Bijlage 3 - GRO Schoolgebouw en woningbouw Viaductweg, Noordwijkerhout
Tekst van het document
De verkeersgeneratie van de bestaande situatie
Beoogde ontwikkeling De beoogde ontwikkeling gaat uit van 150 leerlingen, verdeeld over 6 klassen. De aanname hierbij is dat de leerlingen evenredig zijn verdeeld tussen boven- en onderbouw. Net als voor de bestaande situatie wordt aangehouden dat de leerlingen tussen de middag niet naar huis gaan en wordt voor de overige benodigde gegevens gebruik gemaakt van expert judgement gebaseerd op standaard waardes vanuit de voormalige rekentool van het CROW. In tabel 4.2.8 zijn de gehanteerde waarden weergegeven voor de beoogde school. Tabel 4.2.8
Gehanteerde uitgangspunten haal- en brengverkeer beoogde situatie
Op basis van de bovenstaande uitgangspunten is in tabel 4.2.9 de verkeersgeneratie ten behoeve van het halen en brengen berekend.
37/75
Tabel 4.2.9
De verkeersgeneratie voor het halen en brengen van leerlingen
In totaal zorgt het halen en brengen van leerlingen in de beoogde situatie voor een verkeersgeneratie van 116 mvt/etmaal gedurende een gemiddelde werkdag. Daarnaast zorgt het personeel voor een verkeersgeneratie van (4,5 x 2 =) 9 mvt/etmaal, waarmee de totale verkeersgeneratie van de beoogde school stijgt naar 126 mvt/etmaal. Naast de beoogde school voorziet de beoogde ontwikkeling in de realisatie van 4 middeldure huur appartementen en 13 sociale huurappartementen. De verkeersgeneratie van deze woningen is bepaald aan de hand van het CROW-kencijfer voor 'huur appartement, middel/goedkoop (inclusief sociale huur). Hierbij wordt voor het omrekenen van weekdag naar werkdag conform het CROW een omrekenfactor van 1,11 toegepast. In tabel 4.2.10 is de totale verkeersgeneratie van de beoogde ontwikkeling berekend. Tabel 4.2.10
De verkeersgeneratie van de beoogde ontwikkeling
Ten opzichte van de bestaande situatie zorgt de beoogde ontwikkeling voor een verkeerstoename van 64 mvt/etmaal gedurende een gemiddelde werkdag. Deze toename is dermate laag dat het effect op de verkeersafwikkeling van het omliggende wegennet verwaarloosbaar is. De beoogde ontwikkeling leidt bovendien niet tot een verschuiving in het gebruik van het omliggende wegennet. In de bestaande situatie is namelijk al sprake van schoolverkeer op de omliggende wegen in verband met de bestaande invulling van het plangebied. Aangezien de beoogde ontwikkeling slechts leidt tot een beperkte verkeerstoename die aansluit bij het bestaande verkeersbeeld op de omliggende wegen, wordt geconcludeerd dat de beoogde ontwikkeling niet leidt tot een verslechtering van de verkeersveiligheid van het omliggende wegennet.
38/75
Conclusie Ten opzichte van de bestaande situatie zorgt de beoogde ontwikkeling voor een aanvullende parkeerbehoefte van 31 parkeerplaatsen. Daarnaast zorgt de beoogde ontwikkeling voor een lichte stijging van het benodigde aantal kiss-and-ride plaatsen in de openbare ruimte. In de volgende fase (bij de vergunningaanvraag voor het bouwen) zal nader uitgewerkt zijn hoe - op basis van de gemeentelijk parkeernota - in voldoende parkeergelegenheid wordt voorzien. De beoogde ontwikkeling zorgt voor een verkeerstoename van 64 mvt/etmaal gedurende een gemiddelde werkdag. Deze toename is dermate laag dat de invloed op de verkeersafwikkeling en verkeersveiligheid van het omliggende wegennet gering is.
4.3
Wegverkeerslawaai
Toetsingskader Ten aanzien van geluidhinder is de Wet geluidhinder (Wgh) van kracht. Doel van deze wet is het terugdringen van hinder als gevolg van geluid en het voorkomen van een toename van geluidhinder in de toekomst. Voor het onderhavige plan is alleen geluidhinder als gevolg van wegverkeerslawaai van belang. Scholen en woningen zijn volgens de Wet geluidhinder (Wgh) geluidgevoelige functies. Akoestisch onderzoek is noodzakelijk als de school of woningen binnen de geluidzone vallen van gezoneerde wegen. In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient de aanvaardbaarheid van de geluidbelasting vanwege niet-gezoneerde (30 km/uur) wegen te worden onderbouwd. De Wgh stelt dat op de gevels van nieuwe geluidgevoelige objecten, zoals de geprojecteerde woningen, voldaan moet worden aan de voorkeursgrenswaarde van Lden = 48 dB. De maximale ontheffingswaarde is Lden = 63 dB. Voor 30 km/uur wegen gelden deze grenswaarden als richtwaarden. Toetsing en beoordeling De ontwikkeling betreft een school en een appartementengebouw met 17 appartementen op de percelen Geversstraat 1A en Dijkzicht 1 in Noordwijkerhout. De nieuwe school en woningen liggen in de wettelijke geluidzone van de wegen N206 en Viaductweg. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is de geluidbelasting vanwege de van Iersellaan, Geversstraat en Dijkzicht (30 km/uur) beschouwd.
In bijlage 1 is het akoestisch onderzoek opgenomen. Hieronder zijn de resultaten en conclusies samengevat. Vanwege de N206 is de geluidbelasting op de gevels van de 17 appartementen en van de school hoger dan de voorkeursgrenswaarde. De maximale geluidbelasting is 62 dB op de gevel van de appartementen en 53 dB op de gevel van de school. De geluidbelasting vanwege de Viaductweg is op de gevels van de 17 appartementen en van de school hoger dan de voorkeursgrenswaarde. De maximale geluidbelasting is 58 dB op de gevel van de appartementen en 60 dB op de gevel van de school.
39/75
De hoogst berekende geluidbelasting ten gevolge van de niet gezoneerde wegen bedraagt op de gevel van de school 47 dB en op de gevel van de woningen 42 dB. Gelet op deze geluidbelasting moet voor het geluid van beide wegen een hogere waarden worden vastgesteld. Om rekening te houden met een beperkte mate van flexibiliteit (zie daarvoor paragraaf 2.2.2) wordt verzocht om deze hogere waarden zekerheidshalve 1 dB hoger vast te stellen dan de genoemde onderzoeksresultaten. Verder is gebleken dat de geluidkwaliteit op basis van de gecumuleerde geluidbelasting op de school en de appartementen als slecht wordt beoordeeld aan de zijde van de Viaductweg. Aan de 'achterzijde' is de geluidkwaliteit op de school redelijk tot goed en op de appartementen matig. Vanwege het geluidbeleid dient er gestreefd te worden naar een geluidluwe gevel, en gaat de voorkeur uit naar een geluidluwe buitenruimte aan de minst belaste zijde. De school beschikt over een geluidluwe gevel en ook de buitenruimte ligt aan de minst belaste zijde waardoor voldaan wordt aan het geluidbeleid. De appartementen beschikken niet per definitie over een geluidluwe gevel en het is nog niet bekent waar de buitenruimte wordt gesitueerd.
Als de buitenruimte aan de zijde van de Geversstraat wordt gerealiseerd kan door het toepassen van een dichte verhoogde borstwering en absorberende plafonds van het balkon erboven een geluidluwe gevel op het balkon worden gecreëerd. Als de buitenruimte aan de zijde van de Viaductweg wordt gerealiseerd kan met een loggia of afsluitbaar balkon een geluidluwe gevel worden gecreëerd. Omdat de geluidbelasting door wegverkeerslawaai hoger is dan 58 dB moeten conform het gemeentelijk geluidbeleid aanvullende compenserende maatregelen worden opgenomen alvorens het bevoegd gezag over kan gaan tot het vaststellen van hogere waarden. De maatregelen bestaan uit een hogere gevel geluidwering van 5 dB voor zowel de school en de appartementen en een 5 dB hogere geluidwering dan standaard tussen de appartementen. Hiermee wordt voldaan aan het gemeentelijk geluidbeleid en is er sprake van een aanvaardbaar akoestisch woon- en leefklimaat. Conclusie Het aspect geluid vormt geen belemmering voor deze ontwikkeling. Het laten vaststellen van hogere waarden is nodig vanwege de N206 en de Viaductweg.
