CConstaterende datNuenen
Koppel je AI →
Document · PDF

A19 VRBZO - Jaarstukken 2025

Gemeenteraad 7 mei 2026, gemeente NuenenBij agendapunt: Ingekomen stukken ter kennisname30.669 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 4

Omdat de werkdruk op de organisatie wel blijft voortbestaan, is het nodig om mensen extern in te huren. Een andere manier om de bedrijfscontinuïteit te waarborgen, is mensen om te scholen door opleidingen aan te bieden. Dit leidt tot extra uitgaven om onze werkzaamheden te kunnen blijven uitvoeren. Conclusie Op basis van de gekwantificeerde actuele risico’s is de benodigde weerstandscapaciteit bepaald op € 4,5 miljoen. De benodigde weerstandscapaciteit is hoger dan het verwachte beschikbare weerstandsvermogen van € 4.1 miljoen. Echter, Door geplande onttrekkingen uit de algemene reserve en de bestemmingsreserves als financiering van de bestuurlijke opdrachten, wijkt het bestuur bewust af van de afgesproken bandbreedte. Dit heeft effect op de financiële robuustheid van VRBZO. Het beschikbare weerstandvermogen is onvoldoende om de geïdentificeerde risico’s af te dekken.

47

Jaarstukken 2025

Tegelijk is het is niet reëel dat bovengenoemde risico’s zich gelijktijdig voordoen. Daarnaast zijn de kans en impact van enkele risico’s lastig in te schatten, waarbij met name de impact van aansprakelijkheid bij de brand in Hapert zwaar meeweegt. Juist bij dit risico schatten we de kans dat het risico zich voordoet als zeer onwaarschijnlijk in. Dit overwegend beoordelen wij het totale risico als aanvaardbaar, maar met een zorgpunt. Het advies is daarbij vast te houden aan het voornemen uit het beleid P&C 4-GR om positieve jaarrekeningsaldo’s toe te voegen aan de algemene reserve. In het uiterste geval, als diverse risico’s zich daadwerkelijk voordoen en het beschikbare vermogen overschrijden, valt VRBZO terug op de gemeenten in de gemeenschappelijke regeling om de kosten te dekken. 3.1.2

Financiële kengetallen VRBZO

Het Besluit Begroting en Verantwoording (BBV) schrijft voor om een aantal financiële kerngetallen standaard op te nemen in de verplichte paragraaf Risicomanagement en Weerstandsvermogen. Dit doen we hieronder voor 2025. Financiële kengetallen conform BBV-richtlijn:

Jaarrekening 2024

Jaarrekening 2025

Begroot %

Netto schuldquote

26%

18%

40%

Netto schuldquote gecorrigeerd voor alle verstrekte

26%

18%

40%

Solvabiliteitsratio

5,7%

16%

6%

Structurele exploitatieruimte

0%

0%

-

Grondexploitatie

n.v.t.

n.v.t.

n.v.t.

Belastingcapaciteit

n.v.t.

n.v.t.

n.v.t.

leningen

De netto schuldquote is gedaald ten opzichte van vorig jaar. De netto schuldquote weerspiegelt het niveau van de schuldenlast van de VRBZO ten opzichte van de eigen middelen. Daarmee geeft het een indicatie van de mate waarin de rente en aflossingen op de exploitatie drukken. Onder de solvabiliteitsratio wordt verstaan het eigen vermogen als percentage van het totale vermogen. De solvabiliteitsratio is gestegen ten opzichte van vorig jaar omdat het eigen vermogen dit jaar is gestegen. 3.1.3

Weerstandsvermogen en –capaciteit

Het weerstandsvermogen is het vermogen van de organisatie om (financiële) risico’s op te vangen. Het vormt als beheersmaatregel het sluitstuk van risicomanagement. Het weerstandsvermogen geeft de financiële robuustheid aan van de begroting, de jaarrekening en de financiële positie. De ratio weerstandsvermogen is de verhouding tussen de beschikbare weerstandscapaciteit en de benodigde weerstandscapaciteit (gekwantificeerde risico’s). De weerstandscapaciteit wordt gevormd door de gemeenschappelijke middelen (reserves) en is bedoeld om niet begrote kosten te dekken. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen de incidentele en structurele weerstandscapaciteit. Incidentele weerstandscapaciteit De incidentele weerstandscapaciteit is het vermogen dat ingezet kan worden om eenmalige tegenvallers op te vangen. De middelen die dat vermogen bepalen zijn: •

De algemene reserve

•

De in de begroting opgenomen ramingen voor onvoorziene uitgaven voor zover hier nog geen bestemming aan is gegeven;

48

Jaarstukken 2025

•

De stille reserves, voor zover deze op korte termijn materieel te maken zijn (reserves waarvan de omvang en/of het bestaan niet uit de balans blijkt, voortkomend uit de onderwaardering van activa of overwaardering van schulden bij het volgen van normale waarderingsmethoden).

Behalve de algemene reserve heeft VRBZO geen andere (stille) reserves of risicoposten in de begroting die kunnen dienen als incidentele weerstandscapaciteit. De hoogte van de algemene reserve is op verzoek van de diverse besturen met de andere grote gemeenschappelijke regelingen vastgesteld. Hierbij is een bandbreedte voor de omvang van de algemene reserve bepaald op basis van de omvang van de begroting. In het geval van VRBZO is deze bandbreedte € 2,4 – 3,2 miljoen. In onderstaande tabel staan de bandbreedtes voor de algemene reserve. Begrotingstotaal van

Algemene reserve tot

minimum

maximum € 300.000

€0

€ 5.000.000

€ 150.000

€ 5.000.000

€ 10.000.000

€ 300.000

€ 600.000

€ 10.000.000

€ 20.000.000

€ 600.000

€ 1.200.000

€ 20.000.000

€ 30.000.000

€ 1.200.000

€ 1.500.000

€ 30.000.000

€ 40.000.000

€ 1.500.000

€ 2.000.000

€ 40.000.000

€ 60.000.000

€ 2.000.000

€ 2.400.000

€ 60.000.000

€ 80.000.000

€ 2.400.000

€ 3.200.000

€ 80.000.000

€ 100.000.000

€ 3.200.000

€ 4.000.000

We stellen het Algemeen Bestuur voor om het resultaat van dit jaar volledig toe te voegen aan de algemene reserve. Daarmee komt de algemene reserve uit op € 4.151.356, waarmee deze buiten de huidige bandbreedte ligt. We hebben hierbij de volgende overwegingen: •

Bij deze stand van de algemene reserve is nog geen rekening gehouden met de geplande onttrekkingen van in totaal € 3,2 miljoen voor de bestuurlijke opdracht.

•

Onze begroting stijgt komende jaren (€ 86,3 miljoen in 2027) waardoor we in een andere staffel komen en de algemene reserve tussen de € 3,2 en € 4,0 miljoen zou moeten liggen.

Structurele weerstandscapaciteit De structurele weerstandscapaciteit heeft betrekking op het vermogen om onverwachte tegenvallers structureel in de lopende begroting op te vangen, zonder dat dit ten koste gaat van de uitvoering van bestaande taken. De middelen die dat vermogen bepalen zijn: •

Bezuinigingsmogelijkheden (voor zover nog niet meegenomen in de begroting en meerjarenramingen);

•

Cumulatief geraamde onvoorziene uitgaven;

•

De resterende (onbenutte) belastingcapaciteit (niet van toepassing voor VRBZO).

Op basis van de cijfers uit de jaarrekening 2025 levert dit de volgende weerstandscapaciteit op:

49

Jaarstukken 2025

2025 Incidentele weerstandscapaciteit Algemene reserve

€

Stille reserves

€

0

Totale incidentele weerstandscapaciteit (a)

€

4.151.356

Structurele weerstandscapaciteit

€

0

Cumulatief geraamde onvoorziene uitgaven

€

0

Totale structurele weerstandscapaciteit (b)

€

0

Totale weerstandscapaciteit (a + b)

€

4.151.356

3.1.4

4.151.356

Renterisicomanagement

Renterisicomanagement is één van de grootste aandachtsgebieden van de Wet FIDO. In deze paragraaf gaan we in op de renterisico’s en het beleid, dat is verbonden met de uitvoering van de treasury functie. Vanuit de optiek van de Wet FIDO zien we renterisico’s op de korte en op de langere termijn. Renterisico op korte termijn: de kasgeldlimiet Met de kasgeldlimiet is in de wet financiering decentrale overheden (FIDO) een norm gesteld voor het maximumbedrag, waarop VRBZO haar financiële bedrijfsvoering via middelen met een looptijd van maximaal een jaar mag financieren. De kasgeldlimiet is een voorgeschreven sturings- en verantwoordingsinstrument om het renterisico op de korte schuld te beperken. Als grondslag van de wettelijk toegestane omvang van de kasgeldlimiet wordt de omvang van de jaarbegroting per 1 januari voor het gehele begrotingsjaar aangehouden. Voor gemeenschappelijke regelingen bedraagt het percentage voor de berekening van de kasgeldlimiet 8,2% dat voor onbepaalde tijd is vastgesteld. Toetsing vindt plaats door het berekende bedrag te vergelijken met de werkelijke omvang van de kasgeldlimiet. Als de werkelijke omvang lager is dan wettelijk toegestane omvang, is er sprake van ruimte; als de werkelijke omvang hoger is dan is er sprake van overschrijding.

