2021-33 RIB Bijlage 3 woningbehoefteonderzoek corporaties ABF
Tekst van het document
■
Minder grote huishoudenstoename in Overig SGE en Overig MRE tot 2040 (circa 10%) en (zeer) beperkte stijging daarna
■
Vergrijzing en individualisering zetten door
■
Door inkomensstijging boven inflatie een relatief sterke groei van het aantal hoge inkomens maar ook in andere inkomensklassen toename van aantal huishoudens
■
Stijging totale corporatiedoelgroep (ongeacht woonsituatie) tot 2030, daarna alleen nog toename in Eindhoven.
■
Bij negatiever inkomensontwikkeling grotere corporatiedoelgroep, bij positiever inkomensontwikkeling kleinere corporatiedoelgroep dan volgens middenscenario.
■
Verschil in 2040 tussen scenario’s Laag en Hoog circa 20 duizend huishoudens voor corporatiedoelgroep in de MRE.
Allereerst gaan we in op de verwachte huishoudensontwikkeling, in de regio en in de gemeenten. De ontwikkeling van de aantallen huishoudens is primair van belang voor de kwantitatieve opgave, oftewel hoeveel woningen zijn er nodig in de regio om tegemoet te komen aan de woningbehoefte. In dit onderzoek is daarin al voorzien met de woningbouwaantallen die de provincie heeft aangegeven. Daarnaast is de ontwikkeling van de samenstelling van huishoudens van belang omdat deze de woonvoorkeuren en de financiële mogelijkheden van huishoudens – en dus de woningvraag – op de woningmarkt beïnvloeden. Bij de samenstelling van huishoudens gaat het om leeftijd, type, besteedbaar huishoudinkomen en doelgroepen van het huurbeleid. We laten in dit hoofdstuk zien hoe elk van de groepen zich naar verwachting zal ontwikkelen. Bij inkomen en doelgroepen geldt dat er verschillen zijn tussen de (inkomens)scenario’s. Deze verschillen laten we hier dan ook zien zodat de corporaties inzicht krijgen in de bandbreedte van de prognose.
2.1
Samenstelling huishoudens in de MRE
In 2020 telt de MRE bijna 360 duizend huishoudens. In de komende decennia zal dit aantal sterk toenemen, tot 393 duizend in 2030, 414 duizend in 2040 en mogelijk tot 428 duizend in 2050. Tussen 2020 en 2030 is de toename het sterkst (+35 duizend), waarna de stijging in omvang afneemt (+21 duizend tussen 2030 en 2040 en +14 duizend tussen 2040 en 2050). Deze groei in de MRE is in Figuur 2.1 afgebeeld met de lichtgrijze staven en de schaalverdeling op de rechter as.
r2021-0014WF | Woningmarktontwikkelingen MRE tot 2050
21
Kijken we naar de subregio’s binnen de MRE dan wordt in diezelfde figuur snel duidelijk dat Eindhoven de sterkste groei laat zien, van 122 duizend huishoudens in 2020 naar 152 duizend in 2040 (+24%) en 161 duizend in 2050. Ook in Helmond zal het aantal huishoudens nog flink stijgen, met ruim 9 duizend tot 49 duizend in 2040 (+19%), waarna de groei sterk afvlakt. De stijging in Overig SGE (van 83 duizend in 2020 naar 91 duizend in 2040) en Overig MRE (van 112 duizend in 2020 naar 122 duizend in 2040) is naar verhouding minder groot (+10% resp. +9%) en ook voor deze beide subregio’s geldt dat de aantallen huishoudens na 2040 nog maar (zeer) beperkt zullen toenemen. Figuur 2.1: Ontwikkeling huishoudens in MRE per subregio (2020-2050) Bron: Socrates MRE 2020
Huishoudensontwikkeling in de MRE 180.000
480.000
160.000
460.000
140.000
440.000
120.000
420.000
100.000
400.000
80.000
380.000
60.000
360.000
40.000
340.000
20.000 1 2 3 4 5 6 7
1 2 3 4 5 6 7
1 2 3 4 5 6 7
1 2 3 4 5 6 7
0
320.000 1 2 3 4 5 6 7 300.000
Eindhoven 1-2020
Helmond 2-2025
3-2030
Overig SGE 4-2035
5-2040
6-2045
Overig MRE
MRE
7-2050
Het kenmerk leeftijd wordt aan huishoudens gekoppeld via de leeftijd van de referentiepersoon. In de MRE zijn huishoudens van 45-64 jaar het meest omvangrijk, op afstand gevolgd door de huishoudens van 30-44 jaar. Belangrijker nog dan de omvang van de verschillende groepen huishoudens is de ontwikkeling. In Figuur 2.2 is duidelijk te zien dat vooral de oudere huishoudens in aantal gaan toenemen en dan met name de huishoudens 75+.
Van alle huishoudens in de MRE bevatten de meeste slechts één persoon. Ook de komende decennia stijgt het aantal alleenstaanden sterk, terwijl de groei van andere huishoudenstypen daarbij achterblijft. De sterke stijging van het aantal alleenstaanden is mede het gevolg van de toename van huishoudens 75+. De kans dat bij samenwonende paren een van de partners alleen komt te staan door overlijden van de andere partner is in die leeftijdsklasse groot.
Bij de ontwikkeling van de inkomensverdeling in de komende decennia valt vooral de sterke stijging van het aantal huishoudens met een besteedbaar inkomen van minimaal 54.800 duizend euro1 (prijspeil 2019) op, in de MRE toch al de grootste groep. Door de veronderstelde jaarlijkse gemiddelde inkomensgroei van 0,4% boven inflatie vanaf 2027 neemt het aantal huishoudens met een hoog inkomen verder toe. Deze ontwikkeling borduurt voort op de trend in de laatste 15 jaar, waarin er sprake is geweest van een – nog sterkere – gemiddelde inkomensstijging. In het model worden de grenzen van de inkomensklassen elk jaar
1 In het model worden de grenzen van de klassen met inflatie aangepast. De inkomensontwikkeling die zichtbaar is in de figuren heeft dus betrekking op de reële ontwikkeling (boven inflatie).
22
r2021-0014WF
met inflatie aangepast terwijl een groei van de inkomens boven inflatie wordt verwacht. Hierdoor schuift in de loop der tijd (ook als gevolg van het effect van groei op groei) een deel van de huishoudens van de ene naar de andere klasse (vergelijkbaar met deeg dat bij elke uitrol breder wordt). Ook al hebben vergrijzing en huishoudensverdunning een remmend effect op deze ontwikkeling, per saldo neemt het aantal huishoudens met een hoog inkomen toe. Ook de aantallen in de andere inkomensklassen nemen echter toe, behalve die in de laagste inkomensklasse na 2025. In de eerste jaren zal door de economische terugval door de coronacrisis deze groep nog in omvang toenemen, maar als de economie zich weer gaat herstellen gaat het aantal huishoudens met een besteedbaar jaarinkomen tot 18.100 euro in de MRE afnemen. Tot deze laagste inkomensgroep behoren ook veel (studerende) jongeren, waarvan op termijn een daling wordt verwacht. Met de veranderende omvang van de aantallen huishoudens naar besteedbaar inkomen verandert ook de omvang van de doelgroepen van het huurbeleid die voor de corporaties van belang zijn. De hier beschreven patronen zien we in de hele MRE, ook de vier subregio’s en de afzonderlijke gemeenten, terug, zij het dat uitgangssituatie en aantallen in 2020 natuurlijk verschillen.
Figuur 2.2: Ontwikkeling huishoudens naar samenstelling in MRE (2020-2050) Bron: Socrates 2020 MRE Midden Inkomen (besteedbaar)
Samenstelling
Leeftijd huishouden 200.000 180.000 160.000 140.000 120.000 100.000 80.000 60.000
40.000 20.000 0
2020
2.2 De
2030
2040
2050
Doelgroepen en bandbreedte corporatiedoelgroep
is
afgebakend
op
basis
van
de
verhoogde
inkomensgrens
voor
meerpersoonshuishoudens2. In de omvang van de corporatiedoelgroep zit in 2030 en 2040 een verschil van circa 20.000 huishoudens tussen het lage en hoge inkomensscenario.
Duidelijk is dat de totale corporatiedoelgroep alleen de komende jaren tot 2030 gaat toenemen. Na 2030 neemt de corporatiedoelgroep alleen nog toe in Eindhoven. In de andere subregio’s zal het aantal huishoudens in deze doelgroep (heel) beperkt afnemen. Bij deze aantallen gaat het nog om de totale
2 Deze wijziging gaat per 2022 in maar is dus voor alle (prognose)jaren in de uitkomsten doorgevoerd. De grens voor eenpersoonshuishoudens is €40.024 en die van meerpersoonshuishoudens is €44.196 (prijspeil 2021).
Woningmarktontwikkelingen MRE tot 2050
23
doelgroep, ongeacht de woonsituatie. In het volgende hoofdstuk gaan we specifiek in op de doelgroep die in een huurwoning woont en voor de corporaties het meest belangrijk is.
Figuur 2.3: Ontwikkeling corporatiedoelgroep per subregio in de MRE (2020-2050) Bron: Socrates 2020 MRE Midden
Omdat de demografische prognose in de verschillende scenario’s voor de MRE niet verschilt wordt de bandbreedte voor de mogelijke ontwikkeling van de doelgroepen vooral bepaald door de verschillende inkomensontwikkelingen, en dan met name die tot 2030. De inkomensontwikkeling in het lage scenario is negatiever dan in het middenscenario, terwijl de inkomensontwikkeling in het hoge scenario juist positiever is dan in het middenscenario. De inkomensontwikkeling heeft direct gevolgen voor de ontwikkeling van de omvang van de corporatiedoelgroep en daarmee ook de vraag naar sociale huurwoningen. Dat is duidelijk te zien in onderstaande tabel.