4.4
Bedrijven en milieuhinder
Toetsingskader In het kader van een goede ruimtelijke ordening is het van belang dat bij de aanwezigheid van bedrijven in de omgeving van milieugevoelige functies zoals woningen: ter plaatse van de woningen een goed woon- en leefmilieu kan worden gegarandeerd; rekening wordt gehouden met de bedrijfsvoering en milieuruimte van de betreffende bedrijven. Voor de afstemming tussen milieugevoelige en milieuhinderlijke functies wordt in dit plan gebruikgemaakt van de VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering (editie 2009). In deze publicatie is een lijst opgenomen waarin de meest voorkomende bedrijven en bedrijfsactiviteiten zijn gerangschikt naar mate van milieubelasting. Voor elke bedrijfsactiviteit is de maximale richtafstand ten opzichte van milieugevoelige functies aangegeven op grond waarvan de categorie-indeling heeft plaatsgevonden.
40/75
Milieuzonering beperkt zich tot de milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie: geluid, geur, gevaar en stof. De richtafstanden gelden ten opzichte van het omgevingstype 'rustige woonwijk/rustig buitengebied'. Voor het omgevingstype 'gemengd gebied' gelden kleinere afstanden. De richtafstanden gelden voor de aangegeven bedrijfsactiviteiten in het algemeen. Op basis van onderzoek naar de specifieke milieusituatie van een bedrijf kunnen kleinere aan te houden afstanden gerechtvaardigd zijn. Hiermee kan dan onderbouwd worden afgeweken van de richtafstanden indien de specifieke bedrijfsvoering van het betreffende bedrijf daar aanleiding toe geeft. Onderzoek Het projectgebied ligt enerzijds op circa 50 m afstand van de N206 en anderzijds op circa 75 m van bestemmingsvlakken behorende bij het centrumgebied van Noordwijkerhout. De projectlocatie ligt daar tussenin, met in de omgeving behalve woonbestemmingen ook diverse maatschappelijke bestemmingen en een recreatiebestemming. Op basis van deze ligging en combinatie van uiteenlopende functies, is het omgevingstype te typeren als gemengd gebied. De beoogde ontwikkeling maakt een school en woningen mogelijk. De school en woningen zijn milieugevoelige functies. De school is tegelijkertijd een (potentiële) milieuhinderlijke functie als gevolg van het aspect geluid.
De beoogde school geldt vanuit de VNG-publicatie als de volgende activiteit: Scholen voor basis- en algemeen voortgezet onderwijs, SBI-2008 852, 8531, milieucategorie 2. Hierbij is sprake van een richtafstand van 30 meter voor geluid. Zoals eerder vermeld is de omgeving getypeerd als gemengd gebied, hierdoor komt de richtafstand uit op 10 meter voor geluid.
Tussen de beoogde school en de beoogde woningen is een publieke ruimte voorzien, die voor een zekere afstand tussen beide functies zorgt. Opgemerkt wordt dat de exacte inrichting nog in beperkte mate kan wijzigen bij het uitwerken van de concrete bouwplannen, maar dat in alle gevallen een openbare tussenruimte het uitgangspunt is. Door deze in alle gevallen minimaal 10 m breed te laten zijn, wordt aan de genoemde richtafstand voldaan.
41/75
Uit bovenstaande hoofdopzet blijkt dat hieraan voldaan kan worden. Om dit te borgen wordt verzocht deze minimale afstand als voorwaarde in de vergunning op te nemen. In aanvulling hierop wordt bovendien opgemerkt dat de afstand tussen de beoogde woningen en het schoolplein (de primaire geluidbelastende locatie) circa 25 meter betreft. Daarmee is het woon- en leefklimaat ter plaatse van de woningen gegarandeerd. Omdat op basis van het vigerende bestemmingsplan reeds een schoolgebouw is toegestaan op deze locatie, geldt voor bestaande woningen in de omgeving dat de nieuwe school niet tot andere c.q. nieuwe effecten leidt op het gebied van milieuzonering. Bovendien liggen de nabij gelegen woningen en andere milieugevoelige functies op voldoende afstand van de school (te weten minimaal 10 m, zoals hierboven beschreven). Verder zijn in de omgeving geen bedrijven aanwezig die een belemmering vormen voor de milieusituatie ter plaatse van het projectgebied, of die door de beoogde ontwikkeling worden belemmerd in hun bedrijfsvoering. Conclusie Ter plaatse van de (nog te realiseren) woningen zal sprake zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Het aspect bedrijven en milieuhinder staat de beoogde ontwikkeling niet in de weg en nader onderzoek is niet noodzakelijk.
4.5
Luchtkwaliteit
Toetsingskader In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt bij het opstellen van een ruimtelijk onderbouwing uit het oogpunt van de bescherming van de gezondheid van de mens rekening gehouden met de luchtkwaliteit. Het toetsingskader voor luchtkwaliteit wordt gevormd door hoofdstuk 5, titel 5.2 van de Wet milieubeheer. Dit onderdeel van de Wet milieubeheer (Wm) bevat grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijn stof, lood, koolmonoxide en benzeen. Hierbij zijn in de ruimtelijke ordeningspraktijk langs wegen vooral de grenswaarden voor stikstofdioxide (jaargemiddelde) en fijn stof (jaar- en daggemiddelde) van belang. De grenswaarden van de laatstgenoemde stoffen zijn in tabel 4.5.1 weergegeven. Tabel 4.5.1
Grenswaarden maatgevende stoffen Wm
Stof
Toetsing van
Grenswaarde
stikstofdioxide (NO2)
jaargemiddelde concentratie
40 µg/m³
fijn stof (PM10)
jaargemiddelde concentratie
40 µg/m³
24-uurgemiddelde concentratie
max. 35 keer p.j. meer dan 50 µg / m³
jaargemiddelde concentratie
25 µg /m³
fijn stof (PM2,5)
Op grond van artikel 5.16 van de Wm kunnen bestuursorganen bevoegdheden die gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit onder andere uitoefenen indien de bevoegdheden/ontwikkelingen niet leiden tot een overschrijding van de grenswaarden of de bevoegdheden/ontwikkelingen niet in betekenende mate bijdragen aan de concentratie in de buitenlucht.
42/75
Besluit niet in betekenende mate (NIBM) In het Besluit NIBM is bepaald in welke gevallen een project vanwege de gevolgen voor de luchtkwaliteit niet aan de grenswaarden hoeft te worden getoetst. Hierbij worden 2 situaties onderscheiden: een project heeft een effect van minder dan 3% van de jaargemiddelde grenswaarde NO2 en PM10 (= 1,2 µg/m³); een project valt in een categorie die is vrijgesteld aan toetsing aan de grenswaarden; deze categorieën betreffen onder andere 'woningbouw met niet meer dan 1.500 woningen bij één ontsluitingsweg en 3.000 woningen bij twee ontsluitingswegen', 'kantoorlocaties met een bruto vloeroppervlak van niet meer dan 100.000 m2 bij één ontsluitingsweg en 200.000 m2 bij twee ontsluitingswegen'. Onderzoek Ter plaatse van het plangebied worden een school en 17 appartementen gebouwd. Een dergelijke ontwikkeling valt onder het Besluit NIBM onder de categorie 'woningbouw tot 1.500 woningen aan één ontsluitingsweg'. Dit betekent dat de ontwikkeling niet in betekenende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit ter plaatse en dat nader onderzoek niet noodzakelijk wordt geacht. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is een indicatie van de luchtkwaliteit ter plaatse van het plangebied gegeven.