50

Jaarstukken 2025 Toets kasgeldlimiet Omvang begroting per 1 januari (=grondslag): € 65.294.837

1. Toegestane kasgeldlimiet - in procenten van de grondslag - in bedrag 2. Omvang vlottende korte schuld Opgenomen gelden < 1 jaar Schuld in rekening-courant Gestorte gelden door derden < 1 jaar 3. Vlottende middelen Contante gelden in kas Tegoeden in rekening-courant Overige uitstaande gelden < 1 jaar 4. Toets kasgeldlimiet Toegestane kasgeldlimiet (1) Totaal netto vlottende schuld (2)-(3) Ruimte (+)/Overschrijding (-)

Q1

Q2

Q3

Q4

5.354.177 8,20% 5.354.177 0 0 0 0 7.051.715 0 7.051.715 0

5.354.177 8,20% 5.354.177 0 0 0 0 7.948.609 0 7.948.609 0

5.354.177 8,20% 5.354.177 0 0 0 0 9.762.597 0 9.762.597 0

5.354.177 8,20% 5.354.177 0 0 0 0 11.188.123 0 11.188.123 0

5.354.177 -7.051.715 12.405.892

5.354.177 -7.948.609 13.302.786

5.354.177 -9.762.597 15.116.773

5.354.177 -11.188.123 16.542.300

De ratio weerstandvermogen bedraagt 0,88 over 2025. In paragraaf 3.1.3 duiden we onze conclusie over dit cijfer. Renterisico op langere termijn: de renterisiconorm VRBZO loopt renterisico op het moment dat nieuwe leningen moeten worden aangetrokken (herfinanciering) of als een renteherziening van toepassing is. Om het renterisico te beheersen is in de Wet FIDO de renterisiconorm geformuleerd. Het doel van deze norm is om overmatige afhankelijkheid van het renteniveau in één bepaald jaar te voorkomen, ter bescherming van de financiële positie. Met deze norm bevordert de Wet FIDO een solide financieringswijze bij openbare lichamen. In lijn met het voorschrift van de geactualiseerde Wet FIDO wordt het renterisico in onderstaande tabel voor de komende 4 jaar bepaald, terwijl de renterisiconorm alleen betrekking heeft op het totaal van de rekening van het komende jaar. De norm schrijft voor dat maximaal 20% van het begrotingstotaal in een bepaald jaar gebruikt mag worden voor aflossing waarbij rekening wordt gehouden met de renteverandering van leningen. VRBZO voldoet hieraan voor elk van de 4 jaarschijven. Renterisiconorm Grondslag

2025

2026

2027

2028

2029

Omvang begroting

€65.294.837

€ 74.202.772

€ 86.333.926

€ 85.978.043

€ 86.036.872

20% norm

€13.058.967

€ 14.840.554

€ 17.266.785

€ 17.195.609

€ 17.207.374

Aflossing

€2.635.833

€ 2.930.833

€ 1.726.667

€ 1.134.167

€ 1.046.667

Renteverandering

€0

€0

€ 5.000.000

€ 3.900.000

€ 4.100.000

Totaal

€2.635.833

€ 2.930.833

€ 6.726.667

€ 5.034.167

€ 5.146.667

Ruimte

€10.423.134

€ 11.909.721

€ 10.540.118

€ 12.161.442

€ 12.060.707

Toetsing

Rentevisie VRBZO baseert haar rentevisie op die van de Bank Nederlandse Gemeenten (BNG).

51

Jaarstukken 2025 3.2

Financiering

In de financieringsparagraaf komen onderwerpen aan de orde die behoren tot het geldstromenbeleid van VRBZO. Uitgangspunten voor dit beleid zijn intern vastgelegd in de financiële verordening ex artikel 212 Gemeentewet en in het treasury statuut. In december 2025 is de laatste versie van de financiële verordening vastgesteld.

3.3

Onderhoud kapitaalgoederen

3.3.1

Gebouwbeheer

De gebouwen die in beheer zijn van VRBZO kunnen we onderverdelen in diverse categorieën, te weten: •

huur van de gemeenten (36 gebouwen);

•

huur van derden (1 gebouw);

•

in eigendom van VRBZO (1 gebouw: ROC Waalre);

Alle gebouwen (behalve het ROC in Waalre) zijn in eigendom van gemeenten en derden. Als eigenaar is het groot onderhoud van deze gebouwen bij hen belegd. In de demarcatielijsten is afgesproken wat het gebruikersonderhoud is dat VRBZO moet uitvoeren.

3.3.2

Investeringsbeleid

VRBZO hanteert een meerjarige investeringsbegroting. Uitgangspunt daarin is dat investeringen worden vervangen op het moment dat zij economisch volledig zijn afgeschreven. De vervangingswaarde wordt bepaald op basis van een jaarlijkse indexering van 2%. Alleen als op basis van recent aangeschafte vergelijkbare producten de aanschafprijs fors afwijkt dan wordt de meeste courante marktprijs gehanteerd. Begrotingstechnisch worden investeringen in het jaar geraamd aansluitend aan het moment dat het oude activum is afgeschreven. Zodra de vervanging dichterbij komt, wordt de begroting aangepast aan de inhoudelijke planning. Werkelijke aanschaf van investeringsgoederen worden geactiveerd op 1 januari na het moment van ingebruikname.

3.4

Verbonden partijen

Een organisatie wordt gezien als een ‘verbonden partij’ als VRBZO belanghebbende is bij de organisatie, zowel vanuit bestuurlijk als financieel oogpunt. VRBZO had op 31 december 2025 zelf geen verbonden partijen. VRBZO zelf is een samenwerkingsverband op grond van de Wet gemeenschappelijke regelingen, waaraan 21 gemeenten deelnemen. De deelnemende gemeenten zorgen dat VRBZO over voldoende (financiële) middelen beschikt om aan haar verplichtingen te kunnen voldoen, waarmee de exploitatie en het afdekken van financiële risico’s gewaarborgd is. Ook hebben gemeenten een bestuurlijk belang in onze organisatie. Hierdoor is VRBZO een verbonden partij voor de 21 gemeenten.

52

Jaarstukken 2025 3.5

Bedrijfsvoering

In de paragraaf bedrijfsvoering wordt een nadere duiding gegeven aan fouten en onzekerheden die onderdeel uitmaken van de rechtmatigheidsverantwoording. Daarnaast wordt toegelicht welke maatregelen het Dagelijks Bestuur neemt om fouten en onzekerheden (in de toekomst) te voorkomen. Ten slotte bespreken we in deze paragraaf kort enkele relevante thema’s ten aanzien van de bedrijfsvoering van onze organisatie.

3.5.1

Rechtmatigheidsverantwoording

Met ingang van het boekjaar 2023 is VRBZO verplicht om zelf een rechtmatigheidsverantwoording op te stellen. Hiermee legt het Dagelijks Bestuur zelfstandig verantwoording af over de naleving van de geldende wet- en regelgeving bij de totstandkoming van de in de jaarrekening verantwoorde baten en lasten, evenals de balansmutaties, en bevestigt het dat deze rechtmatig tot stand zijn gekomen. Dit betekent dat zij in overeenstemming zijn met de door het Algemeen Bestuur vastgestelde kaders, zoals de begroting en verordeningen, en met de bepalingen uit relevante wet- en regelgeving. Voor de rechtmatigheidsverantwoording zijn het begrotingscriterium, het voorwaardencriterium en het criterium voor misbruik en oneigenlijk gebruik getoetst. Voor de volledige rechtmatigheidsverantwoording wordt verwezen naar de jaarrekening, hoofdstuk 4. Het Algemeen Bestuur heeft een verantwoordingsgrens vastgesteld waarboven het Dagelijks Bestuur de afwijkingen

(fouten

en

onduidelijkheden)

moet

opnemen

in

de

rechtmatigheidsverantwoording.

De

verantwoordingsgrens voor fouten en onduidelijkheden gezamenlijk, is vastgesteld op 2% van de totale lasten exclusief mutaties in de reserves en is daarmee vastgesteld op € 1.310.000. Alleen die bevindingen die boven de rapporteringsgrens uitkomen dienen gerapporteerd te worden aan het Algemeen Bestuur en vastgelegd in de rechtmatigheidsverantwoording. De rapporteringsgrens voor de VRBZO is vastgesteld op € 50.000. Het Algemeen Bestuur is van mening dat de in de jaarrekening verantwoorde baten en lasten en ook de balansmutaties rechtmatig tot stand zijn gekomen binnen de daarvoor gestelde verantwoordings- en rapporteringsgrens. Begrotingscriterium Het begrotingscriterium heeft betrekking op de grenzen van de baten en lasten in de geautoriseerde begroting. De begroting wordt bewaakt door de planning & control-cyclus. Begrotingswijzigingen kunnen 3 à 4 keer per jaar plaatsvinden en worden door het Algemeen Bestuur geautoriseerd. De begroting is vastgesteld op programmaniveau. Bij vaststelling wordt ook de investeringsbegroting vastgesteld (financiële verordening art. 6.1) Op basis van de financiële verordening (financiële verordening art. 6.2) is een melding en voorstel tot begrotingswijziging aan het Algemeen Bestuur verplicht indien het saldo van baten en lasten van een individueel programma met meer dan 10% verslechtert. Dit geldt eveneens voor investeringskredieten.

