A14 VRBZO - Concept Jaarstukken 2024
Tekst van het document
3.1.2
Financiële kengetallen VRBZO
Het BBV schrijft voor dat we een aantal financiële kerngetallen standaard opnemen in de verplichte paragraaf Risicomanagement en Weerstandsvermogen. Dit doen we hieronder voor 2024. Financiële kengetallen conform BBV-richtlijn:
Jaarrekening 2023
Jaarrekening 2024
Begroot %
Netto schuldquote
35%
26%
40%
Netto schuldquote gecorrigeerd voor alle verstrekte
35%
26%
40%
Solvabiliteitsratio
10%
5,7%
6%
Structurele exploitatieruimte
0%
0%
Grondexploitatie
n.v.t.
n.v.t.
Belastingcapaciteit
n.v.t.
n.v.t.
leningen
De netto schuldquote is gedaald ten opzichte van vorig jaar gedaald. De netto schuldquote weerspiegelt het niveau van de schuldenlast van de veiligheidsregio ten opzichte van de eigen middelen. Daarmee geeft het een indicatie van de mate waarin de rente en aflossingen op de exploitatie drukken. Onder de solvabiliteitsratio wordt verstaan het eigen vermogen als percentage van het totale vermogen. De solvabiliteitsratio is ook gedaald ten opzichte van vorig jaar. 3.1.3
Weerstandsvermogen en –capaciteit
Het weerstandsvermogen is het vermogen van de organisatie om (financiële) risico’s op te vangen. Het vormt als beheersmaatregel het sluitstuk van risicomanagement. Het weerstandsvermogen geeft de financiële robuustheid aan van de begroting, de jaarrekening en de financiële positie. De ratio weerstandsvermogen is de verhouding tussen de beschikbare weerstandscapaciteit en de benodigde weerstandscapaciteit (gekwantificeerde risico’s). De weerstandscapaciteit wordt gevormd door de gemeenschappelijke middelen (reserves) en is bedoeld om niet begrote kosten te dekken. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen de incidentele en structurele weerstandscapaciteit. Incidentele weerstandscapaciteit De incidentele weerstandscapaciteit is het vermogen dat ingezet kan worden om eenmalige tegenvallers op te vangen. De middelen die dat vermogen bepalen zijn: •
de algemene reserve en de reserves waaraan het Algemeen Bestuur een bestemming heeft gegeven die kan worden gewijzigd (bestemmingsreserves);
•
de in de begroting opgenomen ramingen voor onvoorziene uitgaven voor zover hier nog geen bestemming aan is gegeven;
•
de stille reserves, voor zover deze op korte termijn materieel te maken zijn (reserves waarvan de omvang en/of het bestaan niet uit de balans blijkt, voortkomend uit de onderwaardering van activa of overwaardering van schulden bij het volgen van normale waarderingsmethoden).
Behalve de algemene reserve heeft VRBZO geen andere (stille) reserves of risicoposten in de begroting die kunnen dienen als incidentele weerstandscapaciteit. De hoogte van de algemene reserve is op verzoek van de diverse 31
besturen met de andere grote gemeenschappelijke regelingen vastgesteld. Hierbij is een bandbreedte voor de omvang van de algemene reserve bepaald op basis van de omvang van de begroting. In het geval van VRBZO is deze bandbreedte € 2,4 – 3,2 miljoen. We gaan het bestuur voorstellen om het resultaat van dit jaar volledig te onttrekken uit de algemene reserve, daarmee komt de algemene reserve uit op € 2.107.547, wat buiten de bandbreedte ligt. Structurele weerstandscapaciteit De structurele weerstandscapaciteit heeft betrekking op het vermogen om onverwachte tegenvallers structureel in de lopende begroting op te vangen, zonder dat dit ten koste gaat van de uitvoering van bestaande taken. De middelen die dat vermogen bepalen zijn: •
bezuinigingsmogelijkheden (voor zover nog niet meegenomen in de begroting en meerjarenramingen);
•
cumulatief geraamde onvoorziene uitgaven;
•
de resterende (onbenutte) belastingcapaciteit (niet van toepassing voor VRBZO).
Op basis van de cijfers uit de jaarrekening 2024 levert dit de volgende weerstandscapaciteit op:
2024 Incidentele weerstandscapaciteit Algemene reserve
€
2.107.547
Bestemmingsreserves
€
0
Stille reserves
€
0
Totale incidentele weerstandscapaciteit (a)
€
2.107.547
Structurele weerstandscapaciteit
€
0
Cumulatief geraamde onvoorziene uitgaven
€
0
Totale structurele weerstandscapaciteit (b)
€
0
Totale weerstandscapaciteit (a + b)
€
2.107.547
3.1.4
Renterisicomanagement
Renterisicomanagement is een van de grootste aandachtsgebieden van de Wet FIDO. In deze paragraaf gaan we in op de renterisico’s en het beleid, dat is verbonden met de uitvoering van de treasury functie. Vanuit de optiek van de Wet FIDO zien we renterisico’s op de korte en op de langere termijn. Renterisico op korte termijn: de kasgeldlimiet Met de kasgeldlimiet is in de wet financiering decentrale overheden (FIDO) een norm gesteld voor het maximumbedrag, waarop VRBZO haar financiële bedrijfsvoering via middelen met een looptijd van maximaal een jaar mag financieren. De kasgeldlimiet is een voorgeschreven sturings- en verantwoordingsinstrument om het renterisico op de korte schuld te beperken. Als grondslag van de wettelijk toegestane omvang van de kasgeldlimiet wordt de omvang van de jaarbegroting per 1 januari voor het gehele begrotingsjaar aangehouden. Voor gemeenschappelijke regelingen bedraagt het percentage voor de berekening van de kasgeldlimiet 8,2% dat voor onbepaalde tijd is vastgesteld. Toetsing vindt plaats door het berekende bedrag te vergelijken met de werkelijke omvang van de kasgeldlimiet. Indien de werkelijke omvang lager is dan wettelijk toegestane omvang, is er sprake van ruimte; indien de werkelijke omvang hoger is dan is er sprake van overschrijding.
32
Toets kasgeldlimiet Omvang begroting per 1 januari € 61.022.754 (=grondslag)
Bedragen in euro's per kwartaal
1. Toegestane kasgeldlimiet - in procenten van de grondslag - in bedrag 2. Omvang vlottende korte schuld Opgenomen gelden < 1 jaar Schuld in rekening-courant Gestorte gelden door derden < 1 jaar 3. Vlottende middelen Contante gelden in kas Tegoeden in rekening-courant Overige uitstaande gelden < 1 jaar 4. Toets kasgeldlimiet Toegestane kasgeldlimiet (1) Totaal netto vlottende schuld (2)-(3) Ruimte (+)/Overschrijding (-)
Q1 € 5.003.866 8,20% € 5.003.866 €0 €0 €0
Q2 € 5.003.866 8,20% € 5.003.866 €0 €0 €0
Q3 € 5.003.866 8,20% € 5.003.866 €0 €0 €0
Q4 € 5.003.866 8,20% € 5.003.866 €0 €0 €0
€0
€0
€0
€0
€ 4.267.018 € 2.909 € 4.264.109 €0
€ 4.728.076 € 1.592 € 4.726.484 €0
€ 14.728.732 € 1.463 € 14.727.269 €0
€ 3.447.901 € 1.429 € 3.446.473 €0
€ 5.003.866 € -4.267.018 € 9.270.884
€ 5.003.866 € -4.728.076 € 9.731.942
€ 5.003.866 € 5.003.866 € -14.728.732 € -3.447.901 € 19.732.597 € 8.451.767
De Ratio weerstandvermogen bedraagt 0,54 over 2024. In paragraaf 3.1.1. duiden we onze conclusie over dit cijfer. Renterisico op langere termijn: de renterisiconorm VRBZO loopt renterisico op het moment dat nieuwe leningen moeten worden aangetrokken (herfinanciering) of als een renteherziening van toepassing is. Om het renterisico te beheersen is in de Wet FIDO de renterisiconorm geformuleerd. Het doel van deze norm is om overmatige afhankelijkheid van het renteniveau in één bepaald jaar te voorkomen, één en ander ter bescherming van de financiële positie. Met deze norm bevordert de Wet FIDO een solide financieringswijze bij openbare lichamen. Conform voorschrift van de geactualiseerde Wet FIDO wordt het renterisico in onderstaande tabel voor de komende 4 jaar bepaald, terwijl de renterisiconorm alleen betrekking heeft op het totaal van de rekening van het komende jaar. De norm schrijft voor dat maximaal 20% van het begrotingstotaal in een bepaald jaar gebruikt mag worden voor aflossing waarbij rekening wordt gehouden met de renteverandering van leningen. VRBZO voldoet hieraan voor elk van de vier jaarschijven.
