Bp herziening Buitengebied, Nieuwe Dijk 1 en 1b - Toelichting
Tekst van het document
BESTEMMINGSPLANHERZIENING BUITENGEBIED NUENEN, NIEUWEDIJK 1
R & S ADVIES
60
vergroten van de cultuurhistorische waardering door het vergroten van de beleving. Door het plan landschappelijk in te passen, met landschapselementen passend bij de omgeving worden de kleinschalige karakteristieken behouden. Daarnaast ligt het plangebied in het archeologisch landschap ‘dekzandeiland Tongelreep-Groote Aa’, en ‘Indicatieve Archeologische waarden’. Uit paragraaf 4.4 is al gebleken dat beoogde ontwikkeling de archeologische waarden niet in de weg staan. De Nieuwe Dijk en Laar zijn aangeduid als lijn van redelijk hoge historisch geografische waarde. Ook de Evert de Vriesdreef is aangeduid als lijn van hoge historisch geografische waarde. Wat verderop is de Broekdijk aangewezen als lijn van zeer hoge historische waarde. Op grotere afstand van het plangebied bevindt zich historisch groen, enkele rijksmonumenten en archeologische monumenten. Met de bestemmingsplanherziening worden geen significante wijzigingen veroorzaakt in het landschap of de regio. Geconcludeerd kan worden dat de cultuurhistorische waarden niet in het geding zijn met onderhavig plan. Nadere motivatie. De hoge landschappelijke en cultuurhistorische waarde van het broekgebied en de beleidsmatige aandacht voor landschap en cultuurhistorie maken het wenselijk en noodzakelijk om landschap en cultuurhistorie vroegtijdig en volwaardig in de planvorming te betrekken.
In de quickscan Landschap en Cultuurhistorie is vooral ingegaan op de randvoorwaarden vanuit landschap en cultuurhistorie voor herontwikkeling. Gesignaleerde kansen of mogelijkheden voor het behoud en/of herontwikkeling van landschappelijke en /of cultuurhistorische waarden worden genoemd. De kenmerken van het cultuurhistorisch waardevolle Broekgebied tussen Breugel en Nuenen kenmerkt zich door belangrijke identiteitsdragers van het agrarische cultuurlandschap zoals de akkercomplexen met aanliggende buurtschappen en groenstructuren, de langgevelboerderijen etc. Voor de cultuurhistorische vlakken geldt dat bestemmingsplannen waarin deze vlakken gelegen zijn mede strekken tot behoud, herstel of de duurzame ontwikkeling van de cultuurhistorische waarden en kenmerken. Tevens stellen deze bestemmingsplannen regels ter bescherming van deze cultuurhistorische waarden en kenmerken. Karakteristiek voor het landschap is de combinatie van afwisselend landgebruik (weiland, akker etc.) groenstructuren, waterlopen en hoogteverschillen geven het gehele gebied een kleinschalig landelijk karakter. 1900
1950
Figuur 17b Topografische kaarten 1900 - 1950
BESTEMMINGSPLANHERZIENING BUITENGEBIED NUENEN, NIEUWEDIJK 1
R & S ADVIES
61
Nader onderzocht is hoe de cultuurhistorische waarden met deze ontwikkeling kan versterken. a. Inrichting boeren erf. Historisch gezien is het gebruikelijk dat aan de straatzijde voor langgevelboerderijen (lei)lindebomen worden aangeplant die in de zomermaanden de hitte tegen houden en zorgen voor een mooiere aankleding van de langgvelboerderij.
b. Daarnaast zijn de mogelijkheden om binnen (en nabij) het plangebied historische landschappelijke elementen te herstellen zoals verdwenen kavelgrenzen en perceelrand begroeiing. Historische pad met aan weerszijde bomen
Perceel in eigendom
Historische pad zonder aan weerszijde bomen
Historische waterloop Figuur 17c Bestaande en te herstellen cultuurhistorische landschapswaarden
BESTEMMINGSPLANHERZIENING BUITENGEBIED NUENEN, NIEUWEDIJK 1
R & S ADVIES
62
Op de percelen in eigendom van initiatiefnemer is het onverharde pad zonder laanbeplanting nog altijd aanwezig conform historisch kenmerken (zonder laanbeplanting / openheid). Daarnaast is op de historische kaartbeelden te zien dat de bedrijven landschappelijk zijn ingepast middels een bomenrij. Een laanbomenstructuur aan de straatzijde staat op gemeente grond met voorpoot recht. Het perceel Nieuwe Dijk 1 is vanouds historisch ingepast in het landschap. In het landschapsplan dat onderdeel uitmaakt van het betstemmingsplan en geborgd is in de regels en bijlagen wordt dit versterk / hersteld. Te herstellen bomenrij
Bestaande houtsingel
Te plaatsen lei-linden / linde bomen
Bestaande historische Laanbomen-structuur Figuur 17d Bestaande en te herstellen cultuurhistorische landschapswaarden
BESTEMMINGSPLANHERZIENING BUITENGEBIED NUENEN, NIEUWEDIJK 1
R & S ADVIES
63
De cultuurhistorische waarden van het landschap worden hersteld en geborgd in de Planregels / Landschapsplan. Het Landschapsplan is hierop aangepast
Figuur 17e Aangepast landschapsplan
BESTEMMINGSPLANHERZIENING BUITENGEBIED NUENEN, NIEUWEDIJK 1
R & S ADVIES
64
5 Milieuaspecten 5.1 Water Per 1 november 2003 is het verplicht om bij ruimtelijke ingrepen de watertoets te doorlopen. Hierin dient inzicht worden geboden in de effecten van het initiatief op de waterhuishouding. In het kader van de watertoets dient de gemeente wateradvies in te winnen bij de waterbeheerder. De gemeente en het waterschap kunnen praktische afspraken maken over de wijze waarop het aspect water in het ruimtelijk plan is opgenomen.
5.1.1 Waterbeheerprogramma 2022-2027 - Water als basis voor een toekomstbestendige leefomgeving. Het water- en bodemsysteem is onontbeerlijk voor een gezonde en leefbare ruimtelijke inrichting van Noord-Brabant. Meer dan ooit is het belangrijk om rekening te houden met het concept van de lagenbenadering om een toekomstbestendige leefomgeving te waarborgen. Door klimaatverandering en ruimtelijke druk, staat immers de veerkracht van het water en bodemsysteem onder druk. De lagenbenadering beschrijft de ruimte in drie lagen. De eerste laag bestaat uit de fysieke ondergrond, het water- en bodemsysteem. De tweede laag bevat netwerken van infrastructuur met onder meer wegen, spoorlijnen en waterwegen. Tot slot de derde laag met de menselijke activiteiten zoals wonen, werken en recreëren en de fysieke neerslag daarvan. Ruimtelijke planning en gebiedsontwikkeling is een proces waarin continu keuzes worden gemaakt. De lagenbenadering helpt in dit keuze- en afwegingsproces en dient als kwaliteitskader voor alle (ruimtelijke) plannen. Elke laag draagt bij aan de ontwikkeling. De lagenbenadering betekent wel dat een onderliggende laag voorwaarden stelt aan andere lagen. Zeker vanuit een perspectief van duurzame ontwikkeling zijn veerkracht en omkeerbaarheid van ingrepen belangrijke gegevenheden.
Met het Waterbeheerprogramma 2022-2027 start Waterschap De Dommel met de ‘watertransitie’; op weg naar een toekomstbestendige waterhuishouding. Uiterlijk in 2050 is de waterhuishouding in ons hele beheergebied toekomstbestendig. Dit betekent een waterhuishouding die in een goede waterkwaliteit voorziet. En een waterhuishouding die robuust, wendbaar en in balans is met de omgeving. Zowel in het bebouwde als het landelijke gebied en van de beekdalen tot en met de hoge zandruggen. Het grond- en oppervlaktewatersysteem kan de grotere weersextremen opvangen door maximaal gebruik te maken van de dempende sponswerking van de bodem/ondergrond en de natuurlijke hoogteverschillen voor het vasthouden van water. We hanteren drie principes die inhoudelijke sturing geven aan de watertransitie: • Elke druppel vasthouden en infiltreren waar deze valt • Functies passen zich aan het bodem- en watersysteem aan • Wat schoon is moet schoon blijven We moeten ons, nog meer dan voorheen, aanpassen aan de veranderende leefomgeving en op zoek gaan naar nieuwe oplossingen en antwoorden. Juist de voor Midden-Brabant zo karakteristieke verwevenheid van bebouwing, landbouw en natuur is een kans om de wateropgaven slim in te passen. Dit vereist een integrale, gebiedsgerichte aanpak samen met alle partijen.
