CConstaterende datNoordwijk
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage A1 - OZ2C_Toelichting

Gemeenteraadsvergadering 24 oktober 2023, gemeente NoordwijkBij agendapunt: Raadsvoorstel Vaststellen bestemmingsplan Offem Zuid tweede fase deel C (Campri)21.431 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

• •

• •

• •

•

• •

Noordwijk Binnen is een dorp met de historische uitstraling door de oude dorpskern met daarin de Voorstraat en de twee Jeroenskerken. Het centrum heeft een authentieke en knusse uitstraling. De cultureel historische en groene omgeving maken dat je er prettig woont en leeft. Een veelzijdig dorp voor jong en oud. Er is veel vertrouwen in de buren, de participatiegraad is hoog en er is een goede sociale cohesie. Je kunt er gezond en gelukkig leven. De bevolking is op sociaaleconomisch vlak zeer divers. Dit weerspiegelt zich ook in de woonvormen. Er zijn voldoende winkels – een aantrekkelijk winkelgebied voor bewoners, bezoekers en toeristen. Het winkelgebied is gebundeld rondom de Kerkstraat en hier blijven we op inzetten. Er zijn ook nog andere winkelgebieden: Rederijkersplein, Bonnikeplein en het JeMo-gebied (= Jeroensweg/Molenstraat). Noordwijk Binnen heeft een rijk verenigingsleven, betrokken inwoners en actieve ondernemers. Het middengebied tussen Noordwijk aan Zee en Noordwijk Binnen maakt Noordwijk Binnen echt tot een eigen dorp. Noordwijk Binnen wordt omringd door natuur van het uitgestrekte kustgebied met de duinen, landgoederen en bollenvelden. De natuurlijke waterafvoer van het middengebied heeft aandacht nodig. In het kader van klimaatadaptatie moet hier bij elke nieuwe ontwikkeling rekening mee worden gehouden.

Ook Noordwijk Binnen krijgt te maken met verstedelijking. Bij herontwikkeling kijken we waar onbebouwde plekken benut kunnen worden, hierbij hebben we aandacht voor het behouden van het middengebied. De huidige opzet voor parkeren en verkeer in het centrum is een groot aandachtspunt naast de inpassing van groen en behoud van cultuurhistorie. Er is overlast van gemotoriseerd verkeer, met gevolgen voor de bereikbaarheid, veiligheid en de leefbaarheid. Daarom willen we in de openbare ruimte ruim baan geven aan groen, lopen en fietsen, en de auto een minder prominente plaats geven. Er zijn uitstekende voorzieningen om te sporten en te recreëren; een hockeyclub, handbalvereniging, twee voetbalclubs, twee gemeentelijke sporthallen en een gemeentelijk zwembad. Er is veel aandacht voor cultuur. Kansen aangrijpen om de culturele kwaliteiten van Noordwijk te versterken en beter te promoten.

Voor de beoogde ontwikkeling geldt dat deze goed aansluit bij de gewenste identiteit van Noordwijk Binnen. Een voorbeeld is dat het projectgebied als prettige en groene woonomgeving wordt gerealiseerd. Je kunt er gezond en gelukkig leven. Verder staat de ontwikkeling de overige kenmerken, zoals met betrekking tot de historische dorpskern, niet in de weg. Daarnaast is het van belang om aansluiting te zoeken bij de koers die voor de gemeente is bepaald. Koers De vijf thema’s voor de toekomst zijn de volgende: 1. 2.

Een ondernemende gemeente met voldoende welvaart voor iedereen Prettig wonen met voldoende woningen voor iedereen

3. 4.

Een betrokken gemeenschap; een plek waar we prettig samenleven en gelukkig oud worden Goede bereikbaarheid en minder (parkeer)overlast op topdagen

5.

Een duurzame gemeente Noordwijk; klimaatneutraal en -bestendig

Pagina 28 van 60

Vastgesteld bestemmingsplan

Vanzelfsprekend hangen de thema’s nauw met elkaar samen. Zo zal een voldoende aantal starterswoningen ook helpen bij het tegengaan van vergrijzing. En het streven naar duurzaamheid is bijvoorbeeld ook van invloed op de manier waarop de bereikbaarheid is geregeld. Om Noordwijk toekomstbestendig te maken zijn er ook zaken die vanzelfsprekend lijken maar die beslist aandacht verdienen. Denk aan energie, drinkwater, een schone lucht en bodem. Maar ook rust is een belangrijke basisbehoefte. Net als veiligheid, in al zijn facetten: verkeersveiligheid sociale veiligheid, waterveiligheid en brandveiligheid. Met name binnen het thema “Prettig wonen met voldoende woningen voor iedereen” kan hier aansluiting gevonden worden met de beoogde ontwikkeling. Hiervoor zijn de volgende pijlers van belang: • •

Variatie in wonen met voldoende woningen voor jong en oud(er). Betaalbaar bouwen, juist voor inwoners van de gemeente

• •

Bouw starterswoningen actief stimuleren Duurzaam bouwen en wonen, verduurzamen bestaande bouw

•

Levensloopbestendige woon-/zorgconcepten voor senioren

De beoogde ontwikkeling draagt bij aan een variatie in wonen met voldoende (duurzame) woningen. 3.4.3

Noordwijkse Woonagenda 2016-2020

De Noordwijkse Woonagenda is op 25 augustus 2016 vastgesteld in de gemeenteraad. De herziening is vastgesteld door de gemeenteraad op 2 februari 2017. Gemeente Noordwijk beschikt over een nieuwere vastgestelde woonvisie. Het project Offem-Zuid is in de Noordwijkse Woonagenda 20162020 echter als bestaande plancapaciteit opgenomen. Daardoor valt onderhavig project onder het overgangsrecht en blijft de Noordwijkse Woonagenda 2016-2020 van toepassing op het project. Noordwijk streeft ernaar dat het voor iedereen in de gemeente goed wonen is. In elke levensfase, voor elk inkomen. Dat betekent streven naar een heterogene bevolkingsopbouw met bijpassende woonbehoefte. Daarbij moet goed in de gaten worden gehouden wat er kan en mag, want de landelijke regelgeving brengt wel de nodige beperkingen met zich mee. De spelregels, de samenleving en de markt zijn maar beperkt maakbaar binnen de mogelijkheden van het gemeentebestuur. Daarom is een zakelijke analyse gemaakt van wat in redelijkheid beïnvloedbaar is, maar is tegelijkertijd bevlogenheid te proeven in het zoeken naar volkshuisvestelijke mogelijkheden. De Woonagenda kent als basis de ambitie dat het in Noordwijk goed wonen, leven en werken moet zijn voor iedereen. Uitganspunten voor het beleid zijn: 1.

De gemeente Noordwijk wil haar aandacht voornamelijk richten op dat wat 'niet vanzelf' gaat vanuit bijvoorbeeld marktwerking. Denk aan het uitbreiden van het aanbod sociaal en middelduur en het verlagen van de drempel voor jongeren en kleine huishoudens op de

2.

woningmarkt. Om diversiteit binnen de gemeente Noordwijk te krijgen, moet er variatie én samenhang zijn

3.

in het bouwprogramma. Doorstroming is op alle fronten nodig, in het bijzonder in de goedkopere segmenten.

4.

Bij het realiseren van goedkopere woningen moet nadrukkelijk ook naar de middellange en lange termijn gekeken worden.

5.

Flexibiliteit in wonen, werken en leven is een belangrijke ontwikkeling die ook in het woonbeleid gestalte moet krijgen.

Pagina 29 van 60

Vastgesteld bestemmingsplan

Sociale koop Bij alle nieuwbouw sociale koopwoningen wordt een kettingbeding bij verkoop opgenomen voor een periode van minimaal 10 jaar. Deze verplichting is tevens opgenomen in posterieure overeenkomsten. De doelstelling ten aanzien van het sociale segment beoogt woonruimte te creëren voor met name starters en senioren met een lager inkomen. Compensatiefonds sociale woningbouw Als de doelstelling van 30% sociaal bouwen op een bepaalde locatie door een ontwikkelaar niet wordt gehaald, moet bijgedragen worden aan het compensatiefonds. Dit geldt voor alle projecten waarbij meer dan twee woningen worden gerealiseerd. Uit de Woonagenda volgen vier grote woonopgaven: • •

Werken aan beschikbaarheid; Werken aan betaalbaarheid;

•

Werken aan zorg en flexibiliteit;

•

Werken aan duurzaamheid.