33
Renterisiconorm Grondslag
2024
2025
2026
2027
Omvang begroting
€ 61.022.754
€ 65.294.837
€ 65.602.140
€ 65.602.140
20% norm
€ 12.204.551
€ 13.058.967
€ 13.120.428
€ 13.120.428
Aflossing
€ 2.930.833
€ 2.700.000
€ 2.100.000
€ 1.700.000
Renteverandering
€0
€ 6.000.000
€ 9.000.000
€0
Totaal
€ 2.930.833
€ 8.700.000
€ 11.100.000
€ 1.700.000
Ruimte
€ 9.273.717
€ 4.358.967
€ 2.020.428
€ 11.420.428
Toetsing
Rentevisie VRBZO baseert haar rentevisie op die van de Bank Nederlandse Gemeenten (BNG).
3.2
Financiering
In de financieringsparagraaf komen onderwerpen aan de orde die behoren tot het geldstromenbeleid van VRBZO. Uitgangspunten voor dit beleid zijn intern vastgelegd in de financiële verordening ex artikel 212 Gemeentewet en in het treasury statuut. In overleg met de 4 gemeenschappelijke regelingen in Zuidoost-Brabant is één model van financiële verordeningen, treasury statuten en ‘Nota activeren, waarderen en afschrijven’ opgesteld. Deze zijn in 2019 en december 2022 door het Algemeen Bestuur vastgesteld.
3.3
Onderhoud kapitaalgoederen
3.3.1
Gebouwbeheer
De gebouwen die in beheer zijn van VRBZO kunnen we onderverdelen in diverse categorieën, te weten: •
huur van de gemeenten (36 gebouwen);
•
huur van derden (1 gebouw);
•
in eigendom van VRBZO (1 gebouw: ROC Waalre);
Alle gebouwen (behalve het ROC in Waalre) zijn in eigendom van gemeenten en derden. Als eigenaar is het groot onderhoud van deze kazernes bij hen belegd. In de demarcatielijsten is afgesproken wat het gebruikersonderhoud is dat VRBZO moet uitvoeren.
3.3.2
Investeringsbeleid
VRBZO hanteert een meerjarige investeringsbegroting. Uitgangspunt daarin is dat investeringen worden vervangen op het moment dat zij economisch volledig zijn afgeschreven. De vervangingswaarde wordt bepaald op basis van een jaarlijkse indexering. Alleen als op basis van recent aangeschafte vergelijkbare producten de aanschafprijs fors afwijkt dan wordt de meeste courante marktprijs gehanteerd. Begrotingstechnisch worden investeringen in het jaar geraamd aansluitend aan het moment dat het oude activum is afgeschreven. Zodra de vervanging dichterbij komt, wordt de begroting aangepast aan de inhoudelijke planning. Werkelijke aanschaf van investeringsgoederen worden geactiveerd op 1 januari na het moment van ingebruikname.
34
3.4
Verbonden partijen
Een organisatie wordt gezien als een ‘verbonden partij’ als VRBZO belanghebbende is bij de organisatie, zowel vanuit bestuurlijk als financieel oogpunt. VRBZO had op 31 december 2024 zelf geen verbonden partijen. VRBZO zelf is een samenwerkingsverband op grond van de Wet gemeenschappelijke regelingen, waaraan 21 gemeenten deelnemen. De deelnemende gemeenten zorgen dat VRBZO over voldoende (financiële) middelen beschikt om aan haar verplichtingen te kunnen voldoen, waarmee de exploitatie en het afdekken van financiële risico’s gewaarborgd is. Ook hebben gemeenten een bestuurlijk belang in onze organisatie. Hierdoor is VRBZO een verbonden partij voor de 21 gemeenten.
3.5
Bedrijfsvoering
In de paragraaf bedrijfsvoering wordt een nadere duiding gegeven aan fouten en onzekerheden die onderdeel uitmaken van de rechtmatigheidsverantwoording. Daarnaast wordt toegelicht welke maatregelen het Dagelijks Bestuur neemt om fouten en onzekerheden (in de toekomst) te voorkomen. Ten slotte bespreken we in deze paragraaf kort wat relevante thema’s over de bedrijfsvoering van onze organisatie.
3.5.1
Rechtmatigheidsverantwoording
Met ingang van het boekjaar 2023 is VRBZO verplicht om zelf een rechtmatigheidsverantwoording op te stellen. Hiermee legt het Dagelijks Bestuur zelfstandig verantwoording af over de geldende wet- en regelgeving bij de totstandkoming van de in de jaarrekening verantwoorde baten en lasten, alsmede de balansmutaties, rechtmatig tot stand zijn gekomen. Dit houdt in dat deze in overeenstemming zijn met door de Algemeen Bestuur vastgestelde kaders zoals de begroting en verordeningen en met bepalingen in de relevante wet- en regelgeving. In 2023 heeft het Algemeen Bestuur besloten om de paragraaf ‘rechtmatigheidsverantwoording’ toe te voegen aan de financiële verordening. Voor de rechtmatigheidsverantwoording zijn de volgende criteria getoetst: begrotingscriterium, voorwaardencriterium en het misbruik & oneigenlijk gebruik criterium. Zie de jaarrekening 4. Rechtmatigheidsverantwoording voor de volledige rechtmatigheidsverantwoording. Het Algemeen Bestuur heeft een verantwoordingsgrens vastgesteld waarboven het Dagelijks Bestuur de afwijkingen
(fouten
en
onduidelijkheden)
moet
opnemen
in
de
rechtmatigheidsverantwoording.
De
verantwoordingsgrens is vastgesteld op 3% van de totale lasten inclusief mutaties in de reserves en is daarmee vastgesteld op € 1.917.000. Alleen die bevindingen die boven de rapporteringsgrens uitkomen dienen gerapporteerd te worden aan het Algemeen Bestuur en vastgelegd in de rechtmatigheidsverantwoording. De rapporteringsgrens voor de veiligheidsregio is vastgesteld op € 50.000. Het Algemeen Bestuur is van mening dat de in de jaarrekening verantwoorde baten en lasten en ook de balansmutaties rechtmatig tot stand zijn gekomen binnen de daarvoor gestelde verantwoordings- en rapporteringsgrens. Begrotingscriterium Het begrotingscriterium heeft betrekking op de grenzen van de baten en lasten in de geautoriseerde begroting. De begroting wordt bewaakt door de planning & control-cyclus. Begrotingswijzigingen kunnen 3 à 4 keer per jaar plaatsvinden en worden door het Algemeen Bestuur geautoriseerd. Zie ook hoofdstuk Begrotingswijzigingen 2024. De begroting is vastgesteld op programmaniveau. Bij vaststelling wordt ook de investeringsbegroting vastgesteld (financiële verordening art. 6.1)
35
Op basis van de financiële verordening (financiële verordening art. 6.2) is een melding en voorstel tot begrotingswijziging aan het algemeen bestuur verplicht indien het saldo van baten en lasten van een individueel programma met meer dan 10% verslechterd. Dit geldt eveneens voor investeringskredieten. De uitwerking van het begrotingscriterium in de rechtmatigheidsverantwoording volgt uit de financiële verordening artikel 10. Daarnaast is in 2024 de kadernota rechtmatigheid aangepast met een nadere uitwerking rondom het thema begrotingscriterium. Daarbij wordt het volgende schema gehanteerd:
Door bovenstaande aanpassing in de kadernota sluit de eigen financiële verordening op het onderwerp begrotingsrechtmatigheid (artikel 10) niet meer optimaal aan op de landelijke te hanteren richtlijn. Om verschil van inzicht naar de toekomst te voorkomen staat aanpassing van de financiële verordening gepland voor 2025. Voor de jaarrekening 2024 wordt – in afwijking van de werkwijze 2023 – zoveel mogelijk de nieuwe kadernota aangehouden. Hierbij gelden de volgende uitgangspunten: •
Overschrijdingen op lasten en/of investeringskredieten zijn altijd onrechtmatig, maar kunnen wel als acceptabel worden aangemerkt.
•
In artikel 10.4 van de financiële verordening zijn situaties gemeld waarbij overschrijdingen als acceptabel worden aangemerkt.
