2021-33 RIB Bijlage 1 Hoofdrapportage Woningbehoefteonderzoek SGE
Tekst van het document
Meer dan de helft van de vraag gaat uit naar grondgebonden vrijesectorhuurwoningen met een huurprijs tussen de liberalisatiegrens en circa € 850 per maand. • Er is een behoefte aan appartementen en nultredenwoningen in vrijwel alle prijsklassen. Wel valt de vraag naar dit type woning lager uit in het scenario waarin de doorstroming niet op gang komt. Oudere huishoudens van 65 jaar en ouder landen relatief vaker dan andere doelgroepen in dit type woning in het koopsegment. • De vraag naar grondgebonden koopwoningen richt zich voor circa twee derde op woningen tot € 345.000 en voor een derde daarboven.
24
Regionaal Woningbehoefte-onderzoek voor Stedelijk Gebied Eindhoven 20.208
Figuur 13: Uitbreidingsbehoefte SGE 2020-2040 naar productmarktcombinaties (PMC)
Huur Koop Huur Koop Huur Koop Huur Koop
Appartement nultreden
Appartement
Grondgebonden nultreden
Grondgebonden
-3.000 -2.000 -1.000
-
1.000
2.000
3.000
4.000
5.000
6.000
7.000
8.000
Sociale huur liberalisatiegrens tot € 850 € 850 tot € 1.000 € 1.000 + tot € 165K € 165-200K € 200-275K € 275-345K meer dan € 345K Sociale huur liberalisatiegrens tot € 850 € 850 tot € 1.000 € 1.000 + tot € 165K € 165-200K € 200-275K € 275-345K meer dan € 345K Sociale huur liberalisatiegrens tot € 850 € 850 tot € 1.000 € 1.000 + tot € 165K € 165-200K € 200-275K € 275-345K meer dan € 345K Sociale huur liberalisatiegrens tot € 850 € 850 tot € 1.000 € 1.000 + tot € 165K € 165-200K € 200-275K € 275-345K meer dan € 345K Uitbreidingsbehoefte scenario 1
Uitbreidingsbehoefte scenario 2
Bron: Brabant Prognose (2020), CBS (2021), WoON2015, WoON2018, bewerking Stec Groep (2021). Cijfers afgerond op tientallen.
In huidige woningmarkt is sprake van grote spanning tussen woonoppervlak en betaalbaarheid In de bijlage A5 is bovenstaande figuur aangevuld met oppervlakteklasse (zie bijlage A5, figuur A5e. De in dit figuur gehanteerde oppervlakteklassen (80 m² tot 120 m²) zijn geen harde grenswaarden. Wel laat het zien of de behoefte / vraag vooral uitgaat naar ruimere woningen of juist wat compactere woningen. Daarnaast bestaat er in de huidige woningmarkt een grote spanning tussen woonoppervlak en betaalbaarheid. Door beleidsmatig in te zetten op betaalbare woningen worden woningen in de regel kleiner. Huishoudens landen hierdoor vaker in een kleinere (en daardoor goedkopere) woning terwijl de primaire woonvoorkeur uitgaat naar een ruimere woning. Een nadere uitwerking van de voorgaande analyses op gemeenteniveau en wijkniveau is opgenomen in de factsheets (per gemeente).
25
Regionaal Woningbehoefte-onderzoek voor Stedelijk Gebied Eindhoven 20.208
5 Verdieping specifieke doelgroepen In dit hoofdstuk verdiepen we op een aantal specifieke doelgroepen. Het gaat om wonen en zorg (paragraaf 5.1), arbeidsmigranten en expats (paragraaf 5.2) en tot slot de studenten (paragraaf 5.3). Belangrijk: de vraag vanuit deze specifieke doelgroepen naar reguliere woningen is in de basis – bij ongewijzigd beleid onderdeel van de opgave zoals geschetst in de hoofdstukken hiervoor.
5.1 Wonen en zorg: tot 2040 behoefte aan vrijwel alle vormen van wonen met zorg Voor het thema wonen en zorg brengen we de ontwikkeling van de zorgvraag in beeld. Dit doen we zowel voor de extramurale (buiten een instelling / thuis) als de intramurale behoefte (verblijf in een instelling). Onder de extramurale behoefte verstaan we de behoefte naar ‘geschikt wonen’ in de reguliere woningvoorraad en de vraag naar ondersteuning en zorg op basis van Wmo gebruik. Voor de intramurale behoefte maken we onderscheid in GGZ beschermd wonen en de tehuisbevolking. Zie onderstaand figuur. Figuur 14: visualisatie thema’s wonen en zorg in relatie tot woningbehoefte
EXTRAMURAAL
INTRAMURAAL
Ondersteuning en zorg vanuit Wmo
Woningbehoefte tot 2040 (hoofdstuk 4)
Nultreden
Niet nultreden
GGZ beschermd wonen
Tehuisbevolking
Curatieve GGZ
Beschermd wonen VV Geclusterde woning
Aangepaste woning
Behoefte ‘geschikt wonen’
Beschut wonen Door extramuralisering en de overgang van ‘beschermd wonen’ naar ‘beschermd thuis’ zullen steeds meer personen uit de intramurale zorg landen in woonruimte in de reguliere woningvoorraad (extramuraal).
Bron: Stec Groep (2021)
5.1.1 Extramurale woonbehoefte: stijgende behoefte aan alle typen woningen ‘geschikt wonen’
Definitie ‘geschikt wonen’: tot het ‘geschikt wonen’ behoren zelfstandige woningen, waarvan diverse kenmerken maken dat ze meer geschikt zijn voor ouderen en mensen met beperkingen dan gebruikelijke woningen. De vraag naar ‘geschikt wonen’ landt grotendeels in de reguliere woningvoorraad.
26
Regionaal Woningbehoefte-onderzoek voor Stedelijk Gebied Eindhoven 20.208
Om de behoefte naar ‘geschikt wonen’ in beeld te brengen maken we gebruik van de prognose ‘wonen met zorg en welzijn’ van de provincie Noord-Brabant. In deze prognose wordt onderscheid gemaakt in drie woningtypen: geclusterde woningen, aangepaste woningen en nultredenwoningen. Nultredenwoningen zijn in principe reguliere woningen die geschikt zijn voor bewoning door reguliere huishoudens en huishoudens met een zorgvraag. De aangepaste en geclusterde ouderenwoningen zijn een uitwerking waarbij speciale aanpassingen of ondersteunende voorzieningen bijdragen aan het langer zelfstandig kunnen wonen van personen met een zorgvraag. Zie ook onderstaande tekstbox.
DEFINITIE EXTRAMURALE WONINGTYPEN ‘GESCHIKT WONEN’ Geclusterde woningen Woningen die deel uitmaken van een complex of groep van woningen, vaak speciaal bestemd voor ouderen. Hiertoe behoren o.a. woon-zorgcomplexen, aanleunwoningen en serviceflats. Aangepaste woningen Een woning is een aangepaste woning als er ten behoeve van personen met een handicap of lichamelijke beperking speciale voorzieningen zijn aangebracht in de woning of als de woning daarvoor bouwkundig is aangepast. Hierbij kan het gaan om een traplift, hellingbaan, aan- of uitbouw, maar ook om kleinere aanpassingen. Nultredenwoningen Een woning is een nultredenwoning als de woonkamer van de woning of woonruimte vanaf de straat te bereiken is zonder traplopen (externe toegankelijkheid) én vanuit de woonkamer de keuken, het toilet, de badkamer en ten minste 1 slaapkamer zonder traplopen te bereiken zijn (interne toegankelijkheid). Als de primaire vertrekken bereikbaar zijn met een voorziening zoals een traplift, is de woning ook intern toegankelijk. Bron: ABF Research B.V. Delft (2021), ‘wonen met zorg en welzijn - prognose 2020’ provincie Noord-Brabant (2021), bewerking Stec Groep (2021).
In tabel 5 geven we de huidige stand en toekomstige ontwikkeling van de extramurale woonbehoefte ‘geschikt wonen’ in het SGE, uitgesplitst naar bovengenoemde woningtypen. We geven daarbij de ontwikkeling van de vraag naar ieder type voor de periode tot 2030 en tot 2040. De cijfers in tabel 4 zijn afkomstig uit de ‘wonen met zorg en welzijn prognose’ van de provincie Noord-Brabant. De provincie gaat in haar prognose uit van hoe huishoudens nu wonen in de huidige woningvoorraad (informatie hierover is ontleend aan het WoON2018, de BAG, de WOZ en verantwoordingsinformatie van corporaties). Vervolgens wordt op basis van de huishoudensontwikkeling deze stand doorgetrokken tot 2040. Uitgangspunt is dat de verhouding tussen de geschiktheid van de woningen en de mate van mobiliteitsbeperkingen van huishoudens gelijk blijft. Tabel 5: Prognose ontwikkeling extramurale woonbehoefte ‘geschikt wonen’ tot 2040 in SGE 2020 Aantal woningen geclusterd wonen Aantal woningen Aangepast wonen Aantal woningen Nultreden-wonen
10.960
2030 12.290
2020-2030 +1.330
9.100
10.520
52.800
60.060
2040 13.580
2020-2040 +2.620
2020-2040 (%) +24%
+1.420
11.590
+2.490
+27%
+7.260
64.300
+11.500
+22%
Bron: ‘wonen met zorg en welzijn - prognose 2020’ provincie Noord-Brabant (2021), bewerking Stec Groep (2021). Cijfers afgerond op 10-tallen, hierdoor kunnen optellingen afwijken.
