BP Duindamseweg 1-3_Bijlagen_Toelichting
Tekst van het document
3
Door toepassing van bijvoorbeeld een tunnelspuit, een dwarsstroomspuit of axiaalspuit met schermen aan de installatie zelf of driftarme doppen. Het Activiteitenbesluit bevat op dit punt een aanvullende regeling voor wat betreft de toe te passen spuitdoppen (artikel 3.83, lid 4 Activiteitenbesluit milieubeheer).
Adromi B.V.
wil/R202048/2002
Pagina 11 van 22
Duindamseweg 1-3 Noordwijk
In het kader van onderhavige rapportage wordt ervan uitgegaan dat geen scherm of vanggewas wordt toegepast, maar dat driftreductie volgens het Activiteitenbesluit milieubeheer plaatsvindt. Dit omdat geen vanggewas aanwezig is. 3.4. Conclusie Concluderend kan worden uitgegaan van: - teelt van bloem(boll)en en bloemisterijgewassen op de aangrenzende/omliggende agrarisch bestemde percelen; - tussen het gewasperceel ten zuiden is sprake van een jaarrond watervoerende watergang met een breedte van 4,16 meter. Langs deze watergang moet een teeltvrije zone van 50 centimeter worden aangehouden, waardoor de teelt kan plaatsvinden op 4,66 meter uit de erfgrens met het projectperceel. Uitgaande van deze maximale representatieve situatie is enkel het aspect drift relevant. Dit omdat het verspreidingsrisico via bodem en grondwater van zwaardere grondbehandelingsmiddelen zoals metam-natrium, door het Ctgb als verwaarloosbaar wordt beoordeeld4. In dit hoofdstuk wordt ingegaan op het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen in het licht van de door het Ctgb vastgestelde wettelijke gebruiksvoorschriften.
4 Ctgb, Nieuwsbericht herregistratie grondontsmettingsmiddel Nemasol, 24 januari 2019,
https://www.ctgb.nl/actueel/nieuws/2019/01/24/ctgb-akkoord-met-herregistratie-grondontsmettingsmiddel-nemasol
Adromi B.V.
wil/R202048/2002
Pagina 12 van 22
Duindamseweg 1-3 Noordwijk
4.
Spuitzones
4.1. EFSA-model Voor de beoordeling van de onderhavige situatie is gebruik gemaakt van het zogenaamde EFSArekenmodel. Op 17 oktober 2014 heeft de European Food Safety Authority (EFSA) een handreiking vastgesteld voor de beoordeling van blootstelling aan pesticiden. Op 24 april 2015 is een herziening hiervan gepubliceerd. Bij de handreiking is door de EFSA een rekenmodel openbaar gemaakt dat kan worden gebruikt voor een beoordeling van de driftblootstelling bij het gebruik van bestrijdingsmiddelen (spuiten van gewassen). Het EFSA-rekenmodel biedt de mogelijkheid om de maximale blootstelling te bepalen van zowel medewerkers, als omwonenden, passanten en personen die recreatief verblijven op en in de nabijheid van terreinen waar bestrijdingsmiddelen worden toegepast. De handreiking en het rekenmodel zijn tot stand gekomen op basis van bijdragen van experts uit alle Europese landen op basis van tal van onderzoeksgegevens en studies. Het rekenmodel is gebaseerd op meerdere modellen en databases. Voor de omwonenden is gebruik gemaakt van BREAM5 in het geval van landbouwgronden en van Lloyd et al. (1987)6 in het geval van boomgaarden. Hoewel de data van Lloyd et al. (1987) ouder zijn, zijn deze representatief voor de huidige situatie aangezien de metingen hebben plaatsgevonden onder de volgende omstandigheden: - De bestrijdingsmiddelen worden aangebracht over de gehele boomgaard.
- Bij het spuiten van de buitenste rij zijn de spuitkoppen naar de boomgaard toe gericht. - Er is een spuitvrije zone van minstens 3 meter van de laatste bomenrij tot aan de rand van het veld / perceel. Tevens wordt Lloyd et al. (1987) in EUROPOEM7 gebruikt vanwege de representatieve omstandigheden. EUROPOEM werd ontwikkeld om de blootstelling te beoordelen van bestrijdingsmiddelen op de toepassers ervan en is ook als basis gebruikt voor het EFSA-model. In het EFSA-model kan een boomgaard of een ander opgaand gewas worden gemodelleerd als een vorm van ‘upward spraying’. Lagere gewassen, zoals diverse groenten, knol- en bolgewassen, sierteeltgewassen en bloemen kunnen worden gemodelleerd als ‘downward’ spraying. 5 Gebaseerd op meerdere studies:
Butler Ellis MC, Lane AG, O’Sullivan CM, Miller PCH and Glass CR, 2010a. Bystander exposure to pesticide spray drift: new data for model development and validation Biosystems Engineering, 107, 162–168. Butler Ellis MC and Miller PCH, 2010. The Silsoe Spray Drift Model: a model of spray drift for the assessment of non-target exposures to pesticides. Biosystems Engineering, 107, 169–177. Glass CR, Mathers JJ, Harrington P, Miller PCH, Butler Ellis C and Lane A, 2010. Generation of field data for bystander exposure and spray drift with arable sprayers. Aspects of Applied Biology, 99, 271–276. Glass CR, Mathers JJ, Hetmanski MT, Sehnalova M and Fussell RJ, 2012. Development of techniques to measures vapour concentrations of pesticides to determine potential bystander & resident exposure. Aspects of Applied Biology, 114, 79–86. Kennedy MC, Butler Ellis MC and Miller PCH, 2012. Probabilistic risk assessment of bystander and resident exposure to spray drift from an agricultural boom sprayer. Aspects of Applied Biology, 114, 87–90. 6 Lloyd GA, Bell GJ, Samuels SW, Cross JV and Berry AM, 1987. Orchard sprayers: comparative operator exposure and spray drift study. Agricultural Science Service, Agricultural Development and Advisory Service, Ministry of Agriculture Fisheries and Food, UK. 7 Van Hemmen JJ, 2008.
Addendum to the TNO Report V7333: effective personal protective equipment (PPE). Default setting of PPE for registration purposes of agrochemical and biocidal pesticides. Covering the literature published in the period 2005 to early 2008. TNO Quality of Life, TNO Chemistry, Food & Chemical Risk Analysis, Chemical Exposure assessment, Zeist, The Netherlands.
Adromi B.V.
wil/R202048/2002
Pagina 13 van 22
Duindamseweg 1-3 Noordwijk
In het model kan verder rekening gehouden worden met toepassing van driftreducerende technieken, welke in de onderhavige situatie ook verplicht zijn vanwege gebruiksvoorschriften en/of het Activiteitenbesluit milieubeheer. Het EFSA-model hanteert een lagere driftreductie van 50% in tegenstelling tot de 75% of 90% vanuit het Activiteitenbesluit, hetgeen van belang is bij de beoordeling van de berekeningsresultaten van dit model8. Immers gelet op de driftreductie die het Activiteitenbesluit verplicht stelt, zal het EFSA-model leiden tot een overschatting van de driftblootstelling. Verder wordt in het model rekening gehouden met de factor wind, hetgeen is gebaseerd op de ‘Code of practice for using plan protection products’9 van het Britse Department for Environment, Food and Rural Affairs. In voornoemd document wordt onderscheid gemaakt in verschillende ‘spraying conditions’, te weten acceptabel, ideaal, risicovol etc. BREAM en gevolglijk het EFSA-model maken gebruik van een windsnelheid van 2,7 m/s, wat in de Code of practice als bovengrens geldt voor acceptabele spuitcondities. Uit artikel 3.83, lid 5 van het Activiteitenbesluit volgt een verbod op het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen bij een windsnelheid groter dan 5 m/s.
Hieruit volgt dat er situaties kunnen voorkomen waarbij bestrijdingsmiddelen worden gespoten bij een hogere windsnelheid dan in het EFSA-rekenmodel wordt beschouwd. In Nederland ligt de jaargemiddelde windsnelheid tussen de 2,2 m/s landinwaarts tot 5,6 m/s aan de kust10. Een windsnelheid van 2,7 m/s, zoals in het EFSA-model wordt gehanteerd, kan als representatief worden gehanteerd voor een scenario waarin langdurige blootstelling voor in principe 10 jaar11 dient te worden beschouwd, mede in aanmerking nemend dat bij hogere windsnelheden de blootstelling lager zal zijn. Immers bij een windsnelheid van 5 m/s volgens het Activiteitenbesluit wordt drift verspreid over een groter oppervlak, waardoor de belasting op een individuele locatie afneemt12. Ook op dit vlak leidt de conservatieve aanname uit het EFSAmodel qua windbelasting tot een overschatting van de driftblootstelling. In het model kan de toepassing van een scherm of afschermende beplanting niet worden gemodelleerd. De driftblootstelling kan worden berekend op afstanden van 2 tot 10 meter uit de rand van het behandelde gewas. De drift als gevolg van opwaarts spuiten kan niet worden bepaald bij afstanden lager dan 5 meter. Daarnaast komen afstanden van 2-3 meter in de praktijk zelden voor (vanwege aanwezige sloten).
