BP Beekstraat 48, uitbreiding manege Hooidonk - Toelichting
Tekst van het document
De goothoogte van de bestaande rijhal is reeds de minimale netto hoogte, zoals deze voor de binnenbak is vereist. Het is namelijk niet wenselijk dat paarden door een te lage bouwhoogte gehinderd of geblesseerd worden. Daarom is het noodzakelijk dat de bouwhoogte met 10 % verhoogd wordt. De hogere bouwhoogte is daarbij van ondergeschikt belang en niet storend in de omgeving, mede gezien de positie van de nieuwe rijhal, vanuit de weg gezien achter de buitenrijbak, achter de woning met groen en achter de bestaande bedrijfsgebouwen liggend.
22 Toelichting bestemmingsplan Beekstraat 48, Nuenen
4 Omgevingsaspecten In dit hoofdstuk worden alle relevante omgevingsaspecten benoemd. Doel van dit hoofdstuk is om aan te tonen dat de ontwikkeling past binnen een goede ruimtelijke ordening, een goed woon- en leefklimaat en de ontwikkeling wordt getoetst aan milieutechnische aspecten.
4.1 Vormvrije m.e.r-beoordeling Ingevolge het Besluit m.e.r. wordt getoetst of het bestemmingsplan voorziet in, of een kader vormt voor, activiteiten die (mogelijk) belangrijke nadelige gevolgen kunnen hebben voor het milieu. Hiervoor zijn in de bijlage bij het Besluit m.e.r. lijsten opgenomen waarin activiteiten zijn aangewezen die belangrijke nadelige gevolgen kunnen hebben voor het milieu (lijst C) of ten aanzien waarvan het bevoegd gezag moet beoordelen of zij belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben (lijst D). In de lijsten zijn (indicatieve) drempelwaarden opgenomen. Indien een activiteit een omvang heeft die onder de grenswaarden ligt, dient op grond van de selectiecriteria in de Europese richtlijn milieubeoordeling te worden vastgesteld of belangrijke nadelige gevolgen van de activiteit voor het milieu kunnen worden uitgesloten. Pas als dat het geval is, is de activiteit niet plan MER-plichtig. De criteria als bedoeld betreffen: ▪ De kenmerken van de activiteit (onder andere omvang en cumulatie); ▪ De plaats waar de activiteiten worden verricht (de kenmerken van het plangebied in relatie met de kwetsbaarheid van de omgeving); ▪ De kenmerken van de gevolgen van de activiteit (mogelijk effecten van de activiteit, onder andere bereik, waarschijnlijkheid en omkeerbaarheid).
Kenmerken van de activiteit Het planvoornemen voorziet in een verandering van een bouwvlak van een bestaande manege ten behoeve van de bouw van een overdekte rijbak. De wijziging van het bouwvlak is noodzakelijk om de voorzieningen legaal te realiseren. De ontwikkeling in het plangebied valt onder categorie D14 van het besluit milieueffectrapportage. De drempelwaarde voor het oprichten, wijzigen of uitbreiden van een installatie voor het fokken, mesten of houden van dieren ligt op 100 paarden en pony’s, waarbij het aantal bijbehorende dieren in opfok jonger dan 3 jaar niet wordt meegeteld. Het initiatief blijft hier met het houden van 81 paarden ver onder. Bovendien is het aantal paarden in de regels indirect geborgd, doordat een toename in stikstofdepositie ten opzichte van de bestaande situatie niet is toegestaan binnen het betreffende bestemmingsplan, zie artikel 3.3.4 van de regels. Er geldt derhalve geen plan MER-plicht. Wel dient er door het college van burgemeester en wethouders voorafgaand aan het besluit op het ontwerpbestemmingsplan een m.e.r.-beoordelingsbesluit te worden genomen. Plaats waar de activiteit wordt verricht Het plangebied is gelegen in het buitengebied, ten oosten van de kern Nuenen. Een uitgebreidere omschrijving van de ligging van het plangebied is opgenomen in hoofdstuk 1 en 2 van deze toelichting.
Het plangebied betreft een bestaand bouwperceel met de bestemming ‘Sport – Manege’, waarbij in de directe omgeving diverse andere bedrijfspercelen, enkele maatschappelijke percelen, enkele woonpercelen en bos zijn gelegen. Het plangebied is niet gelegen binnen de natuurgebieden (zie hoofdstuk 3) en ook niet binnen een Natura 2000gebied, of in de nabijheid daarvan (zie hoofdstuk 4). Gezien de afstand tot de beschermde gebieden en beperkte beoogde ontwikkelingen (beperkte vergroting van een bestaand bouwvlak ten behoeve van de ontwikkeling van een nieuwe overdekte rijbak), kan gesteld worden dat er geen effecten op kwalificerende habitats en het natuurnetwerk zullen optreden door de vaststelling van voorliggend bestemmingsplan voor de locatie. Gezien de aard van de ontwikkeling, de van oorsprong aanwezige functies in het plangebied en de reeds aanwezige functies in de omgeving van de meest nabijgelegen natuurlijke elementen kan gesteld worden dat er geen nadelige effecten op de realisering van het natuurnetwerk zullen optreden door het planvoornemen. Verderop in het hoofdstuk is eveneens beoordeeld dat er geen effecten op kwalificerende soorten zijn te veronderstellen. Kenmerken van de gevolgen van de activiteit Alle relevante milieuaspecten zijn in het kader van dit bestemmingsplan in dit hoofdstuk uitvoerig onderzocht en nader beschreven.
Hieruit zijn geen belangrijke nadelige milieueffecten naar voren gekomen die een belemmering kunnen opleveren voor het planvoornemen. Daarnaast levert het initiatief een bijdrage aan het realiseren van de gemeentelijke visie voor het gebied, hetgeen als gewenste ontwikkeling mag worden beschouwd.
23 Toelichting bestemmingsplan Beekstraat 48, Nuenen
Conclusie Door de aard en kleinschaligheid van het planvoornemen wordt niet verwacht dat negatieve effecten zullen optreden door de voorgenomen ontwikkelingen op in de directe omgeving aanwezige waarden en belangen of op aanwezige beschermde gebieden en soorten. Het plan is niet binnen een kwetsbaar of waardevol gebied gelegen en heeft ook geen belangrijke nadelige milieugevolgen voor de omgeving. Op basis hiervan kan geconcludeerd worden dat het milieubelang van de in dit plan besloten ontwikkeling in voldoende mate is afgewogen en dat er geen nadelige effecten zijn te verwachten. De in voorliggend bestemmingsplan besloten ontwikkeling in het betreffende gebied is niet m.e.r.-beoordelingsplichtig. Deze toelichting kan worden beschouwd als een vormvrije m.e.r.-beoordeling op basis waarvan het college een besluit kan nemen.
4.2 Milieuaspecten In dit hoofdstuk worden alle relevante milieuaspecten en overige sectorale aspecten benoemd. De beoogde ontwikkeling wordt aan deze aspecten getoetst.
4.2.1
Bodem
De Wet bodembescherming (Wbb) stelt dat bij ruimtelijke ontwikkelingen de kwaliteit, maar ook verdachte plekken van de bodem inclusief het grondwater in kaart dienen te worden gebracht in het kader van een goede ruimtelijke ordening. De Wbb is op 1 januari 1987 in werking getreden en vervolgens door vertaald in diverse besluiten en regelingen, zoals het Besluit ruimtelijke ordening. Op last hiervan dient de bodemkwaliteit op gemeentelijk niveau vervat te worden in de bestemmingsplannen. Uitgangspunt is dat de aanwezige bodemkwaliteit past bij het huidige én toekomstige gebruik van die bodem. De bodemkwaliteit als gevolg van eventueel aanwezige bodemverontreiniging mag geen onaanvaardbaar risico opleveren voor de gebruikers van de bodem. Bovendien mag de bodemkwaliteit niet verslechteren. Indien de bodemkwaliteit (humane) risico’s met zich mee brengt of er sprake is van een spoedeisend geval van bodemverontreiniging kan de ontwikkeling voor bepaalde nieuwe functies geen doorgang vinden tot de risico’s zijn beheerst of weggenomen door sanering. De beoogde rijhal wordt gebouwd aansluitend aan de bestaande bebouwing. Ter plaatse van de beoogde rijhal is in de bestaande situatie al een longeercirkel en deel van een buitenbak aanwezig, waar mensen twee uur over langer per dag verblijven.