De uitwerking van het begrotingscriterium in de rechtmatigheidsverantwoording volgt uit de financiële verordening artikel 10. Daarbij wordt het volgende schema gehanteerd:

53

Jaarstukken 2025

Voor de jaarrekening 2025 worden de kaders aangehouden die vastgesteld zijn in de financiële verordening die in boekjaar 2025 is geactualiseerd is – Hierbij gelden de volgende uitgangspunten: •

Overschrijdingen op lasten en/of investeringskredieten zijn altijd onrechtmatig, maar kunnen wel als acceptabel worden aangemerkt.

•

In artikel 10.4 van de financiële verordening zijn situaties gemeld waarbij overschrijdingen als acceptabel worden aangemerkt.

•

Financiële voordelen (onderschrijdingen van lasten en/of investeringen en afwijkingen op baten) zijn in aard niet onrechtmatig. Tijdig melden kan nog bij de jaarrekening. Dit sluit aan met de bepaling in artikel 10.5 in de financiële verordening.

54

Jaarstukken 2025

Begrotingscriterium

X € 1 miljoen

1A. Overschrijding lasten programma’s

0,385

1B. Overschrijding investeringsbudgetten (kredieten)

0.0

2. Ongeautoriseerde reservemutaties

0,0

3. Overschrijding van baten en/of onderschrijding van lasten, investeringen en baten die

0,0

niet tijdig tot een begrotingswijziging hebben geleid of niet tijdig aan het Algemeen Bestuur zijn gemeld. Totaal begrotingsonrechtmatigheden

0,385

4. Totaal van de begrotingsonrechtmatigheden (van onderdeel 1 en 2) dat past binnen

0.385

het vooraf vastgestelde beleid en daarmee vooraf als acceptabel is geduid. In de rechtmatigheidsverantwoording wordt verwezen naar dit vooraf vastgestelde beleid. De niet‐acceptabele begrotingsonrechtmatigheden worden inhoudelijk in de

0,0

rechtmatigheidsverantwoording en in de paragraaf bedrijfsvoering toegelicht. Voorwaardencriterium 5. Geen bevindingen.

0,0

M&O criterium 6. Geen bevindingen.

0,0

Totaal onrechtmatigheden

0,385

Waarvan acceptabel

0,385

Waarvan niet-acceptabel

0,0

Zie hieronder voor de toelichting op bovenstaande tabel 1A. Overschrijding lasten programma’s Programma

Lasten

Lasten

Afwijking

Onrechtmatig?

Acceptabel?

begroot

realisatie

Brandweerzorg

€ 46.971.621

€ 47.185.943

€ 214.321

Ja

Ja 1)

Crisisbeheersing

€ 5.015.973

€ 4.713.043

n.v.t.

Nee, 3)

n.v.t.

onderschrijding lasten Ondersteuning

€ 13.350.244

€ 13.504.121

€ 153.878

Ja

Ja 2)

€ 2.626.999

€ 2.611.256

n.v.t.

Nee, 3)

n.v.t.

organisatie Financiering

onderschrijding lasten Totaal onrechtmatig 1)

€ 385.040

Er is sprake van een overbesteding op inhuur bij Sector Incidentbestrijding en bij Brandveilig leven á €88.000 en €77.000. Tot slot is er ook nog een overbesteding op onderhoud van het ROC á €72.000. De algehele overbesteding op inhuur is gemeld in de bestuursrapportage van 2025 en daarmee acceptabel conform artikel 10 lid 4 sub c van de financiële verordening. De informatie rondom de overbesteding op het onderhoud van het ROC is pas eind van het jaar bekend geworden en konden we zodoende niet verwerken in de bestuursrapportage of een begrotingswijziging. Op grond van artikel 10.4 sub d wordt deze als acceptabel aangemerkt, 55

Jaarstukken 2025

2)

Er is sprake van een overbesteding op inhuur. Dit gaat voornamelijk over afdeling Informatiemanagement & Automatisering. Dit is een bedrag van €171.000. De algehele overbesteding op inhuur is gemeld in de bestuursrapportage van 2025 en daarmee acceptabel conform artikel 10 lid 4 sub c van de financiële verordening.

3)

Het melden in de jaarrekening van een onderschrijding op de lasten wordt aangemerkt als tijdig conform artikel 10 lid 5 van de financiële verordening. Hierdoor is er geen sprake van een onrechtmatigheid.

1B. Overschrijding investeringsbudgetten (kredieten) Vervoermiddelen De aanbesteding voor de vervanging van de haakarmvoertuigen is afgerond met een negatief resultaat van €26.471 door meerwerk aan de voertuigen. De overschrijding valt binnen de grenzen van de bepaling van artikel 6 lid 3 uit de financiële verordening. Machines, apparaten en installaties Investering in ICT-hardware (IT-werkstations en laptops) afgerond met een klein negatief resultaat van € 10.620. De overschrijding valt binnen de grenzen van de bepaling van artikel 6 lid 3 uit de financiële verordening. Beide overschrijdingen op de investeringsbudgetten (kredieten) vallen beneden de rapporteringstolerantie en worden zodoende niet meegenomen in de rechtmatigheidsverantwoording 2. Ongeautoriseerde reservemutaties. Er waren geen ongeautoriseerde reservemutaties in 2025. 3.

Overschrijding

van

baten

niet

een

begrotingswijziging

tijdig

tot

en/of

onderschrijding hebben

van

lasten,

geleid

of

investeringen

niet

tijdig

aan

en

baten

die

het

Algemeen

Bestuur zijn gemeld. Programma

Baten

Baten

begroot

realisatie

Afwijking

Onrechtmatig?

Acceptabel?

Brandweerzorg

€ 721.246

€ 841.573

€ 120.327

Nee, zie 1)

n.v.t.

Crisisbeheersing Ondersteuning

€ 32.000

€ 51.597

€ 19.597

Nee, zie 2)

n.v.t.

€0

€ 88.070

€ 88.070

Nee, zie 3)

n.v.t.

€67.211.591

€ 67.324.411

€112.820

Nee, zie 4)

n.v.t.

organisatie Financiering Totaal onrechtmatig 1)

€ 340.814

Voor een groot deel is de overschrijding op de baten te wijten aan de opbrengst op detacheringen. Deze afwijking bedraagt €125.000. Op grond van artikel 10.5 van de financiële verordening is melden middels de jaarrekening tijdig.

2)

Dit betreffen vergoedingen voor WAZO-uitkeringen á €15.850. Op grond van artikel 10.5 van de financiële verordening is melden middels de jaarrekening tijdig. Het resterende gedeelte á €3.600 betreft een hoger bedrag aan baten voor het MCU-voertuig. Hier staan direct uitgaven tegenover aangezien wij een 50/50 overeenkomst hebben met Veiligheidsregio Brabant-Noord voor het MCU-voertuig. Op grond van artikel 10.5 van de financiële verordening is melden middels de jaarrekening tijdig.

56

Jaarstukken 2025

3)

Dit betreffen de opbrengsten van detacheringen op de afdeling Bestuur-en managementondersteuning en Sector Bedrijfsvoering á €40.500. Het resterende gedeelte is de vergoeding van WAZO-uitkeringen (€32.000) en opbrengsten vanuit dienstverleningsovereenkomsten (€15.300). Op grond van artikel 10.5 van de financiële verordening is melden middels de jaarrekening tijdig.

4)

Dit betreft een onderschrijding van de baten op de BduR-uitkering en de overschrijding wegens de inkomsten voor noodsteunpunten. Dit saldeert op een totaal overschrijding van €84.000. Het resterende deel van de overschrijding is €11.000 aan hogere rente-inkomsten en €17.000 aan hogere opbrengsten op verkoop van materieel en materiaal. Op grond van artikel 10.5 van de financiële verordening is melden middels de jaarrekening tijdig

Voorwaardencriterium Het voorwaardencriterium heeft betrekking op de eisen die worden gesteld bij de uitvoering van de financiële beheershandelingen. De eisen/voorwaarden zijn afkomstig uit diverse wet- en regelgeving, zoals de Aanbestedingswet. In dit kader is over 2025 geen onrechtmatigheid geconstateerd. Misbruik en oneigenlijk gebruik-criterium Het misbruik en oneigenlijk gebruik-criterium heeft betrekking op het voorkomen, detecteren en corrigeren van misbruik en oneigenlijk gebruik van overheidsgelden en eigendommen bij financiële beheershandelingen. De in de Kadernota genoemde regelingen inzake misbruik en oneigenlijk gebruik hebben betrekking op het verstrekken van subsidies en/of uitkeringen of het innen van heffingen van derden. Omdat dit geen activiteiten voor VRBZO zijn, is dit toetsingscriterium over 2025 niet van toepassing. Los daarvan kan misbruik en oneigenlijk gebruik zich natuurlijk wel voordoen op andere activiteiten, die wel onderdeel vormen van de werkzaamheden van VRBZO. Daarom willen we in 2026 de grootste risico's op het gebied van misbruik en oneigenlijk gebruik inzichtelijk maken en hiervoor de nodige beheersmaatregelen treffen. Toekomst Om in de toekomst aan de rechtmatigheidsverplichtingen te voldoen hebben wij als organisatie maatregelen genomen.

