D. Tussen uitspraak Raad van State 20224461 1 R3
Tekst van het document
ECLI
ECLI:NL:RVS:2024:3874
Datum uitspraak
25 september 2024
Inhoudsindicatie
Bij besluit van 22 februari 2022 heeft de raad van de gemeente Noordwijk het bestemmingsplan "Bronsgeest 2021" vastgesteld. Het plangebied bestaat op dit moment grotendeels uit bollenvelden. Het bestemmingsplan maakt het mogelijk om een deel van deze gronden te transformeren tot een woonwijk met maximaal 350 woningen. Verder loopt er een aantal bestaande wegen door het plangebied, staat in het plangebied al een aantal woningen en is er een tenniscomplex met een schaatsbaan. Ook valt een deel van een landgoed binnen het plangebied. Deze bestaande functies zijn als zodanig in het plan bestemd. Tot slot is aan een gedeelte van de gronden dat voor de bollenteelt in gebruik blijft, de bestemming "Agrarisch - Bollenteelt" toegekend. [appellant sub 7] voert aan dat er binnen de gemeente geen maatschappelijk draagvlak is om de gronden binnen Bronsgeest te bebouwen. Het bedrijfsleven, de maatschappelijke organisaties en de meerderheid van de inwoners van de gemeente is tegen het bebouwen van Bronsgeest.
Volledige tekst 202204461/1/R3. Datum uitspraak: 25 september 2024 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak, onderscheidenlijk tussenuitspraak met toepassing van artikel 8:51d van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) in het geding tussen: 1. het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland, 2. [appellanten sub 2], wonend te Noordwijk (hierna samen en in enkelvoud: [appellant sub
1
2]), 3. Werkgroep Behoud van Bronsgeest, gevestigd te Noordwijk, (hierna: de werkgroep), 4. [appellante sub 4], gevestigd te Noordwijkerhout, gemeente Noordwijk (hierna: [appellant sub 4]), 5. [appellant sub 5], gevestigd te Noordwijkerhout, gemeente Noordwijk, 6. Stichting Platform Initiatief Noordwijk, gevestigd te Noordwijk (hierna: de stichting), 7. [appellanten sub 7], wonend te Noordwijk (hierna samen en in enkelvoud: [appellant sub 7]), 8. [appellant sub 8], wonend te Noordwijk, appellanten, en de raad van de gemeente Noordwijk, verweerder. PROCESVERLOOP Bij besluit van 22 februari 2022 heeft de raad het bestemmingsplan "Bronsgeest 2021" vastgesteld. Tegen dit besluit hebben het college, [appellant sub 2], de werkgroep, [appellant sub 4], [appellant sub 5], de stichting, [appellant sub 7], en [appellant sub 8] beroep ingesteld. De raad heeft een verweerschrift ingediend. BPD Ontwikkeling B.V. heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven. De raad, [appellant sub 7] en [appellant sub 8] hebben nadere stukken ingediend. De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 22 februari 2024, waar het college, vertegenwoordigd door mr. J.P.J. Kreeft, [appellant sub 2], de werkgroep, vertegenwoordigd door [gemachtigde], de stichting, vertegenwoordigd door [gemachtigde], [appellant sub 7], bijgestaan door mr. S.A.N.
Geerling, rechtsbijstandsverlener te Leusden, [appellant sub 8], vertegenwoordigd door mr. D.G. Lasschuit, advocaat te Leiden, en de raad, vertegenwoordigd door M.J.M. van Schie, bijgestaan door mr. C.H. Norde, advocaat te Leiden, zijn verschenen. Daarnaast heeft mr. R.A.J. de Jong namens de raad via een videoverbinding deelgenomen aan de zitting. Ook is op de zitting BPD Ontwikkeling B.V., vertegenwoordigd door [gemachtigde], bijgestaan door mr. J.S. Haakmeester, advocaat te Baarn, als partij gehoord. OVERWEGINGEN OVERGANGSRECHT INWERKINGTREDING OMGEVINGSWET 1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Op grond van artikel 4.6, derde lid, van de Invoeringswet Omgevingswet blijft op een beroep tegen een besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan waarvan het ontwerp vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet ter inzage is gelegd het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het bestemmingsplan
2
onherroepelijk is. Het ontwerpplan is op 30 juni 2021 ter inzage gelegd. Dat betekent dat op deze beroepsprocedure het recht, waaronder de Wet ruimtelijke ordening (hierna: de Wro) en de Crisis- en herstelwet (hierna: de Chw), zoals dat gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft. INLEIDING 2. Het plangebied bestaat op dit moment grotendeels uit bollenvelden. Het bestemmingsplan maakt het mogelijk om een deel van deze gronden te transformeren tot een woonwijk met maximaal 350 woningen. Op de verbeelding van het bestemmingsplan hebben deze gronden de bestemming "Woongebied - Uit te werken" gekregen. De transformatie is niet meteen mogelijk. Op grond van artikel 13.3.1 van de planregels geldt voor deze gronden een bouwverbod totdat een uitwerkingsplan in werking is ingetreden, een uitwerkingsplan is vastgesteld of er een ontwerp van een uitwerkingsplan ligt. Verder loopt er een aantal bestaande wegen door het plangebied, staat in het plangebied al een aantal woningen en is er een tenniscomplex met een schaatsbaan. Ook valt een deel van een landgoed binnen het plangebied. Deze bestaande functies zijn als zodanig in het plan bestemd. Tot slot is aan een gedeelte van de gronden dat voor de bollenteelt in gebruik blijft, de bestemming "Agrarisch - Bollenteelt" toegekend. INTREKKING 3. Op de zitting heeft de stichting haar beroepsgrond over de toepassing van de Chw ingetrokken.
[appellant sub 2] heeft zijn beroepsgrond over de inspraakmogelijkheden voor het stedenbouwkundig plan op de zitting ingetrokken. INHOUDSOPGAVE Hieronder staat hoe deze uitspraak verder is opgebouwd. De getallen tussen haakjes verwijzen naar het nummer van de overweging waar het desbetreffende onderwerp begint. Het wettelijk kader is, voor zover dit niet in de overwegingen is weergegeven of samengevat, te vinden in de bijlage die deel uitmaakt van deze uitspraak. - Ontvankelijkheid (de werkgroep) (4) - Verbod op vooringenomenheid (6) - Participatie (7) - Maatschappelijk draagvlak (8) - Locatiekeuze/alternatieven (9) - Provinciale Verordening (10) - Ladder voor duurzame verstedelijking (14) - De bollengronden (15) - Verkeer (19) - Geluid (21) - Gebiedsbescherming (22)
3
- Woon- en leefklimaat (overig) (23) - Uitvoerbaarheid; - Planschade (28) - Soortenbescherming (29) - Bodemsanering (30) - Evident privaatrechtelijke belemmering (31) - Didam-arrest (32) ONTVANKELIJKHEID Het beroep van de werkgroep 4. De raad stelt zich op het standpunt dat het beroep van de werkgroep niet-ontvankelijk is, omdat de werkgroep niet als belanghebbende in de zin van artikel 1:2 van de Awb kan worden aangemerkt. 4.1. Bij uitspraak van 4 mei 2021, ECLI:NL:RVS:2021:953, onder 4.3 tot en met 4.8, heeft de Afdeling - tegen de achtergrond van het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 14 januari 2021, Stichting Varkens in Nood, ECLI:EU:C:2021:7 - overwogen dat aan degene die bij een besluit geen belanghebbende is, maar die wel een zienswijze naar voren heeft gebracht tegen het ontwerpbesluit op basis van de in het nationale omgevingsrecht gegeven mogelijkheid daartoe, in beroep niet zal worden tegengeworpen dat hij geen belanghebbende is. 4.2. De Afdeling stelt vast dat in artikel 3.8, eerste lid, aanhef en onder d, van de Wro aan een ieder de mogelijkheid is geboden om over het ontwerpbestemmingsplan zienswijzen bij de raad naar voren te brengen. De werkgroep heeft een zienswijze naar voren gebracht over het ontwerpbestemmingsplan.