Dit is gedaan aan de hand van het Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit 2023 (CIMLK) (https://www.cimlk.nl/kaart) die bij het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit hoort. De dichtstbijzijnde maatgevende weg betreft de Viaductweg. Uit het CIMLK blijkt dat in 2021 de jaargemiddelde concentraties stikstofdioxide en fijn stof langs deze weg ruimschoots onder de grenswaarden lagen. Hierdoor is er ter plaatste van het plangebied sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Conclusie Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling in het plangebied. Ter plaatse is sprake van een acceptabel woon- en leefklimaat
4.6
Water
Waterbeheer en watertoets De initiatiefnemer dient in een vroeg stadium overleg te voeren met de waterbeheerder over een ruimtelijk planvoornemen. Hiermee wordt voorkomen dat ruimtelijke ontwikkelingen in strijd zijn met duurzaam waterbeheer. Het plangebied ligt binnen het beheergebied van het Hoogheemraadschap van Rijnland, verantwoordelijk voor het waterkwantiteits- en waterkwaliteitsbeheer. Bij het tot stand komen van dit plan wordt in het kader van het wettelijk vooroverleg, overleg gevoerd met de waterbeheerder over de voorgestane ontwikkeling. Beleid duurzaam stedelijk waterbeheer Op verschillende bestuursniveaus zijn de afgelopen jaren beleidsnota's verschenen aangaande de waterhuishouding, allen met als doel een duurzaam waterbeheer (kwalitatief en kwantitatief). Deze paragraaf geeft een overzicht van de voor het plangebied relevante nota's, waarbij het beleid van het waterschap Rijnland nader wordt behandeld.
43/75
Europa: Kaderrichtlijn Water (KRW) Nationaal: Nationaal Waterplan (NW) Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW) Waterwet Provinciaal: Regionaal Waterprogramma Zuid-Holland 2022-2027 Omgevingsverordening Zuid-Holland Omgevingsvisie Zuid-Holland Waterschapsbeleid Voor de planperiode 2022-2028 zal het Waterbeheerprogramma (WBP6) van Rijnland van toepassing zijn. In dit plan geeft Rijnland aan wat haar visie is voor de komende planperiode en welke maatregelen in het watersysteem worden getroffen. De visie van het hoogheemraadschap kan samengevat worden in: water wijst de weg. Het beheergebied van Rijnland en het watersysteem moeten veerkrachtiger en flexibeler worden, er is een noodzaak om water meer leidend te maken in de ruimtelijke inrichting. Belangrijk is om te blijven investeren in waterbeheer. Het werken aan oplossingen om de leefomgeving toekomstbestendig te maken doet het hoogheemraadschap niet alleen, maar in samenwerking met andere partijen zoals het Rijk, provincies en gemeenten. Er zijn vijf maatschappelijke opgaves geformuleerd: bijdragen aan klimaatbestendige woningbouw tegengaan van bodemdaling versterking van de biodiversiteit energieneutraal werken Nederland circulair in 2050. De thema's voor de strategische doelen bestaan uit waterveiligheid, voldoende water, schoon water, waterketen, Rijnland duurzaam en Rijnland klimaatadaptief.
In het waterbeheerprogramma is beschreven hoe het hoogheemraadschap de gestelde taken wil bereiken en hoe ze denken dat te gaan doen. Het Waterbeheerprogramma (WBP6) 2022-2028 van Rijnland is te vinden op de website: www.bp6rijnland.nl. Keur en uitvoeringsregels Op grond van de Waterwet is Rijnland als hoogheemraadschap bevoegd via een eigen verordening, de Keur, regels te stellen aan handelingen die het watersysteem beïnvloeden. Sinds 13 mei 2020 heeft Rijnland een nieuwe Keur. Bij de Keur horen de Uitvoeringsregels. Hierin staan voorwaarden voor allerlei werkzaamheden die bewoners en bedrijven willen uitvoeren bij water en dijken. De Uitvoeringsregels kan een zorgplicht, een Algemene regel en een Beleidsregel bevatten. De zorgplicht geldt voor eenvoudige werkzaamheden met weinig risico. In de Algemene regel staan voorwaarden voor activiteiten met een beperkt risico. In de Beleidsregel staan voorwaarden voor activiteiten met een groter risico. De Keur en uitvoeringsregels zijn te vinden op: https://www.rijnland.net/regels-op-een-rij/keur-en-uitvoeringsregels.
44/75
Riolering en afkoppelen Voor het plan is het van belang dat er met Rijnland afstemming plaatsvindt over het omgaan met afvalwater en hemelwater. Overeenkomstig het rijksbeleid gaat Rijnland uit van een voorkeursvolgorde voor de omgang met deze waterstromen. Deze houdt in dat allereerst geprobeerd moet worden het ontstaan van (verontreinigd) afvalwater te voorkomen, bijvoorbeeld door het toepassen van niet uitlogende bouwmaterialen en het vermijden van vervuilende activiteiten op straat zoals auto's wassen en chemische onkruidbestrijding. Vervolgens is het streven vuil water te scheiden van schoon water, bijvoorbeeld door het afkoppelen van hemelwaterafvoeren van gemengde rioolstelsels. De laatste stap in de voorkeursvolgorde is het zuiveren van het afvalwater. De doelmatigheid daarvan wordt vergroot door het scheiden van de schone en de vuile stromen. Onderzoek Huidige situatie In de huidige situatie is er een (tijdelijk) schoolgebouw en een kantoorpand aanwezig op de locatie. De tijdelijke school wordt opgeheven om de beoogde ontwikkeling mogelijk te maken. De bebouwing wordt daarom verwijderd. Het kantoorpand is al een langere periode niet in gebruik. Ook dit pand wordt ten behoeve van het planvoornemen verwijderd. Waterkwantiteit Binnen en in de directe omgeving van het plangebied zijn geen watergangen aanwezig.
Veiligheid en waterkeringen Het plangebied is niet gelegen binnen de kern- en beschermingszone van een regionale/primaire waterkering. Afvalwaterketen en riolering Het plangebied is aangesloten op het gemeentelijke rioolstelsel. Toekomstige situatie De beoogde situatie betreft een schoolgebouw, een publieke buitenruimte en 17 appartementen. Waterkwantiteit Bij een toename verhard oppervlak van 500 m² of meer geldt een compensatie eis vanuit het Hoogheemraadschap. In de huidige situatie is er sprake van een verhard oppervlak; de bebouwing van de (tijdelijke) school en het kantoorpand, zie onderstaande tabel. Tabel 4.6.1.
Huidig verhard oppervlak
Object
Verhard oppervlak
Tijdelijke school 'De Nieuwe School'
600m2
Kantoorpand en parkeerplaatsen
800m2
Totaal
1.400m2
45/75
De beoogde situatie voorziet in de sloop van deze bestaande bebouwing. De beoogde ontwikkeling als beschreven in paragraaf 2.2 gaat uit van de oppervlakten aan verhard oppervlak als weergegeven in tabel 4.6.2. Daarbij is voor het onbebouwde deel een aanname gehanteerd van maximaal 40% verharding, wat gebaseerd is op de stedenbouwkundige uitgangspunten die bij de uitwerking de terreininrichting gehanteerd zullen worden. Tabel 4.6.2. Object
Toekomstig verhard oppervlak Oppervlakte totaal Opp. bebouwd Opp. verhard onbebouwd Opp. verhard totaal (40% van onbebouwd terrein)
Beoogde schoolgebouw 1.548 m2
581 m2
0,4 * 967 m2 = 387 m2
968 m2
Woningen
453 m2
0,4 * 658 m2 = 263 m2
716 m2
1.111 m2
Totaal
1.684 m2
Op basis van deze uitgangspunten voorziet het project in een netto toename aan verhard oppervlak van 1.684 m2 1.400 m2 = 284 m2. Als gevolg daarvan is geen watercompensatie vereist. Dat neemt niet weg, dat binnen het plangebied wordt voorzien in mogelijkheden om water op te vangen en vast te houden. De publieke ruimte tussen de school en de woningen krijgt een natuurlijke inrichting waarbij er ook ruimte zal zijn voor open water. Figuur 4.6.1 geeft hier een impressie van. Indien de mate van verharding van het onbebouwde deel van het terrein hoger ligt dan in tabel 4.6.2 is aangehouden, zodanig dat er per saldo sprake is van een toename verharding groter dan 500 m2, zal bezien moeten worden of de aanleg van water in dit middengebied voldoende is om te voldoen aan de 15% watercompensatie-eis van het Hoogheemraadschap. Dit zal bij de vervolgfase (uitwerking bouwplan en landschappelijke inrichting via een afzonderlijke omgevingsvergunning) berekend moeten worden.