In onderhavig onderzoek wordt dan ook gerekend met afstanden van 5 meter en 10 meter, om tevens de gewasbeschermingsmiddelen te kunnen vergelijken.
8 EFSA, Guidance on the assessment of exposure of operators, workers, residents and bystanders in risk assessment for plant
protection products, EFSA Journal 2014;12(10):3874, 25 9 https://www.hse.gov.uk/pesticides/using-pesticides/codes-of-practice/code-of-practice-for-using-plant-protectionproducts.htm, paragraaf 4.7.3 10 https://nl.wikipedia.org/wiki/Wind_(meteorologie) 11 Dit is de ‘planhorizon’ in de context van de ruimtelijke ordening. 12 Ook bij hogere windsnelheden dient te worden voldaan aan de vereiste driftreductie, zodat bij hogere windsnelheden geen grotere drift mag ontstaan dan bij lagere windsnelheden, terwijl de maximale dosis per toepassing/teeltseizoen ook is gemaximeerd in de gebruiksvoorschriften.
Adromi B.V.
wil/R202048/2002
Pagina 14 van 22
Duindamseweg 1-3 Noordwijk
De blootstelling aan dampen wordt berekend aan de hand van Britse13 en Duitse methoden14. De hand-mondblootstelling voor kinderen is gebaseerd op de Modified Californian Method15,16 en data van de Environmental Protection Agency van de Verenigde Staten (2001)17. Het EFSA-model biedt inzicht hoe gewasbeschermingsmiddelen via blootstelling aan drift via verschillende routes door het menselijk organisme kunnen worden opgenomen: - Respiratoir, dus door inademing van aërosolen en dampen; - Oraal, bijvoorbeeld doordat dingen in de mond worden gestoken welke zijn blootgesteld aan gewasbeschermingsmiddelen (met name relevant voor kinderen die meer handmondbewegingen maken en eerder geneigd zijn dingen in de mond te stoppen); - Dermaal, dus via de huid. In het EFSA-model is voor onderhavige onderzoek de maximale blootstelling per jaar van kinderen van 1 tot 3 jaar in een woonsituatie18 bepalend, omdat kinderen gevoeliger zijn voor blootstelling aan gevaarlijke stoffen. Voor kinderen jonger dan één jaar is door de EFSA verondersteld dat blootstelling aan gewasbeschermingsmiddelen lager is, aangezien diverse blootstellingsroutes uit het rekenmodel, zoals hand-mond contact, voor deze groep niet plausibel worden geacht. Dit punt komt nog nader, in 4.4.2, aan de orde.
Op basis van het EFSA-rekenmodel heeft het Ctgb alle in Nederland toegelaten bestrijdingsmiddelen aan een herbeoordeling onderworpen. De conclusie van het Ctgb was, dat zich bij geen van de toegelaten bestrijdingsmiddelen een risico voordoet voor omwonenden19. Vanaf 1 januari 2016 worden de EUROPOEM-modellen niet meer gebruikt voor de beoordeling van bestrijdingsmiddelen, maar is het Ctgb overgeschakeld op het EFSA-model. Hierbij is er steeds van uitgegaan dat de teeltpercelen (gronden waarop bestrijdingsmiddelen worden toegepast) niet door de toekomstige bewoners zal worden betreden20, maar dat enkel de blootstelling aan drift in het plangebied zelf relevant is. De uitkomsten van de modelberekening zijn bij deze rapportage gevoegd21.
13 CRD (The Chemical Regulation Directorate, UK), 2008. Bystander Exposure Guidance. 14 Martin S, Westphal D, Erdtmann-Vourliotis M, Dechet F, Schulze-Rosario C, Stauber F, Wicke H and Chester G, 2008.
Guidance for exposure and risk evaluation for bystanders and residents exposed to plant protection products during and after application Journal für Verbraucherschutz und Lebensmittelsicherheit, 3, 272–281. 15 Fuller R, Klonne D, Rosenheck L, Eberhart D, Worgan J and Ross J, 2001. Modified California Roller for measuring transferable residues on treated turfgrass. Bulletin of Environmental Contamination and Toxicology, 67, 787–794. 16 Rosenheck L, Cowell J, Mueth M, Eberhart D, Klonne D, Norman C and Ross J, 2001. Determination of a standardized sampling technique for pesticide transferable turf residues. Bulletin of Environmental Contamination and Toxicology, 67, 780–786. 17 US EPA (US Environmental Protection Agency), 2001. Science Advisory Council for Exposure, policy number 12, recommended revisions to the standard operating procedures (SOPs) for residential exposure assessments. Office of Pesticide Programs, Health Effects Division, Washington, DC, USA. 18 Met name verblijf / spelen in de tuin. 19 Ctgb, brief d.d. 21 oktober 2015 aan de Staatssecretaris van het ministerie IenM, nummer 20L5LO21Ot49, de achterliggende berekeningen zijn opgevraagd, maar niet verkregen.
20 ‘Entry into treated crops’ – dit is anders voor de toegangswegen, zie ook 5.3.3 en 5.3.4 21 Een overzicht van de uitkomsten is in de bijlage toegevoegd als .pdf, maar de desbetreffende Excel-bestanden van de berekeningen met het EFSA-model behoren uitdrukkelijk ook tot onderhavige rapportage.
Adromi B.V.
wil/R202048/2002
Pagina 15 van 22
Duindamseweg 1-3 Noordwijk
4.2. Invoergegevens Op basis van het toelatingenregister van het Ctgb is duidelijk dat bij de betrokken teelt(en) tal van gewasbeschermingsmiddelen kunnen worden toegepast. Op dit vlak is daarom een selectie gemaakt van diverse middelen die als representatief kunnen worden beschouwd voor de betrokken situatie. 4.2.1. Glyfosaat (Roundup) Roundup (36% glyfosaat) is een veel toegepaste herbicide. Het middel wordt zowel pleksgewijs toegepast als voor het integraal doodspuiten. In onderhavige rapportage is worstcase uitgegaan van integrale behandeling voorafgaand aan het seizoen en niet van spotsgewijze toepassing. Voor de invoer van de gegevens in het EFSA-model, is uitgegaan van de volgende gegevens: - Werkzame stof: glyfosaat - Neerwaarts spuiten - Spuittechniek: handmatig - Bladsituatie: niet relevant - Watervolumeschaal: 200-400 l/ha - Halfwaardetijd (DT50): 500 dagen22 - ‘Reference value non acutely toxic active substance’ (RVNAS) is de ‘Acceptable Operator Exposure Level’ (AOEL): 0,1 mg/kg bw/day22 - ‘Reference value acutely toxic active substance’ (RVAAS) is de ‘Acute reference dose’ (ARfD): 0,5 mg/kg bw22 - Dermale opname actieve stof: 1%22 - Orale en inhalatoire opname actieve stof: 20%22 - Dampdruk: 1,31x10-5 Pa (25°C)22 Voor de toepassing van Roundup geldt het wettelijk gebruiksvoorschrift23 op grond waarvan deze maximaal 8 l/ha/jaar mag worden toegepast.
Bij een gehalte werkzame stof van 360 gram per liter bedraagt de maximale werkzame stof daarmee 2,88 kg/ha. 4.2.2. Azadirachtin (Neemazal TS) Neemazal TS (10% azadirachtin) is een middel dat wordt gebruikt tegen diverse insecten. Neemazal mag worden gebruikt op aardappelen, bloemisterijgewassen, boomkwekerijgewassen, vaste planten en openbaar groen. Voor de invoer van de gegevens in het Efsa-model, is uitgegaan van de volgende gegevens: - Maatgevend middel: azadirachtin - Neerwaarts spuiten - Spuittechniek: DRT 90 - Bladsituatie: volblad situatie - Afbraaktermijn: 25 dagen24 22 EFSA, EFSA (European Food Safety Authority), 2015. Conclusion on the peer review of the pesticide risk assessment
of the active substance glyphosate. EFSA Journal 2015; 13 (11):4302, 107 pp. doi:10.2903/j.EFSA.2015.4302 23 Ctgb, Gebruiksvoorschrift Roundup, 11 november 2016 24 European Food Safety Authority; Conclusion on the peer review of the pesticide risk assessment of the
Adromi B.V.
