D. Tussen uitspraak Raad van State 20224461 1 R3
Tekst van het document
De resultaten hiervan zijn neergelegd in het rapport "Verkeersonderzoek ontwikkeling Bronsgeest" van Goudappel Coffeng van 10 maart 2021 (hierna: het verkeersonderzoek). In het onderzoek is uitgegaan van de verkeerseffecten op drie kruispunten: (1) het kruispunt Van Berckelweg-Gooweg, (2) de rotonde Van Berckelweg-Overbeek en (3) de rotondes Van Berckelweg-Provinciale weg. Uit het onderzoek blijkt dat enkele aanpassingen aan de weginfrastructuur nodig zijn om het toekomstige verkeer, inclusief het verkeer van en naar Bronsgeest, op een goede manier te kunnen afwikkelen. Deze aanpassingen worden door de gemeente nader uitgewerkt (nader verkeersonderzoek, ontwerp en budget), maar gelet op de aard en omvang van de
19
aanpassingen kan op voorhand worden gesteld dat het aannemelijk is dat de maatregelen tijdig kunnen en zullen worden uitgevoerd, zo staat in de toelichting. 19.3. In paragraaf 3.1 van het verkeersonderzoek staan de berekende verkeersintensiteiten als gevolg van de in het plan voorziene ontwikkelingen. Hieruit volgt dat in de plansituatie ongeveer 1.600 motorvoertuigbewegingen per etmaal optreden op de ontsluitingsroute via de Van Berckelweg. Deze verkeersgeneratie is volgens het verkeersonderzoek niet volledig toe te rekenen aan de in het plan voorziene woningen. In de autonome situatie zit er namelijk ook een modelzone aangetakt op de noordtak van de rotonde, waarbij het volgens het verkeersonderzoek vermoedelijk gaat om verkeer van kavels langs de Gooweg en het parkeerterrein. Deze levert een verkeersgeneratie van 160 motorvoertuigen op. Het planeffect op etmaalintensiteiten is daarmee 1.440 (1.600 - 160) motorvoertuigen. Dit komt neer op ongeveer 4 ritten per woning per etmaal. In hoofdstuk 4 van het verkeersonderzoek staan de resultaten van het onderzoek voor wat betreft de verkeersafwikkeling via de in het onderzoek onderzochte kruispunten. Wat betreft het kruispunt Van Berckelweg-Gooweg is de conclusie dat het kruispunt onder de huidige vormgeving voldoende restcapaciteit heeft om het verkeer te kunnen afwikkelen.
Ook in de autonome situatie 2023 is er voldoende capaciteit, al neemt de gemiddelde cyclustijd in beide spitsen met ongeveer 5 seconden toe. Wel moet het huidige opstelvak van ‘richting 9’ worden verlengd met 30 m, zodat het wachtende verkeer de andere verkeersrichtingen niet blokkeert. Wat de rotonde Van Berckelweg-Overbeek betreft, staat in het verkeersonderzoek dat deze in de autonome maar in het bijzonder in de plansituatie te maken heeft met een hoge verliestijd. Verkeer komend van het kruispunt Van Berckelweg - Gooweg heeft ongeveer anderhalve minuut verliestijd voor de rotonde gepasseerd kan worden. De huidige rotonde heeft te weinig capaciteit om het verkeer in de plansituatie te kunnen afwikkelen. Door één extra rijstrook op de Van Berckelweg van west naar oost aan te brengen kan de gemiddelde verliestijd op de Van Berckelweg aanzienlijk worden verminderd. Maar dit betreft voor fietsers en voetgangers geen veilige oplossing. Hiervoor zou een andere locatie of een andere vormgeving moeten worden gekozen. Wat de twee rotondes Van Berckelweg Provinciale weg betreft, staat in het verkeersonderzoek dat deze beide rotondes zijn vormgegeven met een knip in de oostelijke rotonde, waardoor rondrijden niet mogelijk is. Dit leidt in de huidige situatie voor verkeer vanaf de afrit N206 aan de zuidkant tot een hoge verliestijd.
Dit verkeer moet voorrang verlenen aan doorgaand verkeer op de Van Berckelweg in oostelijke richting. Maar deze verkeersstroom is zo groot dat verkeer vanaf de afrit geen mogelijkheden krijgt om de rotonde op te rijden, met een terugslag op de doorgaande N206 als gevolg. Door de doorgaande richting op de rotonde vanuit Noordwijk naar Voorhout uit te breiden van één naar twee rijstroken kan de verliestijd worden verlaagd tot een acceptabele verliestijd. Deze ingreep heeft geen gevolgen voor de overige richtingen, maar zorgt wel voor verminderde oversteekbaarheid en verkeersveiligheid voor fietsers. 19.4. In november 2021 zijn de tussenresultaten van een verdiepend verkeerskundig onderzoek naar de ontsluitingswijze van Bronsgeest gepresenteerd. De resultaten laten zien dat er drie varianten mogelijk zijn om Bronsgeest aan te laten sluiten op de Van Berckelweg, waarbij de variant met een verkeersregelinstallatie (VRI) de hoogst scorende kruispuntenoplossing is. Naar aanleiding hiervan is de opdracht gegeven om een VRI-analyse uit te voeren om duidelijkheid te krijgen of, en met welke vormgeving en regelmethodiek, het kruispunt Bronsgeest als VRI kan functioneren. De resultaten hiervan zijn opgenomen in het memo "VRI analyse Bronsgeest" van Royal HaskoningDHV van 13 juli 2023 (hierna: het verkeersmemo).
De conclusie van het aanvullend memo is dat het kruispunt Bronsgeest na 2030 nog ongeveer vijf jaar kan functioneren met een goede verkeersafwikkeling. Voor het
20
waarborgen van een goede verkeersafwikkeling daarna is een aanvullende capaciteitsverhoging van het kruispunt nodig. Het aanvullend memo bevat hiervoor een aantal oplossingsrichtingen. In het aanvullend memo is verder aandacht besteed aan de verkeersafwikkeling van fietsers en voetgangers. 19.5. De Afdeling ziet in wat de werkgroep en [appellant sub 4] hebben aangevoerd geen grond voor de conclusie dat de raad zich niet redelijkerwijs op het standpunt heeft kunnen stellen dat de toename van het verkeer in de plansituatie kan worden afgewikkeld via de Van Berckelweg. Hierbij betrekt de Afdeling dat in het verkeerskundig onderzoek inzichtelijk is gemaakt wat de gevolgen zijn van het plan voor de verkeersafwikkeling via het aanliggende wegennet. Daarbij is in het bijzonder gekeken naar de gevolgen voor de verkeersafwikkeling op de drie dichtstbij gelegen rotondes. Uit het onderzoek blijkt dat het verkeer in zowel de autonome situatie als in de plansituatie niet zonder meer kan worden afgewikkeld, maar dat hiervoor maatregelen moeten worden getroffen. Deze staan beschreven in hoofdstuk 4 van het verkeersonderzoek. Het verkeersmemo beschrijft daarnaast dat het verkeer met behulp van een VRI ter plaatse van de aantakking van Bronsgeest op de Van Berckelweg in ieder geval tot 2035 op een goede manier kan worden verwerkt.
De hiervoor benodigde wegaanpassingen zijn mogelijk op grond van het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Boechorst". Ingevolge dat plan zijn de gronden ter plaatse van de bestemming "Verkeer" immers onder meer aangewezen voor ‘verkeersareaal’. Ook de benodigde maatregelen bij de verder van het plangebied gelegen rotondes kunnen worden gerealiseerd binnen de ter plaatse geldende bestemmingsplannen, zo heeft de raad op de zitting uiteengezet. Het betoog van [appellant sub 4], dat uit het verkeersonderzoek zou volgen dat het verkeer alleen op een goede manier zou kunnen worden afgewikkeld wanneer de Van Berckelweg in zijn geheel zou worden verbreed naar een vierbaansweg, kan niet worden gevolgd. Hiervoor biedt namelijk noch het verkeerskundig onderzoek, noch het verkeersmemo enig aanknopingspunt. Het verkeerskundig onderzoek biedt ook geen aanknopingspunten voor de conclusie dat de verwezenlijking van de in het plangebied beoogde woningen zal leiden tot een overbelasting van de route Herenweg-Offemweg-Gooweg. De Afdeling ziet in deze niet nader onderbouwde stelling van de werkgroep dan ook geen grond voor de conclusie dat het verkeer in de plansituatie niet goed zou kunnen worden afgewikkeld. Het betoog slaagt niet. - Uitgangspunten verkeersonderzoek 19.6. [appellant sub 7] betoogt dat het verkeersonderzoek niet berust op juiste uitgangspunten.
