CConstaterende datNoordwijk
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 3 - GRO Schoolgebouw en woningbouw Viaductweg, Noordwijkerhout

Gemeenteraadsvergadering 11 juli 2024, gemeente NoordwijkBij agendapunt: Herontwikkeling locatie Viaductweg Noordwijkerhout; RO-procedure, Ontwerpverklaring van geen bedenkingen, GREX en voorbereiden start bouw26.841 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

SCHOOLGEBOUW EN WONINGBOUW VIADUCTWEG, NOORDWIJKERHOUT Noordwijk ruimtelijke onderbouwing 21 mei 2024

1/2

DATUM

21 mei 2024

PROJECT PROJECTLEIDER

Noordwijkerhout RO locatie Viaductweg ir. R.A. Sips

OPDRACHTGEVER Gemeente Noordwijk PROJECTNUMMER 20231284 AUTEUR

2/2

S. den Breejen MSc

© RHO ADVISEURS BV

Niets uit dit drukwerk mag door anderen dan de opdrachtgever worden verveelvoudigd en/ of openbaar gemaakt door middel van druk, fotokopie, microfilm of op welke andere wijze dan ook zonder voorafgaande toestemming van Rho Adviseurs bv, behoudens voorzover dit drukwerk wettelijk een openbaar karakter heeft gekregen. Dit drukwerk mag zonder genoemde toestemming niet worden gebruikt voor enig ander doel dan waarvoor het is vervaardigd.

Inhoudsopgave Toelichting Hoofdstuk 1

Inleiding

7

1.1

Aanleiding

7

1.2

Plangebied

8

1.3

Vigerend bestemmingsplan

8

1.4

Procedure

10

1.5

Leeswijzer

10

Hoofdstuk 2

Planbeschrijving

11

2.1

Huidige situatie

11

2.2

Voorgenomen initiatief

12

Beleidskader

19

3.1

Inleiding

19

3.2

Rijksbeleid

19

3.3

Provinciaal beleid

24

3.4

Regionaal beleid

28

3.5

Gemeentelijk beleid

29

Hoofdstuk 4

Omgevingsaspecten

33

4.1

Inleiding

33

4.2

Verkeer en parkeren

33

4.3

Wegverkeerslawaai

39

4.4

Bedrijven en milieuhinder

40

4.5

Luchtkwaliteit

42

4.6

Water

43

4.7

Ecologie

47

4.8

Bodemkwaliteit

51

4.9

Archeologie en cultuurhistorie

51

4.10

Externe veiligheid

53

4.11

Planologisch relevante leidingen

56

4.12

Vormvrije m.e.r.-beoordeling

57

Uitvoerbaarheid

59

5.1

Economische uitvoerbaarheid

59

5.2

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

59

Hoofdstuk 3

Hoofdstuk 5

3/75

Bijlagen bij de toelichting Bijlage 1

Akoestisch onderzoek

Bijlage 2

Ecologisch Soortenonderzoek

Bijlage 3

Bodemonderzoek

Bijlage 4

Notitie stikstofonderzoek

Bijlage 5

AERIUS-berekening aanlegfase 2025

Bijlage 6

AERIUS-berekening aanleg- en gebruiksfase 2026

Bijlage 7

AERIUS-berekening gebruiksfase 2027

4/75

TOELICHTING

Hoofdstuk 1 1.1

Inleiding

Aanleiding

Aan de Viaductweg in Noordwijkerhout bevindt zich momenteel een tijdelijk schoolgebouw voor De Nieuwe School. Een school die als dependance van basisschool De Prinsenhof functioneert. Het betreft de locatie van de voormalige Ireneschool, die in 2014 is opgehouden te bestaan en waarvan het schoolgebouw op dat moment ook gesloopt is. In hoofdstuk 2 komt de voorgeschiedenis van de locatie en de besluitvorming daarover uitgebreider aan bod. In deze inleiding wordt kort benoemd dat er voor de locatie eerder verkenningen zijn geweest voor woningbouw (circa 2018 - 2020), waarna in 2021 de aandacht is verlegd naar een schoolontwikkeling in combinatie met woningbouw. In 2021 heeft de gemeenteraad de stedenbouwkundige kaders vastgesteld met het oog op de ontwikkeling van een school in combinatie met woningbouw op deze locatie. Behalve de voormalige locatie van de Ireneschool, hoort daar ook het voormalige politiebureau bij dat de gemeente eerder, strategisch heeft aangekocht. Als uitwerking van het raadsbesluit van 30 november 2021 over de stedenbouwkundige kaders, heeft de gemeente samen met Sophia Scholen en Woningstichting Padua een haalbare invulling van de planlocatie verkend. Dit heeft in 2023 geleid tot een ontwikkelingsvisie die door de gemeenteraad is vastgesteld (27 juni 2023). In de tussentijd is de locatie sinds 2021 in gebruik genomen met tijdelijke schoollokalen.

Met de eerste tijdelijke lokalen uit 2021 en een uitbreiding in 2023 functioneert 'De Nieuwe School' hier nu met circa 110 leerlingen. Op basis van de ontwikkelingsvisie uit 2023 wordt de locatie definitief herontwikkeld. Omdat het ter plaatse geldende bestemmingsplan echter nog niet voorziet in de beoogde ontwikkeling, dient hiervoor eerst een planologische procedure doorlopen te worden. Er is voor gekozen om met een aanvraag omgevingsvergunning af te wijken van de geldende bestemmingsregeling. Een vereiste daarvoor is dat de aanvraag voorzien moet zijn van een goede ruimtelijke onderbouwing. Voorliggend document betreft die ruimtelijke onderbouwing.

7/75

1.2

Plangebied

Het plangebied betreft het kwadrant dat gelegen is tussen de Viaductweg, Dijkzicht, Geversstraat en Van Iersellaan in Noordwijkerhout, met uitzondering van de gronden behorende bij de (bestaande) woningen aan de Geversstraat 1 en 3. De ligging van het projectgebied is weergegeven in figuur 1.1.