In 2026 besteden we in een hogere frequentie aandacht aan de spendanalyse, die dezelfde rapportagecyclus aan gaat houden als de bestuursrapportage. Dus 2 keer per jaar (april en augustus) en tevens aan het einde van het jaar. Per 1 januari 2025 zijn we overgegaan van Unit4 naar AFAS. Met de overgang van Unit4 naar AFAS worden onder andere prestatieverklaringen gekoppeld aan inkoopfacturen. In 2025 is er voornamelijk aandacht besteed om goingconcern werkzaamheden op juiste wijze in AFAS te laten verlopen. We kijken in de toekomst welke mogelijkheden AFAS verder biedt in het uitvoeren en beheersen van het inkoopproces. Dit helpt ons om tijdig aanbestedingsoverschrijdingen te constateren en daarop te acteren. Daarnaast hebben wij de ambitie om de verbijzonderde interne controlefunctie binnen de organisatie te versterken. In maart 2026 start er een nieuwe adviseur audit & control. Hierdoor kunnen we meer inzetten op risico gericht controleren. In Q2 2026 stellen we het controleplan voor 2026 op. Hierin is de mogelijkheid van het uitvoeren van controles door data-analyse een aandachtspunt. Ook bekijken we in hoeverre we de interne controle en beheersing kunnen inrichten en uitvoeren conform het ‘Three Lines Of Defence model’.

57

Jaarstukken 2025

3.6

Wet open overheid (Woo)

Iedereen heeft recht op informatie van de overheid. Overheidsorganisaties moeten die informatie uit zichzelf geven, of als iemand daarom vraagt. De informatie wordt dan openbaar. Dat is geregeld in de Wet open overheid (Hierna: Woo). Actieve openbaarmakingsplicht De overheid moet uit zichzelf zoveel mogelijk informatie openbaar maken als dat zonder grote moeite of hoge kosten kan. Daarnaast staan in de Woo 17 soorten informatie die overheden uit zichzelf openbaar moeten maken. Deze verplichting wordt stap voor stap ingevoerd. Om informatie actief openbaar te kunnen maken, is de website van VRBZO aangepast. De komende periode vinden verdere aanpassingen plaats. VRBZO voldoet aan de verplichtingen die al in werking zijn getreden. VRBZO streeft ernaar ook tijdig te voldoen aan de verplichtingen die de komende periode worden ingevoerd. Het actuele beeld is dat dit realistisch is. Waar dit redelijkerwijs mogelijk is, maakt VRBZO eerder soorten informatie actief openbaar en wacht hiermee dus niet totdat de wettelijke verplichting wordt ingevoerd. Openbaarmakingsplicht op verzoek De overheid maakt informatie openbaar als iemand erom vraagt. VRBZO ontvangt veel verzoeken om informatie of documenten. Deze verzoeken behandelen we allemaal zorgvuldig.

Hierbij bekijken we per verzoek of dit verzoek kan worden afgehandeld door de gevraagde informatie in overleg te verstrekken of dat een verzoek moet worden aangemerkt als een formeel Woo-verzoek. Formele Woo-verzoeken handelen we in lijn met de procedure en binnen de inhoudelijke kaders op basis van de Woo af. VRBZO heeft in 2025 2 formele Woo-verzoeken ontvangen. Eén verzoek was afkomstig van een belangengroepering en had betrekking op de voorbereidingen op een mogelijke oorlog. Het andere verzoek ontvingen we van een journalist en had betrekking op informatie over de bedrijfsvoering van VRBZO die is besproken of gedeeld met het bestuur. Naar aanleiding van beide verzoeken zijn besluiten genomen en zijn documenten (gedeeltelijk) openbaar gemaakt. Naast de formele Woo-verzoeken hebben we tientallen informatieverzoeken ontvangen die allemaal naar tevredenheid van de verzoeker informeel zijn afgehandeld.

58

Jaarstukken 2025

4. Analyse resultaat 2025 De jaarrekening 2025 sluit af met een positief gerealiseerd saldo van baten en lasten van € 292.609. Dit is ongeveer 0,42% van de totale begroting van € 67,9 miljoen. Hieronder staat het begrotings- en realisatieoverzicht van baten en lasten. In de laatste kolom staat het resultaat per programma en het totale jaarresultaat. Lasten/Baten

Programma

Begroting na wijzigingen

Realisatie

Afwijking

Lasten

Brandweerzorg

€ 46.971.621

€ 47.185.943

-€ 214.321

Crisisbeheersing

€ 5.015.973

€ 4.713.043

€ 302.930

Financiering

€ 2.626.999

€ 2.609.929

€ 17.070

Ondersteuning Organisatie

€ 13.350.244

€ 13.504.121

-€ 153.878

Totaal Lasten Baten

€ 67.964.837

€ 68.014.363

-€ 48.204

Brandweerzorg

-€ 721.246

-€ 841.573

€ 120.327

Crisisbeheersing

-€ 32.000

-€ 51.597

€ 19.597

-€ 67.211.591

-€ 67.324.411

€ 112.820

-€ 88.070

€ 88.070

-€ 67.964.837

-€ 68.305.650

€ 340.813

€0

-€ 292.609

€ 292.609

Financiering Ondersteuning Organisatie Totaal Baten Resultaat

De belangrijkste oorzaken van het resultaat beschrijven we in onderstaande paragraaf. De afwijking per programma lichten we verder toe in paragraaf 3.2 van de jaarrekening (vanaf pagina 81).

4.1

Analyse van het resultaat 2025 Analyse jaarresultaat VRBZO 2025

€ 3,000,000

Loonkosten € 2,460,900

€ 2,000,000

€ 1,000,000

Kapitaalslasten € 844,900 Jaarresultaat € 292,600

€Diverse hogere baten Overige exploitatie € 161,900 € -152,400

€ -1,000,000

Toevoeging voorzieningen € -797,100

€ -2,000,000 Inhuur derden € -2,225,600

€ -3,000,000

We beschrijven hier de belangrijkste oorzaken voor de afwijkingen in de realisatie van de begroting.

59

Jaarstukken 2025

Onderbesteding op kapitaalslasten: € 844.900 (i) We hebben een onderbesteding op kapitaalslasten. Dit komt door lagere afschrijvingslasten en een voordeel op rentelasten en -baten. Diverse grote investeringen zijn niet in 2025 gerealiseerd, waardoor we incidenteel een onderbesteding hebben op afschrijvingen. Deze investeringen zijn vooral gericht op speciale voertuigen. Dat zijn vaak langdurige en complexe trajecten die strategische beleidskeuzes vragen, het zijn namelijk kostbare voertuigen waar we ruim 15 jaar mee vooruit moeten kunnen. Dat vraagt om meerjarig beleid, bestuurlijke keuzes en goed onderzoek naar toekomstige behoefte. Bij de brandweer hebben we onvoldoende beleids- en uitvoeringscapaciteit om de (bestuurlijke) beleidskeuzes goed voor te bereiden en vervolgens het inkoop- en implementatietraject tijdig te realiseren. We richten de beschikbare capaciteit op diverse grote dossier om toch stappen te maken. Denk hierbij aan de aanschaf van nieuwe redvoertuigen en de vervanging van tankautospuiten. Tegelijk hadden deze en diverse andere investeringen al afgerond moeten zijn. Hierdoor houden we afschrijvingslasten over. Ook hebben we een incidenteel voordeel op rentelasten, omdat we de verwachte leningen voor krediet niet gebruiken voor investeringen.

Onderbesteding op loonkosten: € 2.460.900 (i + s) De onderbesteding is met name ontstaan doordat openstaande vacatures vanwege diverse redenen vaak ingevuld zijn met inhuur. Dit betreft zowel vacatures uit de bestuurlijke opdracht, als reguliere vacatures die ontstaan zijn door doorstroom en pensionering. Zie ook meer kosten inhuur. Wat we in dit overzicht niet meer zien is het voordeel dat is ontstaan doordat de cao-aanpassing niet tijdig in boekjaar 2025 is vastgesteld. In de laatste begrotingswijziging van 2025 is dit bedrag ingezet voor de vorming van de bestemmingsreserve. Dit vormt daardoor geen onderdeel meer van het positieve saldo op loonkosten. Tot slot hebben we een nog te betalen post opgenomen van € 500.000 als nabetaling op loon- en reiskosten 2025. Inhuur van medewerkers: € -2.225.600 (i) De tijdelijke inhuur van medewerkers hangt direct samen met de genoemde openstaande formatieruimte, waarbij functies om uiteenlopende redenen tijdelijk met inhuur worden ingevuld, zoals de noodzaak om snel over specifieke expertise te beschikken, het overbruggen van de periode die werving en selectie vergt, het ontbreken van een formele functieomschrijving en -waardering, of het eerst moeten afronden van een reorganisatie. Toevoeging voorzieningen € -797.100 (i) De belangrijkste oorzaken voor dit verschil zijn toevoegingen aan de voorzieningen voor verlofsparen en overwerk.