Ten onrechte is daarin de planningshorizon op 2030 gelegd, terwijl dit volgens hem 2040 had moeten zijn. Verder is er volgens [appellant sub 7] een discrepantie tussen de hoogte van de pieken en de gemiddelde verkeersstroom. Ook de files die vaak op de Van Berckelweg kunnen worden gesignaleerd, maken het verkeersonderzoek volgens [appellant sub 7] ongeloofwaardig. De werkgroep betoogt dat er verkeersmetingen hebben plaatsgevonden gedurende de Covid-19-pandemie, zodat geen sprake is van representatieve resultaten. 19.7. In paragraaf 2.1 van het verkeersonderzoek staat dat voor de toekomstige situatie is uitgegaan van het jaar 2030, omdat voor een bestemmingsplan minimaal 10 jaar vooruit moet worden gekeken. De verkeersintensiteiten zijn berekend met behulp van het verkeersmodel van de regio Holland Rijnland versie 3.1. Hiermee is een autonome situatie (zonder planontwikkeling) en een plansituatie doorgerekend voor 2030. De Afdeling ziet in de omstandigheid dat bij het onderzoek als horizon het jaar 2030 is
21
gekozen, geen aanknopingspunt voor de conclusie dat dit onderzoek in zoverre niet berust op een deugdelijk uitgangspunt. Uit het onderzoek volgt dat is gekeken naar zowel de gevolgen voor de verkeerstoename op het onderzochte wegennet in de autonome- als in de plansituatie. Dat modelmatig is uitgegaan van het jaar 2030 in plaats van het jaar 2040, leidt niet tot de conclusie dat de raad zich bij vaststelling van het bestemmingsplan niet op het verkeersonderzoek heeft kunnen baseren. De betogen dat er discrepanties in het verkeersonderzoek zitten en dat dit onderzoek ongeloofwaardig is vanwege het veelvuldig voorkomen van files op de Van Berckelweg, en dat dit tot de conclusie zou moeten leiden dat het verkeersonderzoek niet deugt, worden ook niet gevolgd. De Afdeling ziet in deze niet nader onderbouwde stellingen onvoldoende aanknopingspunten voor de conclusie dat het verkeersonderzoek zulke leemten en/of gebreken in kennis vertoont dat de raad zich hier bij de vaststelling van het plan niet op heeft kunnen baseren. Voor de conclusie dat gebruik is gemaakt van niet representatieve verkeerstellingen omdat deze tijdens de Covid-19-pandemie zijn uitgevoerd, bestaat ook geen aanleiding.
Uit paragraaf 2.1 van het verkeersonderzoek volgt namelijk dat de tellingen die zijn gebruikt om de capaciteit van de te onderzoeken kruispunten te bepalen, zijn uitgevoerd in 2017 en 2018, en niet tijdens de pandemie. Overigens zijn de tellingen niet gebruikt om de toename van het verkeer in de autonome en plansituatie te bepalen, maar alleen ter bepaling van de intensiteiten op de bestaande kruispunten in de bestaande situatie. In zoverre ziet de Afdeling geen aanknopingspunt voor de conclusie dat de raad zich niet op het verkeersonderzoek heeft kunnen baseren. De betogen slagen niet. - Fietsverkeer 19.8. De werkgroep betoogt dat de verwachte toename van het fietsverkeer door autonome groei en het bouwen in Bronsgeest en de gevolgen daarvan voor het fietsverkeer, ten onrechte niet zijn geanalyseerd. 19.9. Uit hoofdstuk 4 van het verkeersonderzoek volgt dat in de plansituatie sprake is van een verkeerskundig aanvaardbare situatie als de daar genoemde maatregelen worden genomen. Maar op het moment van de vaststelling van het plan stond de daadwerkelijke invulling van de treffen verkeersmaatregelen nog niet vast. In het (aanvullend) verkeersmemo is rekening gehouden met fietsverkeer. Daarin zijn verschillende ontsluitingsmogelijkheden in beeld gebracht, waaronder een VRI.
Bij deze mogelijkheid wordt een gelijkvloerse oversteek voor fietsers en voetgangers via de Van Berckelweg vanuit verkeersveiligheid niet wenselijk geacht. Wel volgt uit dit onderzoek dat het mogelijk is om een extra oversteekmogelijkheid te realiseren op de Gooweg. Gelet op het vorenstaande is de Afdeling van oordeel dat voldoende rekening is gehouden met het fietsverkeer. Het betoog slaagt niet. Ontsluiting Gooweg 20. [appellant sub 2] voert aan dat onduidelijk is hoe het woongebied ten zuiden van de percelen Gooweg 22-24 op de Gooweg zal worden ontsloten. Als de ontsluiting met een brug over de sloot op de Gooweg zal plaatsvinden, dan is dit niet betrokken bij de verkeersanalyse die aan het plan ten grondslag is gelegd. Ook is onvoldoende duidelijk
22
hoeveel woningen er precies op het perceel achter de percelen Gooweg 22-24 zullen komen. Dit kan echter wel van belang zijn om te bepalen of de beoogde ontsluitingsroute geschikt is. [appellant sub 2] vreest dat er diverse ontsluitingswegen naast elkaar komen te liggen, die ook nog eens een voet- en fietspad moeten kruisen. Dit betreft de ontsluiting van het perceel Gooweg 24, de ontsluiting van het nieuwe woongebied en de gezamenlijke ontsluitingen van Tennispark Gevers en het perceel Gooweg 38. Dit is volgens [appellant sub 2] geen veilige verkeersoplossing. 20.1. De raad stelt dat het deel van het woongebied waar [appellant sub 2] op wijst, zal worden ontsloten via een ontsluiting voor gemotoriseerd verkeer via de Gooweg. Dit betreft alleen het deel van het plangebied waaraan de aanduiding "specifieke vorm van woongebied afwijkende bouwhoogtes" is toegekend. Ter plaatse zijn alleen grondgebonden woningen toegestaan. Gelet hierop, de totale omvang van het bouwvlak ter plaatse van deze gronden (ongeveer 5.830 m2) en de efficiënt voor woningen te benutten ruimte, is in dit deel van het woongebied maar een beperkt aantal woningen mogelijk. De verkeersgeneratie vanwege dit beperkte aantal woningen is op voorhand niet zo groot dat dit nadelige gevolgen heeft voor de verkeersafwikkeling op de Gooweg.
Bij de nadere uitwerking van het plan zal naar de precieze wijze van ontsluiten van dit deel van het plangebied worden gekeken. De raad stelt zich verder op het standpunt dat [appellant sub 2] terecht wijst op de (planologische) onmogelijkheid om een ontsluiting te realiseren via een brug over de watergang naar een (nieuw) pad bij het sportcomplex. Deze alternatieve ontsluitingsmogelijkheid is gelet op het bepaalde in artikel 13.2.1, onder d, van de planregels niet mogelijk, omdat een zone van 10 m vanaf de bestemming "Water" een invulling als groenvoorziening moet krijgen, die alleen mag worden onderbroken door fiets- en voetpaden. Met deze regel is beoogd om de woonwijk aan de zijde van het bollenteeltgebied te omzomen met een groene rand. Maar door de huidige formulering van dit artikel is onbedoeld in de planregels geregeld dat het achter de percelen Gooweg 22-24 gelegen woongebied niet kan worden ontsloten via het bestaande pad aan de overzijde van de watergang. De raad verzoekt de Afdeling gelet hierop de zinsnede "of de bestemming "Water" uit artikel 13.2.1, onder d, van de planregels te schrappen. 20.2.