Gelet op wat onder 4.1 is overwogen, ziet de Afdeling aanleiding om het beroep van de werkgroep alleen al daarom ontvankelijk te achten. De Afdeling laat in het midden of de werkgroep als belanghebbende is aan te merken. INHOUDELIJKE BEROEPSGRONDEN TOETSINGSKADER 5. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet de raad bestemmingen aanwijzen en regels geven die de raad uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De raad heeft daarbij beleidsruimte en moet de betrokken belangen afwegen. De Afdeling oordeelt niet zelf of het plan in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. De Afdeling beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan in overeenstemming is met het recht. Daarbij kan aan de orde komen of de nadelige gevolgen van het plan onevenredig zijn in verhouding tot de met het plan te dienen doelen. VERBOD OP VOORINGENOMENHEID 6. De werkgroep, de stichting en [appellant sub 7] voeren aan dat het bestemmingsplan tot stand is gekomen in strijd met artikel 2:4 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb). Zij wijzen in dit verband op de provinciale besluitvorming met betrekking tot het aanwijzen van een nieuwe woningbouwlocatie aan de Achterweg. Deze besluitvorming is
4
volgens hen (nadelig) beïnvloed, omdat een voormalig wethouder zou hebben geïntervenieerd bij de vergadering van de Statencommissie voor Ruimte, Wonen en Economie van 9 september 2020. 6.1. De Afdeling heeft aan de hand van de stukken en het verhandelde op de zitting vastgesteld dat op de vergadering van de Statencommissie Ruimte, Wonen en Economie van 9 september 2020, bij de provincie is gesproken over woningbouwlocaties in de gemeente Noordwijk die buiten bestaand stads- en dorpsgebied (BSD) liggen, als bedoeld in artikel 6.10, eerste lid, aanhef onder b, van de Omgevingsverordening Zuid-Holland (hierna: de Omgevingsverordening). In het verslag van die vergadering staat onder meer dat het hierbij ging om de vraag of in aanvulling op de in de Omgevingsverordening aangewezen grootschalige woningbouwlocaties, de locatie Achterweggebied kan worden aangewezen voor (grootschalige) woningbouw. In het overleg is geconcludeerd dat niet wordt ingestemd met het verzoek van de gemeente Noordwijk om de locatie Achterweg in de Omgevingsverordening op te nemen als buitenstedelijke grootschalige woningbouwlocatie.
In wat de werkgroep, de stichting en [appellant sub 7] aanvoeren ziet de Afdeling geen aanknopingspunten voor de conclusie dat het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan, dat betrekking heeft op de locatie Bronsgeest wegens strijd met artikel 2:4, tweede lid, van de Awb voor vernietiging in aanmerking komt. Eventuele onregelmatigheden die zich zouden hebben voorgedaan bij de vergadering van de Statencommissie Ruimte, Wonen en Economie van 9 september 2020, raken - wat daar ook van zij - niet de rechtmatigheid van het hier voorliggende bestreden besluit. Het betoog slaagt niet. PARTICIPATIE 7. [appellant sub 2], de werkgroep en de stichting voeren aan dat de communicatie en het gevoerde participatieproces voorafgaand aan de vaststelling van het bestemmingsplan gebrekkig is geweest. [appellant sub 2] geeft aan dat er met de bewoners en de eigenaren van de woningen aan de Gooweg 14-24 niet is gecommuniceerd ondanks eerder gemaakte afspraken hierover. De werkgroep wijst er op dat het bestemmingsplan ter inzage is gelegd in de vakantieperiode. [appellant sub 2] en de stichting wijzen op de verplichting die voortvloeit uit de Omgevingswet om inspraak en participatie te bieden. 7.1. De raad stelt dat diverse mogelijkheden zijn geboden om inspraak te geven over het bestemmingsplan. Bronsgeest is al voor langere tijd aangemerkt als nieuwbouwlocatie.
Er heeft daarom geen participatie plaatsgevonden over de vraag of Bronsgeest wel of niet moet worden bebouwd. Wel hebben betrokkenen volgens de raad voldoende mogelijkheden tot inspraak gehad. Zo is er een voorontwerpbestemmingsplan ter inzage gelegd, waarbij de mogelijkheid openstond voor ingezetenen en belanghebbenden om gedurende zes weken daarover een inspraakreactie in te dienen. Daarnaast is het ontwerpbestemmingsplan overeenkomstig de wettelijke vereisten ter inzage gelegd, en heeft een ieder de kans gekregen om over het ontwerpbestemmingsplan een zienswijze naar voren te brengen. Bij de vaststelling van het bestemmingsplan zijn zowel de ontvangen inspraakreacties als de ingediende zienswijzen afgewogen ten opzichte van andere relevante belangen. 7.2. De Afdeling stelt voorop dat partijen het erover eens zijn dat het bestemmingsplan in overeenstemming met de Wet ruimtelijke ordening (hierna: de Wro) is voorbereid met toepassing van afdeling 3.4 van de Awb. Deze wetten verplichten niet tot het, voorafgaand
5
aan de terinzagelegging van het ontwerpplan, doorlopen van een participatietraject. Een verplichting daartoe kan ook niet voortvloeien uit de Omgevingswet, reeds omdat deze wet, zoals ook volgt uit wat hiervoor onder 1 is overwogen, niet van toepassing is op het bestreden besluit. Over het betoog dat onvoldoende mogelijkheden zijn geboden tot het naar voren brengen van een inspraakreactie voorafgaand aan het doorlopen van de planprocedure, overweegt de Afdeling dat een voorontwerpbestemmingsplan ter inzage is gelegd, waarop betrokkenen een inspraakreactie konden geven. Hiervan is ook door een aantal betrokkenen gebruikgemaakt. De ontvangen inspraakreacties zijn samengevat en beantwoord in de Nota ‘beantwoording inspraak- en overlegreacties voorontwerp bestemmingsplan ‘Bronsgeest 2021’. Hierbij is ook aangegeven in hoeverre de inspraakreacties hebben geleid tot het bijstellen van het voorontwerpbestemmingsplan. Afgezien van de hiervoor genoemde mogelijkheden die zijn geboden voor het naar voren brengen van een inspraakreactie of een zienswijze, bestond er voor het gemeentebestuur geen andere wettelijke verplichting voor het bieden van een mogelijkheid van inspraak, voorafgaand aan de vaststelling van het bestemmingsplan. Het is de Afdeling niet gebleken dat de toegepaste inspraakprocedures in strijd met enig wettelijk voorschrift zijn doorlopen.
Gelet hierop bestaat dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat de geboden inspraakmogelijkheden voorafgaand aan de vaststelling van het bestemmingsplan gebrekkig zijn geweest. De betogen slagen niet. MAATSCHAPPELIJK DRAAGVLAK 8. [appellant sub 7] voert aan dat er binnen de gemeente geen maatschappelijk draagvlak is om de gronden binnen Bronsgeest te bebouwen. Het bedrijfsleven, de maatschappelijke organisaties en de meerderheid van de inwoners van de gemeente is tegen het bebouwen van Bronsgeest. Dit blijkt volgens [appellant sub 7] ook uit het gegeven dat een lokale politieke partij die voor het bebouwen van Bronsgeest was, bij de gemeenteraadsverkiezingen in 2018 veel zetels heeft verloren. Ook andere politieke partijen die voor bebouwing van dit gebied zijn, hebben maar een beperkt aantal zetels gehaald bij deze verkiezingen. Hiermee is volgens [appellant sub 7] het niet bebouwen van Bronsgeest binnen de gemeente sterk democratisch gelegitimeerd. 8.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen, onder meer in haar uitspraken van 27 mei 2015, ECLI:NL:RVS:2015:1702, en 18 december 2019, ECLI:NL:RVS:2019:4209, betekent de omstandigheid dat er geen maatschappelijk draagvlak bestaat, niet dat het bestemmingsplan niet in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening.
Alleen de omstandigheid dat draagvlak zou ontbreken, kan geen dragend argument zijn voor het weigeren van planologische medewerking. De raad heeft toegelicht dat er geen gemeentelijk beleid is waarin is vastgelegd dat een onderzoek naar de omvang van het draagvlak moet worden verricht. Wel is bij de vaststelling van het plan betrokken dat er weerstand bestaat tegen het volledig bebouwen van Bronsgeest ten koste van de ter plaatse aanwezige bollengrond. Dit heeft er mede in geresulteerd dat aan een beperkt deel van de gronden in het plangebied de bestemming "Woongebied - Uit te werken" is toegekend. In de door [appellant sub 7] gestelde omstandigheid dat er geen draagvlak is om Bronsgeest überhaupt te bebouwenheeft de raad, wat daarvan ook zij, geen reden hoeven zien om het bestemmingsplan niet vast te stellen.