24
r2021-0014WF
Tabel 2-1: Ontwikkeling corporatiedoelgroep per scenario in de MRE (2020-2040) Bron: Socrates 2020 MRE Midden Corporatiedoelgroep (EC) 2020 Laag
2025 Midden
Hoog
Laag
2030 Midden
Hoog
Laag
2040 Midden
Hoog
x 1.000 67,5
76,2
72,9
70,1
79,5
74,5
72,0
83,6
77,6
74,9
Helmond
20,5
22,3
21,4
20,6
23,0
21,4
20,7
23,1
21,2
20,5
Best Geldrop-Mierlo Nuenen c.a. Oirschot Son en Breugel Veldhoven Waalre Overig SGE
4,9 7,7 3,5 2,8 2,5 8,0 2,7 32,1
5,7 8,4 3,9 3,1 2,9 8,9 3,1 36,1
5,3 8,0 3,7 2,9 2,8 8,4 2,9 33,9
5,0 7,7 3,5 2,8 2,6 8,1 2,7 32,3
5,9 8,5 4,1 3,2 3,0 9,2 3,2 37,2
5,4 7,9 3,7 2,9 2,8 8,5 2,9 34,1
5,1 7,6 3,7 2,8 2,6 8,2 2,8 32,9
6,0 8,3 3,9 3,0 2,9 9,3 3,2 36,7
5,5 7,6 3,6 2,8 2,8 8,4 2,9 33,7
5,2 7,5 3,6 2,7 2,7 8,1 2,8 32,7
Asten Bergeijk Bladel Cranendonck Deurne Eerssel Gemert-Bakel Heeze-Leende Laarbeek Reusel-De Mierden Someren Valkenswaard Overig MRE
3,1 3,0 3,5 3,8 6,0 3,1 5,7 2,4 3,9 2,2 3,4 6,9 46,9
3,3 3,3 4,0 4,3 6,5 3,5 6,4 2,7 4,3 2,6 3,6 7,5 51,9
3,1 3,1 3,8 4,1 6,1 3,3 6,1 2,6 4,0 2,5 3,4 7,1 49,3
3,0 3,0 3,6 3,9 5,9 3,1 5,9 2,4 3,9 2,3 3,2 6,7 47,1
3,3 3,3 4,1 4,4 6,5 3,6 6,7 2,7 4,4 2,8 3,6 7,5 52,9
3,0 3,1 3,8 4,1 6,0 3,2 6,3 2,5 4,1 2,5 3,3 7,0 49,0
2,9 3,1 3,6 3,9 5,9 3,2 6,1 2,3 4,0 2,4 3,2 6,7 47,3
3,2 3,2 4,1 4,3 6,3 3,5 7,0 2,4 4,2 2,9 3,4 7,3 51,6
2,9 3,0 3,7 4,0 5,7 3,1 6,5 2,3 3,8 2,7 3,1 6,8 47,6
2,8 2,9 3,6 3,9 5,6 3,0 6,2 2,2 3,8 2,4 3,0 6,5 45,9
MRE
167,0
186,4
177,5
170,1
192,5
178,9
172,9
194,9
180,1
173,9
Eindhoven
Woningmarktontwikkelingen MRE tot 2050
25
Woonsituatie corporatiedoelgroep
3
De belangrijkste bevindingen en conclusies uit dit hoofdstuk: Woningvoorraad ■
Grootste deel woningvoorraad in de MRE bestaat uit koopwoningen, vooral eengezinskoopwoningen
■
Alleen in Eindhoven meer huurwoningen dan koopwoningen, maar ook daar eengezinskoopsegment grootste segment
■
In huursector is segment tussen kwaliteitskortingsgrens en aftoppingsgrens het grootst
■
In koopsector verschil tussen stad en platteland: in Eindhoven en Helmond veel meer en in landelijke subregio’s veel minder goedkopere koopwoningen tot 290.000 euro
Woonsituatie corporatiedoelgroep ■
Schets van veranderingen in woonsituatie vormt context voor opgave corporaties
■
60% van corporatiedoelgroep in de MRE woont in huurwoning
■
Toename corporatiedoelgroep in huurwoning tot 2030: +5,0 duizend in doelgroep huurtoeslag en +4,3 duizend bij overige EC-huishoudens
■
Tussen 2030 en 2040 alleen nog toename bij overige EC-huishoudens tegenover afname bij doelgroep huurtoeslag
■
Na 2030 alleen nog groei corporatiedoelgroep in huurwoning in Eindhoven
■
Op termijn minder huurwoningen tot kwaliteitskortingsgrens beschikbaar voor corporatiedoelgroep (afname door sloop en huurstijgingen)
Woningvraag jongeren en ouderen ■
Bij beide groepen een grotere voorkeur voor een huurwoning dan gemiddeld, waarbij ouderen zich vaker richten op een duurdere huur- dan wel koopwoning
In dit hoofdstuk geven we aan hoe de woonsituatie van de huishoudens er nu uit ziet en hoe deze in de toekomst eruit ziet als zoveel mogelijk gebouwd wordt volgens de woonvoorkeuren en financiële mogelijkheden van de diverse typen huishoudens. Daarbij wordt rekening gehouden met het vrijkomende aanbod uit de bestaande voorraad.
Door de huidige woonsituatie te vergelijken met de woonsituatie in de toekomst geven we inzicht in de ontwikkeling van de corporatiedoelgroep en de mate waarin zij een beroep doen op een sociale huurwoning1. Door het vergelijken van de huidige en toekomstige woonsituatie van huishoudens geven we ook inzicht in de gewenste ontwikkelrichting van de woningvoorraad. De vergelijking geeft namelijk aan in welke segmenten de woningvoorraad zou moeten toenemen en in welke segmenten afname mogelijk of wenselijk is.
1 In dit geval gaat het om alle huurwoningen beneden de liberalisatiegrens, ook die van particuliere verhuurders. Bij de nieuwbouw (zie hoofdstuk 4) wordt wel een onderscheid gemaakt tussen corporaties en particuliere verhuurders.
r2021-0014WF | Woningmarktontwikkelingen MRE tot 2050
27
3.1
Huidige woningvoorraad
De woningmarkt is een voorraadmarkt, waarin de jaarlijkse mutaties doorgaans niet meer dan een geringe verandering in de voorraad bewerkstelligen. Veranderingen in woningkenmerken en huisvesting zijn dan ook vaak pas na een aantal jaren zichtbaar in de vorm van verschuivingen in verdelingen. Omdat de huidige woningvoorraad en bewoning daarvan het startpunt vormt voor de mutaties in het woningmarktmodel schetsen we eerst kort de bestaande voorraad in een aantal kenmerken.
Het grootste deel van de woningvoorraad in de MRE bestaat uit koopwoningen, en dan vooral eengezinskoopwoningen. Dit segment bevat in 2020 55% van alle woningen. De huursector in de MRE heeft een aandeel van 40%, gelijk verdeeld over eengezinswoningen en meergezinswoningen. Alleen in Eindhoven zijn er meer huurwoningen dan koopwoningen, maar ook hier vormt het eengezinskoopsegment het grootste segment. Daarnaast zijn er in Eindhoven meer meergezins- dan eengezinshuurwoningen, wat in de andere subregio’s niet het geval is. In de meer landelijke subregio’s Overig SGE en Overig MRE is de vertegenwoordiging van de eengezinskoopvoorraad het grootst met een aandeel van 66%.
Figuur 3.1: Woningvoorraad naar eigendom en type in MRE (2020) Bron: Socrates MRE 2020 34.900
9.000
27.000
41.700
8.600 10.200
24%
Helmond
25%
31%
37%
8% 4%
1.800 20.200
Overig SGE
16%
13%
66%
Overig MRE
19%
11%
66%
4.800
11.900
21.300
20.000
49%
5%
55.400
Huur eengezins
21%
4.000
11.100 13.000
0
Eindhoven
74.500
40.000
60.000
Huur meergezins
80.000
Koop eengezins
100.000
120.000
Koop meergezins
4%
0% Huur eengezins
20%
40%
Huur meergezins
60% Koop eengezins
80%
100%
Koop meergezins
In lijn met het feit dat het merendeel van de huurwoningen in bezit is van een corporatie heeft het grootste deel van de huurvoorraad (57%) in de MRE een huur tussen kwaliteitskortingsgrens en aftoppingsgrens2. In Helmond is dit segment met 63% groter en zijn er met 13% relatief minder huurwoningen boven de liberalisatiegrens dan gemiddeld in de MRE (19%). Overig SGE onderscheidt zich door een relatief laag aandeel woningen tot de kwaliteitskortingsgrens (8% ten opzichte van 13% gemiddeld) en een hoger aandeel huurwoningen in de vrije sector (22% versus 19% gemiddeld). Wat de koopsector betreft zijn er in de beide steden duidelijk meer koopwoningen in de goedkopere klasse tot 290.000 euro (prijspeil 2019) en minder duurdere koopwoningen dan in Overig SGE en Overig MRE.
2 Als gesproken wordt over aftoppingsgrens wordt steeds de hoge (tweede) aftoppingsgrens bedoeld.
28
r2021-0014WF
Figuur 3.2: Woningvoorraad naar eigendom en prijsklasse in MRE (2020) Bron: Socrates MRE 2020
Huur
Koop
15%
55%
10% 20%
Eindhoven
61%
26%
12%
14%
63%
10% 13%
Helmond
65%
23%
11%
8%
58%
12%
22%
Overig SGE
45%
37%
18%
11%
58%
12% 19%
Overig MRE
47%
38%
16%
0%
20%
40%
< kwaliteitsk.gr. tot liberalisatiegr.
3.2
60%
80%
100%
tot aftoppingsgr. > liberalisatiegr.