Figuur 1.1

1.3

Ligging projectgebied

Vigerend bestemmingsplan

De ter plaatse geldende bestemmingsregeling bestaat uit twee verschillende bestemmingsplannen. Dit betreft de volgende plannen:  Victor en Dorp, vastgesteld 11-07-2013;  Paraplu Bestemmingsplan Parkeren en Wonen, vastgesteld 27-09-2018. Het bestemmingsplan 'Victor en Dorp' betreft een bestemmingsplan waarmee in 2013 de bestaande situatie conserverend is vastgelegd voor het woongebied Victor en Dorp. Ter plaatse voorziet het plan in een maatschappelijke bestemming die nog is toegesneden op de voormalige bebouwing van de Ireneschool en het voormalige politiebureau, dat nadien dienst deed als kantoor van de Greenport Ontwikkelingsmaatschappij. Een uitsnede van de verbeelding is weergegeven in figuur 1.2.

8/75

Figuur 1.2

Uitsnede bestemmingsplan Victor en Dorp (ruimtelijkeplannen.nl)

Op basis van de bestemming 'Maatschappelijk' zijn maatschappelijke voorzieningen en maatschappelijke dienstverlening toegestaan. Hoofdgebouwen zijn uitsluitend toegestaan in de ingetekende bouwvlakken, met inachtname van de daarbij opgenomen maximum goot- en bouwhoogten. De voorgenomen ontwikkeling kent meerdere strijdigheden met deze ontwikkeling. De beoogde school past niet volledig binnen het bouwvlak, de bouwhoogte van de school wordt hoger dan de toegestane goot- en bouwhoogte van respectievelijk 4 m en 7 m. Voor het wonen geldt dat dit als functie niet is toegestaan binnen de maatschappelijke bestemming. Ook de beoogde bebouwing voor de woningen is in strijd met het bestemmingsplan, omdat deze net als het schoolgebouw niet past binnen het opgenomen bouwvlak en de daar geldende maximum goot- en bouwhoogte (deels 6 m resp. 9 m en deels 3 m resp. 6 m). Het bestemmingsplan voorziet ter plaatse ook in de dubbelbestemming Waarde - Archeologie 1, die ziet op de bescherming van mogelijke archeologische waarden. Naast het bestemmingsplan 'Victor en Dorp' geldt ter plaatse ook de parapluherziening 'Parkeren en Wonen'. Deze herziening voorziet in een aantal bepalingen die in aanvulling op de regeling van het plan Victor en Dorp moet worden gelezen (of in de plaats van, voor zover er sprake is van tegenstrijdige regelingen).

Het betreft een aantal begripsbepalingen ten aanzien van het wonen en woningen, die in dit geval niet van toepassing zijn omdat het bestemmingsplan ter plaatse überhaupt geen woningen toestaat. Daarnaast voorziet deze parapluherziening in een regeling die bepaalt dat het gebruik en/of bebouwen van gronden uitsluitend is toegestaan voor zover wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid op basis van het gemeentelijk parkeerbeleid.

9/75

1.4

Procedure

Aangezien de beoogde ontwikkeling strijdigheden kent met de geldende bestemmingsregeling, wordt van die geldende regeling afgeweken met toepassing van artikel 2.12, lid 1 onder a, sub 3 Wabo. De aanvraag betreft uitsluitend het onderdeel 'handelen in strijd met regels ruimtelijke ordening' en nog niet het bouwen of het uitvoeren van andere ingrepen. De vergunning voor het bouwen en eventuele vergunningen die verder nodig mochten blijken, worden in een vervolgstadium aangevraagd. Deze ruimtelijke onderbouwing geldt (na vergunningverlening) mede als planologisch toetsingskader voor de aanvraag van de overige/ andere activiteit(en).

1.5

Leeswijzer

Na dit inleidende hoofdstuk wordt in hoofdstuk 2 een beschrijving gegeven van de huidige situatie en de gewenste ontwikkeling. In hoofdstuk 3 wordt de ontwikkeling getoetst aan het relevante beleid op Rijks-, provinciaal en gemeentelijk niveau. In hoofdstuk 4 wordt getoetst aan verschillende omgevingsaspecten. Vervolgens worden in hoofdstuk 5 de maatschappelijke en economische uitvoerbaarheid van het plan beschreven.

10/75

Hoofdstuk 2 2.1

Planbeschrijving

Huidige situatie

Het plangebied betreft zoals in paragraaf 1.2 beschreven het kwadrant dat ingesloten ligt tussen de Viaductweg, Dijkzicht, Geversstraat en Van Iersellaan in Noordwijkerhout, met uitzondering van de gronden behorende bij de (bestaande) woningen aan de Geversstraat 1 en 3. Deze gronden hebben de afgelopen jaren uiteenlopende functies gehad en er zijn voor deze gronden ook uiteenlopende plannen geweest. Aan de hand van luchtfoto's wordt het projectgebied beschreven.

Situatie tot 2014 - Situatie Ireneschool en GOM-kantoor

2014-2021

11/75

Situatie na sloop voormalige Ireneschool

2021 - 2023

Invulling met tijdelijke schoollokalen De Nieuwe School

Op het oostelijk deel van de gronden is op alle luchtfoto's de bebouwing te zien van het voormalige politiebureau. De afgelopen jaren zijn hier uiteenlopende functies gehuisvest geweest in de vorm van buurtzorg, een kantoor van de Greenport Ontwikkelingsmaatschappij en vluchtelingenopvang. Op de westelijke helft zijn op de verschillende luchtfoto's verschillende situaties waar te nemen. Tot 2014 heeft hier de voormalige Ireneschool gestaan, die in dat jaar is opgehouden te bestaan en waarvan de bebouwing gesloopt is. De gronden zijn daarna ingericht als gras- en speelveld. In de jaren daarna zijn er plannen geweest voor woningbouwontwikkeling op deze locatie, die uiteindelijk niet tot een definitief bouwplan hebben geleid. De locatie is daarna in beeld gekomen voor de realisatie van een nieuw schoolgebouw voor 'De Nieuwe School' die als dependance van basisschool De Prinsenhof zal gaan fungeren. In dat kader is er sinds 2021 reeds een tijdelijk schoolgebouw geplaatst van enkele lokalen om 'De Nieuwe School' te kunnen laten starten. In de zomer van 2023 zijn daar enkele lokalen bijgeplaatst omdat de tijdelijke school al te klein werd. De tijdelijke school is gesitueerd aan de zijde van de Geversstraat. Een deel van het terrein van de voormalige Ireneschool is sinds de sloop daarvan nog altijd ingericht als gras- en speelveld.