Zoals de Afdeling heeft overwogen in de uitspraak van 24 oktober 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BY1057, staat bij de beoordeling van een uitwerkingsplan voorop dat aan een uitwerkingsplicht in een bestemmingsplan gevolg dient te worden gegeven en dat daarbij de uitwerkingsregels dienen te worden toegepast. Slechts bijzondere omstandigheden kunnen ertoe leiden dat aan deze verplichting kan worden voorbijgegaan. Het voorgaande brengt met zich dat door het onherroepelijk worden van de uit te werken bestemming de aanvaardbaarheid daarvan in beginsel als een gegeven moet worden beschouwd. Voor zover de uitwerkingsregels ruimte laten om binnen de daarin bepaalde grenzen de inrichting van het gebied in het uitwerkingsplan nader te bepalen, moet worden bezien of de gekozen inrichting van het uitwerkingsplan in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. 20.3. Aan een (groot) deel van de gronden in het noordoosten van het plangebied is de bestemming "Woongebied - Uit te werken" toegekend. Hiervoor geldt dat het college van burgemeester en wethouders de bestemming moet uitwerken met inachtneming van het bepaalde in artikel 13.2.1 van de planregels. Aan het deel van de gronden ten zuiden van de percelen Gooweg 22-24 is daarnaast de aanduiding "specifieke vorm van woongebied afwijkende bouwhoogtes" toegekend.
Ingevolge artikel 13.2.2, onder f, van de planregels zijn ter plaatse uitsluitend grondgebonden woningen toegestaan met maximaal toegestane goot-
23
en bouwhoogtes van respectievelijk 7 m en 11 m. 20.4. De in artikel 13.2.1, onder d, van de planregels opgenomen uitwerkingsregel luidt: "de gronden die zijn gelegen in een zone van 10 meter vanaf de bestemmingsgrens met de bestemming 'Agrarisch - Bollenteelt' of de bestemming 'Water' dienen een invulling met groenvoorzieningen te krijgen waarbij de zone met groenvoorzieningen slechts mag worden doorbroken door fiets- en voetpaden;". 20.5. Uit de plantoelichting volgt dat het de bedoeling is om het noordelijke deel van het plangebied te ontsluiten via de Gooweg. Deze ontsluitingsweg zal ook gebruikt kunnen worden in geval van calamiteiten. Niettemin blijkt uit het verkeersonderzoek dat de gevolgen voor het verkeer vanwege deze ontsluitingsroute daarin niet zijn meegenomen. De raad heeft zich in dit verband op het standpunt gesteld dat het zal gaan om zeer beperkte verkeersintensiteiten, gelet op de effectieve mogelijkheden voor woningbouw in het noordelijk deel van het plangebied. Omdat nog niet precies duidelijk is hoe het gebied eruit komt te zien, heeft de raad het daarom aanvaardbaar geacht om het onderzoek naar de ontsluiting via de Gooweg door te schuiven naar de uitwerkingsfase. 20.6.
De Afdeling is van oordeel dat het plan, gelet op de beperking die in artikel 13.2.1, onder d, van de planregels is opgenomen, niet voorziet in de mogelijkheid om het autoverkeer uitgaande van de binnen de aanduiding "specifieke vorm van woongebied afwijkende bouwhoogtes" geprojecteerde woningente ontsluiten via de Gooweg. In zoverre heeft de raad dan ook geen aanleiding hoeven zien om de verkeerseffecten van een ontsluiting ten behoeve van auto’s via de Gooweg te onderzoeken. Het betoog mist in zoverre feitelijke grondslag. De Afdeling hecht eraan te overwegen dat als het wel dienstig wordt geacht een ontsluiting mogelijk te maken, waarbij het autoverkeer, uitgaande van de binnen de aanduiding "specifieke vorm van woongebied - afwijkende bouwhoogtes" voorziene woningen wordt ontsloten via de Gooweg, het plan daartoe zal moeten worden aangepast of een omgevingsververgunning zal moeten worden verleend, waarbij daartoe van het plan wordt afgeweken, en waarbij dan de (planologische) aanvaardbaarheid van een dergelijke ontsluiting ten behoeve van autoverkeer zal moeten worden onderzocht en beoordeeld. GELUID 21. [appellant sub 7] betoogt dat het plan akoestisch niet aanvaardbaar is. Het akoestisch onderzoek laat zien dat de zuidgevels van de nieuwe geplande woningen ruim binnen de zone van 58-63 dB komen te liggen.
De maximale (gemeentelijke) ontheffingswaarde (53 dB) wordt in het plangebied binnen een afstand van ongeveer 56 m bezien vanaf de Van Berckelweg overschreden. Volgens [appellant sub 7] is het bij hoge uitzondering toelaatbaar dat een hogere geluidbelasting wordt toegestaan, maar een niet noodzakelijke normopvulling, zoals dat hier het geval is, is volgens hem niet aanvaardbaar. [appellant sub 7] wijst er in dit verband ook op dat akoestische compensatie vrijwel niet mogelijk is. Volgens [appellant sub 7] moet in dit geval een afstand van 105 m worden aangehouden tot de N444 (Van Berckelweg) om onder de voorkeursgrenswaarde van 48 dB te blijven. [appellant sub 7] voert verder aan dat de nieuwe bebouwing het lastiger maakt om de toenemende geluidsdruk op bestaande bebouwing te verminderen, omdat daardoor geen ruimte overblijft om de afstand tot de N444 te vergroten. In het plan moet daarom, bovenop de strook die al aan de noordzijde van de N444 wordt vrijgehouden, 80 m extra worden vrij gehouden van bebouwing om de geluidbelasting op de zuidelijke gevels, door verlegging van de N444 in noordelijke richting, ook in de toekomst onder de voorkeursgrenswaarde te
24
houden. Zonder die extra ruimte vrij te houden wordt met dit bestemmingsplan, nu of in de naaste toekomst, een onoplosbaar ruimtelijk probleem geschapen. Er wordt zo niet voldaan aan het streven om nieuwe gevallen van geluidbelasting te voorkomen. [appellant sub 7] betoogt ten slotte dat in het plan ten onrechte uitsluitend aandacht is besteed aan de geluidbelasting voor de toekomstige bebouwing. 21.1. Uit paragraaf 4.3 van de plantoelichting volgt dat akoestisch onderzoek is verricht naar de geluidbelasting op de nieuwe woningen die zijn gelegen in de zones van de Van Berckelweg (N444), de Provincialeweg (N206), de Gooweg en de Van de Mortelstraat. Uit dit onderzoek volgt dat op een aantal plekken sprake is van overschrijdingen van de voorkeursgrenswaarde van 48 dB. Daarom zullen maatregelen moeten worden getroffen. Voor woningen die zijn voorzien in zones waar sprake is van overschrijdingen van de voorkeursgrenswaarde, maar die wel voldoen aan de maximale ontheffingswaarde kunnen hogere grenswaarden worden vastgesteld. Omdat het voorliggende bestemmingsplan globaal van aard is en in een later stadium nog zal moeten worden uitgewerkt, worden er nog geen hogere grenswaarden vastgesteld. 21.2.
De Afdeling overweegt dat de beroepsgronden van [appellant sub 7] zich gedeeltelijk richten op de vraag of al dan niet hogere grenswaarden moeten worden vastgesteld voor toekomstige woningen binnen de zones van de nabij het plangebied gelegen en onderzochte woningen. Het belang van [appellant sub 7] is erin gelegen dat hij gevrijwaard wil blijven van een aantasting van zijn eigen woon- en leefklimaat. Voor zover hij zich richt op de locatie van de toekomstige woningen voor wat betreft het daar heersende akoestisch klimaat, beroept hij zich op normen uit de Wet geluidhinder, die strekken tot bescherming van de belangen van de toekomstige bewoners van het gebied. Gelet hierop is de conclusie dat het relativiteitsvereiste als is bedoeld in artikel 8:69a van de Awb zoals hiervoor besproken onder 18.1, in zoverre in de weg staat aan een geslaagd beroep. De Afdeling ziet daarom af van een inhoudelijke bespreking van deze beroepsgronden. 21.3.
