Bijlage Ontwerpbestemmingsplan De Zilk Het Zilt - Toelichting
Tekst van het document
Om voldoende sociale huurwoningen te realiseren stelt de gemeente als regel dat per woningbouwproject 30% van de woningbouw uit sociale huurwoningen met een prijs tot de hoge aftoppingsgrens bestaat. Het aantal sociale huurwoningen groeit dan in de gemeente met minimaal 775 woningen naar een totaal van ruim 5.000 woningen: een groei van het aandeel van 22% naar 23%. Ten slotte streeft de gemeente ernaar dat de duurzaamheid van huur- en koopwoningen verbeterd wordt. Beoordeling en conclusie Onderhavig plan is opgenomen in de harde plancapaciteit en kan bijdragen aan de gemeentelijke woningbouwopgave. Ook kwalitatief sluit het plan aan op de lokale behoefte.
31
5
Planologische uitvoerbaarheid
5.1
Milieuaspecten
5.1.1
Besluit milieueffectrapportage (m.e.r.) Het instrument milieueffectrapportage De milieueffectrapportage (hierna: m.e.r.) is een hulpmiddel om het milieubelang een volwaardige plaats te geven in de besluitvorming. De wettelijke basis voor de m.e.r. is de Wet milieubeheer. In de uitvoeringswetgeving, het Besluit m.e.r., staat wanneer een m.e.r. of (vormvrije) m.e.r.-beoordeling aan de orde is. De activiteit van het project, de omvang ervan en het besluit over de activiteit zijn daarbij bepalend. In de onderdelen C en D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. staat of sprake is van m.e.r.-plicht of (vormvrije) m.e.r.-beoordelingsplicht. Per categorie van activiteiten is een drempelwaarde voor de omvang van de activiteit gegeven.
Schema m.e.r.-plicht vanwege Besluit m.e.r. (Bron: www.Infomil.nl)
Bovenstaande afbeelding laat zien dat wanneer een besluit over een activiteit die qua omvang boven de C-drempel blijft voor dat besluit een m.e.r.-plicht geldt. Tussen de C- en D-drempel geldt een m.e.r.-beoordelingsplicht. Onder de D-drempel moet het bevoegd gezag via een vormvrije beoordeling nagaan of een formele m.e.r.beoordeling nodig is. In een m.e.r.-beoordeling bekijkt het bevoegd gezag of een project mogelijk belangrijke nadelige milieugevolgen heeft. Als dat zo is, moet een m.e.r.-procedure worden doorlopen. Ook in de vormvrije m.e.r.-beoordeling bekijkt het bevoegd gezag of een project mogelijk belangrijke nadelige milieugevolgen heeft. Deze beoordeling is qua inhoud vormvrij. Als belangrijke nadelige gevolgen niet zijn uit te sluiten, dan moet de formele m.e.r.-beoordelingsprocedure worden doorlopen. Uiteraard kan ook direct voor een m.e.r. gekozen worden. Sedert een wetswijziging, waarmee een herziening van de Europese m.e.r.-richtlijn is geïmplementeerd, is ook de vormvrije m.e.r.-beoordeling aan regels gebon-den. De toetsingscriteria lagen al vast, maar nu zijn er ook procedureregels. Vooraf-gaand aan de besluitvorming over het besluit, moet een aanmeldingsnotitie worden ingediend bij het bevoegd gezag. Op grond van de inhoud van deze notitie moet het bevoegd gezag binnen zes weken gemotiveerd oordelen of voor de activiteit een MER moet wor-
32
den opgesteld. Dit besluit hoeft niet openbaar te worden gemaakt. Wel zal in het ontwerp van het besluit aan deze m.e.r.-beoordelingsbeslissing moeten worden toegelicht. Voor plannen, die een kader vormen voor een activiteit waarvoor op grond van de bijlage bij het Besluit m.e.r. een m.e.r. moet worden doorlopen dan wel een formele m.e.r.-beoordeling moet worden uitgevoerd, moet een planMER worden opgesteld. Toetsing M.e.r.-plicht op grond van Besluit m.e.r. De realisatie van een woonwijk wordt als een activiteit genoemd in bijlage onderdeel D van het Besluit m.e.r. Categorie D.11.2 betreft namelijk ‘de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen’. De drempelwaarde is als volgt geformuleerd: “in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op: 1°. een oppervlakte van 100 hectare of meer, 2°. een aaneengesloten gebied en 2.000 of meer woningen omvat, of 2 3°. een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m of meer.” Dit uitwerkingsplan biedt de mogelijkheid om woningen te realiseren binnen de ontwikkelingslocatie Het Zilt in De Zilk. Dit is een activiteit die is genoemd in de D-lijst (categorie D 11.2 Stedelijk ontwikkelingsproject). Het plan ligt evenwel met 130 woningen ruim onder de drempelwaarde van 2.000 woningen. Om die reden is een vormvrije m.e.r-beoordeling benodigd.
Het doel van een vormvrije m.e.r.-beoordeling is het geven van inzicht in de milieueffecten van het plan en na te gaan of er belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zijn te verwachten. De vormvrije m.e.r.-beoordeling is uitgevoerd en dit heeft geleid tot een separaat rap3 port, dat als bijlage aan deze toelichting is toegevoegd . De uitkomst van de toets is dat er geen sprake is van bijzondere omstandigheden ten aanzien van de kenmerken en locatie van het project die zouden kunnen leiden tot belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu. Voor de meeste milieuaspecten geldt dat er geen effect optreedt. Uitsluitend wat betreft geluid is sprake van een zeer beperkt negatief milieueffect, maar dit betreft geen belangrijk nadelig milieugevolg. De conclusie is dan ook dat belangrijke nadelige milieugevolgen zijn uitgesloten. Het volgen van een m.e.r.-(beoordelings-) procedure is daarom niet nodig. Na het opstellen van de deze vormvrije-m.e.r beoordeling is de wet en regelgeving ten aanzien van stifstof veranderd. Ten behoeve van stikstof is een separaat actueel onderzoek uitgevoerd. In paragraaf 5.2.2.2 wordt daar nader op ingegaan. Geconcludeerd wordt dat milieueffecten niet op voorhand kunnen worden uitgesloten. Ten behoeve van het project is daarom een aanvraag ingediend om aanspraak te maken op de depositieruimte in het stikstofregistratiesysteem (SSRS).
Deze aanvraag is nog in behandeling. De overschrijding is niet dusdanig dat een MER noodzakelijk geacht wordt.
3
Notitie vormvrije m.e.r.-beoordeling, De Zilk, Het Zilt, Gemeente Noordwijkerhout, SAB, 15 maart 2018, kenmerk 160261.01. 33
Conclusie Het bevoegd gezag moet voor de vormvrije m.e.r.-beoordeling formeel het besluit nemen dat er geen milieueffectrapport opgesteld wordt in het kader van dit bestemmingsplan. Op grond van de Wet milieubeheer is het bevoegd gezag het bestuursorgaan dat bevoegd is tot het voorbereiden dan wel vaststellen van een plan of een besluit. In dit geval is door burgemeester en wethouders van de gemeente Noordwijk, voorafgaand aan de besluitvorming over het ontwerp van het bestemmingsplan, een m.e.r.-beoordelingsbesluit genomen op basis van de vormvrije m.e.r.beoordeling (de ‘aanmeldingsnotitie;). Daarin is de conclusie uit bovenstaande toetsing overgenomen, dat het niet noodzakelijk is om voor voorliggend plan een m.e.r. te doorlopen, omdat belangrijke nadelige gevolgen zijn uit te sluiten. Dit m.e.r.4 beoordelingsbesluit . is als bijlage bij dit bestemmingsplan gevoegd. 5.1.2
Geluid Algemeen De mate waarin het geluid, veroorzaakt door het wegverkeer en/of door inrichtingen, onder andere het woonmilieu mag belasten, is geregeld in de Wet geluidhinder (Wgh). In een bestemmingsplan moet volgens de Wgh worden aangetoond dat gevoelige functies, zoals een woning, een aanvaardbare geluidsbelasting hebben als gevolg van omliggende (spoor)wegen en industrieterreinen. Indien nieuwe geluidgevoelige functies worden toegestaan, stelt de Wgh de verplichting akoestisch onderzoek te verrichten naar de geluidsbelasting ten gevolge van omliggende (spoor)wegen en industrieterreinen. De woningen worden in het kader van de Wet geluidhinder aangemerkt als geluidgevoelig objecten. Onderzoek 5 Er is een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai uitgevoerd . Wat betreft het eveneens uitgevoerde akoestische onderzoek industrielawaai wordt verwezen naar paragraaf 5.1.6. De geluidbelasting vanwege de N206 is op het appartementencomplex hoger dan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB. Maatregelen zijn derhalve noodzakelijk. De geluidbelasting vanwege de N442 is nergens hoger dan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB. Nader onderzoek naar het geluid van deze weg is daarom niet noodzakelijk De geluidbelasting vanwege de Sportlaan bedraagt maximaal 49 dB. Aangezien het een 30 km/uur weg betreft is toetsing aan de Wgh niet noodzakelijk.