2.2

Voorgenomen initiatief

2.2.1 Gemeentelijke kaders Zoals in de vorige paragraaf reeds geschetst, zijn er sinds de sloop van de voormalige Ireneschool verschillende plannen geweest voor het terrein. De gemeenteraad heeft in 2021 besloten om de locatie aan te merken voor de ontwikkeling van een school. Op dat moment zijn de stedenbouwkundige kaders vastgesteld. Daarin is naast de basisschool ook besloten om resterende ruimte binnen het projectgebied te benutten voor woningbouw. De behoefte aan een locatie voor een basisschool was op dat moment weer toegenomen, mede als gevolg van de groei van de gemeente met nieuwe wijken als Sancta Maria en In den Houte.

12/75

Een uitsnede van de overzichtskaart behorende bij de stedenbouwkundige kaders uit 2021 is opgenomen in figuur 2.1.

Figuur 2.1

Overzichtstekening stedenbouwkundige kaders 2021

Stedenbouwkundige uitgangspunten De voornaamste ruimtelijke uitgangspunten die hiermee zijn vastgelegd, zijn de volgende:  maximaal 45% van het terrein te bebouwen met hoofdgebouwen;  maximaal 3 lagen hoog;  minimaal 10% in te richten als openbaar groen;  inrichting langs de randen met parkeergelegenheid en groen, met parkeerruimte conform de meest actuele parkeernota;  een strook met tuinen of groen ter afscherming van de woningen Geversstraat 1 en 3. In de uitgangspunten zijn daarnaast ook zaken vastgelegd die meer betrekking hebben op de architectuur en inrichting van de gebouwen. Omdat de planvorming zich nog niet in dat stadium bevindt, houden we het op deze plaats bij de genoemde uitgangspunten op ruimtelijk vlak. Duurzaamheid, klimaatbestendigheid, klimaatadaptatie en natuurinclusief bouwen Uit de stedenbouwkundige kaders volgen ook diverse uitgangspunten ten aanzien van de thema's duurzaamheid, klimaatbestendigheid, klimaatadaptatie en natuurinclusief bouwen. Hier is behalve bij het ontwerp van de gebouwen, ook bij de inrichting van de (onbebouwde) ruimte rekening mee te houden.

13/75

Deze uitgangspunten betreffen:  de nieuwbouw wordt gasloos en dient minimaal te voldoen aan de eisen voor bijna energie neutrale gebouwen (BENG) conform het Bouwbesluit;  het dak van de nieuwe school wordt optimaal ingezet voor energiewinning. Dit kan betekenen dat er per saldo meer energie wordt opgewekt dan er wordt verbruikt;  in het kader van de toekomstbestendigheid van de nieuwe schoolvoorziening zal in het ontwerp rekening worden gehouden met eventuele toekomstige uitbreidingen en/of het afstoten van lokalen (voor de volledigheid, deze ruimtelijke onderbouwing heeft sec betrekking op de omvang van de school zoals nu voorzien);  de ambitie om zoveel mogelijk circulair te bouwen wordt meegenomen in de ontwerp- en aanbestedingsfase voor zowel nieuwbouw van de onderwijsvoorzieningen alsook voor de woningbouw;  rekening houden met het voorkomen van oververhitting en piekberging voor neerslag binnen het plangebied opvangen. Qua maatregelen kan hierbij gedacht worden aan het beperken van het verhard oppervlak, erfafscheidingen, wanden, daken groen aankleden, (gedeeltelijk) groen speelplein en parkeervakken voorzien van beplanting;  bezien van maatregelen voor natuurinclusief bouwen, waarbij gedacht kan worden aan het toepassen van nestplaatsen in gebouwen, het realiseren van een groendak en/of gevelgroen en aan een groene en inheemse inrichting van de buitenruimte.

Programma In de stedenbouwkundige kaders is vastgelegd om uit te gaan van een school van maximaal 175 leerlingen, zonder extra kindvoorziening (kinderdagverblijf). Dit laatste is immers al in de omgeving aanwezig. Voor de woningen is geen aantal of omvang genoemd, maar zijn wel uitgangspunten genoemd over de segmentering. De eerdere woningbouwplannen voor deze locatie van vóór 2021 gingen nog uit van vrije sector woningen. Omdat er op het moment van vaststelling van de stedenbouwkundige kaders in 2021 net sprake was van (op dat moment) nieuw woonbeleid dat inzet op differentiatie, wordt in de stedenbouwkundige kaders bij deze beleidsdoelstelling aangesloten. 2.2.2 Beoogde ontwikkeling Op basis van de stedenbouwkundige kaders is in overleg tussen de gemeente, Sophia Scholen en woningcorporatie Padua een ontwikkelingsvisie uitgewerkt. Dit betreft de gezamenlijke visie hoe de planlocatie binnen de stedenbouwkundige kaders ontwikkeld kan worden tot een schoollocatie met daarnaast woningbouw. Deze visie is in figuur 2.2 weergegeven.

14/75

Figuur 2.2

Ontwikkelingsvisie locatie Viaductweg

In figuur 2.3 is dit meer schematisch weergegeven om de hoofdvorm van de gebouwen, de verhoudingen tussen bebouwd en onbebouwd en de functies van de verschillende plandelen te borgen.

Figuur 2.3

15/75

Hoofdopzet plandelen

Binnen deze hoofdopzet wordt de volgende bebouwing en programma voorzien: Schoolgebouw  een L-vorming schoolgebouw in de noordwesthoek van de gronden waar de school is voorzien;  een bouwhoogte van 12,5 m ten opzichte van straatniveau;  955 m2 bruto vloeroppervlak;  omvang van 150 leerlingen;  ingang niet aan de zijde van de Viaductweg. Woningen  een rechthoekig gebouw met de lange zijde langs de Viaductweg;  een bouwhoogte van 10,7 m ten opzichte van straatniveau;  17 appartementen, bestaande uit 13 woningen in het segment sociale huur en 4 in het segment middenhuur. Flexibiliteit Mochten bij de architectonische en landschappelijke uitwerking ondergeschikte afwijkingen van bovengenoemde kenmerken nodig blijken, bijvoorbeeld met het oog op de technische haalbaarheid of een betere inpassing, dan moet dat mogelijk zijn. Hiervoor wordt een flexibiliteitspercentage van 10% gehanteerd voor de genoemde oppervlakte- en hoogtematen. Uiteraard met het uitgangspunt dat de stedenbouwkundige hoofdopzet van deze kenmerken niet noemenswaardig wijzigt. Deze toepassing van een beperkte mate aan flexibiliteit sluit aan bij hetgeen daarover bepaald is in de Wabo, specifiek artikel 2.5, lid 6.