wil/R202048/2002
Pagina 16 van 22
Duindamseweg 1-3 Noordwijk
-
‘Reference value non acutely toxic active substance’ (RVNAS) is de ‘Acceptable Operator Exposure Level’ (AOEL): 0,1 mg/kg bw/day25 ‘Reference value acutely toxic active substance’ (RVAAS) is de ‘Acute Reference Dose’ (ARfD): 0,75 mg/kg bw/day26 Dermale opname actieve stof: 10%27 Orale en inhalatoire opname actieve stof: 100% (worst - default value) Dampdruk: 1.9 x 10-20 Pa (25 °C)28
De maximale dosis per toepassing bedraagt 2,5 l/ha en per jaar 10 l/ha in 4 behandelingen met een tussenperiode van 7 dagen29. Bij een gehalte werkzame stof van 10 gram per liter bedraagt het jaarlijkse verbruik werkzame stof maximaal 0,1 kg/ha. 4.2.3. Mancozeb (Dithane DG NewTec) Dithane (75% mancozeb) wordt gebruikt voor de bestrijding van schimmels in siergewassen, maar ook ter bestrijding van aardappelziekte en schurft. Er is uitgegaan van de volgende gegevens: - Samenstelling: dispergeerbaar granulaat - Neerwaarts spuiten - Spuittechniek: DRT 50 - Bladsituatie: niet relevant - Watervolumeschaal: 200–400 l/ha30 - Halfwaardetijd (DT50): 8,2 dagen31 - ‘Reference value non acutely toxic active substance’ (RVNAS) is de ‘Acceptable Operator Exposure Level’ (AOEL): 0,035 mg/kg bw/day31 - ‘Reference value acutely toxic active substance’ (RVAAS) is de ‘Acute Reference Dose’ (ARfD): 0,6 mg/kg bw/day31 - Dermale opname actieve stof: 0,11-0,24%31 - Orale en inhalatoire opname actieve stof: 100% (worst case - standaardwaarde) - Dampdruk: 1,33 x 10-5 Pa (20 °C)31 - Gehalte werkzame stof: 750,0 g/kg32 Qua dosering wordt uitgegaan van maximaal 2 kg per ha per behandeling in maximaal 8 behandelingen per teeltcyclus met een interval van minimaal 7 dagen32. Bij een aandeel werkzame stof van 75% bedraagt het jaarlijkse gebruik 12 kg per hectare per jaar.
active substance azadirachtin. EFSA Journal 2011;9(3):1858. [76 pp.]. doi:10.2903/j.efsa.2011.185 25 Zie vorige noot 26 Zie vorige noot 27 Zie vorige noot 28 Zie vorige noot 29 Ctgb, gebruiksvoorschrift Neemazal 4 september 2020 30 Volgens het gebruiksvoorschrift maximaal 675 l/ha voor bloemisterijgewassen 31 European Commission, DG Food&Safety. Review report for the active substance mancozeb, SANCO/4058/2001 rev. 4.4, juli 2009 32 Ctgb, gebruiksvoorschrift voor Dithane DG NewTec, 1 januari 2019
Adromi B.V.
wil/R202048/2002
Pagina 17 van 22
Duindamseweg 1-3 Noordwijk
4.2.4. Thiacloprid (Calypso) Calypso (48% Thiacloprid) is een insecticide welke behoort tot de neonicotinoïden. Thiacloprid is de werkzame stof in het bestrijdingsmiddel Calypso en heeft een relatief hoog verspreidingsrisico33. Om die reden is ook dit gewasbeschermingsmiddel in de beoordeling betrokken als zijnde representatief. Het middel wordt gebruikt voor de bestrijding van bladluizen, fruitvliegjes en kevers in diverse gewassen. Voor de invoer van de gegevens in het EFSA-model, is uitgegaan van de volgende gegevens: - Werkzame stof: thiacloprid - Neerwaarts spuiten - Spuittechniek: DRT 50 - Bladsituatie: niet relevant - Watervolumeschaal: 500-1500 l/ha - Halfwaardetijd (DT50): 16,8 dagen34 - ‘Reference value non acutely toxic active substance’ (RVNAS) is de ‘Acceptable Operator Exposure Level’ (AOEL): 0,02 mg/kg bw/day34 - ‘Reference value acutely toxic active substance’ (RVAAS) is de ‘Acute Reference Dose’ (ARfD): 0,03 mg/kg bw/day34 - Dermale opname actieve stof: 0,2% actieve stof en 14% oplossing34 - Orale en inhalatoire opname actieve stof: 100% (worst case - standaardwaarde) - Dampdruk: 8 x 10-10 Pa (25 °C)34 De maximum middeldosis bedraagt voor siergewassen 0,25 l/ha per jaar in maximaal 2 behandelingen met een tussenpoos van 7 dagen35. Per jaar is dus sprake van maximaal 0,5 l/ha werkzame stof. Het gehalte werkzame stof is 480 g/l en is daarmee 0,24 kg/ha per jaar.
4.3. Resultaten EFSA Tabel 1 toont de resultaten van het EFSA-model voor omwonenden van spuitzones, gebruikmakende van de invoergegevens uit paragraaf 4.2. In de tabel wordt het percentage weergegeven van de AOEL die ontstaat bij blootstelling aan drift. De Acceptable Operator Exposure Level (AOEL), in het EFSA-model gedefinieerd als ‘Reference value non acutely toxic active substances’ (RVNAS), is in eerste instantie bedoeld voor de toepasser van gewasbeschermingsmiddelen, maar is ook gangbaar voor omwonenden, wat in het kader van dit onderzoek wordt gebruikt. Bij percentages onder de 100% wordt het blootstellingsniveau als acceptabel beschouwd. Zoals blijkt wordt geen AOEL overschreden op een afstand van 5 meter, uitgaande van het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen bij bloemen/sierteelt en bloemisterijgewassen. 33 Wenneker, M., Kruijne, R., & Vissers, M. (2012). Emissieroutes van gewasbeschermingsmiddelen uit de fruitteelt in Utrecht. Praktijkonderzoek Plant en Omgeving, Bloembollen, Boomkwekerij & Fruit. 34 European Commission, Renewal Assessment Report prepared according to the Commission Regulation (EU) N° 1107/2009. Thiacloprid: List of end points, 2017 35 Ctgb, gebruiksvoorschrift Calypso, 24 mei 2019
Adromi B.V.
wil/R202048/2002
Pagina 18 van 22
Duindamseweg 1-3 Noordwijk
Gewasbeschermingsmiddel Werkzame stof Roundup Neemazal Dithane Calypso
glyfosaat azadirachtin mancozeb thiacloprid
Afstand 5m 36,60% 10,22% 5,35% 7,24%
10 m 30,13% 8,58% 4,51% 6,81%
Tabel 1: Berekende percentages van de 'Acceptable Operator Exposure Level' (AOEL) waaraan een omwonend kind van 3 jaar kan worden blootgesteld zonder schadelijke gezondheidseffecten
Het EFSA-model geeft resultaten voor zowel kinderen als volwassenen, maar omdat kinderen gevoeliger zijn voor blootstelling aan giftige stoffen (lager lichaamsgewicht, hogere opnamekans via hand / objecten / mond), worden de AOEL-waarden voor kinderen als bepalend geacht voor een woonsituatie. Op basis van het EFSA-model zal kortom vanaf een afstand van 5 meter uit het teeltperceel sprake zijn van een ruimtelijk aanvaardbare situatie. Voor het aangrenzende perceel ten zuidwesten betekent dit dat, rekening houdend met de teeltvrije zone en de watergang van 4,66 meter, in principe een strook van 34 centimeter moet worden aangehouden waar menselijk verblijf zou moeten worden uitgesloten. Voor het agrarisch bestemde perceel ten noorden, aan de overzijde van de Duindamseweg geldt dat dit is gelegen op een afstand van 16,50 meter, zodat ruim wordt voldaan aan de berekende veiligheidsafstanden. 4.4. Beoordeling overige factoren In deze paragraaf worden de uitkomsten van het EFSA-model nader geduid en in context geplaatst. 4.4.1. Cumulatie en interactie In de omgeving zullen verschillende bestrijdingsmiddelen kunnen worden gebruikt. Toekomstige bewoners zullen dan mogelijk blootgesteld worden aan al deze middelen. Ook vindt opname plaats van diverse gewasbeschermingsmiddelen via reguliere etenswaren, waarover het RIVM in 2018 een rapport heeft gepubliceerd36.