In het kader van een goede ruimtelijke ordening kan worden gesteld dat de geluidbelasting vanwege deze weg een goed woon- en leefklimaat niet in de weg staat. De geluidbelasting blijft ruim onder de hoogst toelaatbare geluidbelasting van 63 dB. De geluidbelasting vanwege de Zilkerduinweg bedraagt maximaal 49 dB. Aangezien het een 30 km/uur weg betreft is toetsing aan de Wgh niet noodzakelijk. In het kader van een goede ruimtelijke ordening kan worden gesteld dat uit jurisprudentie blijkt dat de geluidbelasting vanwege deze weg een goed woon- en leefklimaat niet
4
m.e.r.-beoordelingsbesluit. (concept).
5
Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai Het Zilt, De Zilk, SAB, kenmerk 160261, 27 mei 2021. 34
in de weg staat. De geluidbelasting blijft ruim onder de hoogst toelaatbare geluidbelasting van 63 dB. Ten aanzien van de overschrijdingen vanwege de N206 zijn stilasfalt maatregelen onderzocht. Deze maatregel levert een maximale reductie van 6 dB op. Hiermee biedt dit niet voldoende soelaas om te kunnen voldoen aan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB. Derhalve kan deze maatregel als niet doelmatig beschouwd worden. Bovendien betreft het hier een provinciale weg en is de gemeente hier niet bevoegd voor het nemen van deze maatregel. Aldus wordt ervan uitgegaan dat deze maatregel niet tot de mogelijkheden behoord. Ten aanzien van de overschrijdingen van de N206 is een schermmaatregel beschouwd. Om te kunnen voldoen aan de voorkeursgrenswaarde is een scherm noodzakelijk met een hoogte van meer dan 9 meter. Dit is stedenbouwkundig en landschappelijk niet inpasbaar, verder zal dit stuiten op bezwaren van financiële aard. Het realiseren van een scherm met een gangbare hoogte van circa 5 meter dient bij een zichthoek van circa 2 graden over een lengte te beschikken van circa 450 meter. De kosten voor een dergelijk scherm kan worden geschat op € 1.000.000,-. Een dergelijk scherm stuit evengoed op bezwaren van financiële aard en biedt bovendien niet voldoende soelaas. Deze maatregel is daarom ook niet nader beschouwd.
Voor het plangebied dienen hogere waarden te worden aangevraagd van maximaal 58 dB als gevolg van de geluidbelasting vanwege de N206.. Conclusie Het aspect akoestiek leidt niet tot belemmeringen voor onderhavig bestemmingsplan. Wel dienen hogere waarden te worden aangevraagd. 5.1.3
Bodem Algemeen In het kader van een bestemmingsplanprocedure moet zijn aangetoond dat de bodem en het grondwater geschikt zijn voor het beoogde gebruik. Verkennend en nader bodemonderzoek 6 Er is een verkennend en nader bodemonderzoek uitgevoerd in het kader van de beoogde ontwikkeling. In dit bodemonderzoek is overeenkomstig de NEN 5740 de milieuhygiënische bodemkwaliteit ter plaatse van het onderzoeksgebied vastgesteld (dit onderzoeksgebied betreft het reeds vastgestelde uitwerkingsplan als het zuidelijke deel van dit bestemmingsplangebied. Het noordelijke deel van het plangebied is maar beperkt meegenomen met dit onderzoek. Uit het onderzoek blijkt het volgende. Verontreiniging met PAK in ophooglaag In de grond met matige tot uiterste bijmengingen aan kolengruis en slakken zijn sterk verhoogde gehalten aan PAK gemeten. Er is hier sprake van een ophoog3 3 laag met een omvang van respectievelijk 40 m en 75 m (resp. lichtrood en lichtblauw aangeduid op navolgende kaart). De ophooglaag is heterogeen verontreinigd met PAK. Op basis van visuele waarnemingen kan niet uitgesloten worden
6
Verkennend en nader bodemonderzoek Locatie sportpark/zoutopslag te De Zilk, gemeente Noordwijkerhout, AnteaGroep, kenmerk 264392.02, datum 27 juni 2014. 35
dat er sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging (>25 m³ sterk verontreinigde grond). Het grondwater ter plaatse van de boringen ter hoogte van de voornoemde locaties bevat verder geen verhoogde concentraties aan PAK. Verontreiniging met nikkel in ophooglaag Ter plaatse van de lichtblauw aangeduide locatie is in het traject van 0,20 - 0,50 m -mv. een matig verhoogd gehalte aan nikkel gemeten. Tijdens het nader onderzoek is maximaal een licht verhoogd gehalte aan nikkel in de ophooglaag gemeten. Gezien het heterogene verspreidingsbeeld binnen de ophooglaag kan niet worden uitgesloten dat in het ophoogmateriaal zeer lokale verontreinigingen met nikkel aanwezig zijn. Verontreiniging met kwik in het grondwater In het grondwater uit twee peilbuizen zijn in het verkennend onderzoek matig tot sterk verhoogde concentraties aan kwik gemeten. Na herbemonstering is in het grondwater van de betreffende peilbuizen geen verhoogde concentratie aan kwik meer gemeten. Aangezien een mogelijke verontreinigingsbron niet aanwezig is worden de resultaten van de herbemonstering representatief geacht. Partij grond nabij de schuurtjes In het depot, gesitueerd in de directe omgeving van de schuurtjes op het sportcomplex (de locatie is lichtgeel aangeduid op de kaart), is geen asbest aangetoond. De partij is derhalve onverdacht op de aanwezigheid van asbest.
In de partij zijn verder een matig verhoogd gehalte aan zink en licht verhoogde gehalten aan lood en PAK gemeten. De partij voldoet indicatief aan de bodemkwaliteitsklasse Industrie. Overige waarnemingen In de boven- en ondergrond ter plaatse van de locatie zijn verder maximaal licht verhoogde concentraties in grond en grondwater gemeten. Er is op de zuidoostelijke rand van de onderzoekslocatie geen aanwijzing gevonden van een eventuele verspreiding van de verontreiniging met minerale olie van het aangrenzende perceel.
36
Kaartbeeld onderzoeksgebied en boorpunten met in verschillende kleuren de aandachtslocaties (bron: bodemonderzoek, bewerking: SAB)
Toetsing hypotheses De vooraf opgestelde hypothese 'onverdachte locatie’ wordt verworpen, vanwege de licht tot sterk verhoogde gehalten in de grond en de licht verhoogde concentraties in het grondwater. Aanbevelingen Partij grond nabij de schuurtjes Er wordt aanbevolen om de partij grond nabij de schuurtjes af te voeren naar een erkend verwerker, gezien het matig verhoogde gehalte aan zink en de beperkte hoeveelheid materiaal. Om te verifiëren of de omvang van de sterke verontreini3 ging met PAK in de ophooglagen meer of minder dan 25 m betreft, wordt aanbevolen om aanvullende monsters van het ophoogmateriaal analytisch te onderzoeken op PAK. Asbestonderzoek Tijdens het nader onderzoek zijn in de ophooglaag matig tot sterke bijmengingen met puin aangetroffen. De aanwezigheid van puin is in beginsel aanleiding om een locatie als asbestverdacht aan te merken. Geadviseerd wordt om een asbestonderzoek (NEN 5707 of NEN 5897) uit te voeren. Aangezien tijdens het uitgevoerde onderzoek diverse handboringen gestaakt zijn in deze ophooglaag, wordt geadviseerd dit asbestonderzoek gelijk op te schalen naar een nader asbestonderzoek. Hierbij worden er met behulp van een kraan sleuven gegraven. De aanwezige bosschage zal voorafgaand aan het onderzoek verwijderd moeten worden.
Om vast te stellen of de opslag van asbestverdacht materiaal bij de schuurtjes heeft geleid tot een bodemverontreiniging, zal een verkennend dan wel nader asbestonderzoek volgens de NEN 5707 uitgevoerd moeten worden. Uitgangspunt hierbij is dat de aangebrachte obstakels en het gronddepot vooraf dienen te zijn verwijderd.