6
Het betoog slaagt niet. LOCATIEKEUZE/ALTERNATIEVEN 9. De werkgroep, de stichting, [appellant sub 7] en [appellant sub 8] betogen dat geen zorgvuldige afweging van de verschillende locaties heeft plaatsgevonden. Er zijn volgens hen voldoende alternatieve geschikte locaties voor woningbouw, waarbij geen bollengrond hoeft te worden opgeofferd. Ook leidt de voorgenomen woningbouwontwikkeling op deze locatie tot meer verkeers- en geluidhinder. De werkgroep en [appellant sub 7] betogen verder dat de raad onvoldoende heeft gemotiveerd waarom niet is gekozen voor woningbouw op de locatie Achterweg. In dit verband wijzen zij erop dat deze locatie, anders dan de locatie Bronsgeest, geen open bollengebied is met eerste klas bollengrond als bedoeld in de Intergemeentelijke Structuurvisie Greenport 2016. Door woningbouw te realiseren op de locatie Achterweg blijft een belangrijke toeristentrekpleister voor Noordwijk behouden, terwijl door beperkter te bouwen in Bronsgeest de zichtlijnen naar het landgoed Leeuwenhorst en de kenmerkende houtwal voor het grootste deel intact blijven. Een woningbouwontwikkeling in het Achterweggebied zou volgens de werkgroep stedenbouwkundig ook beter aansluiten bij de bestaande woonwijk Vinkeveld, en biedt goede ontsluitingsmogelijkheden naar de doorgaande weg N206.
Ook biedt dit alternatief ruimte om de ecologische verbindingszone langs de N206 verder te realiseren en aan te sluiten op de ecologische zone, als onderdeel van de al in ontwikkeling zijnde woningbouwlocatie Offem-Zuid. Dit biedt ook kansen voor extra wateropvang. 9.1. De Afdeling overweegt dat de raad bij de keuze van een bestemmingsregeling een afweging moet maken van alle daarbij betrokken belangen. Daarbij heeft de raad beleidsruimte. De voor- en nadelen van alternatieven moeten in die afweging worden meegenomen. 9.2. De raad geeft aan dat het plan om Bronsgeest te bebouwen al dateert van midden jaren ’90, toen nog als onderdeel van woonbebouwing aan weerszijden van de Van Berckelweg. Volgens de raad is er binnen de regio Duin- en Bollenstreek een dringende behoefte om op korte termijn woningen te realiseren. In de toelichting en in de Nota van beantwoording zienswijzen is benoemd dat het voorliggende plan een uitvloeisel is van de ruimtelijke keuzes die de raad de afgelopen jaren heeft gemaakt om Bronsgeest gedeeltelijk te herontwikkelen tot een woningbouwlocatie met bebouwing van maximaal 350 woningen.
Deze ruimtelijke keuzes zijn niet alleen vastgelegd in diverse raadsbesluiten, maar ook in diverse beleidsdocumenten van de regio en de provincie Zuid-Holland, zoals de Gebiedsuitwerking Haarlemmermeer-Bollenstreek uit 2006, de Intergemeentelijke Structuurvisie Greenport 2016 (ISG), de Regionale Woonagenda 2017 en de '3-ha-kaart' bij de Omgevingsverordening. De raad heeft gelet hierop er nadrukkelijk voor gekozen om de locatie Bronsgeest (gedeeltelijk) te bebouwen met woningen. Wat de locatie Achterweg betreft, wijst de raad erop dat deze locatie ingevolge artikel 6.10, onder b, van de Omgevingsverordening, gelezen in samenhang met het Programma ruimte, niet is aangewezen voor woningbouw buiten bestaand stedelijk gebied. Daarom kan deze locatie niet worden ingezet voor deze woningbouw. 9.3. Met het bestemmingsplan is aan het noordelijke deel van de gronden in het plangebied onder meer de bestemming "Woongebied - Uit te werken" toegekend. Ter plaatse moet het
7
college van burgemeester en wethouders het plan uitwerken met inachtneming van artikel 13.2.1 van de planregels. Ingevolge artikel 13.2.1, onder a, sub 1, van de planregels kunnen ter plaatse maximaal 350 (zorg-)woningen worden gerealiseerd. Aan de gronden in het zuiden van het plangebied is verder onder meer de bestemming "Agrarisch - Bollenteelt" toegekend. De gronden ter plaatse zijn aangewezen voor onder meer de uitoefening van een bollenteeltbedrijf en bollenvelden. 9.4. De Afdeling overweegt dat de raad er onder verwijzing naar beleidsdocumenten op heeft gewezen dat de keuze om Bronsgeest te bebouwen een uitvloeisel is van de ruimtelijke keuzes die de afgelopen jaren zijn gemaakt. Zo is de locatie op grond van de Omgevingsverordening in het Programma ruimte aangewezen als zogenoemde ‘3-ha-locatie’, waarvoor het is toegestaan om buiten bestaand stads- en dorpsgebied grootschalige woningbouw te realiseren. De keuze voor deze locatie is in het bijzonder hierdoor ingegeven, zo heeft de raad toegelicht. Dat niet voor de locatie Achterweggebied is gekozen, heeft er mee te maken dat de Omgevingsverordening het op die locatie niet toestaat om grootschalige woningbouw mogelijk te maken. Verder is in de Nota van beantwoording zienswijzen ingegaan op de ruimtelijke keuze om Bronsgeest te bebouwen.
Hierin is aangegeven dat de locatie Bronsgeest momenteel bestaat uit ongeveer 32 ha eersteklas bollengrond. Hoewel de raad meent dat dit een mooi aangezicht van de entree van Noordwijk vormt, betreft het hier volgens de raad geen locatie met bijzondere cultuurhistorische, landschappelijke- en/of ecologisch beschermde waarden. De Afdeling overweegt dat de raad zich redelijkerwijs op dit standpunt heeft mogen stellen. Van belang daarbij is dat de raad bij de vaststelling van het plan rekening heeft gehouden met de daarmee gepaard gaande aantasting van de eersteklas bollegrond en hij dit in de afweging heeft betrokken. Na realisatie van de voorziene woningbouw zal nog ongeveer 23 ha eersteklas bollengrond resteren. Door de omvang en de situering van de woningbouwlocatie zal t nog steeds sprake zijn van een entree met zicht op eersteklas bollengronden. Deze gronden hebben in het bestemmingsplan de bestemming "Agrarisch - Bollenteelt". 9.5. In wat de werkgroep, de stichting, [appellant sub 7] en [appellant sub 8] daarover hebben aangevoerd ziet de Afdeling onvoldoende aanknopingspunten voor de conclusie dat de raad niet redelijkerwijs de locatie Bronsgeest heeft kunnen aanwijzen voor het daarin gedeeltelijk realiseren van woningbouw.
Hierbij heeft de raad het van belang kunnen achten dat als gevolg van het plan een beperkt gedeelte van de ter plaatse aanwezige eersteklas bollengronden wordt opgeofferd ten behoeve van woningbouw (ongeveer 9 ha) en dat deze gronden voor het overige voor de bollenteelt behouden blijven (ongeveer 23 ha). Gelet hierop is geen sprake van een zodanige aantasting van de landschappelijke kwaliteit van het gebied, dat de raad het plan in zoverre niet in overeenstemming met een goede ruimtelijke ordening heeft mogen achten. De Afdeling betrekt hierbij dat de wijze waarop de bestemming "Woongebied - Uit te werken" is neergelegd in het plan, tot gevolg heeft dat de woningbouw zoveel mogelijk aan de noordwestkant van het plangebied, tussen de Gooweg en de Van Berckelweg is geprojecteerd, zodat er - komend vanuit oostelijke richting - nog steeds sprake is van een entree met zicht op de bollengronden. Over het betoog dat de raad de voor- en nadelen van de alternatieve locatie ‘Achterweggebied’ onvoldoende heeft afgewogen, overweegt de Afdeling dat de raad erop heeft gewezen dat de Omgevingsverordening zich verzet tegen het realiseren van grootschalige woningbouw ter plaatse. Gelet hierop heeft de raad deze locatie redelijkerwijs niet als alternatief voor woningbouw in Bronsgeest in overweging hoeven nemen.
Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad, gelet op het vorenstaande, voldoende gemotiveerd waarom hij heeft gekozen voor de locatie Bronsgeest.
8
De betogen slagen niet. PROVINCIALE VERORDENING 10. De Afdeling stelt vast dat de Omgevingsverordening na de terinzagelegging van het ontwerpplan en voor het vaststellen van het bestemmingsplan is gewijzigd. In artikel 13.3 van de gewijzigde Omgevingsverordening is bepaald dat als voor de inwerkingtreding van de verordening voor een ambtshalve te nemen besluit een ontwerp ter inzage is gelegd, waarvan op de voorbereiding afdeling 3.4 van de Awb van toepassing is, het oude recht van toepassing blijft tot het besluit onherroepelijk wordt. Bij de bespreking van de beroepsgronden over de Omgevingsverordening gaat de Afdeling daarom uit van de Omgevingsverordening zoals deze luidde op de dag dat het ontwerpplan ter inzage is gelegd, namelijk 30 juni 2021. Strijd met artikel 6.9 van de Omgevingsverordening? 11. [appellant sub 7] betoogt dat het plan in strijd met artikel 6.9 van de Omgevingsverordening is vastgesteld, omdat de toegestane bouwhoogte een aantasting van de landschappelijke omgeving oplevert. Volgens [appellant sub 7] is dat niet in overeenstemming met de richtpunten "Strandwallen en oude duinen" en "Bollenlandschap", die op grond van artikel 6.9 van de Omgevingsverordening binnen het plangebied van toepassing zijn. 11.1. De Afdeling stelt vast dat in dit geval sprake is van "transformeren" zoals bedoeld in artikel 6.9 van de Omgevingsverordening.
Als sprake is van transformeren, dan mag een bestemmingsplan op grond van artikel 6.9 van de Omgevingsverordening alleen in een ruimtelijke ontwikkeling voorzien als de ruimtelijke kwaliteit van de nieuwe ontwikkeling is gewaarborgd door een integraal ontwerp, waarbij onder meer rekening wordt gehouden met de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart. Uit artikel 1.1, in samenhang gelezen met bijlage 1, van de Omgevingsverordening volgt dat met kwaliteitskaart de kaart uit de Omgevingsvisie wordt bedoeld. De Afdeling stelt verder vast dat het plangebied op de kwaliteitskaart, anders dan [appellant sub 7] stelt, niet is gelegen in het gebied waarvoor de richtpunten "Strandwallen en oude duinen" gelden. Dat betekent dat deze richtpunten niet gelden voor het plangebied. Het plangebied ligt wel in het gebied waarvoor de richtpunten "Bollenlandschap" gelden. Maar de Afdeling volgt [appellant sub 7] niet in zijn stelling dat vanwege de maximum toegestane bouwhoogtes in het plangebied sprake is van strijd met artikel 6.9 van de Omgevingsverordening. Hoewel in het plan al wel enkele maximum bouwhoogtes zijn gegeven, gaat het om een globale bestemming die nog moet worden uitgewerkt voordat in het plangebied mag worden gebouwd.
In artikel 13.2.3 van de regels van het bestemmingsplan is geregeld dat bij de uitwerking van de bestemming "Woongebied - Uit te werken" rekening moet worden gehouden met de ruimtelijke kwaliteiten zoals bedoeld in de Omgevingsverordening. Ook schrijft dat artikel voor dat de toelichting van het uitwerkingsplan een beeldkwaliteitsparagraaf moet bevatten waarin de ruimtelijke kwaliteiten als bedoeld in de Omgevingsverordening nader zijn uitgewerkt. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad hiermee voldoende acht geslagen op artikel 6.9 van de Omgevingsverordening. Het betoog slaagt niet. Natuurnetwerk Nederland
9
12. Het college van gedeputeerde staten betoogt dat in het plan ten onrechte niet aan alle gronden in het plangebied, die deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland (hierna: NNN), een passende bestemming is toegekend. Hierbij wijst het college van gedeputeerde staten erop dat aan een klein deel van de gronden die deel uitmaken van de ecologische verbinding, waarvan de plaats geometrisch is bepaald en verbeeld op kaart 7 in bijlage II van de Omgevingsverordening, de bestemming "Verkeer" is toegekend. 12.1. De raad geeft aan dat de bestemming"Natuur-1" en de dubbelbestemming "Waarde Natuur Natuurnetwerk Nederland", die aan de als NNN aangeduide gronden in het plangebied zijn toegekend, niet geheel op elkaar aansluiten. Op een deel is per abuis de bestemming "Verkeer" opgenomen en niet de bestemming "Natuur-1". De raad erkent dat het plan op dit punt in strijd is met de Omgevingsverordening. De raad vraagt de Afdeling om zelf in de zaak te voorzien door de bestemming "Natuur-1" aan het in het verweerschrift rood omlijnde gebied toe te kennen. 12.2. Artikel 6.24 van de Omgevingsverordening luidde ten tijde van belang als volgt: "1.
Een bestemmingsplan voor gronden binnen het Natuurnetwerk Nederland, onderverdeeld in bestaande en nieuwe natuur, waternatuurgebied en ecologische verbinding, waarvan de plaats geometrisch is bepaald en verbeeld op kaart 7 in bijlage II, wijst geen bestemmingen aan die de instandhouding en ontwikkeling van de wezenlijke kenmerken en waarden van deze gebieden significant beperken, of leiden tot een significante vermindering van de oppervlakte, kwaliteit of samenhang van die gebieden. […]". 12.3. Ingevolge kaart 7 van bijlage II bij de Omgevingsverordening is een gedeelte van de gronden in het plangebied aangewezen als "bestaande en nieuwe natuur" en is een deel van de gronden aangewezen als "ecologische verbinding". 12.4. In het bestemmingsplan hebben de als bestaande en nieuwe natuur aangeduide gebieden de bestemmingen "Sport", "Bos" en de dubbelbestemming "Waarde - Natuur Natuurnetwerk Nederland" gekregen. De als ‘ecologische verbinding’ aangeduide gronden hebben de bestemming "Natuur-1" gekregen. De Afdeling stelt vast dat niet alle als ‘ecologische verbinding’ aangeduide gronden de bestemming "Natuur-1" hebben gekregen. Aan een deel van die gronden is namelijk de bestemming "Verkeer" toegekend.
Partijen zijn het er, zoals ook op de zitting is besproken, over eens dat deze bestemming zich, gelet op de omschrijving daarvan in artikel 10.1 van de planregels, niet verdraagt met het bepaalde in artikel 6.24, eerste lid, van de Omgevingsverordening. Omdat de raad zich in zoverre op een ander standpunt stelt dan hij in het bestreden besluit heeft gedaan en niet is gebleken dat gewijzigde omstandigheden hiervoor aanleiding hebben gegeven, is het bestreden besluit op dit onderdeel niet met de vereiste zorgvuldigheid voorbereid. Gelet hierop is de conclusie dat het plan in zoverre in strijd is vastgesteld met het bepaalde in artikel 3:2 van de Awb en artikel 6.24, eerste lid, van de Omgevingsverordening. Het betoog slaagt. Omgevingsvergunningstelsel voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden (NNN) 13. Het college van gedeputeerde staten betoogt dat de dubbelbestemming "Waarde -
10
Natuur Natuurnetwerk Nederland" zich ten onrechte niet uitstrekt over alle in het plangebied tot het NNN behorende gronden. Gewezen wordt op de gronden waaraan de bestemmingen "Bos" en "Sport" zijn toegekend, maar niet de dubbelbestemming. Gelet hierop geldt voor deze gronden niet de omgevingsvergunningplicht als bedoeld in artikel 22.3 van de planregels voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden. Volgens het college van gedeputeerde staten zijn binnen de bestemming "Sport" de aanleg van nieuwe verharde wegen en andere verharding mogelijk, en zijn binnen de bestemming "Bos" overige bouwwerken, zoals beeldende kunst, mogelijk met een bouwhoogte van 5 m, zonder dat hiervoor een omgevingsvergunning nodig is. Als gevolg hiervan kunnen volgens het college van gedeputeerde staten mogelijk significante nadelige effecten optreden in het NNN. - bestemming "Bos" 13.1. De raad stelt zich op het standpunt dat hij het niet nodig heeft geacht om de dubbelbestemming "Waarde - Natuur Natuurnetwerk Nederland" toe te kennen aan de gronden met de bestemming "Bos". Het vergunningstelsel zoals opgenomen in artikel 22.1 van de planregels richt zich alleen op de gronden met de enkelbestemming "Verkeer", die binnen het NNN zijn gelegen. De enkelbestemming "Bos" kent zijn eigen aanlegvergunningstelsel in artikel 4.3 van de planregels.