Het onderzoek bepaalt de cumulatieve blootstelling door stoffen op te tellen die op hetzelfde orgaan werking hebben. Hier werd opgemerkt dat bij de bepaling van cumulatieve blootstelling aan alle in de teelt voorkomende gewasbeschermingsmiddelen eerst een overzicht benodigd is van op alle aangrijpingspunten in het lichaam. Hetzelfde geldt uiteraard ten aanzien van het aspect interactie/synergisme bij blootstelling aan diverse stoffen. In de vastgestelde Acceptable Exposure Levels (maximaal toelaatbaar blootstellingsniveau) is niet specifiek rekening gehouden met cumulatieve of elkaar versterkende effecten. Tegelijkertijd wordt bij het vaststellen van het maximaal toelaatbare blootstellingsniveau uit voorzorg wel rekening gehouden met een onzekerheidsmarge. Hoewel cumulatieve effecten niet kunnen worden uitgesloten, hebben de verschillende bestrijdingsmiddelen vaak een ander aangrijpingspunt op het metabolisme van een 36 RIVM, 2018. Cumulative exposure to residues of plant protection products via food in the Netherlands
Adromi B.V.
wil/R202048/2002
Pagina 19 van 22
Duindamseweg 1-3 Noordwijk
insect, een schimmel of een plant. In lijn daarmee ligt niet voor de hand dat er sprake zal zijn van (volledige) cumulatieve effecten op het menselijke organisme. Onderzoek naar cumulatieve blootstelling is in zeer beperkte mate beschikbaar, onder meer vanwege de complexiteit van de onderlinge werkingen van de actieve stoffen ook al zou gelden dat voor iedere individuele stof het maximaal toelaatbare blootstellingsniveau niet zou worden overschreden. Het aspect cumulatie kan daarbij worden beschouwd als een aspect dat ook deels de problematiek van blootstelling aan drift overstijgt, aangezien cumulatie een rol kan spelen in relatie tot blootstelling aan tal val stoffen (uitlaatgassen, depositie van industriële bedrijvigheid, uittredende stoffen van bouwmaterialen, voedingsmiddelen, cosmetica, bekleding, verpakkingen, op zichzelf niet schadelijke stoffen die in combinatie met andere stoffen leiden tot verhoogde schadelijkheid etc.). Van belang is hierbij, dat er geen wetenschappelijke consensus bestaat over een aanvaardbaar cumulatief blootstellingsniveau. Op basis van de uitkomsten van de berekeningen met het EFSA-model is wel duidelijk dat de blootstelling aan individuele stoffen ver onder het maximale blootstellingsniveau zullen liggen, waardoor het risico op cumulatief te hoge blootstelling vergelijkbaar is met een onverhoopt te hoge blootstelling aan andere bronnen. 4.4.2.
Kinderen jonger dan 1 jaar Het EFSA-model biedt niet de mogelijkheid om conclusies te trekken voor wat betreft de blootstelling van kinderen jonger dan 1 jaar en ongeboren kinderen. Voor de kinderen jonger dan 1 jaar kan er echter wel van worden uitgegaan dat blootstelling primair plaatsvindt door inhalatie en in beperkte mate via directe blootstelling van de huid / mond. Dit omdat kinderen jonger dan drie jaar beperkt zelfstandig mobiel zijn en in principe worden vervoerd in kinderwagen of vergelijkbaar. Blootstelling via hand-mondbewegingen (speelgoed, vegetatie en andere objecten welke aan drift hebben blootgestaan en die worden aangeraakt met hand en eventueel aansluitend mond) kan in principe meer worden uitgesloten. Uitgaande van een woonsituatie zullen kinderen jonger dan 1 jaar die ter plaatse worden geboren maximaal 1 jaar en 9 maanden blootgesteld staan aan drift, waarna v.w.b. langdurige blootstelling wordt voldaan aan de uitkomsten van het Efsa-model. Tegelijkertijd is wel sprake van hogere kwetsbaarheid vanwege het lagere gemiddelde lichaamsgewicht. Als voor wat betreft de beoordeelde gewasbeschermingsmiddelen bij wijze van indicatie geen rekening wordt gehouden met opname via de mond en alleen rekening wordt gehouden met blootstelling via inhalatie en de huid, dan is sprake van een ruime marge tot aan de maximaal toegelaten blootstellingsnormen.
Hierbij speelt verder een rol dat deze normering is gebaseerd op de inhalatiewaarden van kinderen van 1 tot 3 jaar, dus kinderen met een al grotere longinhoud, ondanks het lagere lichaamsgewicht. Voor wat betreft ongeboren kinderen geldt dat het lichaam van de moeder in eerste instantie bescherming biedt tegen blootstelling. De maximale blootstelling overschrijdt daarbij hoe dan ook niet de AOEL omdat de blootstelling van de foetus kan worden beschouwd als een klein percentage van de blootstelling die de moeder ondervindt.
Adromi B.V.
wil/R202048/2002
Pagina 20 van 22
Duindamseweg 1-3 Noordwijk
5.
Conclusie
In verband met het plan voor de bouw van GOM-woningen aan de Duindamseweg 1-3 te Noordwijk heeft een onderzoek plaatsgevonden naar de blootstelling aan gewasbeschermingsmiddelen door drift vanwege: 1) aangrenzende percelen gelegen ten zuidoosten van het plangebied, waarbij sprake is van een tussengelegen watergang en een teeltvrije zone van samen 4,66 meter 2) een agrarisch bestemd perceel ten noordoosten van het plangebied (overzijde Duindamseweg) op minimaal 16,50 meter. Op de betrokken agrarische percelen wordt een gebruik voor teelt van bloemen / bloembollen als representatieve invulling van de maximale planologische situatie beschouwd. De mogelijke drift is berekend met het EFSA-model, mede nu dit model kan worden beschouwd als Europese wetenschappelijke standaard voor de blootstelling van personen aan bestrijdingsmiddelen bij de toepassing daarvan in hun rol als gebruiker, passant en omwonende. Het EFSA-model hanteert toepassingsomstandigheden op het vlak van windsnelheid en driftreductie welke ten opzichte van de Nederlandse toepassingsvoorschriften op grond van het Activiteitenbesluit milieubeheer in principe zullen leiden tot een overschatting van de maximale driftblootstelling. Er zijn met het EFSA-model meerdere bestrijdingsmiddelen beoordeeld welke als representatief kunnen worden beschouwd voor wat betreft de blootstelling.
Relevant voor onderhavige woonsituatie is de blootstelling van een 1 tot 3-jarig kind (spelen in de tuin bij de woning), waarbij het teeltperceel zelf niet zal worden betreden. Op basis van het EFSA-model wordt geen overschrijding berekend van de Acceptable Exposure Levels op een afstand van 5 meter uit de teeltpercelen. Bij het gebruik van het EFSA-model dienen echter tevens diverse onzekerheidsfactoren te worden gewogen. Dit betreft een gebrek aan gegevens omtrent de effecten van cumulatieve blootstelling aan (onder meer) gewasbeschermingsmiddelen, de blootstelling van kinderen jonger dan één jaar en de blootstelling van ongeboren kinderen. Op een afstand van 10 meter bedraagt het maximale blootstellingsniveau aan individuele gewasbeschermingsmiddelen circa 30% van het maximaal toegelaten blootstellingsniveau. Met het oog op de betrokken onzekerheden kan ervoor worden gekozen voor plaatsing van een haag op de zuidoostelijke perceelgrens. Hiermee kan optredende drift verder worden gereduceerd. Er kan hierbij worden uitgegaan van een haag met een hoogte minimaal circa 1 meter, ervan uitgaande dat bij neerwaarts toepassen van gewasbeschermingsmiddelen niet hoger dan 0,50 meter boven maaiveld wordt gespoten.
Het perceel aan de overzijde van de Duidamseweg is vanwege de grotere onderlinge afstand geen directe aanleiding tot het nemen van aanvullende maatregelen in de vorm van een haag.
Adromi B.V.
wil/R202048/2002
Pagina 21 van 22
Duindamseweg 1-3 Noordwijk
Bijlagen 1) 2) 3) 4)
Berekening op basis van het EFSA-model voor Glyfosaat Berekening op basis van het EFSA-model voor Azachdirachtin Berekening op basis van het EFSA-model voor Mancozeb Berekening op basis van het EFSA-model voor Thiacloprid
In het overzicht zijn de berekeningen opgenomen als .pdf. Echter de tot deze rapportage behorende berekeningen zijn aangeleverd / bijgevoegd als Excel-bestand.
Adromi B.V.
wil/R202048/2002
Pagina 22 van 22
Bijlage 3 Stikstofonderzoek
65/116
66/116
Stikstofonderzoek verschilberekening Duindamseweg 1-3, Noordwijk
Stikstofonderzoek verschilberekening Duindamseweg 1-3, Noordwijk
Datum Kenmerk Auteur Vrijgave
: : : :
8 oktober 2024 A2816-07/NKO/rap4 Mevr. ing. N.S. Koops Mevr. B. van den Hoed MSc
Opdrachtgever
:
Alma Vastgoed
© IDDS b.v. Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze uitgave mag worden vermenigvuldigd, opgeslagen in een geautomatiseerd bestand en/of openbaar gemaakt door middel van druk, fotokopie, microfilm, elektronisch of anderszins zonder voorafgaande, schriftelijke toestemming van de uitgever.