37
Nader bodemonderzoek Gezien de resultaten uit het verkennend onderzoek is een nader bodemonderzoek 7 uitgevoerd . Met het nader bodemonderzoek is de aard, mate en omvang van de aangetroffen PAK en nikkel verontreiniging ter plaatse van twee boringen vastgesteld. De onderzoeksresultaten zijn als volgt. PAK is in de direct omringende boringen niet verhoogd aangetroffen. In één nieuwe boring (B08) buiten de inkadering van boring 130 is in de bovengrond een nieuwe sterke verontreiniging met PAK aangetoond. Geconcludeerd wordt dat PAK op de locatie heterogeen in de bovengrond aanwezig is waarbij lokaal het gehalte sterk verhoogd is. Ter plaatse van sleuven S09 en S11 langs de Stockweidesloot is op een diepte van 0,7 tot 1,2 m -mv een laag gebroken asfalt aangetroffen. Deze ophoog/puinlaag is tijdens voorgaand onderzoek ook in de ondergrond aangetroffen en kan mogelijk de oorzaak zijn van de aangetroffen sterke PAK verontreinigingen. Nikkel is in het huidige nader onderzoek niet verhoogd aangetroffen. Het opgeboorde en opgegraven puinmateriaal is visueel geïnspecteerd op de aanwezigheid van asbest. In het uitkomende materiaal is visueel en analytisch geen asbestverdacht materiaal aangetroffen. Ter plaatse van twee boringen (S09 en S11 langs de Stockweidesloot) is in de ondergrond een puinlaag van gebroken asfalt aanwezig.
Het PAK-gehalte is in alle onderzochte asfaltkernen lager dan 50 mg/kg. Hiermee is vastgesteld dat het asfalt op de locatie teervrij is. Bij werkzaamheden in de bodem dient rekening te worden gehouden met de veiligheidsmaatregelen conform de CROW-publicatie 132 ‘werken met verontreinigde grond en grondwater’.
7
Naderonderzoek zoutopslag te De Zilk (gemeente Noordwijkerhout), BK Ingenieurs, kenmerk 151299, 25 september 2015. 38
Kaartbeeld locatie boringen vervolgonderzoek
De bovenbeschreven bodemonderzoeken zijn beoordeeld door de Omgevingsdienst IJmond, In haar advies komt de omgevingsdienst tot de conclusie dat de aangetroffen lichte verontreiniging met een aantal stoffen geen belemmering vormt voor het voorgenomen toekomstig gebruik wonen met tuin. Wel komen plaatselijk bijmengingen met kolengruis, puin en asfaltbrokken voor, waarin spots met sterk verhoogde gehalten PAK zijn aangetoond. Bij de herinrichting van het terrein dient hiermee rekening te worden gehouden (afvoeren dan wel hergebruik op de locatie).
Voor de rest van het terrein geldt dat tijdens de onderzoeken visueel geen asbestverdacht materiaal op het maaiveld en in de opgeboorde/opgegraven grond is aangetroffen. Opgemerkt wordt dat door BK alleen de verdachte delen van het terrein zijn onderzocht en dat het onderzoek hierdoor slechts een indicatie van de mogelijke aanwezigheid van asbest op de locatie geeft. In het kader van het onderzoek van de puinfundatie is een monster van circa 25 kg geanalyseerd op asbest. Hierin is geen asbest (fractie 0,5 mm) aangetoond. Diverse nadere onderzoeken Vervolgens hebben in 2018 en 2019 diverse bodemonderzoeken plaatsgevonden op specifieke locaties binnen het plangebied. Voor het noordelijke deel betreft dit onderstaande onderzoekslocaties.
39
Boorpunten bodemonderzoek 18 mei 2018 (rode contour noordelijke plangebied)
Boorsleuf bodemonderzoek 5 oktober 2018 (rode contour uitsnede noordelijk plangebied)
40
Boorpunten bodemonderzoek 4 maart 2019 (rode contour noordelijk plangebied)
Conclusies noordelijke deelgebied Uit de onderzoeken blijk dat: Een deel van het gebied is niet meegenomen met het verkennend bodemonderzoek (zie afbeelding hierna) en daarmee niet onderzocht conform NEN 5740. Dit gebied zal in het kader van de omgevingsvergunning alsnog conform NEN 5740 onderzocht moeten worden. Ter plaatse van boringen 130 (0,2-0,5 m –mv) er een kolengruishoudende ophooglaag en ter plaatse van boring 209 (1,0-1,21 m –mv) is een matig puinhoudende ophooglaag aanwezig. De lagen zijn sterk verontreinigd met PAK. Ze zijn niet verontreinigd met asbest en niet tot licht vervuild met de overige parameters. Op grond van deze nadere onderzoeken blijkt dat voor de boorlocatie 130 een plan van aanpak opgesteld dient te worden dat goedgekeurd moet worden door de omgevingsdienst voordat er graafwerkzaamheden starten De bovengrond aan de randen van de locatie is niet tot licht verontreinigd met de onderzochte stoffen. De ondergrond en het grondwater aan de randen van de locatie zijn niet verontreinigd met de onderzochte stoffen.
41
Nog te onderzoeken locatie conform NEN 5740 (blauwe contour, rode contour noorderlijk plangebied)
Verkennend bodemonderzoek zuidelijk deelgebied Inleiding Er is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd voor het zuidelijke deelgebied van 8 de ontwikkelingslocatie Het Zilt . Het onderzoek is uitgevoerd conform de NEN5740 en geeft inzicht in de milieuhygiënische bodemkwaliteit ter plaatse.
Luchtfoto met contour plangebied (fuchsiarood) en onderzoeksgebied (blauw)
8
Rapport verkennend bodemonderzoek Zilkerduinweg De Zilk, AnteaGroep, kenmerk 1992413311, 15 mei 2017. 42
Grond De bodem bestaat tot de maximale boordiepte van 4,0 meter m-mv uit matig fijn zand. Zeer plaatselijk zijn resten plastic waargenomen. In de overige boringen zijn zintuiglijk geen bodemvreemde waarnemingen gedaan. In de bovengrond zijn plaatselijk licht verhoogde concentraties minerale olie aangetoond. Deze zijn niet te relateren aan huidige dan wel voormalige activiteiten op de locatie. Er zijn zintuiglijk ook geen waarnemingen gedaan die te relateren zijn aan de lichte verontreiniging. In de ondergrond zijn plaatselijk licht verhoogde concentraties zware metalen aangetoond. Daarnaast was in een mengmonster een matig verhoogde concentratie zink aangetoond. Na uitsplitsing bleek dat in de individuele monsters geen zink meer aanwezig was. Vanwege de aangetoonde verontreinigingen met minerale olie in de ondergrond gelden er gebruiksbeperkingen op de locatie. Deze zijn afhankelijk van het beoogde gebruik van de locatie. Grondwater In het grondwater zijn geen verhoogde concentraties gemeten van de geanalyseerde parameters. De vooraf opgestelde hypothese ‘verdachte locatie’ wordt formeel gezien aanvaard. Er zijn licht verhoogde concentraties in de bodem aangetoond. De onderzoeksresultaten geven vanuit de Wet bodembescherming geen aanleiding tot het uitvoeren van vervolgonderzoek, omdat de gemeten concentraties kleiner zijn dan de betreffende interventiewaarde.
Diverse nadere onderzoeken Vervolgens hebben in 2018 en 2019 diverse bodemonderzoeken plaatsgevonden op specifieke locaties binnen het plangebied. Conclusies zuidelijk deelgebied Op grond van de uitgevoerde onderzoeken kan het volgende geconcludeerd worden: Uit het verkennend bodemonderzoek voor het zuidelijke deelgebied komen geen belangrijke verontreinigingen. De matig puinhoudende ophooglaag is lokaal (bij boring 118 (0,5-0,8 m –mv) sterk verontreinigd met PAK, niet verontreinigd met asbest en niet tot licht verontreinigd met de overige parameters. Er is spraken van een niet-ernstige geval van bodemverontreiniging. De Bovengrond is niet tot licht verontreinigd met de onderzochte stoffen. De ondergrond is niet verontreinigd met de onderzochte stoffen. Het grondwater is niet tot licht verontreinigd met de onderzochte stoffen. Conclusie Het aspect bodem leidt vooralsnog niet tot belemmeringen voor onderhavig bestemmingsplan. .Wel dient de aanvraag voor een omgevingsvergunning voor het noordelijke deel nog een verkennend bodemonderzoek conform NEN5740 uitgevoerde worden voor het niet onderzochte deel. Voor de boorlocaties 130 (noordelijke deel) en 118 (zuidelijke deel) zal een plan van aanpak opgesteld dienen te worden dat goedgekeurd moet worden door de omgevingsdienst voordat er graafwerkzaamheden starten.