Daarnaast waarborgt deze bestemming, gelet op de doeleindenomschrijving in artikel 4.1, aanhef, onder a en b, van de planregels, volgens de raad voldoende dat het natuurbelang in acht moet worden genomen. 13.2. Ingevolge artikel 4.1 van de planregels zijn de voor "Bos" aangewezen gronden bestemd voor onder meer het behoud, herstel en/of de ontwikkeling van het landgoed en de aldaar voorkomende natuur-, ecologische en waterhuishoudkundige waarden, zoals bossen, andere houtopstanden, boomgroepen, tuinen, graslanden, waterlopen en paden. Ook zijn de gronden aangewezen voor de instandhouding en ontwikkeling van ecologische verbindingszones tussen natuur- en natuurontwikkelingsgebieden en voorwerpen van beeldende kunst. Ingevolge artikel 4.3 van de planregels is het op de voor "Bos" aangewezen gronden verboden om zonder omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden de in dat artikel genoemde werkzaamheden te verrichten. De vergunning kan gelet op het bepaalde onder c van dat artikel worden geweigerd indien door de werken of werkzaamheden het belang van het aanwezige landgoed onevenredig wordt geschaad. 13.3.
Op de zitting heeft de raad zich alsnog op het standpunt gesteld dat met het bepaalde in de doeleindenomschrijving van artikel 4.1, gelezen in samenhang met artikel 4.3, onder c, van de planregels, het natuurbelang onvoldoende is beschermd. Omdat de raad zich in zoverre op een ander standpunt stelt dan hij in het bestreden besluit heeft gedaan en niet is gebleken dat gewijzigde omstandigheden hiervoor aanleiding hebben gegeven, is het bestreden besluit op dit onderdeel niet met de vereiste zorgvuldigheid voorbereid. Gelet hierop is de conclusie dat het plan, voor zover daarin aan de gronden met de bestemming "Bos" niet ook de dubbelbestemming "Waarde - Natuur Natuurnetwerk Nederland" is toegekend, in zoverre in strijd is vastgesteld met het bepaalde in artikel 3:2 van de Awb en artikel 6.24, eerste lid, van de Omgevingsverordening. Het betoog slaagt. - bestemming "Sport"
11
13.4. Ingevolge artikel 8.1 zijn de voor "Sport" aangewezen gronden onder meer bestemd voor sportvoorzieningen, in- en uitritten en fietspaden. De bestemming "Sport" kent geen aanlegvergunningenstelsel. 13.5. De Afdeling overweegt dat binnen de bestemming "Sport" onder meer het aanbrengen van oppervlakteverharding is toegestaan, zonder dat hiervoor een nader afwegingsmoment bestaat, waarbij het belang van de te beschermen natuurwaarden van het NNN in de afweging moet worden betrokken. Het aanlegvergunningenstelsel, zoals dat is opgenomen in artikel 22.3, onder a, van de planregels, is namelijk niet gekoppeld aan de gronden waaraan de bestemming "Sport" is toegekend. Dit betekent dat het bestemmingsplan ook in zoverre in strijd is vastgesteld met artikel 6.24, eerste lid, van de Omgevingsverordening. Het betoog slaagt. LADDER VOOR DUURZAME VERSTEDELIJKING 14. De werkgroep, de stichting, [appellant sub 4], [appellant sub 7] en [appellant sub 8] betogen dat de raad de behoefte aan de in het plangebied voorziene woningen onvoldoende heeft gemotiveerd. Er is volgens hen sprake van een overprogrammering in de regio, zodat het niet gerechtvaardigd is om op deze locatie 350 nieuwe woningen toe te voegen. [appellant sub 7] wijst in dit verband op de Woonvisie 2020-2030 van de gemeente, waaruit volgens hem blijkt dat er binnen de gemeente maximaal behoefte is aan 3.354 woningen.
De harde plancapaciteit overstijgt echter deze behoefte met 3.745 woningen. [appellant sub 4] wijst er op dat in Noordwijk in 2019 en 2020 482 nieuwbouwwoningen zijn opgeleverd. Ook in buurgemeente Voorhout worden 877 en 900 woningen gerealiseerd in twee wijken aan de rand van Noordwijk. In Noordwijkerhout komen 700 woningen en in Valkenhorst (gemeente Katwijk) 5.600. De werkgroep wijst op een brief van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Noordwijk van 21 december 2021 gericht aan de provincie, waarin staat dat er volgens het college géén volkshuisvestelijke noodzaak bestaat om Bronsgeest volledig te bebouwen. [appellant sub 8] betoogt verder dat de ladderonderbouwing in de plantoelichting onvolledig is. Deze bevat ten onrechte geen verwijzing naar een regionale woonvisie, die onderbouwt dat in Noordwijk behoefte bestaat aan 350 woningen. Ook is in de ladderonderbouwing ten onrechte de gemeente Leiden uit de beoordeling weggelaten, zodat mogelijk een verkeerd beeld is ontstaan. [appellant sub 7] voert aan dat er teveel woningen worden geprogrammeerd binnen Noordwijk, en dat dit ten koste gaat van de woningbouwplanning in andere gemeenten. Dit getuigt volgens hem van een te beperkt afgestemde (regionale) woningbouwvisie. 14.1.
Artikel 3.1.6, tweede lid, van het Besluit ruimtelijke ordening (hierna: het Bro) zoals dat gold op het daarvoor relevante moment, luidde: "De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien." 14.2. Artikel 6.10 van de Omgevingsverordening, zoals die gold op het daarvoor relevante moment, luidde:
12
"1. Een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, voldoet aan de volgende eisen: a. de toelichting van het bestemmingsplan gaat in op de toepassing van de ladder voor duurzame verstedelijking overeenkomstig artikel 3.1.6, tweede, derde en vierde lid van het Besluit ruimtelijke ordening; b. indien in de behoefte aan de stedelijke ontwikkeling niet binnen bestaand stads- en dorpsgebied kan worden voorzien en voor zover daarvoor een locatie groter dan 3 hectare nodig is, wordt gebruik gemaakt van locaties die zijn opgenomen in het Programma ruimte. 2. Gedeputeerde staten kunnen bij de aanvaarding van een regionale visie aangeven in hoeverre de ladder voor duurzame verstedelijking op regionaal niveau geheel of gedeeltelijk is doorlopen. In de toelichting van het bestemmingsplan kan in dat geval worden verwezen naar de regionale visie bij de beschrijving van de behoefte aan een nieuwe stedelijke ontwikkeling, als bedoeld in artikel 3.1.6, tweede lid, van het Besluit ruimtelijke ordening. 3. Gedeputeerde staten kunnen een regionale visie voor wonen of bedrijventerreinen vaststellen. Een bestemmingsplan bevat geen bestemmingen die in strijd zijn met de door gedeputeerde staten vastgestelde regionale visie." 14.3.