•
Aanvullend wordt een overschrijding ook als acceptabel aangemerkt, indien het saldo van baten en lasten binnen een programma niet meer dan 10% verslechterd. Dit om aansluiting te houden met de bepalingen in artikel 6.2 van de financiële verordening.
•
Eveneens worden overschrijdingen veroorzaakt door een bestuursbesluit ofwel welke gemeld zijn aan het algemeen bestuur (zonder aanpassing van de begroting) ook als acceptabel aangemerkt
•
Financiële voordelen (onderschrijdingen van lasten en/of investeringen en afwijkingen op baten) zijn in aard niet onrechtmatig. Tijdig melden kan nog bij de jaarrekening. Dit sluit aan met de bepaling in artikel 6.2 in de financiële verordening.
36
Uitwerking: Programma
Lasten
Lasten
Overschrijding
Onrechtmatig?
Acceptabel?
begroot
realisatie
Brandweerzorg
€ 45.039.141
€ 47.034.271
€ 1.995.130
Ja
Ja 1)
Crisisbeheersing
€ 5.089.078
€ 4.527.184
n.v.t.
n.v.t.
n.v.t.
Ondersteuning
€ 11.540.254
€ 11.910.650
€ 370.396
Ja
Ja 2)
€0
€ 471.197
€ 471.197
Ja
Ja 3)
organisatie Financiering
€ 2.836.723
Totaal onrechtmatig Kredieten 1)
Geen overschrijdingen aangetroffen (zie bijlage 1 )
Op het programma brandweerzorg komt de overschrijding op lasten voornamelijk voort uit de extra storting in de FLO voorziening van € 2 mln. Deze volgt uit besluitvorming van het dagelijks bestuur welke is gemeld aan het algemeen bestuur. Dit deel is hierdoor als acceptabel aangemerkt. Op de andere kostenplaatsen is individueel sprake van overschrijdingen (bijv. op personeel als gevolg van de storting voorziening spaarverlof) en onderschrijdingen (bijv. op kapitaallasten) welke per saldo tegen elkaar wegvallen. Omdat de rechtmatigheid op programmaniveau wordt beoordeeld hoeft dit niet individueel beoordeeld te worden. Aan de batenkant is er ook een overschrijding van baten te zien te zien. Deze overschrijding is per saldo gemeld tijdens de 2 e bestuursrapportage op 12 december 2024. Hierdoor is er geen sprake van een onrechtmatigheid. Het programma sluit af met een negatief resultaat van € 1,8 mln.
2)
Op het programma ondersteuning organisatie komt de overschrijding op lasten voornamelijk voort uit hogere loonkosten. Een directe tegenhanger hiervan zijn de hogere baten op detacheringen. De hogere inkomsten zijn als onderdeel van de overschrijding gemeld in de 2 e bestuursrapportage op 12 december 2024 en daarmee acceptabel. Het programma sluit af met een negatief resultaat van € 295k. Dit valt binnen de bandbreedte van 10% verslechtering.
3)
Op het programma financiering komt de overschrijding op lasten voornamelijk voort uit de boekwaarde van de verkochte kazerne. Hiertegenover staan compenseerde baten (verkoopsom kazerne). Daarnaast is er een onderschrijding op de rentelasten. Deze onderschrijding is niet onrechtmatig omdat deze salderen met de rentebaten en gemeld zijn bij het bestuur. Het programma sluit af met een positief resultaat van € 775k. Hierdoor is geen sprake van 10% verslechtering.
Voorwaardencriterium Het voorwaardencriterium heeft betrekking op de eisen die worden gesteld bij de uitvoering van de financiële beheershandelingen. De eisen/voorwaarden zijn afkomstig uit diverse wet- en regelgeving, zoals de Aanbestedingswet. In dit kader is over 2024 een onrechtmatigheid geconstateerd die qua bedrag onder de rapporteringstolerantie blijft. Dit dossier heeft overigens inhoudelijk onze aandacht. Misbruik en oneigenlijk gebruik-criterium Het misbruik en oneigenlijk gebruik-criterium heeft betrekking op het voorkomen, detecteren en corrigeren van misbruik en oneigenlijk gebruik van overheidsgelden en eigendommen bij financiële beheershandelingen. De in de Kadernota genoemde regelingen inzake misbruik en oneigenlijk gebruik hebben betrekking op het verstrekken van subsidies en/of uitkeringen of het innen van heffingen van derden. Daar dit geen activiteiten voor VRBZO zijn, is dit toetsingscriterium over 2024 niet van toepassing. Los daarvan kan misbruik en oneigenlijk gebruik zich natuurlijk wel voordoen op andere activiteiten, die wel onderdeel vormen van de werkzaamheden van VRBZO. Daarom willen we in 2025 de grootste risico's op het gebied van misbruik en oneigenlijk gebruik inzichtelijk maken en hiervoor de nodige beheersmaatregelen treffen.
37
38
Toekomst Om in de toekomst aan de rechtmatigheidsverplichtingen te voldoen hebben wij als organisatie maatregelen genomen. Zo is er in 2024 al in hogere frequentie aandacht besteed aan de spendanalyse, welke dezelfde rapportagecyclus aanhoudt als de bestuursrapportage. Dus 2 keer per jaar (april en augustus) en tevens aan het einde van het jaar. In 2025 zal voor de spendanalyse een nieuw format worden gehanteerd. Per 1 januari 2025 zijn we overgegaan van Unit4 naar AFAS. Met de overgang van Unit4 naar AFAS worden o.a. prestatieverklaringen gekoppeld aan inkoopfacturen. Dit biedt de mogelijkheid om middels data-analyse de aanwezigheid van prestatieverklaringen vast te stellen. Ook zal gekeken worden welke mogelijkheden AFAS biedt in het uitvoeren en beheersen van het inkoopproces. Dit helpt ons om tijdig aanbestedingsoverschrijdingen te constateren en daarop te acteren. Daarnaast hebben wij de ambitie om de verbijzonderde interne controlefunctie binnen de organisatie te versterken. Vorig jaar is de vacante functie van AO/IC gedeeltelijk intern ingevuld. In augustus 2024 is de overige vacatureruimte gevuld door een ervaren Adviseur Audit & Control. In Q2 2025 zal het controleplan voor 2025 worden opgesteld. Hierin is de mogelijkheid van het uitvoeren van controles middels data-analyse een aandachtspunt.
Ook zal gekeken worden in hoeverre we de interne controle en beheersing kunnen inrichten en uitvoeren conform het ‘Three Lines Of Defence model’. 3.5.2
Algemene thema’s bedrijfsvoering
Voor bedrijfsvoering zijn er grote uitdagingen op het gebied van Informatisering en Automatisering (I&A), Human Resources (HR), huisvesting en op het gebied van financiën. Deze uitdagingen zijn het afgelopen jaar beschreven in de bestuursopdracht. Op het gebied van I&A is de bedrijfscontinuïteit niet goed geborgd door een verouderd IT-landschap en een matig ingerichte organisatie op het vlak van informatievoorziening en -beveiliging. Op dit moment vervangen we de verouderde servers door oplossingen in de cloud (IAAS) en moderniseren we de verouderde werkplekken en telefonievoorzieningen. De komende periode zetten we verder flink in op het op orde krijgen van de beveiliging (huidige score is 23% op de BIO. Ook voeren we een analyse uit naar een bestendige IV-organisatie die moet zorgen voor een veilige en bedrijfszekere ondersteuning voor het informatiegericht werken. Bij HR is duurzame inzetbaarheid een behoorlijke uitdaging. In 2024 heeft een aanbesteding gelopen voor een nieuwe arbodienstverlener. Deze arbodienstverlener start op 1 januari 2025. Daarnaast is er ingezet op een nieuwe visie op verzuim en een daarop gebaseerd verzuimbeleid. Verder vraagt het dossier PTSS en de verbeteringen op gebied van ARBO capaciteit en geld om de tekortkomingen uit de risico inventarisatie en evaluatie (RI&E) aan te pakken. Op het gebied van huisvesting hebben we nog veel werk te verzetten.
De staat van onderhoud van sommige locaties moet beter. Nu pakken we met incidentele gelden de grootste knelpunten aan, dit vooral in relatie tot arbeidsveiligheid. Op het vlak van verduurzaming lopen we fors achter op landelijke doelstellingen tot CO2 reductie. Hier is inmiddels een CO-2 footprint en een reductieplan voor opgesteld, maar er zijn nog grote stappen te zetten.