43
5.1.4
Luchtkwaliteit Algemeen Aspecten met betrekking tot luchtkwaliteit zijn verankerd in de Wet milieubeheer hoofdstuk 5, titel 5.2 en een implementatie van diverse Europese richtlijnen omtrent luchtkwaliteit waarin onder andere grenswaarden voor vervuilende stoffen in de buitenlucht zijn vastgesteld ter bescherming van mens en milieu. In Nederland zijn stikstofdioxide (NO2) en zwevende deeltjes als PM10 (fijn stof) de maatgevende stoffen waar de concentratieniveaus het dichtst bij de grenswaarden liggen. Overschrijdingen van de grenswaarden komen, uitzonderlijke situaties daargelaten, bij andere stoffen niet voor. Hoewel de luchtkwaliteit de afgelopen jaren flink is verbeterd kan Nederland niet voldoen aan de luchtkwaliteitseisen die in 2010 van kracht zijn geworden. De EU heeft Nederland derogatie (uitstel) verleend op grond van het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Dit betreft een gemeenschappelijke aanpak van het Rijk en diversie regio’s om samen te werken aan een schonere lucht waarbij ruimte wordt geboden aan noodzakelijke ruimtelijke ontwikkelingen. Plannen die in betekenende mate bijdragen aan luchtverontreiniging worden opgenomen in het NSL in de provincies c.q. regio’s waar overschrijdingen plaatsvinden. Het maatregelenpakket in het NSL is hiermee in evenwicht en zodanig dat op termijn de luchtkwaliteit in heel Nederland onder de grenswaarden ligt.
Plannen die ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bijdragen aan luchtverontreiniging hoeven niet langer individueel getoetst te worden aan de Europese grenswaarden aangezien deze niet leiden tot een significante verslechtering van de luchtkwaliteit. Deze grens is in de AMvB NIBM gelegd bij 3% van de grenswaarde van een stof: Voor NO2 en PM10 betekent dit dat aannemelijk moeten 3 worden gemaakt dat het project tot maximaal 1,2 µg/m verslechtering leidt. Voor een aantal functies (o.a. woningen, kantoren, tuin- en akkerbouw) is dit gekwantificeerd in de ministeriële regeling NIBM. Uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening wordt afgewogen of het aanvaardbaar is het project op deze plaats te realiseren. Hierbij kan de blootstelling aan luchtverontreiniging een rol spelen, ook als het project ‘niet in betekenende mate’ bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Er is sprake van een significante blootstellingsduur als de verblijfsduur die gemiddeld bij de functie te verwachten is, significant is ten opzichte van een etmaal. Volgens de toelichting op de Regeling Beoordeling luchtkwaliteit is dit onder andere het geval bij een woning, school of sportterrein. Gevoelige bestemmingen als scholen, kinderdagverblijven, bejaarden- en zorgtehuizen genieten op grond van de gelijknamige AMvB extra bescherming.
Substantiële uitbreiding of nieuw vestiging binnen 50 meter van een provinciale weg of 300 meter van een Rijksweg is alleen toegestaan als de concentraties luchtvervuilende stoffen zich onder de grenswaarden bevinden, waardoor geen onacceptabele gezondheidsrisico’s optreden.
44
Toetsing NIBM Onderhavig bestemmingsplan betreft de realisatie van 34 woningen (in een woningbouwplan met in totaal 130 woningen) en enkele niet-woonfuncties (detailhandel en G.O.E.D.). Voor wonen is vastgelegd wanneer het project NIBM is (dit is tot 1.500 woningen het geval). Voor de niet-woonfuncties geldt dit echter niet. Daarmee is niet meteen te stellen dat het plan kan worden aangemerkt als niet-in-betekenende mate bijdragend (NIBM) aan (een verslechtering van) de luchtkwaliteit. Om die reden is een toets met de NIBM-tool uitgevoerd. Hierbij zijn de verkeersintensiteiten gehanteerd die ook zijn gebruikt in het akoestische onderzoek. Wel zijn uitsluitend de functies opgenomen die onderdeel uitmaken van dit bestemmingsplan. Uitgaande van deze uitgangspunten is sprake van een verkeersaantrekkende werking van: Functie 18 appartementen (5,6 mvt/e per woning) 16 woningen (7,8 mvt/e per woning) supermarkt max. 500 m2 (89,5 mvt/e per 100 m2) Waarvan vrachtverkeer voor bevoorrading overige detailhandel en consumentverzorgende dienstverlening 100 m² (58,2 mvt/e per 100 m²) gezondheidscentrum met 5 behandelkamers (22,1 mvt/e per behandelkamer) Totaal
Aantal motorvoertuigen 100,8 mvt/e 124,8 mvt/e 447,5 mvt/e (4 mvt/e) 58,2 mvt/e 110,5 mvt/e 841,8 mvt/e (0,0048% vrachtwagens)
In de uitgevoerde worst-case berekening is uitgegaan van 845 mvt/e en een aandeel vrachtverkeer van 0,1%. Dit leidt tot de volgende rekenresultaten volgens de NIBMtool
Worst-case berekening voor de bijdrage van het extra verkeer als gevolg van een plan op de luchtkwaliteit Jaar van planrealisatie 2020 Extra verkeer als gevolg van het plan Extra voertuigbewegingen (weekdaggemiddelde) Aandeel vrachtverkeer Maximale bijdrage extra verkeer Grens voor "Niet In Betekenende Mate" in μg/m
3
0,65
PM10 in μg/m
3
0,13
Conclusie De bijdrage van het extra verkeer is niet in betekenende mate;
Uitkomst NIBM-berekening bij toetsing dit bestemmingsplan
45
0,1 %
NO2 in μg/m 3
geen nader onderzoek nodig
845
1,2
Hiermee wordt gekomen tot een project dat niet in betekenende mate bijdraagt aan een verslechtering van de luchtkwaliteit. Hiermee is er geen belemmering tegen onderhavig plan. Achtergrondconcentraties en blootstelling In het kader van een goede ruimtelijke ordening is onderzocht wat de achtergrondconcentraties van de luchtverontreinigende stoffen is. Hiervoor zijn kaarten beoordeeld uit de Atlas Leefomgeving. De Atlas Leefomgeving geeft een goede indicatie van de achtergrondconcentraties ter plekke. De kaarten zijn hieronder opgenomen.
Achtergrondconcentratie NO2 in 2019 (bron: AtlasLeefomgeving.nl)
Achtergrondconcentratie PM10 in 2019 (bron: AtlasLeefomgeving.nl)
Achtergrondconcentratie PM2,5 in 2019 (bron: AtlasLeefomgeving.nl)
Uit de kaarten blijkt dat de achtergrondconcentraties ter plaatse van het plangebied het volgende zijn: 3 3 stikstofdioxide: 14-18 µg/m NO2 (grenswaarde 40 µg/m ); 3 3 fijnstof:15-17 µg/m PM10 (grenswaarde 40 µg/m ); 3 3 zeer fijnstof: 8-10 µg/m PM2,5 (grenswaarde 25 µg/m ).