Over de bouwlocatie Offem-Zuid is het volgende opgenomen in de Woonagenda: “De afgelopen tien jaar is er in Noordwijk weinig nieuw gebouwd, zeker in de jaren na de crisis (vanaf 2008). Nieuwbouw is nodig om de druk op de woningmarkt te verlichten, in het bijzonder voor de lagere en middeninkomens. Van de locaties Offem-Zuid en Bronsgeest zijn er al jaren hoge verwachtingen. In 2016 wil de gemeente Noordwijk hier stappen zetten.” De onderhavige ontwikkeling stemt overeen met de uitgangspunten van de Noordwijkse Woonagenda 2016 - 2020, met name bij de doelstellingen 'beschikbaarheid van woningen' en 'betaalbaarheid van woningen'. Het aantal te realiseren woningen in de sociale sector, in het projectgebied ‘Offem-Zuid, tweede fase deel A’, ‘Offem-Zuid, tweede fase deel B’ en ‘Offem-Zuid, tweede fase deel C’ gezamenlijk, bestaan voor minimaal 30% uit sociale woningbouw. 3.4.4 Conclusie Uit de beleidsdocumenten blijkt een behoefte aan nieuwe woningen. Voorliggende ontwikkeling speelt in op de behoefte en de beleidsmatige ambities van de gemeente.

Pagina 30 van 60

Vastgesteld bestemmingsplan

4.

Omgevingsaspecten

In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de vraag of de plannen voor het bestemmingsplan ‘Offem-Zuid, tweede fase deel C’, gelet op de planologische en milieutechnische aspecten wel uitvoerbaar zijn. Door middel van onderzoek wordt inzicht verkregen of bepaalde aspecten leiden tot belemmeringen voor de gewenste ontwikkeling. In de volgende paragrafen wordt bij thema's als geluid, lucht, bodem, zonering van bedrijvigheid, externe veiligheid, natuur en ecologie, archeologie en cultuurhistorie en water stilgestaan. 4.1 Planologie In de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (voorloper van de NOVI) wordt de Ladder voor duurzame verstedelijking geïntroduceerd. Deze Ladder is per 1 oktober 2012 als motiveringseis in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) opgenomen. Het doel van de Ladder voor duurzame verstedelijking is een goede ruimtelijke ordening in de vorm van een optimale benutting van de ruimte in stedelijke gebieden. Met de Ladder wordt een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten nagestreefd. Op 1 juli 2017 is de Ladder gewijzigd op de volgende punten: •

het begrip 'actuele regionale behoefte' is geschrapt en in de nieuwe Ladder vervangen door 'behoefte';

•

de nieuwe Ladder bevat geen treden meer. De treden 1 en 2 zijn samengevoegd en trede 3 is geschrapt;

• •

voor ontwikkelingen buiten bestaand stedelijk gebied geldt een uitgebreide motiveringsplicht; er is een nieuw artikellid toegevoegd op grond waarvan de Laddertoets bij bestemmingsplannen met een uitwerkingsplicht of wijzigingsbevoegdheid kan worden doorgeschoven naar het moment van vaststelling van het wijzigings- of uitwerkingsplan.

De Ladder voor duurzame verstedelijking is verankerd in het Bro. Artikel 1.1.1. definieert relevante begrippen. Daaraan is in het eerste lid een omschrijving toegevoegd van: 1. bestaand stedelijk gebied: bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur; 2.

stedelijke ontwikkeling: ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein,

of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen. Artikel 3.1.6 van het Bro: •

lid 2: de toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden

•

voorzien. lid 3: indien in een bestemmingsplan als bedoeld in het tweede lid toepassing is gegeven aan artikel 3.6, eerste lid, onder a of b, van de wet kan bij dat bestemmingsplan worden bepaald dat de beschrijving van de behoefte aan een nieuwe stedelijke ontwikkeling en een motivering als bedoeld in het tweede lid eerst wordt opgenomen in de toelichting bij het wijzigings- of het uitwerkingsplan als bedoeld in dat artikel.

•

lid 4: een onderzoek naar de behoefte als bedoeld in het tweede lid, heeft, in het geval dat het bestemmingsplan als bedoeld in het tweede lid, ziet op de vestiging van een dienst als

Pagina 31 van 60

Vastgesteld bestemmingsplan

bedoeld in artikel 1 van de Dienstenwet en dit onderzoek betrekking heeft op de economische behoefte, de marktvraag of de beoordeling van de mogelijke actuele economische gevolgen van die vestiging, slechts tot doel na te gaan of de vestiging van een dienst in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. Relatie met het projectgebied In het bestemmingsplan 'Offem Zuid' waar voor het projectgebied de uitwerkingsbevoegdheid is opgenomen, is de Ladder voor duurzame verstedelijking niet doorlopen. Onderstaande tekst vormt de motivering van de Ladder voor duurzame verstedelijking. Voor het bepalen van de behoefte naar woningen wordt gebruik gemaakt van de Regionale Woonagenda 2017-2021, de meeste recente WBRstatistieken (2021) en de Noordwijkse Woonagenda 2016-2020 (zoals toegelicht in paragraaf 3.4.4). Bestaande behoefte Het projectgebied is gelegen in de regio “Holland Rijnland”. Holland Rijnland bestaat uit de gemeenten Noordwijk, Alphen aan den Rijn, Hillegom, Kaag en Braassem, Katwijk, Leiden, Leiderdorp, Lisse, Nieuwkoop, Oegstgeest, Teylingen, Voorschoten en Zoeterwoude. In de regionale woonagenda van Holland Rijnland is de woningbehoefte voor de regio voor de periode 2021 – 2030 opgenomen. Voor deze regio is de toegestane woningvoorraadgroei voor de periode 2021-2030 geschat op 27.450 woningen.

De toegestane plancapaciteit voor diezelfde periode wordt geschat op 35.685 woningen. Daaruit blijkt de behoefte aan woningen in de regio. In de Noordwijkse Woonagenda 2016-2020 (zie ook paragraaf 3.4.3) is de behoefte aan woningen voor de gemeente Noordwijk opnieuw bepaald. Het project Offem-Zuid is in de Noordwijkse Woonagenda 2016-2020 als bestaande plancapaciteit opgenomen. In de Woonagenda wordt aangegeven dat de gemeente in 2016 stappen wil ondernemen om tot realisatie van de geplande woningen te komen. Ook op basis hiervan kan worden geconcludeerd dat voor de voorgenomen ontwikkeling voldoende regionale behoefte is. De gemeente richt zich in haar beleid met name op het segment dat vanuit marktwerking ‘niet vanzelf’ gaat (aanbod sociaal en middelduur). Conform de uitwerkingsbevoegdheid dient minimaal 30% van de nieuwbouw in de sociale sector te worden gerealiseerd. Daarnaast ambieert de gemeente woonwijken met diversiteit qua woningaanbod. Om diversiteit binnen de gemeente Noordwijk te creëren, moet er binnen wijken variatie én samenhang zijn in het bouwprogramma. Dit maakt onder andere doorstroming binnen woonwijken mogelijk. Voorliggend bestemmingsplan beoogt de realisatie van een woonwijk met maximaal 83 woningen.