Een gebiedsgerichte aanpak is alleen succesvol als naast de wateropgaven ook de opgaven vanuit natuur, stikstof, economie, landbouwtransitie, energietransitie, biodiversiteit, mobiliteit en woningbouw onderdeel van de aanpak zijn. Niet sectoraal, maar integraal. Alleen dan gaan we oplossingen vinden voor een leefbaar Midden-Brabant met een duurzaam en toekomstbestendig watersysteem dat goed is voor inwoners, bedrijven, landbouw en natuur. De grote uitdaging zit hem vooral in de vraag hoe we dit gaan bereiken. Meer dan voorheen gaan we daarbij:
BESTEMMINGSPLANHERZIENING BUITENGEBIED NUENEN, NIEUWEDIJK 1
R & S ADVIES
65
▪ ▪ ▪
van beekdalgericht naar gebiedsgericht; onze aandacht gaat naast het beekdal ook uit naar de flanken, de hoge zandruggen en bebouwd gebied. van sectoraal naar integraal; samen met overheden en gebiedspartners maken we keuzes over meerdere opgaven in een gebied. van water afvoeren naar elke druppel telt; maximaal water conserveren, minder grondwater gebruiken en slimmer sturen.
5.1.2 Keur Waterschap De Dommel 2015 In de 'Keur Waterschap De Dommel 2015' staan regels (met name geboden en verboden) die het waterschap hanteert bij de bescherming van waterkeringen, watergangen en bijbehorende kunstwerken. Ook zijn er regels voor het onderhoud van sloten, beken en andere waterlopen om de waterafvoer in dit oppervlaktewater te waarborgen. Daarnaast kent de Keur beleidsregels voor het beschermen van bepaalde deelgebieden met elk een eigen beschermingsbeleid. Het gaat hierbij om beschermde gebieden waterhuishouding, beekdalen en attentiegebieden. Met deze beleidsregels wordt aangegeven op welke wijze gebiedsgericht wordt omgegaan met waterbelangen. Realisatie van nieuw verhard oppervlak en het afkoppelen van verhard oppervlak moet op grond van de keur hydrologisch neutraal worden uitgevoerd en optimaal worden ingepast in het bestaande watersysteem. De aanvrager/initiatiefnemer moet daarom voldoende compenserende maatregelen nemen, zodat het oppervlaktewatersysteem na realisatie van de verharding voldoende robuust blijft. Uitgangspunt hierbij vormt de voorkeurstrits “vasthouden-bergen-afvoeren”. Vasthouden kan door hergebruik of door het infiltreren van water in de bodem. In geval niet of onvoldoende kan worden geïnfiltreerd is een aanvullende voorziening noodzakelijk die het water tijdelijk bergt.
BESTEMMINGSPLANHERZIENING BUITENGEBIED NUENEN, NIEUWEDIJK 1
R & S ADVIES
66
5.1.3 Huidige waterhuishoudkundige situatie Ligging en gebruik Het plangebied is gelegen in het landelijk gebied van de gemeente Nuenen en maakt onderdeel uit van het agrarisch gebied. De omgeving is landelijk. Bodem en grondwater De bodem in het plangebied bestaat uit voedsel arme en vochtig tot droge zandgrond en voedsel rijke vochtig tot droge eerdgrond. De grondwaterstanden zijn voor het plangebied globaal als volgt: • Gemiddeld Hoogste Grondwaterstand 60 - 100 cm-mv • Gemiddelde Voorjaarsgrondwaterstand 180 – 250 cm-mv • Gemiddeld Laagste Grondwaterstand 80 – 140 cm-mv • Grondwatertrap VI 40-80 cm meer dan 120 cm + VII 80-140 cm meer dan 120 cm Op basis van bodemgesteldheid en grondwaterstanden kan worden geconcludeerd dat de locatie geschikt is voor de ontwikkeling. Ten opzichte van de bestaande situatie vindt sloop plaats, en wordt een loods gerealiseerd. Bovendien, worden 3 inritten vervangen door groen. Het plangebied wordt deels verhard. Bovendien zal een deel van de verharding vervangen worden door groen. Ten opzichte van de bestaande situatie kan er dus meer regenwater ter plaatse geborgen worden. Grondwaterbescherming Het plangebied is niet gelegen in een waterwingebied, grondwaterbeschermingsgebied of een boringsvrije zone, zoals deze zijn vastgelegd in de Provinciale Milieuverordening (PMV) van de provincie Noord-Brabant.
Oppervlaktewater De projectlocatie is omgeven door (droogvallende) kavelsloten of greppels. Daarnaast stroomt een waterloop met A-status ten zuidwesten van het plangebied. Riolering De bestaande opstallen aan de Nieuwe Dijk 1 zijn voor wat betreft de vuilwaterafvoer aangesloten op de mestkelders. De bedrijfswoning en de recreatiewoning zijn aangesloten op de bestaande riolering (drukriolering) van de gemeente Nuenen. Hemelwater wordt niet afgevoerd naar de riolering, maar via een bedrijfsriolering geleid naar het oppervlaktewater en kan ter plaatse in de bodem infiltreren.
5.1.4
Water in relatie tot de beoogde ontwikkeling
Hydrologisch Neutraal ontwikkelen In het kader van ruimtelijke ontwikkelingen is een watertoets verplicht. Ruimtelijke ontwikkelingen dienen zodanig te worden vormgegeven dat er geen negatieve gevolgen ontstaan voor de plaatselijke waterhuishouding en de waterhuishouding in de omgeving. Zo mag een ruimtelijk plan niet tot een structurele verandering van de grondwaterspiegel leiden of tot een structurele toename van het
BESTEMMINGSPLANHERZIENING BUITENGEBIED NUENEN, NIEUWEDIJK 1
R & S ADVIES
67
afvloeiend hemelwater naar het omliggende watersysteem leiden. Ook mag de kwaliteit van gronden oppervlaktewater niet worden aangetast. Kort gezegd dient een ruimtelijke ontwikkeling zoveel mogelijk ‘hydrologisch neutraal’ te geschieden. Verhard oppervlak De ontwikkeling aan de Nieuwe Dijk zorgt voor een afname van het verhard oppervlak. Dit kan als volgt in beeld worden gebracht: Oppervlakten
Bestaande m²
Toekomstige m²
Bebouwd oppervlak
1.998
1.756
Afname 242 m² bebouwing
Terrein Verharding
2.228
2.436
Toename 208 m² erf-verharding
Totaal
4.226
4.192
Afname 34 m² verhard opp.
In bijlage 2 is een nadere specificatie gegeven de opgegeven oppervlakten aan verharding. Hemelwaterafvoer Het initiatief leidt tot een afname van het verhard oppervlak. Hemelwater van de bestaande bebouwing, evenals de daarbij behorende erfverharding zal, net als in de huidige situatie, infiltreren in het omringende terrein en/of worden geleid naar omliggende sloten greppels. Aangezien de planlocatie in een infiltratiegebied ligt, met voldoende diepe grondwaterstanden is infiltratie van hemelwater in de ondergrond zeer goed mogelijk. Hemelwater mag niet worden afgevoerd via de riolering. Hemelwater dient te worden verwerkt op eigen terrein. Gezien de bodemgesteldheid en grondwaterstanden is hiervoor geen enkele belemmering. De perceel eigenaar is zelf verantwoordelijk voor de verwerking van het hemelwater. Vuilwaterafvoer Met de ontwikkeling is geen toename van de vuilwaterafvoer gemoeid. Er zijn geen capaciteitsproblemen te verwachten op dit vlak. De huidige drukriolering is van voldoende omvang om een eventuele toename van de vuilwaterafvoer aan te kunnen. Waterkwaliteit Zoals in buitengebieden gebruikelijk, zal afvloeiend hemelwater niet worden afgevoerd via de riolering. Hemelwater van daken zal ter plaatse in het milieu worden gebracht.
Voor het waarborgen van een goede grond- en/of oppervlaktewaterkwaliteit is het van groot belang dat oppervlakken waarvan water afstroomt niet worden vervaardigd van uitlogende bouwmaterialen (zoals koper, lood en zink), zonder dat daarbij gebruik wordt gemaakt van een coating. Attentiezone waterhuishouding Het plangebied valt te onderscheiden in twee deelgebieden, enkelbestemming Bedrijf en de enkelbestemming Natuur. Het gehele plangebied is gelegen in de ‘attentiezone waterhuishouding’. Enkel de enkelbestemming Natuur is tevens gelegen in het natuurnetwerk Brabant (NNB).
BESTEMMINGSPLANHERZIENING BUITENGEBIED NUENEN, NIEUWEDIJK 1
R & S ADVIES
68
Binnen de enkelbestemming Bedrijf vindt de herontwikkeling plaats binnen het bestaande bouwvlak dat geheel is bebouwd / verhard behoudens de voor- en achtertuin bij de bedrijfswoning. De ontwikkeling ziet enkel op de sloop van een deel van de voormalige agrarische bebouwing en herbouw van een loods ten behoeve van het hoveniersbedrijf. Per saldo is er sprake van een afname van de oppervlakte bebouwing. Daarentegen wordt de oppervlakte erfverharding vergroot. Dit allemaal binnen het bestaande bouwvlak. Per saldo is er geen sprake van een toename van het verhard oppervlak. Binnen de enkelbestemming Natuur is in de regel opgenomen dat de bouw van een bouwwerk en vergraven van de gronden niet is toegestaan. Enkel ten dienste van de ontwikkeling van het Dommeldal is middels een vergunning de uitvoering van werken mogelijk waarbij de hydrologische en aardkundige waarden zorgvuldig worden afgewogen door bevoegde gezagen (gemeente en waterschap).