Stikstofonderzoek Duindamseweg 1-3, Noordwijk
- A2816-07/NKO/rap4
2/28
Inhoudsopgave Inleiding ........................................................................................................................ 4 Wettelijk kader .............................................................................................................. 6
3.1 3.2 3.3 3.4 3.5
Beoordeling planvoornemen ...................................................................................... 7 Bouwwerktuigen tijdens de sloop- en aanlegfase ......................................................... 7 Sloopfase (tijdelijke effect van 1 maand – rekenjaar: 2025) .......................................... 8 Aanlegfase (tijdelijk effect van 11 maanden – rekenjaar: 2025) .................................. 11 Gebruiksfase ................................................................................................................ 13 AERIUS-modellen ........................................................................................................ 16 Rekenresultaten en conclusie projecteffect ........................................................... 17
5.1 5.2 5.3
Berekening referentiesituatie ................................................................................... 18 Bepaling referentiesituatie ........................................................................................... 18 Gebruiksfase referentiesituatie .................................................................................... 21 Resultaat referentiesituatie .......................................................................................... 25
6.1 6.2
Rekenresultaten en conclusie verschilberekening ................................................ 26 Verschilberekening ...................................................................................................... 26 Conclusie ..................................................................................................................... 27 Bijlagen ....................................................................................................................... 28
Stikstofonderzoek Duindamseweg 1-3, Noordwijk
- A2816-07/NKO/rap4
3/28
Inleiding Aan de Duindamseweg 1-3 in Noordwijk worden de bestaande panden gesloopt om plaats te maken voor maximaal 22 GOM woningen. De woning aan Duindamseweg 3a blijft behouden. Deze woning wordt in deze berekening daarom buiten beschouwing gelaten. De voorgenomen werkzaamheden betreffen de sloop van de huidige opstallen en realisatie van nieuwbouwwoningen. Voor het beoogde plan is een stikstofonderzoek nodig, omdat stikstofgevoelige Natura 2000gebieden in de omgeving liggen. Een stikstofberekening is uitgevoerd voor de sloop-, aanleg en gebruiksfase. Figuur 1 illustreert de impressie van het planvoornemen waarin de verschillende woningen zichtbaar zijn. Figuur 2 toont een globale afbakening van het plangebied.
Figuur 1: Impressie planvoornemen
Stikstofonderzoek Duindamseweg 1-3, Noordwijk
- A2816-07/NKO/rap4
4/28
Figuur 2: Globale afbakening plangebied
In dit rapport wordt eerst het wettelijk kader behandeld. Vervolgens wordt het planvoornemen in hoofdstuk 3 beoordeeld. Hierin wordt uiteengezet welke uitgangspunten gehanteerd worden als input voor de AERIUS Calculator. Vervolgens worden de rekenresultaten in hoofdstuk 4 beschreven. Hoofdstuk 5 geeft een beschrijving van de referentiesituatie en de daarbij behorende uitstoot en verkeersbewegingen. In hoofdstuk 6 zijn de resultaten van de verschilberekening beschreven, gevolgd door de conclusie. De bijlagenlijst en literatuurlijst zijn in hoofdstuk 7 opgenomen.
Stikstofonderzoek Duindamseweg 1-3, Noordwijk
- A2816-07/NKO/rap4
5/28
Wettelijk kader De uitspraak van de Raad van State van 2 november 2022 heeft een streep gezet door de tijdelijke vrijstelling van de stikstofuitstoot als gevolg van de sloop-, aanleg- en bouwfase, zoals opgenomen in de Wet stikstofreductie en natuurverbetering (Wsn). Hierdoor dient het stikstofonderzoek net als voorheen niet alleen de gebruiksfase te beslaan, maar ook rekening te houden met (de mobiele voertuigen die ingezet worden bij) de sloop-, aanleg- en bouwfase. Bovendien zal met de intreding van de Omgevingswet ook een inspanningsverplichting gaan gelden om de stikstofuitstoot bij bouwprojecten te verminderen. Door deze uitspraak dienen stikstofberekeningen te worden uitgevoerd zoals voor 1 juli 2021 het systeem was. Dit betekent dat zoals onder de uitspraak van de Raad van State op 29 mei 2019 een project met een geringe depositietoename van 0,01 mol/ha/jaar al vergunningsplichtig kan zijn (artikel 2.7 en 2.8 Wnb). Oftewel, ook relatief kleinschalige projecten dienen zorgvuldig op hun stikstofdepositie getoetst te worden om aan Europese regelgeving te kunnen voldoen (en stand te houden bij de Raad van State in geval van een beroep).
Deze berekening is opgesteld met behulp van AERIUS Calculator versie 2024 Eventuele vervolgstappen Bij een stikstofdepositie uitkomst boven 0,00 mol/ha/jr, zijn verschillende mogelijkheden om te bepalen of een nieuwe ontwikkeling in aanmerking komt voor een positief besluit/vergunning in het kader van de Wet natuurbescherming. De eerstvolgende stap hierin is intern salderen. Een belangrijke uitspraak hierover is gedaan door de Raad van State op 20 januari 2021 (ECLI:NL:RVS:2021:71) in de zaak Logtsebaan. Kort gezegd komt het erop neer dat als gevolg van deze uitspraak bij gebruikmaking van intern salderen géén vergunningplicht geldt in het kader van de Wet natuurbescherming. Als intern salderen geen oplossing biedt kan met behulp van onder andere een ecologische voortoets gekeken worden of significante effecten op Natura 2000-gebieden uitgesloten kunnen worden.
Stikstofonderzoek Duindamseweg 1-3, Noordwijk
- A2816-07/NKO/rap4
6/28
Beoordeling planvoornemen In Tabel 1 zijn de nabijgelegen Natura 2000-gebieden met de bijhorende afstand tot het plangebied en stikstofgevoeligheid beschreven. Tabel 1: Natura 2000-gebieden in de omgeving van het plangebied Natura 2000-gebied
Afstand tot het plangebied
Stikstofgevoeligheid
Kennemerland-Zuid
546 meter
Zeer gevoelig
Coepelduynen
4,1 kilometer
Zeer gevoelig
Beoordeeld wordt of als gevolg van het project de kwaliteit van het natuurlijke leefgebied of de habitat van soorten in een Natura 2000-gebied kan verslechteren. Met behulp van het voorgeschreven rekenprogramma AERIUS is de aanleg- en gebruiksfase van het planvoornemen doorgerekend. Figuur 3 geeft het plangebied weer met de dichtstbijzijnde Natura 2000-gebieden.
Figuur 3: Uitsnede rondom het plangebied met het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied
3.1
Bouwwerktuigen tijdens de sloop- en aanlegfase
Bij het definiëren van de bronkenmerken voor mobiele werktuigen in AERIUS Calculator wordt gekozen voor de sectorgroep Mobiele werktuigen en de specifieke sector Bouw, Industrie en Delfstoffenwinning. Sinds de update van de AERIUS Calculator van 20 januari 2022 wordt gevraagd bij het invoeren van een mobiel werktuig naar de stageklasse, het brandstofverbruik per jaar, het
Stikstofonderzoek Duindamseweg 1-3, Noordwijk
- A2816-07/NKO/rap4
7/28
aantal draaiuren per jaar en het AdBlue verbruik per jaar. Brandstofverbruik Voor het brandstofverbruik wordt er gebruik gemaakt van het Excel document ‘tabellen bij rapport TNO 2021 R12305 AUB (AdBlue verbruik, Uren, en Brandstofverbruik)’. Dit document is gepubliceerd op 13 december 2021 en bevat de gemiddelden van brandstofverbruik in liters per uur afhankelijk van het gemiddelde belastingpercentage (35% tenzij anders aangegeven) en kW. AdBlue verbruik Het AdBlue verbruik is op basis van het ‘Eindrapport data onderzoek mobiele machines in Nederland’ (Dellaert, et al., 2021) berekend. In dit rapport wordt uitgegaan van een verbruik van 7% AdBlue per liter diesel. Oftewel een fractie van 0,07 liter AdBlue per liter. In onderstaande berekening is worstcase uitgegaan van een fractie van minimaal 0,05 liter AdBlue voor mobiele werktuigen met een stageklasse IV, omdat het SCR-systeem in bouwwerktuigen pas optimaal werkt bij een warme motor. Voor mobiele werktuigen met stage klasse IV uit bouwjaar 2014 wordt worstcase uitgegaan van 0,05 liter Adblue per liter. Voor nieuwere mobiele werktuigen uit bouwjaar 2015 of nieuwer houden we rekening met 0,06 liter Adblue per liter. Planning Het uitgangspunt voor de start van de sloopwerkzaamheden beginnen in 2025 met een duur van circa één maand.