0%
20%
tot 290 dzd
40%
60%
290-460 dzd
80%
100%
> 460 dzd
Ontwikkeling corporatiedoelgroep in een huurwoning
Van de hele corporatiedoelgroep van 167 duizend huishoudens in de MRE woont bijna 60% (ruim 97 duizend huishoudens) in een huurwoning. De overige huishoudens in deze doelgroep bezitten dus een koopwoning of wonen onzelfstandig (zoals een kamer) of in een andere woonruimte zoals een woonboot of woonwagen. Ook het aantal doelgroephuishoudens in een huurwoning zal de komende jaren gaan toenemen, maar minder sterk dan het totaal aantal huishoudens. De grootste stijging vindt de eerstkomende jaren plaats als de economie zich nog niet of maar beperkt heeft hersteld van de coronapandemie. Volgens het middenscenario wonen in 2025 in de MRE bijna 104 duizend huishoudens die tot de corporatiedoelgroep behoren in een huurwoning, circa 7 duizend meer dan nu. Volgens het scenario Laag zijn er dat bijna 107 duizend (+10 duizend), terwijl het scenario Hoog uitkomt op 100 duizend (+3 duizend). Tussen 2025 en 2030 is de toename minder sterk en vanaf 2030 blijft de omvang van de corporatiedoelgroep in een huurwoning in drie van de vier subregio’s stabiel of neemt deze zelfs iets af. Alleen in Eindhoven groeit de corporatiedoelgroep in de huursector nog iets door. De bandbreedte tussen de lage en hoge inkomensontwikkeling bedraagt in 2030 ruim 9 duizend huishoudens en in 2040 meer dan 12 duizend huishoudens.
Woningmarktontwikkelingen MRE tot 2050
29
Tabel 3-1: Ontwikkeling corporatiedoelgroep in een huurwoning per scenario in de MRE (2020-2040) Bron: Socrates MRE 2020 Corporatiedoelgroep (EC) in huurwoning 2020 Laag
2025 Midden
Hoog
Laag
2030 Midden
Hoog
Laag
2040 Midden
Hoog
x 1.000 43,1
49,1
47,6
45,7
52,1
49,6
47,2
55,5
51,6
48,5
Helmond
14,0
14,7
14,4
13,9
15,2
14,4
13,9
15,0
14,0
13,4
Best Geldrop-Mierlo Nuenen c.a. Oirschot Son en Breugel Veldhoven Waalre Overig SGE
2,5 4,4 1,7 1,2 1,1 4,3 1,3 16,5
2,9 4,7 1,8 1,3 1,3 4,7 1,4 18,0
2,8 4,5 1,7 1,3 1,2 4,6 1,4 17,4
2,7 4,4 1,7 1,2 1,2 4,4 1,3 16,9
3,1 4,8 1,9 1,4 1,3 4,9 1,5 18,9
3,0 4,5 1,8 1,4 1,2 4,6 1,4 17,9
2,8 4,4 1,7 1,3 1,2 4,4 1,3 17,2
3,3 4,8 1,8 1,3 1,1 4,9 1,5 18,8
3,1 4,4 1,8 1,3 1,1 4,5 1,4 17,6
2,9 4,3 1,7 1,3 1,1 4,4 1,3 16,8
Asten Bladel Cranendonck Deurne Eerssel Gemert-Bakel Heeze-Leende Laarbeek Reusel-De Mierden Someren Valkenswaard Overig MRE
1,4 1,2 1,5 1,8 3,4 1,5 3,0 1,0 2,1 0,8 1,6 4,2 23,5
1,5 1,3 1,6 1,8 3,5 1,5 3,2 1,1 2,2 0,9 1,7 4,5 24,9
1,4 1,3 1,6 1,8 3,4 1,5 3,2 1,1 2,2 0,9 1,6 4,4 24,4
1,4 1,2 1,6 1,7 3,4 1,5 3,2 1,0 2,1 0,8 1,6 4,2 23,7
1,5 1,3 1,7 1,8 3,5 1,6 3,4 1,1 2,3 0,9 1,7 4,5 25,4
1,4 1,3 1,6 1,8 3,3 1,5 3,3 1,0 2,2 0,9 1,6 4,4 24,5
1,4 1,3 1,6 1,7 3,3 1,5 3,3 1,0 2,2 0,8 1,6 4,2 23,8
1,6 1,3 1,6 1,7 3,3 1,4 3,6 0,8 2,0 0,9 1,6 4,5 24,4
1,4 1,2 1,6 1,7 3,1 1,3 3,5 0,8 1,9 0,9 1,6 4,3 23,3
1,3 1,2 1,5 1,6 3,0 1,3 3,3 0,8 1,9 0,8 1,5 4,1 22,4
MRE
97,1
106,8
103,8
100,1
111,6
106,4
102,1
113,8
106,6
101,1
Eindhoven
De stijging van de corporatiedoelgroep in een huurwoning tot 2030 betreft 5 duizend huishoudens in de doelgroep huurtoeslag en 4,3 duizend overige EC-huishoudens3. Vanaf 2030 neemt de doelgroep huurtoeslag in een huurwoning in aantal af, maar deze afname wordt gecompenseerd door een toename bij de overige EC-huishoudens.
Als gevolg van de voorraadmutaties (sloop en huurverhogingen) in het model neemt het aantal huurwoningen tot de kwaliteitskortingsgrens af en zijn er in dat segment dus minder woningen beschikbaar voor de corporatiedoelgroep. Omdat nieuwbouw vanwege de ongunstige kosten-/batenverhouding in dit segment bijna niet voorkomt, uitgezonderd in studentensteden (dus ook Eindhoven), blijft de vraag naar dit segment onbeantwoord en zijn huishoudens aangewezen op een duurdere huurwoning of andere woonruimte. Het aantal huishoudens in de doelgroep huurtoeslag dat in een woning tussen de kwaliteitskortingsgrens en aftoppingsgrens woont neemt mede daardoor en als gevolg van de grotere vraag toe tot 2030. De doelgroep huurtoeslag in een huurwoning tussen de aftoppings- en liberalisatiegrens stijgt relatief sterk. Onder de overige EC-huishoudens is sprake van een nog grotere toename ten opzichte van de situatie in 2020.
3 De huishoudens in de corporatiedoelgroep worden ook wel EC-huishoudens genoemd, naar wetgeving door de Europese Commissie, op basis waarvan de inkomensgrenzen voor toelating tot de sociale huursector worden bepaald. Binnen de groep EC-huishoudens worden de huishoudens in de doelgroep huurtoeslag apart onderscheiden, waarmee ook de andere, overige EC-huishoudens als groep zijn afgebakend. De overige EC-huishoudens hebben dus geen recht op huurtoeslag maar komen wel in aanmerking voor een sociale huurwoning van een corporatie.
30
r2021-0014WF
Met andere beleidskeuzes voor voorraadmutaties veranderen de woonmogelijkheden van de doelgroepen. Met andere beleidskeuzes verandert dus ook de verwachte toekomstige woonsituatie van de doelgroepen die hieronder is weergegeven.
Tabel 3-2: Ontwikkeling corporatiedoelgroep in een huurwoning naar prijsklasse in de MRE (2020-2040) Bron: Socrates 2020 MRE Midden Bewoonde voorraad huur 2020 2025 2030 2040 2020-2030 2030-2040 x 1.000 Doelgroep huurtoeslag < kwal.k.gr. tot 2e aftop.gr. tot lib.gr. > lib.gr.
61,2 9,6 41,7 5,5 4,3
65,3 9,0 45,3 7,0 4,1
66,2 8,1 46,1 8,1 3,9
65,2 6,7 45,1 9,6 3,8
5,0 -1,5 4,4 2,6 -0,4
-1,0 -1,4 -1,0 1,6 -0,1
Overige EC-doelgroep < kwal.k.gr. tot 2e aftop.gr. tot lib.gr. > lib.gr.
36,0 4,6 20,7 4,5 6,2
38,5 4,3 21,8 6,1 6,3
40,2 4,1 22,6 7,3 6,3
41,4 3,5 22,6 8,8 6,5
4,3 -0,6 1,9 2,8 0,2
1,2 -0,6 0,0 1,6 0,2
Corporatiedoelgroep < kwal.k.gr. tot 2e aftop.gr. tot lib.gr. > lib.gr.
97,1 14,2 62,4 10,0 10,5
103,8 13,3 67,1 13,0 10,4
106,4 12,2 68,7 15,3 10,2
106,6 10,2 67,7 18,4 10,3
9,3 -2,0 6,3 5,3 -0,3
0,2 -2,0 -1,0 3,1 0,1
Middeninkomens
14,6
15,0
16,3
17,9
1,7
1,6
Hoge inkomens
17,6
18,9
21,0
22,4
3,3
1,4
Totaal huishoudens in huur
129,3
137,7
143,7
146,9
14,4
3,2
De huishoudenstoename onder de corporatiedoelgroep in een huurwoning vindt vooral in Eindhoven plaats. In de andere drie regio’s is de stijging beperkt, met name in Helmond. De afname van de corporatiedoelgroep in een huurwoning tot de kwaliteitskortingsgrens is in Eindhoven naar verhouding geringer dan in de andere regio’s, juist omdat in Eindhoven nog wel nieuwe woningen in deze prijsklasse worden teruggebouwd. Een relatief sterke groei is te zien bij de huishoudens in een huurwoning tussen de aftoppingsgrens en liberalisatiegrens, vooral in Eindhoven.
Zoals eerder aangegeven (par. 1.3) schetsen deze cijfers over de woonsituatie een beeld van de te verwachten ontwikkelingen maar zijn deze ontwikkelingen nog geen exacte weergave van de opgave van corporaties. Deze opgave komt in het volgende hoofdstuk aan bod.
Woningmarktontwikkelingen MRE tot 2050
31
Tabel 3-3: Ontwikkeling corporatiedoelgroep in een huurwoning naar prijsklasse in de MRE (2020-2040) Bron: Socrates 2020 MRE Midden Corporatiedoelgroep Bewoonde voorraad huur 2020 2030 2040 2040 2020-2030 2030-2040 x 1.000 Eindhoven < kwaliteitsk.gr. tot aftoppingsgr. tot liberalisatiegr. > liberalisatiegr.