Er mag dus worden aangenomen dat de aanwezige bodemkwaliteit ter plaatse past bij de huidige en toekomstige gebruik van de bodem. Aangezien er met het initiatief echter een nieuw gebouw wordt opgericht dient er in het kader van de Woningwet en de bouwverordening desondanks een bodemonderzoek uitgevoerd te worden voor de aanvraag omgevingsvergunning bouw. In de rijhal vinden in de beoogde situatie geen bodembedreigende activiteiten plaats. Derhalve zal het initiatief geen negatief effect hebben op de aanwezige bodemkwaliteit.
4.2.2
Geluid
In paragraaf 4.6.1. ‘Bedrijven en milieuzonering’ zijn de afstanden tussen milieubelastende activiteiten en gevoelige functies beoordeeld om vast te stellen dat er sprake is van een aanvaardbaar en gewaarborgd woon- en leefklimaat in het kader van een goede ruimtelijke ordening op grond van de Wet ruimtelijke ordening. In deze paragraaf wordt getoetst of wordt voldaan aan Wet geluidhinder (hierna Wgh), die op 1 januari 2007 (gewijzigd) in werking is getreden. Deze wet beschermt geluidgevoelige bestemmingen tegen geluidhinder van geluidsbronnen: wegverkeer, spoorwegen, industrie en luchtvaart. Door middel van zonering worden grenzen aangehouden waarmee geluidgevoelige objecten worden beschermd. De zonering betreft een afstand, uitgaande van een geluidsbron, waarbinnen het normenstelsel uit de Wgh van toepassing is. Voor de beoogde ontwikkeling zijn de volgende vragen van belang om te toetsen of voldaan wordt aan het aspect geluid: 1. Is er sprake van nieuwe geluidgevoelige objecten in de zin van de Wgh? Indien het antwoord hierop nee is, dan is verder onderzoek naar geluidoverlast op grond van de Wgh niet van toepassing. 2. Zo ja, is er dan sprake van geluidsoverlast: a. door wegverkeerslawaai? b. van een spoorweg? c. door de luchtvaart? d. van industrie ? 3. Welk effect heeft het plan op de omgeving?
24 Toelichting bestemmingsplan Beekstraat 48, Nuenen
Geluidgevoelige objecten Allereerst dient te worden vastgesteld of er sprake is van geluidgevoelige objecten die op grond van de Wgh beschermd dienen te worden. De Wet geluidhinder beschermt de volgende objecten: ▪ woningen; ▪ andere geluidsgevoelige gebouwen (o.a. onderwijsgebouwen, ziekenhuizen en verpleeghuizen, verzorgingstehuizen, psychiatrische inrichtingen en kinderdagverblijven); ▪ geluidsgevoelige terreinen. De beoogde ontwikkeling betreft het toevoegen van een rijhal met binnenrijbak, waarvoor het bouwvlak wordt uitgebreid. De bedrijfswoning binnen het plangebied blijft ongewijzigd aanwezig en is reeds getoetst in het vigerende bestemmingsplan. Aangezien er geen geluidgevoelige objecten worden toegevoegd is een onderzoek naar geluidsoverlast in de zin van de Wgh niet van toepassing. In de directe omgeving van het plangebied zijn de volgende geluidgevoelige objecten gelegen: ▪ Beekstraat 50 – bedrijfswoning, gelegen op een afstand van circa 30 meter van het bouwvlak; ▪ Oude Landen 8 – burgerwoning, gelegen op een afstand van circa 125 meter vanaf het bouwvlak; ▪ Ouwlandsedijk 27 – school, gelegen op een afstand van circa 125 meter vanaf het bouwvlak. Wegverkeerslawaai Aangezien er geen geluidgevoelige objecten worden toegevoegd is een onderzoek naar wegverkeerlawaai niet van toepassing.
Het effect voor de geluidgevoelige objecten in de omgeving wordt in de paragraaf ‘Effect op de omgeving’ nader toegelicht. Spoorweg In de omgeving van het plangebied is geen spoorweg gelegen. Er worden geen geluidgevoelige objecten toegevoegd. Dit is dus niet relevant voor beoogde ontwikkeling. Luchtvaart Het plangebied is niet gelegen in een geluidzone met betrekking tot de luchtvaart. Er worden geen geluidgevoelige objecten toegevoegd.De beoogde ontwikkeling zal derhalve geen geluidoverlast ondervinden door de luchtvaart . Industrie In de directe omgeving van het plangebied is geen industrie aanwezig. Eer worden geen geluidgevoelige objecten toegevoegd. Derhalve zal er geen geluidsoverlast zijn met betrekking tot de industrie. De beoogde ontwikkeling betreft het toevoegen van een rijhal met binnenrijbak ten behoeve van een manege, waarvoor het bouwvlak wordt uitgebreid. Dit betreft een geluidsbron. De wet stelt dat in principe de geluidsbelasting op de gevel van woningen niet hoger mag zijn dan de voorkeursgrenswaarde (48 dB), dan wel een nader bepaalde waarde (hogere grenswaarde). In het Activiteitenbesluit bij de Wgh zijn voorschriften opgenomen die bescherming bieden tegen geluidhinder van inrichtingen die onder het Besluit vallen. Voor de inrichting manege zijn geen bijzondere bepalingen in het Activiteitenbesluit opgenomen.
Daarom kan worden teruggegrepen op de afstandsnormen voor geluid zoals in de VNG-brochure ‘Bedrijven en Milieuzonering’ zijn opgenomen. Het effect voor de geluidgevoelige objecten in de omgeving wordt in de paragraaf ‘Effect op de omgeving’ nader toegelicht, alsook in paragraaf 4.2.6. Effect op de omgeving Aangezien er geen geluidsgevoelig object wordt toegevoegd, is alleen effect van de beoogde ontwikkeling op de omgeving van belang. De beoogde ontwikkeling betreft het toevoegen van een rijhal met binnenrijbak, waarvoor het bouwvlak wordt uitgebreid. Aangezien er geen toename is van het aantal paarden, kan er geconcludeerd worden dat er geen toename is in het aantal verkeersbewegingen, zie paragraaf 4.6. Door deze uitbreiding zal het wegverkeerlawaai dus niet toenemen. Het eventuele effect van de beoogde ontwikkeling op de omgeving qua geluid is tevens nader toegelicht in de paragraaf 4.2.6. Conform de VNG brochure is voor een paardenhouderij gelegen in gemengd gebied de grootste richtafstand die moet worden aangehouden 10 meter voor geluid. Aan deze richtafstanden wordt ten opzichte van alle locaties met gevoelige objecten in de omgeving voldaan. De beoogde realisatie van de overdekte rijbak leidt dus niet tot overschrijding van de richtafstanden. De manege blijft daarmee dus op gepaste afstand van gevoelige objecten in de omgeving gelegen.
De bestaande afstand van de manege tot gevoelige
25 Toelichting bestemmingsplan Beekstraat 48, Nuenen
objecten wordt bovendien niet verkleind. Tenslotte geldt de richtafstand ook voor buitenrijbakken. Binnenrijbakken veroorzaken veel minder geluid omdat de rijbak zich binnen een gebouw bevindt. Het eventuele effect van de beoogde ontwikkeling op de omgeving qua geluid leidt niet tot onevenredige geluidsoverlast voor de geluidgevoelige objecten in de omgeving. Hieruit kan geconcludeerd worden dat het aspect geluid geen belemmering zal vormen voor het planvoornemen.
4.2.3
Luchtkwaliteit
De regelgeving omtrent de luchtkwaliteit is opgenomen in de Wet milieubeheer (Wm). De belangrijkste aspecten t.a.v. de Europese luchtkwaliteitseisen zijn vernoemd in de ‘Wet luchtkwaliteit’. Deze wet maakt onderdeel uit van de Wm; hoofdstuk 5, titel 5.2. Rijk, provincies en gemeenten werken samen om de Europese eisen en doelstellingen voor het verbeteren van de luchtkwaliteit te realiseren. Overheidsinstanties zijn verplicht om bij (ruimtelijke) ingrepen en ontwikkelingen de mogelijke gevolgen voor de luchtkwaliteit in beeld te brengen. Het opstellen en vaststellen van een bestemmingsplan behoort tot deze categorie, daarom is het noodzakelijk dat de eventuele gevolgen voor de luchtkwaliteit in beeld worden gebracht. Omgekeerd is het van belang dat ter plaatse het plangebied sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat voor wat betreft het aspect luchtkwaliteit. Niet in betekenende mate Artikel 5.16 Wm (lid 1) geeft weer, onder welke voorwaarden, bestuursorganen bepaalde bevoegdheden mogen uitoefenen.