Natuur
Bedrijf
Conclusie Het initiatief heeft geen negatieve gevolgen voor de waterhuishouding. Binnen de enkelbestemming Natuur is de activiteit bouwen en uitvoeren van een werk uitgesloten. Enkel ten dienste van de ontwikkeling van de natuur- en hydrologische waarden kan toestemming worden gegeven middels een vergunning met instemming van gemeente en waterschap.
BESTEMMINGSPLANHERZIENING BUITENGEBIED NUENEN, NIEUWEDIJK 1
R & S ADVIES
69
Binnen het bestaande bouwvlak ten dienste van het bedrijf neemt de oppervlakte bebouwing / de totale omvang verhard oppervlak af. De herontwikkeling van het voormalige agrarisch bedrijf heeft geen negatieve gevolgen voor de waterhuishouding.
BESTEMMINGSPLANHERZIENING BUITENGEBIED NUENEN, NIEUWEDIJK 1
R & S ADVIES
70
5.2
Natuur
Sinds 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming van kracht. Deze vervangt 3 wetten; de Natuurbeschermingswet 1998, de Boswet en de Flora- en Faunawet.
5.2.1
Wet natuurbescherming, gebiedsbescherming
De Wet natuurbescherming bevat specifieke regels voor de aanwijzing, het beheer en de bescherming van Natura 2000-gebieden, waaronder een groot aantal gebieden die als essentieel leefgebied dienen voor vogels. Het belangrijkste rechtgevolg van de aanwijzing als Natura 2000-gebied is dat er een vergunningplicht geldt voor alle activiteiten die mogelijk schade kunnen toebrengen aan een gebied. De wet biedt geen bescherming aan andere natuurgebieden, maar vereist wel van provincies dat zij gebieden aanwijzen voor het natuurnetwerk Nederland en verleent hen de bevoegdheid om bijzondere provinciale natuurgebieden en bijzondere provinciale landschappen aan te wijzen. De Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit kan daarnaast op grond van de wet nationale parken aanwijzen die vooral een educatieve en communicatieve functie hebben. De voormalige beschermde natuurmonumenten zijn met bijbehorende doelen opgeheven met de inwerkingtreding van de Wet natuurbescherming. Figuur 18 geeft een overzicht van de ligging van het plangebied ten opzicht van de dichtstbijzijnde Natura2000.
Figuur 18 N2000-gebieden in de omgeving van het plangebied
De bedrijfsbestemming ter plaatse van de Nieuwe Dijk 1 is niet gelegen in een Natura-2000 gebied. Het dichtstbijzijnde N2000-gebied, de Strabrechtse Heide & Beuven is gelegen op circa 9,6 km van het plangebied. De beoogde activiteiten dragen bij aan emissies, die kunnen leiden tot stikstofdepositie. Stikstofdepositie kan leiden tot mogelijk significante negatieve effecten op Natura-2000 gebieden.
BESTEMMINGSPLANHERZIENING BUITENGEBIED NUENEN, NIEUWEDIJK 1
R & S ADVIES
71
Om te beoordelen of er significant negatieve effecten optreden op Natura-2000 gebieden is een Aerius-berekening gemaakt door middel van de Aerius Calculator. Uit de als bijlage 3 toegevoegde stikstofonderbouwing blijkt dat de beoogde ontwikkeling niet leidt tot significante negatieve effecten, of een toename in stikstofdepositie. De beschermingsstatus van de Natura-2000 gebieden staat deze bestemmingsplanherziening niet in de weg.
5.2.2
Wet natuurbescherming, soortenbescherming
De Wet natuurbescherming bevat een algemene zorgplicht voor alle in het wild levende dieren en planten. Daarnaast voorziet de wet in strikte verboden die gelden voor aangewezen beschermde inheemse diersoorten, waaronder alle van nature in Nederland voorkomende soorten vogels. Dit kan om de bescherming van vogels in de tuin als op in een Natura2000 gaan. De wet werkt volgens het 'nee-tenzij' principe ten aanzien van beschermde inheemse soorten: schadelijke handelingen zijn verboden, tenzij er een uitzondering voor is gemaakt. Het is niet toegestaan om vogels te doden, vangen, verwonden, verstoren, bezitten, verhandelen, de nesten en eieren te verstoren of te vernietigen. Uitzonderingen op deze verboden zijn onder voorwaarden mogelijk, onder andere voor veiligheid, schadebestrijding of onderzoek. De wet regelt ook de jacht in ons land. In het kader van het verkennend onderzoek naar beschermde flora- en faunasoorten ter plaatse is de Synbiosys Alterra Effectenindicator geraadpleegd. Uit de effectenindicator blijkt dat ter plaatse van het plangebied, in combinatie met de activiteiten slopen en/of asbest verwijderen, bijbehoren bouwwerk bouwen, handelen in strijd met regels ruimtelijke ordening en uitrit aanleggen of veranderen, Wettelijke beschermde soorten kunnen voorkomen.
Het huidige gebruik van het plangebied is een leegstaande veehouderij met statische opslag en startend hoveniersbedrijf. De beoogde ontwikkeling betreft de sloop van overtollige bebouwing en herbouw van een loods ten behoeve van het hoveniersbedrijf met een versterking van het landschap door de landschappelijke inpassing op het terrein. Middels een ecologische quickscan (november 2023 / addendum december 2023, zie bijlage 4) is de mogelijke aanwezigheid van beschermde flora en fauna in beeld gebracht. Daarnaast zijn de gevolgen afgewogen van de sloop van voormalige agrarische bebouwing op het leefgebied van beschermde planten, vogels en landzoogdieren. Bij eventuele (negatieve) gevolgen voor de aanwezige flora en fauna dient rekening te worden gehouden met eventuele mitigerende maatregelen. Conclusie. Uit de Ecologische Quickscan blijkt dat als gevolg van de wijziging van het gebruik en sloop van voormalige agrarische bebouwing, geen negatieve effecten voor flora- en fauna waarden / beschermde soorten in het kader van de wet natuurbescherming worden verwacht. Er is geen ontheffing nodig in het kader van de Wet Natuurbescherming in het kader van soorten-bescherming.
BESTEMMINGSPLANHERZIENING BUITENGEBIED NUENEN, NIEUWEDIJK 1
R & S ADVIES
72
5.2.3 Natuur Netwerk Brabant Het Natuurnetwerk Brabant is een netwerk van deels bestaande en deels nieuwe natuurgebieden die door ecologische verbindingszones met elkaar verbonden zijn. Op deze manier wordt de biodiversiteit bevorderd. Het Natuurnetwerk Brabant is onderdeel van het Natuurnetwerk Nederland. Het Natuurnetwerk Brabant is gebaseerd op het Natuurbeheerplan. Het Natuurbeheerplan geeft aan waar bestaande en nieuw te ontwikkelen natuur ligt. Daarnaast worden hierin de concrete ambities beschreven. Het perceel 3954 dat wordt ingezet voor natuurontwikkeling valt volledig binnen het Natuur Netwerk Brabant. Het Natuurbeheerplan bestaat uit de beheertypenkaart, de ambitiekaart en 2 kaartlagen voor agrarisch natuurbeheer. De ambitiekaart geeft het gewenste eindbeeld van het Natuurnetwerk Brabant. Uit de ambitiekaart blijkt dat het perceel binnen ‘Zoekgebied Bos 50%’ valt. De beheertypen kaart bevat de actueel voorkomende natuur in Brabant in het veld en vormt de grondslag voor de beheersubsidie in het kader van het subsidiestelsel Natuur en Landschap. Uit de beheertypenkaart voor blijkt dat een deel van het perceel is aangewezen als NNB Kruiden- en faunarijk grasland. Het andere deel is aangewezen als nog om te vormen landbouwgrond naar natuur (inrichting).
Met het deels omzetten van de huidige agrarische bestemming van perceel 3954 naar een natuurbestemming wordt de opgave tot realisatie van het Natuur Netwerk Brabant gerealiseerd nabij Heerendonk. Daarnaast past het binnen de ambities en visies van het Natuurbeheerplan.