46
De concentraties luchtvervuilende stoffen blijken in het plangebied relatief laag te zijn. Ook liggen ze ver onder de grenswaarden. Zelfs met de berekende planbijdragen 3 3 (0,56 µg/m NO2 en 0,13 µg/m PM10 zoals hiervoor besproken) liggen de waarden nog steeds ver onder de grenswaarden. De cijfers zijn van 2019. Een algemene trend is evenwel dat de emissiefactoren van wegverkeer en de concentraties stikstofdioxide en fijn stof al jaren afnemen. Het RIVM verwacht dat dit ook in de komende jaren het geval zal zijn. De blootstelling aan luchtverontreiniging in het plangebied is hierdoor beperkt en leidt niet tot onaanvaardbare gezondheidsrisico’s. Gevoelige functies binnen zone provinciale weg De locatie is deels gelegen binnen 50 m van een provinciale weg. Binnen deze 50 m zone worden evenwel geen gevoelige bestemmingen als scholen, kinderdagverblijven, bejaarden- en zorgtehuizen gerealiseerd. Conclusie Het aspect luchtkwaliteit leidt niet tot belemmeringen voor onderhavig bestemmingsplan. 5.1.5
Externe veiligheid Algemeen Het aspect externe veiligheid betreft het risico op een ongeval waarbij een gevaarlijke stof aanwezig is. Deze gevaarlijke stoffen kennen twee verschillende bronnen. Dit zijn de stationaire bronnen (chemische fabriek, lpg-vulpunt) en de mobiele bronnen (route gevaarlijke stoffen). Er wordt onderscheid gemaakt tussen de kans op een ramp en het aantal mogelijke slachtoffers. Er wordt bij externe veiligheid onderscheid gemaakt in plaatsgebonden risico en groepsrisico. Het plaatsgebonden risico biedt burgers in hun woonomgeving een minimum beschermingsniveau tegen gevaarlijke stoffen. Het groepsrisico heeft een oriënterende waarde en voor het plaatsgebonden risico geldt een grenswaarde voor kwetsbare objecten en een richtwaarde voor beperkt kwetsbare objecten. Voor inrichtingen vormt het Besluit externe veiligheid (Bevi) het toetsingskader, voor buisleidingen het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en voor transportroutes het Besluit externe veiligheid transportroutes (Betv). Plaatsgebonden risico Het plaatsgebonden risico mag in principe nergens groter zijn dan 1 op 1 miljoen (of-6 wel 10 ). Dit is de kans dat een denkbeeldig persoon, die zich een jaar lang permanent op de betreffende plek bevindt (de plek waarvoor het risico is uitgerekend), dodelijk verongelukt door een ongeval. Deze kans mag niet groter zijn dan eens in de miljoen jaar.
Elke ruimtelijke ontwikkeling wordt getoetst aan het plaatsgebonden risi-6 co van 10 als grenswaarde. Groepsrisico Het groepsrisico geeft de kans aan dat in één keer een groep mensen die zich in de omgeving van een risicosituatie bevindt, dodelijk door een ongeval wordt getroffen. Groepsrisico legt een relatie tussen de kans op een ramp en het aantal mogelijke slachtoffers. Bij groepsrisico is het dan ook niet een contour die bepalend is, maar het
47
aantal mensen dat zich gedurende een bepaalde periode binnen de effectafstand van een risicovolle activiteit ophoudt. Welke kans nog acceptabel geacht wordt, is afhankelijk van de omvang van de ramp. Een ongeval met 100 doden leidt tot meer ontwrichting, leed en emoties, dan een ongeval met 10 dodelijke slachtoffers. Aan de kans op een ramp met 100 doden wordt dan ook een grens gesteld, die een factor honderd lager ligt dan voor een ramp met 10 doden. In het Bevi (stb. 250, 2004) wordt verder een verantwoordingsplicht (door de overheid) voor het groepsrisico rond inrichtingen wettelijk geregeld (art. 13). De verantwoording moet worden gedaan binnen het invloedsgebied van een gevaarlijke buisleiding, inrichting of transportroute houdt in dat wordt aangegeven of risico’s acceptabel zijn en welke maatregelen worden genomen om de risico’s te verkleinen. Bij buisleidingen wordt het invloedsgebied ook wel effectafstand genoemd; het gebied binnen de 1% letaliteitsgrens. Toetsing De voorgenomen ontwikkeling bestaat uit de realisatie van maximaal 130 woningen. Daarmee is er sprake van de realisatie van nieuwe kwetsbare objecten (de woningen) waardoor in theorie het groepsrisico kan toenemen. De navolgende afbeelding bevat een uitsnede van de risicokaart Nederland.
Uitsnede risicokaart met aanduiding plangebied
Op de risicokaart is te zien dat er op korte afstand van het plangebied zich geen Bevi inrichtingen of andere mobiele bronnen bevinden. Het plangebied grenst aan de provinciale weg N206. De provincie Zuid-Holland heeft alle provinciale wegen vrijgegeven voor het vervoer van gevaarlijke stoffen. Over de N206 kan daarom transport van gevaarlijke stoffen plaatsvinden. Het feit dat de N206 niet opgenomen is op de risicokaart duidt er op dat er slechts beperkt vervoer van gevaarlijke stoffen over deze weg plaatsvindt.
48
Op grond van de Wet vervoer gevaarlijke stoffen moet de bebouwde kom gemeden worden, tenzij de bestemming van het transport alleen via deze weg door de bebouwde kom bereikbaar is. Omdat de N206 noordelijk van het plangebied door de bebouwde kom van Vogelenzang loopt, wordt doorgaand transport van gevaarlijke stoffen eigenlijk onmogelijk. De N206 zal daarom slechts voor lokaal bestemmingsverkeer gebruikt worden. Gelet op de omgeving is de conclusie dat het slechts om een beperkt aantal vervoersbewegingen van gevaarlijke stoffen gaat. Geconcludeerd kan worden dat het vervoer van gevaarlijke stoffen over de N206 niet leidt tot belemmeringen voor het plan. Het plangebied ligt daarnaast ruim buiten het invloedsgebied van buisleidingen en spoorlijnen, derhalve hoeft het groepsrisico niet nader te worden verantwoord. Conclusie Het aspect externe veiligheid leidt niet tot belemmeringen voor onderhavig bestemmingsplan. 5.1.6
Bedrijven en milieuzonering Algemeen Bij milieuzonering gaat het om afstanden die bij voorkeur in acht genomen moeten worden rondom milieubelastende functies zoals bedrijven, industrie en nutsvoorzieningen ten opzichte van milieugevoelige functies zoals woningen. Het gaat hierbij om milieuaspecten als geur, stof, geluid en gevaar die een belemmering kunnen vormen voor gevoelige functies. Bij het realiseren van een nieuwe functie dient gekeken te worden naar de omgeving waarin deze gerealiseerd wordt. Hierbij spelen twee vragen een rol: past de nieuwe bestemming in de omgeving? laat de omgeving de nieuwe bestemming toe? Milieuzonering beperkt zich tot milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie: geluid, geur, gevaar en stof. Kenmerkend voor deze milieuaspecten is dat de belasting op grotere afstand van de bron afneemt. Daarnaast is de mate waarin een bedrijfstype personen- en/of goederenverkeer aantrekt, mede bepalend voor de mate van hinder. Onderstaande tabel geeft inzicht in het verband tussen de (richt)afstand en de milieucategorie. Richtafstand
Milieucategorie
10 m 30 m 50 m 100 m 200 m 300 m
1 2 3.1 3.2 4.1 4.2
Richtafstand bij rustige woonwijk 10 m 30 m 50 m 100 m 200 m 300 m
Richtafstand bij gemengd gebied 0m 10 m 30 m 50 m 100 m 200 m
Deze gaat uit van een “rustige woonwijk”. In zogenaamde “gemengde gebieden” echter kan gemotiveerd een kleinere afstand van milieugevoelige functies (wonen) tot overlast veroorzakende gebieden worden aangehouden. Het idee is dat een rustige woonwijk een hoger beschermingsniveau verdient dan een gebied waar al enige hin-
49
der is van bedrijven of infrastructuur (gemengd gebied). In een gemengd gebied komt matige tot sterke functiemenging voor. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Andere voorbeelden zijn lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid. Gebieden die direct langs hoofdinfrastructuur liggen behoren er tevens toe. Toetsing hinder van omgeving op plangebied Onderhavig plangebied is gelegen aan de rand van het dorp De Zilk. Dit plan maakt naast woningen ook een supermarkt, overige detailhandel en dienstverlening en een H.O.E.D. mogelijk. Gezien de aard van het plan kan gesproken van het gebiedstype ‘gemengd gebied’.