We zien tot 2040 vooral een toename van de vraag naar aangepaste woningen binnen het stedelijk gebied Eindhoven. In absolute zin is de behoefte aan geschikte nultredenwoningen het grootst. De grotere behoefte aan nultredenwoningen en geclusterde woningen is vooral toe te schrijven aan de toename van het aandeel 65+ huishoudens tot 2040 (zie paragraaf 3.1). Een deel van de (toekomstige) oudere huishoudens zal op termijn naar een ‘geschikte’ woning verhuizen.
27
Regionaal Woningbehoefte-onderzoek voor Stedelijk Gebied Eindhoven 20.208
In de berekening van de getallen in tabel 4 is geen rekening gehouden met beleidsinvloeden en bijvoorbeeld een (verdere) extramuralisering. Wanneer meer huishoudens in hun eigen zorgbehoefte moeten voorzien zal er een grotere behoefte kunnen ontstaan naar ‘geschikt wonen’. De behoefte kan daardoor op termijn hoger uitkomen dan de ramingen nu laten zien. Het is de verwachting dat de extramuralisering vooral invloed heeft op de behoefte aan woningen waar mensen samen kunnen wonen (geclusterd wonen). Het gaat daarbij niet alleen om serviceflats maar ook om andere vormen van ‘geschikt wonen’ zoals seniorenhofjes. De toenemende behoefte aan ‘geschikt wonen’ is ook terug te zien in de behoefteraming voor appartementen en nultredenwoningen in paragraaf 4.2. Hieruit kwam naar voren dat er tot 2040 circa 12.100 nultredenwoningen toegevoegd moeten worden om in de behoefte te kunnen voorzien. 5.1.2 Toenemende vraag naar wonen met ondersteuning en zorg vanuit de Wmo Definitie ondersteuning en zorg vanuit de Wmo: Volwassen personen die bij het zelfstandig wonen ondersteuning of zorg nodig hebben kunnen aanspraak maken op de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo). Wmo-maatwerk kan geleverd worden voor ‘ondersteuning thuis’, ‘hulp bij het huishouden’, ‘verblijf en opvang’ of ‘hulpmiddelen en diensten’. De gemeente is verantwoordelijk voor de uitvoering hiervan.
Naast de geschiktheid van de reguliere woningvoorraad kijken we ook naar de behoefte aan ondersteuning en zorg (thuis). We brengen hiervoor de ontwikkeling van de vraag naar ondersteuning en zorg vanuit de Wmo in beeld. Dit doen we door de huishoudensontwikkeling af te zetten tegen het huidige Wmo gebruik voor ‘ondersteuning thuis’, ‘hulp bij het huishouden’, ‘verblijf en opvang’ of ‘hulpmiddelen en diensten’. We kijken hier uitsluitend naar Wmo: jeugdzorg en wijkverpleging maken geen deel uit van de analyse. Ondersteuning vanuit de Wmo is doorgaans enkel bedoeld voor personen vanaf 18 jaar. Voor personen tot 18 jaar wordt de ondersteuning gefinancierd vanuit de jeugdzorg. Tabel 6: Indeling Wmo-maatwerkvoorzieningen in hoofdgroepen en subcategorieën / voorzieningen Ondersteuning thuis • Begeleiding • Persoonlijke verzorging • Kortdurend Verblijf • Overige ondersteuning gericht op het individu of huishouden/gezin • Dagbesteding • Overige groepsgerichte ondersteuning • Overige maatwerkarrangementen
Hulp bij huishouden • Hulp bij het huishouden
Hulpmiddelen en diensten • Woondiensten • Vervoersdiensten • Rolstoelen • Vervoersvoorzieningen • Woonvoorzieningen • Overige hulpmiddelen
Verblijf en opvang • Beschermd wonen 3 • Opvang • Spoedopvang • Overige beschermd wonen en opvang
Bron: CBS (2020), bewerking Stec Groep (2021).
Medio 2020 ontvingen circa 33.570 inwoners in het SGE ondersteuning vanuit de Wmo. Op basis van de doortrekking van de bevolkingsontwikkeling bij een gelijkblijvend gebruik van Wmo schatten we in dat medio 2040 circa 46.980 personen aanspraak zullen maken op Wmo. Dat is een stijging van bijna 40%. Het overgrote deel van de inwoners die gebruik maken van de Wmo maakt daarbij gebruik van ‘hulpmiddelen en diensten’ of ‘hulp bij het huishouden’. Zie ook de tabel voor een specificatie van de indeling in hoofdgroepen en de verschillende voorzieningen binnen de Wmo indeling. We houden in deze prognotisering geen rekening met beleidskeuzes zoals het afbouwen van vanuit de Wmo gefinancierde ondersteuning en zorgtaken. Dergelijke beleidskeuzes zullen een groot effect hebben op de toekomstige vraag en het toekomstige aanbod.
Beschermd wonen – bedoeld voor mensen met een psychische aandoening, die niet zijn opgenomen in een instelling maar ook niet op zichzelf kunnen wonen. Vanaf 2021 kan een deel van deze beschermd wonen-cliënten (Wmo) toegang krijgen tot de Wlz.
3
28
Regionaal Woningbehoefte-onderzoek voor Stedelijk Gebied Eindhoven 20.208
De taken die vallen onder verblijf en opvang (beschermd wonen, opvang, spoedopvang en overig beschermd wonen en opvang) worden sinds 2015 in regio verband door een centrumgemeente uitgevoerd. De centrumgemeenten hebben hierbij een regierol en ontvangen ook financiële middelen van het Rijk. Figuur 15: Ontwikkeling aantal personen met extramurale zorgbehoefte SGE tussen 2020 en 2040, uitgesplitst naar Wmo voorziening
2020 37%
Ondersteuning thuis (11.840) Hulp bij het huishouden (13.950) Verblijf en opvang (2.030) Hulpmiddelen en diensten (16.710)
27%
31% 5% Leeftijd personen met ondersteuning vanuit de Wmo 0-25 25-35 35-45 45-55 55-65 65-75 75-85 85+ Totaal
2040
2020 Absoluut 910 2.870 2.780 4.170 3.800 3.060 8.960 7.020 33.570
% 3% 9% 8% 12% 11% 9% 27% 21% 100%
2030 Absoluut 900 3.290 3.380 3.840 4.160 3.650 11.730 8.990 39.950
40%
Ondersteuning thuis (14.610) Hulp bij het huishouden (20.730) Verblijf en opvang (2.320)
23%
33%
Hulpmiddelen en diensten (24.960)
4% % 2% 8% 8% 10% 10% 9% 29% 23% 100%
2040 Absoluut 880 3.050 3.550 4.340 3.730 3.940 14.510 12.960 46.980
% 2% 6% 8% 9% 8% 8% 31% 28% 100%
Ontwikkeling 2020-2030 2030-2040 -10 -20 +420 -240 +600 +180 -330 +500 +360 -430 +590 +290 +2.770 +2.790 +1.970 +3.970 +6.370 +7.030
Bron: Wmo-cliënten en type voor ziening 2019 (cbs), 2020 (cbs), Primos 2020 (ABF), bewerking Stec Groep (2021). Cijfers afgerond op 10-tallen. Omdat één persoon aanspraak kan maken op meerdere voorzieningen kunnen optellingen afwijken.
ONTWIKKELING EXTRAMURALE ZORGBEHOEFTE OP BASIS VAN ACTUEEL GEBRUIK WMO Om het toekomstige aantal zorgbehoevenden dat ondersteuning vanuit de Wmo nodig heeft in beeld te brengen combineren we het huidige Wmo gebruik per leeftijdsklasse met de ontwikkeling van de bevolking per leeftijdsklasse. We gaan hierbij uit van een gelijkblijvend aandeel Wmo-cliënten per type voorziening en leeftijdsklasse. Op basis van de groei van het aantal personen per leeftijdsklasse tussen 2020 en 2040 geven we een indicatie van het te verwachten aantal Wmo-cliënten medio 2040. Beleidskeuzes beïnvloeden de vraag naar wonen en zorg sterk. Extramuralisering kan resulteren in een grotere behoefte aan geschikte woningen en ondersteuning vanuit de Wmo. Zo resulteert het langer zelfstandig wonen in een opgave voor het aanpassen van bestaande woningen en uitbreiding van het aanbod levensloopgeschikte woningen. Daarmee neemt door extramuralisering de druk op de reguliere woningvoorraad toe. Ook is de daadwerkelijke invulling van de geraamde zorgbehoefte tot 2040 is sterk afhankelijk van de gemeentelijke, regionale en landelijke doelstellingen en gemaakte beleidskeuzes. We adviseren u om deze ontwikkeling goed te blijven monitoren. 5.1.3 GGZ Beschermd wonen Definitie GGZ Beschermd wonen: instellingsplaatsen met 24-uurs begeleiding bij het wonen en dagelijkse activiteiten.