Figuur 19a Bestaande bestemming Natuur
BESTEMMINGSPLANHERZIENING BUITENGEBIED NUENEN, NIEUWEDIJK 1
R & S ADVIES
73
Figuur 19b Natuur Netwerk Brabant NNB
Figuur 19c Nieuwe Natuur in NNB
BESTEMMINGSPLANHERZIENING BUITENGEBIED NUENEN, NIEUWEDIJK 1
R & S ADVIES
74
5.3
Geurhinder, omgekeerde werking
De Wet geurhinder en veehouderij vormt vanaf 1 januari 2007 het toetsingskader voor vergunningverlening, als het gaat om geurhinder vanwege dierverblijven van veehouderijen. De Wet geurhinder en veehouderij geeft onder andere normen voor de voorgrondbelasting die een veehouderij mag veroorzaken op een geurgevoelig object (bijvoorbeeld een woning). De voorgrondbelasting is de individuele belasting van een veehouderij op een geurgevoelig object. Voor de geurbelasting voor geurgevoelige objecten gelden wettelijke geurnormen. Voor een concentratiegebied geldt een maximale geurbelasting van 3 odour units per kubieke meter lucht binnen de bebouwde kom en 14 odour units per kubieke meter lucht buiten de bebouwde kom. De gemeente Nuenen heeft in aanvulling op de Wet geurhinder en veehouderij de ‘Verordening geurhinder en veehouderij’ d.d. 13-05-2011 opgesteld. Hierin zijn vaste afstanden opgenomen voor de betrokken veehouderij tot het betreffende geur gevoelige object. De bedrijfsomvang van de betrokken veehouderij mag niet groter zijn dan in onderstaand overzicht is aangegeven: Tabel 1: Afstanden uit de ‘Verordening geurhinder en veehouderij’
Locatie van het betreffende voor geur gevoelige object: Binnen de bebouwde kom Buiten de bebouwde kom Maximaal toegestane bedrijfsomvang voor de betrokken veehouderijen in verband met geurhinder
Afstand van de betrokken veehouderij tot het betreffende voor geur gevoelige object: Minder dan 50 meter
50 tot 100 meter
100 meter of meer
Minder dan 25 meter
25 tot 50 meter
50 meter of meer
Maximaal 0 stuks vee [niet toegestaan]
Maximaal 30 stuks (melk)rundvee (incl. jongvee) of 30 paarden of 50 schapen of een combinatie van dit aantal dieren
Meer dan 30 stuks (melk)rundvee (incl. jongvee) of 30 paarden of 50 schapen of een combinatie van dit aantal dieren toegestaan
Voor onderhavig plan is deze norm dan ook van toepassing. In het kader van een goede ruimtelijke ordening kan medewerking verleend worden indien voldaan wordt aan de volgende voorwaarden: 1. Door de bestemmingsplanherziening worden andere veehouderijen niet benadeeld in hun ontwikkelingsmogelijkheden. 2. Ter plaatse van de geurgevoelige objecten dient sprake te zijn van een acceptabel woon- en verblijfklimaat. Hierbij dient gekeken te worden naar zowel de achtergrond- en voorgrondbelasting. De omliggende veehouderijen mogen geen belemmerende werking hebben op de beoogde ontwikkeling van de bedrijfsbestemming. Bij de bestemmingswijziging moet een aanvaardbaar woonen leefklimaat gewaarborgd kunnen worden. Daarentegen mag de nieuwe bestemming geen
BESTEMMINGSPLANHERZIENING BUITENGEBIED NUENEN, NIEUWEDIJK 1
R & S ADVIES
75
belemmerende werking hebben op de toekomstige ontwikkelingsmogelijkheden van de omliggende bedrijven. Enerzijds is overwogen dat de voor veehouderijen toepasselijke individuele geurnorm niet wordt overschreden. Indien de voor veehouderijen de toepasselijke individuele norm niet wordt overschreden, kan er niet zonder meer van worden uitgegaan dat ter plaatse een aanvaardbaar woonen leefklimaat kan worden gerealiseerd. Inzichtelijk moet worden gemaakt in hoeverre ter plaatse van het plangebied een aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden gerealiseerd. Ook indien in een verordening bepaalde geurnormen zijn vastgelegd, moet inzichtelijk zijn dat de toegestane milieubelasting in overeenstemming is met de uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening aanvaardbare inrichting van het gebied. Hiervoor dient de achtergrondbelasting ter plaatse van het plangebied is onderzocht of berekend te worden. Nu in de omgeving van het plangebied ook andere veehouderijen zijn gevestigd, moet de cumulatie van stankhinder vanwege alle omliggende veehouderijen bij de beoordeling dienen te worden betrokken. De mate waarin sprake is van een goed woon en leefklimaat (10 Ou Voorgrondbelasting / 20 Ou Achtergrondbelasting) kan worden getoetst met behulp van de door het RIVM onderzochte relatie tussen hinder en geurbelasting (zie onderstaande tabel).
Tabel 2: Relatie tussen hinder en geurbelasting VROM 2007b
Voorgrondbelasting In de omgeving van het plangebied zijn verschillende veehouderijen gevestigd. Binnen het plangebied bevinden zich twee geurgevoelige functies. Met het rekenprogramma V-stacks Vergunning is de voorgrondbelasting van de omliggende veehouderijen op de geurgevoelige functies berekend. Geurgevoelige functies Binnen het plangebied bevinden zich twee geurgevoelige functies, te kennen de bedrijfswoning met inpandig kantoor (Nieuwe Dijk 1) en de recreatiewoning. In onderstaande afbeelding zijn de gebruikte coördinaten in het rekenprogramma V-stacks Vergunning weergegeven.
BESTEMMINGSPLANHERZIENING BUITENGEBIED NUENEN, NIEUWEDIJK 1
R & S ADVIES
76
Nieuwe Dijk 1 NO 165 442; 389 640 recreatiewoning Nieuwe Dijk 1 NW 165 455; 389 634
Nieuwe Dijk 1 NO 165 475; 389 655
Nieuwe Dijk 1 ZO 165 482; 389 648
Nieuwe Dijk 1 recreatiewoning NW 165 437; 389 636
Nieuwe Dijk 1 ZW 165 462; 389 627
Nieuwe Dijk 1 recreatiewoning ZW 165 451; 389 621 Nieuwe Dijk 1 recreatiewoning ZO 165 455; 389 625
Figuur 20 Coördinaten geurgevoelige functies
Bronnen In de omgeving van het plangebied zijn verschillende veehouderijen gelegen. Figuur 21 geeft de omliggende veehouderijen weer. (rode cirkel geeft omgevingscontour van 850 m weer).
Figuur 21 Omliggende veehouderijen
BESTEMMINGSPLANHERZIENING BUITENGEBIED NUENEN, NIEUWEDIJK 1
R & S ADVIES
77
Voorgrondbelasting. Onderscheid is gemaakt tussen bedrijven waarvoor vaste afstanden gelden en bedrijven met dieren waarvoor geen vaste afstand gelden. Aan de hand van het aantal Odour Units wordt middels het rekenmodel V-stacks-Vergunning de voorgrondbelasting bepaald. De beoordeling van de voorgrond geurbelasting is nader uitgewerkt in bijlage 7.
f. nieuw g.
Nieuwe dijk 1 Geen Hoveniersbedrijf veehouderij Nieuwe Dijk 1a Melkrundvee
f.
Nieuwe Dijk 2
g.
Nieuwe Dijk 4
50
2,2
2,2
10,0
6,5
6,3
10,0
0,7
0,7
10,0
5,0
8,1
360
750
50 50
740 50
25
25
Voldoet Voldoet Voldoet Voldoet Voldoet Voldoet Voldoet Voldoet
Voldoet 50
290
Vleeskalveren Schapen Varkens Paarden Melkrundvee Fokstieren en overig rundvee Varkens
10,0
Conclusie
Werkelijke afstand
Vaste afstand norm 50
Werkelijke geurbelasting woning (1) (Ou)
Varkens Melkrundvee Vleesstieren Pluimvee d. Hoekstraat 7 Zoogkoeien en jongvee Varkens Paarden e. Nieuwe dijk 1 Varkens bestaand Varkenshouderij Jongvee
Werkelijke geurbelasting recreatiewoning (1b) (Ou)
Broekdijk 18 Broekdijk 20 Broekdijk 24
Ou norm, aanvaardbaar woon- en leefklimaat
a. b. c.
Diercategorie
Adres
Tabel 3 Omliggende veehouderijen
50 50 50
Voldoet
10,0
18,1
17,6
Voldoet niet Voldoet Voldoet Voldoet
10,0
13,6
13,0
Voldoet niet
85 m 83 m 110
BESTEMMINGSPLANHERZIENING BUITENGEBIED NUENEN, NIEUWEDIJK 1
R & S ADVIES
78
h.
Eikelkampen 11
Nertsen
Binnen een straal van 400 meter (Nieuwe Dijk 1) ten opzichte van de inrichting zijn 4 veehouderijbedrijven gelegen waarvoor een vaste afstand geldt. De bedrijven voldoen allen aan de norm vaste afstand. Voor de bedrijven met een variabele afstand, afhankelijk van het aantal geureenheden (odour-units), wordt een goed woon- en leefklimaat gegarandeerd bij een geurbelasting van 10 Ou. Met uitzondering Nieuwe Dijk 2 dragen alle bedrijven in de omgeving bij aan een goed woon- en leefklimaat ten opzichte van de woning Nieuwe Dijk 1 (geurbelasting max. 10 Ou). Het veehouderijbedrijf Nieuwe Dijk 1 resulteert in een voorgrondbelasting van 17,6 Ou, 29% geur gehinderde in een concentratiegebied. Het veehouderijbedrijf Nieuwe Dijk 4 resulteert in een voorgrondbelasting van 13,2 Ou, 25% geur gehinderde in een concentratiegebied. Sanering geurbelasting voormalig eigen veehouderij bedrijf. Door de omschakeling van de voormalige veehouderij naar een hoveniersbedrijf verbetert het woonen leefklimaat ten opzichte van de bedrijfs- en recreatiewoning enorm, nu de stallen op zeer korte afstand (enkele meters) niet meer in gebruik zijn voor het houden van landbouwhuisdieren (varkens). De geurbelasting, voorgrondbelasting van de eigen stallen, daalt van de waarde 6,7 Ou naar 0 Ou.