Over het betoog dat bij de vaststelling van het plan onvoldoende rekening is gehouden met de toename van de geluidbelasting vanwege wegverkeerslawaai op de Van Berckelweg op de gevel van bestaande woningen als gevolg van de in het bestemmingsplan voorziene woningen, overweegt de Afdeling dat de raad in het verweerschrift het standpunt heeft ingenomen dat het bestaande wegverkeerslawaai (vanwege de Van Berckelweg) geen direct verband houdt met het voorliggende bestemmingsplan. De toename van de geluidbelasting vanwege deze weg is in zoverre ook het gevolg van de autonome ontwikkeling van de verkeersintensiteit, zoals ook blijkt uit het verkeersonderzoek, en niet van de vaststelling van het plan, zo stelt de raad. Op de zitting heeft de raad echter erkend dat als gevolg van de vaststelling van het plan de verkeersintensiteit op de Van Berckelweg aanzienlijk kan toenemen, en dat dit tot een akoestisch relevante toename van de geluidbelasting op de gevels van de in de nabijheid van die weg gelegen woningen kan leiden. De raad heeft in het kader van de vaststelling van het plan nagelaten deze effecten te onderzoeken.
Omdat de raad zich in zoverre op een ander standpunt stelt dan de raad in het bestreden besluit heeft gedaan en niet is gebleken dat gewijzigde omstandigheden hiertoe aanleiding hebben gegeven, moet worden geoordeeld dat het bestreden besluit in zoverre niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid en niet deugdelijk is gemotiveerd. Het betoog slaagt. GEBIEDSBESCHERMING 22. De werkgroep en [appellant sub 7] voeren aan dat het onduidelijk is of het plan
25
significante nadelige gevolgen kan hebben voor nabijgelegen Natura 2000-gebieden. Volgens [appellant sub 7] kunnen kanttekeningen worden geplaatst bij de wijze waarop de stikstofdepositie vanwege het plan is berekend. De werkgroep stelt dat mogelijk geen omgevingsvergunningen (voor bouwen) kunnen worden verleend vanwege de overbelasting van stikstofgevoelige natuur. 22.1. Onder verwijzing naar het gestelde onder 18.1 overweegt de Afdeling dat de bepalingen in de Wet natuurbescherming (hierna: de Wnb) over de beoordeling van plannen die gevolgen kunnen hebben voor een Natura 2000-gebied, strekken ter bescherming van het behoud van de natuurwaarden in deze gebieden. Uit de overzichtsuitspraak van 11 november 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2706, onder 10.51, volgt dat een natuurlijk persoon die zich beroept op de bepalingen van de Wnb die strekken tot de bescherming van de natuurwaarden van een Natura 2000-gebied, zich beroept op een algemeen belang waarvoor hij niet in rechte kan opkomen. Verder volgt uit de uitspraak dat individuele belangen van een natuurlijk persoon bij het behoud van een goede kwaliteit van zijn woon- en leefomgeving, waarvan een Natura 2000-gebied deel uitmaakt, zo verweven kunnen zijn met de algemene belangen die de Wnb beoogt te beschermen, dat niet kan worden geoordeeld dat de betrokken normen in de Wnb kennelijk niet strekken tot bescherming van zijn belangen.
22.2. De woning van [appellant sub 7] bevindt zich op aanzienlijke afstand van de Natura 2000gebieden ‘De Coepelduynen’, ‘Kennemerland-Zuid’ en ‘Meijendel en Berkheide’. Deze afstanden lopen uiteen van ongeveer 1,5 tot 6 km. In zoverre is dan ook de conclusie dat het individuele belang van [appellant sub 7] niet verweven is met het algemene belang dat de Wnb beoogt te beschermen. Ook de werkgroep kan in deze procedure niet opkomen voor het algemeen belang van gebiedsbescherming dat de Wnb beoogt te beschermen, omdat de belangen waarvoor zij zich inzet niet zijn verweven met het belang dat de Wnb beoogt te beschermen. Zij stelt zichzelf namelijk ten doel de openheid van Bronsgeest, en daarmee de open entree van Noordwijk, te behouden. Ook de gebundelde bewoners- en bedrijfsbelangen, die de werkgroep behartigt, zijn niet verweven met het natuurbelang van de op afstand van het plangebied gelegen Natura 2000-gebieden. Dit betekent dat de Afdeling, vanwege het relativiteitsvereiste als bedoeld in artikel 8:69a van de Awb, niet toekomt aan een inhoudelijke bespreking van de beroepsgronden over de wijze waarop de stikstofdepositie vanwege het plan is berekend. WOON- EN LEEFKLIMAAT (OVERIG) Bouwhoogte 23. De werkgroep voert aan dat de maximum bouwhoogte van 21 m niet passend is in de landgoederenzone en ook niet aansluit op bestaande bebouwing in de omgeving.
Ook [appellant sub 8] meent dat de bouwhoogte niet passend is in de omgeving. 23.1. De raad stelt voorop dat de bouwhoogtes in de omgeving niet maatgevend zijn voor de herontwikkeling van Bronsgeest. De raad heeft ervoor gekozen om hogere bebouwing mogelijk te maken. Om te zorgen voor een goede ruimtelijke overgang met de nabije omgeving heeft de raad op de verbeelding van het plan en in artikel 13.2.2 van de regels van het plan geregeld dat verschillende maximum bouwhoogtes gelden voor de verschillende woningen. Ook heeft de raad geregeld dat de hoogste woningen van 21 m op 50 m afstand van de bestemmingsgrens moeten worden gebouwd. 23.2. Gelet op de toelichting van de raad ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad voor de toegestane bouwhoogten ten onrechte geen rekening heeft gehouden met de omgeving. De Afdeling acht daarbij van belang dat de raad op de verbeelding van het
26
plan en in artikel 13.2.2 van de regels van het plan voorwaarden heeft gesteld om de overgang naar de voorziene afwijkende bouwhoogtes vanuit ruimtelijk oogpunt aanvaardbaar te doen zijn. Voor zover de werkgroep heeft gewezen op de gronden met de aanduiding "overige zone landgoed", overweegt de Afdeling dat deze gronden op zo’n 125 m afstand liggen van de gronden met de bestemming "Woongebied - Uit te werken". De Afdeling ziet niet in op welke wijze voor de gronden met de aanduiding "overige zone - landgoed" negatieve gevolgen ontstaan door de voor de gronden met de bestemming "Woongebied - uit te werken" voorziene toegestane bouwhoogten. Bovendien borgt artikel 13.2.3 van de planregels dat bij de uitwerking rekening moet worden gehouden met de ter plaatse en rondom de bestemming aanwezige cultuurhistorische kwaliteiten. In dat kader zal bij de uitwerking ook rekening moeten worden gehouden met de aanwezige landgoederenzone. Het betoog slaagt niet. Aantasting woon- en leefklimaat 24. [appellant sub 8] voert aan dat het plan zijn woongenot aantast. In het bijzonder wijst [appellant sub 8] erop dat gronden recht achter zijn perceel de bestemming "Woongebied Uit te werken" hebben gekregen, maar dat in het plan voor deze gronden niet is geregeld waar de wegen, fiets- en voetpaden en de woningen mogen worden gerealiseerd.
[appellant sub 8] vreest dat zowel de wegen, fiets- en voetpaden als de woningen op grond van het plan ook pal tegen grens van zijn perceel aan kunnen worden gerealiseerd. De inkijk die in dat geval ontstaat in zijn tuin en woning is volgens [appellant sub 8] onaanvaardbaar. 24.1. De Afdeling stelt vast dat [appellant sub 8] er terecht op wijst dat het bouwvlak op de verbeelding van het bestemmingsplan doorloopt tot aan de grens van zijn perceel. Het plan staat er niet aan in de weg dat de woningen tegen de grens van het perceel van [appellant sub 8] aan worden gebouwd. Ook staat het plan er niet aan in de weg dat wegen, fiets- of voetpaden tegen de grens van het perceel van [appellant sub 8] aan worden gerealiseerd. De raad heeft niet onderzocht of gemotiveerd in hoeverre deze situatie ruimtelijk aanvaardbaar is. Naar het oordeel van de Afdeling is daarom onduidelijk of het plan in zoverre in overeenstemming met een goede ruimtelijke ordening is vastgesteld. Het besluit is in zoverre in strijd met artikel 3:2 en artikel 3:46 van de Awb. Het betoog slaagt. Verslechtering planologisch regime 25. [appellant sub 2] voert aan dat de planologische situatie voor hem in negatieve zin is gewijzigd ten opzichte van het vorige bestemmingsplan "Boerenburg".