De uitgangspunten voor het woningbouwprogramma zijn de realisatie van minimaal 30% in de sociale sector en minimaal 20% in het middeldure segment voor Offem-Zuid fase 2 (gezamenlijk voor de delen A, B en C). Buiten bestaand stedelijk gebied Het projectgebied van onderhavig bestemmingsplan is op basis van het geldende bestemmingsplan 'Offem-Zuid' met de bestemming 'Woongebied - Uit te werken' al geruime tijd bestemd voor een woongebied. Met dit bestemmingsplan wordt dan ook gevolg gegeven aan de uitwerkingsplicht om woningen te realiseren uit het geldende bestemmingsplan; er wordt geen nieuw beslag gelegd op de gronden buiten het bestaand stedelijk gebied. Aanvullend zorgt de ontwikkeling ervoor dat het woongebied de kwaliteit van het gebied verbetert en met de aanleg van Offem-Zuid wordt een nieuwe afronding van Noordwijk gerealiseerd. Tot slot zijn de ontwikkelingen binnen Offem-Zuid opgenomen in het Programma ruimte. Hierin zijn de (harde) woningbouwlocaties weergegeven die gelegen zijn

Pagina 32 van 60

Vastgesteld bestemmingsplan

buiten het bestaande stads- en dorpsgezicht en die meer dan 3 hectare groot zijn. Als de behoefte aan de stedelijke ontwikkeling niet binnen bestaand stads- en dorpsgebied kan worden voorzien, en voor zover daardoor een locatie groter dan 3 hectare nodig is, moet er gebruikt gemaakt worden van locaties die zijn opgenomen in het Programma Ruimte. Offem-Zuid is in het Programma Ruimte als dergelijke woningbouwlocatie opgenomen. Conclusie Op basis van de beleidsdocumenten en de meeste recente WBR-statistieken, blijkt een behoefte aan nieuwe woningen. Zowel de behoefte aan de ontwikkeling als de gekozen locatie is passend binnen het besluit ruimtelijke ordening. Geconcludeerd kan worden dat de Ladder voor duurzame verstedelijking succesvol is doorlopen. 4.2

Geluid

De Wet geluidhinder biedt vooral in het ruimtelijk spoor bescherming tegen (spoor)weglawaai en industrielawaai van inrichtingen gelegen op een gezoneerd industrieterrein. In de Wet geluidhinder wordt een beperkt aantal typen objecten beschermd. Het gaat hierbij onder andere om woningen. In het kader van de Wet geluidhinder dient de geluidbelasting ten gevolge van zoneringsplichtige bronnen ter plaatse van het projectgebied, inzichtelijk te worden gemaakt. Het projectgebied is niet gelegen binnen de zone van geluidgezoneerde industrieterreinen. Het projectgebied is daarnaast niet gelegen in een geluidgezoneerde zone van spoorwegen of industrie. Wel is het projectgebied gelegen binnen de zone van verschillende wegen. Ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling is door M+P een akoestisch onderzoek naar wegverkeerslawaai uitgevoerd. De rapportage is bijgevoegd als bijlage 1 en de resultaten worden hieronder samenvattend beschreven. De gemeente heeft d.d. 2 januari 2019 twee verkeersbesluiten gepubliceerd. In deze verkeersbesluiten (Staatscourant 2019, nummer 379 en 380) is een wijziging doorgevoerd ten aanzien van de verkeerssituatie binnen het plangebied. De maximum snelheid is hier afgewaardeerd tot een snelheidslimiet van 30 km/uur.

Daarnaast is de Beeklaan gewijzigd naar een weg, gecategoriseerd als binnen de bebouwde kom en geldt dat de maximum snelheid op dit weggedeelte 50 km/h is geworden. De nieuwe verkeerssituatie vormt in het onderzoek het uitgangspunt. Wegverkeer Op grond van de Wet geluidhinder heeft iedere weg een zone aan weerszijden tenzij: 1.

De weg is gelegen binnen een als woonerf aangeduid gebied.

2.

De maximumsnelheid van de weg 30 km/uur bedraagt.

De breedte van de zone is afhankelijk van de inrichting en de ligging (stedelijk/binnenstedelijk) van die weg (artikel 74 Wgh). Indien een geluidgevoelige bestemming wordt gerealiseerd binnen de zone dient een akoestisch onderzoek uitgevoerd te worden. Voorgenomen onderzoekslocatie is gelegen buiten stedelijk gebied. Op grond van de Wet geluidhinder is het stelsel van zonering van wegen erop gebaseerd dat de geluidbelasting op de gevel van een geluidgevoelig object dat is gelegen binnen de zone van meerdere wegen, per weg wordt bepaald. Voor het aanbrengen van geluidwerende gevelvoorzieningen dient echter uitgegaan te worden van het cumulatieve effect, dus de gezamenlijke geluidbelasting van de wegen, zonder aftrek op grond van artikel 110g Wgh. Op grond van artikel 110g van de Wet geluidhinder mogen de berekende geluidbelastingen gecorrigeerd (verminderd) worden met 2 tot 4 dB voor wegen waar een representatief te achten

Pagina 33 van 60

Vastgesteld bestemmingsplan

snelheid gelijk aan of hoger is dan 70 km/uur en met 5 dB voor de overige wegen (< 70 km/uur). Deze correctie houdt verband met de verwachting dat het verkeer in de toekomst stiller zal worden door technische ontwikkelingen en aanscherping van het type keuringseisen. Voor woningen bedraagt de voorkeursgrenswaarde 48 dB. Bij overschrijding van de voorkeursgrenswaarde is onder voorwaarden een ontheffing mogelijk tot de maximale grenswaarden van: •

53 dB vanwege een weg met een snelheid gelijk aan of hoger dan 70 km/uur.

•

63 dB vanwege een weg met een snelheid kleiner dan 70 km/uur.

Relatie met het projectgebied Het projectgebied is gelegen binnen de zone van de Beeklaan (N451) en provinciale weg N206. Op grond van de Wet geluidhinder is het stelsel van zonering van wegen erop gebaseerd dat de geluidbelasting van de gevel van een geluidgevoelig object dat is gelegen binnen de zone van meerdere wegen, per weg wordt bepaald. In het kader van de Wet geluidhinder is door M+P een akoestisch onderzoek uitgevoerd (zie Bijlage 1 Akoestisch onderzoek). In het onderzoek is het plangebied van het bestemmingsplan onderzocht, op basis van de beoogde verkaveling. Hoewel in het bestemmingsplan flexibele bouwvlakken zijn opgenomen, wordt met dit akoestisch onderzoek de uitvoerbaarheid van voorliggend bestemmingsplan aangetoond door de geluidwering van individuele gevels op basis van de beoogde verkaveling in kaart te brengen. Onderzoeksresultaten Het akoestisch onderzoek heeft betrekking op Offem-Zuid, tweede fase, zowel deel B als deel C. Onderhavig bestemmingsplan heeft enkel betrekking op deel C. Uit de berekeningen blijkt dat de maximale ontheffingswaarde vanwege de N206 wordt overschreden ter plaatse van de appartementengebouwen aan de (zuid)oostelijke. Er is sprake van dove gevels op de bovenste twee bouwlagen. De geluidsbelasting bedraagt maximaal Lden = 57 dB na aftrek.

De mogelijkheden om effectieve bron- of overdrachtsmaatregelen te treffen (teneinde de geluidsbelasting op de gevels van de woningen te beperken) zijn onderzocht, maar blijken niet haalbaar. De meeste appartementen met een dove gevel beschikken niet over een geluidsluwe zijde. Maatregelen zijn daarom nodig. Voor de beoogde appartementen kan gedacht worden aan bijvoorbeeld balkons met beglaasde borstweringen van 1,20 meter hoog en een absorberend plafond. Om meerdere ruimtes aan een balkon aan te sluiten kan ook een glazenwassersbalkon gerealiseerd worden. Met deze overdrachtsmaatregelen aan het gebouw kan de geluidsbelasting op de achterliggende gevel worden teruggedrongen tot onder de maximale ontheffingswaarde. Deze handelswijze is overeenkomstig de Omgevingswet. In de bruidsschat is een bepaling opgenomen dat gevels die beschreven zijn als ‘dove gevel’ worden gewijzigd in ‘niet geluidsbelaste gevels’. Deze laatste kunnen te openen delen hebben mits die voldoende worden afgeschermd. Aangezien de bouwplannen hoogstwaarschijnlijk onder de nieuwe regelgeving worden vergund, zijn de bepalingen uit de Omgevingswet (en bruidsschat) van toepassing. Overleg over de toepassing van de maatregelen zal te zijner tijd dan ook worden gevoerd met het bevoegd gezag.