Ondanks de geurbelasting van het bedrijf aan de overzijde van de weg met een individuele bijdrage van >10 Ou, waarvan de emissiepunten zijn gelegen op ruime afstand ten opzichte van de rundveestallen op > 50 meter afstand en varkensstallen op 90 meter (Nieuwedijk 4) en 155-190 meter (Nieuwedijk 2), verbeterd het woon- en leefklimaat ter plaatse van de bedrijfs- en recreatiewoning Nieuwe Dijk 1. Als gevolg van het beëindigen van de eigen stallen draagt dit fors bij aan een verbetering van het woon- en leefklimaat als gevolg van een forse geurwinst op zeer korte afstand.
Belangen omliggende veehouderij bedrijven. Nu de voormalige agrarische bedrijfswoning Nieuwe Dijk 1 onderdeel heeft uitgemaakt van een veehouderij (varkens) tot na de datum 19 maart 2000, behoudt de voormalige agrarische bedrijfswoning zijn aparte status, dezelfde bescherming als zijnde een veehouderij waardoor er geen sprake is van een maximale geurbelasting van 14 Ou maar volstaat een vaste afstandseis van 50 meter. De afstand van de inrichting aan Nieuwe Dijk 2 en 4 tot de inrichting aan de Nieuwe Dijk 1 bedraagt meer dan 50 meter, waardoor de bedrijven aan de Nieuwe Dijk 2 en 4 niet in haar ontwikkelingsmogelijkheden worden beperkt. De afstand tot de recreatiewoning en bedrijfswoning wordt bovendien niet kleiner en wordt planologisch geborgd door een bestemmingsvlak aanduiding voor het hoofdgebouw/kantoor en recreatiewoning. Conclusie Met uitzondering van de veehouderijbedrijven Nieuwe Dijk 2 en 4 dragen alle omliggende bedrijven bij aan een aanvaardbaar woon- en leefklimaat (voorgrondbelasting maximaal 10 Ou). Het woon en leefklimaat staat de bestemmingswijziging van Agrarisch naar een Bedrijfsbestemming niet in de weg
1
Reeds beëindigd
BESTEMMINGSPLANHERZIENING BUITENGEBIED NUENEN, NIEUWEDIJK 1
R & S ADVIES
79
daar de sanering van de eigen stallen op zeer korte afstand bijdragen aan een forse geurreductie en verbetering van woon- en leefklimaat ter plaatse van de reeds bestaande bedrijfs- en recreatiewoning. Door de bestemmingsplanherziening van de locatie Nieuwe Dijk 1 worden als gevolg van de bestemmingsplanherziening de omliggende bedrijven niet in hun ontwikkelingsmogelijkheden extra beperkt. De vaste afstandseis van 50 meter tot de bedrijfswoning Nieuwe Dijk 1 volstaat ten opzichte van omliggende veehouderij bedrijven daar sprake is van een voormalige agrarische bedrijfswoning behorende tot een veehouderij waarvan de milieuvergunning is ingetrokken na 19 maart 2000 (bron: Wet geurhinder en veehouderij). Achtergrondbelasting. Nu in de omgeving van het plangebied ook andere veehouderijen zijn gevestigd, moet de cumulatie van geurhinder vanwege alle omliggende veehouderijen bij de beoordeling dienen te worden betrokken. De resultaten zijn weergegeven in tabel 4. Afwegingscriteria Het RIVM en GGD en de provincie Noord-Brabant (Iov) hanteren de volgende milieukwaliteitscriteria als relatie tussen de achtergrondbelasting en de geurhinder .
Milieukwaliteit
Achtergrondbelasting (Ou/m³)
Geurgehinderden (%)
zeer goed
<3
<5
goed
3-8
5-10
redelijk goed
8-13
10-15
matig
13-20
15-20
tamelijk slecht
20-28
20-25
Ook in recente jurisprudentie ECLI:NL:RBDHA:2022:9119, september 2022 is de rechtbank van oordeel dat in de gevallen een woning wordt geconfronteerd met een stankoverlast die de 19,4 ou/m³ is gaan overschrijden en waarbij de kwaliteit van het milieu in en rond de woning van het individu dus ‘zeer slecht’ is geworden, geen sprake meer is van een fair balance tussen economische belangen en de gezondheidsbelangen van het individu. In die gevallen is sprake van strijd met artikel 8 EVRM. Berekende achtergrondbelasting De achtergrond geurbelasting is berekend ten opzichte van de bedrijfswoning en recreatiewoning (hoekpunten van de gebouwen) met V-Stacks-Gebied. De inhoudelijke documentatie behorende bij de berekeningen zijn toegevoegd in bijlage 7. Hierbij zijn alle bedrijven aan de Nieuwe Dijk op stalniveau ingevoerd (conform verleende vergunningen). De achtergrondbelasting op de bedrijfswoning Nieuwe Dijk 1 is berekend voor en na de sanering van de varkenshouderij. Uit deze berekeningen blijkt dat de achtergrondbelasting afneemt van 16.29 tot 17.91 naar 13.40 tot 15.20 Ou. Ter plaatse van Nieuwe Dijk 1 en 1b is sprake van een redelijk goed woon- en leefklimaat (achtergrondbelasting <20
OUe/m3) en staat de wijziging naar de bedrijfsbestemming niet in de weg. BESTEMMINGSPLANHERZIENING BUITENGEBIED NUENEN, NIEUWEDIJK 1
R & S ADVIES
80
Het redelijk goed woon- en leefklimaat is in balans tussen de economische belangen en de gezondheidsbelangen van het individu (verblijfsfuncties op de locatie Nieuwe Dijk 1).
Tabel 4 Achtergrondbelasting
recepID XYGeurnorm Geurbelasting coördinaat coördinaat (OU/m³) Bestaande sit. 1 165442 389640 20,00 16,29 2 165455 389625 20,00 17,31 3 165451 389621 20,00 17,54 4 165437 389636 20,00 16,24 5 165475 389655 20,00 17,02 6 165482 389648 20,00 17,91 7 165462 389627 20,00 17,42 8 165455 389634 20,00 16,88
Geurbelasting (OU/m3) Nieuwe sit. 13,84 14,71 14,91 13,80 14,37 15,20 14,81 14,35
Percentage concentratie gebied 16% 17% 17% 16% 17% 17% 17% 17%
Conclusie
De achtergrondbelasting kan worden aangemerkt als een redelijk goed woon- en leefklimaat en is in balans tussen de economische belangen en de gezondheidsbelangen van het individu (verblijfsfuncties op de locatie Nieuwe Dijk 1). De achtergrondbelasting staat de herbestemming niet in de weg.
BESTEMMINGSPLANHERZIENING BUITENGEBIED NUENEN, NIEUWEDIJK 1
R & S ADVIES
81
Samenvatting woon- en leefklimaat. Het woon- en leefklimaat ter plaatse van de planlocatie wordt als goed aangemerkt bij maximaal 20% geur gehinderde (voorgrond belasting 10 Ou en achtergrondbelasting 20 Ou). Ter plaatse van de bedrijfswoning Nieuwe Dijk 1 ten behoeve van het hoveniersbedrijf is sprake van een aanvaardbaar woon en leefklimaat. Enerzijds draagt de achtergrondbelasting van 15,2 Ou bij aan minder dan 20% geur gehinderde (max 20 / 19,4 Ou). De cumulatie van geurhinder als gevolg van alle bedrijven tezamen resulteert in een redelijk goed woon- en leefklimaat en is in balans tussen de economische belangen en de gezondheidsbelangen van de functies op de locatie Nieuwe Dijk 1. Anderzijds dragen alle omliggende veehouderijbedrijven bij aan een voorgrondbelasting van maximaal 10 Ou (goed woon- en leefklimaat), met uitzondering van veehouderijlocaties Nieuwedijk 2 en 4. De voorgrondbelasting betreft de Nieuwe Dijk 2 en 4 op Nieuwe Dijk 1 bedraagt 17,6 respectievelijk 13,2 Ou waar op basis van een goed woon- en leefklimaat een voorgrondwaarde van 10 Ou gewenst is en de norm op basis van de Wet geurhinder en veehouderij / Activiteitenbesluit 14,0 Ou is vastgesteld. Het woon en leefklimaat staat de bestemmingsplanherziening van Agrarisch naar een Bedrijfsbestemming niet in de weg omdat: a.