Wanneer bij de planvorming sprake is van één van de volgende punten vormen de luchtkwaliteitseisen in beginsel geen belemmering: ▪ Er is sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; ▪ Een plan leidt, al dan niet per saldo, niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; ▪ Een plan draagt ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bij aan de luchtverontreiniging; ▪ Een plan past binnen het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL), of binnen een regionaal programma van maatregelen. Het besluit ‘niet in betekenende mate bijdragen’ staat plannen toe wanneer de bijdrage aan de luchtkwaliteit van het desbetreffende plan niet in betekenende mate is. De afkorting NIBM staat voor ‘Niet in betekenende mate bijdragen’ aan de luchtverontreiniging. Hiermee worden ruimtelijke plannen of (te vergunnen) activiteiten bedoeld die slechts een zeer geringe bijdrage hebben aan de luchtverontreiniging. In deze gevallen is een toetsing aan de grenswaarden luchtkwaliteit niet nodig. Belangrijk bij toetsing van NIBM is dat aannemelijk gemaakt moet worden, dat de 3% grens niet wordt overschreden (artikel 2 van het Besluit NIBM). Wanneer gesteld kan worden dat het aannemelijk is dat de grens niet wordt overschreden, dan is het plan NIBM.
De regeling NIBM geeft categorieën aan van gevallen en getalsmatige grenzen waarbinnen een plan altijd NIBM is, ongeacht de bijdrage ervan op de concentraties. Voor dergelijke gevallen mag er zonder meer van worden uitgegaan dat de bijdrage van het plan NIBM is. In de bestaande planologische situatie is reeds sprake van een bestaande manege met de bestemming ‘Sport – Manege’. Het plan voorziet in een beperkte vergroting van het bouwvlak ten behoeve van realisatie van en overdekte rijbak. Het aantal paarden dat binnen het plangebied gehouden wordt blijft gelijk. Bovendien zijn er voor paarden geen emissiefactoren voor wat betreft de uitstoot van fijnstof vastgesteld. Hiermee is de beoogde ontwikkeling dermate kleinschalig van aard dat aangenomen kan worden dat dit NIBM is. De verkeersaantrekkende werking van de beoogde bedrijfsopzet is beschreven in paragraaf 4.6. Hieruit blijkt dat de weekgemiddelde verkeersgeneratie van de beoogde ontwikkeling geen toename in verkeersbewegingen tot gevolg heeft, omdat de verkeersgeneratie van een manege per box/paard wordt gerekend en die aantallen veranderen niet. De beoogde ontwikkeling heeft dus met zekerheid geen significant negatieve effecten op de luchtkwaliteit in de omgeving. Woon- en leefklimaat Op grond van de Wet milieubeheer zijn grenswaarden opgenomen voor de jaargemiddelde concentraties voor onder andere fijnstof (PM10).
De grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie bedraagt 40 μg/m 3. Vanaf 1 januari 2015 geldt tevens een grenswaarde voor zeer fijnstof (PM2,5) waaraan door het bevoegd gezag bij vergunningverlening moet worden getoetst. Deze grenswaarde is opgenomen in de Wet milieubeheer en bedraagt 25 μg/m3 voor de jaargemiddelde concentratie.
26 Toelichting bestemmingsplan Beekstraat 48, Nuenen
De achtergrondconcentratie PM10 en PM2,5 ter plaatse van het plangebied kan worden geraadpleegd via de Grootschalige Concentratie- en depositiekaarten Nederland van het RIVM. Uit onderstaande afbeeldingen is op te maken dat de achtergrondconcentratie PM10 14,66 μg/m3 bedraagt en de achtergrondconcentratie PM2,5 8,394 μg/m3. Er kan dus ruimschoots worden voldaan aan de grenswaarden voor wat betreft de concentratie PM10 en PM2,5.
Afbeelding 11 – Uitsnede GCN-kaart PM10 (bron: geodata.rivm.nl/gcn/)
Afbeelding 12 – Uitsnede GCN-kaart PM2,5 (bron: geodata.rivm.nl/gcn/)
Voor de kortdurende blootstelling van de mens aan piekconcentraties van NO2 geldt een grenswaarde van 200 μg/m3 voor het uurgemiddelde van NO2, die niet vaker dan 18 maal per kalenderjaar mag worden overschreden. De norm voor langdurende blootstelling van de bevolking is de grenswaarde van 40 μg/m3 voor de jaargemiddelde NO2-concentratie. De achtergrondconcentratie ter plaatse bedraagt 11,97 μg/m3 blijkt uit de Grootschalige Concentratie- en Depositiekaarten Nederland. Er kan dus tevens worden voldaan aan de grenswaarde voor wat betreft NO2 concentratie.
27 Toelichting bestemmingsplan Beekstraat 48, Nuenen
Afbeelding 13 – Uitsnede GCN-kaart NO2
Conclusie Door het feit dat de ontwikkeling ‘NIBM’ zal zijn kan worden geconcludeerd dat er geen negatieve gevolgen zullen zijn voor het aspect luchtkwaliteit. Daarnaast wordt er ruim voldaan aan de grenswaarden van de achtergrondconcentraties. Hierdoor is te concluderen dat er ook sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.
4.2.4
Geur
De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) is op 1 januari 2007 in werking getreden. De Wgv kent bescherming toe aan zogenaamde geurgevoelige objecten. Hierbij gaat het in het algemeen om gebouwen bestemd voor wonen en verblijf, zoals woningen en bedrijfsgebouwen. Deze wet schrijft afstanden voor tussen een een bedrijf waar landbouwhuisdieren worden gehouden en geurgevoelige objecten, die moeten worden gehanteerd bij de verlening van een omgevingsvergunning milieu voor een het bedrijf waar landbouwhuisdieren worden gehouden. In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient bij de ruimtelijke uitbreiding van de manege te worden aangetoond dat het woon- en leefklimaat ter plaatse van bestaande geurgevoelige objecten acceptabel blijft. Manege De dichtstbijzijnde geurgevoelige objecten betreffen: ▪ De bedrijfswoning aan de Beekstraat 50, gelegen op een afstand van circa 30 meter vanaf het bouwvlak; ▪ De burgerwoning aan de Oude Landen 8, gelegen op een afstand van circa 125 meter vanaf het bouwvlak. Conform de Wgv en het Activiteitenbesluit geldt voor diercategorieën waarvoor niet bij ministeriele regeling geuremissies zijn vastgesteld buiten de bebouwde kom voor geur (emissiepunt) een vaste afstand van 50 meter, zie artikel 4 Wgv. Tevens dient de buitenzijde van een dierenverblijf op minimaal 25 meter van een geurgevoelig object te worden geplaatst.
In artikel 6, lid 3 van de Wgv wordt de gelegenheid aan gemeentes gegeven om bij een gemeentelijke verordening een andere afstand van toepassing is dan de afstand genoemd in artikel 4, eerste lid van de Wgv. Volgens artikel 2 van de ‘Verordening geurhinder en veehouderij’ van de gemeente Nuenen gelden in afwijking van de Wgv vaste afstanden voor veehouderijen zonder geuremissiefactor. Voor een veehouderij met meer dan 30 paarden geldt buiten de bebouwde kom van Nuenen een afstand van minimaal 50. Op de manege zijn 81 paarden aanwezig, waarvan 30 volwassen paarden, 5 paarden in de opfok, 38 volwassen pony’s en 8 pony’s in de opfok. Dan geldt dus een vaste afstand van 50 m. Alle geurgevoelige objecten liggen op grotere afstand van de inrichtingsgrens dan het gestelde minimum van 50 meter, behalve het object aan de Beekstraat 50. De afstand tussen de dierenverblijven binnen de inrichting en dit geurgevoelig object is en blijft echter wel circa 73 meter. Er worden met de realisatie van de rijhal namelijk geen nieuwe dierenverblijven toegevoegd. Er wordt dus wat de manege betreft zowel in de bestaande situatie als in
28 Toelichting bestemmingsplan Beekstraat 48, Nuenen
de nieuwe situatie voldaan aan de gestelde vaste afstand van 50 meter vanaf het emissiepunt. Tevens mag conform het bestemmingsplan een bedrijfswoning uitsluitend op bestaande fundamenten worden herbouwd. Hierdoor wordt voorkomen dat het geurgevoelige object aan de Beekstraat 50 dichter bij de manege wordt gesitueerd dan in de bestaande situatie. Derhalve kan te allen tijde voldaan worden aan de wettelijk vastgestelde minimumafstand van 50 meter. De burgerwoning aan de Oude Landen 8 is gelegen op een afstand van circa 125 meter vanaf het bouwvlak. Hiermee wordt te allen tijden voldaan aan de wettelijk vastgestelde minimumafstand van 50 meter. Hieruit kan worden geconcludeerd dat met de uitbreiding van de manege een acceptabel woon- en leefklimaat ter plaatse van geurgevoelige objecten gewaarborgd blijft. Er kan geconcludeerd worden dat het aspect geur geen belemmering zal vormen voor het planvoornemen. Omgekeerde werking Binnen het plangebied is al sprake van een bestaand geurgevoelig object in het kader van de Wet geurhinder en veehouderij, te weten de aanwezige bedrijfswoning en groomverblijven. In de beoogde situatie wordt het bestaande bouwvlak vergroot ten behoeve van de bouw van een overdekte rijbak.