Iedereen die niet meer zelfstandig kan wonen vanwege psychische en/of psychosociale problematiek kan aanspraak maken op GGZ Beschermd wonen. Dat kan zowel gaan om woongroepen in instellingen als kleinschalige wooninitiatieven zoals een zorgboerderij.
29
Regionaal Woningbehoefte-onderzoek voor Stedelijk Gebied Eindhoven 20.208
Om de behoefte naar ‘GGZ beschermd wonen’ in beeld te brengen maken we gebruik van de prognose ‘wonen met zorg en welzijn’ van de provincie Noord-Brabant. Hieruit maken we op dat ernaar verwachting circa 60 cliënten GGZ beschermd wonen bij zullen komen in de komende 20 jaar. Een groei van circa 8%. Tabel 7: Prognose ontwikkeling GGZ beschermd wonen in SGE tot 2040 2020 GGZ Beschermd wonen
2030 720
2020-2030 760
2040 +40
2030-2040 780
+20
2020-2040 (%) + 8%
Bron: ‘wonen met zorg en welzijn - prognose 2020’ provincie Noord-Brabant (2021), bewerking Stec Groep (2021). Cijfers afgerond op 10-tallen.
Vanaf 2021 kan een deel van de huidige beschermd wonen-cliënten toegang krijgen tot de Wlz (Wet langdurige zorg), omdat zij levenslang ondersteuning nodig hebben. Zorg en verblijf worden dan niet meer gefinancierd vanuit de Wmo (en dus de centrumgemeente). De verwachting is dat ongeveer één tot twee derde van alle beschermd wonen plaatsen binnen de GGZ in de regio zal verdwijnen. Hierdoor ontstaat er een grotere behoefte aan andere woonvormen zoals geclusterd en begeleid wonen in het sociale huursegment (doorontwikkeling beschermd wonen en maatschappelijke opvangbureau, NHM (2020)). Daarnaast komt vanaf 2022 de functie van de centrumgemeente te vervallen. Op dat moment worden gemeenten weer verantwoordelijk voor beschermd wonen en ontvangen ze hiervoor ook de middelen. 5.1.4 Intramurale zorg: ontwikkeling tehuisbevolking Definitie tehuisbevolking: alle personen die aaneengesloten verblijven in een instelling. Tot de tehuisbevolking worden personen gerekend binnen de: • Curatieve GGZ: instellingsplaatsen voor behandeling, o.a klinische zorg en gesloten afdelingen. • Beschermd wonen Verpleging en Verzorging, ten behoeve van personen met een hoge zorgvraag (ZZP 5-9) gericht op ouderenzorg, revalidatiezorg, gehandicaptenzorg en intramuraal overig. Ook de in V&V instellingen verblijvende personen met een zorgprofiel in de GGZ worden hiertoe gerekend.
Dit is exclusief het deel GGZ Beschermd wonen (zie voorgaande paragraaf). • Beschut wonen: instellingsplaatsen (veelal verzorgingshuisplaatsen) ten behoeve van personen met een lichte zorgvraag (ZZP 1-4) Verpleging en Verzorging (VV-01 t/m VV-04). Om de ontwikkeling van de intramurale zorgbehoefte in beeld te brengen kijken we naar de ontwikkeling van de tehuisbevolking en het intramurale aanbod (instellingsplaatsen) op basis van de aanbodraming. Deze cijfers zijn afgeleid van de provinciale raming van de provincie (2021). Tot de tehuisbevolking worden de leden van huishoudens binnen de institutionele bevolking gerekend. Dit zijn alle personen die binnen een bepaalde periode een instelling geregistreerd zijn. Het gaat daarbij zowel om aaneengesloten verblijf als kortdurend verblijf. Hiertoe worden ook de jongeren van onder de 18 gerekend die in een instelling verblijven. Personen die niet in een instelling verblijven maar op andere wijze zorg (thuis) ontvangen worden niet in de raming tehuisbevolking meegenomen. Omdat een tijdelijke instellingsplaats door meerdere personen gebruikt kan worden door het jaar heen ligt de raming van de tehuisbevolking in absolute aantallen boven die van het intramurale aanbod. Om hiervoor te corrigeren is de tehuisbevolking over de gemeenten naar rato verdeeld op basis van het absolute aantal instellingsplaatsen (het intramurale aanbod).
Daarbij maken we onderscheid in verschillende cliëntgroepen. Zie de tekst box hierboven voor de definitie van de verschillende groepen die tot de tehuisbevolking worden gerekend. Zorg voor jongeren onder de 18 word doorgaans gefinancierd vanuit de zorgverzekeringswet (Zvw) of de Jeugdwet. Gespecialiseerde zorg bij een verstandelijke beperking of psychiatrische problemen valt onder de Jeugdwet. Lichamelijke ziekte, lichamelijke beperking en zintuigelijke handicap vallen meestal onder de Zorgverzekeringswet. Een deel van de begeleiding en zorg aan jongeren zal thuis geleverd worden.
30
Regionaal Woningbehoefte-onderzoek voor Stedelijk Gebied Eindhoven 20.208
Een jongere onder de 18 kan een Wlz-indicatie verkrijgen (en daarmee toegang krijgen tot zorg met verblijf in een instelling) als er sprake is van een verstandelijke beperking, lichamelijke ziekte of beperking en/of een zintuigelijke handicap en als hij of zij blijvend 24 uur per dag zorg in de nabijheid of permanent toezicht nodig heeft. Indien een jongere in een instelling woonachtig is word deze tot de tehuisbevolking gerekend. Jongeren landen verhoudingsgewijs voornamelijk in de groep ‘gehandicaptenzorg’ in onderstaand figuur. Het aantal inwoners in het SGE dat zorg in een instelling ontvangt (tehuisbevolking) zal de komende jaren toenemen. Waar in 2020 circa 5.040 inwoners tot de tehuisbevolking gerekend kan worden zullen er dat in 2040 naar verwachting 7.030 zijn, een stijging van circa 40%. Wat valt verder op: • Onderstaand figuur laat op SGE niveau in de periode 2020-2030 een sterke groei zien van de jongere doelgroepen tot 45 jaar. In de periode 2030 – 2040 neemt juist de doelgroep 85-95 jaar in absolute aantallen fors toe. • Omdat we de raming tehuisbevolking (aantal personen) van de provincie kruisen met het intramurale aanbod (aantal plaatsen) is de stijging van het aantal plaatsen ‘beschermd wonen’ (psychogeriatrisch en somatisch) niet evenredig terug te zien in de stijging van het aantal oudere personen.
Figuur 16: ontwikkeling tehuisbevolking SGE tussen 2020 en 2040, uitgesplitst naar Wlz Indicatie
2040
2020 2%
Psychiatrie (230)
4%
1%
Gehandicaptenzorg (1.670)
13%
37% 11%
Tehuisbevolking tehuisbevolking 0-15 tehuisbevolking 15-25 tehuisbevolking 25-35 tehuisbevolking 35-45 tehuisbevolking 45-55 tehuisbevolking 55-65 tehuisbevolking 65-75 tehuisbevolking 75-85 tehuisbevolking 85-95 tehuisbevolking 95+ Totaal
2020 Absoluut
130 560 650 380 420 470 470 870 980 110 5.040
2030 Absoluut
%
3% 11% 13% 8% 8% 9% 9% 17% 19% 2% 100%
250 740 1.050 630 400 240 400 1.010 1.120 190 6.030
Psychiatrie (270) Gehandicaptenzorg (1.820)
13% 26%
Beschut wonen (verzorgingshuis) (530) Beschermd wonen (psychogeriatrisch) (1.870) Beschermd wonen (somatisch) (650) Beschermd wonen (revalidatie/kortdurend) (80)
33%
4%
10%
46%
2040 Absoluut
%
4% 12% 17% 10% 7% 4% 7% 17% 19% 3% 100%
320 810 1.130 810 610 260 350 1.070 1.420 250 7.030
Beschut wonen (verzorgingshuis) (720) Beschermd wonen (psychogeriatrisch) (3.220) Beschermd wonen (somatisch) (910) Beschermd wonen (revalidatie/kortdurend) (100) Ontwikkeling 2020-2030
%
5% 12% 16% 12% 9% 4% 5% 15% 20% 4% 100%
+120 +180 +400 +250 -20 -230 -70 +140 +140 +80 +990
2030-2040
+70 +70 +80 +180 +210 +20 -50 +60 +300 +60 +1.000
Bron: ‘wonen met zorg en welzijn - prognose 2020’ provincie Noord-Brabant (2021) op basis van aanbodraming, bewerking Stec Groep (2021). Cijfers afgerond op 10-tallen, hierdoor kunnen optellingen afwijken.