Als gevolg van de sanering van de eigen stallen op zeer korte afstand bijdragen aan een forse geurreductie van 6,7 naar 0 Ou en dus resulteert in een enorme verbetering van het woonen leefklimaat ter plaatse van de bedrijfs- en recreatiewoning Nieuwe Dijk 1; b. Daarnaast is sprake van een bestaande situatie (bestaande bedrijfswoning en recreatie woning) waarbij de afstand van de bedrijfs- en recreatiewoning tot de bedrijven niet kleiner wordt en geen geurgevoelig object wordt toegevoegd. Om te voorkomen dat de geurhinder situatie verslechterd, is op de verbeelding een ‘bouwvlak aanduiding’ opgelegd op de bedrijfsen recreatiewoning; c. Als gevolg van de bestemmingsplanherziening Nieuwe Dijk 1 worden de omliggende bedrijven niet in hun ontwikkelingsmogelijkheden extra beperkt. De vaste afstandseis van 50 meter tot de bedrijfswoning Nieuwe Dijk 1 volstaat ten opzichte van omliggende veehouderij bedrijven daar sprake is van een voormalige agrarische bedrijfswoning behorende tot een veehouderij waarvan de milieuvergunning is ingetrokken na 19 maart 2000 (bron: Wet geurhinder en veehouderij).
BESTEMMINGSPLANHERZIENING BUITENGEBIED NUENEN, NIEUWEDIJK 1
R & S ADVIES
82
5.4 Geluid 5.4.1 Wegverkeerslawaai Bij de ontwikkeling van nieuwe ruimtelijke functies is het noodzakelijk inzicht te verkrijgen in de mogelijke geluidshinder in het kader van de Wet geluidhinder. Langs alle wegen, wegen met een maximumsnelheid van 30 kilometer per uur en woonerven daargelaten, zijn geluidzones aanwezig waarbinnen de geluidhinder getoetst dient te worden. De maximumsnelheid ter plaatse op de Nieuwe Dijk is 60 km/uur buiten de bebouwde kom. Het wegdek bestaat uit asfalt. De recreatiewoning blijft in de toekomstige situatie gehandhaafd. Doordat de bedrijfswoning inpandig wordt vergroot ten behoeve van woonfunctie c.q. kantoor, worden de contouren van het gevoelig object uitgebreid. Daarnaast heeft de nieuwe functie een grotere verkeersaantrekkende werking ten opzichte van de vigerende situatie, wat hinder kan opleveren in de omgeving. Om dit nader te onderzoeken is door M&A Omgeving een akoestisch onderzoek uitgevoerd. Voor de indirecte hinder is een akoestisch model industrielawaai opgesteld en op enkele relevante waarneempunten doorgerekend. Uit de resultaten blijkt dat op de omliggende woningen, maximaal een geluidniveau van 48 dB(A) optreedt. Dit betekent dat wordt voldaan aan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB(A).
5.4.2 Akoestisch onderzoek industrielawaai Als gevolg van de voorgenomen activiteiten kan er geluidhinder optreden. Om dit nader te onderzoeken is door M&A Omgeving een akoestisch onderzoek uitgevoerd.
De grootste geluidsbronnen binnen de nieuwe bestemming worden als volgt omschreven: • Vertrek en aankomst van personenwagens (personeel/bezoekers caravanstalling/ recreatiewoning), werkbussen, eigen containerwagen (met kraan), externe vrachtwagens, tankwagen, miniloader en tractor/kraan. Voor de aantallen en routen wordt verwezen naar bijlage 5. In het algemeen vertrekt het materieel in de ochtend en keert terug aan het eind van de werkdag. Overdag is éénmaal terugkeer gebruikelijk wanneer een project in de buurt van het bedrijf is. • Werkzaamheden van een kraan op het opslagterrein voor het verzetten van grond, groenafval, klinkers etc. voor de projecten, circa 2 uur per dag. De kraan werkt uitsluitend alleen op maaiveldniveau. Het rijden op bergen grond en zand is niet toegestaan. • Manoeuvreren van de tractor, aanhangers, miniloader, kraan op het terrein in en nabij de loods, maximaal 1,5 uur per dag en 20 minuten in de avondperiode. Er is rekening mee gehouden dat er 2 overheaddeuren open kunnen staan. • Middels externe vrachtwagens leveren van spullen op het voorterrein. Deze worden gelost met een kooiaap of miniloader, maximaal 2 x 0,5 uur per dag. • Middels eigen vrachtwagen lossen van zand, grond, groenafval etc. op achterterrein. Gebruik van een miniloader op het opslagterrein voor het laden en lossen van het benodigde materiaal voor de projecten, circa 2 uur per dag.
De miniloader werkt uitsluitend op maaiveldniveau. Het rijden op bergen grond en zand is niet toegestaan. • Maximaal 1 keer per maand vullen dieseltank.
BESTEMMINGSPLANHERZIENING BUITENGEBIED NUENEN, NIEUWEDIJK 1
R & S ADVIES
83
Het akoestisch rapport opgesteld door M&A Omgeving met kenmerk 222-NND1-i1-v1, laatst gewijzigd 15 juni 2022, is als bijlage 5 aan de toelichting toegevoegd. Op basis van de berekening en de rapportage kan samenvattend gesteld worden dat: • het bedrijf gelijkgesteld kan worden met een milieucategorie 2 bedrijf; • als gevolg van de voorgenomen activiteiten aan de Nieuwe Dijk 1 en 1b, er geen onoverkomelijke knelpunten worden veroorzaakt; • en een goed woon- en leefklimaat voor de omgeving is gewaarborgd.
BESTEMMINGSPLANHERZIENING BUITENGEBIED NUENEN, NIEUWEDIJK 1
R & S ADVIES
84
5.5
Bedrijven en milieuzonering
In de directe omgeving van de locatie Nieuwe Dijk 1, zijn naast veehouderijen nauwelijks andere bedrijfsmatige activiteiten aanwezig. Binnen een straal van 300 meter zijn verschillende bedrijven gelegen die opgenomen zijn in de handreiking “Bedrijven en milieuzonering”. In tabel 5 wordt getoetst aan de richtafstanden zoals opgenomen in de Handreiking Bedrijven en Milieuzonering. Het gebied kenmerkt zich als buitengebied waarvoor richtafstanden voor bedrijfsactiviteiten conform ‘bijlage 1 Bedrijven en milieuzonering’ van toepassing zijn.
Figuur 22: Omliggende bedrijven (straal 300 m)
Tabel 5 Richtafstanden Handreiking Bedrijven en Milieu
Adres
Buitengebied/ Omschrijving Kern
a.
Nieuwe Dijk 2
Buitengebied
Intensieve veehouderij
b.
Nieuwe Dijk 4
Buitengebied
Melkrundvee en vleesvarkens
SBI2008
Grootste Werkelijke Deelconclusie richtafstand afstand tot plangebied 0141, 200 meter 80 meter Voldoet niet 0142, 0143, 0145 0146 0141, 200 meter 26 meter Voldoet niet 0142, 0146
BESTEMMINGSPLANHERZIENING BUITENGEBIED NUENEN, NIEUWEDIJK 1
R & S ADVIES
85
c.
Nieuwe Dijk 4a
Buitengebied
d.
Broekdijk Buitengebied 24
Algemene 4120 0 meter burgerlijke en utiliteitsbouw Vleeskuikens 0141, 200 meter en overig 0142 rundvee
115 meter
Voldoet
230 meter
Voldoet
Uit tabel 5 blijkt dat aan de richtafstanden voor geur niet voldaan wordt voor de inrichtingen aan Nieuwe Dijk 2 en Nieuwe Dijk 4. Daarnaast wordt aan de richtafstanden van geluid en stof niet voldaan voor de inrichting aan Nieuwe Dijk 4. Een onderzoek naar geluid wordt nader toegelicht in paragraaf 5.4.2. Een onderzoek naar stof en geur wordt respectievelijk toegelicht in paragraaf 5.5 en 5.3. Omgekeerde werking Op basis van de VNG-brochure wordt de voorgenomen bedrijfsactiviteiten geschaard onder SBI code 016 plantsoenendiensten en hoveniersbedrijven met een bedrijfsoppervlakte van minder dan 500 m², waarbij een richtafstand van 30 meter voor geur en geluid geldt en 10 meter voor stof en gevaar. De richtafstand voor geluid wordt op alle woningen gehaald. Ditzelfde geldt voor de richtafstand voor stof, geur en gevaar. De richtafstand voor geur en geluid wordt enkel niet gehaald op het gekoppelde bouwvlak van Nieuwe Dijk 4. Op deze locatie bevindt zich een verloederde kippenstal. Deze stal is niet meer in gebruik. Op het gekoppeld bouwblok zijn ook geen dieren vergund. De gebouwen op het gekoppeld bouwvlak zijn vergund als opslag/berging. De voorgevellijn aan Nieuwe Dijk 1 betreft een bestaande voorgevellijn die in de toekomstige situatie niet verplaatst zal worden.
In de toekomstige situatie zal ter plaatse van het gekoppeld bouwvlak Nieuwe Dijk 4 derhalve geen dieren vergund kunnen worden. Verwacht kan worden dat geur en geluid geen negatief effect heeft op de inrichting aan Nieuwe Dijk 4.