Er wordt geen nieuw geurgevoelig object toegevoegd – aangezien de rijhal niet is gericht op permanent (of daarmee gelijk te stellen) menselijk verblijf - en het aantal dieren dat aanwezig is op de locatie blijft gelijk. Desalniettemin zouden er met de uitbreiding van het bouwvlak geurgevoelige objecten dichter bij bestaande (agrarisch) bedrijven kunnen komen te liggen dan in de bestaande situatie het geval is. Het dichtstbijzijnde bedrijf betreft het agrarische bedrijf aan de Beekstraat 50. Dit betreft een akker- en/of tuinbouw bedrijf in combinatie met het fokken van dieren. De uitbreiding ten noorden van het bouwvlak zorgt er niet voor dat de afstand tot het agrarische bedrijf ten westen van het plangebied verkleind wordt. Derhalve kan worden geconcludeerd dat het initiatief niet leidt tot onevenredige aantasting van gebruiks- en ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende bedrijven.
4.2.5
Externe veiligheid
Het rijksbeleid voor externe veiligheid heeft tot doel het beperken en beheersen van risico’s voor de omgeving. Het gaat hierbij om situaties waarbij gevaarlijke stoffen en/of vliegtuigen nabij luchthavens betrokken zijn. Bij gevaarlijke stoffen moet men denken aan het vervoeren, transporteren, opslag, produceren etc. Bij externe veiligheid wordt het mogelijke risico in kaart gebracht wat derden lopen bij eventuele calamiteit. Het gaat hierbij om ‘slachtoffers van buiten de poort’. Mensen die niets met een activiteit van gevaarlijke stoffen en/of vliegtuigen te maken hebben, maar hier wel de dupe van worden bij een ramp. Bij externe veiligheid wordt een onderscheid gemaakt in externe veiligheid voor inrichtingen, voor transport van gevaarlijke stoffen en voor luchthavens. Het externe veiligheidsbeleid stelt twee doelstellingen centraal: ▪ Plaatsgebonden risico (PR): De bescherming van personen die zich bevinden in de nabijheid van een risicobron tegen de kans op overlijden ten gevolge van een ongeval met gevaarlijke stoffen of ten gevolge van een ongeval met een vliegtuig op of nabij een luchthaven; ▪ Groepsrisico (GR): De bescherming van de samenleving tegen het ontwrichtende effect van een dergelijke ramp met een groot aantal slachtoffers.
Het PR geeft de kans per jaar aan dat een persoon, die permanent en onbeschermd aanwezig is op een bepaalde plaats buiten een bedrijf (inrichting) of in de buurt van een vervoersmodaliteit (vervoer via weg, water, spoor of buisleiding) of nabij een luchthaven, op die plaats overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen binnen die inrichting of op die vervoersmodaliteit of als gevolg van een ongeval nabij de luchthaven. De norm die voor het PR geldt, is de kans van 1:1.000.000 (10 -6). Voor kwetsbare objecten is dit een grenswaarde welke moet worden opgevolgd. Voor beperkt kwetsbare objecten is het een richtwaarde. Het GR geeft aan wat de kans is op een ongeval waarbij tien of meer dodelijke slachtoffers vallen in de omgeving van de risicobron. Voor het groepsrisico is geen norm gesteld. Uit het vigerende beleid, zoals onder andere vastgelegd in het Bevi, geldt een verantwoordingsplicht. Iedere verandering (af- of toename) van het groepsrisico moet inzichtelijk worden gemaakt en worden voorzien van een onderbouwing. Het beleid ligt vast in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), het Besluit externe veiligheid transportleidingen (Bevb) en het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt).
29 Toelichting bestemmingsplan Beekstraat 48, Nuenen
Bevi Gezien de aard van de voorgenomen activiteit (vergroting van een bestaand bouwvlak ten behoeve van de bouw van een overdekte rijbak) is het Bevi niet van toepassing. De werkzaamheden omvatten niet het gebruik, opslag of vervoer van gevaarlijke stoffen. Uit de risicokaart blijkt dat er geen risicovolle inrichtingen en kwetsbare objecten aanwezig zijn op of nabij het plangebied. De dichtstbijzijnde risicovolle inrichting is gelegen aan de Smits van Oyenlaan 1002. Hier is een risicobron gelegen in de vorm van het Texaco tankstation Nuenen. Hiervoor geldt een veiligheidsafstand van 35 meter tot een kwetsbaar object. De inrichting aan de Smits van Oyenlaan is op circa 800 meter van de beoogde rijhal gelegen. Er wordt dus ruimschoots voldaan aan de gestelde veiligheidsafstand. Daarom zijn er voor het plan geen belemmeringen vanuit het Bevi. Bevb Op 1 januari 2011 is het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) van kracht geworden. Het Bevb regelt onder andere welke veiligheidsafstanden moeten worden aangehouden rond buisleidingen met gevaarlijke stoffen. Uit het bestemmingsplan blijkt dat in de nabijheid van het plangebied geen dubbelbestemming ‘Leiding’ is opgenomen. Derhalve is verder geen beoordeling aan het Bevb van toepassing.
Bevt In de Regeling Basisnet is een tabel met afstanden opgenomen voor het plaatsgebonden risico dat geldt voor transportroutes. Uit de risicokaart blijkt dat de locatie niet binnen de invloedsfeer van wegen ligt die zijn opgenomen in de tabel uit de Regeling Basisnet.
Afbeelding 14 – Uitsnede risicokaart Nederland (bron: www.risicokaart.nl)
Conclusie Gezien het vorenstaande kan geconcludeerd worden dat het aspect externe veiligheid geen belemmering vormt voor het initiatief.
4.2.6
Bedrijven en milieuzonering
Goede ruimtelijke ordening voorkomt hinder en gevaar. Dit kan door voldoende afstand te houden tussen milieubelastende activiteiten (zoals bedrijven) en gevoelige functies (zoals woningen). Voor ruimtelijke plannen is de VNG-brochure ‘Bedrijven en Milieuzonering’ (hierna brochure) van toepassing bij de beoordeling van de afstanden tussen milieubelastende activiteiten en gevoelige functies. De afstanden die hierin opgenomen zijn betreffen richtafstanden. Wanneer voldaan wordt aan de opgenomen afstanden uit deze brochure, mag gesteld worden dat er sprake is van een aanvaardbaar en gewaarborgd woon- en leefklimaat. De VNG-publicatie is een hulpmiddel om de afstanden tussen bedrijvigheid en woningen concreet in te vullen. Gemeenten beslissen uiteindelijk zelf over een bepaalde locatie. De handreiking geeft informatie over de ruimtelijk
30 Toelichting bestemmingsplan Beekstraat 48, Nuenen
relevante milieuaspecten en bijbehorende richtafstanden van een scala aan bedrijfsactiviteiten. Deze richtafstanden zijn afgestemd op de omgevingskwaliteit. Er wordt onderscheid gemaakt in de omgevingstypen: ▪ Rustige woonwijk en rustig buitengebied: een woonwijk (of vergelijkbaar omgevingstype) die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Er komen enkel wijkgebonden voorzieningen voor en er is weinig verstoring door verkeer. ▪ Gemengd gebied: een gebied met matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen functies zoals winkels, horeca en kleine bedrijven voor of er is sprake lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid. Ook gebieden direct naast de hoofdinfrastructuur gelegen behoren tot het omgevingstype gemengd gebied, hier is sprake van verhoogde milieubelasting door geluid. Het plangebied is gelegen in omgevingstype ‘gemengd gebied’. Dit omgevingstype wordt gekenmerkt door een matige tot sterke functiemenging. In de omgeving bevinden zich direct naast woningen andere functies zoals o.a. sportvelden, een begraafplaats en een school.