Figuur 4.6.1
46/75
Impressie natuurlijke inrichting publieke ruimte tussen woningen en school
Afvalwaterketen en riolering Conform de Leidraad Riolering en vigerend waterschapsbeleid is het voor nieuwbouw gewenst een gescheiden rioleringsstelsel aan te leggen zodat schoon hemelwater niet bij een rioolzuiveringsinstallatie terecht komt. Afvalwater wordt aangesloten op de bestaande gemeentelijke riolering. Voor hemelwater wordt de volgende voorkeursvolgorde aangehouden: hemelwater vasthouden voor benutting; (in-) filtratie van afstromend hemelwater; afstromend hemelwater afvoeren naar oppervlaktewater; afstromend hemelwater afvoeren naar AWZI. Watersysteemkwaliteit en ecologie Ter voorkoming van diffuse verontreinigingen van water en bodem is het van belang om duurzame, niet-uitloogbare materialen te gebruiken, zowel gedurende de bouw- als de gebruiksfase. Veiligheid en waterkeringen De ontwikkeling heeft geen invloed op de waterveiligheid in de omgeving. Waterbeheer Er is geen bestaand water binnen het project gebied aanwezig en ook geen waterhuishoudkundige objecten. De ontwikkeling heeft geen effect op het waterbeheer. De ontwikkeling voorziet in enige vorm in de aanleg van water, namelijk in het openbaar gebied tussen de school en de woningen. Afhankelijk van hoe dit uiteindelijk wordt ingericht, kan dat gezien worden als een aanpassing van het bestaande watersysteem. Mogelijk is in dat verband een vergunning nodig op grond van de Keur.
Dit betreft een aandachtspunt bij de verdere uitwerking van het project in de vervolgfase. Uit afstemming met het hoogheemraadschap zal moeten blijken in hoeverre voor de uiteindelijke inrichting een vergunning nodig is. Conclusie De ontwikkeling heeft geen negatieve gevolgen voor het waterhuishoudkundige systeem ter plaatse. Afhankelijk van de uiteindelijke inrichting en daarbij te verrichten werkzaamheden, dient mogelijk een vergunning bij het hoogheemraadschap aangevraagd te worden. Dit is een punt van aandacht voor de verdere uitwerking van dit project in de vervolgfase.
4.7
Ecologie
Wet natuurbescherming Bij de voorbereiding van een ruimtelijk project dient onderzocht te worden of de Wet natuurbescherming (hierna: Wnb) en het beleid van de provincie ten aanzien van de bescherming van dier- en plantensoorten en de bescherming van het Natuurnetwerk Nederland de uitvoering van het plan niet in de weg staan. In elk geval moet aannemelijk zijn dat vergunning of ontheffing van de bij of krachtens deze wet geldende verbodsbepalingen kan worden verkregen voor de activiteiten die met dit plan mogelijk worden gemaakt.
47/75
Met de Wnb zijn alle bepalingen met betrekking tot de bescherming van natuurgebieden en dier- en plantensoorten samengebracht in één wet. De Wnb implementeert diverse Europeesrechtelijke regelgeving, zoals de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn, in de Nederlandse wetgeving. Gebiedsbescherming De Wnb kent diverse soorten natuurgebieden: Natuurnetwerk Nederland (NNN) en, Natura 2000-gebieden De minister wijst gebieden aan die deel uitmaken van het Europese netwerk van natuurgebieden: Natura 2000. Voor ieder Natura 2000-gebied zijn instandhoudingsdoelstellingen voor de leefgebieden van vogelsoorten (Vogelrichtlijn) en voor de natuurlijke habitats en habitats van soorten (Habitatrichtlijn) opgesteld. De bescherming van deze gebieden heeft externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden verstoring kunnen veroorzaken en moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. Gebieden die deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) worden aangewezen in de provinciale Omgevingsverordening. Voor dit soort gebieden geldt het 'nee, tenzij' principe, wat inhoudt dat binnen deze gebieden in beginsel geen nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen mogen plaatsvinden.
Soortenbescherming In de Wnb wordt een onderscheid gemaakt tussen soorten die worden beschermd in de Vogelrichtlijn, soorten die worden beschermd in de Habitatrichtlijn en de bescherming van overige soorten. De provincie kan ontheffing verlenen van de verboden voor overige soorten ofwel soorten van de lijst Nationaal beschermde soorten behorende bij artikel 3.10 van de Wnb. In de provincie Zuid-Holland geldt voor ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden en bestendig beheer en onderhoud een vrijstelling voor een groot deel van de “overig” beschermde soorten. Het betreft de meest algemene soorten amfibieën en zoogdieren. Voor de Europees beschermde soorten (Vogel- en Habitatrichtlijn) is er geen beleidsruimte en is de bescherming onveranderd. Onderzoek Het plangebied maakt geen deel uit van een natuur- of groengebied met een beschermde status, zoals Natura 2000 (figuur 4.7.1). Het plangebied maakt ook geen deel uit van het NNN, een weidevogelgebied of van een strategisch gereserveerd natuurgebied van de provincie Zuid-Holland. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied Kennermerland-Zuid, ligt op een afstand van circa 2 kilometer. Het dichtstbijzijnde NNN gebied ligt op een afstand van circa 1,5 kilometer (zie figuur 4.7.2).
48/75
Figuur 4.7.1 Plangebied t.o.v. Natura 2000-gebieden. Bron: AERIUS Calculator
Figuur 4.7.2
Plangebied t.o.v. NNN. Bron: Provincie Zuid-Holland
De voorgenomen ontwikkeling betreft de realisatie van een schoolgebouw en 17 appartementen. Gezien de afstand en ligging in stedelijk gebied zijn effecten als vernietiging, areaalverlies, versnippering, verstoring en waterhuishoudkundige veranderingen op voorhand uit te sluiten. Het enige mogelijk relevante ecologische effect betreft vermesting/verzuring als gevolg van stikstofdepositie. Om de toename van de depositie op de Natura2000-gebieden te bepalen is met het programma AERIUS Calculator een berekening uitgevoerd om de gevolgen voor de stikstofdepositie binnen Natura 2000 in beeld te brengen en te toetsen of de eventuele toename past binnen de eisen die gelden op grond van de Wnb. Uit de berekening blijkt dat geen sprake is van rekenresultaten die hoger zijn dan de drempelwaarde van 0,00 mol N/ha/jr. Het plan is daarom in het kader van de Wnb uitvoerbaar. In bijlage 4 wordt de Aeriusberekening verder toegelicht. In bijlagen 5, 6, 7 en zijn de berekeningen opgenomen.
49/75
Soortenbescherming Om de ecologische gevolgen van de beoogde ontwikkeling in kaart te brengen is een quick scan flora- en fauna uitgevoerd door ecologisch onderzoeks- en adviesbureau Endemica B.V. De quickscan is toegevoegd in bijlage 2. Uit het onderzoek blijkt dat er nesten van algemene vogelsoorten, nestlocaties van de huismus en verblijfplaatsen van de vleermuissoorten potentieel aanwezig zijn binnen het projectgebied. Onderstaande tabel geeft aan welke vervolgstappen noodzakelijk zijn. Tabel 4.7.1 Overzicht (mogelijk) aanwezige beschermde soorten, effecten van de geplande werkzaamheden en noodzaak ontheffingsaanvraag of specifieke maatregelen
Samenvattend is het uitvoeren van aanvullend vleermuisonderzoek noodzakelijk conform het Vleermuisprotocol 2021. Voor de huismus dient aanvullend onderzoek te worden verricht volgens de richtlijnen van het BIJ12 document, hetzij 3 bezoeken in de periode april – mei. Voor algemene broedvogels hoeven geen aanvullende maatregelen genomen te worden, echter mogen verstorende werkzaamheden alleen buiten de periode tussen 15 maart en 15 juli worden uitgevoerd. Indien verstorende werkzaamheden één maand (feb) vóór of enkele maanden daarna (aug/sep) plaatsvinden, moet voorafgaand gecontroleerd worden op de aanwezigheid van broedende vogels. Voor alle in het plangebied aanwezige soorten, dus ook de algemene soorten, geldt de Zorgplicht. Conclusie Vanuit gebiedsbescherming zijn er geen belemmeringen voor de voorgenomen ontwikkeling. Uit de stikstofberekening blijkt dat er geen sprake is van stikstofdepositie tijdens de aanleg- en gebruiksfase op nabij gelegen Natura2000-gebieden. Omtrent soortenonderzoek blijkt dat er vervolgonderzoek noodzakelijk is op de aanwezigheid van de huismus en vleermuizen. Dit onderzoek dient voorafgaand aan de beoogde werkzaamheden te zijn uitgevoerd. Mogelijke maatregelen of protocollen die daaruit volgen ter bescherming van de beschermde soort(en) dienen in acht te worden genomen.