43,1 7,7 26,8 4,0 4,6
47,6 7,6 29,7 5,7 4,7
49,6 7,2 30,8 7,0 4,6
51,6 6,1 31,5 9,0 4,9
6,4 -0,6 4,0 2,9 0,1
2,0 -1,0 0,7 2,1 0,3
Helmond < kwaliteitsk.gr. tot aftoppingsgr. tot liberalisatiegr. > liberalisatiegr.
14,0 2,2 9,5 1,3 1,0
14,4 2,0 9,9 1,6 1,0
14,4 1,7 9,9 1,8 1,0
14,0 1,3 9,6 2,0 1,1
0,4 -0,5 0,5 0,5 0,0
-0,4 -0,4 -0,3 0,3 0,0
Overig SGE < kwaliteitsk.gr. tot aftoppingsgr. tot liberalisatiegr. > liberalisatiegr.
16,5 1,6 11,0 1,9 2,0
17,4 1,4 11,7 2,4 2,0
17,9 1,2 12,0 2,8 1,9
17,6 1,0 11,5 3,2 1,9
1,4 -0,3 1,0 0,9 -0,1
-0,3 -0,2 -0,4 0,4 -0,1
Overig MRE < kwaliteitsk.gr. tot aftoppingsgr. tot liberalisatiegr. > liberalisatiegr.
23,5 2,7 15,2 2,7 2,9
24,3 2,4 15,9 3,3 2,7
24,5 2,1 16,0 3,8 2,6
23,3 1,7 15,0 4,1 2,4
1,0 -0,6 0,8 1,1 -0,3
-1,2 -0,4 -1,0 0,3 -0,1
3.3
De vraag naar woningen onder jongeren en ouderen
Het ‘klemt’ op dit moment met name bij twee groepen in de regio waardoor doorstroming stagneert: jonge huishoudens (waaronder ook starters) en ouderen. In de paragrafen hieronder wordt hier nader op ingegaan.
3.3.1
Jonge huishoudens
In 2020 zijn er ruim 41.000 huishoudens jonger dan 30 jaar in de MRE (zie Figuur 3.3). Dit aantal neemt tot 2030 nog beperkt toe, maar daalt daarna tot 2040. Na 2040 wordt echter weer een stijging verwacht. Dit beeld wordt vooral bepaald door de ontwikkeling van jonge alleenstaanden, die veruit de grootste groep onder jonge huishoudens vormen. Bij paren tot 30 jaar is geen sprake van een toename tot 2030. Hun aantal neemt tot 2040 gestaag af maar en neemt pas daarna weer iets toe.
32
r2021-0014WF
Figuur 3.3: Ontwikkeling huishoudens jonger dan 30 jaar in de MRE (2020-2040) Bron: Socrates 2020 MRE
Huishoudens < 30 jaar 50.000 45.000 40.000 35.000 30.000 25.000 20.000 15.000 10.000 5.000 0
41.440
42.590
27.520
28.110
10.380
9.590
44.210 40.630
< 30 jaar Totaal
29.690
27.240
< 30 jaar Alleenstaand
9.160
8.250
< 30 jaar Paar
Bij benadering gaan er in de MRE jaarlijks meer dan 14 duizend jonge huishoudens jonger dan 30 jaar op zoek naar een (andere) woning, waarvan 9,2 duizend in Eindhoven, bijna 900 in Helmond, 1,8 duizend in Overig SGE en ruim 2,4 duizend in Overig MRE. Voor een deel zijn dat bestaande huishoudens die al in een (zelfstandige) woning wonen maar voor een belangrijk deel zijn het ook startende huishoudens. Zij zoeken voor het eerst een woning en hebben voorheen nog bij ouder(s) thuis gewoond of een onzelfstandige woonruimte gehad. Het jaarlijkse aantal starters in de MRE (inclusief oudere starters) beweegt zich rond de 9 duizend huishoudens. Niet alle huishoudens slagen erin ook een andere of nieuwe woning te vinden. In dat geval blijven ze vooralsnog op hun huidige plek, zoeken onzelfstandige woonruimte of gaan ze op zoek naar een andere locatie. Uitstel en substitutie van woonwensen worden in het model meegenomen. Het is niet mogelijk aan te geven hoeveel huishoudens wel slagen. Juist in deze tijd van grote druk op zowel de huur- als de koopsector is het voor starters en jonge huishoudens lastig een woning te bemachtigen.
Meer dan de helft (56%) van de starters in de MRE richt zich op een huurwoning. Een vijfde van deze groep gaat op zoek naar een woning tot aan de kwaliteitskortingsgrens maar de meeste starters zoeken een betaalbare woning tot aan de aftoppingsgrens. Ruim een vijfde oriënteert zich op de vrije huursector. Dit laatste segment is onder de starters in Eindhoven met ruim een kwart iets populairder. Van de starters die een koopwoning zoeken wil een op de drie een koopwoning tot maximaal 290.000 euro. Figuur 3.4: Vraag van starters in de MRE naar een huur- resp. koopwoning naar prijsklasse (2020) Bron: Socrates 2020 MRE Midden
Starters Huur
22%
Starters Koop 12%
19%
5%
30%
58%
54%
< kwaliteitsk.gr.
tot aftoppingsgr.
tot liberalisatiegr.
> liberalisatiegr.
≤290 dzd
290-460 dzd
> 460 dzd
Woningmarktontwikkelingen MRE tot 2050
33
3.3.2
Oudere huishoudens
In 2020 wonen er in de MRE bijna 104 duizend huishoudens ouder dan 65 jaar in de MRE (zie Figuur 3.3). Naar verwachting zal dat aantal oplopen tot 131 duizend in 2030 en tot 152 duizend in 2040. Anders dan bij jonge huishoudens bestaat een kleine meerderheid van de huishoudens 65+ uit paren maar in 2030 zijn er al meer alleenstaanden dan paren en nadien wordt het verschil alleen maar groter.
Figuur 3.5: Ontwikkeling huishoudens 65+ in de MRE (2020-2040) Bron: Socrates 2020 MRE
Huishoudens 65+ 180.000 140.000 120.000
130.940 103.620
100.000 80.000
156.480
152.000
160.000
83.710
77.160 61.850
45.660
60.000 59.360
40.000 20.000
63.530
51.980
61.590
0
65+ Totaal
65+ Alleenstaand
65+ Paar
Zoals bekend is de verhuisgeneigdheid onder oudere huishoudens relatief laag, vooral onder woningbezitters. Het gevolg is dat veel ouderen in een grote woning (blijven) wonen. Onvoldoende geschikt aanbod in de eigen omgeving, opzien tegen toekomstige maandlasten, het geregel van een verhuizing en eventuele verkoop: het kunnen allemaal redenen zijn die ertoe bijdragen dat het ook bij een verhuiswens niet (direct) tot een daadwerkelijke verhuizing komt.
Bij benadering zoeken er in de MRE jaarlijks ongeveer 6 duizend oudere huishoudens van 65 jaar of ouder naar een andere woning. In Eindhoven zijn er dat 2 duizend, in Helmond circa 350, in Overig SGE bijna 2 duizend en in Overig MRE zo’n 1.900. Nog meer dan starters richten huishoudens 65+ zich op een huurwoning (58%). Ook de meeste ouderen zoeken een betaalbare woning tot aan de aftoppingsgrens maar het aandeel oudere huishoudens dat op zoek gaat naar een woning boven de liberalisatiegrens is met bijna een derde ook behoorlijk groot. Dat oudere huishoudens die (weer) een woning in de koopsector zoeken over meer kapitaal dan jonge huishoudens beschikken blijkt uit hun voorkeur voor een duurdere woning. Twee op de vijf oudere huishoudens zoeken een woning tussen 290.000 en 460.000 duizend euro en 30% van de huishoudens 65+ wil een woning van meer dan 460.000 euro kopen.
34
r2021-0014WF
Figuur 3.6: Vraag van ouderen in de MRE naar een huur- resp. koopwoning naar prijsklasse (2020) Bron: Socrates 2020 MRE Midden
Ouderen Huur
Ouderen Koop
2%
27%
30%
31%
53%
14%
43%
< kwaliteitsk.gr.
tot aftoppingsgr.
tot liberalisatiegr.
> liberalisatiegr.
≤290 dzd
290-460 dzd
> 460 dzd
Of ouderen in hun woningvraag ook naar een voor hen meer geschikte woning zoeken (nultredenwoning of een specifieke geclusterde ouderenwoning), komt aan bod in hoofdstuk 5.