5.1.5 Regionaal Zorgkantoor voorziet sterke groei Wlz-geïndiceerden De bovenstaande analyses zijn gemaakt op basis van de aanbodraming van het aantal instellingsplaatsen in de verschillende gemeenten. Een deel van de cliënten met een Wlz-indicatie voor zorg met verblijf in een instelling zal zelfstandig wonen (beschut of thuis) en woont dus niet in een instelling. Hoewel zij wel een
31
Regionaal Woningbehoefte-onderzoek voor Stedelijk Gebied Eindhoven 20.208
Wlz-indicatie hebben worden ze daarom niet tot de tehuisbevolking gerekend. Het is mogelijk dat de ontwikkeling van het aanbod intramurale plekken daardoor achterblijft bij de vraagontwikkeling vanuit zorgbehoevenden. Om dit in kaart te brengen kijken we naar de ontwikkeling van het aantal personen met een Wlz-indicatie. Het Zorgkantoor voorziet voor het SGE een toename van het aantal Wlz-geïndiceerden van ruim 3.060 tot 2040. Zie onderstaande tabel. We vergelijken in de tabel ook de ontwikkeling van het aantal intramurale plaatsen uit voorgaande paragraaf met de verwachtingen van het Zorgkantoor. Hieruit blijkt dat het Zorgkantoor een grotere toename van het aantal Wlz-geïndiceerden verwacht dan de ontwikkeling van het aanbod voor intramurale zorgplekken in de SGE tot 2040. Naar verwachting woont circa 10% van de personen met een Wlz indicatie een zelfstandige woning en ontvangt daar de zorg. Door het ontbreken van plekken zal een groter percentage van de zorgbehoevenden (noodgedwongen) zelfstandig moeten blijven wonen. Dit zal uiteindelijk resulteren in een extra druk op de woningvoorraad. Tabel 8: ontwikkeling Wlz-geïndiceerden en intramurale plekken in SGE tot 2040 2020-2030 Ontwikkeling aantal Wlz-geïndiceerden (Zorgkantoor) Ontwikkeling tehuisbevolking (aanbodraming prognose provincie) Verschil
2030-2040 +1.350 +990 460
2020-2040 +1.710 +1.000 710
+3.060 +1.990 3.060
Bron: ‘wonen met zorg en welzijn - prognose 2020’ provincie Noord-Brabant (2021), Zorgkantoor Noord-Brabant (2021), bewerking Stec Groep (2021). Cijfers afgerond op 10-tallen, hierdoor kunnen optellingen afwijken.
CONCLUSIE: OPGAVE WONEN EN ZORG LANDT DEELS IN DE REGULIERE WONINGVOORRAAD Op basis van de voorgaande analyses binnen het thema ‘wonen en zorg’ zien we tot 2040 een behoefte aan vrijwel alle vormen van wonen met zorg. Door de extramuralisering van zorgtaken zullen mensen steeds vaker in de thuisomgeving de zorg moeten organiseren. De geschiktheid en aanpasbaarheid van woningen in de reguliere woningvoorraad word hierdoor steeds belangrijker. De vraag naar ‘geschikt wonen’ is een verdere kwalitatieve uitwerking van de woningbehoefte van reguliere huishoudens. De extramurale woonbehoefte voor ‘geschikt wonen’ kent daardoor overlap met de eerdere analyses uit dit onderzoek. De behoefte voor ‘geclusterde’, ‘aangepaste’ en ‘nultredenwoningen’ moet niet als separate opgave gezien worden maar geïntegreerd worden binnen de nieuwbouwopgave en de aanpassingsopgave binnen de reguliere woningvoorraad in het Stedelijk Gebied. We constateren daarnaast een uitbreidingsopgave voor 2.050 intramurale plekken tot 2040 binnen het GGZ-beschermd wonen en op basis van de ontwikkeling van de tehuisbevolking. Deze intramurale opgave is additioneel en komt bovenop de uitbreidings- / aanpassingsopgave in de reguliere woningvoorraad.
Een nadere uitwerking van de voorgaande analyses op gemeenteniveau en wijkniveau is opgenomen in de factsheets (per gemeente).
32
Regionaal Woningbehoefte-onderzoek voor Stedelijk Gebied Eindhoven 20.208
5.2 Arbeidsmigranten en expats: groot aandeel Expats wil voor een langere periode (langer dan 3 jaar) in SGE wonen Een van de specifieke doelgroepen van dit onderzoek zijn arbeidsmigranten en expats in het Stedelijk Gebied Eindhoven. Om de woonvoorkeuren van deze doelgroep in beeld te krijgen, is een enquête uitgezet onder arbeidsmigranten en expats. De enquête is uitgezet via werkgevers. In deze paragraaf gaan we in op de belangrijkste uitkomsten van de enquête. In bijlage A5 zijn de overige uitkomsten weergegeven. VERANTWOORDING ENQUÊTE Aan de enquête namen 363 respondenten deel, waarvan 295 enquêtes volledig zijn afgerond en hierdoor bruikbaar voor het onderzoek. Hiervan hebben 22 respondenten de Nederlandse nationaliteit. Deze respondenten worden niet meegenomen omdat we specifiek de woonbehoefte van arbeidsmigranten en expats onderzoeken. Hierdoor komen we uit op 273 bruikbare enquêtes. 5.2.1 Belangrijkste uitkomsten enquête Zo’n 91% van de respondenten is werkzaam in een hooggeschoold beroep Uit de resultaten van de enquête komt naar voren dat circa 91% van de respondenten werkzaam is in een hooggeschoold beroep, tegenover 9% van de respondenten die middelbaar en laag geschoold werk doen. Kijken we naar de huidige situatie van de respondenten dan zien we dat circa 65% van de respondenten een PHD of Postdoc doet, zie ook onderstaande figuur.
Daarnaast heeft circa 18% van de respondenten een dienstverband voor onbepaalde tijd en circa 8% van de respondenten is werknemer met een tijdelijke dienstverband. Circa 9% van de respondenten is trainee of stagiair. Wanneer we kijken naar de sector waarin de respondenten werkzaam zijn (zie ook onderstaande figuur), zien we dat ruim 80% werkzaam is in onderwijs en onderzoek. Circa 8% van de respondenten is werkzaam in de ICT-sector. In de overige sectoren zijn tussen de 1 en 10 respondenten werkzaam. Figuur 17: Huidige werksituatie (links) en sector (rechts) PHD / Postdoc
4% Stagiair (en dus ook student)
8%
0%
1% 9%
18% 9%
Bouw
2%
Trainee
65%
Werknemer met dienstverband voor onbepaalde tijd (vaste positie) Werknemer met tijdelijke dienstverband (ZZP'er, gedetacheerd, tijdelijke opdracht etc.)
3% 0%
Distributie en transport Ict-sector Industrie
81%
Land- en tuinbouw Onderwijs en onderzoek Voedingsindustrie
Bron: enquête Stec Groep (2020). N = 273.
Zo’n 83% van de respondenten is woonachtig in de gemeente Eindhoven Eindhoven is de huidige woonplaats van circa 83% van de respondenten. Ook wonen er circa 20 respondenten (7%) op dit moment in gemeenten buiten het SGE (maar zijn dus werkzaam bij bedrijven in het SGE, waar de enquête is uitgezet). Circa 10% van de respondenten is woonachtig is de overige gemeenten van het SGE: Best, Geldrop-Mierlo, Helmond, Nuenen, Oirschot, Son en Breugel, Veldhoven of Waalre.
33
Regionaal Woningbehoefte-onderzoek voor Stedelijk Gebied Eindhoven 20.208
Bijna de helft van de respondenten woont in een zelfstandige studio/appartement in de huursector Onderstaand figuur laat onder andere de huidige woonsituatie van de respondenten zien. Bijna de helft (circa 48%) is woonachtig in een zelfstandige studio/appartement in de huursector. Zo’n 4% van de respondenten is ook woonachtig in een zelfstandige studio/appartement maar dan in de koopsector. Circa 28% van de respondenten woont in een gedeelde woningen met werkenden of in een studentenhuis. Circa 19% woont in een volledig woonhuis, waarvan ongeveer ene helft in een huurwoningen en de andere helft in een koopwoning. In totaal woont circa 86% van de respondenten in een huurwoning en 14% in een koopwoning. Voor meer dan de helft van de respondenten is een volledig woonhuis de gewenste woonsituatie De gewenste woonsituatie van arbeidsmigranten en expats is middels de enquête ook in beeld gebracht, zie ook onderstaand figuur. Ruim de helft (circa 53%) van de respondenten geeft aan dat een volledig woonhuis de gewenste woonsituatie is. Circa 39% van de respondenten ziet een volledig woonhuis in de koopsector als de gewenste woonsituatie en voor circa 14% is een volledig woonhuis in de huursector de gewenste woonsituatie. Circa 39% van de respondenten ziet een zelfstandige studio/appartement als de gewenste woonsituatie.