Volgens de planning van de opdrachtgever zal de volledige aanlegfase starten in 2025 en 11 maanden duren. Overeenkomstig de "Instructie gegevensinvoer AERIUS Calculator 2024" van BIJ12 is er rekening gehouden met het uitgangspunt dat de depositiebijdrage van een project wordt gemodelleerd over de aaneengesloten 12 maanden waarin de depositie het hoogst is. Dit resulteert in een verdeling van de sloopfase over rekenjaar 2025, aanlegfase over de rekenjaren 2025. De verwachte oplevering van het plan is eind 2026, om deze reden is de gebruiksfase volledig ingevoerd in het rekenjaar 2026. Tabel 2 geeft een overzicht van de planning van de bouw zoals ingevoerd in AERIUS. Tabel 2: Planning sloop-, aanleg- en gebruiksfase voor invoer AERIUS Jaar
Fase
Invoer termijn
Sloop
1 maand
Aanleg
11 maanden
Gebruik
12 maanden
2025
2026
3.2
Sloopfase (tijdelijke effect van 1 maand – rekenjaar: 2025)
De sloopfase bestaat uit de sloop van de bestaande bebouwing om zo ruimte te maken voor de nieuwbouw. In onderstaande tabel zijn de machines opgenomen die benodigd zijn tijdens de sloopfase. De totale sloop bestaat uit de sloop van alle aanwezige gebouwen. Op basis van de BAG Viewer blijkt dat ca. 614 m2 aan geregistreerde gebouwen aanwezig is, hierbij is de bebouwing op Duindamseweg 3a buiten beschouwing gehouden. Daarnaast staan er nog wat losse opstallen, zoals te zien op onderstaande afbeelding.
Stikstofonderzoek Duindamseweg 1-3, Noordwijk
- A2816-07/NKO/rap4
8/28
Figuur 4: Uitsnede BAG Viewer
Zoals te zien op onderstaande luchtfoto is te zien dat het gebouw op Duindamseweg 3 niet meer aanwezig is, deze wordt dus niet meegenomen als te slopen bebouwing.
Figuur 5: Luchtfoto van plangebied
Stikstofonderzoek Duindamseweg 1-3, Noordwijk
- A2816-07/NKO/rap4
9/28
In onderstaande afbeelding is de bestaande bebouwing en verharding op het plangebied te zien.
Figuur 6: Bestaande bebouwing op Duindamseweg 1 en aanwezige verharding (Google Streetview)
De input uit een offerte voor het slopen van de bebouwing en verharding wordt in deze berekening gebruikt als input om te bepalen hoeveel sloopafval vrijkomt bij de sloop. In onderstaande tabel is te zien hoeveel sloopafval vrijkomt in de sloopfase. Op basis daarvan is een inschatting gemaakt voor de inzet van het materieel, zoals te zien in Tabel 4. Tabel 3: Sloopafval in sloopfase (2025) Soort
Hoeveelheid in kuub
Bouw- en sloop
144 kuub
Puin
172 kuub
Hout
67,5 kuub
Oud ijzer
23,4 kuub
Totaal
407 kuub
Tabel 4: Benodigd materieel gedurende de sloopfase 2025
Bron Graafmachine
Bouwjaar vanaf
Type motor
kW
2014
Diesel
200
Stikstofonderzoek Duindamseweg 1-3, Noordwijk
Brandstof
Stage klasse
Brandstof verbruik l/h
Draaiuren
verbruik l/j
Stage IV
19,81
40
792
- A2816-07/NKO/rap4
Ad Blue gebruik (5%) 39
10/28
Rijdend verkeer tijdens de sloopfase Op basis van de input van het bouw-/sloopbedrijf is onderstaande tabel ingevuld. Hieruit volgt dat 21 vrachten (= 42 bewegingen) benodigd zijn voor de sloop van de bestaande bebouwing en verharding. Tabel 5: Sloopafval en aantal vrachten in de sloopfase (2025) Soort
Hoeveelheid in kuub
Grootte container
Bouw- en sloop
144 kuub
30 kuub
5 vrachten
Puin
172 kuub
15 kuub
12 vrachten
Hout
67,5 kuub
30 kuub
3 vrachten
Oud ijzer
23,4 kuub
30 kuub
1 vracht
Totaal
407 kuub
-
21 vrachten
Aantal vrachten
Tabel 6: Inzet verkeersbewegingen gedurende de gehele sloopfase Bron (verkeer)
Totaal aantal voertuigen
Totaal aantal bewegingen
Categorie
Vrachtwagens
21
42
Zwaar verkeer
Bestelwagen/ personenauto’s
160
320
Licht verkeer
Worstcase is gekozen om de genoemde getallen in te voeren als jaargemiddelde. Aangezien de sloop feitelijk gezien een tijdelijk effect betreft, zal de emissie na de sloopfase stoppen. Aansluitend bij de richtlijnen “Instructie gegevensinvoer AERIUS Calculator 2024” van BIJ12 is rekening gehouden met stationair emissie. Deze emissie is meegenomen in de volgende paragraaf. In paragraaf 3.4 is een verantwoording voor de route van het wegverkeer en de filevorming opgenomen. 3.3
Aanlegfase (tijdelijk effect van 11 maanden – rekenjaar: 2025)
Op basis van inventarisatie bij de opdrachtgever zijn de benodigde mobiele bronnen vastgesteld. In de onderstaande tabellen zijn de eigenschappen en gegevens van de mobiele bronnen weergegeven. De mobiele bronnen worden gemodelleerd in AERIUS op basis van het aantal draaiuren. Voor de hijswerkzaamheden in de aanlegfase wordt een torenkraan en hijskraan ingezet. Gekozen is om de torenkraan elektrisch in te zetten, deze wordt opgeladen aan een bouwstroomaansluiting (380 volt) op het perceel. De woningen worden gefaseerd gebouwd. Alle woningen bestaan uit een modulaire bouwmethode. Dit betekent dat gebruik wordt gemaakt van in de fabriek geproduceerde bouwdelen, die op de locatie worden opgebouwd. Na het skelet wordt alles met de hand afgebouwd. Daarbij wordt gebruik gemaakt van steigers. In de prefab woningdelen is een
Stikstofonderzoek Duindamseweg 1-3, Noordwijk
- A2816-07/NKO/rap4
11/28
fundering aanwezig, voor de fundering is enkel een heistelling benodigd die de palen in de grond slaat. Voor de verplaatsing van materialen wordt een shovel ingezet. Verder is bronbemaling niet benodigd. Tabel 7: Benodigd materieel gedurende de aanlegfase 2025 Bouwjaar vanaf
Type motor
kW
Torenkraan
-
Elektrisch
Graafmachine
2017
Hijskraan
Brandstof
Ad Blue gebruik
Stage klasse
Brandstof verbruik l/h
Draaiuren
-
-
-
-
-
-
Diesel
120
Stage IV
11,76
260
3.058
183
2017
Diesel
80
Stage IV
8,02
460
3.689
221
Shovel
2018
Diesel
140
Stage IV
13,50
220
2.970
178
Heistelling
2017
Diesel
260
Stage IV
24,85
132
3.280
197
Bron
Verbruik l/j
(6%)
Rijdend verkeer tijdens de aanlegfase Voor de aanleg van de woningen wordt gebruik gemaakt van diverse transportbewegingen voor de aanvoer van bouwmateriaal, de mobiele bronnen en het personeel. Hiervoor is uitgegaan van onderstaande worstcase gegevens: • •
580 vrachtwagens in totaal; Worstcase 20 bestelbussen en personenauto’s per dag.