Ligging hinderveroorzakende percelen in de omgeving van de ontwikkellocatie (globaal in rood weergegeven) (Bron: pdokviewer.nl). Bedrijven (nr 1): Op ruim 250 meter afstand van het plangebied bevindt zich aan de Hoogduinweg 11 een houtzagerij. Het bestemmingsplan staat op de naastgelegen perceel een machinefabriek toe. Voor deze beide bedrijven is in het bestemmingplan maximaal een categorie 3.2 bedrijf toegestaan volgens de VGN publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’. Uitgaande van een gemengd gebied moet een afstand van 50 meter voor het aspect geluid worden aangehouden volgens de VGN publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’ (2009). Voor een rustige woonwijk is deze afstand 100 m. Daarnaast is agrarisch hulp- en loonbedrijf bedrijf toegestaan. VGN publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’ Volgend de VGN publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’ valt een dergelijk bedrijf in categorie 3.1 met een richtafstand van 30 m tot gemengd gebied. Aangezien de afstanden groter zijn kan worden geconcludeerd dat er geen sprake is van belemmeringen. Sportcomplex (nr 2): Direct ten noorden van het plangebied bevindt zich een veldsportcomplex. Op grond van de VNG-lijst is dit een categorie 3.1 inrichting (SBIcode 931.G). Hiervoor geldt een indicatieve afstand van 30 meter op het aspect geluid voor gemengd gebied. Voor de overige aspecten geldt de indicatieve afstand 50
van 0 m. Er worden woningen beoogd op ongeveer 20 m en dus binnen 30 meter van het sportcomplex. Een nader akoestisch onderzoek industrielawaai is uitgevoerd om in beeld te brengen of mogelijk sprake is van belemmeringen. Tevens is het noodzakelijk in te gaan op het aspect lichthinder van deze sportvelden als gevolg van de veldverlichting. In het vervolg van deze paragraaf wordt verder op deze aspecten ingezoomd. Trefcentrum (nr 3): Op meer dan 35 meter van de woningen in het plangebied ligt het Trefcentrum de Duinpan, welke ruimte biedt aan verscheidene maatschappelijke, sociale en commerciële functies. Voor deze voorziening is een gemengde bestemming opgenomen waarbinnen maatschappelijke, sociale en horeca activiteiten zijn toegestaan. Voor de sociale en maatschappelijke en toegestane horecafuncties geldt een richtafstand van 10 m voor gemengd gebied (categorie 2) (30 m voor een rustige woonwijk). Aangezien de afstand tot de woningen meer is dan 35 meter, kan worden geconcludeerd dat er geen sprake is van belemmeringen. Voor het overige bevindt zich geen bedrijvigheid nabij het plangebied, waarvan de hindercirkel zich uitstrekt over het plangebied. Akoestisch onderzoek sportcomplex Inleiding Gezien voorgaande is uitsluitend sprake van mogelijke hinder van het nabijgelegen 9 sportcomplex. In dit kader is een akoestisch onderzoek industrielawaai uitgevoerd .
Er is onderzocht of sprake is van voldoende scheiding tussen wonen en “werken” (sportfunctie) op het gebied van geluid. Onderzoeksopzet Voor de voetbalvereniging zijn meerdere bedrijfssituaties te onderscheiden. Te weten: Representatieve bedrijfssituatie: trainingen op doordeweekse avonden. Representatieve bedrijfssituatie: wedstrijden op zaterdag Representatieve bedrijfssituatie: wedstrijden op zondag Regelmatig afwijkende bedrijfssituatie: wedstrijden op zondag met thuisspelend eerste elftal en het gebruik van de omroepinstallatie met luidsprekers op de tribune. Voor bovenstaande situaties is het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau beoordeeld in het kader van de ruimtelijke ordening en het Activiteitenbesluit. Uit deze beoordeling kunnen de volgende conclusies worden getrokken: Activiteitenbesluit Representatieve bedrijfssituatie: trainingen op doordeweekse avonden. Er kan worden voldaan aan de grenswaarde van 45 dB(A) voor de avondperiode. De woningen kunnen vanwege een trainingsavond zonder meer worden gebouwd. Representatieve bedrijfssituatie: wedstrijden op zaterdag. De berekende geluidbelasting bedraagt maximaal 52 dB(A), dit is meer dan de voorkeursgrenswaarde van 50 dB(A) maar minder dan de maximaal toelaatbare grenswaarde van 55 dB(A). Bronmaatregelen ten aanzien van deze overschrijding zijn slecht mogelijk.
Bronnen in de overdracht zijn landschappelijk slecht inpasbaar en stuiten bovendien op 9
Akoestisch onderzoek industrielawaai, Het Zilt, De Zilk, SAB, kenmerk 160261.02. 27 mei 2021. 51
bezwaren van financiële aard. Het bevoegd gezag kan besluiten om op de nieuwe woningen een geluidbelasting van 52 dB(A) toe te staan. Bij een waarde van 52 dB(A) en de verplichte gevelwering van 20 dB(A) is de binnenwaarde van 35 dB(A) gewaarborgd, er zal daarmee sprake zijn van een goed woon- en leefklimaat. De waarde van 52 dB(A) zal in een maatwerkvoorschrift bij de melding Activiteitenbesluit van de voetbalvereniging moeten worden opgenomen. Representatieve bedrijfssituatie: wedstrijden op zondag. De berekende geluidbelasting bedraagt maximaal 50 dB(A). Voor de zondag waarop het eerste elftal niet thuis speelt en dus de omroepinstallatie niet wordt gebruikt, kan worden voldaan aan de grenswaarde van 50 dB(A). Regelmatig afwijkende bedrijfssituatie: wedstrijden op zondag met thuisspelend eerste elftal en het gebruik van de omroepinstallatie met luidsprekers op de tribune. Gedurende circa een half uur is tijdens deze zondag, die eens per 2 weken plaatsvindt, sprake van een afwijkende bedrijfssituatie, namelijk dat gedurende deze periode sprake is van het gebruik van de omroepinstallatie en luidsprekers op de tribune, waarbij sprake is van muziekgeluid. In deze situatie bedraagt de geluidbelasting maximaal 64 dB(A). Dit wordt voornamelijk bepaald door de strafcorrectie van 10 dB(A) voor muziekgeluid en vanwege het niet hanteren van de bedrijfsduurcorrectie.
Het bevoegd gezag kan voor deze regelmatig afwijkende bedrijfssituatie een maatwerkvoorschrift opnemen in de melding Activiteitenbesluit van de voetbalvereniging. Onder het Activiteitenbesluit worden geen activiteiten verricht die beoordeeld behoeven te worden op de grenswaarden voor maximale piekgeluidniveaus. Ten aanzien van de indirecte hinder kan worden voldaan aan de grenswaarde van 50 dB(A). De indirecte hinder van de voetbalvereniging vormt geen belemmering voor de bouw van de nieuwe woningen.
Ruimtelijke ordening In het kader van de ruimtelijke ordening zijn ook het stemgeluid van publiek en spelers in de beoordeling meegenomen, alsook de piekgeluidniveaus die ontstaan als gevolg van deze bronnen. Voor de verschillende bedrijfssituaties leidt dit tot de volgende geluidbelastingen: Representatieve bedrijfssituatie: trainingen op doordeweekse avonden. Er kan worden voldaan aan de grenswaarde van 45 dB(A) voor de avondperiode. De woningen kunnen vanwege een trainingsavond zonder meer worden gebouwd. Representatieve bedrijfssituatie: wedstrijden op zaterdag. De berekende geluidbelasting bedraagt maximaal 59 dB(A). Het bevoegd gezag dient hierover een afweging te maken of hiermee sprake is van een goede ruimtelijke ordening. Ook kan er bij de realisatie van de woningen rekening mee worden gehouden om voldoende gevelwering aan te brengen. Een gevelwering van 24 dB(A) borgt het goede woon- en leefklimaat van 35 dB(A) binnen. Een gevelwering van 24 dB(A) is goed realiseerbaar. Representatieve bedrijfssituatie: wedstrijden op zondag. De berekende geluidbelasting bedraagt maximaal 56 dB(A). Het bevoegd gezag dient hierover een afweging te maken of hiermee sprake is van een goede ruimtelijke ordening. Ook kan er bij de realisatie van de woningen rekening mee worden gehouden om voldoende gevelwering aan te brengen.
Een gevelwering van 21 dB(A) borgt het goede woon- en leefklimaat van 35 dB(A) binnen. Een gevelwering van 21 dB(A) is goed realiseerbaar.
52
Regelmatig afwijkende bedrijfssituatie: wedstrijden op zondag met thuisspelend eerste elftal en het gebruik van de omroepinstallatie met luidsprekers op de tribune. Gedurende circa een half uur is tijdens deze zondag, die eens per 2 weken plaatsvindt, sprake van een afwijkende bedrijfssituatie, namelijk dat gedurende deze periode sprake is van het gebruik van de omroepinstallatie en luidsprekers op de tribune waarbij sprake is van muziekgeluid. In deze situatie bedraagt de geluidbelasting maximaal 64 dB(A). Het bevoegd gezag dient hierover een afweging te maken of hiermee sprake is van een goede ruimtelijke ordening. Ook kan er bij de realisatie van de woningen rekening mee worden gehouden om voldoende gevelwering aan te brengen. Een gevelwering van 29 dB(A) borgt het goede woon- en leefklimaat van 35 dB(A) binnen. Een gevelwering van 29 dB(A) is realiseerbaar. Maximale geluidniveaus: Zowel op zaterdag als op zondag en de trainingsavond wordt het maximale geluidniveau bepaald door de toeschouwers langs het veld en de scheidsrechtersfluit binnen het veld. Uit de berekeningen van de piekgeluidniveaus (LAmax) blijkt dat deze maximaal 79 dB(A) bedraagt voor de scheidsrechtersfluit en 68 dB(A) vanwege het geluid van toeschouwers en/of spelers tijdens een wedstrijd. Tijdens een training is het maximale geluidniveau in de avondperiode maximaal 65 dB(A).