Net als bij een volledig woonhuis, gaat ook bij deze woonsituatie de voorkeur van de respondenten voornamelijk uit naar een koopwoning. Circa 28% van de respondenten die een zelfstandige studio/appartement in de koopsector als de gewenste woonsituatie en circa 11% geeft aan dat een zelfstandige studio/appartement in de huursector de gewenste woonsituatie is. Zo’n 7% van de respondenten geeft aan dat een gedeelde woning met werkenden of een studentenhuis de gewenste woonsituatie is. In totaal geeft de helft van de respondenten aan dat de gewenste woonsituatie een koopwoning is. De ander helft wenst een huurwoning. Op dit moment woont circa 14% van de respondenten in een koopwoning en de helft van de respondenten ziet een koopwoning als zijn/haar gewenste woonsituatie Wanneer we de huidige woonsituatie en de gewenste woonsituatie van de respondenten vergelijken, vallen er een aantal dingen op. Op dit moment is de woonsituatie van circa 19% van de respondenten een volledig woonhuis en circa 53% van de respondenten geeft aan dat een volledig woonhuis hun gewenste woonsituatie is. Ook is de huidige woonsituatie van circa 28% van de respondenten een gedeelde woningen met werkenden of een studentehuis terwijl dit de gewenste woonsituatie is van circa 7% van de respondenten. Daarnaast valt ook het verschil in eigendom van de huidige woonsituatie en de gewenste woonsituatie op.
Waar circa 14% een koopwoning als huidige woonsituatie heeft, ziet de helft van de respondenten een koopwoning als zijn/haar gewenste woonsituatie. Figuur 18: Huidige en gewenste woonsituatie naar type (links: binnenste ring huidige woonsituatie, buitenste ring gewenste woonsituatie) en huidige en gewenste woonsituatie naar eigendom (rechts) 7% 1% 11%
28%
Volledig woonhuis (huur)
14%
1%9%
Volledig woonhuis (koop)
10%
48%
86%
14%
Zelfstandige studio/appartement (huur)
4% 28%
Huidige woonsituatie
39%
Zelfstandige studio/appartement (koop) Gedeelde woning (werkenden/studentenhuis) Overig
Bron: enquête Stec Groep (2020). N = 272.
Huur Gewenste woonsituatie
Koop 50%
50%
0% 20% 40% 60% 80% 100%
34
Regionaal Woningbehoefte-onderzoek voor Stedelijk Gebied Eindhoven 20.208
Circa 42% van de respondenten wil binnen een jaar verhuizen De arbeidsmigranten en expats is in de enquête gevraagd of ze bereid zijn te verhuizen voor hun gewenste woonsituatie. Onderstaand figuur weergeeft de verhuisgeneigdheid van de respondenten. Circa 42% van de respondenten geeft aan binnen nu en een jaar te willen verhuizen. Daarnaast geeft circa 20% aan binnen nu en twee jaar te willen verhuizen. Zo’n 21% van de respondenten wil misschien verhuizen. In totaal geeft 17% van de respondenten aan niet te willen verhuizen, 13% omdat de huidige woonsituatie ook de gewenste woonsituatie is. Figuur 19: Verhuisgeneigdheid Ja, binnen nu en een jaar
13%
4%
Ja, binnen nu en twee jaar
42%
Misschien
21% Nee, ik wil niet verhuizen Nee, want mijn huidige woonsituatie is ook mijn gewenste woonsituatie
20%
Bron: enquête Stec Groep (2020). N = 273.
Gemeente Eindhoven meest gewenste woongemeente Respondenten die hebben aangegeven binnen nu en een jaar, binnen nu en twee jaar of misschien te willen verhuizen is gevraagd in welke gemeente ze zouden willen wonen en hoe lang ze daar zouden willen blijven wonen. De gewenste woongemeente van deze respondenten wordt weergegeven in onderstaand figuur. Respondenten konden meerdere antwoorden geven op deze vraag. Ruim 200 keer is Eindhoven genoemd als gewenste woongemeente, circa 58% van alle antwoorden. 9% van de antwoorden ging uit naar Veldhoven als gewenste woongemeente. Als gewenste woongemeente is Nuenen voor 7% van de antwoorden genoemd. Circa 15 keer is als gewenste woongemeente een gemeente buiten het Stedelijk Gebied Eindhoven genoemd (4%). Figuur 20: Gewenste woongemeente 0
50
100
150
200
250
Best Eindhoven Geldrop-Mierlo Helmond Nuenen Oirschot Son en Breugel
Woont nu in Wil wonen in (meerdere antwoorden mogelijk)
Veldhoven Waalre Buiten SGE Bron: enquête Stec Groep (2020). N = 226, meerdere antwoorden mogelijk (353 antwoorden). Genoemde antwoorden buiten SGE: Utrecht, Rotterdam, Amsterdam, Den Bosch, Tilburg, Delft, niet in Nederland.
Regionaal Woningbehoefte-onderzoek voor Stedelijk Gebied Eindhoven 20.208
35
Zo’n 57% van de respondenten wil langer dan 3 jaar in gewenste woongemeente blijven wonen Circa 6% van de respondenten die aan hebben gegeven binnen nu en een jaar, binnen nu en twee jaar of misschien te willen verhuizen wil minder dan 1 jaar in de gewenste woongemeente blijven wonen. Circa 37% van de respondenten wil tussen 1 en 3 jaar in de gewenste woongemeente blijven wonen. Ongeveer een kwart van de respondenten geeft aan tussen de 3 en 5 jaar in de gewenste woongemeente te willen blijven wonen. Ten slotte wil circa 32% van de respondenten langer dan 5 jaar in de gewenste woongemeente blijven wonen. Circa 18% wil zelfs langer dan 10 jaar in de gewenste woongemeente blijven wonen. Figuur 21: Tijd in gewenste woongemeente wil blijven wonen minder dan 6 maanden 6 maanden tot 1 jaar
3% 3% 18% 17%
1 tot 2 jaar 2 tot 3 jaar
14% 20% 25%
3 tot 5 jaar 5 tot 10 jaar 10 jaar of langer
Bron: enquête Stec Groep (2020). N = 227.
5.2.2 Arbeidsmigranten ondervertegenwoordigd in de enquête Zoals blijkt uit de enquête heeft 91% van de respondenten een hooggeschoold beroep. Uit eerder onderzoek van PON naar arbeidsmigranten in Brabant blijkt dat er in 2018 bijna 92.000 arbeidsmigranten werkzaam waren bij een werkgever die in een Brabantse gemeente gevestigd is 4. In 2018 waren er in Brabant ruim 7.000 kennismigranten werkzaam bij een werkgever die in een Brabantse gemeente gevestigd is. Hieruit blijkt dat er in de provincie Brabant ruim 13 keer zoveel arbeidsmigranten werkzaam zijn als dat er kenniswerkers (expats) werkzaam zijn. Op basis hiervan is te concluderen dat de groep arbeidsmigranten sterk ondervertegenwoordigd is in de enquête die is uitgezet in het kader van het voorliggende woningbehoefteonderzoek voor het Stedelijk Gebied Eindhoven. In deze sub-paragraaf beschrijven we daarom verschillende secundaire data (onderzoeken en beleidsafspraken) om een beter beeld te krijgen van arbeidsmigranten in het Stedelijk Gebied Eindhoven en hun woonvoorkeuren. PON-onderzoek Arbeidsmigratiecijfers in Brabant: 20.500 arbeidsmigranten werkzaam in SGE PON heeft onderzoek gedaan naar arbeidsmigranten in de provincie Noord-Brabant.
In het onderzoek van PON naar Arbeidsmigratiecijfers in Brabant (2020) wordt de volgende definitie gehanteerd voor een arbeidsmigrant: • Buitenlandse werknemers (niet in Nederland geboren en/of niet de Nederlandse nationaliteit). • Géén kennismigrant (vastgesteld op basis van inkomen; onder de 30 jaar is de ondergrens € 18,66 per uur en boven de 30 jaar € 25,45 per uur) • Vanaf 2004 in Nederland zijn gaan werken en/of wonen (dit jaartal hangt samen met de relatief recente uitbreiding van de EU met landen uit Midden en Oost Europa en de daarmee gepaard gaande vrij verkeer van personen)
4
In totaal waren er in 2018 bijna 1,3 miljoen banen in Brabant (PON, 2020).
Regionaal Woningbehoefte-onderzoek voor Stedelijk Gebied Eindhoven 20.208
36
In het Stedelijk Gebied Eindhoven zijn bijna 20.500 arbeidsmigranten werkzaam, dit is circa 22,3% van het totaal aantal arbeidsmigranten in Brabant. Wanneer arbeidsmigranten langer dan vier maanden in Nederland verblijven, moeten ze zich inschrijven in de Basisregistratie Personen van de gemeente waar ze wonen. Uit ander onderzoek is gebleken dat veel arbeidsmigranten zich niet inschrijven 5. In het Stedelijk Gebied Eindhoven zijn ruim 17.100 arbeidsmigranten BRP-ingeschreven, 31,9% van het totaal aantal BRPingeschreven arbeidsmigranten in Brabant. In de top 10 gemeenten met de meeste BRP-ingeschreven arbeidsmigranten staat de gemeente Eindhoven op 1 met ruim 11.600 arbeidsmigranten (21,7% van totaal in Brabant) en de gemeente Helmond op 4 met bijna 3.000 arbeidsmigranten (5,6% van totaal in Brabant). Woonsituatie arbeidsmigranten in Nederland Koepelorganisatie Aedes en het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijkrelaties deden onderzoek naar de huisvesting van arbeidsmigranten in Nederland 6. Daarbinnen is onderscheid gemaakt naar de woonbehoefte van arbeidsmigranten op basis van de duur van het verblijf in Nederland: • Korter dan 6 maanden: deze groep betreft vooral tijdelijke werknemers zoals seizoenarbeiders. Deze groep heeft over het algemeen behoefte aan snel toegankelijke en goedkope (gemeubileerde) woonruimte.