39
Tot slot zorgt de financiering van het functioneel leeftijdsontslag van de beroepsbrandweer (FLO) de komende jaren voor een financiële uitdaging. Met de accountant bis een financieringsvoorstel besproken. Verder is er binnen de afdeling financiën in 2024 een nieuw financieel systeem (AFAS) ingericht. De implementatie is inmiddels voltooid en de doorontwikkeling verloopt samen met het AFAS HRM systeem.
3.6
Wet Open Overheid (WOO)
Iedereen heeft recht op informatie van de overheid. Overheidsorganisaties moeten die informatie uit zichzelf geven, of als iemand daarom vraagt. De informatie wordt dan openbaar. Dat is geregeld in de Wet open overheid (Woo). Actieve openbaarmakingsplicht De overheid moet uit zichzelf zoveel mogelijk informatie openbaar maken als dat zonder grote moeite of hoge kosten kan. Daarnaast staan in de Woo 17 soorten informatie die overheden uit zichzelf openbaar moeten maken. Deze verplichting is en wordt stap voor stap ingevoerd. Om informatie actief openbaar te kunnen maken, is de website van VRBZO aangepast. De komende periode worden verdere aanpassingen doorgevoerd. VRBZO voldoet aan de reeds in werking getreden verplichtingen. VRBZO streeft er naar ook tijdig te voldoen aan de verplichtingen die de komende periode worden ingevoerd. Het actuele beeld is dat dit realistisch is. Waar dit redelijkerwijs mogelijk is, zal VRBZO eerder soorten informatie actief openbaar maken en hiermee dus niet wachten totdat de wettelijke verplichting wordt ingevoerd. Openbaarmakingsplicht op verzoek De overheid maakt informatie openbaar als iemand erom vraagt. VRBZO ontvangt veel verzoeken om informatie of documenten. Deze verzoeken worden allemaal zorgvuldig behandeld.
Hierbij wordt per verzoek gekeken of dit verzoek kan worden afgehandeld door de gevraagde informatie in overleg te verstrekken of dat een verzoek moet worden aangemerkt als een formeel Woo-verzoek. Formele Woo verzoeken worden door VRBZO conform de procedure en binnen de inhoudelijke kaders op basis van de Woo afgehandeld.
3.7
Crises in 2024: eerste opvang ontheemden Oekraïne
In februari 2022 brak in Oekraïne een oorlog uit waarna veel inwoners het land ontvluchtten. Zij vertrokken onder andere naar Nederland. De veiligheidsregio’s werden in maart 2022 door het kabinet aangewezen om de eerste opvang van vluchtelingen uit dit land te coördineren en faciliteren. Daarom zetten we een crisisorganisatie op om deze taak uit te voeren. In Eindhoven richtten we met de gemeente Eindhoven een ontvangstcentrum in voor de eerste opvang. Vanuit deze hub-locatie verdelen we de mensen over de opvangplekken in het land. Samen met gemeenten en andere (publieke en private) partners zochten we daarvoor geschikte opvangplekken en maakten deze klaar voor de opvang van vluchtelingen in onze regio. VRBZO was verantwoordelijk voor de leiding en coördinatie bij de eerste opvang van de Oekraïense vluchtelingen. We huurden makelaars in om te zoeken naar meer permanente huisvesting voor de vluchtelingen na de eerste noodopvang. Verder huurden we enkele ondersteuners en tolken in voor de dagelijkse gang van zaken en om gesprekken met vluchtelingen te begeleiden.
40
In 2024 hebben we onze taken volledig overgedragen aan de gemeente Eindhoven. Zij hebben de inhuurovereenkomsten en andere exploitatiecontracten vanaf maart 2024 overgenomen. De kosten voor VRBZO bedroegen in 2024 ongeveer € 375.000. Hiervoor zijn we via de gemeente Eindhoven volledig gecompenseerd. Hiermee was de uitvoering per saldo budgetneutraal. In 2022 en 2023 hebben we vanuit het Rijk een voorlopig voorschotbedrag ontvangen als dekking voor de kosten. Die was beiden jaren niet volledig dekkend. Op basis van de ingediende SiSa verantwoording heeft het Rijk inmiddels de definitieve beschikking voor 2022 bepaald. Het openstaande verschil van ongeveer € 72.000 voor 2022 is inmiddels voldaan. We verwachten dat het openstaande verschil van € 5.500 uit 2023 via een definitieve beschikking in 2025 wordt betaald door het Rijk, na afwikkeling van de SiSa verantwoording van dat jaar.
41
4. Begroting 2024 4.1
Primaire begroting 2024
De begroting VRBZO 2024 is vastgesteld in het Algemeen Bestuur d.d. 6 juli 2023.
4.2
Begrotingswijzigingen 2024
In 2024 zijn er 3 begrotingswijzigingen door het Algemeen Bestuur vastgesteld. Hieronder worden per wijziging de redenen benoemd: 4.2.1
1e begrotingswijziging
In de 1e begrotingswijziging zijn een aantal wijzigingen van de begroting aangebracht. De belangrijkste punten in de 1e begrotingswijziging zijn: 1)
Voorhoging vervangingskrediet haakarmvoertuigen;
2)
Nieuw investeringskrediet voor de aanschaf van diverse oefenmaterialen brandweer;
3)
Andere aanwending krediet voor gebouwgebonden technische installatie ROC.
Exploitatiebegroting Na het opstellen van de begroting 2024 zijn er nog administratieve wijzigingen doorgevoerd in de begroting 2024 die een effect hebben op de begroting 2024. Via deze 1e begrotingswijziging passen we deze ook toe op de begroting 2024. Het betreft o.a.: •
Verdelen verhoging gemeentelijke bijdrage over inhoudelijke programma’s.
•
Verdelingen verhoging BDuR over inhoudelijke programma’s.
•
Verwerken taken medisch assistenten in het programma brandweerzorg.
Investeringsbegroting 1) Voertuigen Dit jaar willen we 4 haakarmvoertuigen vervangen omdat deze aan het eind van de levensduur zijn. Door hoge inflatie van de laatste jaren zijn de huidige kredieten voor haakarmvoertuigen niet toereikend. Om huidig beleid te kunnen continueren is ons voorstel om de huidige kredieten voor haakarmvoertuigen op te hogen met € 140.000. De dekking van de hogere kapitaallasten van circa € 9.600 per jaar kunnen we nog afdekken binnen de huidige begroting. 2) Overige materiele vaste activa In de jaarschijven 2024 en 2025 staan bulk aankopen gepland voor oefenmaterialen bij de brandweer. Voorheen werden deze door de jaren heen in kleine partijen aangekocht. In de investeringsbegroting zijn deze kredieten niet voorzien. Ons voorstel is om kredieten op te nemen voor respectievelijk 2024: € 30.000 en in 2025: € 54.000. De hogere kapitaallasten van € 17.000 worden gedekt vanuit een verlaging van het exploitatiebudget voor oefenmaterialen.
42
3) Bedrijfsgebouwen We willen een bestaand krediet dat voor dit jaar in de investeringsbegroting staat voor technische gebouw gebonden installaties ROC aanwenden voor eenzelfde doel op een andere locatie. Door aanpassing in de functie van ROC hebben we voor deze locatie geen direct doel meer voor het krediet. Wel hebben we een technische gebouw gebonden klimaatinstallatie in post Helmond die aan het einde van de levensduur is. We willen het krediet aanwenden voor de vervanging van deze installatie in post Helmond. De kapitaalslasten voor dit krediet zijn al structureel gedekt. 4.2.2
2e begrotingswijziging
De belangrijkste punten uit de 2e begrotingswijziging zijn het omzetten van de ICT-investeringskredieten (kapitaalslasten) naar het ICT-exploitatiebudget en het vervallen van de investeringskredieten ROC. Investeringsbegroting 1) Bedrijfsgebouwen: vervallen investeringskredieten We laten ruim 1,2 miljoen aan kredieten vervallen waar we geen aanwending meer voorzien voor het oorspronkelijk doel. De hieraan gekoppelde structurele kapitaalslasten willen we wel behouden binnen de organisatie. Dit zetten we in als bestemd structureel budget voor huisvestingsvraagstukken in de nabije toekomst. We zijn bezig met een strategisch huisvestingsplan. Hierover zijn de eerste beelden en stand van zaken reeds met gemeenten gedeeld. Na vaststelling van het strategisch huisvestingsplan, waaruit waarschijnlijk ook nieuwe gebruikersinvesteringen/kosten ontstaan, stellen we voor om deze vrijgevallen kapitaalslasten in te zetten als eerste financiële dekking voor deze huisvestingskosten. 2) Machines, apparaten en installaties: omzetten ICT-kredieten naar ICT-exploitatiebudget VRBZO maakt in haar I&A-beleid naar een modern werkplekconcept en -inrichting de omslag van bezit van harden software naar de afname van ICT-diensten. Dit staat ook bekend onder de begrippen ‘software- / infrastructureas-a-service’ (SaaS / IaaS).