Hoewel hij in zijn zienswijze heeft gevraagd deze wijzigingen terug te draaien naar de situatie zoals dat in het bestemmingsplan "Boerenburg" het geval was, heeft de raad daar geen gehoor aan gegeven. 25.1. De raad heeft in zijn beantwoording van de zienswijze van [appellant sub 2] toegelicht dat de plankaart en voorschriften van het bestemmingsplan "Boerenburg" als uitgangspunt zijn genomen, maar dat dit niet één op één kan worden overgenomen, omdat dit plan al meer dan 50 jaar oud is. De verbeelding en de regels zijn aangepast aan de eisen die vandaag de dag gelden voor een bestemmingsplan. Verder probeert de raad bij actualisaties van bestemmingsplannen in de gemeente zo veel als mogelijk voor uniformiteit te kiezen. Daarom is bijvoorbeeld de meetbepaling voor het meten van het bruto vloeroppervlak uit het oude plan vervangen door een uniforme meetbepaling voor het meten van het bruto vloeroppervlak. Op die manier wordt het bruto oppervlak bij de toepassing van de regels in de
27
verschillende bestemmingsplannen die gelden binnen de gemeente zo veel mogelijk op dezelfde manier berekend. Ook is in het plan zo veel als mogelijk rekening gehouden met de bestaande bouwrechten van de woonpercelen aan de Gooweg. Dat het bouwvlak op de verbeelding van het bestemmingsplan "Bronsgeest 2021" anders is dan op de plankaart van het bestemmingsplan "Boerenburg", komt omdat op de verbeelding de al geldende bouwregel dat een hoofdgebouw minimaal op 3 m afstand van de zijdelingse perceelsgrens moet worden gebouwd, is verwerkt. Daarnaast is dezelfde maximum goothoogte aangehouden als in het vorige plan. Wel is er, in afwijking van het vorige plan, nu ook een maximum bouwhoogte van 11 m opgenomen. Ook is er een maximum inhoud van 1.500 m³ per woning in het bestemmingsplan opgenomen. Dat is ook nieuw ten opzichte van het vorige plan. Deze maximum inhoud is bepaald aan de hand van een studie naar de al aanwezige bebouwing, de nu aanwezige bouwmogelijkheden en de bouwmogelijkheden op grond van het in voorbereiding zijnde bestemmingsplan. Deze studie heeft uitgewezen dat de inhoud van een woning binnen één woonkavel op maximaal 1.500 m³ kan worden gesteld. Voor de woning van [appellant sub 2] geldt volgens de raad dat een inhoudsmaat van 1.500 m³ meer dan voldoende is om de woning eventueel nog wat uit te breiden binnen de karakteristieke bebouwingstypologie.
Tot slot heeft de raad over archeologie toegelicht dat archeologische waarden in het bestemmingsplan moeten worden beschermd. De archeologische dubbelbestemmingen zijn afgestemd op de Archeologische waarden- en verwachtingenkaart gemeente Noordwijk uit 2020 en de bijbehorende Archeologische beleidsadvieskaart gemeente Noordwijk uit 2020. 25.2. De Afdeling ziet, gelet op deze uitgebreide toelichting van de raad, geen aanleiding voor het oordeel dat de raad ten onrechte de door [appellant sub 2] genoemde aanpassingen niet heeft doorgevoerd. Actualisering van een bestemmingsplan, zeker wanneer dit ruim 50 jaar oud is, brengt nu eenmaal veranderingen mee. Voor zover [appellant sub 2] op de zitting erop heeft gewezen dat hij er in het bijzonder op achteruitgaat doordat in het bestemmingsplan nu een maximum inhoud van 1.500 m³ voor woningen als die van hem is opgenomen, overweegt de Afdeling het volgende. Zoals blijkt uit de beantwoording door de raad van de zienswijze van [appellant sub 2], is deze bepaling nieuw ten opzichte van het hiervoor geldende bestemmingsplan "Boerenburg". Zoals onder 25.1 al beschreven, heeft de raad voor deze maximum inhoud gekozen door te kijken naar de aanwezige bebouwing, de bouwmogelijkheden uit het bestemmingsplan "Boerenburg" en de bouwmogelijkheden op grond van het bestemmingsplan "Bronsgeest 2021".
De Afdeling ziet onder deze omstandigheden geen aanleiding voor het oordeel dat de raad terzake niet een maximum inhoud van 1.500 m³ in het plan heeft kunnen opnemen. De Afdeling weegt daarbij mee dat [appellant sub 2] ondanks die toegelaten maximum inhoud van zijn woning, zijn woning nog wel kan uitbreiden. Het betoog slaagt niet. Bestemming "Groen" 26. [appellant sub 2] is het niet eens met de keuze van de raad om de bestemming "Groen" toe te kennen aan het strookje grond achter zijn perceel. [appellant sub 2] stelt dat uit navraag is gebleken dat de raad deze bestemming aan dit strookje grond heeft toegekend vanwege het recht van voetpad dat [appellant sub 2] daar heeft. Maar dat is volgens [appellant sub 2] geen logische en ook geen wenselijke oplossing. [appellant sub 2] wijst er verder op dat hij van de gemeente al enkele keren toestemming
28
heeft gekregen om via de achterzijde van zijn perceel toegang te krijgen. Op die manier kan hij tuinonderhoud verrichten. Hij vreest dat dat op grond van dit bestemmingsplan niet langer mogelijk zal zijn. Hij ziet dit graag in combinatie met het recht van voetpad in het plan gefaciliteerd. 26.1. De raad heeft toegelicht dat hij de bestemming "Natuur" uit het ontwerpplan naar aanleiding van de zienswijze van [appellant sub 2] heeft aangepast naar de bestemming "Groen". In het ontwerpplan liep namelijk de bestemming "Natuur" door tot de perceelsgrenzen van de percelen aan de Gooweg en was geen rekening gehouden met mogelijke erfdienstbaarheden. Om het recht van overpad van [appellant sub 2] niet te beperken, is de bestemming "Natuur" voor deze strook vervangen door de bestemming "Groen". Binnen de bestemming "Groen" zijn voetpaden toegestaan. 26.2. De Afdeling stelt vast dat in artikel 5.1 van de planregels is geregeld dat de voor "Groen" aangewezen grond zijn bestemd voor groenvoorzieningen, water en voetpaden. De Afdeling ziet niet in waarom de raad met deze bestemming geen recht zou hebben gedaan aan het recht van voetpad dat [appellant sub 2] stelt te hebben. De Afdeling ziet verder geen aanleiding voor het oordeel dat de raad ten onrechte niet in het plan heeft geregeld dat [appellant sub 2] voor tuinonderhoud de achterzijde van zijn perceel met de auto kan bereiken.
Dat [appellant sub 2] incidenteel met de auto naar de achterzijde van zijn perceel rijdt, is geen onderdeel van zijn recht op voetpad en was ook geen recht dat [appellant sub 2] op grond van het vorige plan had. Het betoog slaagt niet. Onduidelijkheid invulling 27. [appellant sub 2] voert aan dat de raad ten onrechte geen duidelijkheid heeft geboden, bijvoorbeeld aan de hand van een stedenbouwkundig plan, over de invulling van de gronden met de bestemming "Woongebied - Uit te werken" en de bestemming "Groen". 27.1. De raad heeft toegelicht dat op het moment van het vaststellen van het bestemmingsplan het stedenbouwkundig concept voor het woongebied nog niet was uitgekristalliseerd. Omdat de raad wel al een planologisch kader wilde scheppen voor het transformeren van een deel van het plangebied naar wonen, is het bestemmingsplan wel al vastgesteld. De raad heeft er daarbij voor gekozen een globale, met in achtneming van de wel in het plan opgenomen uitwerkingsregels nog uit te werken bestemming toe te kennen aan het beoogde woongebied. De verdere invulling van deze bestemming geschiedt aan de hand van het vast te stellen uitwerkingsplan. Een stedenbouwkundig plan zal als onderlegger dienen voor dat uitwerkingsplan. In het uitwerkingsplan wordt de opzet van het nieuwe woongebied met de bijbehorende bouwvolumes meer in detail vastgelegd.