Voorzieningen worden dan vaak gedeeld en in sommige gevallen worden ook slaapkamers gedeeld. • Langer dan 6 maanden: deze arbeidsmigranten verblijven voor langere tijd in Nederland maar zijn wel voornemens terug te keren. Deze groep krijgt door de langere duur van het verblijf meer behoefte aan comfort en privacy. Ze hebben vaak geen bezwaar tegen het delen van voorzieningen met anderen. Een deel van hen zal door de lagere kosten kiezen voor onzelfstandige of gedeelde woonruimte. Deze groep is te bedienen met kamers, studio’s of gedeelde huisvesting. • Vestigers. In dit geval gaat het om de arbeidsmigranten die zich permanent willen vestigen, al dan niet met gezin. Deze groep richt zich meer dan de tijdelijke doelgroepen op het vinden van een zelfstandige woning. Zij die een laag inkomen hebben behoren in principe tot de doelgroep van de corporatie. Om in aanmerking te komen voor een sociale huurwoningen dienen zij zich eerst in te schrijven. Arbeidsmigranten zijn voor huisvesting vaak afhankelijk van werkgever of uitzendbureau De inspectie SZW voerde medio 2020 een onderzoek uit naar arbeidsmigranten in Nederland. 7 Onderdeel hiervan was een enquête onder circa 380 arbeidsmigranten verspreid over Nederland.
Uit de enquête komt verder naar voren dat in 86% van de gevallen de woonruimte van de arbeidsmigrant is geregeld door het uitzendbureau (64%) of de werkgever/inlener (22%). Driekwart van de respondenten betaalt de huur aan het uitzendbureau (70%) of de werkgever/inlener (6%). Vaak worden arbeidsmigranten contractueel verplicht huisvesting af te nemen waarbij de huur direct wordt ingehouden op het loon. Uit dit onderzoek blijkt dus dat arbeidsmigranten voor huisvesting vaak sterk afhankelijk zijn van de werkgever, het uitzendbureau of de inlener waarvoor zij werken. Vooral voor de arbeidsmigranten die een korte periode in Nederland werken regelen werkgevers vaak de huisvesting. In de SGE regio gaat het naar schatting om circa 80% van alle arbeidsmigranten in de regio. Wanneer deze arbeidsmigranten hun werk verliezen komen zij vaak in de knel omdat zij voor woonruimte afhankelijk zijn van de werkgever. Corporaties hebben de wettelijke taak om huisvesting te bieden aan mensen die dat niet op eigen kracht kunnen vinden. De meeste arbeidsmigranten vallen hierdoor onder de wettelijke definitie van de doelgroep van de corporatie. Naast uitzendbureaus en werkgevers kan dus ook de corporatie een rol spelen bij de huisvesting van arbeidsmigranten. Vooral voor arbeidsmigranten die zich voor langere tijd (langer dan zes maanden) zullen vestigen kan dit een oplossing zijn.
De corporatie kan hen woningen met een tijdelijk huurcontract aanbieden zoals flexwoningen of studio’s. Voor permanente vestigers zijn reguliere (sociale) huurwoningen passender.
CBS (2018): Poolse werknemers in Nederland, De nieuwkomers van 2011 op de voet gevolgd. & Expertisecentrum Flexwonen (2014): Routekaart naar goede huisvesting voor EU-arbeidsmigranten. 6 Huisvesting van arbeidsmigranten (Aedes & Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijkrelaties (2013). 7 Rapport arbeidsmigranten en Sars-Cov-2 (Inspectie SZW, Ministerie van sociale Zaken en Werkgelegenheid, 2020). 5
Regionaal Woningbehoefte-onderzoek voor Stedelijk Gebied Eindhoven 20.208
37
Meer aandacht voor kwalitatief goede huisvesting arbeidsmigranten, ook in Stedelijk Gebied Eindhoven Er is steeds meer aandacht voor betere huisvesting voor arbeidsmigranten. Landelijk is er een lobby gaande om de afhankelijkheid van de werkgever als huisbaas te verminderen en richtlijnen op te stellen ten aanzien van de vereisten aan de woonruimte voor arbeidsmigranten. Ook op regionaal niveau wordt gewerkt aan de verbetering van de huisvesting van arbeidsmigranten. Zo is in november 2020 het Afsprakenkader Huisvesting Arbeidsmigranten Stedelijk Gebied Eindhoven vastgesteld. De regionale ambitie is om in de periode 2021 tot en met 2024 circa 4.000 humane huisvestgingsplaatsen voor arbeidsmigranten te realiseren. Er zijn geen afspraken over specifieke aantallen per gemeente maar iedere gemeente heeft passend bij de aard en omvang een eigen verantwoordelijkheid. Gemeenten monitoren de voortgang periodiek en spreken elkaar indien nodig aan op de bijdrage aan de regionale ambitie. In het afsprakenkader wordt onderscheid gemaakt tussen twee typen huisvesting: tijdelijke huisvesting (korter dan 2 tot 3 jaar) en permanente huisvesting (arbeidsmigranten die zich definitief vestigen in Nederland). Hierbij is bekend (op basis van ervaring) dat zo’n 80% van de arbeidsmigranten in de regio er op tijdelijke basis is en zo’n 20% zich definitief vestigt.
CONCLUSIE: EXPATS HEBBEN EEN VOORKEUR VOOR EEN (KOOP-)WONING IN EINDHOVEN, VERDIEPING ARBEIDSMIGRANTEN VRAAGT AANDACHT Een groot aandeel van de expats wil voor een langere periode (langer dan 3 jaar) in het SGE wonen, bij voorkeur in Eindhoven. Circa de helft heeft voorkeur voor een koopwoning. Daarbij is de groep relatief sterk verhuisgeneigd. De instroom van buitenlandse werknemers zal daarmee naar verwachting voor een extra druk op de (koop)woningmarkt in de regio en specifiek Eindhoven resulteren. In het Stedelijk Gebied Eindhoven wonen en werken naast hooggeschoolde ook (laaggeschoolde) arbeidsmigranten. Deze groep is ondervertegenwoordigd in de enquête die voor het woningbehoefteonderzoek is uitgezet. Daarbij speelt mee dat de markt voor arbeidsmigranten wordt afgeschermd. Dit vraagt aandacht bij vervolgonderzoek. In de ramingen voor de kwantitatieve en kwalitatieve behoefte in voorgaande hoofdstukken is de instroom (en uitstroom) van zowel hooggeschoolde als laaggeschoolde migranten die geregistreerd zijn in de gemeentelijke basisadministratie wel meegenomen op basis van CBS-data. Het gaat in eventueel vervolgonderzoek primair om een verdieping op passende woonvormen en locaties buiten de reguliere woningmarkt voor deze doelgroep.
5.3 Aantal uitwonende studenten groeit tot 2028 met maximaal 660 studenten. In de Landelijke Monitor Studentenhuisvesting 2020 zijn binnen het Stedelijk Gebied Eindhoven gegevens beschikbaar over studenten in de gemeente Eindhoven en in de gemeente Helmond. In de monitor wordt onderscheid gemaakt tussen studenten op het MBO, HBO en WO. Daarnaast wordt onderscheid gemaakt tussen thuiswonende, uitwonende en internationale (en dus uitwonende) studenten. In de monitor wordt het aantal studenten in het collegejaar 2019-2020 weergegeven. Ook geeft de monitor een prognose van het aantal studenten in het collegejaar 2027-2028. Hierbij wordt een ondergrens en een bovengrens gehanteerd. In de monitor wordt uitgegaan ven een primaire doelgroep (uitwonende studenten die zowel in de desbetreffende stad wonen als studeren) en een secundaire doelgroep (uitwonende studenten die in de desbetreffende stad wonen, maar in een andere stad studeren). Onderstaande tabel laat de verwachte ontwikkeling van de studentenpopulatie in Eindhoven en Helmond zien. In de gemeente Eindhoven wordt tot het collegejaar 2027-2028 een groei van 120 tot 660 uitwonende studenten verwacht. In de gemeente Helmond blijft het aantal uitwonende studenten tot het collegejaar 2027-2028 stabiel volgens de bovengrens van de ontwikkeling.
De ondergrens van de ontwikkeling gaat uit van afname van 60 uitwonende studenten tot het collegejaar 2027-2028.