De grenswaarde van 70 dB(A) in de dagperiode wordt door het geluid van de scheidsrechtersfluit tijdens wedstrijden overschreden. Voor de trainingsavonden geldt dat kan worden voldaan aan de grenswaarde van 65 dB(A) in de avondperiode. Ten aanzien van het geluid van de scheidsrechtersfluit dient het bevoegd gezag een afweging te maken of sprake is van een goede ruimtelijke ordening. Ook kan er bij de realisatie van de woningen rekening mee worden gehouden om voldoende gevelwering aan te brengen. Een gevelwering van 24 dB(A) borgt het goede woon- en leefklimaat van 55 dB(A) voor piekgeluidniveaus binnen. Een gevelwering van 24 dB(A) is goed realiseerbaar. Ten aanzien van de indirecte hinder kan worden voldaan aan de grenswaarde van 50 dB(A). De indirecte hinder van de voetbalvereniging vormt geen belemmering voor de bouw van de nieuwe woningen. Advies Maatregelen aan de overdracht kunnen wel overwogen worden, zoals het plaatsen van een scherm, maar het heeft ook geen soelaas. Een afscherming achter de tribune met een hoogte van 3 meter levert een reductie van een reductie van 8 dB op. Hierdoor zijn geen gevelmaatregelen meer nodig maar dient maatwerkvoorschriften te worden voorgeschreven bij de voetbalclub. De kosten van een dergelijke afscherming bedragen ruim € 100.000,-. De overschrijdingen worden hierdoor niet weggenomen.
Door de woningen aan de voorzijde goed te isoleren (gevelmaatregelen) hebben de woningen aan de achterzijde in de tuin en in de woning een goed woon- en leefklimaat. Aangezien maatregelen aan de bron en in de overdracht niet mogelijk zijn wordt geadviseerd om voor de berekende geluidbelastingen in de verschillende bedrijfssituaties maatwerkvoorschriften in de melding Activiteitenbesluit van de voetbalvereniging op te nemen. Om een goed woon- en leefklimaat te borgen wordt geadviseerd om voor de hoogst belaste gevels uit te gaan van een gevelwering van 24 dB(A), zodat een goed woon- en leefklimaat binnen is geborgd tijdens wedstrijden op zaterdag en zondag (zonder omroepinstallatie). Hierbij wordt de afwijkende bedrijfssituatie buiten beschouwing gelaten aangezien de geluidbelasting in deze situatie slechts eens per
53
twee weken voorkomt en wordt veroorzaakt gedurende 1,75 uur waarin de luidsprekers een half uur in bedrijf zijn. Tevens beschikken de woningen over een geluidluwe gevel (achterzijde) waar een geluidluwe buitenruimte kan worden gerealiseerd. Een goed woon- en leefklimaat kan daarmee worden gewaarborgd. Lichthinder sportcomplex Het sportcomplex bevat sportvelden (voetbalvelden) met veldverlichting. De bewoners van de nieuwe woningen in onderhavig plangebied kunnen mogelijk hinder ondervinden dit licht. Om die reden wordt nader op dit aspect ingegaan. Activiteitenbesluit Lichthinder van deze milieubelastende activiteit (recreatie) en die van overige milieubelastende activiteiten (bedrijvigheid, voorzieningen etc.) wordt geregel in het Activiteitenbesluit, Barim: Besluit algemene regels inrichtingen milieubeheer. In het Activiteitenbesluit is geregeld dat de verlichting van de sportvelden alleen aan mag zijn tijdens onderhoud en het beoefenen van sport. Tevens dient deze verlichting tussen 23:00 en 07:00 uitgeschakeld te zijn. Daarnaast is in artikel 2.1 van het Activiteitenbesluit een zorgplicht opgenomen, die inhoud dat een bedrijf alle negatieve gevolgen voor het milieu zoveel mogelijk moet voorkomen of anders beperken. Op grond van deze zorgplichtbepaling kunnen, mits voorzien van een goede motivatie, maatwerkvoorschriften (o.a.
bepaalde afstelling, afschermkapjes etc.) worden gesteld ter voorkoming van lichthinder in woon- of slaapvertrekken. Specifiek voor onderhavig plangebied Het sportcomplex is gelegen aan de noordzijde van het plangebied. Het sportcomplex bestaat uit drie sportvelden en enkele tennisbanen. Het dichtstbijzijnde sportveld (zie navolgende afbeelding) is veld 3. Hier wordt niet getraind tijdens trainingsavonden. Dit betekent dat hier geen sprake is van veldverlichting. Het dichtstbijzijnde veld dat wordt verlicht betreft hiermee veld 2. Dit veld is op geruime afstand van het plangebied gelegen (90-100 m). Hiermee hoeft lichthinder niet te worden verwacht. Mocht de vereniging alsnog verlichting bij veld 3 willen plaatsen dan kunnen Burgemeester en wethouders op grond van daar het geldende bestemmingsplan nadere eisen stellen aan de plaats en afmetingen van de verlichting om onevenredige schade aan de belangen van aan- en omwonenden te voorkomen.
54
Kaartbeeld ligging sportvelden op sportcomplex
Conclusie Geconcludeerd kan worden dat de afstand tot omringende hindergevende functies groot genoeg is om geen directe invloed te hebben op het plan. Een acceptabel woonen leefklimaat is ter plaatse aanwezig. Ook wat betreft het sportcomplex kan in een goed woon- en leefklimaat worden voorzien mits er maatwerkvoorschriften worden genomen en er bij de hoogst belaste gevels uit te gaan van een gevelwering van 24 dB(A). Het aspect bedrijven en milieuzonering leidt hiermee niet tot belemmeringen voor onderhavig uitwerkingsplan. Toetsing hinder van plan op omgeving De laatste vraag die dient te worden gesteld is of functies binnen het plan kunnen leiden tot hinder op bestaande (en nieuwe) hindergevoelige functies. Binnen het plan worden een supermarkt en een G.O.E.D. (gezondheidscentrum/huisartsenlocatie) gerealiseerd. Voor supermarkten geldt een indicatieve afstand van 10 m voor geluid (SBI2008-code 471). Voor het goed (‘artsenpraktijken, klinieken en dagverblijven’, SBI2008-code 8621-3) geldt eveneens een zone van 10 m (uitgaande van een rustige woonwijk). Binnen een zone van 10 m zijn geen woningen gelegen, op de appartementen geprojecteerd direct boven deze voorzieningen na. Hiervoor geldt dat, uitgaande van een benadering als gemengd gebied, sprake is van een categorie A conform de VNGpublicatie. In dit geval kunnen de functies aanpandig plaatsvinden.
Hiervan is bij dit plan sprake. Wat betreft de hinder van het plan op de omgeving worden hiermee geen belemmeringen verwacht. Conclusie Hinder omgeving op plangebied Geconcludeerd kan worden dat de afstand tot omringende hindergevende functies groot genoeg is om geen directe invloed te hebben op het plan. Een acceptabel woon55
en leefklimaat is ter plaatse aanwezig. Ook wat betreft het sportcomplex kan in een goed woon- en leefklimaat worden voorzien mits er maatwerkvoorschriften worden genomen in de melding Activiteitenbesluit van de voetbalvereniging. Om een goed woon- en leefklimaat te borgen wordt geadviseerd om voor de hoogst belaste gevels uit te gaan van een gevelwering van 24 dB(A), zodat een goed woon- en leefklimaat binnen is geborgd tijdens wedstrijden op zaterdag en zondag (zonder omroepinstallatie). Hierbij wordt de afwijkende bedrijfssituatie buiten beschouwing gelaten aangezien de geluidbelasting in deze situatie slechts eens per twee weken voorkomt en wordt veroorzaakt gedurende 1,75 uur waarin de luidsprekers een half uur in bedrijf zijn. Tevens beschikken de woningen over een geluidluwe gevel (achterzijde) waar een geluidluwe buitenruimte kan worden gerealiseerd. Een goed woon- en leefklimaat kan daarmee worden gewaarborgd. Hinder plan op omgeving De niet-woonfuncties zorgen voor een beperkte indicatieve hinderzone van 10 m(uitgaande van een rustige woonwijk). De appartementen boven deze functies vallen binnen deze zone. Als de systematiek van een gemengd gebied wordt gehanteerd, dan kunnen de functies aanpandig aan elkaar plaatsvinden. Er worden hiermee geen belemmeringen verwacht.