Op dat moment wordt ook pas duidelijk hoe de direct aangrenzende gronden nabij het perceel van de appellant precies zullen worden ingevuld. Om dit proces te borgen, is in artikel 13.3.1 van de regels van het bestemmingsplan een bouwverbod opgenomen zolang voor de grond geen uitwerkingsplan in procedure is gebracht. In de uitwerkingsregel, als opgenomen in artikel 13.2.2, onder f, van de planregels is verder ook al geregeld dat de woningen achter het perceel van [appellant sub 2] grondgebonden moeten zijn. Ook is geregeld dat de goothoogte van die woningen maximaal 7 m mag bedragen en de bouwhoogte maximaal 11 m. 27.2. De Afdeling stelt vast dat de bestemming "Woongebied - Uit te werken" een globale bestemming betreft. Het behoort tot de beleidsruimte van de raad om de mate van gedetailleerdheid van een plan te bepalen. In een bestemmingsplan kunnen globale bestemmingen worden opgenomen die met inachtneming van de daartoe in het plan
29
opgenomen uitwerkingsregels nog moeten worden uitgewerkt. Of een dergelijke bestemmingsregeling uit een oogpunt van rechtszekerheid aanvaardbaar is, moet per geval op basis van de feiten en omstandigheden die zich voordoen worden beoordeeld. De Afdeling ziet geen grond voor het oordeel dat de globale bestemming die de raad in het plan heeft opgenomen vanwege het ontbreken van een stedenbouwkundig plan strijd oplevert met de rechtszekerheid. De Afdeling acht hierbij van belang dat in het plan uitwerkingsregels zijn opgenomen en in artikel 13.3.1 van de planregels is bepaald dat alleen mag worden gebouwd in overeenstemming met een in werking getreden uitwerkingsplan, een vastgesteld uitwerkingsplan of een ontwerp van een uitwerkingsplan. Tegen de tijd dat wordt gebouwd, zal de verdere inrichting van het gebied daarom duidelijker zijn. Dat deze inrichting nu nog niet is uitgewerkt, past bij de keuze van de raad om een globale bestemming met uitwerkingsplicht in het plan op te nemen. Het betoog slaagt niet. UITVOERBAARHEID Planschade 28. [appellant sub 2] voert aan dat de raad ten onrechte geen onderzoek naar planschade heeft verricht, terwijl de wijzigingen die de raad ten opzichte van het vorige plan "Boerenburg" heeft aangebracht, de zes woningen aan de Gooweg in een nadeliger positie hebben gebracht.
Op de zitting heeft [appellant sub 2] toegelicht dat zijn eigen woning in waarde daalt, omdat in het bestreden plan een maximum bouwvolume van 1.500 m³ is opgenomen. 28.1. Wat de eventueel nadelige invloed van het plan op de waarde van de woning van [appellant sub 2] betreft, bestaat geen aanleiding voor de verwachting dat die waardevermindering zo groot zal zijn dat de raad bij de afweging van de belangen hieraan een groter gewicht had moeten toekennen dan hij heeft gedaan. Voor eventuele tegemoetkoming in planschade voor [appellant sub 2], bestaat een aparte procedure met eigen rechtsmiddelen. Het betoog slaagt niet. Soortenbescherming 29. De werkgroep voert aan dat diverse beschermde plant- en diersoorten in het gebied leven, waar de raad onvoldoende onderzoek naar heeft gedaan. Ook [appellant sub 4] wijst erop dat het plangebied interessant is voor een aantal soorten, waaronder de patrijs. Er is weliswaar een quick scan opgesteld waarbij ook een bezoek is gebracht aan het plangebied, maar dat was op 25 maart 2020. In maart zijn de meeste beschermde vogelsoorten nog niet teruggekeerd naar Nederland of zijn zij nog niet aan het broeden. Dit onderzoek voldoet daarom niet. 29.1.
De vragen of voor de uitvoering van het bestemmingsplan een vrijstelling of een ontheffing op grond van het soortenbeschermingsregime in de Wnb nodig is en zo ja, of deze ontheffing kan worden verleend, komen in beginsel pas aan de orde in een procedure op grond van de Wnb. Maar de raad mag het plan niet vaststellen indien en voor zover hij op voorhand redelijkerwijs had moeten inzien dat het soortenbeschermingsregime in de Wnb aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat. In paragraaf 4.8.2 van de plantoelichting is geconcludeerd dat de voorgenomen herontwikkeling van een deel van het plangebied tot woongebied niet tot een overtreding van de verbodsbepalingen uit de Wnb leidt, waardoor geen ontheffing op grond van de Wnb
30
nodig is en de Wnb niet aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat. De raad heeft dit geconcludeerd aan de hand van een quick scan, die als bijlage 9 bij de plantoelichting is gevoegd en een aanvullend onderzoek, dat als bijlage 10 bij de plantoelichting is gevoegd. Beide onderzoeken zijn uitgevoerd door Els & Linde B.V. In de plantoelichting staat hierover verder dat uit de quick scan is gebleken dat beschermde vegetatie en planten niet aanwezig zijn. Over zoogdieren staat in de plantoelichting dat het mogelijk is dat vleermuizen boven het plangebied foerageren en dat de marter in het gebied aanwezig is. Naar aanleiding van deze uitkomst is door Els & Linde B.V. een aanvullend onderzoek verricht. Daaruit is gebleken dat de marter niet aanwezig is en dat er geen vliegroute van vleermuizen is. Verder zijn in het plangebied geen nesten van jaarrond beschermde vogels aangetroffen. Voor zover [appellant sub 4] heeft gewezen op de aanwezigheid van de patrijs, stelt de Afdeling vast dat in de plantoelichting ook staat dat de patrijs aanwezig kan zijn in het plangebied. Maar de nesten van de patrijs zijn niet jaarrond beschermd. Door de werkzaamheden in het plangebied niet tijdens het broedseizoen te starten, wordt voorkomen dat een verbodsbepaling uit de Wnb wordt overtreden en een ontheffing nodig is.
Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad zich aan de hand van bovenstaande onderzoeken redelijkerwijs op het standpunt kunnen stellen dat het soortenbeschermingsregime in de Wnb op voorhand niet aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat. Het betoog slaagt niet. Bodemsanering 30. [appellant sub 7] voert aan dat het onduidelijk is in hoeverre de raad heeft meegewogen dat de grond in het plangebied verontreinigd is, terwijl er andere, niet of minder verontreinigde locaties in de regio beschikbaar zijn. 30.1. De aanwezigheid van verontreinigingen in de bodem, de noodzaak van sanering van verontreinigde plaatsen en de wijze waarop deze saneringen moeten worden uitgevoerd, zijn geregeld in afzonderlijke wetgeving met eigen procedures. Die procedures staan nu niet ter beoordeling. Maar de raad mag het plan niet vaststellen, als de raad op voorhand redelijkerwijs had moeten inzien dat de aanwezige bodemverontreiniging aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat. In paragraaf 4.6 van de plantoelichting staat hierover dat door IDDS in 2018 een milieuhygiënisch vooronderzoek en verkennend bodemonderzoek zijn uitgevoerd. Dit onderzoek is als bijlage bij de plantoelichting gevoegd. In 2009 was door hetzelfde bureau al een milieukundig bodemonderzoek uitgevoerd en in 2016 is een actualiserend historisch bodemonderzoek uitgevoerd.