Naast de maatregelen aan het gebouw, is als compensatie een geluidsluw gebied nabij de appartementen aanwezig in de spie achter de gebouwen. Dit gebied wordt ingericht als verblijfsgebied. Verder wordt opgemerkt dat extra compenserende maatregelen bij de appartementen mogelijk zijn, zoals een geluidswering die ten minste 3 dB hoger ligt dan vereist volgens het bouwbesluit, het plaatsen van extra geluidisolatie tussen de woningen onderling voor het verminderen van contactgeluid en door maatregelen te nemen om het karakteristieke

Pagina 34 van 60

Vastgesteld bestemmingsplan

installatiegeluidniveau ten gevolgen van de liften in de verblijfsruimten binnen de woningen te verminderen. Geconcludeerd wordt dat door toepassing van maatregelen een akoestisch aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden gerealiseerd. In de planregels van onderhavig bestemmingsplan is een voorwaardelijke verplichting opgenomen met betrekking tot geluidsgevoelige objecten. Op de verbeelding van onderhavig bestemmingsplan zijn de zijden vastgelegd welke als dove gevel uitgevoerd dienen te worden op basis van het akoestisch onderzoek en de momenteel beoogde verkaveling. Het momenteel beoogde plan is hiermee uitvoerbaar. In de planregels is volledigheidshalve een afwijkingsmogelijkheid opgenomen, zodat eventueel op andere wijze kan worden voorzien in een akoestisch aanvaardbaar woon- en leefklimaat (bijvoorbeeld in geval van een gewijzigde verkaveling of gewijzigde wetgeving in de toekomst). Conclusie Het aspect geluid vormt een randvoorwaarde, maar geen belemmering voor de planologische procedure van dit projectgebied, het bestemmingsplan ‘Offem-Zuid, tweede fase deel C’. Een Besluit hogere waarden is noodzakelijk voor het realiseren van een gedeelte van de beoogde woningbouw, het besluit is opgenomen als bijlage bij deze toelichting (zie Bijlage 12 Besluit hogere waarden).

Langs diverse zijden zijn dove gevels nodig, welke zijn verankerd op de Verbeelding en Regels behorend bij dit bestemmingsplan. 4.3 Luchtkwaliteit Op 15 november 2007 is de paragraaf 5.2 van de Wet milieubeheer gewijzigd (Hoofdstuk 5 titel 2 Wm, Staatsblad 2007, 414) en zijn in bijlage 2 van de Wet milieubeheer vernieuwde luchtkwaliteitseisen opgenomen. Gelijktijdig zijn de ministeriële regeling Beoordeling luchtkwaliteit 2007 (Staatscourant 2007, 220), het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen) (Besluit NIBM) en de bijbehorende ministeriële Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen) (Regeling NIBM) in werking getreden. Een belangrijk element uit deze wetswijziging is het begrip 'niet in betekenende mate' (NIBM). Luchtkwaliteitseisen vormen geen belemmering voor ontwikkelingen als: •

geen sprake is van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; of

• •

een project, al dan niet per saldo, niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit leidt; of een project niet in betekenende mate bijdraagt aan de luchtverontreiniging; of

•

een project is opgenomen in een regionaal programma van maatregelen of in het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) dat in werking treedt nadat de EU derogatie heeft verleend.

AMvB 'niet in betekenende mate' In het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen) (Besluit NIBM) en de bijbehorende ministeriële Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen) (Regeling NIBM) zijn de uitvoeringsregels vastgelegd die betrekking hebben op het begrip NIBM. Op verzoek van de Nederlandse overheid heeft de EU verlenging van de termijn (derogatie) gegeven waarbinnen de luchtkwaliteitseisen gerealiseerd moeten zijn. Per 1 augustus 2009 is het NSL vastgesteld (een belangrijke voorwaarde voor het verkrijgen van de derogatie). Hierdoor kan volledig gebruik worden gemaakt van deze derogatie. Bovendien is de definitie van 'niet in betekenende mate' verlegd van 1% naar 3% van de grenswaarde voor NO2 en PM10. De 3% komt overeen met 1,2 microgram/m3 (µg/m3) voor zowel PM10 als NO2.

Pagina 35 van 60

Vastgesteld bestemmingsplan

In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Deze gevallen kunnen zonder toetsing aan de grenswaarden voor het aspect luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Ook als het bevoegd gezag op een andere wijze, bijvoorbeeld door berekeningen, aannemelijk kan maken dat het geplande project NIBM bijdraagt, kan toetsing van de luchtkwaliteit achterwege blijven. Als een project voor één stof de 3%-grens overschrijdt, dan verslechtert het project 'in betekenende mate' de luchtkwaliteit. De 3%-norm is in de Regeling niet in betekenende waarde uitgewerkt in concrete voorbeelden, waaronder: •

woningbouw: 1.500 woningen netto bij één ontsluitende weg en 3.000 woningen bij twee

•

ontsluitende wegen; kantoorlocaties: 100.000 m2 brutovloeroppervlak bij één ontsluitende weg en 200.000 m2 brutovloeroppervlak bij twee ontsluitende wegen.

Relatie met het projectgebied In voorliggende ontwikkeling kan worden vastgesteld dat het aantal te realiseren woningen ver onder de 1.500 ligt en daarmee niet in betekenende mate bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Met behulp van de monitoringstool (bron: nsl-monitoring.nl/viewer) is vastgesteld wat de totale concentraties zijn in nabijheid van het projectgebied. Dit om te bepalen of het realiseren van deze functie op deze specifieke plek in het kader van een goed leefklimaat te motiveren is. Tabel 1 geeft de concentraties en bijbehorende grenswaarden weer. Totale concentratie (rekenpunt ID 15849956) NO2 (µg/m3) 2020 15.6 2030 10.2

PM10 (µg/m3) 16.7 14.7

PM2,5 (µg/m3) 8.4 7.0

Grenswaarden

40

25

40

Tabel 1: Ach tergrondconcentraties ter plaatse van het projectgebied (rekenpu nt 15849956)

Uit de resultaten van monitoringstool blijkt dat de totale concentratie zowel voor NO 2 als voor PM 10 en PM 2,5 ruim onder de grenswaarden blijft. De verwachte toename aan motorvoertuigbewegingen levert ten hoogste een beperkte verslechtering ten aanzien van de totale concentraties. Een goed woon- en leefklimaat is hiermee gewaarborgd. Conclusie Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de realisatie van het plan. 4.4

Bodem

Voor bodem en bodemverontreiniging is de Wet bodembescherming (Wbb) inclusief de aanvullende besluiten leidend. In de Wbb wordt een algemeen beschermingsniveau ingesteld voor de bodem ten aanzien van het voorkomen van nieuwe verontreiniging van de bodem. De Wbb geeft regels voor bodemverontreiniging, waarvan sprake is als het gehalte van een stof in de grond of in het grondwater de voor die stof geldende streefwaarde overschrijdt. Of een verontreiniging acceptabel is, hangt af van de mate van de verontreiniging en van de bestemming van de gronden. Door de Omgevingsdienst West-Holland is een bodembeheernota vastgesteld in 2014. De bodembeheernota, welke betrekking heeft op het toepassen van herbruikbare grond of baggerspecie,

Pagina 36 van 60

Vastgesteld bestemmingsplan

bestaat uit een algemeen deel en een specifiek deel. In het algemene deel staan de algemene beleidsregels beschreven welke gelden voor alle gemeenten binnen de regio West-Holland. In het specifieke deel wordt aangegeven of voor gebiedsspecifiek beleid is gekozen en hoe dat vormgegeven is. Bij het opstellen van gebiedsspecifiek beleid is tevens een bodemkwaliteitskaart benodigd. Met een bodemkwaliteitskaart wordt de actuele kwaliteit van diffuus verontreinigde bodem in een bepaalde zone in beeld gebracht. Voor de tweede fase stelde de gemeenteraad op dinsdag 29 september 2020 de nota over het beheer van de bodem in het plangebied Offem Zuid fase 2 ongewijzigd vast (Bodembeheernota deel B Offem-Zuid fase 2). Het doel van dit speciale grondbeleid voor Offem Zuid is om het verplaatsen van grond binnen het plangebied eenvoudiger te maken. Grond mag hergebruikt worden. Relatie met het projectgebied In het verleden is de locatie in gebruik geweest voor onder andere glastuinbouw en als volkstuinencomplex. Alle opstallen zijn al van de locatie verwijderd en de locatie is momenteel braakliggend. Verkennend bodemonderzoek Door Koenders & Partners is d.d. 10 juli 2018 ter plaatse van het projectgebied (tweede fase deel A, B en C) een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd (zie: Bijlage 2 Verkennend bodemonderzoek).