In de directe omgeving van het plangebied zijn de volgende gevoelige objecten gelegen: ▪ Beekstraat 50 – bedrijfswoning, gelegen op een afstand van circa 30 meter van het bouwvlak; ▪ Oude Landen 8 – burgerwoning, gelegen op een afstand van circa 125 meter vanaf het bouwvlak; ▪ Ouwlandsedijk 27 – school, gelegen op een afstand van circa 125 meter vanaf het bouwvlak. Conform de VNG brochure is voor een paardenhouderij gelegen in gemengd gebied de grootste richtafstand die moet worden aangehouden 30 meter voor het aspect geur en 10 meter voor geluid. Aan deze richtafstanden wordt ten opzichte van alle locaties met gevoelige objecten in de omgeving voldaan. De beoogde realisatie van de overdekte rijbak leidt niet tot overschrijding van de richtafstanden. De manege blijft dus op gepaste afstand van gevoelige objecten in de omgeving gelegen. De bestaande afstand van de manege tot gevoelige objecten wordt bovendien niet verkleind. De rijhal wordt binnen het bestaande bouwperceel met de bestemming ‘Sport – Manege’ gerealiseerd. Het aspect ‘Bedrijven en milieuzonering’ legt geen beperkingen op aan het planvoornemen. Daarnaast zorgt het planvoornemen ook niet voor een negatief effect op omliggende gevoelige objecten.
4.3 Waterparagraaf Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen dient er op basis van Europees beleid, Rijksbeleid en provinciaal beleid rekening gehouden te worden met de aanwezige watersystemen en waterketens. Het waarborgen en zorgdragen voor een goede afvoer en doorstroming van water moet verplicht opgenomen worden in ieder plan. Derhalve moet ieder plan voorzien zijn van een waterparagraaf. Rijksbeleid Het Nationaal Water Programma 2022-2027 is van toepassing. In dit plan is het waterbeleid op hoofdlijnen omschreven en zijn de ruimtelijke aspecten die de doelstellingen die hieruit voorkomen opgenomen. Het Rijksbeleid richt zich met name op de waterveiligheid t.a.v. de grote rivieren; de Maas, Waal en Rijn en de kustlijn, de omgang met zoetwatergebieden, de algemene waterkwaliteit en grote watergebieden zoals Rijn-Maas delta, Ijsselmeer gebied etc. De beoogde ontwikkelingen zijn van dermate kleine omvang dat het rijksbeleid geen gevolgen dan wel consequenties heeft voor het beoogde plan. Procinciaal Waterbeheerprogramma 2022-2027 Provinciale Staten van Noord-Brabant hebben op 22 december 2021 het Regionaal Water en Bodem Programma 2022-2027 vastgesteld. Het plan is onderdeel van het planstelsel voor de wateropgaven in Nederland, samen met het Nationaal Water Programma en de waterbeheerprogramma’s van de waterschappen.
Met dit waterplan richt de provincie zich de komende jaren op de ontwikkeling van een duurzaam schone en veilige fysieke leefomgeving. De provincie Noord-Brabant heeft een gemeenschappelijk milieu- en waterplan opgesteld. Het zet een nieuwe koers uit naar een algeheel plan met betrekking tot water, bodem, lucht en overige milieuaspecten. Het plangebied is niet gelegen binnen een van de natte natuurparels en beschermingsgebieden. Derhalve hebben de doelstellingen en uitgangspunten hiervoor geen gevolgen van beoogde plan. Waterschap De Dommel Het Waterbeheerprogramma 2022-2027 is in november 2021 vastgesteld door het Algemeen bestuur van waterschap De Dommel. Binnen de kaders van de Waterwet, de Europese Kaderrichtlijn Water, de Deltabeslissingen en het Provinciaal Milieu- en Waterplan beschrijft het waterbeheerplan hoe er gewerkt gaat
31 Toelichting bestemmingsplan Beekstraat 48, Nuenen
worden aan de wateropgaven. De hoogste prioriteit van het waterschap is om vanuit hun verantwoordelijkheid bij te dragen aan de veiligheid, gezondheid en het welzijn van de inwoners in de regio. Daarnaast staat het waterschap voor innovatief en duurzaam waterbeheer. Legger Een legger is een door het waterschap vastgesteld register en geeft een overzicht van: ▪ Alle aanwezige waterlopen (sloten) en waterkeringen (dijken) inclusief kunstwerken; ▪ Wie verantwoordelijk is voor het beheer en onderhoud van sloten en kunstwerken. Dat betekent dat het gaat om de beheertaken en onderhoudsplichten van het waterschap en om de onderhoudsplichten van derden waarop het waterschap toezicht uitoefent; ▪ Waar de beschermingszone ligt, die noodzakelijk zijn voor het waterschap om haar beheerstaken te kunnen uitvoeren. Op deze beschermingszone zijn verbodsbepalingen, volgens de keur, van toepassing zijn. Ook is de legger een naslagwerk ten aanzien van waterstaatswerken. Het plangebied ligt niet in een beschermingszone. De dichtstbijzijnde watergang in de omgeving van het plangebied is gelegen op enkele honderden meters afstand. De afstand van het plangebied tot deze primaire waterlopen is voldoende, de beoogde ontwikkeling ligt namelijk niet in het profiel van de vrije ruimte of beschermingszone, waardoor het planvoornemen geen invloed heeft op een watergang.
In navolgende afbeelding is een uitsnede opgenomen uit de Leggerkaart van Waterschap De Dommel. De dichtstbijzijnde watergang in de omgeving is gelegen op circa 235 meter ten oosten van het plangebied. Dit betreft een A-watergang. De afstand van de planlocatie tot deze primaire waterlopen is voldoende, de beoogde ontwikkeling ligt namelijk niet in het profiel van de vrije ruimte of beschermingszones, waardoor het planvoornemen geen invloed heeft op de watergang.
Afbeelding 15 – Uitsnede leggerkaart Waterschap De Dommel
Keur Waterschap De Dommel In de 'Keur Waterschap De Dommel 2015' staan regels (met name geboden en verboden) die het waterschap hanteert bij de bescherming van waterkeringen, watergangen en bijbehorende kunstwerken. Ook zijn er regels voor het onderhoud van sloten, beken en andere waterlopen om de waterafvoer in dit oppervlaktewater te waarborgen. Daarnaast kent de Keur beleidsregels voor het beschermen van bepaalde deelgebieden met elk een eigen beschermingsbeleid. Het gaat hierbij om beschermde gebieden waterhuishouding, beekdalen en attentiegebieden. Met deze beleidsregels wordt aangegeven op welke wijze gebiedsgericht wordt omgegaan met waterbelangen. Realisatie van nieuw verhard oppervlak en het afkoppelen van verhard oppervlak moet op grond van de keur hydrologisch neutraal worden uitgevoerd en optimaal worden ingepast in het bestaande watersysteem. De aanvrager/initiatiefnemer moet daarom voldoende compenserende maatregelen
32 Toelichting bestemmingsplan Beekstraat 48, Nuenen
nemen, zodat het oppervlaktewatersysteem na realisatie van de verharding voldoende robuust blijft. Uitgangspunt hierbij vormt de voorkeurstrits “vasthouden-bergen-afvoeren”. Vasthouden kan door hergebruik of door het infiltreren van water in de bodem. In geval niet of onvoldoende kan worden geïnfiltreerd is een aanvullende voorziening noodzakelijk die het water tijdelijk bergt. Op basis van artikel 3.6 is het verboden om zonder waterwetvergunning van het bestuur neerslag door toename van verhard oppervlak of door afkoppelen van bestaand oppervlak, tot afvoer naar een oppervlaktewaterlichaam te laten komen. Als er sprake is van een toename van 500 m2 of meer zal er een maatregel getroffen moeten worden in de vorm van een retentievoorziening. Watertoets In de bestaande waterhuishoudkundige situatie wordt het afvalwater van huishoudelijke aard geloosd op het gemeentelijk riool net zoals het bedrijfsafvalwater. Voor het overige wordt er uit de inrichting enkel nietverontreinigd hemelwater geloosd wat afkomstig is van de daken en erfverharding. Gemiddeld valt er jaarlijks 0,8 m3 niet-verontreinigd hemelwater per m2 verhard oppervlak. Door middel van afschot van daken en erfverharding wordt dit hemelwater zonder problemen geloosd op omliggende percelen en perceelsloten. Door initiatiefnemer is in dat kader een sloot op hun perceel gegraven met een lengte van circa 103 m.