We lichten dit hieronder toe. a)

Verlofsparen

In 2025 hebben meer mensen dan verwacht gebruik gemaakt van de mogelijkheid tot verlofsparen. Het zijn vooral mensen met de verlofstuwmeren waarover we in de bestuurlijke deelopdracht 1 schreven. Zij hebben veel van hun bovenwettelijke verlofuren omgezet in spaarverlof. Deze uren moeten we direct in de voorziening verlofsparen storten. In 2025 betrof dit een bedrag van ongeveer € 700.000. b)

Correctie achterstallige uitbetaling overwerk beroepsdienst

We hebben geconstateerd dat over een periode van 5 jaar de overwerkuren van een groep medewerkers niet correct is uitbetaald. Dit kwam omdat een opslagfactor onterecht niet op overwerk is toegepast. Eind 2025 brachten we het probleem in kaart, de correctie naar de betreffende medewerkers vindt in 2026 plaats. De geraamde kosten bedragen ongeveer € 97.000. Voor dit bedrag vormden we een voorziening overwerk.

60

Jaarstukken 2025

Diverse hogere baten: € 161.900 (s + i) We hadden in 2025 diverse hogere baten. De hogere indexatie van de BDuR is structureel, de overige hogere baten zijn incidenteel. We lichten de belangrijkste oorzaken hieronder toe. a)

Hogere indexatie BDUR

In de begroting rekenen we met een verwachte indexatie op de inkomsten vanuit de BDuR. Het Rijk stelt de indexatie voor de BDuR pas na de zomer (in de september circulaire) in het lopende jaar vast. Door de hoge inflatie in het afgelopen jaar viel de indexatie ongeveer € 84.000 hoger uit dan verwacht. Hierdoor hebben we een structurele meevaller op de BDuR inkomsten in het programma financiering. b)

Subsidie bijstand

Bij grote incidenten in het land kan een veiligheidsregio andere veiligheidsregio’s om bijstand vragen. In 2025 hebben wij onder andere bijstand verleend bij een grote natuurbrand. Vanuit het Rijk krijgen we een compensatie voor de bijstandverlening. De bijdragen bedroeg in 2025 incidenteel € 46.000. c)

Hogere inkomsten door verkoop materieel en materiaal

We hebben oude voertuigen (materieel) en gereedschappen (materiaal) verkocht tegen een hogere waarde dan vooraf ingeschat. Dit levert een incidenteel voordeel op in onze inkomsten van € 17.000. Overige exploitatie: € -152.400 Een overbesteding op de exploitatie. Dit werd grotendeels veroorzaakt door hogere ICT kosten voor onder andere de omzetting van de IT-infrastructuur naar de cloud (IaaS) en licenties. Ook hadden we hogere uitgaven aan onderhoud van voertuigen.

61

Jaarstukken 2025

DEEL 2: Jaarrekening In de jaarrekening wordt verantwoording afgelegd over het in 2025 gevoerde financiële beleid en beheer van Veiligheidsregio Brabant-Zuidoost (VRBZO). Daarbij is rekening gehouden met de wijzigingen van de begroting 2025 die in de loop van 2025 werden vastgesteld door het Algemeen Bestuur. De structuur van de jaarrekening sluit aan bij de vastgestelde programmabegroting. De jaarrekening 2025 bestaat uit:

• • • • •

Grondslagen voor waardering en resultaatbepaling; De balans voorzien van een toelichting; Overzicht van baten en lasten met toelichting; WNT-verantwoording en; SiSa verantwoording.

De jaarrekening kent in lijn met het Besluit Begroting en Verantwoording (BBV) een programmagerichte benadering die voor 2025 voor VRBZO is opgebouwd uit 4 programma’s met daarin 9 programmaproducten: 1.

2.

3.

4.

Programma 1: Brandweerzorg •

Risicobeheersing

•

Incidentbestrijding

Programma 2: Crisisbeheersing •

GHOR

•

Crisisbeheersing

•

Bevolkingszorg

Programma 3: Financiering •

Bijdragen Gemeenten

•

Bijdragen Rijk

•

Overige financiering en algemene dekkingsmiddelen

Programma 4: Ondersteuning organisatie •

5

Ondersteuning organisatie5

VRBZO rekent in hoofdlijnen de activiteiten van de sector bedrijfsvoering en de leidinggevenden van het primaire proces tot de

ondersteuning van de organisatie. Huisvesting heeft in de organisatie vooral een taak voor de brandweerzorg en wordt daarom niet tot de ondersteuning van de organisatie gerekend. De medewerkers die onder de ondersteuning van de organisatie vallen hebben vaak ook een uitvoerende of leidinggevende functie bij grote incidenten of rampen.

62

Jaarstukken 2025

1. Grondslagen voor waardering en resultaatbepaling De jaarrekening is opgesteld met inachtneming van de voorschriften zoals opgenomen in het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten (BBV) en de verordening ex artikel 212 Gemeentewet, waarin het Algemeen Bestuur de uitgangspunten voor het financiële beleid, alsmede de regels voor het financiële beheer en voor de inrichting van de financiële organisatie zijn vastgesteld. De in de onderhavige jaarrekening gehanteerde grondslagen voor waardering en resultaatbepaling zijn gebaseerd op de veronderstelling van continuïteit van de gemeenschappelijke regeling.

1.1

Algemene grondslagen voor het opstellen van de jaarrekening

De waardering van de activa en passiva en de bepaling van het resultaat vindt plaats op basis van historische kosten. Tenzij bij het desbetreffende balanshoofd anders is vermeld, worden de activa en passiva opgenomen tegen nominale waarde. De baten en lasten worden toegerekend aan het jaar waarop zij betrekking hebben. Baten en winsten worden slechts genomen voor zover zij op de balansdatum zijn gerealiseerd. Verliezen en risico's die hun oorsprong vinden voor het einde van het begrotingsjaar, worden in acht genomen indien zij voor het opmaken van de jaarrekening bekend zijn geworden. Personeelslasten worden in principe toegerekend aan het boekjaar waarop ze betrekking hebben. Als gevolg van het formele verbod op het opnemen van voorzieningen dan wel schulden uit hoofde van jaarlijks terugkerende arbeidskosten gerelateerde verplichtingen van vergelijkbaar volume, worden sommige personele lasten echter toegerekend aan de periode waarin uitbetaling plaatsvindt; daarbij moet worden gedacht aan componenten zoals ziektekostenpremie ten behoeve van gepensioneerden, overlopende en verlofaanspraken en dergelijke. De referentieperiode is dezelfde als die van de meerjarenraming, te weten 4 jaar. Indien er sprake is van (eenmalige) schokeffecten (bijvoorbeeld reorganisaties) dient wel een verplichting opgenomen te worden. 1.1.1

Activa

Vaste activa De investeringen met economisch nut zijn gewaardeerd tegen de verkrijging- of vervaardigingprijs en bijkomende kosten. Specifieke investeringsbijdragen van derden worden op de desbetreffende investering in mindering gebracht; in die gevallen wordt op het saldo afgeschreven. Afschrijving vindt plaats vanaf 1 januari na het moment van ingebruikname volgens de lineaire methode, waarbij geen rekening wordt gehouden met een eventuele restwaarde. De afschrijvingspercentages zijn gebaseerd op de verwachte levensduur. Afschrijvingen geschieden onafhankelijk van het resultaat van het boekjaar. Op grond wordt niet afgeschreven. Er wordt niet langer afgeschreven dan de vooraf vastgestelde termijn en niet verder dan dat de boekwaarde nihil is. De gehanteerde afschrijvingstermijnen zijn in lijn met het interne activabeleid.

63

Jaarstukken 2025

Als een investering buiten gebruik wordt gesteld dient een extra afschrijving plaats te vinden als de restwaarde lager is dan de boekwaarde. De opbrengstwaarde van een investering die buiten gebruik is gesteld wordt niet in mindering gebracht op een nieuwe investering, maar wordt als bijzondere bate verantwoord.