In het projectgebied van voorliggend bestemmingsplan is geen sprake van een grondverontreiniging met asbest ter plaatse van de aangemerkte asbestverdachte deellocaties. Ook is de ondergrond niet tot licht verontreinigd met onderzochte parameters. In het grondwater zijn ter plaatse van het prokectgebied lichte verontreinigingen aangetoond met diverse zware metalen. Nader grondwateronderzoek wordt niet noodzakelijk geacht. Het grondwater is niet tot licht verontreinigd met de overige onderzochte parameters. Onderhavig projectgebied (tweede fase, deel C) is voldoende onderzocht. Door IDDS is d.d. 22 oktober 2018 een nader milieukundig (asbest)onderzoek uitgevoerd, in het kader van de overige deelgebieden (tweede fase deel A en B). Omdat dit geen betrekking heeft op onderhavig projectgebied, wordt dit verder buiten beschouwing gelaten. Conclusie In het kader van voorliggend bestemmingsplan kan worden geconcludeerd dat binnen het projectgebied (tweede fase, deel C) geen verontreinigingen zijn aangetroffen. Het aspect bodemkwaliteit vormt geen belemmering voor de realisatie van dit plan. 4.5 Bedrijven en milieuzonering Een goede ruimtelijke ordening voorziet in het voorkomen van voorzienbare hinder en gevaar door milieubelastende activiteiten. Sommige activiteiten die in een bestemmingsplan mogelijk worden gemaakt, veroorzaken milieubelasting voor de omgeving.

Andere activiteiten moeten juist beschermd worden tegen milieubelastende activiteiten. Door bij nieuwe ontwikkelingen voldoende afstand in acht te nemen tussen milieubelastende activiteiten (zoals bedrijven) en gevoelige functies (zoals woningen) worden hinder en gevaar voorkomen en wordt het voor bedrijven mogelijk gemaakt zich binnen aanvaardbare voorwaarden te vestigen. Ten behoeve van de milieuhygiënische afweging in het kader van de ruimtelijke onderbouwing wordt voor de meest nabij gelegen bedrijven aansluiting gezocht bij het stappenplan uit de VNG-publicatie “Bedrijven en milieuzonering”. Voor het bepalen van de milieuzonering is gebruikgemaakt van de geactualiseerde handreiking (maart 2009): Bedrijven en milieuzonering (het zogenoemde groene boekje) van de VNG. In de

Pagina 37 van 60

Vastgesteld bestemmingsplan

toelichting van het bestemmingsplan ‘Offem-Zuid’ is het gehele plangebied, vanwege de ligging langs meerdere belangrijke wegen en de aanwezigheid van enkele bedrijfsfuncties, beschouwd als omgevingstype "gemengd gebied". De richtafstanden die gelden voor een gemengd gebied zijn derhalve van toepassing op het projectgebied.

Tabel 2: r ichtafs tanden in meters per o mgevingstype (bron: VN G publicatie)

Relatie met het projectgebied De hiernavolgende figuur toont de voor het projectgebied relevante bedrijven. Deze worden hieronder achtereenvolgens besproken.

Figuur 13: Ligging bedrijvigheid ten opzichte van het projectgebied, bedrij ven zijn groen omlijnd, projectgebied globaal rood omlijnd (bron: Google Maps)

Pagina 38 van 60

Vastgesteld bestemmingsplan

Binnen het plangebied van het geldende bestemmingsplan 'Offem Zuid' zijn de volgende twee bedrijven zijn gelegen, te weten: 1.

Admiraal Schilders BV aan de Herenweg 35;

2.

W.C.M. Lammers aan de Herenweg 47.

Het schildersbedrijf (nr. 1 in figuur 13) en het bedrijf aan de Herenweg 47 (nr. 2 in figuur 13) zijn gelegen binnen het vigerende bestemmingsplan 'Offem Zuid'. Binnen dit bestemmingsplan zijn voor deze percelen bedrijfsactiviteiten tot en met milieucategorie 2 toegestaan. Aan de geldende richtafstand (10 meter in gemengd gebied) wordt voor beide bedrijven ruimschoots voldaan, aangezien zij op meer dan 600 meter afstand van het projectgebied zijn gesitueerd. Buiten het bestemmingsplan 'Offem Zuid' zijn binnen een afstand van 500 meter 88 bedrijven gelegen. Een groot aantal bedrijven behoort tot milieucategorie 1 of 2. Deze bedrijven zijn alleen relevant voor het bestemmingsplan indien ze zijn gelegen aan een van de wegen die direct grenzen aan het projectgebied (Herenweg, Hogeweg, Achterweg of Beeklaan). Voor de bedrijven met een hogere milieucategorie is de relevantie van het bedrijf bepaald op basis van de afstand. De volgende bedrijven zijn in dit kader als relevant te beschouwen: 3.

Gebroeders Van der Putten aan de Achterweg 11a

Het composteerbedrijf Van der Putten aan de Achterweg 11a (nr. 3 in figuur 13) valt op basis van de VNG-publicatie onder milieucategorie 5.2. Op het bedrijf is een richtafstand van 700 meter voor het aspect geur van toepassing (SBI-2008 38c, categorie c2). Aangezien sprake is van gemengd gebied, kan de richtafstand met één afstandsstap verkleind worden. Hierdoor dient een richtafstand van 500 meter aangehouden te worden. De bedrijfsbestemming is gelegen op circa 300 meter van het plangebied. Aan de richtafstand van 500 meter wordt niet voldaan. Echter, het wijzigingsplan 'Verwijderen geurzone en Waarde Archeologie 2 Offem-Zuid en Landelijk gebied' is 18 september 2018 vastgesteld (zie ook paragraaf 1.2). In dit wijzigingsplan zijn aanpassingen in de bedrijfsvoering van het betreffende bedrijf uitgewerkt. In december 2014 heeft PRA Odournet B.V., in opdracht van gemeente Noordwijk en Gebr. van der Putten, een geuronderzoek uitgevoerd. Dit geuronderzoek had mede tot doel om inzicht te geven op welke wijze tot een acceptabel geurhinderniveau kan worden gekomen ter plaatse van de geplande woonvoorzieningen. In dit onderzoek is een aantal maatregelen onderzocht. Uit het geuronderzoek blijkt dat de meest optimale reductie van de geurcirkel een combinatie is van twee van de onderzochte maatregelen.

Op 27 maart 2018 is een omgevingsvergunning (met kenmerk 201850126) verleend voor het wijzigen van de composteermethode, het verplaatsen van de Ad-Blue tank en maatvoorschriften in het kader van het Activiteitenbesluit. Als gevolg van deze wijziging van bedrijfsvoering geldt een gewijzigde geurcirkel. De gemeente heeft in navolging van deze aanpassing het wijzigingsplan ‘Verwijderen geurzone en Waarde - Archeologie 2 Offem-Zuid en Landelijk gebied’ met kenmerk NL.IMRO.0575.WPOZLGgeurarcheo-VA01 vastgesteld. Het aspect geur vormt voor wat betreft de bedrijfsvoering aan de Achterweg 11a niet langer een belemmering voor de realisatie van het plan.

Pagina 39 van 60

Vastgesteld bestemmingsplan

4.

H.T.M. Alkemade

De onderneming H.T.M. Alkemade is gevestigd op Achterweg 2 te Noordwijk. Op deze bedrijfsbestemming is een maximale milieucategorie 2 met een richtafstand van 10 meter van toepassing. Het projectgebied is gelegen op ruim 200 meter afstand. Het bedrijf wordt met de komst van de woningen niet belemmerd in haar bedrijfsvoering en vice versa. 5.

Gebruik van gewasbeschermingsmiddelen

Volledigheidshalve wordt opgemerkt dat het projectgebied net buiten een afstand van 50 meter van agrarische bollenteeltgronden gelegen is. Het betreft gronden ten zuiden van het projectgebied. Op deze gronden is het gebruik van bestrijdingsmiddelen niet uitgesloten, gelet op de geldende bestemming. Echter vindt in de feitelijke situatie geen bollenteelt plaats op de betreffende graslanden. De agrarische activiteiten zijn daarnaast ondergebracht onder de werkingssfeer van het Activiteitenbesluit, waardoor rekening gehouden dient te worden met omliggende woningen. De bollenteeltvelden worden bovendien planologisch al beperkt door bestaande woningen. In het moederplan “Offem-Zuid” is bovendien al de uitwerkingsbevoegdheid opgenomen waar de woonfunctie in het projectgebied is voorzien. De bedrijvigheid wordt hierdoor niet belemmerd door de beoogde ontwikkeling en vice versa. Conclusie Het aspect bedrijven en milieuzonering vormt geen belemmering voor de realisatie van het plan. 4.6 Externe veiligheid Externe veiligheid heeft betrekking op de gevaren die mensen lopen als gevolg van aanwezigheid in de directe omgeving van een ongeval waarbij gevaarlijke stoffen zijn betrokken. Er kan onderscheid worden gemaakt tussen inrichtingen waar gevaarlijke stoffen worden bewaard en/of bewerkt, transportroutes waarlangs gevaarlijke stoffen worden vervoerd en ondergrondse buisleidingen.