Deze ligt aan de zuidgrens van het plangebied parallel aan de struweelhaag. De beoogde ontwikkeling voorziet in de realisatie van een nieuwe overdekte rijbak met een oppervlakte van 1.118 m2. De beoogde rijhal kan voor het afvalwater mogelijk gebruik maken van de bestaande rioolaansluiting. Verder zal het oppervlakte door de bouw van een berging toenemen met 132,5 m2. De benodigde retentiecapaciteit kan als volgt worden berekend: Benodigde retentiecapaciteit (in m3) = toename verhard oppervlak (in m2) x gevoeligheidsfactor x 0,06 De gevoeligheidsfactor is af te leiden uit de kaart welke bij de Keur is toegevoegd. Hierbij is het grondgebied van het desbetreffende waterschap, in dit geval De Dommel, verdeeld in drie categorieën. Naarmate de gevoeligheid van een gebied of oppervlaktewatersysteem voor de gevolgen van piekafvoeren lager is, is minder compensatie nodig. Er worden drie waarden voor de gevoeligheidsfactor gehanteerd: ¼ (Laag), ½ (Gemiddeld) en 1 (Hoog). Navolgende afbeelding geef de gevoeligheidsfactoren weer van het plangebied. Hieruit blijkt dat een gevoeligheidsfactor van 1 van toepassing is.
Afbeelding 16 – Uitsnede Keurkaart Waterschap De Dommel: gevoeligheidsfactoren plangebied
De huidige bebouwing heeft een oppervlakte van circa 3380 m2. In de beoogde situatie neemt het bebouwd oppervlak met 1.283 m2 toe. De beoogde rijhal en berging worden direct aansluitend aan de bestaande bebouwing gesitueerd. Er wordt geen nieuwe erfverharding aangebracht.
33 Toelichting bestemmingsplan Beekstraat 48, Nuenen
Het hemelwater dat terecht komt op de erfverharding met een oppervlakte van 2166 m2 vloeit onder afschot af naar omliggende gronden. Hetzelfde geldt voor het half verhard terrein met een oppervlakte van 1900 m 2. Voor het hemelwater dat terecht komt op de huidige daken is een sloot van ca. 103 m lang, 3,1 m breed en 1 m diep aanwezig. Dit hemelwater wordt zonder problemen geloosd in de struweelhaag en sloot op de zuidelijke grens, welke afwatert op omliggende perceelsloten. In de toekomstige situatie wordt het oppervlak van de daken 4.663 m2. Alle waarden in de formule invullend geeft de volgende benodigde retentiecapaciteit: Benodigde retentiecapaciteit (in m3) = 4.663 m2 x 1 x 0,06 = 280 m3 De infiltratie- of retentievoorziening dient ondieper te zijn dan de Gemiddeld Hoogste Grondwaterstand (GHG), waardoor zeker gesteld is dat zich geen grondwater in de voorziening zal gaan bevinden. De gemiddeld hoogste grondwaterstand ter plaatse van het plangebied bedraagt 80-100 cm. Afbeelding 17 geeft een uitsnede van de GHG weer.
Afbeelding 17 – Uitsnede Gemiddeld hoogste grondwaterstand GHG Kaartbank Noord-Brabant
Op het perceel is een sloot aanwezig van 103 m welke het hemelwater van de daken opneemt en afvoert op bestaande sloten. De buffercapaciteit van deze sloot is 90 cm. Deze retentievoorziening heeft een diepte van gemiddeld 0,90 m en een breedte van gemiddeld 3,10 m. De retentiecapaciteit is dus 103 x 0.9 x 3.11 = 287 m3. Dit is meer dan de vereiste 280 m3 in de beoogde situatie. Voor het overige verandert er niets in de beoogde situatie. Conclusie Aangezien er voor de beoogde rijhal van 1.118 m2 en de uitbreiding van de berging met 132,5 m2 een retentievoorziening aanwezig is met voldoende capaciteit heeft het initiatief geen negatief effect op de waterhuishoudkundige situatie in de omgeving van het plangebied.
4.4 Wet natuurbescherming Bij iedere ontwikkeling dienen de eventuele gevolgen ten aanzien van de natuurbescherming inzichtelijk gemaakt te worden. Op 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming (Wnb) in werking getreden. Deze wet heeft de Natuurbeschermingswet 1998 (gebiedsbescherming), de Flora- en Fauna wet (soortenbescherming) en de Boswet vervangen. De strekking van de wet blijft gelijk: de beschermde gebieden en soorten mogen niet aangetast worden bij ruimtelijke ontwikkelingen.
34 Toelichting bestemmingsplan Beekstraat 48, Nuenen
4.4.1
Bescherming op gebiedsniveau
De bescherming op gebiedsniveau wordt beschreven aan de hand van wetgeving ten aanzien van Natura 2000gebieden, het Natuur Netwerk Nederland en houtopstanden. Natura 2000-gebieden Door het Rijk zijn in Nederland Natura 2000-gebieden aangewezen. Hiermee wordt uitvoering gegeven aan de Vogel- en Habitatrichtlijnen. Voor deze gebieden zijn instandhoudingsdoelstellingen bepaald. Het is verboden zonder vergunning van Gedeputeerde Staten projecten te realiseren of andere handelingen te verrichten die gelet op de instandhoudingsdoelstellingen voor een Natura 2000-gebied de kwaliteit van de natuurlijke habitats of de habitats van soorten in dat gebied kunnen verslechteren of een significant verstorend effect kunnen hebben op de soorten waarvoor dat gebied is aangewezen. In de directe omgeving van het plangebied zijn geen Natura-2000 gebieden. De aangewezen gebieden bevinden zich op grotere afstand: ▪ Strabrechtse Heide & Beuven, afstand circa 6 km. ▪ Leenderbos, Groote Heide & De Plateaux, afstand circa 8 km. Afbeelding 18 geeft een uitsnede van de kaart van Natura 2000-gebieden weer.
Afbeelding 18 – Uitsnede kaart Natura 2000-gebieden (bron: www.natura2000.nl/gebieden)
De bestaande bedrijfsvoering heeft een relatief lage stikstofuitstoot. Paarden hebben een emissie van 5,1 kg NH 3 per dierplaats per jaar. De locatie heeft een vergunning voor 81 paarden waarvan 30 volwassen paarden, 5 paarden in de opfok, 38 volwassen pony’s en 8 pony’s in de opfok. In de beoogde situatie nemen de dieraantallen niet toe. Er is ook geen toename in het aantal verkeersbewegingen, zoals verder is toegelicht in paragraaf 4.6. I de beoogde rijhal wordt geen nieuwe stookinstallaties toegevoegd. Voor nieuwe gebouwen geldt sinds 1 juli 2018 zelfs een aansluitverbod. Het is dus niet toegestaan om voor de nieuwe bebouwing een gasaansluiting te realiseren. Voor wat betreft de gebruiksfase wordt het gebouw energieneutraal ontwikkeld. Dat betekent dat er geen toename in stikstofdepositie plaatsvindt ten opzichte van de bestaande situatie. In het bestemmingsplan zijn regels opgenomen die borgen dat het gebruik van gronden en/of bouwwerken niet zal leiden tot een (tijdelijke) een toename in stikstofemissie ten opzichte van de feitelijke en planologisch legale situatie ten tijde van de vaststelling van het plan. Daarom hoeven er voor de gebruiksfase geen berekeningen te worden aangeleverd. Om de stikstofdepositie als gevolg van de bouwfase in kaart te brengen is een stikstofdepositieonderzoek uitgevoerd, zie Bijlage 4.
Uit het onderzoek blijkt dat als gevolg van het plan geen rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/j zijn. Er is geen sprake van een vergunningplicht op grond van de Wet natuurbescherming. Hiermee voldoet het plan op het aspect gebiedsbescherming. In het kader van de Wet natuurbescherming worden voor de bouw- en gebruiksfase van het nieuwe gebouw geen negatieve effecten verwacht. Er mag worden aangenomen dat het planvoornemen geen significante negatieve effecten heeft op de Natura 2000-gebieden.