38
Regionaal Woningbehoefte-onderzoek voor Stedelijk Gebied Eindhoven 20.208
Tabel 9: Studentenpopulatie en prognose in Eindhoven en Helmond Gemeente
Eindhoven
Stand ‘19-‘20 11.810
Helmond
230
Primaire doelgroep Ontwikkeling tot ’27-‘28 Ondergrens Bovengrens 11.790 12.270 260
290
Secundaire doelgroep Stand Ontwikkeling tot ’27-‘28 ‘19-‘20 Ondergrens Bovengrens 2.450 2.590 2.660 630
540
580
Stand
Totaal uitwonend Ontwikkeling tot ’27-‘28
‘19-‘20 14.260
Ondergrens 14.380
Bovengrens 14.930
860
800
860
Bron: Landelijke Monitor Studentenhuisvesting ABF (2020), bewerking Stec Groep (2020).
INVLOED CORONAPANDEMIE OP STUDENTENPOPULATIE De Landelijke Monitor Studentenmonitor 2020 beschrijft de invloed van de coronapandemie op het verwacht aantal studenten in Nederland. Het is nog onzeker hoe de coronapandemie zich gaat ontwikkelen en daarom heeft ABF verschillende scenario’s uitgewerkt: een mild scenario en een impactvol scenario. Het milde scenario gaat ervan uit dat de coronapandemie voornamelijk impact heeft op de studentenpopulatie in het collegejaar 2020-2021. In de jaren hierna gaat de studentenpopulatie weer richting de trendprognose. In het impactvolle scenario wordt een grotere en meer structurele invloed van de coronapandemie op de studenten populatie verwacht. In deze scenario’s wordt rekening gehouden met de volgende effecten: • Instroom van internationale studenten: beide scenario’s gaan uit van een lagere instroom van internationale studenten in het collegejaar 2020-2021. In het impactvolle scenario is deze vermindering structureel. • Instroom vanuit het voortgezet onderwijs: door het grotere aantal geslaagden op de middelbare scholen in 2019-2020 zal de toestroom in 2020-2021 hoger uitvallen. In het opvolgende jaar van 20212022 zijn er juist minder examenkandidaten. Dit geldt voor beide scenario’s.
• Door- en uitstroom in het hoger onderwijs: de doorstroom van studenten wordt aan de ene kant beperkt door de hogere mate van studievertraging, maar aan andere kant ook gestimuleerd omdat men direct doorstudeert. In het milde scenario beperken deze effecten zich tot het collegejaar 20202021. In het impactvolle scenario is een buitenlandervaring in opvolgende jaren nog steeds nauwelijks aan de orde en krijgt het direct doorstuderen een blijvend karakter. • Digitalisering: in het impactvolle scenario vormt de digitalisering een structurele verandering in het onderwijs. In het milde scenario is digitalisering niet aan de orde. Voor het Stedelijk Gebied Eindhoven worden de grootste veranderingen verwacht in de stad Eindhoven. Ten opzichte van de trendprognose ontvangt de stad in het impactvolle scenario circa 1000 internationale studenten minder dan verwacht. Voor niet-universiteitssteden zoals Helmond zijn de effecten beperkt.
39
Regionaal Woningbehoefte-onderzoek voor Stedelijk Gebied Eindhoven 20.208
6 Plancapaciteit 6.1 In SGE woningbouwopgave van circa 53.900 woningen tussen 2020 en 2040 De woningbehoefte tot 2040 bestaat uit circa 48.700 woningen door een sterke toename van het aantal huishoudens en 5.200 woningen om het woningtekort in te lopen. Het grootste deel van de huishoudensgroei is geraamd voor de periode 2020-2030, circa 28.800 huishoudens. Voor de periode 20302040 groeit het aantal huishoudens verder met 19.900. Daarnaast gaan we uit van een gelijkmatige inloop van het geraamde tekort in de woningvoorraadprognose in 20 jaar. In totaal gaat dit om 5.200 woningen. Na aftrek woningbehoefte 2020 nog ruimte voor circa 51.060 woningen tussen 2021 en 2040 In 2020 zijn er circa 3.050 woningen gereed gekomen in het SGE. De behoefte voor datzelfde jaar lag in SGE op circa 2.850 woningen. Daarmee zijn er in 2020 ongeveer 200 woningen extra aan de woningvoorraad toegevoegd. In de analyses hierna confronteren we de woningbehoefte met de plancapaciteit. Dit doen we voor de periode 2021 tot 2040.
6.2 Plancapaciteit SGE: plannen voor toevoeging van circa 46.150 woningen tussen 2021 en 2040 In onderstaande tabel zetten we de behoefte en de actuele plancapaciteit tegen elkaar af. In de periode 2021 – 2040 zien we een behoefte voor circa 51.060 woningen. Tegelijkertijd maken we uit de gemeentelijke woningbouwmatrixen op dat er voor diezelfde periode plannen zijn voor circa 46.150 woningen. Deze plannen landen voornamelijk in de gemeenten Eindhoven en Helmond. Confrontatie: tekort aan plannen voor circa 4.910 woningen tot 2040 Op niveau van het SGE zien we op basis van onze voorgaande analyses een tekort aan plannen voor circa 4.910 woningen tot 2040. Een deel van de huidige plannen betreft zachte plancapaciteit. Hierdoor is het mogelijk dat er door vertraging of uitval minder woningen gerealiseerd worden dan nu in de plannen zijn opgenomen. Kijken we enkel naar de harde plancapaciteit dan zien we dat de harde plancapaciteit in het SGE tot 2040 bestaat uit circa 19.030 woningen. Confronteren we deze harde plancapaciteit aan de woningbehoefte dan zien we ruimte voor nieuwe plannen voor circa 32.030 woningen tot 2040. Onderstaande figuur en tabel laten de totale plancapaciteit in het SGE en per gemeente in het SGE zien. Ook laat de tabel het deel harde plancapaciteit zien. Figuur 22: woningbehoefte 2021-2040 afgezet tegen plancapaciteit 2021-2040 -
10.000
2021 tot 2040
Behoefte scenario 1
20.000
30.000
40.000
50.000
51.060
60.000
Behoefte scenario 1 Behoefte scenario 2
Behoefte scenario 2
Harde plancapaciteit
51.060
Zachte plancapaciteit Planruimte
Plancapaciteit
19.030
27.120
4.910
Bron: Brabant Prognose (2020), CBS (2021), WoON2015, WoON2018, bewerking Stec Groep (2021), plancapaciteit via Provincie NoordBrabant (peildatum 01-01-2021), bewerking Stec Groep (2021). Cijfers afgerond op tientallen.
40
Regionaal Woningbehoefte-onderzoek voor Stedelijk Gebied Eindhoven 20.208
Tabel 10: Plancapaciteit per gemeente in het Stedelijk Gebied Eindhoven tussen 2021 en 2040 Gemeente
% van totale plancapaciteit in SGE
Plancapaciteit (absoluut)
Best Eindhoven Geldrop-Mierlo Helmond Nuenen Oirschot Son en Breugel Veldhoven Waalre Totaal SGE
4.030 17.730 2.670 10.760 2.590 1.170 860 5.150 1.200 46.160
Waarvan harde plancapaciteit (absoluut)
9% 38% 6% 23% 6% 3% 2% 11% 3% 100%
% van totale harde plancapaciteit in SGE 1.280 6.960 990 7.610 220 150 140 1.460 220 19.030
7% 37% 5% 40% 1% 1% 1% 8% 1% 100%
Bron: Provincie Noord-Brabant (peildatum 01-01-2021), bewerking Stec Groep (2021). Cijfers afgerond op 10-tallen. Hierdoor kunnen optellingen afwijken.
Tweederde van woningbouwplannen landt in periode t/m 2025 Circa 30.400 woningen zijn gepland voor de periode 2021 t/m 2025. Daarmee landt bijna twee derde van alle woningbouwplannen in de periode tot en met 2025. Circa de helft van alle plannen is nog zacht. Mogelijk zal een deel van deze plannen nog vertragen of doorschuiven naar een latere periode. Voor de periode tussen 2026 t/m 2031 liggen er plannen voor circa 12.080 woningen. Vervolgens zien we voor de periode na 2031 nog plannen voor circa 3.670 woningen. Vooral voor de periode na 2031 is er op basis van de woningbehoefte ruimte voor nieuwe plannen. Figuur 23: confrontatie plancapaciteit en behoefte 2021 t/m 2025, 2026 t/m 2030 en 2031 e.v.
2031 e.v.
2026 t/m 2030
2021 t/m 2025
-
5.000
10.000
Behoefte scenario 1
16.880
Behoefte scenario 2
16.880
15.000
20.000
25.000
30.000
35.000
Behoefte scenario 1
Plancapaciteit
14.830
Behoefte scenario 1
14.370
Behoefte scenario 2
14.370
Harde plancapaciteit
8.780
Zachte plancapaciteit
Behoefte scenario 2 Plancapaciteit
3.300
Behoefte scenario 1
19.820
Behoefte scenario 2
19.820
15.570
Plancapaciteit 900 2.770
Bron: Brabant Prognose (2020), CBS (2021), WoON2015, WoON2018, bewerking Stec Groep (2021), plancapaciteit via Provincie NoordBrabant (peildatum 01-01-2021), bewerking Stec Groep (2021). Cijfers afgerond op tientallen.