De aan deze activiteiten verbonden risico's moeten tot een aanvaardbaar niveau beperkt blijven. Het wettelijk kader voor risicobedrijven is vastgelegd in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) en voor het vervoer van gevaarlijke stoffen in de Wet vervoer gevaarlijke stoffen. Normen voor ondergrondse buisleidingen is vastgelegd in het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Bij de beoordeling van de externe veiligheidssituatie zijn twee begrippen van belang, het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Plaatsgebonden risico (PR) Risico op een plaats buiten een inrichting, uitgedrukt als de kans per jaar dat een persoon die onafgebroken en onbeschermd op die plaats zou verblijven, overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval binnen die inrichting waarbij een gevaarlijke stof betrokken is. Aan het PR is een wettelijke grenswaarde verbonden die niet mag worden overschreden. Het PR wordt 'vertaald' als een risicocontour rondom een risicovolle activiteit, waarbinnen geen kwetsbare objecten (bijvoorbeeld woningen) mogen liggen. Groepsrisico (GR) Cumulatieve kansen per jaar dat ten minste 10, 100 of 1.000 personen overlijden als rechtstreeks gevolg van hun aanwezigheid in het invloedsgebied van een inrichting en een ongewoon voorval binnen die inrichting waarbij een gevaarlijke stof betrokken is.

Rondom een risicobron wordt een invloedsgebied gedefinieerd, waarbinnen grenzen worden gesteld aan het maximaal aanvaardbaar

Pagina 40 van 60

Vastgesteld bestemmingsplan

aantal personen, de zogenaamde oriëntatiewaarde (OW). Dit is een richtwaarde, waarvan het bevoegd gezag, mits afdoende gemotiveerd door middel van een verantwoordingsplicht, kan afwijken. De verantwoordingsplicht geldt voor elke toename van het GR. Relatie met het projectgebied In de directe omgeving van het projectgebied zijn enkele externe veiligheidsrisicobronnen gesitueerd. Op basis van de publieke risicokaart (geraadpleegd op 23 augustus 2021) zijn de aanwezige risicobronnen geïnventariseerd. In onderstaande figuur is de situering van het projectgebied ten opzichte van deze risicobronnen grafisch weergegeven. De verschillende risicovolle bronnen zijn met een groen cijfer genummerd. Het projectgebied is paars omlijnd.

Figuur 14: Ris icokaart, projectgebied globaal paars omlijnd (bron: www.nederland.r isicokaar t.nl)

De dichtstbijzijnde risicobronnen (inrichtingen, buisleiding en transport over de weg) zijn nader beschouwd in relatie tot het realiseren van de woningen binnen het plan Offem-Zuid te Noordwijk. Het betreft (nummering conform weergave in de figuur 14): 1.

Gasunie – Losplaatsweg 11;

2. 3.

Texaco Abswoude B.V. – Schiestraat 9; Teylingen College – Leidsevaart 4;

4. 5.

Mts. Steenvoorden – de Groot – Herenweg 94; Buisleiding Gasunie – Beeklaan (N451);

6.

Gevaarlijk transport over de weg: N206.

Analyse plaatsgebonden risico Een risicocontour (ofwel plaatsgebonden risico) geeft aan hoe groot in de omgeving de overlijdenskans is door een ongeval met een risicobron: binnen de contour is het risico groter, buiten de contour is het risico kleiner. Onderstaand zijn per risicobron de plaatsgebonden risico's geanalyseerd in relatie tot het realiseren van de nieuwbouw binnen het bestemmingsplan 'OffemZuid, tweede fase deel C'.

Pagina 41 van 60

Vastgesteld bestemmingsplan

1.

Gasunie – Losplaatsweg 11

De risicobron is het gasdrukregel- en meetstation. Deze bron is gelegen op meer dan 1 kilometer van de grens van het projectgebied. Op basis van de gegevens van de openbare risicokaart geldt voor deze bron een risicocontour van 0 meter. Deze bron levert daarmee geen belemmering op voor de nieuwbouw. 2.

Texaco Abswoude B.V. – Schiestraat 9

Deze inrichting is gelegen op ruim 1 kilometer van de grens van het plangebied. Op basis van de gegevens van de risicokaart geldt voor deze bron, een LPG-installatie bestaande uit een vulpunt, reservoir en afleverinstallatie, een risicocontour van maximaal 40 meter. Deze bron levert daarmee geen belemmering op voor de nieuwbouw. 3.

Teylingen College – Leidsevaart 4

Deze inrichting is gelegen op ruim 1 kilometer van de grens van het plangebied. Op basis van de gegevens van de risicokaart een risicocontour van maximaal 20 meter. Deze bron levert daarmee geen belemmering op voor de nieuwbouw. 4.

Mts. Steenvoorden – de Groot – Herenweg 94

De risicobron met de grootste afstand binnen deze inrichting is propaantank van 3.000 liter. Deze bron is gelegen op meer dan 700 meter van de grens van het plangebied. Op basis van de gegevens van de openbare risicokaart geldt voor deze bron een risicocontour van 10 meter. Deze bron levert daarmee geen belemmering op voor de nieuwbouw. 5.

Buisleiding Gasunie – Beeklaan (N451)

De buisleiding is gelegen ter hoogte van de Beeklaan, direct naast het projectgebied. Het betreft een aardgasleiding van de Nederlandse Gasunie met kenmerk W-535-03. De uitwendige diameter van de leiding bedraagt 168 mm en de werkdruk bedraagt 40 bar. In 2018 is de PR-contour 10 -6 van de buisleiding opnieuw berekend (Bijlage 3 Herberekening plaatsgebonden risicocontour). De PR 10 - 6 contour reikt niet tot in het projectgebied voor ‘OffemZuid, tweede fase deel C’. Het invloedsgebied reikt wel tot in het projectgebied. Binnen het invloedsgebied van de buisleiding mogen geen woonzorgvoorzieningen worden gebouwd. Woonzorgvoorzieningen zijn niet beoogd binnen onderhavig projectgebied. De buisleiding vormt hierdoor geen belemmering voor de realisatie van het plan. 6.

Gevaarlijk transport over de weg: N206

De N206 is geen Basisnetroute. Op basis van gegevens op de risicokaart blijkt dat over deze weg transport plaatsvindt van gevaarlijke stoffen. De weergegeven aantallen komen overeen met de aantallen in de quickscan van Tauw ten behoeve van het bestemmingsplan. De vuistregels uit de Handleiding Risicoanalyse Transportroutes (HART) zijn niet gewijzigd. De conclusie uit de quickscan van Tauw wordt ongewijzigd overgenomen. Deze bron vormt geen belemmering voor de nieuwbouw. Propaantanks Aanvullend wordt opgemerkt dat door Omgevingsdienst is aangegeven dat ook propaantanks ter plaatse van Nachtegaalslaan 6 en Hogeweg 20 aanwezig zijn (niet weergegeven op figuur 14). De propaantank ter plaatse van Nachtegaalslaan 6 is (medio september 2021) opgenomen op de

Pagina 42 van 60

Vastgesteld bestemmingsplan

risicokaart. Het kan niet uitgesloten worden dat nabij Hogeweg 22 en 24 ook een propaantank aanwezig zal zijn. Van deze propaantank(s) zijn echter geen gegevens bekend. De genoemde propaantanks kunnen van invloed zijn op de veiligheidssituatie van het plan, maar volgens de Omgevingsdienst is het niet de verwachting dat de aanwezigheid van deze propaantanks voor belemmeringen voor de realisatie van het plan zullen zorgen. Geconcludeerd wordt dat deze propaantanks geen belemmering vormen voor de beoogde ontwikkeling. Analyse groepsrisico In de voorliggende situatie geldt voor de vier inrichtingen (risicobronnen 1, 2, 3 en 4) een afstand tot de grens van het invloedsgebied van 150 meter of minder. De vier inrichtingen bevinden zich op meer dan 500 meter van het projectgebied. Nader onderzoek met betrekking tot het groepsrisico is voor deze vier inrichtingen niet noodzakelijk. De Milieudienst West-Holland heeft het groepsrisico als gevolg van de buisleiding bepaald waarbij tevens rekening is gehouden met de toekomstige woningen. Naar aanleiding van de berekeningen is een verantwoording van het groepsrisico opgesteld en een advies uitgebracht door de Veiligheidsregio Hollands Midden. In het onderzoek is uitgegaan van de realisatie van maximaal 750 woningen binnen het gebied waar de uitwerkingsbevoegdheid op van toepassing is.