Daarin is bepaald dat in geval van een gefaseerde aanvraag de beschikking met betrekking tot de omgevingsvergunning eerste fase bij de beschikking omtrent de tweede fase (op onderdelen) kan worden gewijzigd voor zover dat nodig is om de omgevingsvergunning af te kunnen geven. In dit geval wordt de tweede fase (omgevingsvergunning voor het bouwen) onder de Omgevingswet aangevraagd en zal er om die reden geen sprake (meer) zijn van een gefaseerde aanvraag, waarbij twee beschikkingen samen leiden tot één omgevingsvergunning. Het scenario dat zich met de inwerkingtreding van de Omgevingswet voordoet, is dat beide aanvragen (eerst 'handelen in strijd met regels ruimtelijke ordening' en later 'bouwen') leiden tot een separate vergunning. Zie hiervoor art. 4.79 Invoeringswet Omgevingswet. Om toch in de gedachte van artikel 2.5, lid 6 Wabo enige mate van flexibiliteit in de aanvraag voor de fase van het bouwen te behouden, wordt verzocht in de 10% flexibiliteit in oppervlakte- en hoogtematen te voorzien in de voorwaarden die gesteld kunnen worden bij de omgevingsvergunning voor het 'handelen in strijd met regels ruimtelijke ordening'.

16/75

Voorlopige impressie Onder de nadrukkelijke vermelding dat het bouw- en inrichtingsplan nog nader worden uitgewerkt in de volgende fase, is op basis van bovenstaande uitgangspunten een voorlopige impressie opgesteld. Deze is weergegeven in figuur 2.4 om een beeld te geven van de omvang en inpassing van het plan. Ten aanzien van de landschappelijke inrichting kan onder verwijzing naar figuur 2.3 worden aangegeven dat in de groen ingetekende groene ruimte tussen de woonfunctie en de school nadrukkelijk een rol voor de opvang van water is voorzien. Het schoolterrein krijgt een overwegend groene c.q. natuurlijke inrichting, aansluitend bij de uitgangspunten van het stedenbouwkundig kader.

Figuur 2.4

17/75

Impressie bouwmassa's, nader architectonisch en landschappelijk uit te werken

18/75

Hoofdstuk 3 3.1

Beleidskader

Inleiding

Door de verschillende overheden is beleid geformuleerd ten aanzien van ruimtelijke ordening. In dit hoofdstuk is uiteengezet of het plan in overeenstemming is met dit ruimtelijk beleid.

3.2

Rijksbeleid

3.2.1 Nationale Omgevingsvisie (NOVI) Op 11 september 2020 is de Nationale Omgevingsvisie (hierna: NOVI) vastgesteld. De NOVI is de langetermijnvisie van het Rijk op de toekomstige inrichting en ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. De NOVI geeft richting en helpt om keuzes te maken, te kiezen voor slimme combinaties van functies en uit te gaan van de specifieke kenmerken en kwaliteiten van gebieden. Het versterken van de omgevingskwaliteit staat in de NOVI centraal. Dat wil zeggen dat alle plannen met oog voor de natuur, gezondheid, milieu en duurzaamheid gemaakt moeten worden. Bij de NOVI hoort een Uitvoeringsagenda. Hierin staat hoe uitvoering wordt gegeven aan de NOVI. Binnen de NOVI zijn acht voorlopige aandachtsgebieden geformuleerd als zogeheten NOVI-gebied. In een NOVI-gebied krijgt een aantal concrete vraagstukken extra prioriteit. Dit helpt om grote veranderingen en ruimtelijke opgaven in een regio beter te realiseren. Er is in Nederland sprake van een aantal dringende maatschappelijke opgaven. Deze opgaven kunnen niet apart van elkaar worden opgelost. Ze moeten in samenhang worden bekeken. De opgaven grijpen in elkaar en vragen meer ruimte dan beschikbaar is in Nederland. Niet alles kan, niet alles kan overal. Op het niveau van nationale belangen wil het Rijk sturen en richting geven aan de omgeving in Nederland, verwoord in vier opgaven: 1. 2. 3. 4.

Ruimte maken voor klimaatverandering en energietransitie; De economie van Nederland verduurzamen en het groeipotentieel behouden; Steden en regio's sterker en leefbaarder maken; Het landelijk gebied toekomstbestendig ontwikkelen.

In de NOVI is een tweetal instrumenten opgenomen om de opgaven te realiseren: 1. De Omgevingsagenda. Hierbij is Nederland opgedeeld in verschillende gebieden. Het plangebied is gelegen in het landsdeel Zuidwest (Zuid-Holland en Zeeland). Dit bestaat uit de hoogdynamische Zuidvleugel en een laagdynamische Groene Hart en Zuidwestelijke Delta. 2. De NOVI-gebieden. Een NOVI-gebied is een instrument waarbij Rijk en regio meerdere jaren verbonden zijn aan de gezamenlijke uitwerking van de verschillende opgaven in het ruimtelijke domein. Vaak wordt voortgebouwd op bestaande samenwerkingstrajecten. Denk aan een Regio Deal en een verstedelijkingsstrategie.

19/75

Toetsing De voorgenomen ontwikkeling raakt geen rijksbelangen zoals opgenomen in de NOVI. Gezien de projectbeschrijving in paragraaf 2.2, wordt op lokale schaal bijgedragen aan de landelijke opgaven om gebieden sterker en leefbaarder te maken en rekening te houden met klimaatverandering en energietransitie. 3.2.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) is de juridisch bindende vertaling van de Omgevingsvisie naar lagere overheden. Onder de vlag van de Omgevingswet wordt dit Besluit vervangen door zogenoemde instructieregels, maar vooralsnog geldt het Barro. Hiermee wordt de visie, waarmee op Rijksniveau een toekomstperspectief wordt geschetst, vertaald in bindende regels waar lagere overheden zich bij het opstellen en vergunnen van plannen aan te houden hebben. Voorbeelden van zaken die geregeld zijn in het Barro zijn Rijksvaarwegen, hoofdwegen, het 380 kV-netwerk, buisleidingen en militaire objecten. Toetsing Bij de toetsing aan het Barro is de ligging van het plangebied het uitgangspunt. De zaken die in het Barro geregeld c.q. beschermd zijn, zijn namelijk veelal locatiegebonden. Uit de kaarten behorend bij het Barro komen ter plaatse van het projectgebied geen beschermde objecten of structuren naar voren.