In het onderzoek uit 2018 is geconcludeerd dat de bodem ten hoogste licht verontreinigd is. De milieuhygiënische bodemkwaliteit is, zoals eerder ook is gesteld in het in 2016 uitgevoerde actualiserend historisch onderzoek, in de periode na het in 2009 uitgevoerde milieukundige bodemonderzoek niet verslechterd. De licht verhoogd gemeten gehaltes geven geen aanleiding tot het uitvoeren van een nader bodemonderzoek of tot het nemen van sanerende maatregelen en vormen geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling. Naar het oordeel van de Afdeling heeft raad zich gelet op het bovenstaande redelijkerwijs op het standpunt kunnen stellen dat de aanwezige bodemverontreiniging redelijkerwijs op voorhand niet aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat. Omdat het plan op dit punt op voorhand uitvoerbaar lijkt, ziet de Afdeling geen aanleiding [appellant sub 7] te volgen in het standpunt dat de raad vanwege de licht verontreinigde bodem had moeten overwegen
31
de ontwikkeling op een andere locatie mogelijk te maken. Het betoog slaagt niet. Evidente privaatrechtelijke belemmeringen - Erfdienstbaarheden 31. [appellant sub 8] voert aan dat er enkele privaatrechtelijke belemmeringen zijn waar de raad bij de vaststelling van het plan geen aandacht aan heeft besteed. Deze belemmeringen staan in de weg aan de uitvoerbaarheid van het plan. Ten eerste wijst [appellant sub 8] erop dat er ten gunste van hem een erfdienstbaarheid is gevestigd op een deel van de gronden waaraan ingevolge het bestemmingsplan de bestemming "Woongebied - Uit te werken" is toegekend. Volgens [appellant sub 8] is op geen enkele manier verzekerd dat deze gronden in gebruik kunnen worden genomen vanwege de daarop ten gunste van hem gevestigde rechten. [appellant sub 8] heeft verder bij nadere schriftelijke memorie van 9 februari 2024 gewezen op een raadsvoorstel van 21 mei 1996, een erfdienstbaarhedenonderzoek van 7 maart 1996, een notariële akte uit 1922 en een leveringsakte van 1 juli 1996. Hieruit blijkt volgens hem dat er een bouwverbod van kracht is op een strook met een breedte van 100 m aan de Gooweg, en met eenzelfde diepte als het niet meer bestaande perceel M 782. Deze strook overlapt volgens [appellant sub 8] met de gronden waaraan ingevolge het bestemmingsplan de bestemming "Woongebied - Uit te werken" is toegekend. 31.1.
De raad stelt zich ten eerste op het standpunt dat de vraag of er sprake is van privaatrechtelijke belemmeringen nog niet aan de orde kan worden gesteld, omdat sprake is van een bestemmingsplan, met daarin opgenomen een uit te werken bestemming "Woongebied - Uit te werken". Bij de vaststelling van het plan was het stedenbouwkundige programma nog niet helemaal uitgekristalliseerd. De uit te werken bestemming wordt nader uitgewerkt in een uitwerkingsplan, en tot die tijd geldt gelet op het bepaalde in artikel 13.3.1 van de planregels een bouwverbod. De vraag of sprake is van een privaatrechtelijke belemmering moet volgens de raad in de procedure over het uitwerkingsplan aan de orde worden gesteld. Wat de door [appellant sub 8] genoemde erfdienstbaarheden betreft, wijst de raad erop dat hem alleen is gebleken van een recht van voetpad over het perceel van [appellant sub 8], aan de achterzijde van het perceel Gooweg 20. Deze erfdienstbaarheid heeft in het bestemmingsplan vorm gekregen door aansluitend aan de achterzijde van de woonpercelen aan de Gooweg een strook van 2 m te bestemmen als "Groen". Hiermee is volgens de raad de erfdienstbaarheid afdoende planologisch geborgd. 31.2.
Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen, bestaat voor het oordeel van de bestuursrechter dat een privaatrechtelijke belemmering aan de vaststelling van een bestemmingsplan in de weg staat, alleen aanleiding wanneer deze een evident karakter heeft. De burgerlijke rechter is namelijk de eerst aangewezene om de vraag te beantwoorden of een privaatrechtelijke belemmering in de weg staat aan de uitvoering van een activiteit, waarbij de bewijslast wordt beheerst door de in die procedure geldende regels. De Afdeling verwijst naar haar uitspraak van 30 januari 2013, ECLI:NL:RVS:2013:BY9957. Een privaatrechtelijke belemmering is pas evident als zonder nader onderzoek kan worden vastgesteld dat voor het bouwen van een bouwwerk de toestemming van een ander is vereist en die ander die toestemming niet geeft en niet heeft te geven. Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 4 november 2020 ECLI:NL:RVS:2020:2599, onder 7.1.
32
31.3. Zoals de Afdeling heeft overwogen in de uitspraak van 3 oktober 2018, ECLI:NL:RVS:2018:3227, r.o. 22.2, is de aanwezigheid van een zakelijk recht, zoals een erfdienstbaarheid, in beginsel niet doorslaggevend voor de uitvoerbaarheid van een plan. Dit is alleen anders, als op voorhand in redelijkheid moet worden aangenomen dat een evidente belemmering aan de verwezenlijking van het plan in de weg staat en ook vaststaat dat niet binnen die planperiode tot opheffing van het zakelijk recht kan worden overgegaan. Naar het oordeel van de Afdeling staan in dit geval de genoemde erfdienstbaarheden niet in de weg aan de uitvoerbaarheid van het plan. De raad heeft toegelicht dat ten behoeve van het recht van voetpad dat is gevestigd ten gunste van [appellant sub 8] achter zijn perceel Gooweg 20, in het bestemmingsplan de bestemming "Groen" is toegekend aan een strook van 2 m. Binnen deze bestemming zijn ook voetpaden mogelijk, zodat naar het oordeel van de Afdeling voldoende rekening is gehouden met deze erfdienstbaarheid. Wat de door [appellant sub 8] genoemde bouwverboden betreft, overweegt de Afdeling dat de raad op de zitting heeft aangegeven dat nog aanvullend onderzoek wordt gedaan naar het bestaan van dergelijke erfdienstbaarheden.
Dat onderzoek vindt plaats in het kader van de procedure tot vaststelling van het uitwerkingsplan, wanneer meer duidelijk bestaat over de precieze invulling van het plan. Op voorhand ziet de Afdeling echter geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de door [appellant sub 8] gestelde privaatrechtelijke bouwverboden in de weg zullen staan aan de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan. Daarbij betrekt de Afdeling ook dat het mogelijk is om de locatie van de erfdienstbaarheden in onderling overleg te verplaatsen of de erfdienstbaarheden op grond van artikel 5:78 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: het BW) in een gerechtelijke procedure te wijzigen of op te heffen. Het betoog slaagt niet. - Burenrecht 31.4. [appellant sub 8] voert aan dat het plan voorziet in de mogelijkheid dat binnen 2 m van de erfgrens van zijn perceel ramen en deuren kunnen komen, zodat in strijd wordt gehandeld met artikel 5:50 van het BW. 31.5.
Voor zover [appellant sub 8] zich beroept op een schending van het burenrecht, zoals dat is neergelegd in artikel 5:50, eerste lid, van het BW, overweegt de Afdeling dat voor het oordeel dat het burenrecht aan de vaststelling van een bestemmingsplan in de weg staat, alleen aanleiding bestaat, als op voorhand duidelijk is dat regels van het burenrecht aan de verwezenlijking van in het plan geschapen bouwmogelijkheden in de weg staan (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 16 januari 2013, ECLI:NL:RVS:2013:BY8537). Bij de beoordeling van een uitwerkingsplan staat voorop dat aan een uitwerkingsplicht in een bestemmingsplan gevolg moet worden gegeven en dat daarbij de uitwerkingsregels in acht moeten worden genomen. Voor zover de uitwerkingsregels ruimte laten om binnen de daarin bepaalde grenzen de inrichting van het gebied in het uitwerkingsplan nader te bepalen, moet worden bezien of de gekozen inrichting van het uitwerkingsplan in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 24 oktober 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BY1057). 31.6. Ingevolge het bestemmingsplan is aan de gronden nabij het perceel Gooweg 20 de bestemming "Woongebied - Uit te werken" toegekend. Deze bestemming moet worden uitgewerkt met inachtneming van het bepaalde in artikel 13.2.1 van de planregels.