BESTEMMINGSPLANHERZIENING BUITENGEBIED NUENEN, NIEUWEDIJK 1
R & S ADVIES
86
5.6 Luchtkwaliteit De Eerste Kamer heeft op 9 oktober 2007 het wetsvoorstel voor de wijziging van de Wet milieubeheer goedgekeurd (Stb. 2007, 414) en vervolgens is de wijziging op 15 november 2007 in werking getreden. De wet vervangt het Besluit Luchtkwaliteit 2005. Vooral paragraaf 5.2 uit genoemde wet is veranderd. Omdat 5.2 handelt over luchtkwaliteit staat de nieuwe 5.2 bekend als de ‘Wet luchtkwaliteit’. De Wet luchtkwaliteit introduceert het onderscheid tussen ‘kleine’ en ‘grote’ projecten. Kleine projecten dragen ‘niet in betekende mate’ (NIBM) bij aan de luchtkwaliteit. Een paar honderd grote projecten dragen juist wel ‘in betekende mate’ bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Het gaat hierbij vooral om bedrijventerreinen en infrastructuur (wegen). Wat het begrip ‘in betekende mate’ precies inhoudt, staat in een Algemene Maatregel van Besluit (AMvB). Op hoofdlijnen komt het erop neer dat ‘grote’ projecten die jaarlijks meer dan 3 procent bijdragen aan de jaargemiddelde norm voor fijn stof en stikstofdioxide (1,2 microgram per m3) een ‘betekenend’ negatief effect hebben op de luchtkwaliteit. ‘Kleine’ projecten die minder dan 3 procent bijdragen, kunnen doorgaan zonder toetsing. Dat betekent bijvoorbeeld dat lokale overheden een woonwijk van minder dan 1.500 huizen niet hoeven te toetsen aan de normen voor luchtkwaliteit.
Deze kwantitatieve vertaling naar verschillende functies is neergelegd in de Regeling ‘niet in betekenende mate bijdragen’. Het toetsingskader voor luchtkwaliteit wordt gevormd door de Wet milieubeheer luchtkwaliteitseisen 2007 (ook wel Wet luchtkwaliteit, Wlk). De Wlk bevat grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijn stof, lood, koolmonoxide en benzeen. Hierbij zijn in de ruimtelijke ordeningspraktijk langs wegen met name de grenswaarden voor stikstofdioxide (jaargemiddelde) en fijn stof (jaar- en daggemiddelde) van belang en rond veehouderijen uitsluitend de grenswaarden voor fijn stof. De grenswaarden zijn in onderstaande tabel weergegeven. De grenswaarden gelden voor de buitenlucht, met uitzondering van een werkplek in de zin van de Arbeidsomstandighedenwet. Tabel 6: Grenswaarde PM10
Stof PM10
Toetsing van Jaargemiddelde concentratie 24-uur gemiddelde concentratie
Grenswaarde 40 μg/m³ Max. 35 keer p.j. meer dan 50 μg/m³
Bij de beoordeling hiervan blijven de aanwezige concentraties van zeezout buiten beschouwing (volgens de bij de Wlk behorende Regeling beoordeling Luchtkwaliteit 2007).
Rekenmodel ISL3A Het rekenmodel ISL3a (Implementatie Standaardrekenmethode Luchtkwaliteit 3) is gebaseerd op het Nieuw Nationaal Model (NNM). Het model rekent volgens Standaard rekenmethode 3 (SRM3). Dit ligt vast in de Regeling Beoordeling Luchtkwaliteit 2007 (RBL 2007). U kunt het programma gebruiken om de gevolgen van (agrarische en industriële) punt- en oppervlaktebronnen op de luchtkwaliteit in de omgeving te berekenen. Het model is in opdracht van het toenmalige Ministerie van VROM door KEMA ontwikkeld. Het rekenmodel ISL3a (Implementatie Standaardrekenmethode Luchtkwaliteit 3) is gebaseerd op het Nieuw Nationaal Model (NNM). Het model rekent volgens Standaard rekenmethode 3 (SRM3). Dit ligt vast in de Regeling Beoordeling Luchtkwaliteit 2007 (RBL 2007). Men kan het programma gebruiken om de gevolgen van (agrarische en industriële) punt- en oppervlaktebronnen op de luchtkwaliteit in de omgeving te berekenen. Het model is in opdracht van het toenmalige Ministerie van VROM door KEMA ontwikkeld.
BESTEMMINGSPLANHERZIENING BUITENGEBIED NUENEN, NIEUWEDIJK 1
R & S ADVIES
87
Voor de beoogde gronden zijn de dichtstbijzijnde, zijnde fijnstof uitstotende agrarische, bedrijven in het rekenmodel ingevoerd voor een locatie specifieker resultaat. Ten opzichte van de geur uitstotende bedrijven, betreft het voor fijnstof uitstotende veehouderijen een uitbreiding, namelijk: -
Broekdijk 18 varkenshouderij Broekdijk 20 melkveehouderij Broekdijk 24 pluimveehouderij en fokstieren Nieuwe Dijk 2 varkenshouderij, vleeskalveren (feitelijk niet aanwezig), schapen en paarden Nieuwe Dijk 4 varkenshouderij, melkveehouderij Hoekstraat 7 varkenshouderij, zoogkoeien en vrouwelijk jongvee, en paarden
In onderstaande overzicht zijn de resultaten weergegeven per coördinaat van de hoeken van het betreffende grondgebied (zie figuur 20). Tabel 7 Luchtkwaliteit planlocatie
Rectorpunt Nieuwe Dijk 1, recreatiewoning NO Nieuwe Dijk 1 recreatiewoning ZO Nieuwe Dijk 1 recreatiewoning ZW Nieuwe Dijk 1 recreatiewoning NW Nieuwe Dijk 1 NO Nieuwe Dijk 1 ZO Nieuwe Dijk 1 ZW Nieuwe Dijk 1 NW
PM10 18,10
Dagen 6,3
Norm PM10 31,2 – 40 μg/m³
Norm dagen 35
18,22
6,5
31,2 – 40 μg/m³
35
18,26
6,5
31,2 – 40 μg/m³
35
18,13
6,4
31,2 – 40 μg/m³
35
18,01 18,07 18,21 18,15
6,3 6,4 6,4 6,3
31,2 – 40 μg/m³ 31,2 – 40 μg/m³ 31,2 – 40 μg/m³ 31,2 – 40 μg/m³
35 35 35 35
PM 2.5 Uit RIVM-onderzoek (RIVM-onderzoek en onderzoek van ASG ,Rapport 195) blijkt dat de relatie tussen PM10 en PM2.5 dat: de kans op een overschrijding van de jaargemiddelde concentratie PM2.5 kleiner is dan 1% bij een jaargemiddelde concentratie PM10 van 32,5 μg/m3. De grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie PM2.5 is 25 μg/m3. Bij een jaargemiddelde concentratie PM10 van 32,5 μg/m3 en hoger vindt overschrijding van de dagnorm plaats. Wordt er voldaan aan de maatgevende grenswaarde voor PM10 dan wordt tevens voldaan aan de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie PM2.5. Uit bovenstaande beschrijving en de PM10 concentratie van (max.) 18,26 μg/m³ kan geconcludeerd worden dat er tevens aan de grenswaarde PM2.5 wordt voldaan. Conclusie: Uit tabel 7 kan worden opgemaakt dat ter plaats van de beoogde gronden sprake is van een goed woon- en leefklimaat ten aanzien van het thema luchtkwaliteit (bijlage 6)
BESTEMMINGSPLANHERZIENING BUITENGEBIED NUENEN, NIEUWEDIJK 1
R & S ADVIES
88
5.7
Bodemkwaliteit
De bodemkwaliteit is in het kader van de Wro van belang indien er sprake is van functieveranderingen en / of een ander gebruik van de gronden. De bodem moet geschikt zijn voor de functie. Mocht er een verontreiniging te verwachten zijn dan wel mocht deze feitelijk aanwezig zijn, dan dient inzichtelijk gemaakt te worden dat na vaststelling van het plan de beoogde oplossing om dit probleem aan te pakken (milieu)technisch haalbaar is en dat er voldoende budget beschikbaar is. Het bestaande bouwvlak ter plaatse van de Nieuwe Dijk 1 en 1b wordt beperkt en was reeds geschikt voor bebouwing ten behoeve van de veehouderij. Op grond van de jurisprudentie is een bodemonderzoek vereist indien sprake is van een ruimte waar per dag gedurende meer dan 2 uur mensen verblijven. Het betreft hier onder andere woningen, kantoorruimtes en (zorg) instellingen. Daarnaast is een bodemonderzoek vereist indien uit de gemeentelijke of provinciale administratie blijkt dat sprake is van een verontreinigde situatie. Op basis van de huidige bestemming valt niet te verwachten dat er sprake is van een verontreinigde situatie. Daarnaast verblijven er ten hoogste één uur per dag medewerkers van het hoveniersbedrijf in de kantine. De bedrijfswoning is reeds bestaand, er wordt kantoorruimte toegevoegd binnen de woning. Omdat het gebruik binnen de bedrijfswoning niet wijzigt, wordt een bodemonderzoek niet vereist.