35 Toelichting bestemmingsplan Beekstraat 48, Nuenen
Natuur Netwerk Nederland Het Natuurnetwerk Nederland is in 1990 geïntroduceerd als antwoord op de achteruitgang van de natuur en biodiversiteit in Nederland. Het is een netwerk van natuurgebieden waarmee biodiversiteit behouden en versterkt wordt. Planten en dieren kunnen zich van het ene naar het andere gebied verspreiden. Soorten raken hierdoor niet geïsoleerd en hebben dus minder kans op uitsterven. De NNN bestaat uit: ▪ Bestaande natuurgebieden, waaronder de 20 nationale parken; ▪ Gebieden waar nieuwe natuur aangelegd wordt; ▪ Landbouwgebieden, beheerd volgens agrarisch natuurbeheer; ▪ Ruim 6 miljoen hectare grote wateren: meren, rivieren, de kustzone van de Noordzee en de Waddenzee. Het plangebied is, zoals in onderstaande afbeelding te zien, niet gelegen in een ecologische hoofdstructuur. Doordat de beoogde ontwikkelingen buiten deze zones zijn gelegen blijven de natuurlijke en ecologische waarden van deze gebieden gehandhaafd. Bovendien wordt het plangebied voorzien van een gebiedseigen landschappelijke inpassing waardoor deze waarden worden versterkt.
Afbeelding 19 – Uitsnede kaart Instructieregels gemeenten: natuur en stiltegebieden Iov
Houtopstanden Er worden geen houtopstanden gekapt. Toetsing aan de drie beschermingsregimes voor houtopstanden is daarmee niet aan de orde.
4.4.2
Soortenbescherming
In Nederland komen ongeveer 30.000 soorten dieren en planten voor. De Wnb regelt de bescherming van circa 300 in het wild voorkomende soorten inheemse planten en dieren. In de Wnb is onder meer bepaald dat beschermde diersoorten niet mogen worden gedood, gevangen of verontrust en plantensoorten niet geplukt, uitgestoken of verzameld mogen worden. Bovendien dient iedereen voldoende zorg in acht te nemen voor in het wild levende dieren en planten. Daarnaast is het niet toegestaan om hun directe leefomgeving, waaronder nesten en holen, te beschadigen, te vernielen of te verstoren. In de Wet natuurbescherming is de soortenbescherming van beschermde flora- en fauna opgenomen. In hoofdstuk 3 van de Wnb zijn de beschermingsregimes omschreven. Per beschermingsregime is bepaald welke verboden er gelden en onder welke voorwaarden ontheffing en vrijstelling kan worden verleend. Er zijn drie beschermingsregimes, de soorten op basis van de Vogelrichtlijn, de soorten op basis van de Habitatrichtlijn en de andere soorten genoemd in de Wet natuurbescherming (hierna Wnb).
36 Toelichting bestemmingsplan Beekstraat 48, Nuenen
Het plangebied is een agrarische bedrijfslocatie waar al enkele jaren een manege gevestigd is. Ten dienst van de bedrijfsvoering zijn enkele gebouwen en andere voorzieningen (buitenpiste, paddock/longeercirkel) aanwezig. Aangezien het gebruik van de locatie afgelopen jaren bestaat uit de bedrijfsvoering van de manege en de verzorging van de aanwezige paarden is sprake van continu gebruik van het terrein. In tegenstelling tot nietagrarische productiebedrijven hebben de ‘producten’ van dit bedrijf, de paarden, 7 dagen per week verzorging, aandacht en beweging nodig. Dit geeft levendigheid op het terrein, waardoor alleen dier- en plantensoorten die zich in de buurt van de mens en menselijke activiteiten durven of kunnen begeven het terrein als leef- en/of foerageergebied zullen gebruiken. Aangezien in de toekomstige situatie geen significante wijziging plaatsvindt van de activiteiten binnen het bouwvlak kan er van uit worden gegaan dat het plan in dit deel van het plangebied geen negatieve invloed heeft op planten- en diersoorten. De ontwikkeling bestaat uit de realisatie van een overdekte rijbak. Deze worden gesitueerd op gronden waar op dit moment een longeercirkel en (deels) een buitenbak gevestigd zijn. De gronden waar de beoogde rijbak gerealiseerd zal worden zijn al bebouwd en worden intensief gebruikt.
Er kan geconcludeerd worden dat dit gebied niet als foerageergebied fungeert. De omliggende gronden blijven als zodanig ingericht. Gezien het ongewijzigde gebruik van de gronden in de directe omgeving blijft er voldoende leefruimte voor diersoorten beschikbaar. Voor plantensoorten geldt dat de aanwezige planten in dit deel van het plangebied strak door de mens worden gereguleerd. Gezien een aantal wilde planten gezondheidsrisico’s voor paarden met zich meebrengt, is sprake van een zorgvuldig beheer van de gronden. De aanwezigheid van beschermde plantensoorten binnen het plangebied kan dan ook worden uitgesloten. Tenslotte zullen in het kader van de planontwikkeling geen (bedrijfs-)gebouwen worden gesloopt. Hiermee is uitgesloten dat nest- of rustplaatsen van gebouwbewonende soorten (zoals uilen en vleermuizen) worden verstoord of vernietigd. Op grond van het voorgaande kan worden geconcludeerd dat het initiatief geen negatieve effecten zal hebben op de flora- en fauna. Uiteraard geldt in alle gevallen de algemene zorgplicht, indien tijdens werkzaamheden toch soorten worden aangetroffen. Voor alle beschermde, inheemse (ook de algemeen voorkomende) vogelsoorten geldt vanuit de Wet natuurbescherming een verbod op handelingen die nesten of eieren beschadigen of verstoren. Ook handelingen die een vaste rust- of verblijfsplaats van beschermde vogels verstoren zijn niet toegestaan.
In de praktijk betekent dit dat verstorende werkzaamheden alleen buiten het broedseizoen uitgevoerd mogen worden. In het kader van de vogelrichtlijn wordt voor het broedseizoen geen standaardperiode gehanteerd. Van belang is of een broedgeval verstoord wordt, ongeacht de datum. Globaal gaat het om de periode 15 maart tot 15 juli. Nader onderzoek is niet noodzakelijk.
4.5 Cultuurhistorie en Archeologie De zorg voor archeologische monumenten wordt geregeld in het proces van de ruimtelijke ordening. Zo is wettelijk bepaald dat gemeenten in nieuwe bestemmingsplannen rekening moeten houden met de in de grond aanwezige, dan wel te verwachten, archeologische waarden. De rijksoverheid wil dat er in de monumentenzorg ook aandacht is voor de omgeving waarin het monument staat. Hierbij is het belangrijk dat er niet alleen aandacht voor het monument zelf is, maar ook voor de omgeving. De uitvoering hiervan is vastgelegd in de Momo (modernisering monumentenzorg). Belangrijkste punt uit de Momo voor dit plan is dat er bij ruimtelijke ontwikkelingen rekening gehouden moet worden met de aanwezige cultuurhistorische waarden en monumenten in de directe nabijheid van het plangebied.
4.5.1
Cultuurhistorie
Op basis van de cultuurhistorische waardenkaart van de provincie Noord-Brabant, Afbeelding 20, wordt geconcludeerd dat het plangebied gelegen is binnen de regio ‘Meijerij’. De Meierij bestaat uit verschillende dekzandruggen, beekdalen en dekzandvlaktes. De Meierij wordt gekenmerkt door een kleinschalig mozaïek van oude en jonge ontginningslandschappen en woeste gronden. In de Meijerij zijn verschillende kastelen, abdijen en kloosters gebouwd. Enkele middeleeuwse kastelen zijn bewaard gebleven. Nog veel rijker is het gebied aan landgoederen, buitenplaatsen en statige villa’s. De Meijerij wordt gekarakteriseerd door veel kleine dorpen, met ieder hun eigen karakter en relatie met het landschap. De bewoningsgeschiedenis en de inrichting van het gebied zijn in hoge mate bepaald door de natuurlijke terreingesteldheid. De indeling in agrarische gebruikseenheden (akkers, graslanden en woeste gronden) is op veel plaatsen nog goed herkenbaar. In combinatie met de dorpen en buurtschappen en de plaatselijk aanwezige
37 Toelichting bestemmingsplan Beekstraat 48, Nuenen
kleinschaligheid verleent dit het gebied een grote landschappelijke en cultuurhistorische waarde. Twee aspecten die het landschap van de Meijerij kenmerken zijn de landgoederen en buitenplaatsen en de populierenteelt. Binnen de regio Meijerij wordt ingezet op: 1. Behoud door ontwikkeling of versterking van de samenhang van de dragende structuren van de regio; 2. De cultuurhistorische waarden van de Meijerij in hun samenhang verder ontwikkelen, beschermen en toeristisch-recreatief ontsluiten. Dit geldt in het bijzonder voor de cultuurhistorische landschappen ‘Groene Woud’ en ‘De Loonse en Drunense Duinen’; 3. Het duurzaam en in samenhang behouden van het bodemarchief (o.a. door afstemming van het gemeentelijk archeologiebeleid) van de archeologische landschappen ‘Loonse en Drunense Duinen’, ‘Dekzandrug Tilburg-Den Bosch’ en ‘Dommeldal Nuenen-Gestel’.