Partijen zijn het erover eens dat de in het plan voorziene ontwikkeling moet worden aangemerkt als een nieuwe stedelijke ontwikkeling, waarop artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro van toepassing is. Verder zijn partijen het er ook over eens dat de locatie Bronsgeest in het Programma ruimte was aangewezen als locatie buiten bestaand stads- en dorpsgebied, waarop een nieuwe stedelijke ontwikkeling van meer dan 3 ha is toegestaan. - Behoefte 14.4. Artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro verplicht het betrokken bestuursorgaan om in de toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, de behoefte aan de voorgenomen stedelijke ontwikkeling te beschrijven. Deze verplichting geldt voor nieuwe stedelijke ontwikkelingen binnen en buiten het bestaand stedelijk gebied. In de toelichting op het bestemmingsplan dient, afhankelijk van de aard van de stedelijke ontwikkeling die het plan mogelijk maakt, op objectieve wijze, aan de hand van in de beschrijving vermelde voldoende actuele, concrete en zo mogelijk cijfermatige gegevens, de behoefte aan deze stedelijke ontwikkeling te worden beschreven (zie de uitspraak van de Afdeling van 28 juni 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1724, r.o. 9.2). 14.5. In paragraaf 3.3.3 van de plantoelichting is getoetst of het plan voldoet aan de ladder voor duurzame verstedelijking.
Hierin staat dat er behoefte is aan de in het plan voorziene woningen. Dit blijkt uit de provinciale woningbehoefteberekeningen die zijn opgenomen in de Zuid-Hollandse Woningbehoefteraming 2019 (WBR2019). De WBR2019 is een demografische prognose, waarbij onder andere wordt gerekend met "binnenlands migratiesaldo nul" per gemeente (lokale behoefte). In de trendraming wordt rekening gehouden met de druk van buitenaf. De raming met de hoogste uitkomst wordt door de provincie vastgesteld als uitgangspunt voor de (sub)regionale behoefte aan nieuwe woningen voor de komende 3 jaar. In de WBR2019 is voor de regio Holland Rijnland een woningbehoefte aangegeven van 18.970 woningen voor de periode 2019-2030. In de regio Holland Rijnland is de prognose van de gewenste woningvoorraadtoename in de periode 2019-2030 op basis van de trendraming 27.560 woningen. Voor de Duin- en Bollenstreek komt de trendraming per 1 januari 2019 op
13
6.470 woningen en op 8.411 woningen bij een overcapaciteit van 130%. Voor Noordwijk bedraagt de trendraming 2.580 woningen tot 3.354 woningen in de periode 2019-2030. De bouw van 350 nieuwe woningen op Bronsgeest maakt deel uit van de plancapaciteit en de bouwopgave waarover eerder afspraken zijn gemaakt op (sub)regionaal niveau. Bronsgeest maakt hiermee onderdeel uit van het woningbouwprogramma van Noordwijk. 14.6. In wat daarover door de werkgroep, de stichting, [appellant sub 4], [appellant sub 7] en [appellant sub 8] is aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanknopingspunten voor de conclusie dat de raad de behoefte aan het in het plan voorziene aantal woningen niet toereikend zou hebben gemotiveerd. De raad heeft er op gewezen dat op regionaal niveau afstemming heeft plaatsgevonden over de woningbouwopgave in het kader van de Gebiedsuitwerking Haarlemmermeer-Bollenstreek van 14 maart 2006. Daarin zijn afspraken gemaakt over de realisering van in totaal 5.200 zogenoemde greenportwoningen in de Duin- en Bollenstreek tot 2030 voor de metropoolregio Amsterdam. De verdere fasering, verdeling en dosering van dit woningbouwprogramma is benoemd in de Regionale Woon Agenda 2017 Regio Holland Rijnland, zoals laatstelijk vastgesteld op 14 maart 2018 (hierna: de RWA 2017).
Hierin is vermeld dat een beperkt aantal locaties een bijzondere status heeft gekregen van de provincie vanwege hun specifieke (boven)regionale opvangfunctie. Voor de ontwikkeling van deze locaties zijn bestuurlijke afspraken gemaakt tussen de provincie en de gemeenten. Voor de Bollenstreek is een aantal van 5.200 woningen aangegeven, waaronder Bronsgeest met 600 woningen. Dit is ook zo beschreven in paragraaf 3.3.3 van de plantoelichting. Op basis van de RWA 2017 wordt jaarlijks door Holland Rijnland het regionale woningbouwprogramma opgenomen in de Planlijst Woningbouw. In de Planlijst Woningbouw 2021, zoals die door Holland Rijnland is doorgezonden aan de provincie, is voor Bronsgeest een aantal van 330 woningen opgenomen. Hiermee heeft het college van gedeputeerde staten op 7 december 2021 ingestemd. De op Bronsgeest voorziene woningen zijn hiermee op regionaal niveau afgestemd. Naar aanleiding van het betoog van [appellant sub 7] dat de in het plangebied voorziene woningen leiden tot een overprogrammering binnen de regio, overweegt de Afdeling dat de gemeente haar woningbouwplanlijst jaarlijks actualiseert, en dat uit de versie van 28 januari 2022 (die vlak voor planvaststelling is geactualiseerd) volgt dat er een potentie is van 5.027 woningen voor de periode t/m 2030. Gecorrigeerd voor de laatste tien jaar (2021 t/m 2030) zijn dit 4.511 woningen.
Hiervan zijn 3.211 woningen verankerd in harde plannen en 1.300 in zachte plannen. Voor de locatie Bronsgeest zijn in de gemeentelijke woningbouwplanlijst 350 woningen aangegeven. Dit woningaantal maakt hiermee dus onderdeel uit van de plancapaciteit. Het plan leidt in zoverre dus ook niet tot overprogrammering. Hierbij moet ook worden opgemerkt dat de provincie als grens hanteert dat maximaal 130% van de totale woningbehoefte in harde- en zachte plannen mag worden opgenomen. De in het plan voorziene woningen overschrijden deze grens niet. Het betoog van de werkgroep dat het college in zijn brief van 21 december 2021 heeft aangegeven dat er geen volkshuisvestelijke noodzaak bestaat om Bronsgeest te bebouwen, en dat dit erop wijst dat er geen behoefte is aan de in Bronsgeest beoogde woningen, wordt ook niet gevolgd. De raad heeft toegelicht dat deze passage uit de brief zag op de omstandigheid waarin Bronsgeest volledig wordt volgebouwd (met 600 woningen), wat door de provincie wordt gewenst. In dat kader heeft het college in de brief aangegeven dat voor meer dan de al geplande 350 woningen volgens het college geen volkshuisvestelijke noodzaak bestond.
14
Het betoog van [appellant sub 8] dat de gemeente Leiden buiten de regionale beoordeling is gelaten, mist feitelijke grondslag. Hiertoe overweegt de Afdeling dat de gemeente Leiden onderdeel uitmaakt van het bestuurlijke samenwerkingsverband Holland Rijnland. Het planaanbod van die gemeente is dan ook meegenomen in het regionale woningbouwprogramma. 14.7. De conclusie is dat de raad genoegzaam heeft gemotiveerd dat er behoefte bestaat aan de in het plangebied voorziene woningen. In zoverre is het bestreden besluit dan ook niet in strijd met artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro. - Bestaand stedelijk gebied 14.8. De werkgroep, de stichting, [appellant sub 7] en [appellant sub 8] voeren aan dat de raad onvoldoende heeft gemotiveerd waarom de in het plan opgenomen woningen niet binnen bestaand stedelijk gebied kunnen worden gerealiseerd, terwijl er enkele geschikte alternatieve locaties zijn die hier wel binnen vallen. Gewezen wordt in dit verband op de locaties Achterweg, Vinkenveld en De Nes. 14.9. De raad heeft aangegeven dat er binnen de gemeente diverse locaties zijn die in aanmerking komen voor woningbouw. Deze locaties zijn in kaart gebracht. Hieruit volgt dat de locaties niet alleen verschillend zijn in omvang en ligging, maar dat deze zich ook in verschillende fases van ontwikkeling bevinden.