Dat betekent dat we kapitaalsmiddelen op ICT-gebied die we eerst kochten, activeerden en afschreven, nu gaan als dienst afnemen bij een gespecialiseerde ICT-leverancier. In deze begrotingswijziging gaat om kredieten en kapitaalslasten gerelateerd aan hardware van ons IT-netwerk. Het voordeel van deze IaaS constructie is dat modern onderhoud en (data)beveiliging van onze ICT infrastructuur op deze manier structureel is geborgd. We stellen voor een groot deel aan kredieten te laten vervallen en de bespaarde kapitaalslasten in te zetten als exploitatiebudget voor de afname van de ICT-diensten (IaaS). We willen in 2024 ongeveer € 610.000 aan kredieten gerelateerd aan het ICT-netwerk afboeken en de gekoppelde kapitaalslasten van € 180.000 omzetten naar structureel exploitatiebudget voor afname van infrastructurele diensten zoals servers, compute storage en netwerkdiensten bij een gespecialiseerde leverancier. We stellen voor om niet alle kredieten in deze categorie af te boeken en kapitaalslasten om te zetten. Onze apparaten voor vast personeel (zoals laptops, smartphones, randapparatuur etc.) blijven we kopen, activeren en afschrijven. Een groot deel van de laptops en smartphones in de organisatie zijn afgeschreven en worden dit jaar vervangen, waarvoor we ongeveer 450.000 euro aan krediet nodig hebben.
We gaan de laptops intensiever gebruiken in de het nieuwe werkplekconcept wat vraagt om eerdere vervanging. Daarom willen we de afschrijftermijn voor de laptops verlagen van 5 jaar naar 3 jaar. In 2027 komt een volgende grote vervangingsinvestering van deze devices.
43
4.2.3
3e begrotingswijziging
De 3e begrotingswijziging wordt in deze paragraaf toegelicht. De hoofdpunten van deze begrotingswijziging zijn: •
Verdeling extra BDuR 2024;
•
Interne verschuivingen;
•
Kosten en baten voor eerste opvang vluchtelingen Oekraïne;
•
Aanschaf van chemiekasten.
Exploitatiebegroting 1) Verdeling extra BDuR 2024 Het kabinet vroeg in 2019 de Commissie Muller de doeltreffendheid en de effecten van de Wet veiligheidsregio’s (Wvr) te onderzoeken en te bezien of de wet bruikbaar is gelet op actuele en toekomstige dreigingen, maatschappelijke ontwikkelingen en ontwikkelingen in de crisisbeheersing in het algemeen. Op basis van de conclusies van de evaluatie publiceerde het ministerie van JenV een contourennota over de versterking van crisisbeheersing en brandweerzorg. Vooruitlopend op de bespreking in de Tweede Kamer besloot het vorige kabinet om al extra financiering beschikbaar te stellen aan veiligheidsregio’s via de brede doeluitkering rampenbestrijding (BDuR). Dit extra structurele budget is bedoeld voor de versterking van de (boven)regionale en landelijke crisisbeheersing en bedraagt €46 miljoen in 2024 oplopend tot €83 miljoen vanaf 2026. Voor VRBZO betekent dat een structurele verhoging van de BDuR van het Rijk van €1,4 miljoen in 2024 tot €2,5 miljoen in 2026. In 2024 bedroeg de extra BDuR € 1,74 miljoen (een structurele verhoging van € 337.000 ten opzichte van 2024).
De ophoging van het budget is er vooral op gericht dat veiligheidsregio’s met het Rijk en andere partners beter in staat worden gesteld zich voor te bereiden op toekomstige (langdurige en/of bovenregionale) rampen en crises door het fundament te versterken en te investeren in het netwerk, uitvoeringscapaciteit, (IT) platform en de informatiefunctie. Veel van de inhoudelijke ontwikkelingen benoemden we al in de Visie 2025 en begrotingen. In 2024 zijn deze inhoudelijke beleidsontwikkelingen en bestedingsdoelen besproken in het BVO Crisisbeheersing, BVO Risicobeheersing en het Dagelijks Bestuur. Gelet op de ontwikkeling is de extra BDuR toegevoegd aan het programma Crisisbeheersing, de baten komen uit het programma Financiering. Dit leidt tot onderstaande begrotingswijziging. Programma
I/S
Financiering
€ -337.660
S
Crisisbeheersing
€ 337.660
S
Totaal wijziging
€-
2) Interne verschuivingen De directie stuurt de organisatie binnen de kaders van de begroting. Wel komt het hierbij voor dat voordelen binnen het ene programma worden ingezet binnen een ander programma, bijvoorbeeld voor de uitvoering van organisatie brede projecten die noodzakelijk zijn. Met deze wijziging verwerken we deze inzet in de begroting. Het betreft: •
Inzet van €500.000 incidenteel budget voor ondersteuning organisatie ten behoeve van borgen
operationele bedrijfsprocessen bij HRM (€ 225.000), implementatie van nieuw financieel systeem (€ 150.000), tijdelijke versterking AO/IC VIC (€ 100.000), diverse noodzakelijke arbo maatregelen (€ 25.000). De dekking van bovenstaande komt uit een incidenteel voordeel op afschrijvingen doordat investeringen niet conform planning zijn uitgevoerd. Alle voordelen op afschrijvingen vallen in de begroting van onder het programma Brandweerzorg (programmaproduct Incidentbestrijding). Al deze wijzigingen zijn incidenteel.
44
3) Kosten en baten eerste opvang vluchtelingen Oekraïne Vanaf 1 januari 2024 is de coördinatie en regie van de (eerste) opvang van vluchtelingen uit Oekraïne volledig over gegaan naar gemeenten. De financiering is geregeld in een speciale uitkering van het Rijk (SPUK) via het “kostenbesluit eerste opvang ontheemden Oekraïne”. In onze regio is de gemeente Eindhoven de gemeente die de coördinatie en eerste opvang van vluchtelingen uit Oekraïne organiseert. Conform vergoedt het Rijk integraal de meerkosten (nadelen). Het uitgangspunt hierbij is een kostenneutrale uitvoering van taken. Tot en met april 2024 huurde VRBZO nog makelaars en ondersteunend personeel in voor het organiseren van de opvang en huisvesting van Oekraïense vluchtelingen. Dit totdat de overdracht van deze medewerkers naar de gemeente Eindhoven was geregeld. Totale kosten zijn € 140.000. Hier staan baten tegenover van eenzelfde grote door inkomsten vanuit de gemeente Eindhoven. De genoemde kosten zijn namelijk inmiddels door de gemeente Eindhoven aan VRBZO betaald via facturatie. Hiermee is de uitvoering van de eerste opvangen ontheemden uit Oekraïne voor VRBZO budgetneutraal afgerond. De gemeente Eindhoven neemt de kosten mee in de opgave voor de SPUK van het ministerie van JenV.
Investeringsbegroting 1) Chemiekasten voor gevaarlijke stoffen In bestuurlijke deelopdracht 1 beschrijven we een aantal gebreken op het gebied van arbeidsveiligheid die blijken uit de RI&E, waarvan een aantal met spoed moeten worden opgepakt. Zo ontbreken op de brandweerposten chemiekasten om gevaarlijke stoffen conform Arbobesluit op te kunnen bergen. Vanuit veiligheidsoverwegingen willen we deze kasten nog dit jaar aanschaffen. De totale investering bedraagt € 20.000 in de categorie ‘Overige materiele vaste activa’. De benodigde kapitaallasten van € 2.000 per jaar zijn meegenomen in het financieringsvraagstuk van deelopdracht 1. 2) Categoriewijziging noodcommunicatiemiddelen In het krediet voor de aanschaf van het nieuwe voertuig voor de Informatiemanager CoPi zijn investeringen voorzien voor noodcommunicatiemiddelen (satelliettelefoon). Deze middelen waren voorheen onderdeel van het voertuig, maar worden nu gezien als een zelfstandig onderdeel. Om die reden boeken we een deel van het krediet (€ 21.000) naar de juiste bestuurlijke categorie: van categorie ‘Vervoermiddelen’ naar de categorie ‘Machines Apparaten Installaties’. Omdat per saldo geen extra krediet nodig is, zijn de kapitaallasten gedekt.