50/75
4.8
Bodemkwaliteit
Toetsingskader Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening dient in verband met de uitvoerbaarheid van een ruimtelijke ontwikkeling rekening gehouden te worden met de bodemgesteldheid in het plangebied. Bij functiewijziging dient te worden bekeken of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie en moet worden vastgesteld of sprake is van een saneringsnoodzaak. In de Wet bodembescherming is bepaald dat indien de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig dient te worden gesaneerd dat zij kan worden gebruikt door de desbetreffende functie (functiegericht saneren). Nieuwe bestemmingen dienen bij voorkeur op schone grond te worden gerealiseerd. Onderzoek Voor de locatie is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd door Vlam Bodem Advies BV, zie bijlage 3. Doel van het onderzoek is het vastleggen van de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem. De resultaten van het onderzoek laten zien dat er in de bovengrond en het grondwater sprake is van lichte verontreinigingen. Echter blijkt aan de hand van specifieke protocols en regelgeving dat op basis van de resultaten van het uitgevoerde bodemonderzoek geen aanvullend of nader onderzoek noodzakelijk is. Met dit onderzoek zijn milieuhygiënisch gezien geen belemmeringen aangetroffen voor de voorgenomen nieuwbouw.
Onderzoek naar PFAS in de bodem is niet meegenomen in dit onderzoek. Indien bij eventuele graafwerkzaamheden grond vrijkomt die niet op de locatie kan worden hergebruikt wordt geadviseerd om aanvullend een partijkeuring inclusief PFAS uit te voeren. Conclusie Het aspect bodem vormt geen belemmering voor de ontwikkeling.
4.9
Archeologie en cultuurhistorie
Toetsingskader Erfgoedwet Sinds 1 juli 2016 is de Wet op de archeologische monumentenzorg vervangen door de Erfgoedwet. De uitgangspunten uit het 'Verdrag van Malta' blijven in de Erfgoedwet de basis van de Nederlandse omgang met archeologie. De Erfgoedwet regelt de bescherming van archeologisch erfgoed in de bodem, de inpassing ervan in de ruimtelijke ontwikkeling en de financiering van opgravingen. Voor gebieden waar archeologische waarden voorkomen of waar reële verwachtingen bestaan dat ter plaatse archeologische waarden aanwezig zijn, dient door de initiatiefnemer voorafgaand aan bodemingrepen archeologisch onderzoek te worden uitgevoerd. De uitkomsten van het archeologisch onderzoek dienen vervolgens volwaardig in de belangenafweging te worden betrokken. Het belangrijkste doel is de bescherming van het archeologische in de bodem (in situ) omdat de bodem doorgaans de beste garantie biedt voor een goede conservering. Er wordt uitgegaan van het basisprincipe dat de 'verstoorder' betaalt voor het opgraven en het documenteren van de aangetroffen waarden als behoud in de bodem niet tot de mogelijkheden behoort.
51/75
Besluit ruimtelijke ordening Op basis van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) dient in de toelichting van elk bestemmingsplan of in een ruimtelijke onderbouwing om af te wijken van het bestemmingsplan een beschrijving te worden gegeven van de aanwezige cultuurhistorische en archeologische waarden van het plangebied. Gemeentelijk beleid Uitgangspunten van het nieuwe archeologiebeleid zijn door de gemeenteraad vastgelegd in de Integrale Erfgoednota Noordwijk. Daarbij hoort een Archeologische Waarden- en Verwachtingenkaart & Archeologische Beleidskaart. De archeologische verwachting voor de verschillende archeologische beleidsadviesgebieden is uiteengezet in het rapport 'In de bodem van Noordwijk', dat ter onderbouwing van de totstandkoming van de archeologische beleidskaart van de gemeente geldt. Beoordeling In figuur 4.9.1 is een uitsnede opgenomen van de archeologische beleidskaart. Daaruit is af te lezen dat het projectgebied deels binnen de (paarse) zone van een vindplaats zonder beschermde status valt. Het overige deel bestaat uit een gebied met hoge verwachtingswaarde. Binnen beide zones is archeologisch onderzoek nodig bij werkzaamheden groter dan 250 m2 én dieper dan 30 cm.
Figuur 4.9.1
52/75
Archeologische beleidskaart
Gelet op de beoogde omvang van de ontwikkeling wordt deze oppervlaktemaat overschreden. Of ook de dieptemaat overschreden wordt, is echter pas duidelijk bij de verdere uitwerking van het bouwplan. Om die reden wordt bij deze aanvraag verzocht om het uitvoeren van archeologisch onderzoek (voor zover nodig), als voorwaarde in de omgevingsvergunning op te nemen. Nadat het bouwplan verder is uitgewerkt en indien daaruit blijkt dat dit onderzoek nodig blijkt, kan op dat moment het onderzoek gericht worden uitgevoerd. Cultuurhistorie Ten aanzien van cultuurhistorie geldt dat er zich binnen het projectgebied geen aangewezen monumenten of anderszins cultuurhistorisch waardevolle objecten of structuren bevinden. Evenmin maakt het projectgebied onderdeel uit van een beschermd stads- of dorpsgezicht. Conclusie Het aspect cultuurhistorie staat de uitvoering van het project niet in de weg. Ten aanzien van archeologie geldt dat wanneer de exacte omvang en diepte van de bodemingrepen bekend is, in overleg met de gemeente wordt bepaald of en welke maatregelen nodig zijn om de archeologische resten veilig te stellen. Hiervoor kan het noodzakelijk zijn om een of meerdere verkennende en waarderende vooronderzoeken (boor- en eventueel proefsleuvenonderzoek) uit te voeren. Deze vooronderzoeken worden gedaan voorafgaand aan de vergunningaanvraag (in de vooroverleg-fase).
4.10 Externe veiligheid Toetsingskader Bij ruimtelijke plannen dient ten aanzien van externe veiligheid naar verschillende aspecten te worden gekeken, namelijk: bedrijven waar activiteiten plaatsvinden die gevolgen hebben voor de externe veiligheid; vervoer van gevaarlijke stoffen over wegen, spoor, water of door buisleidingen. Voor zowel bedrijvigheid als vervoer van gevaarlijke stoffen zijn twee aspecten van belang, te weten het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het PR is de kans per jaar dat een persoon dodelijk wordt getroffen door een ongeval, indien hij zich onafgebroken (dat wil zeggen 24 uur per dag gedurende het hele jaar) en onbeschermd op een bepaalde plaats zou bevinden. Het PR wordt weergegeven met risicocontouren rondom een inrichting dan wel infrastructuur. Het GR drukt de kans per jaar uit dat een groep van minimaal een bepaalde omvang overlijdt als direct gevolg van een ongeval waarbij gevaarlijke stoffen betrokken zijn. De norm voor het GR is een oriëntatiewaarde. Het bevoegd gezag heeft een verantwoordingsplicht als het GR toeneemt en/of de oriëntatiewaarde wordt overschreden. Risicovolle inrichtingen Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (hierna: Bevi) geeft een wettelijke grondslag aan het externe veiligheidsbeleid rondom risicovolle inrichtingen.
Op basis van het Bevi geldt voor het PR een grenswaarde voor kwetsbare objecten en een richtwaarde voor beperkt kwetsbare objecten. Beide liggen op een niveau van 10-6 per jaar. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet aan deze normen worden voldaan, ongeacht of het een bestaande of nieuwe situatie betreft.