64

Jaarstukken 2025

Als de waarde van een investering duurzaam vermindert in enig jaar wordt deze waardevermindering onafhankelijk van het resultaat in aanmerking genomen. Waardeverminderingen worden op de investering in mindering gebracht. Ook als een vast actief buiten gebruik gesteld wordt, heeft op het moment van buitengebruikstelling een afwaardering van de boekwaarde plaatsgevonden naar de lagere restwaarde. De lasten samenhangend met de uitvoering van klein en groot onderhoud zijn niet levensduur verlengend en zijn daarom niet geactiveerd, maar direct ten laste van de exploitatie of de gevormde voorziening gebracht. Er is geen sprake van gronden in erfpacht. Vorderingen en overlopende activa De vorderingen worden gewaardeerd tegen nominale waarde. Voor oninbaarheid wordt, indien noodzakelijk, een voorziening dubieuze debiteuren getroffen. Deze voorziening wordt statisch bepaald. Liquide middelen Liquide middelen worden tegen nominale waarde verantwoord. Schatkistbankieren In principe dienen alle overtollige middelen in de schatkist te worden aangehouden. Er zijn echter een aantal uitzonderingen. Eén daarvan is het drempelbedrag. Dat is een minimumbedrag (afhankelijk van de omvang van de decentrale overheid) dat gemiddeld per kwartaal buiten de schatkist mag worden gehouden.

Het drempelbedrag is bedoeld om het dagelijkse kasbeheer te vereenvoudigen: niet elke laatste euro hoeft in de schatkist te worden aangehouden. In principe hoeven alleen de liquide middelen die boven het drempelbedrag uitgaan in de schatkist te worden aangehouden. 1.1.2

Reserves

In het BBV worden reserves omschreven als vermogensbestanddelen die als eigen vermogen zijn aan te merken en die vanuit bedrijfseconomisch oogpunt vrij te besteden zijn. De vaststelling van de noodzakelijke omvang van de reserves is een zaak van het Algemeen Bestuur. Daarom worden reserves ook wel onderverdeeld in algemene en bestemmingsreserves. Zodra het Algemeen Bestuur aan een reserve een bepaalde bestemming heeft gegeven, is er sprake van een bestemmingsreserve. Om die reden kunnen bestemmingsreserves naar de situatie per ultimo boekjaar geen negatieve stand kennen. Heeft een reserve geen bestemming dan wordt het een algemene reserve genoemd. De reserves worden gewaardeerd tegen nominale waarde. 1.1.3

Schulden

Vaste schulden Vaste schulden worden gewaardeerd tegen de nominale waarde, verminderd met gedane aflossingen. De vaste schulden hebben een rente typische looptijd van één jaar of langer.

65

Jaarstukken 2025

Voorzieningen De definitie van een voorziening is een schatting van voorzienbare lasten waarvan het ontstaan in het verleden ligt. De exacte omvang hiervan is onzeker evenals het tijdstip van optreden. Alle voorzieningen zijn opgenomen tegen de nominale waarde. De onderhoudsvoorziening gebouwen stoelt op een meerjarig onderhoudsplan voor het uit te voeren groot onderhoud. De voorziening FLO wordt bepaald conform de uitgangspunten die zijn vastgesteld met het bestuur. De grondslagen zijn in hoofdlijnen opgenomen in de toelichting op deze balanspost. De overige personele voorzieningen zijn toegelicht in de toelichting op deze balanspost. Vlottende passiva De vlottende passiva worden gewaardeerd tegen de nominale waarde.

1.2

Grondslagen voor de rechtmatigheidsverantwoording

De rechtmatigheidsverantwoording die is opgenomen in de jaarrekening is opgesteld op basis van de kaders zoals besloten in de financiële verordening. Dat betekent dat: -

De rechtmatigheidsverantwoording toeziet op de financiële rechtmatigheid van baten, lasten, balansmutaties, alsmede de baten en lasten inzake de specifieke uitkeringen op grond van art. 17 Financiële-verhoudingswet;

-

De financiële rechtmatigheid waaronder het voorwaardencriterium, het begrotingscriterium en het misbruik en oneigenlijk gebruik (M&O) criterium omvat: o

voor het voorwaardencriterium bestaat de norm uit het normenkader zoals op 17 december 2025 door het Algemeen Bestuur is vastgesteld;

o

voor het begrotingscriterium geldt dat alle overschrijdingen van lasten en investeringskredieten onrechtmatig zijn, waarbij voor een aantal scenario’s in de financiële verordening is beschreven wanneer deze overschrijdingen acceptabel zijn. Voor over- en onderscheidingen van baten, onderschrijdingen van lasten en onderschrijdingen van investeringskredieten geldt dat deze als onrechtmatig zijn aangemerkt indien ze niet tijdig aan het algemeen bestuur zijn gemeld. Zie tevens de toelichting in de paragraaf bedrijfsvoering.

o

ten aanzien van het misbruik & oneigenlijk gebruik criterium is de kadernota geldend. Er is geen eigen nota M&O beleid binnen de organisatie. Omdat alleen bij misbruik sprake is van een onrechtmatigheid zijn eventuele gevallen van misbruik (mits cumulatief met andere fouten of onduidelijkheden boven de verantwoordingsgrens) opgenomen in de rechtmatigheidsverantwoording.

-

De rechtmatigheidsverantwoording is opgesteld binnen de kaders van onze eigen financiële verordening. Dit betekent dat: o

een verantwoordingsgrens van 2% (zijnde € 1.310.000) is gehanteerd waarboven cumulatieve fouten en onduidelijkheden in de rechtmatigheidsverantwoording worden opgenomen;

o

een rapporteringstolerantie van € 50.000 is gehanteerd waarboven fouten en onduidelijkheden in de paragraaf bedrijfsvoering worden opgenomen.