45
5. Analyse resultaat 2024 De jaarrekening 2024 sluit af met een negatief gerealiseerd saldo van baten en lasten van € -1.154.200. Dit is ongeveer 1,12% van de totale begroting van ruim € 62 miljoen. Een belangrijke oorzaak van het negatieve resultaat is een noodzakelijke incidentele extra storting in de voorziening voor FLO. Een andere belangrijke oorzaak van de onderbesteding is het niet realiseren van investeringen. Direct gevolg hiervan is incidentele onderbesteding op afschrijvingen. Indirect zijn hier ook de hogere kosten voor onderhoud van specialistische voertuigen en het voordeel op rente en aan te koppelen. We constateren dat het vervangen van met name diverse grote voertuigen echt noodzakelijk is, omdat de onderhoudskosten oplopen. Voor de aanschaf van voertuigen sluiten we in de regel leningen af. Momenteel sluiten we minder leningen voor kapitaalsgoederen af dan verwacht, waardoor de rentekosten lager zijn. Tegelijk blijft onbesteed geld in de organisatie wat hogere rente-inkomsten genereert dan begroot. Het realiseren van de investering verloopt moeizaam door te beperkte beleids- en projectcapaciteit om te bepalen wat we moeten aanschaffen en capaciteit om de hiervoor een aanbestedingstraject te doorlopen. In onderstaande tabel is weergegeven op welke onderdelen van de programma’s van VRBZO het resultaat ontstaat.
Programma Brandweerzorg Financiering Ondersteuning organisatie Veiligheid Eindtotaal
5.1
Primair € 41.964.008 € -55.823.581 € 10.311.864 € 3.547.709 € -
Na wijziging € 44.317.895 € -60.915.227 € 11.540.254 € 5.057.078 € -
Realisatie € 46.204.151 € -61.219.035 € 11.836.152 € 4.332.984 € 1.154.200
Afwijking € -1.886.255 € 303.808 € -295.899 € 724.094 € -1.154.200
Analyse van het resultaat 2024
Hieronder benoemen we de belangrijkste redenen voor het resultaat. In hoofdstuk 3 van de jaarrekening staat een nadere toelichting op het overzicht van baten en lasten en is een uitgebreide analyse per programma en product opgenomen. Hier lichten we het verschil tussen de begroting en de realisatie toe, uitgesplitst naar loonkosten, kapitaallasten, overige lasten, overhead en overige verrekeningen (intern) en de baten.
46
€ 1.500.000
Afschrijvingen € 1.111.000
€ 1.000.000 Rente € 515.000 € 500.000
Indexatie BDuR € 109.000
€-
€ -500.000
Onderhoud specialistische voertuigen € -113.000
Loonkosten (inclusief inhuur) € -394.000
Huisvesting en facilitair € -258.000
Eerste opvang vluchtelingen Overig Oekraïne € 108.000 €-
Vakbekwaamheid brandweer € -233.000
€ -1.000.000
€ -1.500.000
€ -2.000.000
Storting FLO voorziening € -2.000.000
Afschrijvingen (kapitaalslasten): € 1.111.000 Diverse investeringen worden dit jaar niet gerealiseerd waardoor we incidenteel een onderbesteding hebben op de afschrijvingen. De investeringen hebben vooral betrekking op specialistische voertuigen voor de brandweer, zoals hulpverleningsvoertuigen, tankautospuiten en schuimblusvoertuigen. We zijn bij de brandweer nog bezig met beleidsvorming om een goede keuze te maken in de aanschaf van de juiste voertuigen voor lange termijn. Bij brandweerzorg hebben we daarmee een voordeel van € 935.000 op afschrijvingslasten. Bij crisisbeheersing en ondersteuning organisatie (bedrijfsvoering) is het voordeel beperkter, €26.000 en €150.000. Ook hier zijn de voordelen ontstaan door het achterblijven van investeringen. Rente (kapitaalslasten): € 515.000 In het programma financiering zien we een voordeel op rente. Er zijn 2 belangrijke oorzaken. In de begroting rekenden we met een zeer laag rentepercentage voor eigen kapitaal. In 2024 steeg de rente aanzienlijk, waardoor onze inkomsten ook hoger waren. We beschouwen deze extra inkomsten als incidenteel, omdat we niet weten hoe rente zich ontwikkelt. Ieder jaar maken we bij het opstellen van de begroting een nieuwe inschatting van de rente ontwikkeling. Daarnaast is een gevolg van het uitstellen van investeringen dat we geen leningen aantrekken voor het krediet van de investering.
Daardoor hebben we op dat moment ook lagere rentelasten dan verwacht. Hogere indexatie BDuR: € 109.000 In de begroting rekenen we met een verwachte indexatie op de inkomsten vanuit de BDuR. Het Rijk stelt de indexatie voor de BDuR pas na de zomer (in de september circulaire) in het lopende jaar vast. Door de hoge inflatie in het afgelopen jaar viel de indexatie hoger uit dan verwacht. Hierdoor hebben we een structurele meevaller op de BDuR inkomsten in het programma financiering.
47
Loonkosten en inhuur: € -394.000 Op het gebied van totale personeelskosten (dus loonkosten inclusief de inhuur van personeel) was er in 2024 een incidenteel nadeel van € 394.000. Er is een onderbesteding op loonkosten, waar meer inhuur tegenover staat. De incidentele onderbesteding op loonkosten bedraag € 2.014.000 en had diverse oorzaken. Enerzijds is er vacatureruimte door verloop van personeel. Ook waren er diverse vacatures bij het domein crisisbeheersing voor de versteviging van crisisbeheersing en informatiemanagement (extra BDuR gelden). Anderzijds ervaren we moeite om deze vaak specialistische vacatures structureel goed in te vullen. Dit is bijvoorbeeld het geval bij Crisisbeheersing en GHOR, maar ook bij I&A en HRM. Daarbij ervaren we een hoge werkdruk in de organisatie omdat het werk wel gedaan moet worden, wat leidde tot een relatief hoog verzuim. Om deze redenen huren we meer mensen in, die per saldo vaak duurder zijn. De overbesteding op inhuur bedraagt ongeveer € 1.661.000. Daarnaast hebben in 2024 meer mensen dan verwacht gebruik gemaakt van de mogelijkheid tot verlofsparen. Het zijn vooral mensen met de verlofstuwmeren waarover we in de bestuurlijke opdracht schreven, die veel van hun bovenwettelijke verlofuren hebben omgezet in spaarverlof. Deze uren moeten we direct in de voorziening verlofsparen storten.
In totaal hebben we in 2024 ongeveer € 747.000 aan de voorziening voor verlofsparen moeten toevoegen. Onderhouden specialistische voertuigen: € -113.000 We zien per saldo dat we een nadeel hebben van € 113.000 op het onderhouden van onze specialistische brandweervoertuigen. Dit nadeel heeft diverse oorzaken: •
Nadeel op onderhoud voertuigen van € 408.000 in het programma brandweerzorg. Het onderhoud aan onze brandweervoertuigen stijgt al enkele jaren flink. Ook in 2024 was dit het geval. Vooral het onderhoud aan redvoertuigen is fors hoger dan verwacht, maar ook bij andere voertuigen constateren we dat deze meer onderhoud nodig hebben en soms aan vervanging toe zijn.
•
Voordeel op verzekeringen van voertuigen van € 218.000 in het programma brandweerzorg. Door een nieuwe landelijke aanbesteding van voertuigverzekeringen is onze jaarpremie fors gedaald. Daarentegen is ons eigen risico voor schade hoger dan voorheen. Per saldo hebben we dit jaar een onderbesteding van ongeveer € 218.000. In potentie is deze onderbesteding structureel, we monitoren de ontwikkeling van de schades voor eigen risico in 2025 en 2026 nauwlettend.
•
Een incidenteel voordeel op de verkoop van materiaal en materieel van € 77.000 in het programma financiering. We verkopen onze oude voertuigen (materieel) en gereedschappen (materiaal) op een veilingmarkt. Deze extra inkomsten zijn dan ook incidenteel. Vorig jaar hebben we materieel en materiaal tegen een hogere prijs kunnen verkopen dan waar we in de begroting rekening mee hielden.