Eindconclusie Het aspect bedrijven en milieuzonering leidt niet tot belemmeringen voor onderhavig bestemmingsplan.
5.2
Natuur
5.2.1
Algemeen De bescherming van plant- en diersoorten alsmede de bescherming van bepaalde natuurgebieden (Natura 2000-gebieden) is geregeld in de Wet natuurbescherming (Wnb). Daarnaast is de gebiedsbescherming vastgelegd in provinciale verordeningen, waaronder de bescherming van Natuurnetwerk Nederland. Bij elke ruimtelijke ontwikkeling moet worden nagegaan of als gevolg van de ontwikkeling sprake is van overtreding van de geldende natuurwet- en regelgeving. Hierbij moet worden aangetoond dat van een negatief effect op beschermde natuurgebieden en -soorten geen sprake is of dat daarvoor een vergunning of ontheffing kan worden verkregen.
5.2.2
Quick scan natuur 10
Er is een quick scan natuur opgesteld, die als bijlage bij deze toelichting is gevoegd . Hieruit volgen de volgende conclusies: 5.2.2.1
Gebiedsbescherming Het plangebied ligt niet in een gebied dat in het kader van de Wet natuurbescherming is aangewezen (zie navolgende afbeelding).
10
Quick scan natuur De Zilk Gemeente Noordwijk, 26 maart 2021, SAB, kenmerk 160261-02. 56
Globale ligging van het plangebied (rood omkaderd) ten opzichte van Natura 2000-gebieden. Bron: Aerius. Bewerking: SAB.
Het plangebied ligt direct naast Natura 2000-gebied Kennemerland-Zuid. De afstand van het zuidelijk deelgebied van het plangebied tot het Natura 2000-gebied bedraagt circa 40 meter, de afstand van het noordelijk deelgebied tot het Natura 2000-gebied bedraagt circa 90 meter. Overige Natura 2000-gebieden (zoals Coepelduynen, Meijendel & Berkheide en Polder Westzaan) liggen op meer dan 10 kilometer afstand van het plangebied. Uit voorliggend onderzoek blijkt dat Natura 2000-gebied Kennemerland-Zuid direct naast de deelgebieden is gelegen. Om te onderzoeken of van het huidige plan negatieve effecten op het Natura 2000gebied mogelijk zijn door stikstofdepositie, is een stikstofonderzoek uitgevoerd. Natuurnetwerk Nederland Het plangebied ligt niet binnen Natuurnetwerk Nederland (zie navolgende afbeelding). Het dichtstbijzijnde gedeelte van het natuurnetwerk bevindt zich direct ten westen van het plangebied en wordt gevormd door natuurgebied Kennemerland-Zuid. Enkel de Provincialeweg N206 scheidt het plangebied van dit gedeelte van het NNN. De dichtstbijzijnde ecologische verbinding en belangrijk weidevogelgebied bevinden zich op respectievelijk 600 meter en 7,5 kilometer van het plangebied.
Aangezien het plangebied niet in het Natuurnetwerk of een gebied met de status als ecologische verbinding, strategische reservering natuur of belangrijk weidevogelgebied ligt, vormt de ligging van het plangebied ten opzichte van deze gebieden geen beperkingen voor de beoogde plannen.
57
Globale ligging van het plangebied ten opzichte van Natuurnetwerk Nederland en natuurverbindingen. Bron: Provincie Zuid-Holland.
5.2.2.2
. Stiktof Het plangebied ligt nabij Natura 2000-gebied Kennemerland-Zuid, waar stikstofgevoelige vegetaties aanwezig zijn. Om de gevolgen van het plan op stikstofdepositie binnen het Natura 2000-gebied te onderzoeken, werd een stikstofdepositieberekening 11 uitgevoerd (SAB 2020) . Uit de berekening blijkt dat door de ontwikkeling plaatselijk extra stikstofdepositie te verwachten is. Uit de uitgevoerde berekening naar de aanlegfase blijkt dat de stikstofdepositie 0,43 mol stikstof/ha/jaar is. Voor de gebruiksfase is er een stikstofdepositie te verwachten van 0,25 mol stikstof/ha/jaar. Uit de uitgevoerde verschilberekeningen voor de aanlegfase en de gebruiksfase blijkt dat de nu gehanteerde grenswaarde van 0,00 mol stikstof/ha/j wordt overschreden. Nadelige milieueffecten op de stikstofgevoelige habitattypen in de omliggende Natura 2000-gebieden kunnen door middel van deze berekening derhalve niet op voorhand worden uitgesloten. Om toch de woonwijk mogelijk te maken is ten behoeve van het project is een aanvraag ingediend om aanspraak te maken op de depositieruimte in het stikstofregistratiesysteem (SSRS). Deze aanvraag is nog in behandeling.
11
Onderzoek stikstofdepositie, De Zilk, Het Zilt, SAB,.datum: 19-05-2021, Projectnummer: 160261.02
58
5.2.2.3
Soortenbescherming In en rondom het plangebied kunnen in het wild levende planten en dieren aanwezig zijn. Iedereen dient voldoende zorg in acht te nemen voor deze soorten en hun directe leefomgeving. In en nabij het plangebied kunnen ook soorten voorkomen die zijn beschermd onder de Wet natuurbescherming, maar waarvoor een provinciale vrijstelling van de verboden geldt, voor werkzaamheden die men uitvoert in het kader van ruimtelijke ontwikkeling en inrichting. Door de provinciale vrijstelling staat de aanwezigheid van deze soorten de geplande ontwikkeling niet in de weg. Daarnaast zijn mogelijk nog enkele essentiële elementen aanwezig, voor soorten waarvoor geen provinciale vrijstelling geldt. Zo blijkt uit de quick scan dat in en rondom het plangebied vogels kunnen broeden. Om overtreding van de wet te voorkomen wordt geadviseerd om de geplande ruimtelijke ontwikkeling buiten de broedperiode te starten. Op deze manier worden geen in gebruik zijnde nesten beschadigd of vernield. Verder zijn in twee bomen mogelijk verblijfplaatsen van vleermuizen aanwezig. Om uitsluitsel te krijgen over de aan- of afwezigheid van deze soorten dient nader soortgericht onderzoek uitgevoerd te worden. Indien verblijfplaatsen aanwezig blijken, dan moeten voor de werkzaamheden mitigerende maatregelen worden getroffen om negatieve effecten zoveel mogelijk te voorkomen.
Ook is voor de werkzaamheden dan waarschijnlijk een ontheffing van de Wet natuurbescherming noodzakelijk. Tot slot blijkt uit het onderzoek dat het noordelijk deelgebied geschikt leefgebied vormt voor de rugstreeppad, doordat hier open zand en ondiepe plassen aanwezig zijn. Op het moment is het niet waarschijnlijk dat de rugstreeppad in dit deelgebied voorkomt, doordat het open zand recent is ontstaan, is verplaatst en is vlak gereden. Om te voorkomen dat de rugstreeppad zicht vestigt wordt aangeraden om ondiepe poelen zo snel mogelijk te dempen en het terrein zo kort mogelijk braak te laten liggen, door het bijvoorbeeld in te zaaien met graszaad. Ook wordt aangeraden grondhopen af te dekken, met bijvoorbeeld plastic folie. Hiermee kan vestiging van de rugstreeppad worden voorkomen. Het zuidelijk deelgebied vormt momenteel geen geschikt leefgebied voor deze soort. Maar wanneer hier door bouwwerkzaamheden kale grond en plassen ontstaan, kan ook in het zuidelijk deelgebied leefgebied ontstaan. Ook dan geldt het advies om plassen snel te dempen en kale grond niet lang braak te laten liggen, maar dit af te dekken of in te zaaien. In het zuidelijk deelgebied is een houtopstand aanwezig. Op de westelijke zijde van deze houtopstand (een strook langs de N206) is het beschermingsregime van de Wet natuurbescherming van toepassing.