3.2.3 Besluit ruimtelijke ordening (Bro) Ladder voor duurzame verstedelijking (artikel 3.1.6 Bro) Zorgvuldig ruimtegebruik is het uitgangspunt van de (rijks)overheid. Om dit principe te borgen is de Ladder voor duurzame verstedelijking opgenomen in het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6). Hieruit volgt dat alle ruimtelijke besluiten die een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maken, aandacht moeten besteden aan de Ladder voor duurzame verstedelijking. Voor binnenstedelijke projecten moet de behoefte in de relevante regio worden beschreven. Voor stedelijke ontwikkelingen buiten bestaand stedelijk gebied moet worden gemotiveerd waarom deze niet binnen bestaand stedelijk gebied kan worden gerealiseerd. Toetsing Het planvoornemen bestaat uit het om het toevoegen van 17 woningen en een school op een herontwikkelingslocatie. Voorheen was op de locatie een school gevestigd en op dit moment is de locatie in gebruik voor een tijdelijke school (circa 110 leerlingen). De school wordt een permanente dependance-locatie van De Prinsenhof met maximaal 150 leerlingen met een bruto vloeroppervlak van maximaal 955 m2 voor de onderwijsvoorziening inclusief de mogelijkheid van een ruimte voor multifunctioneel gebruik.

20/75

Stedelijke ontwikkeling  Woningbouw De handreiking ladder voor duurzame verstedelijking (bron: Infomil) stelt dat er vanaf 12 woningen sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Omdat in dit geval 17 woningen mogelijk worden gemaakt, is er sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling.  Schoolgebouw Op de locatie stond voorheen een school en is een school ook planologisch mogelijk. De school betreft daarom geen nieuwe stedelijke ontwikkeling. In deze paragraaf wordt desondanks beknopt ingegaan op de behoefte aan dit nieuwe schoolgebouw. Bestaand stedelijk gebied In de algemene bepalingen van het Bro (1.1.1 lid 1 onder h) is de volgende definitie opgenomen voor bestaand stedelijk gebied: “bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur”. De locatie is onderdeel van het bestaand stedelijk gebied door de ligging midden in Noordwijkerhout. Het gebied is volledig omsloten door bebouwd gebied. Beschrijving woningbehoefte Uit de actuele provinciale woningbehoefteprognose (WBR 2023) blijkt dat de woningbehoefte in de regio Holland Rijnland groot is. In de periode 2023 tot en met 2032 is er een gewenste woningvoorraadtoename van 28.860 woningen.

Regionale Realisatieagenda Wonen - Regio Holland Rijnland (regionale woondeal) Op 14 maart 2023 ondertekenden bestuurders uit Zuid-Holland en de minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening de regionale realisatieagenda's, of regionale woondeals. Zo ook voor de regio Holland Rijnland, waar de ambitie is om 30.500 woningen toe te voegen tot 2030, waarvan tweederde in het betaalbare segment. Uit het regionale programma blijkt dat er slechts harde plancapaciteit is voor 19.445 woningen.

21/75

Figuur 3.1

Woningbouwprogramma regio Holland-Rijnland 2022 (Bron: Realisatieagenda)

Woonvisie Noordwijk 2020-2030 en Prestatieafspraken 2022-2025 Gemeente Noordwijk werkt met netwerkpartijen samen om lokaal maatwerk te bieden en om de woningvoorraad uit te breiden. De gemeente zet zich er voor in om jaarlijks 190 woningen tot te voegen (+2080 woningen in 2030). Met name voor die woningzoekenden die zitten te springen om een woning, waarvoor de Woonvisie Noordwijk 2020-2030 (zie paragraaf 3.5.2) de lijnen uitzet. Gemeente Noordwijk zet in op voldoende en betaalbare woningen. Voor de periode 2021 tot en met 2030 zijn er per april 2023 woningbouwplannen voor ruim 4.000 woningen. De gemeente werkt per project met een verdeling van woningen op basis van betaalbaarheid. Deze is vastgelegd in de Woonvisie Noordwijk 2020-2030. Het gaat om sociale huur, middenhuur en middenkoop. De gemeente wil zo stappen kunnen maken en het bouwen van betaalbare woningen bevorderen. Voor elk nieuw woningbouwplan van 3 woningen en meer geldt:  Minimaal 30% sociale huur tot € 808,06 (prijspeil 2023).  Minimaal 15% middenhuur van € 808,06 tot € 1.000, – op basis van de nieuwe Regionale woonagenda en nieuwe Rijkswetgeving en de Doelgroepenverordening Noordwijk 2022.  Minimaal 25% middenkoop vastgesteld op de NHG grens tot € 355.000,- (prijspeil 2022 aangehouden op basis van regionale woonvisie en rijksbeleid) en € 376.300,- inclusief energiebesparende maatregelen (prijspeil 2022).

Daarmee zet gemeente Noordwijk in op 70% betaalbare woningen bij nieuwbouw. In dit project wordt uitgegaan van 13 sociale huurwoningen (>75%) en 4 middenhuurwoningen, waarmee het gehele programma in het betaalbare segment valt. Dit is in lijn met de MeerjarenPrestatieafspraken 2022-2025 waarin is aangegeven dat wordt gezocht naar aanvullende mogelijkheden boven de 30% sociale huur bij nieuwbouw.

22/75

Beschrijving behoefte school De realisatie van de nieuwbouwwijk Landgoed in den Houte leidt tot aanwas van de bevolking. In Noordwijkerhout ontstaat een structurele ruimtebehoefte voor het basisonderwijs. Dit tekort concentreert zich bij basisschool De Prinsenhof. Begin 2019 heeft het schoolbestuur Sophia Scholen daarom een uitbreiding aangevraagd. Met de realisatie van een permanente dependance wordt een ruimtetekort voorkomen. Met een schooluitbreiding voor 150 leerlingen wordt het basisonderwijs voldoende gefaciliteerd. Dit blijkt uit de prognose 2022 Pronexus.

Figuur 3.2 Leerlingprognose De Prinsenhof (bron: Raadsvoorstel Herontwikkeling locatie Viaductweg Noordwijkerhout, april 2023) Conclusie Uit de bovenstaande toetsing blijkt dat met deze ontwikkeling sprake is van zorgvuldig ruimtegebruik. Het binnenstedelijk toevoegen van betaalbare woningen en een permanente school voldoet aan de uitgangspunten van de ladder voor duurzame verstedelijking. Het rijksbeleid staat de ontwikkeling niet in de weg.