Vakbekwaamheid brandweer: € -233.000 Er is een incidenteel nadeel op vakbekwaamheid bij brandweerzorg van € 150.000. In de aard van de bestuursopdracht investeerden we de laatste maanden van het jaar extra in opleidingen en examens voor manschappen en diverse opleidings- en trainingsmiddelen en faciliteiten. Daarnaast hebben we € 83.000 lagere inkomsten dan begroot op het gebied van vakbekwaamheid en de verhuur van ROC. We hebben te weinig capaciteit voor vakbekwaamheid, waarbij we prioriteit gaven aan opleiden van meer mensen voor eigen organisatie en minder cursisten uit buurregio's in ons programma laten meelopen. Hierdoor hebben we lagere inkomsten van opleidingen en trainingen. Daarnaast verhuurden we ons ROC de afgelopen jaren soms aan partners voor hun trainingen. In 2024 was de ruimte daarvoor beperkt omdat we er zelf meer gebruik van maakten.
48
Huisvesting en facilitair: € -258.000 Hogere kosten voor (gebruikers)onderhoud aan gebouwen. Dit zijn vooral bestedingen in lijn met de bestuurlijke opdracht, dus vooral op het gebied van arbo. Daarnaast waren facilitaire uitgaven aan elektriciteit en schoonmaak hoger dan begroot, dit als effect van nieuwe contracten met leveranciers. FLO voorziening: € -2.000.000 Op basis van de CAO veiligheidsregio’s hebben we een vroegpensioenregeling voor repressieve brandweermedewerkers. Deze heet de Functioneel Leeftijdsontslag regeling, afgekort de FLO-regeling. Beroepsbrandweerpersoneel dat voor 2006 in dienst was mag gebruik maken van de FLO pensioenregeling. Door aanpassing van de regeling en de financiële positie van onze organisatie moet de financiering van de regeling worden herzien. Dit heeft impact op de onze FLO voorziening. Door de laatste aanpassing in de regeling was de bestaande voorziening nagenoeg leeg. In december nam het bestuur een besluit op welke wijze we dit voor de toekomst gaan borgen. Hiervoor is een initiële storting van € 2 miljoen nodig. Overige exploitatie: € 108.000 In de overige exploitatie zien we op een aantal onderdelen een overbesteding en onderbesteding die per saldo resulteren in een onderbesteding op exploitatie. Hieronder noemen we enkele grote onderwerpen. Bij onderbesteding: •
Brandveilig Leven: er zijn minder producten afgenomen door gemeenten dan begroot.
•
Brandstof: we hebben minder uitgegeven aan brandstof dan begroot, omdat we minder verbruik hadden door minder inzetten op brandstof. We beschouwen deze onderbesteding als incidenteel omdat de brandstofprijzen nog erg fluctueren en het verbruik sterk afhankelijk is van het aantal.
Bij overbesteding: •
Bedrijfskleding: we hebben meer uitgegeven aan operationeel uniformen voor de brandweer als vervanging van de blauwe/witte overhemden en polo’s.
•
Schoonmaak: de schoonmaak van onze locaties was hoger dan begroot.
•
Overige personeelskosten: we gaven meer uit aan bijvoorbeeld werving- en selectie en assessments voor nieuwe medewerkers dan verwacht.
Eerste opvang vluchtelingen Oekraïne: € De eerste opvang van ontheemden Oekraïne was in 2024 kostenneutraal voor VRBZO. Een nadere toelichting staat in hoofdstuk 3.7 Crises in 2024: eerste opvang ontheemden Oekraïne.
49
DEEL 2: Jaarrekening In de jaarrekening wordt verantwoording afgelegd over het in 2024 gevoerde financiële beleid en beheer van Veiligheidsregio Brabant-Zuidoost (VRBZO). Daarbij is rekening gehouden met de in de loop van 2024 vastgestelde wijzigingen van de begroting 2024. De structuur van de jaarrekening sluit aan bij de vastgestelde programmabegroting. De jaarrekening 2024 bestaat uit: •
Grondslagen voor waardering en resultaatbepaling;
•
De balans voorzien van een toelichting;
•
Overzicht van baten en lasten met toelichting;
•
WNT verantwoording;
•
SiSa verantwoording.
De jaarrekening kent conform het Besluit Begroting en Verantwoording (BBV) een programmagerichte benadering die voor 2024 voor VRBZO is opgebouwd uit 5 programma’s met daarin 10 programmaproducten: •
Programma 1 Brandweerzorg
•
Risicobeheersing
•
Incidentbestrijding
•
Programma 2 Crisisbeheersing
•
GHOR
•
Crisisbeheersing
•
Bevolkingszorg
•
1
Programma 3 Financiering -
Bijdragen Gemeenten
-
Bijdragen Rijk
-
Overige financiering en algemene dekkingsmiddelen
•
Programma 4 Ondersteuning organisatie
•
Ondersteuning organisatie1
•
Programma 5 Reserves
•
Mutaties Algemene Reserve
•
Mutaties Bestemmingsreserves
VRBZO rekent in hoofdlijnen de activiteiten van de sector bedrijfsvoering en de leidinggevenden van het primaire proces tot de
ondersteuning van de organisatie. Huisvesting heeft in de organisatie vooral een taak voor de brandweerzorg en wordt daarom niet tot de ondersteuning van de organisatie gerekend. De medewerkers die onder de ondersteuning van de organisatie vallen hebben vaak ook een uitvoerende of leidinggevende functie bij grote incidenten of rampen.
50
1. Grondslagen voor waardering en resultaatbepaling De jaarrekening is opgesteld met inachtneming van de voorschriften zoals opgenomen in het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten (BBV) en de verordening ex artikel 212 Gemeentewet, waarin het Algemeen Bestuur de uitgangspunten voor het financiële beleid, alsmede de regels voor het financiële beheer en voor de inrichting van de financiële organisatie zijn vastgesteld. 1.1.1
Algemene grondslagen voor het opstellen van de jaarrekening
De waardering van de activa en passiva en de bepaling van het resultaat vindt plaats op basis van historische kosten. Tenzij bij het desbetreffende balanshoofd anders is vermeld, worden de activa en passiva opgenomen tegen nominale waarde. De baten en lasten worden toegerekend aan het jaar waarop zij betrekking hebben. Baten en winsten worden slechts genomen voor zover zij op de balansdatum zijn gerealiseerd. Verliezen en risico's die hun oorsprong vinden voor het einde van het begrotingsjaar, worden in acht genomen indien zij voor het opmaken van de jaarrekening bekend zijn geworden. Personeelslasten worden in principe toegerekend aan het boekjaar waarop ze betrekking hebben. Als gevolg van het formele verbod op het opnemen van voorzieningen dan wel schulden uit hoofde van jaarlijks terugkerende arbeidskosten gerelateerde verplichtingen van vergelijkbaar volume, worden sommige personele lasten echter toegerekend aan de periode waarin uitbetaling plaatsvindt; daarbij moet worden gedacht aan componenten zoals ziektekostenpremie ten behoeve van gepensioneerden, overlopende en verlofaanspraken en dergelijke. De referentieperiode is dezelfde als die van de meerjarenraming, te weten vier jaar. Indien er sprake is van (eenmalige) schokeffecten (bijvoorbeeld reorganisaties) dient wel een verplichting opgenomen te worden.
Stelselwijziging waardering FLO Bij VRBZO is sprake geweest van een wijziging in waarderingsmethodiek van de FLO voorziening op basis van besluit door het dagelijks bestuur. Dit was nodig omdat de systematiek die voorheen werd gehanteerd niet meer houdbaar was in lijn met de verslaggevingsregels en geen realistisch beeld gaf van de werkelijkheid. Tot en met 2023 werden (toekomstige) dotaties aan de voorziening en de (toekomstig) gelabelde deelnemersbijdragen met elkaar verrekend en tot uitdrukking gebracht in de balans positie. Met ingang van 2024 wordt gewerkt met een vaste dotatie en is de koppeling met de gelabelde deelnemersbijdrage losgelaten. Omdat een voorziening niet negatief mag lopen is eveneens een eenmalige extra dotatie aan deze voorziening gedaan van € 2 mln. Deze stelselwijziging wordt op prospectieve wijze in het huidige boekjaar verwerkt. De vergelijkende cijfers zijn niet aangepast. Resultaateffecten stelselwijziging: • Er heeft een eenmalige dotatie van € 2 mln plaatsgevonden aan de voorziening, boven op de jaarlijks vaste dotatie. Deze dotatie is ten laste van de kosten (programma brandweerzorg) geboekt. De jaarlijkse vaste dotatie van € 1,5 mln verloop eveneens via de kosten.
Dit wijkt qua bedrag niet af van de systematiek in vorige jaren Vermogenseffecten stelselwijziging: • Er is geen sprake van een direct effect ten gunste of ten laste van het eigen vermogen.