66

Jaarstukken 2025

2. Balans per 31 december 2025 Activa

31-12-2025

31-12-2024

Vaste activa

Passiva

31-12-2025

31-12-2024

Algemene reserve

€

3.858.747

€

3.261.747

Vaste passiva

Materiele vaste activa

Eigen vermogen

Bedrijfsgebouwen

€ 2.112.853

€

2.350.714

Gronden en terreinen

€

70.045

€

70.045

Best reserve Bestuurlijke opdracht

€

1.750.000

€

-

Machines, apparaten en installaties

€ 1.447.800

€

998.342

Best reserve Noodsteunpunten

€

180.000

€

-

Vervoermiddelen

€ 15.539.628

€ 14.816.173

Resultaat dit boekjaar

€

292.609

€

-1.154.200

Overige

€ 3.603.629

€

4.025.682

Totaal Eigen vermogen

€

6.081.356

€

2.107.547

Totaal Materiele vaste activa

€ 22.773.955

€

22.260.956

Voorziening minnelijke regelingen en RVU

€

183.908

€

352.530

Voorziening Onderhoud gebouw ROC

€

730.526

€

709.057

Voorziening FLO

€

1.633.377

€

2.072.793

Voorziening Verlofsparen

€

1.527.611

€

827.192

Voorziening FLO 1% compensatieregeling

€

12.053

€

12.053

Voorziening overwerk

€

97.000

€

-

Totaal Voorzieningen

€

4.184.476

€

3.973.626

Onderhandse bankleningen

€

9.620.833

€

12.256.666

Totaal Vaste schulden

€

9.620.833

€

12.256.666

€

19.886.665

€

18.337.839

Voorzieningen

Vaste schulden

Totaal Vaste activa

€ 22.773.955

€

22.260.956 Totaal Vaste passiva

Vlottende activa

Vlottende passiva

Uitzettingen

Vlottende schuld

Rekening courant Rijk

€ 9.045.202

€

3.446.473

Overige vlottende schulden

€

1.820.094

€

3.596.199

Vorderingen openbare lichamen

€ 4.665.540

€

9.666.866

Totaal Vlottende schuld

€

1.820.094

€

3.596.199

Overige vorderingen

€

€

38.351

Totaal uitzettingen

€ 13.794.998

Overlopende passiva voor openbare lichamen

€

15.644.824

€

14.292.656

Overige overlopende passiva

€

497.785

€

594.877

Totaal Overlopende passiva

€

16.142.609

€

14.887.533

84.256

€ 13.151.690

Liquide middelen Kas en bank

€

1.294

€

1.429

Totaal Liquide middelen

€

1.294

€

1.429

Overlopende activa openbare lichamen

€

264.301

€

573.321

Overige overlopende activa

€ 1.014.818

€

834.175

Overlopende passiva

Overlopende activa

67

Jaarstukken 2025

Totaal overlopende activa

€ 1.279.119

€

1.407.496

Totaal Vlottende activa

€ 15.075.411

€ 14.560.615

Totaal Vlottende passiva

€

18.051.529

€

18.483.732

Totaal Activa

€ 37.849.367

€ 36.821.571

Totaal Passiva

€

37.849.367

€

36.821.571

2.1

Toelichting op de balans

2.1.1

Vaste activa

Verloopoverzicht Investeringen met economisch nut

Gronden en terreinen

Bedrijfsgebouwen

Vervoermiddelen

Investeringen met economisch nut

€ 70.045

€2.350.714

€0

€0

€0

Onderhanden Investeringen met economisch nut

Totaal Investeringen met economisch nut

Overige

Totaal

€14.793.265

Machines, apparaten en installaties € 718.892

€4.025.683

€ 21.958.599

€ 3.020.471

€ 953.510

€ 137.305

€ 4.111.286

€0

€0

€0

-€ 31.594

-€ 31.594

€0

-€ 237.861

-€2.274.108

-€ 224.601

-€ 724.727

-€ 3.461.297

€ 70.045

€2.112.853

€15.539.628

€1.447.800

€3.406.667

€ 22.576.994

Boekwaarde 1 januari 2025 Mutaties lopende kredieten

€0

€0

€ 22.907

€ 279.451

€0

€ 302.358

€0

€0

€ 2.997.564

€ 674.059

€ 334.266

€ 4.005.889

Overboeken afgeronde kredieten Boekwaarde 31 december 2025

€0

€0

-€3.020.471

-€ 953.510

-€ 137.305

-€ 4.111.286

€0

€0

€0

€0

€ 196.961

€ 196.961

€ 70.045

€2.112.853

€15.539.628

€1.447.800

€3.603.628

€ 22.773.955

Gronden en terreinen In 2025 hebben geen mutaties plaatsgevonden op gronden en terreinen. Bedrijfsgebouwen In 2025 hebben buiten de afschrijvingen geen mutaties plaatsgevonden op Bedrijfsgebouwen. De totale verzekerde waarde per 1 januari 2025 bedraagt voor opstal van de bedrijfsgebouwen € 6.477.394 (2024: € 10.762.431) en voor de inventaris € 18.929.485 (2024: € 18.211.595). De totale WOZ-waarde voor de bedrijfsgebouwen bedraagt € 1.479.000 (2024: € 3.895.000). Deze waardevermindering komt door de verkoop van de kazernes Valkenswaard en Son en Breugel. Vervoermiddelen De investeringen voor vervoermiddelen betreffen: Aantal 2 4 Totaal

Voertuig Schuimblusvoertuigen Haakarmvoertuigen

Aanschafwaarde € 2.024.875 € 995.596 € 3.020.471

68

Jaarstukken 2025

De desinvesteringen voor vervoermiddelen betreffen: Aantal 8 4 1 1 Totaal

Voertuig Dienstbussen Haakarmvoertuigen Dienstauto Aanhanger

Boekwaarde bij verkoop €0 €0 €0 €0 €0

De desinvesteringen in vervoermiddelen hebben per saldo geresulteerd in een boekwinst van € 219.313. Machines, apparaten en installaties De investeringen voor machines, apparaten en installaties betreffen: Soort WIFI-netwerk Werkstations Laptops Beeldschermen SOS-toegang Smartphones Totaal

Aanschafwaarde € 320.799 € 262.836 € 163.345 € 152.954 € 27.972 € 25.604 € 953.510

Overige De investeringen voor overige betreffen: Soort Oefenmaterialen Bluskleding Inrichting ademluchtwerkplaats Bepakking schuimblusvoertuigen Versnaperingsautomaten Totaal

Aanschafwaarde € 51.004 € 27.768 € 21.589 € 21.142 € 15.803 € 137.306

Het onderhanden werk overige investeringen betreft: Soort Blushandschoenen

Aanschafwaarde € 196.961

De desinvesteringen voor overige betreffen: Soort Redgereedschap Brandweermaterialen Ademluchtapparatuur Communicatieapparatuur Totaal

Aanschafwaarde € 31.594 €0 €0 €0 € 31.594

De desinvestering in redgereedschap heeft te maken met enkele inbraken en diefstal van het gereedschap. De desinvesteringen in overige activa hebben per saldo geresulteerd in een boekwinst van € 41.417.

69

Jaarstukken 2025

2.1.2

Vlottende activa

Uitzettingen met een rente typische looptijd korter dan 1 jaar De in de balans opgenomen uitzettingen met een looptijd van één jaar of minder kunnen als volgt gespecificeerd worden: Omschrijving

31-12-2025

31-12-2024

Vorderingen op openbare lichamen

€ 4.665.540

€ 9.666.866

Rekening courantverhouding met het rijk

€ 9.045.202

€ 3.446.473

Overige vorderingen

€ 84.256

€ 38.351

€ 13.794.998

€ 13.151.690

Totaal uitzettingen met een rente typische looptijd korter dan 1 jaar

Overige vorderingen Dit bestaat uit het saldo van de private debiteuren.

70

Jaarstukken 2025

Schatkistbankieren Hieronder is de berekening van de benutting van het drempelbedrag schatkistbankieren te zien:

Berekening benutting drempelbedrag schatkistbankieren (bedragen x € 1000) Verslagjaar 2025 (1) Drempelbedrag 1306 Kwartaal 1 Kwartaal 2 Kwartaal 3 Kwartaal 4 Kwartaalcijfer op dagbasis buiten 's (2) Rijksschatkist 2 3 2 1 aangehouden middelen Ruimte onder het (3a) = (1) > (2) 1.304 1.303 1.304 1.304 drempelbedrag Overschrijding van het (3b) = (2) > (1) drempelbedrag (1) Berekening drempelbedrag Verslagjaar Begrotingstotaal (4a) 65.295 verslagjaar Het deel van het begrotingstotaal dat (4b) 65.295 kleiner of gelijk is aan € 500 miljoen Het deel van het begrotingstotaal dat (4c) de € 500 miljoen te boven gaat (1) = (4b) *0,02 + (4c)*0,002 met een minimum van €1.000.000 als het begrotingstotaal kleiner of gelijk is aan 500 mln. En als begrotingstotaal groter dan € 500 Drempelbedrag 1306 miljoen is het drempelbedrag gelijk aan € 10 miljoen, vermeerderd met 0,2% van het deel van het begrotingstotaal dat de € 500 miljoen te boven gaat. (2) Berekening kwartaalcijfer op dagbasis buiten 's Rijks schatkist aangehouden middelen Kwartaal 1 Kwartaal 2 Kwartaal 3 Kwartaal 4 Som van de per dag buiten 's Rijks (5a) schatkist 187 242 165 129 aangehouden middelen (negatieve

71

Jaarstukken 2025

bedragen tellen als nihil) (5b)

Dagen in het kwartaal Kwartaalcijfer op dagbasis buiten 's Rijks schatkist aangehouden middelen

(2) - (5a) / (5b)

90

91

92

92

2

3

2

1

Liquide middelen Omschrijving

31-12-2025

31-12-2024

1.294

1.429

Banksaldi Kassaldi

-

-

Totaal

1.299

1.429

Overlopende activa Omschrijving

31-12-2025

31-12-2024

Overige nog te ontvangen bedragen en vooruitbetaalde bedragen

1.279.119

1.407.496

Totaal

1.279.119

1.407.496

Specificatie overlopende activa Omschrijving

31-12-2025

31-12-2024

Te ontvangen bedragen openbare lichamen

268.496

197.201

Vooruitbetaald BPM

376.120

Vooruitbetaalde bedragen niet-openbare lichamen

963.711

824.201

Overige overlopende activa

46.911

9.974

Totaal

1.279.119

1.407.496

2.1.3

Eigen vermogen

Het verloopoverzicht van het eigen vermogen kan als volgt worden gepresenteerd: Verloopoverzicht eigen vermogen

1-1-2025

Toevoeging

Algemene reserve

€ 3.261.747

€ 597.000

Resultaatbestemming

Resultaat boekjaar

31-12-2025

€ 3.858.747

Bestemmingsreserve Noodsteunpunten Bestemmingsreserve Bestuurlijke opdracht Onverdeeld resultaat

€-

€ 180.000

€ 180.000

€-

€ 1.750.000

€ 1.750.000

€ -1.154.200

€-

€ 1.154.200

€ 292.609

€ 292.609

Totaal

€ 2.107.547

€ 2.527.000

€1.154.200

€ 292.609

€ 6.081.356

In 2025 is door het Algemeen Bestuur besloten om het negatieve resultaat van 2024 te compenseren door middel van een extra gemeentelijke bijdrage. Hierdoor is het bedrag van het resultaat onder resultaatbestemming positief. 72

Jaarstukken 2025

Algemene reserve Deze reserve is bestemd voor het opvangen van financiële risico’s (onderdeel van het weerstandsvermogen) en van grote incidentele schommelingen in de exploitatie. In de vergadering van het Algemeen Bestuur van december 2022 is de nota Beleidskader 4-GR vastgesteld. Hierin zijn onder andere bepalingen over de aard en omvang van de algemene reserve opgenomen. Met de vaststelling van de beleidsnota is tevens besloten dat de hoogte van de algemene reserve niet is gebaseerd op de risico’s waar de organisatie mee te maken heeft, maar gekoppeld is aan de totale baten van de organisatie. Op basis van deze notitie is voor VRBZO op basis van de huidige begroting een gewenste omvang van de algemene reserve vastgesteld tussen €2.400.000 tot €3.200.000. In de 4e begrotingswijziging 2025 doteren we tussentijds € 597.000 aan de algemene reserve om de financiële gevolgen van de efficiencykorting op de BDuR vanaf 2026 incidenteel op te vangen (voor verdere toelichting zie paragraaf 1.1.3). Ondanks Rijkscompensatie voor weerbaarheid resteert in 2026 namelijk nog een incidenteel tekort van circa € 597.000. Door dit bedrag in 2025 uit de exploitatiebegroting van programma Crisisbeheersing toe te voegen aan de algemene reserve. In 2026 onttrekken we hetzelfde bedrag aan de algemene reserve ter financiering van de korting op de BDuR in dat jaar.