Woningmarktontwikkelingen MRE tot 2050
35
Voorraadmutaties
4
De belangrijkste bevindingen en conclusies uit dit hoofdstuk: ■
Mutaties geven een beeld van hoe de wensvoorraad bereikt kan worden, andere routes ook mogelijk
■
Tot 2040 75 duizend woningen extra in de MRE waarvan grootste deel in Eindhoven
■
Aandeel koopsector in de MRE gaat toenemen, door verkoop en sloop huurwoningen
■
Tot 2025 meer nieuwbouw in huursector dan koopsector, daarna meer koopwoningen, vooral na 2030
■
Circa 70% van nieuwbouw in huursector moet sociaal; subregio’s verschillen niet, gemeenten onderling wel
■
Meeste nieuwbouw gewenst in segment tussen kwaliteitskortingsgrens en aftoppingsgrens, waarvan een vijfde tussen 1e en 2e aftoppingsgrens
■
Alleen in Eindhoven rekening gehouden met nieuwbouw van huurwoningen tot de kwaliteitskortingsgrens
■
Nieuwbouw van huurwoningen in vrije sector, vooral middenhuur, ook belangrijk
■
Opgave corporaties tot 2025 gemiddeld 1.770 nieuwe woningen per jaar, daarna 1.560 tot 2030
■
Bandbreedte: bij mindere inkomensontwikkeling meer huurwoningen gewenst, bij sterke inkomensontwikkeling minder (verschil van ruim 6 duizend woningen tussen 2020 en 2030)
De vergelijking tussen nu en 2030/2040 in het vorige hoofdstuk geeft op zichzelf nog niet aan hoe de gewenste voorraad van de toekomst bereikt kan worden. Daarvoor zijn immers verschillende mogelijkheden: nieuwbouw (of overige toevoegingen zoals transformaties), sloop, verkoop van huurwoningen en huurprijsaanpassingen. In dit hoofdstuk worden daarom de gewenste mutaties in de voorraad benoemd die kunnen leiden tot de in het vorige hoofdstuk geschetste toekomstige woonsituatie, waarbij binnen de randvoorwaarden het model erop gericht is zoveel mogelijk huishoudens volgens hun woonwensen te laten wonen. De nieuwbouw wordt ingezet om de grootste discrepanties tussen vraag en aanbod weg te nemen, niet in een keer over een hele periode maar per jaar. We laten de aantallen nieuwbouw, sloop, verkopen en huuraanpassingen zien, ook weer met onderscheid naar de prijsklassen in de huur- en koopsector. De huuraanpassingen zijn trendmatig en beleidsmatig bepaald. Hierdoor kunnen we tevens de effecten van huurbeleid op de woningvoorraad meenemen en laten zien. De mutaties geven een beeld van hoe de wensvoorraad bereikt kan worden. Dit beeld van de ‘route’ naar 2030/2040 is echter niet in steen gebeiteld. Omdat de mutaties onderling samenhangen, zijn ook andere keuzes mogelijk. Zo kunnen corporaties in een specifiek segment meer of juist minder verkopen, bouwen, slopen of huren aanpassen.
De in het rapport weergegeven mutaties per segment helpen de corporaties in de MRE wel op weg om een route naar de wensvoorraad uit te stippelen.
r2021-0014WF | Woningmarktontwikkelingen MRE tot 2050
37
Met andere beleidskeuzes voor voorraadmutaties kunnen corporaties de route naar 2030/2040 anders vormgeven dan hieronder is weergegeven.
Zoals eerder aangegeven zijn er vooral bij de samenstelling van de gewenste nieuwbouw verschillen tussen de scenario’s. In de figuren die over de nieuwbouw gaan, zullen deze verschillen getoond worden.
4.1
Nieuwbouw, sloop en verkoop van huurwoningen
Tussen 2020 en 2025 wordt de woningvoorraad in de MRE per saldo met bijna 22 duizend woningen uitgebreid. En in de periode 2025-2030 komen daar nog eens ruim 19 duizend woningen bij. Omdat er in beide perioden zo’n 2 duizend woningen worden gesloopt worden er bijna 24 duizend en ruim 21,4 duizend nieuwe woningen gebouwd.
In de komende jaren is meer nieuwbouw in de huursector dan in de koopsector gewenst, 12,2 versus 11,7 duizend woningen (Tabel 4-1) laat ook duidelijk zien dat de veranderingen in de woningvoorraad per prijsklasse behalve door nieuwbouw, sloop en prijsaanpassingen ook nog worden beïnvloed door verkoop van huurwoningen.
In de koopsector ligt het accent van de uitbreiding op de goedkopere koopvoorraad, hier met 290.000 euro (prijspeil 2019) als bovengrens. In deze prijsklasse zou ook meer nieuwbouw dan in de andere twee prijsklassen moeten plaatsvinden, ondanks het feit dat er ook al goedkopere koopwoningen aan de voorraad worden toegevoegd door de verkoop van huurwoningen.
Tussen 2025 en 2030 slaat de balans licht door naar de koopsector. De meeste nieuwbouw in de huursector is gewenst in het in de huurvoorraad grootste prijssegment, dat tussen kwaliteitskortingsgrens en aftoppingsgrens. Meer dan de helft van de nieuwbouw in de huur moet woningen in deze prijsklasse bevatten. Nieuwbouw van huurwoningen tussen aftoppingsgrens en liberalisatiegrens is minder noodzakelijk; dit komt omdat deze prijsklasse ook al groeit door huuraanpassingen. Meer dan een kwart van de nieuwbouw van huurwoningen is nodig in de vrije sector; voor het grootste gedeelte gaat het dan om middenhuur. Tabel 4-1 laat ook duidelijk zien dat de veranderingen in de woningvoorraad per prijsklasse behalve door nieuwbouw, sloop en prijsaanpassingen ook nog worden beïnvloed door verkoop van huurwoningen.
In de koopsector ligt het accent van de uitbreiding op de goedkopere koopvoorraad, hier met 290.000 euro (prijspeil 2019) als bovengrens. In deze prijsklasse zou ook meer nieuwbouw dan in de andere twee prijsklassen moeten plaatsvinden, ondanks het feit dat er ook al goedkopere koopwoningen aan de voorraad worden toegevoegd door de verkoop van huurwoningen.
38
r2021-0014WF
Tabel 4-1: Mutaties in de woningvoorraad naar eigendom en prijsklasse in de MRE (2020-2030) Bron: Socrates 2020 MRE Midden 2020 t/m 2024 Nieuwbouw x 1.000
2025 t/m 2029 Sloop
Verkoop
Aanpassingen huur
Mutatie
Nieuwbouw
Sloop
Verkoop
Aanpassingen huur
Mutatie
Totaal huur < kwal.k.gr. tot 2e aftop.gr. tot lib.gr. > lib.gr.
12,2 1,1 6,4 1,4 3,4
-1,7 -0,6 -0,9 -0,1 -0,1
-2,3 0,0 -1,4 -0,5 -0,4
0,0 -1,8 -1,1 3,0 0,0
8,2 -1,3 2,9 3,8 2,9
10,6 1,1 5,5 1,3 2,8
-1,8 -0,7 -0,7 -0,2 -0,2
-2,3 0,0 -1,2 -0,5 -0,7
0,0 -1,3 -1,2 2,6 0,0
6,5 -1,0 2,3 3,2 1,9
Totaal koop ≤ 290 dzd 290-460 dzd ≥ 460 dzd
11,7 4,3 3,9 3,5
-0,3 -0,2 -0,1 0,0
2,3 1,9 0,4 0,0
0,0 0,0 0,0 0,0
13,7 6,0 4,2 3,5
10,8 4,2 3,5 3,0
-0,3 -0,2 -0,1 0,0
2,3 1,7 0,7 0,0
0,0 0,0 0,0 0,0
12,8 5,7 4,1 3,0
Totaal
23,9
-2,0
0,0
0,0
21,9
21,4
-2,1
0,0
0,0
19,3
Het hier geschetste beeld ten aanzien van de prijsklassen waarin groei of krimp door sloop, verkopen en prijsaanpassingen plaatsvindt is in de afzonderlijke subregio’s op hoofdlijnen hetzelfde. De aantallen waar het over gaat verschillen natuurlijk wel.
In Tabel 4-2 zijn voor de nieuwbouw de prijsklassen in de huur verder onderscheiden, zodat voor de corporaties duidelijk wordt hoeveel woningen gebouwd moeten worden tot de 1 e en tot de 2e aftoppingsgrens. Het gaat bij deze prijsklasse om ongeveer een vijfde van alle nieuwbouw tussen kwaliteitskortingsgrens en 2e aftoppingsgrens. Zoals eerder aangegeven is de nieuwbouw tot de kwaliteitskortingsgrens alleen op Eindhoven gericht. Ook blijkt uit deze tabel dat het bij de nieuwbouw in de vrije huursector inderdaad vooral gaat om middenhuur. Tot slot is in de tabel ook de nieuwbouw tussen 2030 en 2040 toegevoegd. In die periode worden er in een tijdsbestek van 10 jaar nog 13,5 duizend nieuwe huurwoningen en ruim 16 duizend nieuwe koopwoningen gebouwd in de MRE. Binnen de huursector zijn de prijsklasse tussen de kwaliteitskortingsgrens en 1e aftoppingsgrens en de middenhuur wederom de segmenten waar de nieuwbouwopgave het grootst is.
Tabel 4-2: Nieuwbouw naar eigendom en prijsklasse in de MRE per jaar (2020-2040) Bron: Socrates 2020 MRE Midden 2020 t/m 2024
2025 t/m 2029
2030 t/m 2039
x 1.000 Huur tot kwal.k.gr. tot 1e aftop.gr. tot 2e aftop.gr. tot lib.gr. middenhuur vanaf 969 euro
12,2 1,1 5,1 1,3 1,4 3,0 0,4
10,6 1,1 4,5 1,0 1,3 2,5 0,3
13,5 1,4 5,4 1,1 1,3 3,9 0,4
Koop ≤ 200 dzd 200-290 dzd 290-360 dzd 360-460 dzd 460-600 dzd ≥ 600 dzd
11,7 0,5 3,8 1,6 2,3 2,4 1,1
10,8 0,5 3,8 1,5 2,0 2,0 1,0
16,1 0,5 5,6 2,2 3,1 3,0 1,6
Totaal
23,9
21,4
29,5
Over de hele periode 2020 tot 2040 bezien worden er zo’n 75 duizend nieuwe woningen toegevoegd aan de huidige voorraad van de MRE, 36,3 duizend huurwoningen en 38,5 duizend koopwoningen. Het grootste deel van de nieuwbouw komt zoals reeds vermeld in Eindhoven terecht, waar iets meer huurwoningen dan
Woningmarktontwikkelingen MRE tot 2050
39
koopwoningen moeten worden gebouwd. In Helmond en Overig MRE zijn meer koopwoningen dan huurwoningen gewenst, terwijl de verhouding in Overig SGE gelijk is. Zo’n 70% van alle huurwoningen zou in het sociale huursegment moeten worden gebouwd en dat aandeel verschilt nauwelijks tussen de subregio’s. Op gemeentelijk niveau zijn er wel gemeenten waarvoor een groter dan wel juist kleiner aandeel nieuwbouw in de sociale huur gewenst is.