Periode 2021 t/m 2025: circa 59% van de woningbouwplannen in SGE landt in de huursector, ruim 60% is een appartement In de plancapaciteitsmatrixen van de provincie wordt voor de periode 2021 t/m 2025 onderscheid gemaakt tussen het type woning en de eigendomsvorm (sociale huur, vrijesectorhuur en koop). Van de totale plancapaciteit (in de periode 2021-2025) is circa 34 een sociale huurwoning, 25% een vrijesectorhuurwoning en 41% een koopwoning. Afgezet tegen de behoefte zien we vooral in het grondgebonden sociale huursegment verschillen tussen behoefte en plannen. Vooral in het scenario 1 (inzet op doorstroming in de woningmarkt) zijn er fors meer plannen voor dit type woning dan dat er op basis van onze analyses behoefte is. Ook wanneer we kijken naar plannen voor appartementen valt op dat er fors meer plannen zijn dan er behoefte is. Dit betreft echter een groot aantal zachte plannen, waardoor de invulling nog kan wijzigen. Zie ook onderstaand figuur.
41
Regionaal Woningbehoefte-onderzoek voor Stedelijk Gebied Eindhoven 20.208
Figuur 24: confrontatie plancapaciteit en behoefte 2021 t/m 2025 naar woontypologie
On be ke nd
Niet Niet Niet Niet Niet Niet Nultreden nultreden Nultreden nultreden Nultreden nultreden Nultreden nultreden Nultreden nultreden Nultreden nultreden
Vrijesectorhuur Vrijesectorhuur Koop
Appartementen
Sociale huur
Koop
Grondgebonden
Sociale huur
-2.000 -1.000 Behoefte scenario 1 Behoefte scenario 2 Plancapaciteit Behoefte scenario 1 Behoefte scenario 2 Plancapaciteit Behoefte scenario 1 Behoefte scenario 2 Plancapaciteit Behoefte scenario 1 Behoefte scenario 2 Plancapaciteit Behoefte scenario 1 Behoefte scenario 2 Plancapaciteit Behoefte scenario 1 Behoefte scenario 2 Plancapaciteit Behoefte scenario 1 Behoefte scenario 2 Plancapaciteit Behoefte scenario 1 Behoefte scenario 2 Plancapaciteit Behoefte scenario 1 Behoefte scenario 2 Plancapaciteit Behoefte scenario 1 Behoefte scenario 2 Plancapaciteit Behoefte scenario 1 Behoefte scenario 2 Plancapaciteit Behoefte scenario 1 Behoefte scenario 2 Plancapaciteit Plancapaciteit
Behoefte scenario 1
Behoefte scenario 2
-
1.000 2.000 3.000 4.000 5.000 6.000 7.000 8.000
-730 1.560 900 1.060 -170 370 40 110 1.130 760 780 170 320 210 100 10 6.470 6.350 4.990
2.130
810 830 270 340 1.750 1.890 1.940 2.030 1.000 1.060 1.460 2.640 3.390 1.610 980 1.180 1.420 690 1.620 2.800 900 940 990 780 580 610 690 2.160 230 Harde plancapaciteit
Zachte plancapaciteit
Bron: Brabant Prognose (2020), CBS (2021), WoON2015, WoON2018, bewerking Stec Groep (2021), plancapaciteit via Provincie NoordBrabant (peildatum 01-01-2021), bewerking Stec Groep (2021). Cijfers afgerond op tientallen.
Periode 2026 t/m 2030: circa 60% van de woningbouwplannen in SGE landt in de huursector, ruim 66% is een appartement In de plancapaciteitsmatrixen van de provincie wordt voor de periode 2026 t/m 2030 ook een onderscheid gemaakt naar type woning en naar de eigendomsvorm (sociale huur, vrijesectorhuur en koop). Echter zijn deze gegeven niet één op één vergelijkbaar. Daarom tonen we hieronder separate figuren voor het type woning en het segment. Voor de periode 2026 t/m 2030 liggen er plannen voor circa 12.080 woningen. Wederom valt het merendeel van de woningen in de plannen in het huursegment, maar is ook nog een relatief groot deel aangeduid als zacht plan. Voor de periode 2026 t/m 2030 constateren we vooral tekorten voor plannen voor koopwoningen in het Stedelijk Gebied. Zie ook onderstaand figuur.
42
Regionaal Woningbehoefte-onderzoek voor Stedelijk Gebied Eindhoven 20.208
Figuur 25: confrontatie plancapaciteit en behoefte 2026 t/m 2030 naar segment -
1.000
2.000
3.000
Koop
Behoefte scenario 1
Huur
6.000
7.000
8.000
9.000 Behoefte scenario 1
7.430 1.860
Behoefte scenario 2
2.970
Behoefte scenario 1
Harde plancapaciteit
7.670
Behoefte scenario 2 Plancapaciteit
5.000
6.710
Behoefte scenario 2 Plancapaciteit
4.000
Zachte plancapaciteit
6.940 1.440
5.810
Bron: Brabant Prognose (2020), CBS (2021), WoON2015, WoON2018, bewerking Stec Groep (2021), plancapaciteit via Provincie NoordBrabant (peildatum 01-01-2021), bewerking Stec Groep (2021). Cijfers afgerond op tientallen.
Wanneer we verdiepen op het woningtype (appartement of grondgebonden, zowel nultreden als nietnultreden) in de plannen voor de periode 2026 t/m 2030 dan zien we vooral in het grondgebonden segment verschillen tussen behoefte en plannen. Vooral in het scenario 2 (beperkte doorstroming in de woningmarkt) zijn er fors minder plannen voor dit type woning dan dat er op basis van onze analyses behoefte is. Wanneer we kijken naar plannen voor appartementen valt op dat er fors meer plannen zijn voor nultreden appartementen dan er behoefte is. Juist voor reguliere appartementen is er een sterkere behoefte dan dat er plancapaciteit is. Tussen beide type appartementen bestaat een grote mate van overlap: reguliere appartementen worden in de nieuwbouw veelal als nultredenwoning gerealiseerd. Figuur 26: confrontatie plancapaciteit en behoefte 2026 t/m 2030 naar woningtype
NietNietNultreden nultreden Nultreden nultreden
Appartementen
Grondgebonden
-
1.000
2.000
Behoefte scenario 1
3.000
1.500 770
Behoefte scenario 2
1.190
8.000
Behoefte scenario 1 Behoefte scenario 2
Behoefte scenario 1
5.700
Behoefte scenario 2 920
Harde plancapaciteit Zachte plancapaciteit
3.760
Behoefte scenario 1 Plancapaciteit
7.000
2.120
Plancapaciteit 60 450
Behoefte scenario 2
6.000
7.410
Behoefte scenario 1
Plancapaciteit
5.000
4.950
Behoefte scenario 2 Plancapaciteit
4.000
940 2.950
2.020 830
5.270
Bron: Brabant Prognose (2020), CBS (2021), WoON2015, WoON2018, bewerking Stec Groep (2021), plancapaciteit via Provincie NoordBrabant (peildatum 01-01-2021), bewerking Stec Groep (2021). Cijfers afgerond op tientallen.
Circa 61% van de plancapaciteit 2021-2040 in SGE landt in Centrum Stedelijk of Stedelijk Buiten Centrum woonmilieu Ten slotte wordt in de plancapaciteitsmatrixen van de provincie ook per plan het type woonmilieu aangegeven: Centrum Stedelijk, Stedelijk Buiten Centrum, Klein Stedelijk, Groen-Stedelijk, (Centrum) Dorps en Landelijk. In totaal bevindt circa 61% van de woningen in de plancapaciteit zich in Centrum Stedelijk of Stedelijk Buiten Centrum woonmilieu. Zo’ 3% bevindt zich in een Klein Stedelijk woonmilieu en zo’n 22% bevindt zich in Groen Stedelijk woonmilieu. Circa 10% van de woningen in de plancapaciteit bevindt zich in een (Centrum) Dorps woonmilieu en ten slotte bevindt circa 3% van de woningen zich in landelijk woonmilieu. Zie ook onderstaand figuur.
43
Regionaal Woningbehoefte-onderzoek voor Stedelijk Gebied Eindhoven 20.208
Vooral voor het ‘Stedelijk buiten centrum’ woonmilieu zien we een beperkte plancapaciteit in verhouding tot de opgave. Tegelijkertijd zijn er meer plannen voor woningen in een ‘centrum stedelijk gebied’ dan dat personen hebben aangegeven in zo’n gebied te willen wonen (de behoefte). Beide woonmilieus zijn nauw aan elkaar verwant. Het gaat voor het Stedelijk Gebied Eindhoven vooral om een verstedelijkingsopgave waarbij huishoudens met goede producten verleid moeten worden om te wonen in een stedelijke setting. Het gaat daarbij ook om de meer hybride woonvormen voor gezinnen zoals plintwoningen met een grondgebonden feeling en grotere gezinsappartementen. Figuur 27: Behoefte en plancapaciteit SGE 2021 – 2040 naar woonmilieus