In lijn met het plan voor bestuurlijke deelopdracht 1 (voldoen aan wet- en regelgeving) onttrekken we in 2026 incidenteel een bedrag van € 1.870.000 uit de algemene reserve. Ook in 2027 wordt nog een onttrekking gedaan van € 1.330.000. Voor meer informatie hierover verwijzen wij naar de begroting 2026 op onze website www.vrbzo.nl. Bestemmingsreserves In lijn de bestuurlijk vastgestelde 4e begrotingswijziging 2025 vormde VRBZO een bestemmingsreserve van € 1.750.000 voor incidentele financiering van bestuurlijke deelopdrachten 2 en 3 (beleidsplan 2027-2030). De middelen in de bestemmingsreserve zijn bedoeld voor uitvoering van de plannen van jaarschijf 2026 van bestuurlijke deelopdrachten 2 en 3 (beleidsplan 2027-2030). Naast de bestemmingsreserve voor de bestuurlijke opdracht, vormden we ook een bestemmingsreserve van € 180.000 voor pilots noodsteunpunten. Vanuit het ministerie van JenV ontving VRBZO eind 2025 een incidentele bijdrage van € 180.000 voor pilots noodsteunpunten. In de 4e begrotingswijziging 2025 besloot het Algemeen Bestuur om de gelden in een bestemmingsreserve noodsteunpunten te plaatsen. Deze reserve is bedoeld om de ontvangen rijksmiddelen voor pilots noodsteunpunten doelgericht in 2026 in te zetten.

Gerealiseerd resultaat Voor een toelichting op het gerealiseerde resultaat verwijzen wij naar de analyse van het jaarresultaat 2025 in hoofdstuk 4 (Deel 1) van het jaarverslag.

73

Jaarstukken 2025

2.1.4

Voorzieningen

Verloopoverzicht voorzieningen Voorziening Onderhoud Gebouw ROC Voorziening FLO Voorziening FLO 1% compensatieregeling Voorziening minnelijke regelingen en RVU Voorziening Verlofsparen Voorziening overwerk Totaal

1-1-2025 € 709.057 € 2.072.793 € 12.053 € 352.530 € 827.192 €€ 3.973.626

Toevoeging € 70.000 € 1.657.353 €€ 14.605 € 702.358 € 97.000 € 2.541.315

Onttrekking € -48.531 € -2.096.769 €€ -183.227 € -1.939 €€ -2.330.465

31-12-2025 € 730.526 € 1.633.377 € 12.053 € 183.908 € 1.527.611 € 97.000 € 4.184.476

Voorzieningen ter egalisering van kosten Onderhoud Gebouw ROC – voorziening Doelstelling van deze voorziening is het egaliseren van het groot onderhoud aan het pand Engelse Tuin te Waalre, waarin het opleidingscentrum is gehuisvest. De middelen uit deze voorziening worden verkregen uit de exploitatierekening waarbij het uitgangspunt wordt gehanteerd dat de jaarlijks gelijke storting voldoende moet zijn om de meerjarig te onttrekken onderhoudskosten af te dekken. In 2023 is het meerjarenonderhoudsplan geactualiseerd. De verwachte onderhoudskosten zijn voor 10 jaar (t/m 2033) in beeld gebracht. Op basis van dit plan is een jaarlijkse toevoeging aan de voorziening noodzakelijk van € 70.000. Het streven is dat het plan in 2026 opnieuw geactualiseerd zal worden en ook de jaarlijkse dotatie opnieuw getoetst wordt. Voorzieningen voor verplichtingen, verliezen en risico’s FLO De voorziening FLO (Functioneel Leeftijd Ontslag) is gevormd voor brandweerlieden die tot 2006 het recht hebben verworven tot FLO-overgangsrecht. Dit is geen vroegpensioen maar een situatie waarbij medewerkers worden vrijgesteld van werkzaamheden, dus in dienst blijven met een inkomensgarantie van 75% netto. Afhankelijk van het aantal dienstjaren op 31-12-2005 heeft men recht op deze inkomensgarantie minimaal 5 jaar en maximaal 8 jaar. Men blijft dus in dienst en bouwt ook 100% pensioen op.

Diverse wijzigingen in (aanverwante) regelgeving hebben geleid tot het FLO-overgangsrecht dat per 1 januari 2018 is aangepast. De voorziening ziet toe op het bedrag waar brandweerlieden, vallend onder het FLOovergangsrecht, recht hebben in de periode tussen de ingangsdatum van hun FLO-overgangsrecht en de daadwerkelijke pensioendatum. O.b.v. de volgende uitgangspunten is de voorziening bepaald: -

Het is van toepassing op brandweerlieden die voor 1 januari 2006 in dienst waren

-

Ingangsdatum FLO op basis van de uittredeleeftijden zoals weergegeven in hoofdstuk 9i van de CAR(UWO) Veiligheidsregio’s

-

Netto inkomensgarantie van 75% gedurende de gehele FLO-periode als ware het dat betrokkene op dat moment nog in actieve dienst was

-

AOW-compensatie die gaat over het verschil tussen leeftijd 67 jaar en de individuele AOW-leeftijd. Minimaal 6 weken en maximaal 27 maanden

-

Individueel opgebouwd netto FLO-spaartegoed (NFST) wordt ingezet ter financiering van de 75% netto garantie.

De uitgangspunten van deze voorziening zijn in detail uitgewerkt in het financieel beleid. Op hoofdlijnen geldt het volgende: • Wijzigingen met een structureel effect op de kosten worden zoveel mogelijk structureel verwerkt middels aanpassing van de dotatie. •

Wijzigingen met een incidenteel effect op de kosten leiden zoveel mogelijk tot een incidenteel resultaat.

74

Jaarstukken 2025

•

De voorziening mag nooit negatief worden; dit kan afhankelijk van bovenstaande leiden tot een aanpassing van de jaarlijkse dotatie ofwel tot een incidentele dotatie.

Per 31 december 2025 is de looptijd van de verplichting van gemeenten als volgt: Looptijd Uitgave Korter dan 1 jaar

€ 1.814.505

Tussen 1 en 5 jaar

€ 7.181.287

Langer dan 5 jaar

€ 17.583.803

Totaal in scope

€ 26.579.595

FLO 1% compensatieregeling In 2006 is het FLO-overgangsrecht afgesproken; de levensloopregeling was een belangrijke pijler in dat FLOovergangsrecht. In de levensloopregeling spaarde de werkgever door middel van een bruto werkgeversbijdrage levensloop voor de medewerker. Deze bruto bijdrage werd via de salarisstrook van de medewerker gestort op een zogenaamde Levenslooppolis Loyalis (later a.s.r.). Het wegvallen van de levensloopregeling per 1 januari 2022 leidde er onder andere toe dat werkgevers en vakbonden ter vervanging hiervan een nieuwe regeling hebben afgesproken: de netto FLO spaarregeling. Dit betekende dat alle gespaarde bruto gelden op de lenslooppolissen overgeheveld moesten worden naar een netto spaarregeling. Met als gevolg uitbetaling van bruto gelden en dus verhoogde inkomens voor de medewerkers. Dit overhevelen en het versneld sparen levensloop kan leiden tot een financieel nadeel. Dit financieel nadeel is reden geweest voor werkgevers en vakbonden om een compensatieregeling af te spreken. De compensatieregeling compenseert alleen een nadeel dat toegerekend kan worden aan de kalenderjaren 2019, 2020 en 2021 omdat in deze jaren sprake is gewest van transitie levenslooptegoed en/of versneld sparen levensloop. Eventuele voordelen in het ene kalenderjaar worden verrekend met een nadeel over een ander kalenderjaar.

Alle neveninkomsten, uit loondienst of eigen bedrijf, worden meegenomen tot een bedrag van € 9.000. De grens van € 9.000 is de uitkomst van onderhandelingen tussen werkgevers en vakbonden. Per kalenderjaar is een drempel aan de orde van 1% van het inkomen van de medewerker. Vandaar ook de naam van de regeling. De werknemer levert bij de werkgever alle benodigde documenten aan. Deze documenten worden doorgestuurd naar het Expertisebureau. Het Expertisebureau beoordeeld en berekend het bedrag waarvoor de medewerker gecompenseerd wordt. Het kan voorkomen dat een gedeelte van de compensatie door de aard van het nadeel niet meteen uitbetaald kan worden. Denk bijvoorbeeld aan kinderen van medewerkers die door de uitbetaling van het levenslooptegoed een lagere studiefinanciering ontvangen. Dit nadeel doet zich alleen voor indien ze hun studie tijdig afronden. De compensatie wordt dan alleen uitbetaald indien het kind de studie tijdig afrond. We vormen in dat geval een voorziening voor deze verplichting. Minnelijke regelingen en RVU (regeling vervroegd uittreden) In 2024 hebben wij een voorziening gevormd voor een aantal medewerkers die middels een minnelijke regeling uit dienst gaan. Naast de loonkosten van deze medewerkers, zijn er over deze minnelijke regelingen RVU-boetes verschuldigd. De kosten die hierbij horen zijn toegevoegd aan de voorziening.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16886606/1