Afbeelding 20 – Uitsnede Cultuurhistorische waardenkaart Noord-Brabant
De ontwikkeling van de overdekte rijbak wordt zorgvuldig landschappelijk ingepast zodat gebiedskenmerken gewaarborgd blijven. De beoogde rijhal wordt gesitueerd achter de bestaande privé tuin waardoor het gebouw aan het zicht wordt onttrokken. De bestaande bebouwing heeft geen cultuurhistorische waarden. Enkele landschapsvormen over een groter gebied zijn aangewezen als cultuurhistorisch kenmerk. Het plan laat de landschappelijke karakteristiek in groter verband ongemoeid, waarmee aantasting van cultuurhistorische waarden is uitgesloten.
4.5.2
Archeologie
Gemeenten hebben de wettelijke taak om verantwoord om te gaan met het archeologisch erfgoed (zorgplicht). De gemeente Nuenen heeft hiervoor een beleidsplan opgesteld, dat is overgenomen in het bestemmingsplan ‘Oude Landen 2013’. In hoofdlijnen komt het erop neer dat archeologisch onderzoek noodzakelijk is in gebieden met een middelhoge en hoge verwachtingswaarde en in gebieden met archeologische resten. In het bestemmingsplan ‘Oude Landen 2013’ is voor het plangebied de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologisch waardevol’ opgenomen. Uit bijbehorende regels blijkt dat daar, zonder een vergunning met aanvullend onderzoek, geen gebouwen of bouwwerken mogen worden gerealiseerd met een diepte van meer dan 30 centimeter, bij een oppervlakte van meer dan 100 m2. Met het plan wordt een nieuw bouwvlak voor maximaal 1.283 m2 aan bebouwing mogelijk gemaakt. Met het initiatief wordt een overkapping gerealiseerd ten behoeve van een rijhal. Het grondwerk voor de bodem zal niet verder reiken dan 30 cm, behalve ter plaatse van de kolommen voor de overkapping. Deze zullen tot 80 cm beneden maaiveld reiken, zie de bijgevoegde bouwtekening. In totaal worden er voor de overkapping 25 kolommen toegevoegd. De zuideinden van de spanten zullen namelijk komen te rusten op de noordelijke kolommen van het bestaande gebouw. Elke kolom beslaat een oppervlakte van 1,5 m x 1,5 m = 2,25 m2.
Dit komt neer op een totaal verstoringsoppervlakte dieper dan 30 cm van 56,3 m2.
38 Toelichting bestemmingsplan Beekstraat 48, Nuenen
Door de gemeente Nuenen is de Omgevingsdienst Zuidoost-Brabant (ODZOB) verzocht een toetsing uit te voeren van het onderdeel archeologie van het bestemmingsplan. De ODZOB heeft een in haar memo het volgende geconcludeerd, zie ook Bijlage 5. Conform het gemeentelijke archeologiebeleid dient bij de vaststelling van het nieuwe bestemmingsplan rekening gehouden te worden met de mogelijk aanwezige archeologische waarden. Daartoe moet archeologisch onderzoek plaatsvinden totdat in voldoende mate is vastgesteld wat de aanwezige archeologische waarden in het plangebied zijn. Volgens de archeologische beleidskaart van de gemeente Nuenen uit 2009 ligt het plangebied in een zone zonder archeologische verwachting. Om die reden is er geen archeologisch onderzoek vereist en is in dit bestemmingsplan geen dubbelbestemming i.v.m. de bescherming van eventuele archeologische waarden in de bodem opgenomen.
4.6 Parkeren en verkeer In deze paragraaf zijn de aspecten ‘parkeren’ en ‘verkeer’ nader bekeken. Hierbij is gekeken naar de parkeernorm en het benodigde aantal parkeerplaatsen. Daarnaast is ook gekeken naar de verkeersaantrekkende werking die bij de beoogde ontwikkeling zal plaatsvinden. 4.6.1 Parkeren De parkeernorm wordt vastgesteld op basis van de parkeerbehoefte per functie en het eventueel gecombineerd gebruik van parkeerplaatsen door verschillende functies. De parkeernorm geeft het totaal aantal parkeerplaatsen aan dat voor een ruimtelijk initiatief, plan of project aangelegd moet worden. In het geval van de bouw van tien of meer woningen wordt de parkeereis uitgesplitst naar bewoners- en bezoekersparkeerplaatsen. De gemeente Nuenen hanteert geen specifiek beleid voor haar parkeernormen. Wanneer geen specifiek beleid is opgesteld wordt gebruik gemaakt van de CROW richtlijnen zoals deze zijn gepubliceerd door de stichting CROW in de publicatie met nummer 381. De parkeernorm geeft het totaal aantal parkeerplaatsen aan dat voor een ruimtelijk initiatief, plan of project aangelegd moet worden. De parkeernorm wordt vastgesteld op basis van de parkeerbehoefte per functie in combinatie met de stedelijkheidsgraad van de omgeving. Het plan betreft het toevoegen van een rijhal en een berging. Voor dit plan verandert het aantal paarden en het aantal boxen niet.
Voor de functie ‘Manege (paardenhouderij)’ is een parkeernorm vastgesteld van gemiddeld 0,4 parkeerplaatsen per box per dag. Op de locatie zijn 81 volwassen paarden aanwezig. Dat betekent dat er ter plaatse van het plangebied op eigen terrein naar boven afgerond minimaal 33 parkeerplaatsen aanwezig dienen te zijn. Aan de straatzijde van het huidige manegegebouw zijn 29 parkeerplaatsen aanwezig. Bovendien zijn aan de zijkant van hetzelfde gebouw nog eens 26 parkeervoorzieningen aanwezig. Dat zijn in totaal 55 parkeerplaatsen. De beoogde ontwikkeling voorziet enkel in de vergroting van het bouwvlak ten behoeve van de realisatie van een nieuwe overdekte rijbak. Het aantal dieren, en dus het aantal bezette boxen, wijzigt niet. De beoogde uitbreiding van het bedrijf zorgt alleen voor beperkte wijzigingen in de bedrijfsvoering en heeft ook geringe invloed op de parkeerbehoefte op het terrein. Initiatiefnemer geeft aan dat de grootste klantengroep afkomstig is uit Nuenen. Kinderen zullen op de fiets komen of gebracht worden met de auto. Er zijn in de huidige situatie op het terrein 22 parkeerplaatsen meer dan volgens de Crow-norm vereist zijn. Daarmee zijn er ook in de beoogde situatie voldoende parkeervoorzieningen aanwezig. Derhalve hoeven er geen nieuwe parkeerplaatsen gerealiseerd te worden.
4.6.2
Verkeer
Het plan betreft het toevoegen van een rijhal en een berging. De ontwikkeling leidt niet tot een toename van het aantal paarden en het aantal boxen dat aanwezig is op de locatie. Het totale bedrijfsoppervlak neemt niet toe als gevolg van de beoogde ontwikkeling. Tevens is er ook geen toename in het aantal bezette boxen. Conform de CROW-brochure wordt de verkeersgeneratie bepaald op basis van het aantal aanwezige boxen/paarden. Aangezien er geen toename is van het aantal paarden/boxen kan er op basis van de CROW-brochure geconcludeerd worden dat er geen toename is in het aantal verkeersbewegingen. Hieruit kan geconcludeerd worden dat de verkeersafwikkeling afdoende is geregeld en er geen belemmeringen zijn voor het planvoornemen.