Voor het aantal werkbare dagen rekenen we met 20 werkbare dagen per maand. Uitgaande van 11 maanden, resulteert dit in 220 werkbare dagen voor de gehele aanlegfase. Tabel 8 geeft het totaal aantal bewegingen per categorie in de aanlegfase weer. Tabel 8: Inzet verkeersbewegingen gedurende de gehele aanlegfase Bron (verkeer)
Totaal aantal voertuigen
Totaal aantal bewegingen
Categorie
Vrachtwagens
580
1.160
Zwaar verkeer
Bestelwagen/ personenauto’s
4.400
8.800
Licht verkeer
Worstcase is gekozen om de genoemde getallen in te voeren als jaargemiddelde. Aangezien de bouw feitelijk gezien een tijdelijk effect betreft, zal de emissie na de aanlegfase stoppen. In paragraaf 3.4 Gebruiksfase is een verantwoording voor de route van het wegverkeer en de filevorming opgenomen. Stationaire emissie wegverkeer Vrachtwagens die van en naar de projectlocatie rijden worden op locatie geladen en/of gelost, waarbij de motor regelmatig blijft draaien. Aansluitend bij de richtlijnen “Instructie gegevensinvoer AERIUS Calculator 2024” van BIJ12 is de emissie voor de vrachtwagens bepaald, bij stationair draaien. Per vrachtwagen wordt uitgegaan van een laad/lostijd van 15 minuten (= 1/4 uur). Dit is de gemiddelde tijd die nodig is om een vrachtwagen te legen of vol te
Stikstofonderzoek Duindamseweg 1-3, Noordwijk
- A2816-07/NKO/rap4
12/28
zetten. Uitgegaan is van zwaar wegverkeer voor de laad- en losactiviteiten binnen het plangebied. Voor de invoering is gekozen om dit als los vlak in te voeren. De stationaire draaiuren zijn op basis van Tabel 6 en Tabel 8 bepaald. De resulterende gegevens zijn in Tabel 9 weergegeven en ingevoerd in AERIUS. Tabel 9: Emissie berekening stationaire draaiuren vrachtwagens sloop en aanlegfase Zwaar wegverkeer emissie stationair
Tijd stationair
Invoer in AERIUS
(gram per uur)
(in uren)
(kilogram per jaar)
92,4864 NOx
(580+21) * ¼ = 150,25
13,89608 NOx
0,8976 NH3
601 * ¼ = 150,25
0,1349 NH3
Jaar
2025
Koude start wegverkeer TNO en PBL stellen jaarlijks een set generieke emissiefactoren vast voor het wegverkeer in Nederland. De huidige AERIUS Calculator houdt rekening met de bevindingen en de laatste wetenschappelijke inzichten. Hierdoor is de koude start nu expliciet een eigen categorie in het rekenmodel. De reden hiervoor is dat de katalysator van een motor bij een koude start niet optimaal werkt, waardoor tijdelijk sprake is van een hogere emissie. Conform de ‘Instructie gegevensinvoer AERIUS Calculator 2024’ van BIJ12 wordt rekening gehouden met de volgende gegevens: -
De koude start geldt enkel voor vertrekkend verkeer; Voertuigen die langer dan 2 uur met een stilstaande motor aanwezig zijn, tellen als koude start; Per situatie wordt gekeken of een lijn- of vlakbron beter aansluit bij de situatie; en Worstcase wordt rekening gehouden dat het effect van een koude start na gemiddeld 1 minuut is verdwenen.
De ingevoerde aantallen zijn afgeleid van Tabel 6 en Tabel 8 Deze zijn conform de ‘Instructies gegevensinvoer AERIUS Calculator 2024’ van BIJ12 gemodelleerd als vlakbron. Tabel 10: Aantal voertuigen met koude start gedurende de gehele aanlegfase
Jaar
Bron
Voertuigen met koude start
Zwaar verkeer
(21 + 580) = 601
Licht verkeer
(160 + 4.400) = 4.560
2025
3.4
Gebruiksfase
Bij de berekening van de stikstofdepositie in de gebruiksfase is uitgegaan van de “Instructie gegevensinvoer AERIUS Calculator 2024” van BIJ12, tenzij anders aangegeven. Sinds 2018 dienen nieuwe woningen gasloos te worden opgeleverd. Voor de verwarming van de nieuwe woningen zal gebruik worden gemaakt van een lucht-water warmtepomp. Wel zijn de verkeersgegevens gebruikt als invoergegevens voor het AERIUS-rekenmodel.
Stikstofonderzoek Duindamseweg 1-3, Noordwijk
- A2816-07/NKO/rap4
13/28
Op grond van de CROW-publicatie ‘Toekomstbestendig parkeren – Van parkeercijfers naar parkeernormen’ (december 2018) is uitgegaan van de onderstaande gegevens als input voor in de Calculator. Voor de verkeersbewegingen wordt uitgegaan van de norm per weekdag. Het vrachtverkeer naar en van woongebieden is doorgaans verwaarloosbaar, maar is in de CROWpublicatie wel in cijfers verwerkt. Als gemiddelde wordt in de publicatie gehanteerd: 0,02 vrachtautobewegingen per woning per werkdag-etmaal. In deze berekening houden we worstcase 2% bewegingen middelzwaar verkeer per dag per woning aan. Op basis van de omgevingsadressendichtheid van 381 adressen voor Buitengebied Noordwijk Noord wordt uitgegaan van een niet stedelijk gebied. Gezien de ligging in het buitengebied wordt uitgegaan van de categorie Buitengebied. De gegevens zijn weergegeven in Tabel 11 en zijn ingevoerd in de AERIUS Calculator. Tabel 11: Verkeersgegevens toekomstige situatie voor AERIUS-berekening Functieaanduiding Koop, tussen/hoek huis Verdeling categorie
Aantal woningen
Norm verkeersbewegingen per dag
Invoer in AERIUS verkeersbewegingen per dag
8,6
189,2
22 -
middelzwaar verkeer (2%)
0,44
98% lichtverkeer:
188,76 100% via de Schulpweg en Provinciale weg
Verdeling route
Opgemerkt wordt dat vanwege de planologische realisatie sprake is van een toename van de verkeersbewegingen. De AERIUS-berekening gaat uit van het totale plan, niet het verschil met de bestaande situatie omdat dit het feitelijke projecteffect bepaalt. Uitgaande dat het verkeer grotendeels gebruik maakt van de Duindamseweg en de Schulpweg richting het zuiden. Via die route zijn zowel Noordwijkerhout als de provinciale weg goed bereikbaar. Vanaf de Schulpweg is het verkeer qua rij- en stopgedrag niet meer te onderscheiden van de het overige verkeer. Dit voldoet aan de richtlijnen zoals vastgesteld in de richtlijnen “Instructie gegevensinvoer AERIUS Calculator 2024” van BIJ12. Verantwoording heersend verkeer en stagnatiefactor Om vast te stellen in hoeverre het verkeer vanuit het project opgaat in het heersende verkeer, is gebruik gemaakt van gegevens van het Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit (CIMLK). Hier zijn monitoringsgegevens van wegverkeer beschikbaar. Route: Duindamseweg → Schulpweg Uit de gegevens van het CIMLK is de verkeersintensiteit bepaald op de Schulpweg ter hoogte van Schulpweg 131. Op dit segment zijn de volgende gegevens bekend: • • •
6.956 verkeersbewegingen licht verkeer per dag; 674 verkeersbewegingen middelzwaar verkeer per dag; en 117 verkeersbewegingen zwaar verkeer per dag;
Hieruit volgt dat:
Stikstofonderzoek Duindamseweg 1-3, Noordwijk
- A2816-07/NKO/rap4
14/28
•
•
•
Een toename van circa 188,76 verkeersbewegingen licht verkeer per dag in de gebruiksfase, zoals bepaald in Tabel 11, verhoudingswijs resulteren in een toename van circa (188,76 / 6.956 * 100 =) 2,7%; Een toename van 0,44 verkeersbewegingen middelzwaar verkeer per dag in de gebruiksfase, zoals bepaald in Tabel 11, verhoudingswijs resulteren in een toename van circa (0,44 / 674 * 100 =) 0,065%; en Een toename van (1.202 / 240 (werkbare dagen) =) 5 verkeersbewegingen zwaar verkeer per dag in de aanlegfase, zoals bepaald in Tabel 6 en Tabel 8, verhoudingswijs resulteren in een toename van circa (5 / 117 * 100 =) 4,3%.
Aansluitend bij de richtlijnen van BIJ12 wordt het verkeer opgenomen in het heersende verkeersbeeld bij enkele procenten. Met bovengenoemde percentages wordt hier aan voldaan Op dit segment geldt een stagnatiefactor van 0%. Dit leidt tot een invoer in de AERIUS Calculator waarbij worstcase een percentage van 1,0% wordt gebruikt voor het berekenen van de filevorming.
Figuur 7: Uitsnede input CIMLK met in het rood omcirkeld een aanduiding van het plangebied (RIVM – CILMK kaart)
Koude start wegverkeer Conform de ‘Instructie gegevensinvoer AERIUS Calculator 2024’ wordt bij de gebruiksfase rekening gehouden met een koude start. Voor de verantwoording, wordt verwezen naar paragraaf 3.3. Aanlegfase Voor de invoer in AERIUS wordt rekening gehouden met de onderstaande aantallen welke zijn afgeleid van Tabel 11. Opgemerkt wordt dat dit aantal enkel het vertrekkend verkeer is. In Tabel 12 is de daadwerkelijke koude start weergegeven. Tabel 12: Aantal voertuigen met koude start gedurende de gebruiksfase per dag Bron (verkeer)
Voertuigen met koude start
Licht verkeer
188,76 / 2 = 94,38
Middel zwaar verkeer
0,44 / 2 = 0,22
Stikstofonderzoek Duindamseweg 1-3, Noordwijk
- A2816-07/NKO/rap4
15/28
3.5
AERIUS-modellen
Voor de sloop-, aanleg- en gebruiksfase zijn de gegevens ingevoerd in de AERIUS Calculator. Voor de sloop- en aanlegfase is uitgegaan van het jaar 2025. Voor de gebruiksfase is gerekend met het jaar 2026. Dit is worstcase het eerste jaar dat het volledige programma is gerealiseerd. De Calculator heeft de emissie en depositie van het plan berekend. De onderstaande uitsneden zijn opgenomen om weer te geven welke bronnen op welke locatie zijn voorzien.