Van de nieuwbouw in de koopsector moet in de MRE 38% van de woningen een waarde van maximaal 290.000 euro hebben. In Eindhoven is dat aandeel met 44% nog hoger, terwijl in Overig SGE en Overig MRE slechts 27% resp. 31% van de nieuwbouw in dit goedkopere segment hoeft te worden gebouwd. Aan de andere kant ligt het gewenste aandeel nieuwbouwwoningen van minstens 460.000 euro in Eindhoven duidelijk onder het regionale gemiddelde, terwijl dat van Overig MRE en vooral Overig SGE er duidelijk boven ligt. Ook in de verdeling van de nieuwbouw in de koopsector zijn er grote verschillen tussen de gemeenten.
Tabel 4-3: Nieuwbouw naar eigendom en prijsklasse in de MRE per jaar (2020-2040) Bron: Socrates 2020 MRE Midden Nieuwbouw 2020-2039 Huur Koop Gereguleerd Geliberaliseerd Goedkoop Middelduur < lib.gr. > lib.gr. < 290 dzd 290-460 dzd x 1.000 % van alle huurwoningen x 1.000 % van alle k oopwoningen
Duur > 460 dzd
Eindhoven
20,4
71%
29%
19,1
44%
31%
24%
Helmond
3,9
71%
29%
6,4
38%
36%
26%
Best Geldrop-Mierlo Nuenen c.a. Oirschot Son en Breugel Veldhoven Waalre Overig SGE
1,5 1,1 0,5 0,5 0,4 1,3 0,7 6,0
71% 62% 71% 83% 85% 69% 71% 71%
29% 38% 29% 17% 15% 31% 29% 29%
1,2 1,3 0,5 0,5 0,5 1,5 0,4 5,9
25% 24% 38% 20% 13% 34% 26% 27%
23% 33% 26% 38% 43% 37% 25% 32%
51% 42% 36% 42% 44% 29% 50% 41%
Asten Bergeijk Bladel Cranendonck Deurne Eerssel Gemert-Bakel Heeze-Leende Laarbeek Reusel-De Mierden Someren Valkenswaard Overig MRE
0,5 0,3 0,5 0,3 0,7 0,4 1,1 0,2 0,4 0,4 0,5 0,8 6,1
66% 72% 80% 86% 75% 75% 64% 75% 79% 71% 72% 66% 72%
34% 28% 20% 14% 25% 25% 36% 25% 21% 29% 28% 34% 28%
0,4 0,5 0,7 0,5 0,7 0,4 1,2 0,3 0,5 0,5 0,6 0,9 7,2
42% 11% 30% 23% 26% 21% 44% 29% 19% 36% 36% 28% 31%
20% 58% 40% 56% 31% 36% 20% 40% 45% 36% 30% 39% 36%
38% 31% 30% 21% 43% 42% 36% 31% 36% 29% 34% 33% 34%
MRE
36,3
71%
29%
38,5
38%
33%
29%
Corporaties bouwen vooral woningen in de sociale huursector. Daarom zoomen we nu nader in op de nieuwbouwopgave in dat segment. In Tabel 4-4 is aangegeven om welke aantallen het gemiddeld per jaar gaat. Tot 2025 gaat het om gemiddeld 1.770 woningen per jaar en tussen 2025 en 2030 om 1.560 woningen.
40
r2021-0014WF
Tussen 2030 en 2040 kan de jaarlijkse productie omlaag naar gemiddeld 920 huurwoningen beneden de liberalisatiegrens. Zoals aangegeven in de alinea’s hiervoor ligt het accent van de nieuwbouw door corporaties op de prijsklasse tussen kwaliteitskortingsgrens en 1 e aftoppingsgrens. Tabel 4-4: Nieuwbouw in de huurvoorraad en prijsklasse in de MRE (2020-2040) Bron: Socrates 2020 MRE Midden 2020 t/m 2024 2025 t/m 2029 2030 t/m 2039 Gemiddeld per jaar Huur < lib.gr. tot kwal.k.gr. tot 1e aftop.gr. tot 2e aftop.gr. tot lib.gr.
1.770 220 1.020 260 270
1.560 210 890 200 250
920 140 540 110 130
In de onderstaande tabel staan vergelijkbare cijfers, maar dan per subregio. De verdeling van de sociale nieuwbouw over de prijsklassen verschilt niet sterk tussen de subregio’s. In Helmond en Overig MRE zou ca. 70% moeten plaatsvinden in het segment tussen de kwaliteitskortingsgrens en de 1 e aftoppingsgrens. In Overig SGE is dat rond de 60% Zoals eerder aangegeven is Eindhoven de enige subregio waar in het model nieuwbouw tot de kwaliteitskortingsgrens werd toegestaan. Tabel 4-5: Nieuwbouw in de huurvoorraad naar prijsklasse per subregio (2020-2040) Bron: Socrates 2020 MRE Midden 2020 t/m 2024 Eindhoven Huur < lib.gr. tot kwal.k.gr. tot 1e aftop.gr. tot 2e aftop.gr. tot lib.gr. Helmond Huur < lib.gr. tot kwal.k.gr. tot 1e aftop.gr. tot 2e aftop.gr. tot lib.gr. Overig SGE Huur < lib.gr. tot kwal.k.gr. tot 1e aftop.gr. tot 2e aftop.gr. tot lib.gr. Overig MRE Huur < lib.gr. tot kwal.k.gr. tot 1e aftop.gr. tot 2e aftop.gr. tot lib.gr.
2025 t/m 2029
2030 t/m 2039
810 210 400 90 110
590 140 320 60 60
180 0 130 30 20
90 0 70 10 10
280 0 170 50 60
130 0 80 20 30
290 0 190 40 60
120 0 80 10 20
Gemiddeld per jaar 920 220 460 110 120 Gemiddeld per jaar 200 0 140 30 20 Gemiddeld per jaar 310 0 170 70 70 Gemiddeld per jaar 340 0 240 50 60
Woningmarktontwikkelingen MRE tot 2050
41
4.2
Bandbreedte nieuwbouw
In paragraaf 2.2. is aangegeven dat de inkomensontwikkeling van invloed is op de ontwikkeling van de doelgroepen. Omdat inkomen ook van belang is voor de woningvraag verschilt ook de gewenste verdeling van de nieuwbouw over eigendomsvorm en de prijsklassen bij een andere inkomensontwikkeling. In Tabel 4-6 zijn de aantallen en de procentuele verdeling van de nieuwbouw tussen 2020 en 2030 voor de drie scenario’s opgenomen. Bij een lagere inkomensontwikkeling (en een grotere corporatiedoelgroep) is de behoefte aan huurwoningen groter dan bij een hogere inkomensontwikkeling (en een kleinere corporatiedoelgroep). Tussen de scenario’s Laag en Hoog is er een verschil van ruim 6 duizend huurwoningen in de nieuwbouw, verdeeld over alle prijsklassen. De verhouding over de prijsklassen binnen de huursector verschilt nauwelijks tussen de scenario’s. Dat geldt voor alle subregio’s.
De verdeling van de nieuwbouw in de koopsector blijkt gevoeliger voor de inkomensontwikkeling. In het scenario Laag wordt een groter aandeel goedkopere woningen en een kleiner aandeel duurdere woningen gebouwd dan in het scenario Hoog.
Tabel 4-6: Nieuwbouw naar eigendom en prijsklasse per scenario in de MRE (2020-2030) Bron: Socrates 2020 MRE Inkomensscenario Laag Midden x 1.000
42
Hoog
Laag
Midden
Hoog
50%
%
Totaal huur tot kwal.k.gr. tot 1e aftop.gr. tot 2e aftop.gr. tot lib.gr. middenhuur vanaf 969 euro
25,2 2,4 10,6 2,6 2,7 6,1 0,7
22,9 2,2 9,5 2,3 2,6 5,6 0,7
18,9 1,8 8,1 2,0 2,3 4,3 0,4
56% 9% 42% 10% 11% 24% 3%
9% 42% 10% 11% 24% 3%
42% 10% 43% 10% 12% 23% 2%
Totaal koop ≤ 290 dzd 290-460 dzd ≥ 460 dzd
20,1 8,1 6,5 5,5
22,4 8,5 7,4 6,5
26,4 9,6 8,8 8,0
44% 40% 32% 28%
50% 38% 33% 29%
58% 36% 33% 30%
Totaal
45,3
45,3
45,3
100%
100%
100%
r2021-0014WF
Wonen met zorg
5
De belangrijkste bevindingen en conclusies uit dit hoofdstuk: ■
Sterke vergrijzing vraagt aandacht geschikte woningen en woonomgeving voor ouderen
Vraag naar geschikte ouderenwoningen ■
In de MRE tot 2040 bijna 23 duizend voor ouderen geschikte woningen extra nodig voor huishoudens 65+: 13 duizend nultredenwoningen, 6 duizend geclusterde ouderenwoningen en 4 duizend aangepaste woningen
■
Verschillende mogelijkheden om hierin te voorzien: nieuwbouw is er slechts één van
■
Opgave corporaties in de MRE vooral bij uitbreiding van geclusterde woningen en van nultredenwoningen
Intramurale zorgvraag ■
Sterke stijging intramurale zorgvraag in sector V&V door sterke toename 75-plussers
■
Aantal cliënten beschermd wonen in V&V-sector van 4,4 duizend in 2020 naar 9,6 duizend in 2040
■
Totale opgave V&V in 2040 zo’n 75 procent hoger dan huidige capaciteit in de MRE
■
In sectoren GHZ en GGZ geringere toename en kleinere aantallen.