Deze verantwoording heeft reeds plaatsgevonden bij de besluitvorming voor het onderliggende bestemmingsplan (het moederplan) Offem-Zuid (bijlage 6 van het bestemmingsplan Offem-Zuid, paragraaf 4.6.4) Uit deze paragraaf blijkt dat het groepsrisico het hoogst is in het midden van het tracé (de kern van de toekomstige woonbebouwing). Het groepsrisico bedraagt 0,113 maal de oriëntatiewaarde. Het totaal aantal woningen dat binnen het plangebied Offem-Zuid wordt gerealiseerd, is lager dan 750 woningen. Er is dus geen sprake van verdichting ten opzichte van de reeds berekende situatie. Het projectgebied is bovendien niet gelegen in de kern van de toekomstige woonbebouwing. Hierdoor hoeft ten behoeve van voorliggend bestemmingsplan geen nieuwe verantwoording plaats te vinden. Het aantal transportbewegingen op de N206 is niet gewijzigd ten opzichte van de quickscan van Tauw. Het totaal aantal toekomstige woningen is lager dan het aantal woningen waarbij in de quickscan vanuit is gegaan. De conclusies met betrekking tot het groepsrisico zijn daarom niet gewijzigd, maar zullen enkel verbeteren ten opzichte van deze situatie. Uit het bestemmingsplan voor plangebied Offem-Zuid blijkt dat voor de verantwoording van het groepsrisico aan drie voorwaarden voldaan moet worden: •

alle redelijkerwijs te treffen maatregelen zijn getroffen om het risico te reduceren;

•

de hulpdiensten kunnen adequaat ingrijpen als een calamiteit zich voordoet;

•

de bevolking is goed geïnformeerd over hoe te handelen bij een calamiteit.

Volledigheidshalve wordt opgemerkt dat deze gestelde voorwaarden (ook) op het onderhavige projectgebied van toepassing zijn. Conclusie Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling. 4.7

Ecologie

Per 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming van kracht. De Wet natuurbescherming vervangt drie actuele wetten, te weten de Flora- en faunawet, de Boswet en de Natuurbeschermingswet 1998. In de Wet natuurbescherming is de bescherming van soorten en gebieden vastgelegd.

Pagina 43 van 60

Vastgesteld bestemmingsplan

Verantwoording soortenbescherming De toets aan de natuurwetgeving is een getrapte toets. Allereerst is een quickscan flora en fauna (natuurtoets) nodig. Op basis van de conclusies van de quickscan wordt al dan niet een vervolgonderzoek uitgevoerd (bijvoorbeeld naar de aanwezigheid van vleermuizen of andere beschermde soorten). Wanneer negatieve effecten worden verwacht, kan het plan soms toch onder bepaalde voorwaarden, bijvoorbeeld door het nemen van maatregelen om negatieve effecten te voorkomen, uitgevoerd worden. Als negatieve effecten niet voorkomen kunnen worden, is meestal een ontheffing nodig van de provincie. Verantwoording gebiedsbescherming Op basis van de Wet natuurbescherming (Wnb) zijn natuurgebieden aangewezen die beschermd zijn. Het gaat daarbij om Natura 2000-gebieden (uitgesplitst in Habitatrichtlijngebieden en Vogelrichtlijngebieden). Binnen de diverse Natura 2000-gebieden is sprake van een aantal stikstofgevoelige habitattypen. Relatie met het projectgebied (herziene) Nota Ecologische Verbindingen in de provincie Zuid Holland In Nederland wordt gewerkt aan een robuust natuurnetwerk om natuurgebieden beter met elkaar te verbinden. Het doel is dat flora en fauna zich vrij kunnen verplaatsen door het landschap, waardoor zijnieuwe leefgebieden kunnen bereiken of bestaande populaties kunnen versterken.

Het plan wordt Natuurnetwerk Nederland (voorheen Ecologische Hoofdstructuur) genoemd. Ecologische verbindingen zijn de schakels in dit netwerk. Eén van de belangrijkste oorzaken voor de achteruitgang van de biodiversiteit en het lokaal verdwijnen van soorten is versnippering van leefgebied. Door intensivering van de landbouw, de aanleg van (water/spoor)wegen en de uitbreiding van steden worden leefgebieden kleiner, is de kwaliteit afgenomen en raken gebieden geïsoleerd. Geïsoleerde populaties worden door verminderde genetische variatie kwetsbaar voorziekten en kunnen zich minder snel aanpassen aan veranderende omstandigheden, zoals klimaatverandering of aan passingen in het landschap. Door het aanleggen van ecologische verbinding, in combinatie met het opheffen of passeerbaar maken van barrières, worden natuurgebieden met elkaar verbonden en worden nieuw te realiseren natuurgebieden aangesloten op bestaande gebieden. Hierdoor kunnen alle soorten zich vrij bewegen tussen de verschillende natuurgebieden en nieuwe gebieden bevolken. Om aan deze doelen te voldoen is in samenwerking met de provincie Zuid Holland voor de bestemming Natuur binnen het bestemmingsplan een ecologisch inrichtingsplan opgesteld. Soortenbescherming In 2017 is door Tauw reeds een ecologisch onderzoek uitgevoerd.

Gelet op de mogelijke verjaring van onderzoeksresultaten, is in 2021 opnieuw een natuurtoets uitgevoerd door Tauw naar Offem-Zuid, tweede fase deel B en C. De rapportage is opgenomen als bijlage aan deze toelichting (zie bijlage 4 Natuurtoets Wet natuurbescherming). Op basis van dit document blijkt dat negatieve effecten niet uit te sluiten zijn, voor wat betreft ruw parelzaad, wilde averuit en de rugstreeppad. Alhoewel de kans op het voorkomen van de ruw parelzaad en wilde averuit in het projectgebied klein is, kon de aanwezigheid niet met zekerheid worden uitgesloten. Naar deze soorten wordt daarom nader onderzoek uitgevoerd. Mogelijke (verblijfsplaatsen van) overige soorten zijn niet aangetroffen.

Pagina 44 van 60

Vastgesteld bestemmingsplan

Uit het nader onderzoek naar de genoemde soorten flora en fauna (zie bijlage 5 Nader onderzoek naar rugstreeppad, ruw parelzaad en wilde averuit) blijkt dat de rugstreeppad verblijft in het projectgebied. Ruw parelzaad en wilde averuit zijn niet aangetroffen. Er is een voortplantingshabitat van rugstreeppad en daarmee (winter)rusthabitat aangetoond in het plangebied. Voor rugstreeppad wordt daarom een ontheffing aangevraagd. Hiervoor wordt een activiteitenplan opgesteld met daarin onder andere mitigerende en compenserende maatregelen om negatieve effecten op rugstreeppad te voorkomen. Redelijkerwijs wordt aangenomen dat de verbodsbepalingen van de Wnb geen belemmeringen vormen voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan. Verder geldt dat maatregelen worden getroffen voor het beperken van lichtuitstraling naar vleermuizen en dat werkzaamheden buiten het broedseizoen zullen plaatsvinden. Zorgplicht Voor soorten die beschermd worden op grond van hoofdstuk 3 van de Wet natuurbescherming wordt gesteld dat het in principe voldoende is dat wordt voldaan aan de vereisten van dat specifieke beschermingsregime.

De toegevoegde waarde van de zorgplicht is er voor de bescherming van deze soorten in de eerste plaats in gelegen ook bij de voorbereiding van handelingen al de nodige zorgvuldigheid in acht moeten worden genomen; en ook bij de daadwerkelijke verrichting van de handeling steeds alertheid is geboden om nadelige effecten te zoveel mogelijk te voorkomen. Voor de bescherming van dieren en planten van soorten waarvoor geen specifiek beschermingsregime geldt op grond van hoofdstuk 3, heeft de zorgplicht wel zelfstandig betekenis. Op grond van de zorgplichtbepaling moeten schadelijke handelingen in beginsel achterwege worden gelaten dan wel moeten maatregelen worden genomen om schadelijke gevolgen (zoveel mogelijk) te voorkomen. De zorgplichtmaatregelen betreffen: •

Aangetroffen dieren krijgen de gelegenheid om te vluchten of zich te verplaatsen naar een schuilplaats buiten het bereik van de werkzaamheden. Dieren die zichzelf niet in veiligheid kunnen brengen worden onder begeleiding van een ecoloog in veiligheid gebracht en buiten

•

het werkgebied uitgezet. Potentiele schuilplekken worden gecontroleerd op aanwezigheid van schuilende dieren.