Om te voorzien in de behoefte aan nieuwe woningen binnen de gemeente moet volgens de raad niet alleen worden gebouwd in bestaand stedelijk gebied, maar ook daarbuiten. Onder meer de locatie Bronsgeest, die ook als buitenstedelijke ontwikkelingslocatie is aangewezen op grond van de Omgevingsverordening, moet daarom voor woningbouw worden ingezet. De aangedragen locaties Achterweg en Vinkenveld zijn locaties die mogelijk in de toekomst kunnen worden ingezet als nieuwe buitenstedelijke woningbouwlocaties. Dit zijn ook locaties buiten bestaand stedelijk gebied. Maar deze locaties zijn niet op grond van de Omgevingsverordening aangewezen als buitenstedelijke ontwikkelingslocaties, zodat de Omgevingsverordening zich verzet tegen grootschalige woningbouw op deze locaties. Dit heeft de raad mede bepalend geacht voor de keuze om te bouwen op Bronsgeest. De locatie De Nes is op de zitting aan de orde gesteld. Dit is een locatie binnen bestaand stedelijk gebied waar al woningbouw is voorzien, en die ook zo staat beschreven in de Woonvisie 2020-2030. Deze locatie kan dan ook niet worden ingezet voor de in het plangebied voorziene woningen. 14.10. De Afdeling is van oordeel dat de raad gelet op het vorenstaande toereikend heeft onderbouwd dat de in het plan voorziene woningen niet binnen bestaand stedelijk gebied kunnen worden gerealiseerd.
Daarbij heeft de raad van belang kunnen achten dat de aangedragen locaties Achterweg en Vinkenveld ook buiten bestaand stedelijk gebied liggen, en dat artikel 6.10, eerste lid, van de Omgevingsverordening in de weg staat aan het realiseren van grootschalige woningbouw op deze locaties. Daarnaast heeft de raad toereikend onderbouwd dat het aantal woningen waarin het plan voorziet, ook niet op andere, binnenstedelijke locaties kan worden gerealiseerd. Gelet hierop is de conclusie dat het plan ook in zoverre niet in strijd is met artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro. Het betoog slaagt niet. DE BOLLENGRONDEN Verdwijnen van bollengronden
15
15. Het merendeel van de appellanten is het er niet mee eens dat een deel van de eersteklas bollengronden in het plangebied moet wijken voor woningbouw. Zij menen dat de raad onvoldoende gewicht heeft toegekend aan de waarde van de bollengronden in het gebied. Ook wijst een aantal appellanten erop dat op grond van de Intergemeentelijke Structuurvisie Greenport 2016 (hierna: de ISG) de verloren bollengrond moet worden gecompenseerd, terwijl niet duidelijk is of de verloren bollengronden daadwerkelijk zullen worden gecompenseerd. De Afdeling zal hierna eerst de beroepsgrond bespreken of de raad ervoor heeft kunnen kiezen eersteklas bollengronden voor woningbouw te bestemmen. Daarna zal de Afdeling, als daaraan wordt toegekomen, de beroepsgrond over de bollengrondcompensatie bespreken. Waarde van de te verdwijnen bollengronden 16. [appellant sub 4], [appellant sub 5], de stichting, [appellant sub 7] en de werkgroep voeren over het bestemmen van bollengronden voor woningbouw aan dat de raad onvoldoende gewicht heeft toegekend aan de toeristische waarde van de bollengronden. De bloemenvelden trekken jaarlijks veel toeristen en vormen de open entree vanuit Voorhout naar de kust van Noordwijk. Ook [appellant sub 8] wijst op de zichtbaarheid van de bollenvelden vanaf de N206. Het bebouwen van deze velden doet volgens [appellant sub 8] afbreuk aan de entree van Noordwijk.
[appellant sub 5] wijst er in het bijzonder op dat de bollengronden in het plangebied qua samenstelling en waterhuishouding zeer geschikt zijn voor bollenteelt. Er zijn andere gronden beschikbaar in de gemeente die niet langer geschikt zijn voor de bollenteelt en vooralsnog niet worden bebouwd. [appellant sub 5] begrijpt niet waarom dan op deze, juist wel voor de bollenteelt geschikte grond, moet worden gebouwd. 16.1. De raad stelt zich op het standpunt dat de nadelige gevolgen van het verlies van 9 ha eersteklas bollengrond voldoende zijn meegewogen bij de keuze om het bestemmingsplan vast te stellen. Over de toeristische waarde van de bollengronden merkt de raad op dat het plangebied van Bronsgeest niet het enige bollenteeltgebied in de streek is. De aantrekkingskracht van Noordwijk in het voorjaar bestaat in de ogen van de raad uit een unieke combinatie van de ligging aan zee, de diverse voorzieningen binnen de gemeente en de vele in bloei staande bollenvelden in de wijde nabije omgeving van Noordwijk. Daarbij blijft er ook nog eersteklas bollengrond in het plangebied beschikbaar. Komend vanuit Voorhout zal daardoor ter plaatse van het plangebied nog steeds sprake zijn van een entree met zicht op eersteklas bollengronden. Het resterende bollenteeltgebied heeft een lengte van ruim 350 m, gemeten langs de rijweg van de Van Berckelweg.
Voor zover [appellant sub 5] erop heeft gewezen dat de gronden zeer geschikt zijn voor bollenteelt, heeft de raad opgemerkt dat het inderdaad eersteklas bollengrond betreft. Omdat het om eersteklas bollengrond gaat, moet de 9 ha bollengrond die door het bestemmingsplan in Bronsgeest verloren gaat in het gebied van de Greenport Duin- en Bollenstreek worden gecompenseerd. 16.2. De Afdeling ziet geen aanleiding voor het oordeel dat de raad de nadelige gevolgen van het verlies van eersteklas bollengrond op deze locatie onvoldoende heeft meegewogen bij de keuze om op een deel van de bollengronden woningbouw mogelijk te maken. De Afdeling acht hier van belang dat de raad heeft toegelicht dat het voorziene woongebied in het plangebied zo is gesitueerd dat vanaf de N206 en vanaf een deel van de Van Berckelweg zicht blijft op bollengronden. Daarmee wordt het zicht op bollengronden voor een deel behouden.
16
Ook het belang waar [appellant sub 5] op heeft gewezen, namelijk dat de gronden in het plangebied bijzonder geschikt zijn voor bollenteelt, heeft de raad naar het oordeel van de Afdeling voldoende meegewogen. Ook hiervoor geldt dat niet alle bollengronden in het plangebied voor woningbouw zijn bestemd. Er blijft van de 32 ha eersteklas bollengronden nog 23 ha beschikbaar voor de bollenteelt. Daarbij heeft de raad mogen meewegen dat de 9 ha eersteklas bollengrond die verloren gaat, in het gebied van de Greenport Duin- en Bollenstreek moet worden gecompenseerd. Op de vraag of deze compensatie ook voldoende mogelijk is en voldoende is geregeld, wordt hierna, in de overwegingen 17 t/m 17.3, ingegaan. Het betoog slaagt niet. Compensatie 17. [appellant sub 4] voert aan dat onvoldoende is verzekerd dat het verlies van een deel van de eersteklas bollengrond in het plangebied ergens anders zal worden gecompenseerd. Op grond van de ISG is dat wel vereist. [appellant sub 4], de werkgroep en [appellant sub 7] voeren verder aan dat compensatie niet mogelijk zal zijn, omdat alle eersteklas bollengrond al in gebruik is. [appellant sub 7] wijst erop dat al is gebleken dat eersteklas bollengronden die verloren gaan, onvoldoende worden gecompenseerd. 17.1. De ISG is een gezamenlijke structuurvisie van de zes Greenportgemeenten Hillegom, Katwijk, Lisse, Noordwijk, Noordwijkerhout en Teylingen.
De ISG richt zich op herstructurering en revitalisering van de Greenport Duin- en Bollenstreek in samenhang met verbetering van de natuurlijke, landschappelijke en recreatieve kwaliteiten. In paragraaf 2.6 van de ISG staat als uitgangspunt beschreven dat het totale areaal van 2.625 ha aan eersteklas bollengrond niet mag afnemen. In paragraaf 5.3 van de ISG staat verder dat als eersteklas bollengrond aan de bestemming moet worden onttrokken en sprake is van verlies van m² eersteklas bollengrond, daaraan de verplichting wordt gekoppeld dat ergens anders evenveel m² eersteklas bollengrond wordt geproduceerd. De verplichting daartoe wordt door Greenportgemeenten vastgelegd in het betreffende bestemmingsplan of de betreffende omgevingsvergunning. De verplichting rust op de grondeigenaar van de betreffende, te onttrekken eersteklas bollengrond. Maar de feitelijke compensatie wordt niet door de grondeigenaar zelf uitgevoerd, maar door de Greenport Ontwikkelingsmaatschappij (GOM). Grondeigenaren betalen een bijdrage per m² onttrokken eersteklas bollengrond aan de GOM. Deze bijdragen worden verzameld in het zogenoemde bollengrondcompensatiefonds. De GOM gebruikt dit fonds om de onttrokken eersteklas bollengrond te compenseren.