23/75

3.3

Provinciaal beleid

3.3.1 Omgevingsvisie Zuid-Holland (geconsolideerd april 2023) De omgevingsvisie geeft op hoofdlijnen sturing aan de ruimtelijke ordening en maatregelen op het gebied van verkeer en vervoer, energie, landschap en bodem en water. Zuid-Holland staat voor de opgaven die om ingrijpende keuzes vragen. Daarvoor zijn sturende ruimtelijke concepten nodig. De uitdaging is om de stap te maken naar een gezonde, sociale en duurzame samenleving. De metropolitane ontwikkeling moet op die manier vorm krijgen. Om die vitale samenleving te realiseren is meer nodig dan woningbouw alleen. Het economisch potentieel kan beter benut worden door de steden met hun afzonderlijke kwaliteiten te verbinden tot één metropool. Het leef- en vestigingsklimaat daarin kan versterkt worden door stad en land goed te verbinden, door ruimte te bieden voor groen en water in de stad, door een evenwichtige woningvoorraad en passende werklocaties. De vitaliteit van de stad is ook gebaat bij cultuur, kenniscentra en aantrekkelijke binnensteden. Verstedelijking en wonen De provincie voorziet op regionaal niveau, samen met gemeenten, marktpartijen en woningbouwcorporaties, in voldoende en passende woningen voor de verschillende doelgroepen, waaronder de doelgroepen van het huurbeleid. Hierbij gaat de voorkeur uit naar nieuwe woningbouw binnen bestaand stads- en dorpsgebied en georiënteerd op hoogwaardig openbaar vervoer.

De provincie is terughoudend over het toevoegen van nieuwe woningbouwlocaties buiten bestaand stads- en dorpsgebied en vraagt om de bodemdalingsgevoeligheid van een gebied expliciet mee te wegen. De provincie heeft de ambitie om alle woningen in Zuid-Holland in 2035 CO²-neutraal en vóór 2050 klimaatrobuust ingericht en ingepast te laten zijn. Nieuwe woningen dragen bij aan een aantrekkelijke woon- en leefomgeving in Zuid-Holland. Nieuwe woningen zijn energieneutraal of leveren energie en zijn toegerust op de gevolgen van klimaatverandering (heftige regenbuien, perioden van droogte en hittestress) en bodemdaling. Gemeenten maken in samenspraak met de provincie regionale woonvisies en regionale woningbouwprogramma's waarin bovengenoemde doelstellingen zijn uitgewerkt. In paragraaf 3.2.3 is hier reeds op ingegaan. Stedelijke ontwikkelingen binnen bestaand stads- en dorpsgebied In lijn met de maatschappelijke behoefte zet de provincie in op het beter benutten van het bestaand stads- en dorpsgebied. Beter benutten van de bebouwde ruimte krijgt ruimtelijk invulling door verdichting, herstructurering en binnenstedelijke transformatie. Indien een gemeente een ruimtelijke ontwikkeling wil realiseren, wordt de ladder voor duurzame verstedelijking doorlopen. De ladder voor duurzame verstedelijking is opgenomen in nationale weten regelgeving.

Toepassing is van provinciaal belang, daarom is in de verordening een verwijzing opgenomen naar de rijksladder. Uitgangspunt van de ladder is dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling voorziet in een behoefte en in beginsel in bestaand stedelijk gebied wordt gerealiseerd. Het doel is zorgvuldig gebruik van de ruimte. De provincie wil bevorderen dat de ladder op (sub)regionaal niveau wordt toegepast en dat samenwerkende gemeenten een gezamenlijk beeld ontwikkelen van de ontwikkelmogelijkheden binnen en buiten bestaand stads- en dorpsgebied. De gemeenten stemmen de geplande opgave met behulp van actuele regionale visies voor in ieder geval wonen en kantoren af met andere gemeenten in de regio.

24/75

Risico's van klimaatverandering De provincie Zuid-Holland streeft naar een klimaatbestendig en waterrobuuste provincie in 2050. De provincie wil dan voorbereid zijn op de gevolgen van klimaatverandering in de vorm van wateroverlast door overvloedige neerslag, hittestress, verdroging en verzilting en het beperken van de gevolgen van overstromingen. Daarnaast voert de provincie actief beleid om de maatschappelijke kosten van bodemdaling zoveel mogelijk te beperken. Dit heeft direct gevolgen voor locatiekeuze, ontwerp en inrichting van openbare ruimte en gebouwde omgeving. In de omgevingsvisie is vastgelegd dat de provincie ernaar streeft om bij (nieuwe) ruimtelijke ontwikkelingen betrokken partijen de uitkomsten uit de klimaatstresstesten expliciet mee te laten wegen bij de locatiekeuze en inrichting van het gebied. Dit geldt voor alle risico's die gepaard gaan met klimaatverandering (in ieder geval wateroverlast door overvloedige neerslag, overstroming, hitte en droogte). Deze risico's hebben naast lokale ook regionale aspecten. Toetsing Voorliggende ontwikkeling voorziet in de realisatie van een school en 17 appartementen in bestaand stads- en dorpsgebied. In paragraaf 3.2.3 is reeds de ladder voor duurzame verstedelijking doorlopen. Daaruit blijkt dat er behoefte is en dat de voorgenomen ontwikkeling passend is.

Tevens wordt bij de verdere uitwerking van de inrichting rekening gehouden met de aspecten als beschreven in paragraaf 2.2.1. Het project sluit daarmee aan bij de relevante uitgangspunten uit de Omgevingsvisie van de provincie Zuid-Holland. 3.3.2 Omgevingsverordening Zuid Holland (geconsolideerde versie april 2023) De provinciale omgevingsverordening betreft de juridische borging van de provinciale belangen. In de verordening zijn bepalingen opgenomen waar lagere overheden bij het opstellen van ruimtelijke plannen rekening mee te houden hebben. Deze subparagraaf behandelt de voor het project relevante bepalingen uit de omgevingsverordening. Artikel 6.9 Ruimtelijke kwaliteit 1. Een bestemmingsplan kan voorzien in een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling, mits is aangetoond dat de ruimtelijke kwaliteit per saldo ten minste gelijk blijft. 2. Om de ruimtelijke kwaliteit te waarborgen wordt in het bestemmingsplan rekening gehouden met de beschermingscategorie, het gebiedstype en de relevante richtpunten voor ruimtelijke kwaliteit, zoals vermeld op kaart 14 in bijlage II en beschreven in de omgevingsvisie beleidskeuze landschap. 3. Bij het beantwoorden van de vraag of bij een beoogde ruimtelijke ontwikkeling de ruimtelijke kwaliteit gewaarborgd kan blijven, wordt de schaalverdeling inpassen, aanpassen en transformeren gehanteerd als bedoeld in het vijfde lid. 4.