53/75
Het Bevi bevat geen norm voor het GR; wel geldt op basis van het Bevi een verantwoordingsplicht ten aanzien van het GR in het invloedsgebied van de inrichting. De in het externe veiligheidsbeleid gehanteerde norm voor het GR geldt daarbij als oriëntatiewaarde. Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) In het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) wordt aangesloten bij de risicobenadering uit het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) zodat ook voor buisleidingen normen voor het PR en het GR gelden. Op grond van het Bevb dient zowel bij consoliderende bestemmingsplannen als bij ontwikkelingen inzicht te worden gegeven in de afstand tot het PR en de hoogte van het GR als gevolg van het transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen. Onderzoek De beoogde ontwikkeling maakt één school en 17 appartementen mogelijk. Dit betreffen kwetsbare objecten. Het planvoornemen maakt geen risicovolle objecten mogelijk. De risicobronnen in de omgeving zijn geïnventariseerd aan de hand van de risicokaart. In de directe omgeving van het plangebied zijn geen risicovolle inrichtingen of vervoerstrajecten van gevaarlijke stoffen over het spoor of water aanwezig waarvan het invloedsgebied over het plangebied komt.
De huidige bestemming (Maatschappelijk) uit het vigerende bestemmingsplan (Victor en Dorp, 2013-07-11) laat maatschappelijke voorzieningen toe, waaronder een school. De beoogde ontwikkeling kent geen hogere personendichtheid dan dat er op basis van de geldende bestemming mogelijk is. In het kader van externe veiligheid zijn uitgevoerde berekeningen en conclusies vanuit het vigerende bestemmingsplan voldoende toereikend, zie onderstaande uitwerking. N206 De beoogde ontwikkeling ligt langs de provinciale weg N206, op een afstand van circa 55 meter. Met de afwijking van het bouwvlak komt de school niet dichterbij de N206 te liggen. In het vigerende bestemmingsplan (Victor en Dorp, 2013-07-11) blijkt dat over de N206 gevaarlijke stoffen worden vervoerd. In dat bestemmingsplan is een verantwoording groepsrisico gegeven inclusief een aanvullend onderzoek externe veiligheid. Uit het aanvullend rapport externe veiligheid blijkt dat de PR 10-6 contour 0 meter is voor de N206. Het projectgebied ligt hierbuiten. De afstand van het projectgebied tot de buitenste rijstrook van de weg is circa 50 meter. Aangezien het projectgebied binnen 200 meter van de weg ligt, dient de hoogte van het groepsrisico inzichtelijk gemaakt te worden.
In de bijlage van de Handleiding risicoanalyse Transport (HART, paragraaf 1.2.3) zijn vuistregels opgesteld om de hoogte van het groepsrisico te kunnen benaderen. Voor de omgeving rondom het projectgebied is voor deze benadering een conservatieve (overschatte) aanname van de aanwezige personendichtheid gedaan. Gesteld is dat er een personendichtheid geldt van 20 personen per hectare (tweezijdige bebouwing) binnen 100 meter van de as van de weg. Op basis van deze overschatting van de personendichtheid en de afstand tot de eerste bebouwing (meer dan 20 meter) is af te leiden dat voor dit trajectdeel het groepsrisico zich onder 0,1 keer de oriëntatiewaarde bevindt bij minder dan 3.300 vervoerseenheden per jaar (GF3). Op basis van het vigerende bestemmingsplan (Victor en Dorp, 2013-07-11) gaan over de N206 190 vervoerseenheden (GF3) per jaar. Een overschrijding van 0,1 maal de oriëntatiewaarde is daarmee uitgesloten.
54/75
Omdat er geen sprake is van toename van het groepsrisico (de beoogde ontwikkeling staan geen hogere personendichtheden toe dan huidig is bestemd) en omdat het groepsrisico onder de 0,1 maal de oriëntatiewaarde ligt, is geen uitgebreide groepsrisico verantwoording noodzakelijk. Wel dient er een beknopte verantwoording te worden opgesteld. De veiligheidsregio dient op onderstaande onderbouwing te reageren en waar mogelijk aan te vullen. Beknopte verantwoording groepsrisico Bestrijdbaarheid en bereikbaarheid Voor zowel de bereikbaarheid en bestrijdbaarheid van 'dagelijkse incidenten', zoals brand of wateroverlast, als voor calamiteiten op het gebied van externe veiligheid, is het van belang dat de bereikbaarheid voor de hulpdiensten en bluswatervoorzieningen voldoende geborgd zijn. De bestrijdbaarheid is afhankelijk van de inzetbaarheid van hulpverleningsdiensten. De brandweer moet in staat zijn om hun taken goed uit te kunnen voeren om daarmee verdere escalatie van een incident te voorkomen. Hierbij kan gedacht worden aan het voldoende/ adequaat aanwezig zijn van aanvalswegen en bluswatervoorzieningen. Het plangebied wordt ontsloten via verschillende wegen, waaronder de Viaductweg, Dijkzicht, Geversstraat en Van Iersellaan. Deze straten sluiten alle aan op het verdere wegennetwerk van de Noordwijkerhout. Het gedegen wegennetwerk komt de bestrijdbaarheid ten goede.
Zo kan een mogelijke brand via meerdere aanvalswegen worden geblust. Het wegennetwerk biedt daarnaast vluchtmogelijkheden in vier richtingen, waardoor altijd van de bron af kan worden gevlucht. BLEVE scenario en Plasbrand Voornaamste effecten van een BLEVE zijn hittestraling en overdruk, waarbij met name de hittestraling tot op grotere afstand kan reiken. Het invloedsgebied van ongevallen met brandbare gassen op de weg bedraagt 355 meter. Binnen dit invloedsgebied wordt er een onderscheid gemaakt met de 100% letaliteitszone. Dit is het gebied waarbinnen het merendeel van de aanwezigen komt te overlijden. Bij een koude BLEVE bedraagt de 100% letaliteitszone 80 meter van de weg, bij een warme BLEVE bedraagt deze afstand 100 meter.
55/75
Locatie bebouwing: positioneer bebouwing op zo groot mogelijke afstand van de N206. Indeling gebouw: positioneer ruimtes waar doorgaans de meeste personen op het grootste deel van de dag aanwezig zijn, aan de zijde van de gebouwen die het verst van de N206 is gelegen. Gebruik de ruimtes aan de zijde van de N206 voor bijvoorbeeld opslag. Situering (nood)uitgangen en vluchtroutes: situeer (nood)uitgangen in de gevels aan de zijde van de gebouwen die het verst van de N206 zijn verwijderd. Via deze (nood)uitgangen kan de bebouwing aan de risicoluwe zijde worden ontvlucht. Deze (nood)uitgangen dienen aan te sluiten op infrastructuur die het mogelijk maakt om van de N206 vandaan te vluchten. Toepassing onbrandbare materialen en hittewerende beglazing: voorzie de gevels en daken van de bebouwing van onbrandbare materialen (klasse A1 of A2) en hittewerende beglazing (classificatie EI). Op deze manier wordt de bebouwing beter bestand tegen de vrijkomende hittestraling bij een BLEVE, waardoor deze ook betere bescherming biedt aan de aanwezige personen. Dit advies is ook van toepassing op het scenario fakkelbrand (zie verder).
Risicocommunicatie: Informeer werknemers en gebruikers over het handelingsperspectief bij een dreigende BLEVE op de N206. Dit handelingsperspectief is als volgt: Bij een brandende tankwagen met LPG op de N206 ter hoogte van het projectgebied: verlaat het gebouw aan de zijde die van de N206 af is gekeerd en vlucht van de N206 af tot op een afstand van minimaal 300 meter. BHV-/ontruimingsplan: neem het scenario van een dreigende BLEVE op de N206 en het bijbehorend handelingsperspectief op in het BHV-/ontruimingsplan van het bedrijf
Plasbrand Het voornaamste effect bij een plasbrand is hittestraling naar de omgeving. Het invloedsgebied van een plasbrand bedraagt 45 meter. Gelet op het scenario plasbrand worden de volgende beheersmaatregelen geadviseerd: Locatie bebouwing: situeer bebouwing op meer dan 45 meter afstand van de N206. Daarmee ligt de bebouwing buiten het invloedsgebied van ongevallen met brandbare vloeistoffen en daarmee kunnen deze ongevallen verder buiten beschouwing worden gelaten. droge greppel of sloot: Indien een afstand van 45 meter tot de N206 niet mogelijk is: een greppel of droge sloot langs het plangebied kan dienen als opvang voor brandbare/brandende vloeistoffen zodat deze zich niet verspreiden naar de omgeving. Zelfredzaamheid De beoogde ontwikkeling voorziet in de ontwikkeling van een woningen en een schoolgebouw. Bewoners van zelfstandige woningen zijn over het algemeen zelfredzaam. In de school zijn de aanwezige kinderen beperkt zelfredzaam. Zij zijn in het geval van een calamiteit aangewezen op de leraren en andere, aanwezige volwassenen. Er zijn maatregelen te treffen om op adequate wijze te handelen in het geval van een calamiteit. In dat verband wordt gewezen op een noodplan en een BHV-organisatie, die rekening houden met de mogelijk, optredende scenario's en te treffen maatregelen.