Figuur 8: Uitsnede AERIUS calculator sloop- en aanlegfase 2025
Figuur 9: Uitsnede AERIUS calculator gebruiksfase 2026
Stikstofonderzoek Duindamseweg 1-3, Noordwijk
- A2816-07/NKO/rap4
16/28
Rekenresultaten en conclusie projecteffect Het projecteffect is berekend met behulp van de AERIUS Calculator. Hierbij is een berekening gemaakt voor de uitstoot van de bouwmachines en het verkeer in de sloop- en aanlegfase en het verkeer in de gebruiksfase. De conclusie luidt dat mogelijk stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden worden getroffen door deze ontwikkeling. De rekentool geeft op basis van de opgestelde input, rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/j. Als gevolg van het planvoornemen treedt daarom een toename van de stikstofdepositie op in Natura 2000-gebied Kennemerland-Zuid. In de aanlegfase zijn de stikstofdeposities zoals in onderstaande tabel is weergegeven. In het natuurgebied ‘Kennemerland-Zuid’ treedt stikstofdepositie op. Tabel 13: Stikstofdepositie als gevolg van de bouwfase op Kennemerland-Zuid (rekenjaar 2025) Kennemerland-Zuid Habitattype H2130A H2180C H2160 Lg12 H2170 H2180A H2130B H2180Ao H2120 ZGH2130B H2150 H2180B H2190B H2110
Naam habitattype Grijze duinen (kalkrijk) Duinbossen (binnenduinrand) Duindoornstruwelen Zoom, mantel en droog struweel van de duinen Kruipwilgstruwelen Duinbossen (droog), berken-eikenbos Grijze duinen (kalkarm) Duinbossen (droog), overig Witte duinen Grijze duinen (kalkarm) Duinheiden met struikhei Duinbossen (vochtig) Vochtige duinvalleien (kalkrijk) Embryonale duinen
Stikstofdepositie in mol/ha/jr 0,09 0,09 0,06 0,05 0,04 0,04 0,03 0,02 0,02 0,01 0,01 0,01 0,01 0,01
In de gebruiksfase zijn de stikstofdeposities zoals in onderstaande tabel is weergegeven. In het natuurgebied ‘Kennemerland-Zuid’ treedt stikstofdepositie op. Tabel 14: Stikstofdepositie als gevolg van de gebruiksfase op Kennemerland-Zuid Kennemerland-Zuid Habitattype H2130A H2180C H2160 Lg12 H2130B H2180A H2170 H2120 H2180Ao H2190B
Naam habitattype Grijze duinen (kalkrijk) Duinbossen (binnenduinrand) Duindoornstruwelen Zoom, mantel en droog struweel van de duinen Grijze duinen (kalkarm) Duinbossen (droog), berken-eikenbos Kruipwilstruwelen Witte duinen Duinbossen (droog), overig Vochtige duinvalleien (kalkrijk)
Stikstofdepositie in mol/ha/jr 0,04 0,04 0,03 0,03 0,02 0,02 0,02 0,01 0,01 0,01
Omdat het projecteffect hoger is dan 0,00 mol/ha/jr, geldt een mogelijke vergunningsplicht. Hiertoe is nader onderzoek nodig, waarbij zoals aangegeven de eerste stap is te onderzoeken of intern salderen een oplossing biedt.
Stikstofonderzoek Duindamseweg 1-3, Noordwijk
- A2816-07/NKO/rap4
17/28
Berekening referentiesituatie 5.1
Bepaling referentiesituatie
Gelet op de berekende overschrijding in de toekomstige situatie, is een verschilberekening (intern salderen) opgesteld om te achterhalen of de toekomstige situatie ondanks de verhoging van > 0,00 mol/ha/jr leidt tot een betere situatie dan de oude situatie. In deze stap wordt gekeken of het projecteffect ten opzichte van de referentiesituatie per saldo leidt tot een toename in stikstofdepositie ten opzichte van stikstofgevoelig Natura 2000-gebied. Beleidsregels salderen Zuid-Holland 2024 Bij het toepassen van intern salderen is het nodig de referentiesituatie op te stellen. De referentiesituatie wordt vergeleken met de toekomstige situatie. Het verschil tussen de twee wordt uitgerekend in een verschilberekening. Voor de bepaling van de referentiesituatie wordt gebruik gemaakt van vaste jurisprudentie. Hierbij maken we gebruik van de ‘Beleidsregel salderen Zuid-Holland 2024’, geldend vanaf 09-02-2024. Op basis van artikel 1 lid j dient voor de referentiesituatie uitgegaan te worden van 7 december 2004 of de datum waarop het desbetreffende gebied door de Europese Commissie tot een gebied van communautair belang is verklaard, voor zover die verklaring heeft plaatsgevonden na 7 december 2004. Voor het bepalen of de vervolgstap intern salderen genomen kan worden, wordt verder de handreiking van Bij12 ‘Handreiking intern en extern salderen’ gebruikt.
Gelet op de informatie van BIJ12 is het gebied Kennemerland-Zuid op 7 december 2004 aangewezen als Natura 2000-gebied. Aangezien dit stikstofonderzoek wordt gebruikt voor een bestemmingsplanwijziging geldt als referentiesituatie de werkelijke situatie zoals aanwezig ten tijde van het vaststellen van het bestemmingsplan. Om van intern salderen gebruik te maken zijn een aantal criteria opgesteld: •
•
•
•
Intern salderen mag niet plaatsvinden met een slapende vergunning. Het saldo waarmee intern salderen plaatsvindt moet in gebruik zijn, de gebouwen moeten aanwezig zijn en zonder technisch ingrijpen te gebruiken; Er wordt uitgegaan van de feitelijk gerealiseerde capaciteit. Als deze capaciteit lager is dan de vergunde activiteit, vervalt het recht voor het gebruik van de stikstofruimte voor intern salderen zoals vastgesteld in de vergunning; Op de locatie waar de activiteit gepland is, is reeds een bepaalde stikstofemissie toegestaan. Deze is onderbouwd met rechtsgeldige documenten. In dat geval kan gekeken worden of via intern salderen toestemming verleend kan worden (BIJ12) Als er geen sprake is van een reeds bestaande toestemming is geen referentiesituatie aanwezig. In dat geval kan intern salderen geen uitkomst bieden en kan worden bekeken of extern salderen uitkomst kan bieden (BIJ12)
Stikstofonderzoek Duindamseweg 1-3, Noordwijk
- A2816-07/NKO/rap4
18/28
Figuur 10:
Situatie in 2004
Figuur 11:
Situatie in 2006
Stikstofonderzoek Duindamseweg 1-3, Noordwijk
- A2816-07/NKO/rap4
19/28
Figuur 12:
Situatie in 2022 (huidig)
De gronden achter de woningen Duindamseweg 1-3 binnen het beoogde plan zijn van oorsprong agrarisch. Het plangebied bevindt zich in het poldergebied Noordzijderpolder, op onderstaande kaart is op de kaart van 1850 te zien dat het gebied verkaveld is voor agrarisch gebruik.
Figuur 13:
Weergave oorspronkelijk gebruik binnen het plangebied (Bron: Topotijdreis, 1850)
In het plangebied geldt het bestemmingsplan ‘Duinrand’ wat onherroepelijk is vastgesteld op 21 december 2011. Binnen het plangebied geldt de bestemming wonen, tuin en agrarisch. De agrarische bestemming is bestemd voor onder andere bollenteelt en tuinbouw. In de ‘Nota beantwoording zienswijzen ontwerpbestemmingsplan Duinrand’ bijgevoegd bij het vaststellingsbesluit van het bestemmingsplan ‘Duinrand’ is benoemd dat de grond jarenlang feitelijk is gebruikt voor agrarische bestemming met de teelt van bollen. Daarop aansluitend
Stikstofonderzoek Duindamseweg 1-3, Noordwijk
- A2816-07/NKO/rap4
20/28
wordt hierin benoemd dat uit luchtfoto’s uit 1999, 2006 en 2011 blijkt dat steeds sprake is geweest van agrarisch gebruik. De huidige bestemming van het perceel is ‘agrarisch’. De bestemming ‘agrarisch’ zal in de nieuwe situatie niet meer aanwezig zijn. Hiermee wordt voldaan aan de criteria voor intern salderen. Hieruit wordt geconcludeerd dat voor de referentiesituatie uit kan worden gegaan van agrarisch gebruik met bollenteelt. 5.2