Een bestemmingsplan kan een ruimtelijke ontwikkeling mogelijk maken, mits een zorgvuldige afweging is gemaakt over de locatiekeuze. De motivering gaat in op de beschreven kenmerken en waarden van het gebied en de effecten van de ontwikkeling daarop. Deze vereisten gelden voor zover het gaat om een ruimtelijke ontwikkeling waarbij: a. een of meer richtpunten voor ruimtelijke kwaliteit in het geding zijn zoals beschreven in de omgevingsvisie beleidskeuze landschap; of b. sprake is van aanpassen of transformatie als bedoeld in het vijfde lid.

25/75

5. Een bestemmingsplan kan voorzien in een ruimtelijke ontwikkeling onder de volgende voorwaarden: a. de ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, voorziet geen wijziging op structuurniveau, past bij de aard en schaal van het gebied en houdt rekening met de relevante richtpunten ruimtelijke kwaliteit, zodanig dat de ruimtelijke kwaliteit per saldo ten minste gelijk blijft. In dit geval is er sprake van inpassen; b. de ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, maar veroorzaakt wijziging op structuurniveau. Een dergelijke ontwikkeling wordt alleen toegestaan mits de ruimtelijke kwaliteit per saldo ten minste gelijk blijft door zorgvuldige inbedding van de ontwikkeling in de omgeving, rekening houdend met de relevante richtpunten ruimtelijke kwaliteit. In dit geval is er sprake van aanpassen; c. de ruimtelijke ontwikkeling past niet binnen de bestaande gebiedsidentiteit. Een dergelijke ontwikkeling wordt uitsluitend toegestaan mits de ruimtelijke kwaliteit van de nieuwe ontwikkeling is gewaarborgd door een integraal ontwerp. Daarin wordt behalve aan de ruimtelijke kwaliteit van het gehele gebied ook aandacht besteed aan de fysieke en visuele overgang naar de omgeving en de fasering in ruimte en tijd en wordt ook rekening gehouden met de relevante richtpunten ruimtelijke kwaliteit. In dit geval is er sprake van transformeren.

Leden 6 tot en met 12 zijn voor deze locatie niet van toepassing. Toetsing Relevante richtpunten voor deze locatie zijn:  Ontwikkelingen dragen bij aan de karakteristieke kenmerken/identiteit van het dorpsgebied.  Ontwikkelingen dragen bij aan versterking van de stedelijke groen- en waterstructuur. Gelet op het karakter van de ontwikkeling binnen bestaand stedelijk gebied kan in dit geval worden gesproken van inpassen. De herontwikkeling van deze voormalige schoollocatie voor nieuwbouw van een school met daarnaast woningen, past binnen de beleidskeuze voor stedelijk gebied. Met het ontwerp wordt stedenbouwkundig aansluiting gezocht bij de omliggende bebouwing. Artikel 6.10 Stedelijke ontwikkelingen 1. Een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, voldoet aan de volgende eisen: a. de toelichting van het bestemmingsplan gaat in op de toepassing van de ladder voor duurzame verstedelijking overeenkomstig artikel 3.1.6, tweede, derde en vierde lid van het Besluit ruimtelijke ordening; b.

Indien in de behoefte aan de stedelijke ontwikkeling niet binnen bestaand stads- en dorpsgebied kan worden voorzien en voor zover daarvoor een locatie groter dan 3 hectare nodig is, wordt gebruik gemaakt van grote buitenstedelijke bouwlocaties waarvan de plaats geometrisch is bepaald en verbeeld op kaart 19 in bijlage II en wordt rekening gehouden met de voor deze locaties opgenomen gegevens en criteria in bijlage X. 2. Een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling met de functie wonen mogelijk maakt voorziet in voldoende sociale huurwoningen. Onder voldoende wordt in ieder geval verstaan wat hierover is vastgelegd in de geldende door Gedeputeerde Staten aanvaarde regionale woonvisie.

26/75

3. Gedeputeerde staten kunnen bij de vaststelling van een regionaal woningbouwprogramma aangeven in hoeverre de ladder voor duurzame verstedelijking op regionaal niveau geheel of gedeeltelijk is doorlopen, mits het regionaal woningbouwprogramma past in de regionale woonvisie en de regionale woonvisie een uitwerking bevat van de in de provinciale omgevingsvisie genoemde doelstellingen. In de toelichting van het bestemmingsplan kan in dat geval worden verwezen naar de regionale visie en het regionale woningbouwprogramma bij de beschrijving van de behoefte aan een nieuwe stedelijke ontwikkeling, als bedoeld in artikel 3.1.6, tweede lid, van het Besluit ruimtelijke ordening. Toetsing De ladder voor duurzame verstedelijking is doorlopen in paragraaf 3.2.3. Artikel 6.10b Parkeernorm sociale huur 1. Een bestemmingsplan dat voorziet in nieuwe sociale huurwoningen hanteert een parkeernorm van maximaal 0,7 autoparkeerplaats per sociale huurwoning. 2. In afwijking van het eerste lid kan een andere parkeernorm worden gehanteerd, als de gemeente op de lokale situatie afgestemde regels of beleid voor parkeren heeft vastgesteld. Toetsing In paragraaf 4.2 wordt aan de hand van het gemeentelijk parkeerbeleid ingegaan op de parkeerbehoefte van dit project.

Artikel 6.10d Bereikbaarheid Een bestemmingsplan voor een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling houdt rekening met de gevolgen van die ontwikkeling voor de bereikbaarheid. Toetsing In paragraaf 4.2 wordt ingegaan op effecten op het gebied van verkeer bij dit project. Artikel 6.10f Functiemenging Een bestemmingsplan dat voorziet in een nieuwe stedelijke ontwikkeling met de functies wonen of bedrijven, houdt rekening met de mogelijkheden voor functiemenging. Toetsing De ontwikkellocatie is van een dusdanig beperkte omvang en voorziet in een relatief beperkt aantal woningen, dat hier naast de school- en woonfunctie geen ruimte bestaat voor het toevoegen van bedrijfsmogelijkheden. Artikel 6.10h Kansen voor biodiversiteit Een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, betrekt daarbij de mogelijkheden voor het bevorderen van de biologische diversiteit. Toetsing Bij de verdere architectonische en landschappelijke inrichting, waarvoor in de volgende fase van de planvorming een separate omgevingsvergunning wordt aangevraagd, wordt hier rekening mee gehouden.