5.8
Externe veiligheid
Onder externe veiligheid verstaat men het beheersen van risico’s die direct of indirect voortvloeien uit de opslag, de productie, het gebruik en het vervoer van gevaarlijke stoffen. Het risico is daarbij gedefinieerd als ‘de kans op overlijden’ voor personen. De aanwezige risico’s zijn zeer afhankelijk van het brontype. De relevante typen zijn: risicovolle inrichtingen, vervoer van gevaarlijke stoffen (per spoor, over de weg en het water) en kabels en leidingen. Deze aspecten worden in de navolgende (sub)paragrafen nader toegelicht. Ten aanzien van risico’s wordt onderscheid gemaakt tussen het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR): Plaatsgebonden risico Overschrijding van de grenswaarde PR 10-6/jaar is altijd onacceptabel. Bij de overschrijding van de richtwaarde PR 10-6/jaar is een onderscheid gemaakt tussen nieuwe en bestaande situaties. Bij bestaande situaties worden overschrijdingen van de richtwaarde gedoogd. Dit is gedaan omdat het oplossen van dergelijke situaties de financiële draagkracht van de gemeente te boven gaat. Bij nieuwe situaties geldt dat de omgang met de richtwaarde gekoppeld is aan het gebiedstype.
Groepsrisico Uitgangspunt is dat er altijd een groepsrisicoverantwoording moet plaatsvinden indien er een besluit wordt genomen, waarbij (beperkt) kwetsbare objecten aanwezig zijn binnen het invloedsgebied van risicovolle inrichtingen of risicovolle infrastructuur.
BESTEMMINGSPLANHERZIENING BUITENGEBIED NUENEN, NIEUWEDIJK 1
R & S ADVIES
89
In deze beleidsvisie wordt ervoor gekozen om de verplichte verantwoording van het groepsrisico aan te grijpen om: -
externe veiligheidsrisico’s vroeg in het planproces te betrekken. Hierdoor wordt een versnipperde aanpak voorkomen; de besluitvorming te verbreden tot een afweging van nut en noodzaak; maatregelen op de agenda te krijgen om risico’s te beperken, de zelfredzaamheid te verhogen en de mogelijkheden van de hulpdiensten te bevorderen.
5.8.1 Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) Op 27 oktober 2004 is het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) in werking getreden. Met het besluit wordt beoogd een wettelijke grondslag te geven aan het externe veiligheidsbeleid rondom risicovolle inrichtingen. Het doel van het besluit is de risico’s waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle inrichtingen tot een aanvaardbaar minimum te beperken. Het besluit bevat eisen voor het PR en regels voor het GR.
5.8.2 Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) Het externe veiligheidsbeleid bij buisleidingen waardoor gevaarlijke stoffen worden vervoerd is sinds 1 januari 2011 vastgelegd in het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). In dit besluit is vastgelegd hoe gemeenten moeten omgaan met de externe veiligheid van buisleidingen bij het vaststellen van ruimtelijke besluiten.
5.8.3 Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) Het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) waarborgt een basisbeschermingsniveau door te voorkomen dat bij ruimtelijke ontwikkelingen mensen worden blootgesteld aan een hoger risico vanwege het vervoer van gevaarlijke stoffen dan maatschappelijk aanvaardbaar wordt geacht. Het besluit van 11 november 2013 bevat eisen voor het PR en regels voor het GR.
5.8.4 Beoordeling plangebied De beoogde ontwikkeling voorziet in een bestemmingsplanherziening. Als gevolg van de voorgenomen ontwikkelingen zullen er geen kwetsbare objecten worden toegevoegd. Daarnaast bevindt het plangebied zich in een groen gebied(buiten 30 meter van het spoor en de Rijkswegen), zie figuur 23. Inventarisatie risicobronnen Met behulp van de nationale risicokaart is gekeken, welke risicobronnen in de nabijheid van het plangebied zijn gelegen. Een uitsnede van de risicokaart met het plangebied vindt u hieronder. Het plangebied is met een rode pijl aangewezen.
BESTEMMINGSPLANHERZIENING BUITENGEBIED NUENEN, NIEUWEDIJK 1
R & S ADVIES
90
Figuur 23 Uitsnede risicokaart externe veiligheid
Rondom het plangebied zijn nagenoeg geen gevaarlijke locaties aanwezig. In de vorm van onderwijsinstelling en een hotelpension, zijn er enkele kwetsbare objecten aanwezig. In principe heeft de aanvrager geen enkele verantwoordelijkheid m.b.t. de veiligheidsrisico’s van deze instellingen. Risicovolle infrastructuur (Bevb) Onder ‘risicovolle infrastructuur’ worden de invloedsgebieden van snelwegen, ondergrondse buisleidingen of spoorwegen verstaan. In de gemeente Nuenen zijn dit bijvoorbeeld diverse buisleidingen en enkele rijks- en provinciale wegen. Op ca. 1.500 meter bevindt zich een defensieleiding van Defensie Pijpleiding Organisatie. Door het feit dat deze leiding een PR 10-6 contour van 0 meter heeft, vormt het geen belemmering voor het realiseren van de bestemmingsplanherziening . Bedrijven Het Bevi en de bijbehorende regeling externe veiligheid inrichtingen (REVI) zijn op 27 oktober 2004 in werking getreden. Het BEVI legt veiligheidsnormen op aan bedrijven die een risico vormen voor personen buiten het bedrijfsterrein. Vastgesteld dient te worden of het plangebied gelegen is binnen de veiligheidscontour van bestaande inrichtingen. De inrichtingen zijn weergegeven op de risicokaart van de provincie Noord-Brabant.
Het plangebied is op de risicokaart van de provincie Noord-Brabant niet aangewezen als gelegen in een risicogebied van een bedrijf met betrekking tot de externe veiligheid. Spoorwegen Op circa 5 km ten zuiden van het plan ligt de spoorweg ’Eindhoven – Roermond’. Deze spoorweg maakt onderdeel uit van het Basisnet voor het vervoer van gevaarlijke stoffen. Uit de Regeling basisnet volgt dat deze spoorweg geen PR 10-6 contour of plasbrandaandachtsgebied heeft. Gezien de grote afstand
BESTEMMINGSPLANHERZIENING BUITENGEBIED NUENEN, NIEUWEDIJK 1
R & S ADVIES
91
van het plangebied tot aan het spoor (ca. 5 km), heeft deze ontwikkeling geen significante invloed op het GR. Met de Veiligheidsregio is afgesproken geen advies te vragen en aanvullende eisen te stellen bij plannen buiten 325 meter van een transportroute. Een eventuele nadere verantwoording van het GR is daarom niet nodig. Wegen Op circa 4,4 km ten westen van het plangebied bevindt zich de A50: afrit 10 (Eerde) – A58 (Eindhoven) met daarover transport van gevaarlijke stoffen. Deze weg is onderdeel van het Basisnet voor het vervoer van gevaarlijke stoffen. Uit de Regeling basisnet blijkt dat dit traject van de A50 geen PR 10-6contour en/of plasbrandaandachtsgebied heeft. Aangezien de ontwikkeling geen publiekstrekkende werking heeft zal het Groepsrisico als gevolg van deze ontwikkeling onveranderd blijven. Conclusie Geconcludeerd kan worden dat er vanuit het oogpunt van externe veiligheid, vanwege transport van gevaarlijke stoffen geen belemmeringen bestaan voor een goed woon- en leefmilieu.
BESTEMMINGSPLANHERZIENING BUITENGEBIED NUENEN, NIEUWEDIJK 1
R & S ADVIES
92
5.9
Gezondheid
Als door het in werking zijn van een inrichting risico's voor de volksgezondheid kunnen ontstaan, moeten deze risico’s bij de beoordeling van een bestemmingsplan worden meegenomen. Op 7 juli 2016 is het onderzoek 'Veehouderij en Gezondheid Omwonenden gepubliceerd (RIVM rapport, kenmerk 2015 – 0058, 5 juli 2016,hierna ‘ VGO-onderzoek'). Het doel van het VGO-onderzoek was om meer duidelijkheid te verkrijgen over mogelijke gezondheidseffecten van de veehouderij op de gezondheid van omwonenden, vooral infectieziekten en luchtwegaandoeningen in relatie tot luchtverontreiniging (zoals fijnstof en endotoxinen). Het VGO-onderzoek richtte zich op mogelijke verbanden tussen stoffen en micro-organismen van veehouderijen en gezondheidseffecten. De bevindingen van dit VGO-onderzoek hebben aanleiding gegeven voor vervolgonderzoek. Als vervolg hierop is op 16 juni 2017 het onderzoek “Veehouderij en Gezondheid Omwonenden (aanvullende studies). Analyse van gezondheidseffecten, risicofactoren en uitstoot van bioaerosolen” gepubliceerd (RIVM-rapport 2017-0062, hierna VGO+-onderzoek). In deze studies zijn een aantal mogelijke relaties tussen veehouderij en gezondheidseffecten geconstateerd: - Rondom pluimvee- en geitenhouderijen hebben mensen een grotere kans op een longontsteking. Bij pluimveehouderijen zijn er sterke aanwijzingen dat de emissie van fijn stof hierbij een belangrijke rol speelt.