■
Uitbreiding intramurale capaciteit in V&V-sector gewenst maar niet gelijk aan groei zorgvraag: via VPT en MPT ook intramurale zorg thuis mogelijk en gebruik hiervan stijgt flink
■
Bij toename gebruik VPT en MPT neemt belang van voor ouderen geschikte woningen toe
Nederland vergrijst in hoog tempo en dat is in de MRE niet anders. In het afgelopen decennium heeft de overheid ingezet op ouderenbeleid gericht op een geringere afhankelijkheid van geïnstitutionaliseerde zorg en op zo lang mogelijk zelfstandig thuis blijven wonen. Dit beleidsstreven van de overheid past bij de wens van ouderen om zo lang mogelijk thuis, in de eigen omgeving, te blijven wonen. Om het langer thuiswonen zoveel mogelijk te ondersteunen zijn aanpassingen nodig in de woningvoorraad. Ouderen met mobiliteitsen andere beperkingen zijn immers gebaat bij goed toe- en doorgankelijke woningen, eventueel voorzien van de noodzakelijke hulpmiddelen en ondersteuning. Met een aangepaste en op ouderen toegesneden woningvoorraad en woonomgeving kunnen veel en meer ouderen worden geholpen maar niet allemaal. Voor ouderen met bepaalde beperkingen en/of aandoeningen blijft zorg en wonen binnen de muren van een instelling de beste oplossing. Ook deze vraag naar intramurale zorg zal door de vergrijzing sterk gaan toenemen.
De in dit hoofdstuk geschetste vraag naar ouderenwoningen komt niet bovenop de in het vorige hoofdstuk geschetste opgave maar maakt daar gedeeltelijk deel van uit, bijvoorbeeld bij de bouw van appartementen die ook nultredenwoningen zijn, en deels via andere oplossingen die op of in de bestaande woningvoorraad worden toegepast.
Om de toekomstige vraag naar wonen met zorg op (binnen)gemeentelijk niveau in kaart te brengen heeft ABF het prognosemodel Fortuna ontwikkeld. In dit hoofdstuk gaan we vooral in op de uitkomsten voor de
r2021-0014WF | Woningmarktontwikkelingen MRE tot 2050
43
MRE, eerst op de vraag naar voor ouderen geschikte woningen in verband met het langer zelfstandig thuis wonen en daarna op de intramurale zorgvraag. Meer informatie over het model zelf is in bijlage 1 deel 2 opgenomen.
5.1
Vraag naar voor ouderen geschikte woningen
Vergrijzing bepaalt voor een groot deel de opgave aan ouderenhuisvesting. Voor veel ouderen gaat het klimmen der jaren gepaard met toenemende fysieke ongemakken. In het algemeen geldt dat de doelgroep voor geschikte huisvesting voor wonen met zorg en/of een beperking vooral bestaat uit personen in de leeftijdscategorie van 65 jaar en ouder.
Tabel 6-2 laat zien dat het aantal huishoudens van 65 jaar of ouder in de MRE de komende 20 jaar met 47% flink gaat toenemen. Het aantal huishoudens 65+ bedraagt nu nog zo’n 104 duizend huishoudens maar is in 2040 gestegen tot 152 duizend. De groei van het aantal oudere huishoudens varieert tussen de subregio’s, van 43% à 44% in Overig SGE en Overig MRE tot 59% in Helmond. De toename in de meer landelijke subregio’s is geringer dan in de twee steden omdat in deze regio’s nu al sterker zijn vergrijsd. Op gemeentelijk niveau zijn de verschillen in de toename van het aantal ouderenhuishoudens nog groter. Tabel 5-1: Aantal huishoudens 65+ in de MRE (2020-2040) Bron: Fortuna 2020 MRE Midden 2020
Toename 2020-2040 abs. %
x 1.000
44
Eindhoven
27,2
13,6
50%
Helmond
10,8
6,3
59%
Best Geldrop-Mierlo Nuenen c.a. Oirschot Son en Breugel Veldhoven Waalre Overig SGE
3,9 5,8 3,9 2,6 2,6 6,5 2,8 28,0
2,5 2,4 1,1 1,3 0,9 2,8 1,1 12,0
66% 41% 27% 50% 34% 43% 40% 43%
Asten Bergeijk Bladel Cranendonck Deurne Eersel Gemert-Bakel Heeze-Leende Laarbeek Reusel-De Mierden Someren Valkenswaard Overig MRE
2,4 2,6 2,9 3,2 4,6 2,8 4,0 2,5 3,2 1,7 2,5 5,2 37,6
0,9 0,7 1,3 1,3 1,9 1,5 2,5 0,9 1,4 1,2 1,0 1,9 16,4
39% 26% 45% 41% 41% 53% 64% 36% 44% 69% 40% 35% 44%
MRE
103,6
48,4
47%
r2021-0014WF
Mobiliteitsbeperkingen De typering mobiliteitsbeperking is gebaseerd op het gebruik van hulpmiddelen voor mobiliteit en de door het hoofd en de eventuele partner van het huishouden ervaren mobiliteitsbeperkingen. Er worden daarbij vier gradaties onderscheiden, op grond waarvan huishoudens zijn ingedeeld: ■
Mobiliteitsklasse 0 (Geen) Huishoudens met geen of slechts lichte mobiliteitsbeperkingen.
■
Mobiliteitsklasse A (Licht) Huishoudens waarin zowel het hoofd als de eventuele partner een mobiliteitsbeperking heeft, en met moeite kan lopen en/of traplopen.
■
Mobiliteitsklasse B (Matig) (i) Huishoudens die gebruik maken van een scootmobiel, rollator of rolstoel, maar binnenshuis geen hulpmiddel voor mobiliteit gebruiken of (ii) huishoudens waarin het hoofd of de partner zonder hulp niet kan lopen en/of traplopen.
■
Mobiliteitsklasse C (Zwaar) Huishoudens die binnenshuis gebruikmaken van een rolstoel of een rollator. Op basis van de omvang van deze groep is het mogelijk een goede inschatting te maken van de vraag naar rollator- en rolstoeltoegankelijke woningen.
Geschikte huisvesting voor wonen met zorg Om de woningvoorraad van een gemeente in beeld te brengen wordt gebruik gemaakt van diverse bronbestanden, zoals de Basisregistraties Adressen en Gebouwen (BAG), de Waardering onroerende zaken (WOZ), het Woononderzoek Nederland (WoON) en de Verantwoordingsinformatie (dVi) van corporaties. Het aantal woningen per geschiktheidsklasse wordt ingeschat naar rato van regionale gegevens over dergelijke woningen, gemeten in het WoON, en toegepast op de woningvoorraad van de gemeente. Hierdoor kan de aangegeven geschikte voorraad afwijken van de feitelijke (maar niet volledig bekende) aantallen per gemeente. De huisvesting voor ouderen en andere zorgbehoevenden wordt omschreven als geschikte huisvesting voor wonen met zorg. Deze valt uiteen in drie hoofdgroepen: ■
Geclusterde ouderenwoning Een woning die deel uitmaakt van een complex of groep van woningen speciaal bestemd voor ouderen. Hiertoe behoren o.a. woonzorgcomplexen, aanleunwoningen en serviceflats. Nabijheid van 24 uurs aanwezige zorg is geen voorwaarde vanwege de mogelijke andere leveringsvormen van zorg. Hoewel specifieke voorzieningen niet noodzakelijk zijn, heeft feitelijk circa 40 procent van de geclusterde woningen een zorgsteunpunt en heeft daarnaast circa 45 procent een gemeenschappelijke ruimte, receptie, huismeester, alarmering e.d.
■
Aangepaste woning Een bestaande woning of nieuwbouwwoning waarin ten behoeve van personen met een handicap of lichamelijke beperking speciale voorzieningen zijn aangebracht of bouwkundig is aangepast. Daarbij kan het gaan om een traplift, hellingbaan, aan- of uitbouw, maar ook om kleinere aanpassingen.
■
Nultredenwoning Een woning die zowel extern toegankelijk is (de woonkamer dient bereikbaar te zijn vanaf de straat zonder trap te hoeven lopen) als intern toegankelijk is (vanuit de woonkamer zijn zonder traplopen de keuken, het toilet, de badkamer en tenminste één slaapkamer te bereiken).
Onder de overige woningen vallen alle woningen die niet tot één van de bovengenoemde categorieën behoren. De indeling in de verschillende type geschikte woningen is uitsluitend, te beginnen bij de geclusterde woningen, daarna de aangepaste woningen en tot slot de nultredenwoningen. Een woning wordt dus nooit in meerdere categorieën meegenomen. Wanneer een nultredenwoning is aangepast valt deze dus in de categorie aangepaste woningen en niet in de categorie nultredenwoningen.
Woningmarktontwikkelingen MRE tot 2050
45
Dat het aantal huishoudens met een mobiliteitsbeperking (zie ook kader op de vorige pagina) groter is naarmate het huishouden ouder is blijkt uit onderstaande figuur voor heel Nederland. Onder ouderen liggen de percentages met een zwaardere beperking aanzienlijk hoger. Duidelijk is dat deze stijging van het aantal huishoudens 95+ en met name 75+ tot meer huishoudens met mobiliteitsbeperkingen zal leiden en dat dit invloed zal hebben op de gewenste aanpassingen in de woningvoorraad.
Figuur 5.1: Huishoudens naar mobiliteitsbeperking, totaal (links), 65+ (midden) en 75+ (rechts), Nederland (2020) Bron: Fortuna 2020 Matig MB Zwaar MB 252.980 249.300 Licht MB 3% 3% 564.290 7%
Geen MB 6.955.150 87%
Matig MB 182.050 8%
Zwaar MB 208.060 9%
Licht MB 334.390 15%
Totaal
Zwaar MB 161.630 16% Matig MB 127.810 12%
Geen MB 1.548.820 68%
65+
Licht MB 200.690 19%
Geen MB 541.630 53%
75+
Huishoudens met een zware mobiliteitsbeperking wonen vaker in een geschikte woning en geschikte vormen van huisvesting worden vaker bewoond door huishoudens met mobiliteitsbeperkingen. Aan de andere kant wonen ook huishoudens zonder mobiliteitsbeperkingen in een als voor wonen met zorg aangemerkte geschikte woning. Hoe huishoudens wonen is immers een vrije keuze. In het prognosemodel is hiermee rekening gehouden: de vraag naar geschikte woningen is afkomstig van oudere huishoudens met en oudere huishoudens zonder beperking.