Gelet hierop is niet uitgesloten dat op korte afstand van het perceel van [appellant sub 8], in strijd met de regels van het burenrecht, woningen worden gerealiseerd met ramen of deuren in de gevel van de woningen op minder dan 2 m van de aangrenzende percelen. Maar omdat het
33
bestemmingsplan veel ruimte laat om de bestemming uit te werken, is nog niet precies duidelijk waar de woningen zullen komen. Denkbaar is dat een inrichting mogelijk is waarbij de woningen op zo’n manier worden gesitueerd dat kan worden voldaan aan het bepaalde in artikel 5:50, eerste lid, van het BW. In zoverre heeft de raad redelijkerwijs dan ook geen aanleiding voor de conclusie hoeven zien dat sprake is van een belemmering waarvan op voorhand moet worden aangenomen dat die aan de verwezenlijking van het plan in de weg staat. Het betoog slaagt niet. Didamarrest 32. [appellant sub 8] voert aan dat bij de verkoop van gronden in het plangebied is gehandeld in strijd met het zorgvuldigheids- en het gelijkheidsbeginsel, die overheidslichamen op grond van artikel 3:14 van het BW in acht moeten nemen bij het aangaan en uitvoeren van privaatrechtelijke overeenkomsten. [appellant sub 8] wijst in dit verband op het arrest van 26 november 2021 van de Hoge Raad, ECLI:NL:HR:2021:1778 (Didam). [appellant sub 8] stelt dat ten onrechte niet iedereen in de gelegenheid is gesteld om deel te nemen aan het project. Hierbij wijst hij erop dat gronden in het plangebied zijn verkocht aan een derde die bekendheid had met de voornemens van de gemeente om in Bronsgeest woningbouw mogelijk te maken. 32.1.
De raad stelt zich op het standpunt dat de gronden die bij de gemeente in eigendom zijn in de toekomst worden terug verkocht aan BPD Ontwikkeling B.V. Dit volgt uit twee overeenkomsten, waaronder een bouwclaimovereenkomst, die met het Bouwfonds, nu BPD Ontwikkeling B.V., zijn gesloten. De gemeente is ook voornemens zich aan deze overeenkomsten te houden. In dat kader zal de gemeente de voorgenomen verkoop in de toekomst publiceren conform de vereisten van het Didamarrest. Daarbij zal worden gemotiveerd dat ten behoeve van de verkoop, gezien de bouwclaimovereenkomst met BPD Ontwikkeling B.V., slechts sprake is van één serieuze gegadigde. Volgens de raad staan de eisen die het Didam-arrest stelt aan nog noodzakelijke grondtransacties niet aan de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan in de weg. 32.2. In het Didamarrest heeft de Hoge Raad overwogen dat uit het gelijkheidsbeginsel voortvloeit dat "[E]en overheidslichaam dat het voornemen heeft een aan hem toebehorende onroerende zaak te verkopen, ruimte moet bieden aan (potentiële) gegadigden om mee te dingen naar deze onroerende zaak indien er meerdere gegadigden zijn voor de aankoop van de desbetreffende onroerende zaak of redelijkerwijs te verwachten is dat er meerdere gegadigden zullen zijn.
In dat geval zal het overheidslichaam met inachtneming van de hem toekomende beleidsruimte criteria moeten opstellen aan de hand waarvan de koper wordt geselecteerd. Deze criteria moeten objectief, toetsbaar en redelijk zijn. Het gelijkheidsbeginsel brengt ook mee dat het overheidslichaam, teneinde gelijke kansen te realiseren, een passende mate van openbaarheid moet verzekeren met betrekking tot de beschikbaarheid van de onroerende zaak, de selectieprocedure, het tijdschema en de toe te passen selectiecriteria. Het overheidslichaam moet hierover tijdig voorafgaand aan de selectieprocedure duidelijkheid scheppen door informatie over deze aspecten bekend te maken op zodanige wijze dat (potentiële) gegadigden daarvan kennis kunnen nemen." 32.3. Daargelaten of uit wat [appellant sub 8] heeft aangevoerd zonder meer kan worden geconcludeerd dat niet aan de onder 32.2 vermelde vereisten uit het arrest van de Hoge Raad is of kan worden voldaan, betekenen de eventuele gevolgen van dit arrest voor de overeenkomsten tussen de gemeente Noordwijk en BPD Ontwikkeling B.V. - die in deze
34
procedure bij de bestuursrechter niet ter beoordeling staan - niet dat de raad zich niet redelijkerwijs op het standpunt heeft mogen stellen dat het plan op voorhand financieel uitvoerbaar is. Een bestemmingsplan regelt namelijk niet door wie de daarin voorziene ontwikkeling moet worden uitgevoerd. [appellant sub 8] heeft niet aannemelijk gemaakt dat de raad redelijkerwijs op voorhand had moeten inzien dat het bestemmingsplan niet kan worden uitgevoerd zonder dat de daarvoor benodigde gronden in strijd met het gelijkheidsbeginsel, zoals nader is uitgewerkt in voormeld arrest van de Hoge Raad van 26 november 2021, aan BPD Ontwikkeling B.V. worden verkocht (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 20 april 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1157). Het betoog slaagt niet. CONCLUSIE 33. De beroepen van de werkgroep, [appellant sub 4], [appellant sub 5] en de stichting zijn ongegrond. 34. Dit betekent dat voor de werkgroep, [appellant sub 4], [appellant sub 5] en de stichting deze uitspraak een einduitspraak is. 35. De raad hoeft geen proceskosten van de werkgroep, [appellant sub 4], [appellant sub 5] en de stichting te vergoeden. 36. De beroepen van het college, [appellant sub 2], [appellant sub 8] en [appellant sub 7] hebben gebreken in het besluit van 22 februari 2022 aan het licht gebracht. 37.
Met het oog op een spoedige beslechting van het geschil zal de Afdeling de raad opdragen om deze gebreken binnen 18 weken na de verzending van deze uitspraak te herstellen. De raad kan dat doen door: a. met inachtneming van wat is overwogen onder 12.4 zo’n bestemming toe te kennen aan de gronden ter plaatse van het perceel, kadastraal bekend, gemeente Noordwijk, sectie M, nr. 844, waaraan ingevolge het voorliggende plan de bestemming "Verkeer" is toegekend, dat het bepaalde in artikel 6.24, eerste lid, van de Omgevingsverordening in acht wordt genomen; b. met inachtneming van wat is overwogen onder 13.3 en 13.5 zo’n aanlegvergunningenstelsel in het bestemmingsplan op te nemen dat ter plaatse van de gronden die in het bestemmingsplan de bestemmingen "Sport" en "Bos" hebben gekregen en die onderdeel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland, het bepaalde in artikel 6.24, eerste lid, van de Omgevingsverordening in acht wordt genomen; c. met inachtneming van wat is overwogen onder 21.3 te onderzoeken in hoeverre de toename van de verkeersgeneratie op de Van Berckelweg vanwege het plan tot een toename van de geluidbelasting op de gevel van de woning van [appellant sub 7] aan Biezenland 93 te Noordwijk leidt, en te motiveren of een eventuele toename van de geluidbelasting op de gevel van die woning in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening; d.
met inachtneming van wat is overwogen onder 24.1 te onderzoeken en te motiveren in hoeverre het mogelijk maken van bebouwing, wegen, fiets- en voetpaden tegen de grens van het perceel van [appellant sub 8] aan in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. 38. Afdeling 3.4 van de Awb hoeft bij de voorbereiding van een gewijzigd of nieuw besluit
35
niet opnieuw te worden toegepast. De raad moet de Afdeling, het college, [appellant sub 2], [appellant sub 8] en [appellant sub 7] de uitkomst meedelen en het gewijzigde of nieuwe besluit op de wettelijk voorgeschreven wijze bekendmaken en meedelen. 39. In de einduitspraak zal worden beslist over de vergoeding van de proceskosten en het griffierecht van het college, [appellant sub 2], [appellant sub 8] en [appellant sub 7]. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: I. verklaart de beroepen van de Werkgroep Behoud van Bronsgeest, [appellant 4], [appellant sub 5] en de Stichting Platform Initiatief Noordwijk ongegrond; II. draagt de raad van de gemeente Noordwijk op om: - binnen 18 weken na de verzending van deze uitspraak, met inachtneming van wat onder 37 is overwogen, de gebreken in het besluit van 22 februari 2022 te herstellen; - de Afdeling, het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland, [appellanten sub 2], [appellant sub 8] en [appellanten sub 7] de uitkomst mee te delen en het gewijzigde of nieuwe besluit op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken en mee te delen. Aldus vastgesteld door mr. J. Hoekstra, voorzitter, en mr. J. Gundelach en mr. J.F. de Groot, leden, in tegenwoordigheid van mr. W. Sommer, griffier. w.g. Hoekstra voorzitter w.g. Sommer griffier Uitgesproken in het openbaar op 25 september 2024 901-952