Als gevolg van een incident met toxische stoffen geldt dat een toxische wolk zich snel kan ontwikkelen en verplaatsen. Dit effect is vaak niet zichtbaar. Zelfredzaamheid in dit scenario is alleen mogelijk als er tijdig alarmering plaatsvindt en gebouwen geschikt zijn om enkele uren te schuilen. Denk hierbij aan het sluiten van ramen en deuren en met name het uitschakelen van (mechanische) ventilatiesystemen. Instructie met betrekking tot de juiste handelswijze in geval van een incident is noodzakelijk voor een effectieve zelfredzaamheid. Conclusie Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor het plan.
4.11 Planologisch relevante leidingen Toetsingskader Planologisch relevante leidingen en hoogspanningsverbindingen dienen te worden gewaarborgd. Tevens dient rond dergelijke leidingen rekening te worden gehouden met zones waarbinnen mogelijke beperkingen gelden. Onderzoek en conclusie Binnen het plangebied en in de directe omgeving zijn geen planologisch relevante buisleidingen, hoogspanningsverbindingen of straalpaden aanwezig.
56/75
4.12 Vormvrije m.e.r.-beoordeling Beleid en Normstelling In onderdeel C en D van de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage (m.e.r.) is aangegeven welke activiteiten in het kader van de omgevingsvergunning planmer-plichtig, projectmer-plichtig of mer-beoordelingsplichtig zijn. Voor deze activiteiten zijn in het Besluit m.e.r. drempelwaarden opgenomen. Daarnaast dient het bevoegd gezag bij de betreffende activiteiten die niet aan de bijbehorende drempelwaarden voldoen, na te gaan of sprake kan zijn van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu, gelet op de omstandigheden als bedoeld in bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling. Deze omstandigheden betreffen: de kenmerken van de projecten; de plaats van de projecten; de kenmerken van de potentiële effecten. Onderzoek en conclusie Op basis van de kenmerken van het project is in afstemming met de Omgevingsdienst West-Holland bepaald of er sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject als bedoeld in de bijlagen bij het Besluit m.e.r. Het planvoornemen voorziet in het realiseren van een nieuwe school en 17 appartementen. Vastgesteld dient te worden of hier sprake is van een stedelijke ontwikkeling zoals bedoeld onder D 11.2 van het Besluit m.e.r. Over het begrip stedelijke ontwikkeling, in relatie tot het Besluit m.e.r. bestaan inmiddels meerdere uitspraken.
Allereerst volgt uit deze uitspraken dat het antwoord op de vraag of een activiteit kan worden aangemerkt als een activiteit als bedoeld in kolom 1 van categorie 11.2 van onderdeel D uit de bijlage bij het Besluit m.e.r., niet afhankelijk is van het antwoord op de vraag of per saldo aanzienlijke negatieve gevolgen voor het milieu kunnen ontstaan. Naast de omvang van de wijziging, speelt ook de ligging van het plan en de bestaande mogelijkheden binnen de vigerende bestemming van het gebied een rol bij het bepalen of er sprake is van een stedelijke ontwikkeling. Met betrekking tot de realisatie van de nieuwe school lijkt er alleen sprake te zijn van het verplaatsen van een bestaand bouwvlak. Op de locatie voor de school stond in het verleden ook al een school (Irene-school). Enkel het verplaatsen van een bouwvlak maakt dit gedeelte van het plan geen stedelijke ontwikkeling. Met betrekking tot de, te realiseren woningen, wordt opgemerkt dat er inmiddels een aantal uitspraken zijn die inzicht geven op de mogelijke ondergrens voor het aantal woningen, waaronder geen sprake meer is van een stedelijke ontwikkeling zoals bedoeld onder D 11.2. Enkele voorbeelden zijn de uitspraken ECLI:NL:RVS:2020:729 (dit betreft de realisatie van 12 woningen na sloop van een school in stedelijk gebied) en ECLINL: RvS: 2020:2747 (dit betreft de realisatie van 16 woningen voor een periode van 10 jaar).
Ook moet worden vastgesteld dat er ter plaatse van het te realiseren appartementengebouw op dit moment bebouwing aanwezig is (voormalig postkantoor en een tijdelijke school). Gelet op het voorgaande is in afstemming met de Omgevingsdienst geconcludeerd dat met dit project geen sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject zoals bedoeld in onderdeel D van de bijlage uit het Besluit m.e.r. Verdere stappen in het kader van het Besluit m.e.r. zijn om die reden niet nodig.
57/75
58/75
Hoofdstuk 5 5.1
Uitvoerbaarheid
Economische uitvoerbaarheid
Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen moet onder de Wet ruimtelijke ordening (Wro) een exploitatieplan worden vastgesteld, tenzij het kostenverhaal anderszins is verzekerd, bijvoorbeeld door middel van gemeentelijke gronduitgifte of een anterieure overeenkomst. In dit geval geldt dat er voor de woningbouw een anterieure overeenkomst wordt gesloten met de woningcorporatie, waarmee de gemeentelijke kosten - voor zover die te verhalen zijn - zijn gedekt. Ook het planschaderisico wordt in deze overeenkomst opgenomen, waarmee dit voor de gemeente gedekt is. De ontwikkeling van de school betreft een gemeentelijk project met, waarvoor ook gemeentelijke financiering plaatsvindt. Hier is om die reden geen kostenverhaal aan de orde. De dekking voor het project en het kostenverhaal zijn hiermee voldoende in beeld gebracht.
5.2
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
5.2.1 Participatie Er heeft geen specifiek participatietraject plaatsgevonden sec ten behoeve van deze vergunningaanvraag. Wel kan er worden gewezen op het voortraject waarin de stedenbouwkundige kaders voor deze locatie in 2021 zijn vastgesteld. De stedenbouwkundige kaders zoals in 2021 vastgesteld door de gemeenteraad zijn mede tot stand gekomen met de inbreng van omwonenden. Deze inbreng is verkregen door een eerste versie van de randvoorwaarden en de modellen te presenteren aan een brede groep omwonenden. Tijdens die presentatie heeft men in groepjes aan kunnen geven welke bedenkingen, wensen of aanvullingen men had. Zowel de modellen en de randvoorwaarden zijn daarop aangepast tot de versies die in de uiteindelijke stedenbouwkundige kaders uit 2021 verwerkt zijn. De ontwikkelingsvisie uit 2023 is eveneens gedeeld met omwonenden. Daarbij is gecommuniceerd dat een meer specifieke toelichting op de plannen en de planuitvoering met hen zal worden gedeeld, op het moment dat het plan dusdanig is uitgewerkt dat communicatie daarover mogelijk is. Hierbij zal de gemeente de eventuele wensen van de omwonenden met betrekking tot de inrichting van de openbare ruimte inventariseren. Verder worden periodiek nieuwsbrieven uitgebracht om de omgeving op de hoogte te houden over de voortgang en de planvorming.
5.2.2 Overleg ex artikel 3.1.1 Bro Op grond van artikel 6.18 Bor is op de voorbereiding van een omgevingsvergunning, die alleen kan worden verleend met toepassing van artikel 2.12, lid 1, onder a, sub 3° Wabo, het vooroverleg als bedoeld in artikel 3.1.1 Besluit ruimtelijke ordening (Bro) van toepassing. In het kader van het overleg als bedoeld in artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening wordt de ruimtelijke onderbouwing door het bevoegd gezag toegezonden aan de diverse overleginstanties.
59/75
5.2.3 Zienswijzen Tijdens een uitgebreide Wabo-procedure bestaat er altijd de mogelijkheid om een zienswijze in te dienen. Na het indienen van de zienswijze is er nog beroep mogelijk bij de rechtbank en vervolgens hoger beroep mogelijk bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, indien de aanvrager of derde belanghebbenden het niet eens zijn met het besluit.