In 2040 wordt voor de MRE verwacht dat 6 van de 10 huishoudens 75+ geen enkele mobiliteitsbeperking ondervinden, terwijl bijna een kwart een matige of zware mobiliteitsbeperking zal hebben. Figuur 5.2: Huishoudens naar mobiliteitsbeperking en leeftijd, MRE (2040) Bron: Fortuna 2020
Als in de vraag van oudere huishoudens 65+ wordt voorzien moeten er in de hele MRE tot 2040 bijna 23 duizend voor ouderen geschikte woningen extra beschikbaar komen. Het gaat dan om bijna 13 duizend nultredenwoningen, tegen de 6 duizend geclusterde ouderenwoningen en ruim 4 duizend aangepaste woningen. Om dit te bereiken zijn er verschillende mogelijkheden. Nieuwbouw is er hier slechts één van. Transformatie van bestaande gebouwen en een andere labeling en/of toewijzing van bestaande woningen aan de doelgroep kunnen eveneens worden ingezet. Ook verbouw of het plaatsen van hulpmiddelen zoals
46
r2021-0014WF
een traplift in een woning kunnen ervoor zorgen dat de voorraad nultredenwoningen wordt uitgebreid. Naast de uitbreiding van de aantallen nultredenwoningen en geclusterde ouderenwoningen voor huishoudens 65+ worden er ook nog ruim 4 duizend woningen aangepast, zodat huishoudens met personen die beperkingen ondervinden beter in staat zijn in de huidige woning te blijven wonen. Deze aanpassingen variëren van kleine zaken als het aanbrengen van handgrepen in de badkamer tot het verbouwen van een kamer of aanpassen van de toegang tot de woning. In Figuur 5.3 en Figuur 5.4 zijn de gewenste uitbreidingsaantallen voor de drie typen voor ouderen geschikte woningen opgenomen voor de subregio’s respectievelijk de gemeenten. Figuur 5.3: Gewenste toename geschikte voorraad per type door huishoudens 65+ in de subregio’s van de MRE (20202040) Bron: Fortuna 2020 MRE Midden Gewenste toename geschikte woningen 2020-2040 0
1.000
2.000
Eindhoven
3.000
4.000
3.230
Helmond
1.410
1.230
540
Overig SGE
5.000
7.000
8.000
1.530
570
3.470
Overig MRE
1.160
2.130
4.500 Nultreden
6.000
1.380
Aangepast
1.540
Geclusterd
Figuur 5.4: Gewenste toename geschikte voorraad per type door huishoudens 65+ in de gemeenten van de subregio’s Overig SGE en Overig MRE (2020-2040) Bron: Fortuna 2020 MRE Midden Gewenste toename geschikte woningen 2020-2040 0
200
Best
400
600
500
210
Geldrop-Mierlo
1.000
230
340
160
Oirschot
350
90
Son en Breugel
220
1.400
1.600
1.800
430
290 180
80 110
Veldhoven
890
Waalre
1.200
350
810
Nuenen eo
Asten
800
360
210
290
100
450
320
70 80
Bergeijk 40 10
Bladel
490
Cranendonck
430
Deurne Eersel
220
420
Laarbeek
170
110 100
530 320
200
150
90 80
460
Reusel-De Mierden
330
Someren
280
Valkenswaard
110 40
520
Gemert-Bakel Heeze-Leende
110 120
140
180
7030 60 70
470
190 Nultreden
530 Aangepast
Geclusterd
Woningmarktontwikkelingen MRE tot 2050
47
In Figuur 5.5 is te zien dat de corporaties in de MRE vooral een opgave hebben in de uitbreiding van geclusterde woningen en van nultredenwoningen. Bij geclusterde woningen komt de opgave voor meer dan de helft terecht bij de corporaties (circa 3,4 duizend woningen). Bij nultredenwoningen is de opgave binnen de totale gewenste uitbreiding naar verhouding kleiner maar gaat het nog steeds om ongeveer 2,7 duizend woningen. Zowel bij de uitbreiding van nultredenwoningen als bij die van aangepaste woningen komt het grootste deel van de opgave in de koopsector terecht. Voor het aanpassen van woningen zijn woningbezitters in grote mate zelf verantwoordelijk. Figuur 5.5: Gewenste toename geschikte voorraad naar type en segment door huishoudens 65+ in de MRE (2020-2040) Bron: Fortuna 2020 MRE Midden
0%
10%
Nultreden
2.680
Aangepast
850
20%
Geclusterd
40%
1.500
370
50%
60%
Huur vanaf lib.gr.
70%
80%
3.780
4.620
1.620
1.460
3.360
Huur tot lib.gr.
5.2
30%
1.650
Koop t/m € 290.000
90%
590
100%
160
Koop > € 290.000
Intramurale zorgvraag
Met de sterke stijging van het aantal 75-plussers zal ook de intramurale zorgvraag sterk gaan toenemen, ook in de MRE. Voor de sector Verpleging & Verzorging (V&V) worden er drie categorieën woonvormen onderscheiden: beschut, beschermd en overig intramuraal. Beschut wonen is daarbij bedoeld voor de lichtere zorgvraag, terwijl beschermd wonen voor de zwaardere zorg bedoeld met 24-uurs ondersteuning. De huidige V&V-sector telt in de MRE ongeveer 5,6 duizend cliënten die intramuraal wonen, bijvoorbeeld in een verzorgings- of verpleeghuis. Met 4,4 duizend cliënten vormt beschermd wonen de grootste groep. Het gaat dan om mensen met een zorgindicatie ZZP5 of ZZP7, of ZZP6 of ZZP8. De MRE telt verder 840 cliënten die beschut wonen en dan zijn er nog ruim 400 intramuraal wonende cliënten die onder de noemer overig vallen.
Het aantal cliënten beschermd wonen gaat door de vergrijzing meer dan verdubbelen, van 4,4 duizend in 2020 naar 9,6 duizend in 2040. De andere twee groepen zullen naar verwachting maar zeer beperkt toenemen. Het totaal aantal cliënten intramurale verblijfszorg V&V komt daarmee in 2040 op 15,6 duizend personen, een stijging met 6,7 duizend personen. De totale opgave ligt daarmee in 2040 zo’n 75 procent hoger dan de huidige capaciteit.
De sectoren Gehandicaptenzorg (GHZ) en Geestelijke Gezondheidszorg (GGZ) zijn minder omvangrijk, met 3 duizend respectievelijk 260 intramuraal wonende cliënten in 2020. Bij de GGZ hebben extramuralisering
48
r2021-0014WF
en ambulantisering1 in de laatste jaren geleid tot een afbouw van intramurale plaatsen en is de financiering overgegaan van Wlz naar Wmo. Hierdoor is opvang en inclusief wonen een taak van gemeenten, corporaties en zorgaanbieders op lokaal niveau geworden. Omdat cliënten in de GHZ en de GGZ overwegend jonger zijn dan 65 jaar stijgt de intramurale zorgvraag in deze twee sectoren veel minder sterk in de komende decennia. De grootste bevolkingstoename vindt immers in de oudere leeftijdsgroepen plaats. In de GHZ groeit de intramurale zorgvraag met 1,1 duizend cliënten, in de GGZ gaat het om een stijging van minder dan 200 cliënten volgens de huidige raming, die uitgaat van het bestaande aanbod.
Tabel 5-2: Vraag naar intramurale zorg per sector in de MRE (2020-2040) Bron: Fortuna MRE 2020 V&V Beschut wonen ZZP 3-4 2020
GHZ
GGZ
Beschemd wonen Overig intramuraal ZZP 5-8
Eindhoven Helmond Overig SGE Overig MRE MRE
310 60 170 310 840
1.370 380 1.000 1.630 4.380
50 30 10 340 430
800 130 810 1.270 3.010
200 0 50 10 260
Eindhoven Helmond Overig SGE Overig MRE MRE
Ontwikkeling 2020-2040 0 30 50 40 130
1.060 680 1.730 1.750 5.220
-20 10 20 100 110
540 100 420 50 1.100
150 0 20 0 180
1 Extramuralisering is het streven om buiten de muren van een intramurale instelling (waar iemand opgenomen wordt) gelijkwaardige zorg te bieden, bijvoorbeeld in de eigen woning. De ambulantisering van de GGZ is het proces van afbouw van intramurale GGZ-plaatsen en de opbouw van de ambulante zorg (behandeling, begeleiding en ondersteuning), in het bijzonder voor mensen met ernstiger psychische problemen.
Woningmarktontwikkelingen MRE tot 2050
49
Figuur 5.6: Vraag naar intramurale zorg per sector in de MRE (2020-2040) Bron: Fortuna MRE 2020 2020 V&V
Ontwikkeling 2020-2040 GHZ
GGZ
Totaal
V&V
GHZ
GGZ
Totaal
150
1.730
Eindhoven
1.720
800
200
2.720
1.040
540
Helmond
470
130
0
600
720
100
0
820
Best Geldrop-Mierlo Nuenen c.a. Oirschot Son en Breugel Veldhoven Waalre Overig SGE
130 310 100 210 70 240 130 1.180
10 50 10 40 130 570 10 810
40 10
180 360 110 250 200 810 130 2.040
290 330 180 140 130 490 250 1.800
40 30 20 40 70 200 20 420
20 10
340 360 200 180 200 690 270 2.240
Asten Bergeijk Bladel Cranendonck Deurne Eersel Gemert-Bakel Heeze-Leende Laarbeek Reusel-De Mierden Someren Valkenswaard Overig MRE
170 90 190 230 180 140 160 370 150 50 220 340 2.280
50 60 60 40 320 350 130 10 80 30 40 90 1.270
90 170 40 -60 380 260 160 170 270 70 90 250 1.890
-10 10 -10 -30 50 10 -10 0 20 10 0 20 50
0
0 10
210 150 250 270 500 490 290 380 230 80 260 430 3.550
0 0
90 180 30 -80 430 270 150 170 280 80 90 270 1.950
MRE
5.650
3.010