1.1.2
Grondslagen voor de rechtmatigheidsverantwoording
De in de jaarrekening opgenomen rechtmatigheidsverantwoording is opgesteld op basis van de kaders zoals 51
besloten in de financiële verordening en op basis van de kadernota rechtmatigheid 2024. Dat betekent dat: •
De rechtmatigheidsverantwoording toeziet op de financiële rechtmatigheid van baten, lasten, balansmutaties, alsmede de baten en lasten inzake de specifieke uitkeringen op grond van art. 17 Financiële-verhoudingswet;
•
De financiële rechtmatigheid waaronder het voorwaardencriterium, het begrotingscriterium en het misbruik & oneigenlijk gebruik criterium omvat: o Voor het voorwaardencriterium bestaat de norm uit het normenkader zoals op 12 december 2025 door het algemeen bestuur is vastgesteld; o Voor het begrotingscriterium geldt dat alle overschrijdingen van lasten en investeringskredieten onrechtmatig zijn, waarbij voor een aantal scenario’s in de financiële verordening is beschreven wanneer deze overschrijdingen acceptabel zijn. Zie tevens de toelichting in de paragraaf bedrijfsvoering. o Ten aanzien van het M&O criterium is de kadernota geldend. Er is geen eigen nota M&O beleid binnen de organisatie. Omdat alleen bij misbruik sprake is van een onrechtmatigheid zijn eventuele gevallen van misbruik (mits cumulatief met andere fouten of onduidelijkheden boven de verantwoordingsgrens) opgenomen in de rechtmatigheidsverantwoording.
•
De rechtmatigheidsverantwoording is opgesteld binnen de kaders van de kadernota rechtmatigheid 2024 van de Commissie BBV alsmede onze eigen financiële verordening. Dit betekent dat: o Een verantwoordingsgrens van 3 % (zijnde € 1.917.000) is gehanteerd waarboven cumulatieve fouten en onduidelijkheden in de rechtmatigheidsverantwoording worden opgenomen; o Een rapporteringstolerantie van € 50.000 is gehanteerd waarboven fouten en onduidelijkheden in de paragraaf bedrijfsvoering worden opgenomen.
1.1.3
Activa
Vaste activa De investeringen met economisch nut zijn gewaardeerd tegen de verkrijging- of vervaardigingprijs en bijkomende kosten. Specifieke investeringsbijdragen van derden worden op de desbetreffende investering in mindering gebracht; in die gevallen wordt op het saldo afgeschreven. Afschrijving vindt plaats vanaf 1 januari na het moment van ingebruikname volgens de lineaire methode, waarbij geen rekening wordt gehouden met een eventuele restwaarde. De afschrijvingspercentages zijn gebaseerd op de verwachte levensduur. Afschrijvingen geschieden onafhankelijk van het resultaat van het boekjaar. Op grond wordt niet afgeschreven. Er wordt niet langer afgeschreven dan de vooraf vastgestelde termijn en niet verder dan dat de boekwaarde nihil is. De gehanteerde afschrijvingstermijnen zijn conform het interne activabeleid. Indien een investering buiten gebruik wordt gesteld dient een extra afschrijving plaats te vinden indien de restwaarde lager is dan de boekwaarde. De opbrengstwaarde van een investering die buiten gebruik is gesteld wordt niet in mindering gebracht op een nieuwe investering, maar wordt als bijzondere bate verantwoord. Indien de waarde van een investering duurzaam vermindert in enig jaar wordt deze waardevermindering onafhankelijk van het resultaat in aanmerking genomen. Waardeverminderingen worden op de investering in mindering gebracht.
Ook indien een vast actief buiten gebruik gesteld wordt, heeft op het moment van buitengebruikstelling een afwaardering van de boekwaarde plaatsgevonden naar de lagere restwaarde. De lasten samenhangend met de uitvoering van klein en groot onderhoud zijn niet levensduur verlengend en zijn daarom niet geactiveerd, maar direct ten laste van de exploitatie of de gevormde voorziening gebracht. Er is geen sprake van gronden in erfpacht. 52
Vorderingen en overlopende activa De vorderingen worden gewaardeerd tegen nominale waarde. Voor oninbaarheid wordt, indien noodzakelijk, een voorziening dubieuze debiteuren getroffen. Deze voorziening wordt statisch bepaald. Liquide middelen Liquide middelen worden tegen nominale waarde verantwoord. Schatkistbankieren In principe dienen alle overtollige middelen in de schatkist te worden aangehouden. Er zijn echter een aantal uitzonderingen. Een daarvan is het drempelbedrag. Dat is een minimumbedrag (afhankelijk van de omvang van de decentrale overheid) dat gemiddeld per kwartaal buiten de schatkist mag worden gehouden. Het drempelbedrag is bedoeld om het dagelijkse kasbeheer te vereenvoudigen: niet elke laatste euro hoeft in de schatkist te worden aangehouden. In principe hoeven alleen de liquide middelen die boven het drempelbedrag uitgaan in de schatkist te worden aangehouden. 1.1.4
Reserves
In het BBV worden reserves omschreven als vermogensbestanddelen die als eigen vermogen zijn aan te merken en die vanuit bedrijfseconomisch oogpunt vrij te besteden zijn. De vaststelling van de noodzakelijke omvang van de reserves is een zaak van het Algemeen Bestuur. Daarom worden reserves ook wel onderverdeeld in algemene en bestemmingsreserves. Zodra het Algemeen Bestuur aan een reserve een bepaalde bestemming heeft gegeven, is er sprake van een bestemmingsreserve. Om die reden kunnen bestemmingsreserves naar de situatie per ultimo boekjaar geen negatieve stand kennen. Heeft een reserve geen bestemming dan wordt het een algemene reserve genoemd. 1.1.5
Schulden
Vaste schulden Vaste schulden worden gewaardeerd tegen de nominale waarde, verminderd met gedane aflossingen. De vaste schulden hebben een rente typische looptijd van één jaar of langer. Voorzieningen De definitie van een voorziening is een schatting van voorzienbare lasten waarvan het ontstaan in het verleden ligt. De exacte omvang hiervan is onzeker evenals het tijdstip van optreden. Alle voorzieningen zijn opgenomen tegen de nominale waarde. De onderhoudsvoorziening gebouwen stoelt op een meerjarig onderhoudsplan voor het uit te voeren groot onderhoud. De voorziening FLO wordt bepaald conform de uitgangspunten die zijn vastgesteld met het bestuur. De grondslagen zijn in hoofdlijnen opgenomen in de toelichting op deze balanspost. De overige personele voorzieningen zijn toegelicht in de toelichting op deze balanspost.
Vlottende passiva De vlottende passiva worden gewaardeerd tegen de nominale waarde. In afwijking met voorgaand jaar worden de totale vooruitgefactureerde gemeentelijke bijdragen gepresenteerd onder ‘’Vooruitontvangen voorschotbedragen van overheidslichamen’’. De bedragen die in 2024 nog openstaan 53
worden gepresenteerd onder de debiteurenpostitie. Om goede vergelijkende cijfers te presenteren, worden de cijfers van 2023 ook veranderd naar de nieuwe methode.
54
2. Balans per 31 december 2024 Activa
31-12-2024
31-12-2023
Passiva
Vaste activa
31-12-2024
31-12-2023
Algemene reserve
€
3.261.747
€
2.251.205
Vaste passiva
Materiele vaste activa
Eigen vermogen
Bedrijfsgebouwen
€
2.350.714
€
5.312.608
Gronden en terreinen Machines, apparaten en installaties
€
70.045
€
403.045
Gerealiseerd resultaat
€
-1.154.200
€
1.010.542
€
998.342
€
595.033
Totaal Eigen vermogen
€
2.107.547
€
3.261.747
Vervoermiddelen
€
14.816.173
€
16.384.118
Overige
€
4.025.682
€
4.118.594
Totaal Materiele vaste activa
€
22.260.956
€
26.813.399 Voorzieningen Voorziening onderhoud ROC
€
709.057
€
660.507
Voorziening FLO Voorziening FLO 1% compensatieregeling Voorziening Minnelijke regelingen en RVU
€
2.072.793
€
706.277
€
12.053
€
16.715
€
352.530
€
138.984
Voorziening Verlofsparen
€
827.192
€
82.534
Totaal Voorzieningen
€
3.973.626
€
1.605.017
Onderhandse bankleningen
€
12.256.666
€
15.187.500
Totaal Vaste schulden
€
12.256.666