In het jaarlijks te actualiseren Meerjarenprogramma van GOM wordt vastgesteld op welke wijze de productie van nieuwe bollengrond in het kader van zogenaamde "bollengrondproducerende projecten" plaatsvindt. 17.2. De raad stelt zich op het standpunt dat geen aanleiding bestaat om te veronderstellen dat de te bebouwen gronden niet zullen worden gecompenseerd. In het GOMMeerjarenprogramma 2022-2025 staat dat de totale compensatieopgave tot nu toe iets meer dan 104 ha is en dat 46,2 ha al is gecompenseerd. Verder wordt 46,1 ha uiterlijk eind 2025 gecompenseerd. De resterende 12,4 ha zal na 2025 worden gecompenseerd. Zoals ook in het GOM-Meerjarenprogramma is aangegeven, is van alle door de GOM geproduceerde nieuwe eersteklas bollengrond in de streek 62% gerealiseerd door middel van "opruimen verrommeling", 33% door grondverbetering van tweedeklas areaal en 5% door middel van omspuiten van grasland. Volgens de raad is de in het GOM-Meerjarenprogramma genoemde compensatie inclusief de 9 ha die vanwege de geplande woningbouw in Bronsgeest zal
17
moeten worden gecompenseerd. 17.3. De Afdeling ziet geen grond voor het oordeel dat het plan voor wat betreft de compensatie van eersteklas bollengrond in strijd met de ISG is vastgesteld. In paragraaf 2.3.3 van de plantoelichting staat dat de GOM en de gemeente al enkele concrete afspraken hebben gemaakt over de bollengrondcompensatie, die uiteindelijk zullen leiden tot een bollengrondcompensatie-overeenkomst. Op de zitting heeft de raad bevestigd dat deze bollengrondcompensatie-overeenkomst zal worden gesloten, voordat het uitwerkingsplan wordt vastgesteld. Dat de financiële bijdrage voor compensatie wordt betaald, is voor een deel geborgd in het exploitatieplan "Bronsgeest" en voor een deel in een exploitatieovereenkomst. Voor zover [appellant sub 4], de werkgroep en [appellant sub 7] hebben aangevoerd dat compensatie niet mogelijk is, overweegt de Afdeling dat in paragraaf 2.3.3 van de plantoelichting staat dat de GOM de totale compensatiebehoefte heeft geïnventariseerd en daaruit de conclusie heeft getrokken dat in de totale behoefte aan bollengrondcompensatie kan worden voorzien met behulp van het uitvoeringsinstrumentarium zoals beschreven in hoofdstuk 5 van de ISG. De Afdeling ziet geen aanleiding [appellant sub 4], de werkgroep en [appellant sub 7] te volgen in hun betoog dat compensatie niet mogelijk is. Het betoog slaagt niet. Resterende bollengronden 18.
De werkgroep voert aan dat de raad te weinig gewicht heeft toegekend aan het belang van de bollentelers van de resterende bollengronden in het plangebied. De gronden binnen het plangebied die wel beschikbaar blijven voor bollenteelt zijn namelijk te klein en niet rendabel. Ook wijst de werkgroep op de mogelijkheid dat op termijn de nieuwe bewoners van het plangebied overlast zullen ervaren van de werkzaamheden van de bollentelers. De werkgroep vreest dat de bollentelers dan zullen worden gesommeerd te stoppen met hun werkzaamheden. In het bijzonder wijst de werkgroep daarbij op het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen en de afstand van 50 m die in dat kader vanuit het voorzorgsbeginsel wordt aangehouden. 18.1. Artikel 8:69a van de Awb luidt: "De bestuursrechter vernietigt een besluit niet op de grond dat het in strijd is met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of een algemeen rechtsbeginsel, indien deze regel of dit beginsel kennelijk niet strekt tot bescherming van de belangen van degene die zich daarop beroept." Uit de geschiedenis van de totstandkoming van de Wet aanpassing bestuursprocesrecht (Kamerstukken II, 2009/10, 32 450, nr. 3, blz. 18-20) blijkt dat de wetgever met artikel 8:69a van de Awb de eis heeft willen stellen dat er een verband is tussen een beroepsgrond en het belang waarin de appellant door het bestreden besluit dreigt te worden geschaad.
De bestuursrechter mag een besluit niet vernietigen wegens schending van een rechtsregel die kennelijk niet strekt tot bescherming van het belang van degene die in (hoger) beroep komt. 18.2. Op de zitting heeft de werkgroep toegelicht dat zij tot doel heeft de openheid van Bronsgeest, en daarmee de open entree van Noordwijk, te behouden. Dit doet zij ten behoeve van haar leden, die bestaan uit enkele bewoners van de Gooweg en bollenteler [appellant sub 4]. De bollengronden van [appellant sub 4] liggen op zo’n 150 m afstand van de gronden waar het plan woningbouw mogelijk maakt. De bollenteler in het plangebied, [appellant sub 5], is geen lid van de werkgroep. De Afdeling stelt vast dat de norm waar de werkgroep zich in dit geval op beroept, strekt tot
18
bescherming van de bedrijfsbelangen van [appellant sub 5], de enige bollenteler in het plangebied. Naar het oordeel van de Afdeling is dat geen belang waar de werkgroep voor op kan komen. Nergens blijkt uit dat de werkgroep dit belang daadwerkelijk behartigt. De norm waar de werkgroep zich op beroept, strekt daarom kennelijk niet tot bescherming van haar belang. Gelet hierop staat artikel 8:69a van de Awb aan een inhoudelijke bespreking van deze beroepsgrond van de werkgroep in de weg. VERKEER Ontsluiting Van Berckelweg 19. De werkgroep en [appellant sub 4] voeren aan dat de verkeerstoename vanwege de in het plan voorziene woningen niet goed kan worden afgewikkeld via de Van Berckelweg. Dit blijkt volgens [appellant sub 4] ook uit het verkeersonderzoek dat aan het plan ten grondslag is gelegd. Hieruit volgt volgens [appellant sub 4] dat het verkeersprobleem uitsluitend kan worden opgelost met een vierbaansweg naast de A44. Het is volgens [appellant sub 4] niet reëel dat deze er gaat komen, zodat geen sprake is van een goede verkeersafwikkeling. Volgens de werkgroep zal het bouwen van nieuwe woningen in Bronsgeest leiden tot een overbelasting van de route Herenweg-Offemweg-Gooweg, ook als gevolg van het ontbreken van een aansluiting van de Verlengde Beeklaan op de N206. 19.1.
Ingevolge artikel 13.2.1, onder c, van de planregels werkt het college het plan uit met inachtneming van het volgende: […] c. de gronden die zijn gelegen in een zone van 10 meter vanaf de bestemmingsgrens langs de Van Berckelweg dienen een invulling met groenvoorzieningen en/of water te krijgen waarbij de zone met groenvoorzieningen en/of het water slechts mag worden doorbroken door: 1. een verkeersontsluiting ter hoogte van de rotonde Van Berckelweg-Overbeek; 2. fiets- en voetpaden;". ¬- Verkeersafwikkeling via Van Berckelweg 19.2. In paragraaf 4.2.1 van de plantoelichting is ingegaan op het aspect verkeer. Hierin staat dat de ontwikkeling van Bronsgeest met 350 woningen leidt tot extra verkeer op het wegennet. Dit extra verkeer zal voornamelijk via de Van Berckelweg rijden, aangezien het woongebied een aantakking op de rotonde Van Berckelweg-Boechorst krijgt, waardoor dit de primaire ontsluiting van het woongebied voor auto’s zal worden. Ook komt er een secundaire ontsluiting op de Gooweg, die gebruikt kan worden in geval van calamiteiten. In de plantoelichting staat verder dat is onderzocht of het extra verkeer dat het woongebied Bronsgeest met zich brengt kan worden afgewikkeld op de rotonde Van BerckelwegOverbeek en de rest van het bestaande wegennet.