60/75
BIJLAGEN BIJ DE TOELICHTING
Bijlage 1 Akoestisch onderzoek
AKOESTISCH ONDERZOEK WEGVERKEERLAWAAI NIEUWBOUW VIADUCTWEG, NOORDWIJKERHOUT 26 februari 2024
1/26
2/26
DATUM KENMERK
26 februari 2024 20231284/135499/PJBr
PROJECT PROJECTLEIDER
RO locatie Viaductweg, Noordwijkerhout ir. R.A. Sips
OPDRACHTGEVER Gemeente Noordwijk PROJECTNUMMER 20231284 AUTEUR STATUS
3/26
P.J. Brandsma Concept
DISCLAIMER
© Rho Adviseurs B.V. Niets uit dit drukwerk mag door anderen dan de opdrachtgever worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt door middel van druk, fotokopie, microfilm of op welke andere wijze dan ook zonder voorafgaande toestemming van Rho Adviseurs B.V., behoudens voor zover dit drukwerk wettelijk een openbaar karakter heeft gekregen. Dit drukwerk mag zonder genoemde toestemming niet worden gebruikt voor enig ander doel dan waarvoor het is vervaardigd. AVG Onze producten worden vrijgegeven conform het protocol en eisen uit het kwaliteitssysteem van Rho Adviseurs B.V.. Daarbij wordt niet gewerkt met handtekeningen en/of parafen. In het kader van de AVG worden, voorafgaand aan publicatie of bij uitlevering aan derden, persoonsgegevens van derden in onze producten geanonimiseerd. In het belang van de advisering en herkenbaarheid worden bedrijfsgegevens van Rho Adviseurs B.V., namen, e-mailadres(sen) en telefoonnummer(s) van adviseur(s), zijnde auteur(s) van het rapport of de projectleider van het onderhavige project, niet geanonimiseerd.
4/26
INHOUD 1. 2. 3.
4.
5.
6.
Inleiding Projectbeschrijving Toetsingskader
6 7 8
3.1 3.2 3.3
8 9 10
Uitgangspunten en modellering
11
4.1 4.2
11 11
Verkeersintensiteiten Modellering omgeving en project
Resultaten
13
5.1
Wegverkeerslawaai 5.1.1 Resultaten Viaductweg (gezoneerd) 5.1.2 Resultaten N206 (gezoneerd) 5.1.3 Resultaten 30 km wegen (niet gezoneerd) 5.1.4 Mogelijke maatregelen ter reductie geluidbelasting
13 13 15 17 17
5.2 5.3 5.4
Cumulatie Gemeentelijk geluidbeleid Benodigde hogere waarde
18 19 20
samenvatting en conclusie
21
6.1 6.2 6.3 6.4
21 21 21 21
Bijlage 1 Bijlage 2 Bijlage 3 Bijlage 4
5/26
Normstelling wegverkeerslawaai Wet geluidhinder Gecumuleerde geluidbelasting Gemeentelijk geluidbeleid
Aanleiding Onderzoek Resultaten Conclusie
Invoergegevens en rekenmodel wegverkeerslawaai Resultaten gezoneerde wegen Resultaten niet gezoneerde wegen Gecumuleerde geluidbelasting
1. INLEIDING De opdrachtgever is voornemens om aan de Viaductweg te Noordwijkerhout een school en een appartementengebouw te realiseren. Scholen en woningen zijn op grond van de Wet geluidhinder (Wgh) geluidgevoelige functies. Wanneer de school of woningen worden geprojecteerd in de zone van een geluidbron is akoestisch onderzoek nodig. Aangezien de projectlocatie geheel of gedeeltelijk in de geluidzone ligt van diverse wegen waaronder de N206 en de Viaductweg is voorliggend akoestisch rapport opgesteld. Ook is in het kader van een goede ruimtelijke ordening de geluidbelasting van de niet gezoneerde wegen Van Iersellaan, Geversstraat en Dijkzicht beschouwd. Deze ontwikkeling is op basis van het geldende bestemmingsplan niet toegestaan. Daarom wordt afgeweken van het bestemmingsplan, wat gebeurt op basis van een ruimtelijke onderbouwing die aantoont dat het project voldoet aan de uitgangspunten van een goede ruimtelijke ordening. Dit onderzoek maakt daar een onderdeel van uit. Het doel van het onderzoek is om na te gaan in hoeverre de nieuwe woningen en de school kunnen worden gerealiseerd binnen de randvoorwaarden van de Wet geluidhinder en het gemeentelijk geluidbeleid. Op basis hiervan kan worden beoordeeld of er sprake zal zijn van een aanvaardbaar akoestisch woon- en leefklimaat. In figuur 1.1 is de locatie van de beoogde ontwikkeling weergegeven.
Figuur 1.1 Omgeving projectgebied
6/26
2. PROJECTBESCHRIJVING Het project omvat de realisatie van een school in twee bouwlagen met een grondoppervlak van ca. 581 m2 en een appartementengebouw met 17 appartementen in 3 bouwlagen met een grondoppervlak van ca. 453 m2. De ontsluiting van de appartementen ligt aan de achterzijde van de Viaductweg. In figuur 2.1 is de voorlopige schetstekening weergegeven en figuur 2.2 een voorlopig aanzicht vanaf de Viaductweg.
Figuur 2.1 Schematische weergave van het project
Figuur 2.2 Concept aanzicht vanaf Viaductweg
7/26
3. TOETSINGSKADER 3.1
Normstelling wegverkeerslawaai Wet geluidhinder
Wettelijke zones langs wegen Langs alle wegen, met uitzondering van 30 km-wegen en woonerven, bevinden zich op grond van de Wet geluidhinder (Wgh) geluidzones waarbinnen de geluidhinder vanwege een weg aan bepaalde wettelijke normen dient te voldoen. De breedte van een geluidzone voor wegen is afhankelijk van het aantal rijstroken en van de stedelijke- of buitenstedelijke ligging. De breedte van een geluidzone van een weg is in tabel 3.1 weergegeven. De breedte van de geluidzone wordt hierbij gemeten vanaf de as van de weg en is gelegen aan de buitenste rand van de weg. Tabel 3.1 Schema zonebreedte aan weerszijden van de weg volgens artikel 74 Wgh Aantal rijstroken
Breedte van de geluidzone (in meters) Buitenstedelijk gebied Stedelijk gebied
5 of meer
600
350
3 of 4
400
350
1 of 2
250
200
In artikel 1 van de Wgh zijn de definities opgenomen van stedelijk en buitenstedelijk gebied. Deze definities luiden: - stedelijk gebied: gebied binnen de bebouwde kom, doch, voor de toepassing van de hoofdstukken VI en VII voor zover het betreft een autoweg of autosnelweg als bedoeld in het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, met uitzondering van het gebied binnen de bebouwde kom, voor zover liggend binnen de zone langs die autoweg of autosnelweg; - buitenstedelijk gebied: gebied buiten de bebouwde kom alsmede, voor de toepassing van de hoofdstukken VI en VII voor zover het betreft een autoweg of autosnelweg als bedoeld in het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, het gebied binnen de bebouwde kom, voor zover liggend binnen de zone langs die autoweg of autosnelweg. De ontwikkeling ligt binnen de geluidzone van de wegen N206 en Viaductweg. Dosismaat Lden en beoordelingsperioden De geluidhinder wordt berekend aan de hand van de Europese dosismaat Lden (L day-evening-night). Deze dosismaat wordt weergegeven in dB. De berekende geluidwaarde in Lden vertegenwoordigt het gemiddelde geluidniveau over een etmaal.
Deze etmaalwaarde is gedefinieerd als het maximum van de equivalente geluidniveaus: - Het geluidniveau in de dagperiode (07-19); - Het geluidniveau inde avondperiode (19-23) vermeerderd met 5 dB; - Het geluidniveau in de nachtperiode (23-07) vermeerderd met 10 dB. Op grond van artikel 1.6, lid 1 Besluit geluidhinder moet bij de bepaling van de geluidbelasting op de gevel van een schoolgebouw de avondperiode en/of de nachtperiode buiten beschouwing gelaten worden als de school in deze periode(n) niet in gebruik is. In onderhavig onderzoek wordt uitgegaan van gebruik van de school uitsluitend in de dagperiode (Lday). Voor de nieuwe woningen is Lden uitgangspunt.