswoning tot burgerwoning en het herbestemmen van rundveehouderij tot paardenhouderij met bedrijfswoning. Deze worden gesitueerd op gronden die op dit moment in gebruik zijn ten behoeve van de huidige rundveehouderij.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/13993910/1