• •

Schuilplekken worden zoveel mogelijk intact gelaten. Werkzaamheden welke verstorend zijn voor broedende vogels worden bij voorkeur buiten de broedperiode gestart. Het broedseizoen verschilt per soort. Globaal moet rekening gehouden worden met de periode tussen half februari en half augustus. In gebruik zijnde nesten zijn altijd beschermd, ook buiten deze periode. Indien binnen de broedperiode gestart wordt met verstorende activiteiten, moet aantoonbaar worden vastgesteld dat er geen broedende vogels in en direct rond het plangebied aanwezig zijn.

Bij de uitwerking van het plan dient ten alle tijden aan deze zorgplicht te worden voldaan. Gebiedsbescherming Het projectgebied ligt niet binnen de begrenzing van het NNN. Externe werking op het NNN hoeft in provincie Zuid-Holland niet getoetst te worden. Onder de Wnb zijn sommige houtopstanden en solitaire bomen ook beschermd. Een toetsing aan Wnb onderdeel houtopstanden is in dit geval niet nodig, omdat het project binnen de bebouwde kom wordt uitgevoerd. Voor bescherming van gebieden is toetsing aan Natura 2000-doelen van belang.

Pagina 45 van 60

Vastgesteld bestemmingsplan

Het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied ‘Coepelduynen’ ligt op circa 1,4 kilometer afstand van het plangebied. Vanwege de afstand tot Natura 2000-gebieden en de aard van de werkzaamheden zijn directe negatieve effecten door trilling, geluid, licht en optische verstoring et cetera uitgesloten. Indirect negatieve effecten als gevolg van stikstofdepositie zijn echter niet op voorhand uit te sluiten. In het kader van het aspect stikstofdepositie is op 22 januari 2020 een aanvraag om vergunning ingediend, als bedoeld in artikel 2.7, tweede lid van de Wet natuurbescherming. De aanvraag heeft betrekking op de realisatie en gebruik vier woningbouwprojecten, waaronder voorliggende ontwikkeling. In de aanvraag is gebruik gemaakt van extern salderen. De externe saldering ziet in dit geval op de afname van stikstofdepositie als gevolg van het beëindigen van een paardenmanege aan de Zwarteweg 71-73 te Noordwijk. Op 20 augustus 2020 heeft het bevoegd gezag vergunning verleend. De beschikking is toegevoegd aan de bijlagen van voorliggend bestemmingsplan (Bijlage 6 Beschikking stikstofdepositie). Het aspect stikstofdepositie vormt derhalve geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling. Het projectgebied ligt bovendien niet in één van de overige provinciaal beschermde gebieden (belangrijk weidevogelgebied, strategische reservering natuur en kenmerkende landschapselementen).

Deze gebieden zijn, net als het NNN, geen belemmering voor dit plan. Conclusie Een ontheffing voor de rugstreeppad wordt aangevraagd, waarbij voldoende mitigerende en compenserende maatregelen worden getroffen om negatieve effecten op rugstreeppad te voorkomen. Redelijkerwijs kan worden aangenomen dat de verbodsbepalingen van de Wnb geen belemmeringen vormen voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan. Het aspect soortenbescherming vormt daarmee een randvoorwaarde voor de realisatie van de ontwikkeling, maar geen belemmering voor de planologische procedure. Ten aanzien van gebiedsbescherming geldt dat sprake is van een vergunning in het kader van de Wet natuurbescherming. Het aspect gebiedsbescherming vormt geen belemmering bij de realisatie van het voorgenomen initiatief. 4.8 Archeologie en cultuurhistorie Op 1 juli 2016 is de Erfgoedwet in werking getreden. Hiermee zijn de uitgangspunten van het Verdrag van Malta binnen de Nederlandse wetgeving geïmplementeerd. De wet regelt in combinatie met de Wro en de komende Omgevingswet de bescherming van archeologisch erfgoed in de bodem, de inpassing ervan in de ruimtelijke ontwikkeling en de financiering van opgravingen: de veroorzaker betaalt. In het proces van ruimtelijke ordening moet tijdig rekening worden gehouden met de mogelijke aanwezigheid van archeologische waarden.

Op die manier komt er ruimte voor de overweging van archeologievriendelijke alternatieven. Rijk, provincies en gemeenten (laten) bepalen welke archeologische waarden bedreigd worden bij ruimtelijke plannen. Tijdens de voorbereiding van deze plannen is (vroeg)tijdig archeologisch (voor)onderzoek belangrijk. De keuze voor een andere bouwlocatie voorkomt de verstoring van belangrijke bodemvondsten. Als dit geen optie is, bestaat de mogelijkheid om binnen de bouwlocatie zelf naar een archeologievriendelijke aanpak te streven. In het uiterste geval wordt een archeologische opgraving uitgevoerd.

Pagina 46 van 60

Vastgesteld bestemmingsplan

4.8.1

Archeologie

In kader van het vigerende bestemmingsplan 'Offem Zuid' (2013) is over het aspect archeologie geconcludeerd dat voor delen van het projectgebied een hoge verwachting is archeologische vindplaatsen aan te treffen. De betreffende gronden hebben in het geldende bestemmingsplan 'Offem Zuid' de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 2' gekregen. In 2016 heeft Archol een archeologisch proefsleuvenonderzoek uitgevoerd in het plangebied OffemZuid, te Noordwijk (zie Bijlage 7 Archeologisch proefsleuvenonderzoek). Het proefsleuvenonderzoek had als doel om de aard, omvang en behoudenswaardigheid van eventueel aanwezige vindplaatsen vast te stellen. In de rapportage "Boeren in de ijzertijd en de Romeinse tijd langs de Achterweg", worden de resultaten van het proefsleuvenonderzoek besproken. Op basis hiervan is een definitieve conclusie gegeven over de aard, omvang en behoudenswaardigheid van de vindplaatsen. Uit het onderzoek bleek dat beperkte zones met behoudenswaardige vindplaatsen aanwezig waren. Het overige deel van het gebied werd op basis van het proefsleuvenonderzoek al vrijgegeven, hier is geen verder archeologisch onderzoek geadviseerd (geen behoudenswaardige archeologische resten te verwachten). Ten behoeve van de zones met behoudenswaardige vindplaatsen hebben IDDS Archeologie en BAAC vervolgens tussen 10 september en 21 november 2018 een opgraving uitgevoerd.

Het evaluatierapport is als bijlage toegevoegd aan de toelichting van voorliggend bestemmingsplan (Bijlage 8 Evaluatierapport archeologie). Tijdens het onderzoek zijn in totaal 32 opgravingsputten met een totale oppervlakte van 3,75 ha onderzocht. Het doel van de opgraving is een samenhangend beeld te krijgen over de aard, omvang, datering en inhoudelijke betekenis van de archeologische resten. De onderzoeksresultaten van de opgraving zijn besproken met Erfgoed Leiden en Omstreken. Erfgoed Leiden en Omstreken heeft aangegeven het gebied ten aanzien van archeologie vrij te geven. Conclusie Voor een gedeelte van het projectgebied, daar waar eerder een behoudenswaardige vindplaats is geconstateerd, wordt in dit bestemmingsplan volledigheidshalve de bestemming 'Waarde Archeologie 2' opgenomen. Ten behoeve van dit bestemmingsplan zijn diverse archeologische onderzoeken reeds uitgevoerd. Inmiddels zijn de betreffende vindplaatsen opgegraven. Het projectgebied is daarmee voldoende onderzocht, nader archeologisch onderzoek is niet nodig. Erfgoed Leiden en Omstreken heeft op basis van de onderzoeken en opgraving besloten het projectgebied vrij te geven. Het aspect archeologie vormt geen belemmering voor de planologische procedure. 4.8.2

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Noordwijk&id=3c609504-0d3f-42c0-a01b-43b71abf6911