27/75

In paragraaf 2.2.1 zijn de uitgangspunten ten aanzien van dit onderwerp beschreven, volgend uit de door de raad vastgestelde stedenbouwkundige kaders. Artikel 6.27a risico’s van klimaatverandering In een bestemmingsplan wordt rekening gehouden met de gevolgen van de risico’s van klimaatverandering tenminste voor zover het betreft de risico’s ten aanzien van: a. wateroverlast door overvloedige neerslag; b. overstroming; c. hitte; d. droogte; alsmede de effecten van de bovengenoemde risico’s op het risico van bodemdaling. Voor zover risico’s zich voordoen wordt rekening gehouden met het zo veel mogelijk voorkomen en beperken, via maatregelen of voorzieningen, dan wel het gericht aanvaarden van deze risico’s. Toetsing Bij de verdere architectonische en landschappelijke inrichting, waarvoor in de volgende fase van de planvorming een separate omgevingsvergunning wordt aangevraagd, wordt hier rekening mee gehouden. In paragraaf 2.2.1 zijn de uitgangspunten ten aanzien van dit onderwerp beschreven, volgend uit de door de raad vastgestelde stedenbouwkundige kaders. In paragraaf 4.6 is het aspect water meer specifiek gemotiveerd.

3.4

Regionaal beleid

3.4.1 Regionale Woonagenda en Huisvestingsverordening Holland Rijnland De regio Holland Rijnland zet stappen om de problemen op de woningmarkt op te lossen. De woningmarkt kenmerkt zich de afgelopen jaren door grote tekorten, hoge koopprijzen en lange wachttijden voor sociale huurwoningen. Steeds meer mensen hebben moeite bij het vinden van een passende woning. Hierbij spelen ook veranderende woonbehoeften een belangrijke rol. Met de Regionale Woonagenda 2023 en de Huisvestingsverordening 2024 probeert Holland Rijnland die tendensen om te buigen. De Regionale Woonagenda 2023 en Huisvestingsverordening 2024 zijn op 28 juni 2023 door het Algemeen Bestuur van Holland Rijnland vastgesteld. Regionale woonagenda 2023 De Regionale Woonagenda beschrijft de afspraken over woningbouw in de regio. Die afspraken gaan over het aantal te bouwen woningen, waar deze moeten komen, wat voor soort woningen het zijn en voor wie. De dertien gemeenten in Holland Rijnland maken zich sterk om tot en met 2030 maar liefst 30.500 nieuwe woningen te bouwen, waarvan 30% een sociale huurwoning is en 35% een middeldure huurwoning of een betaalbare koopwoning. De nieuwbouw moet aansluiten bij de woonbehoeften.

Uitgangspunten zijn:  het verbeteren van de doorstroom;  het versnellen van de woningbouw;  het realiseren van betaalbare woningen, en  het geven van ruimte aan aandachtsgroepen, dat zijn mensen met specifieke zorg- en ondersteuningsbehoeften. Alle gemeenten leveren hieraan een bijdrage. De afspraken in de Woonagenda vormen de kaders waarbinnen gemeenten hun eigen ruimtelijke projecten kunnen realiseren.

28/75

Noordwijk valt onder de subregio Noord samen met Lisse, Hillegom en Teylingen. Deze subregio heeft een woningbehoefte van 6.500 tot 7.500 woningen tot 2030. Waarbij door het vaststellen van de agenda extra aandacht is voor betaalbaar, middelduur en aandachtsgroepen. Huisvestingsverordening Holland Rijnland 2024 De Huisvestingsverordening omvat afspraken over woonruimteverdeling in de regio. De verordening bepaalt onder andere hoeveel woningen beschikbaar komen voor aandachtsgroepen, maar zorgt er ook voor dat er genoeg woningen beschikbaar blijven voor reguliere woningzoekenden. Door ontwikkelingen op de woningmarkt en veranderende woonbehoeften was het nodig de Huisvestingsverordening te herijken. Een belangrijk doel van de vernieuwde verordening is het bevorderen van de doorstroom. Dit wordt onder meer gerealiseerd doordat mensen die willen verhuizen naar een andere sociale huurwoning een deel van hun woonduur mogen meenemen. Toetsing Het binnen bestaand stedelijk gebied toevoegen van woningen, in dit geval volledig in het sociale en middeldure segment, sluit goed aan bij de uitgangspunten van de Regionale Woonagenda en de Huisvestingsverordening Holland Rijnland.

3.5

Gemeentelijk beleid

3.5.1 Omgevingsvisie 1.0 Samen maken we de toekomst voor Noordwijk! (2022) De gemeente Noordwijk heeft in 2022 de Omgevingsvisie 1.0 vastgesteld. Momenteel wordt er gewerkt aan een Omgevingsvisie 2.0. De Omgevingsvisie sorteert voor op de nieuwe Omgevingswet. De Omgevingsvisie is een complete visie op de leefomgeving, voor de lange termijn en voor de hele gemeente Noordwijk. De Omgevingsvisie komt in de plaats van de huidige gemeentelijke structuurvisies, verkeers-en vervoerplannen, delen van de natuurvisie en milieubeleidsplannen. Deze Omgevingsvisie is aan de ene kant een uitnodiging aan alle inwoners van de gemeente om met ideeën en initiatieven te komen. Aan de andere kant is het een afwegingskader dat het college en de raad zullen gebruiken om alle ingediende initiatieven aan te toetsen. Het uitgangspunt van deze Omgevingsvisie is dat alle initiatieven binnen de gemeente Noordwijk worden getoetst aan een gebiedsgericht afwegingskader (hoofdstuk 3), aansluiten op de identiteit (hoofdstuk 4) en bijdragen aan de gewenste koers (hoofdstuk 5). In hoofdstuk 3 worden deelgebieden onderscheiden, waarbij voor het project deelgebied Noordwijkerhout van toepassing is.

De Omgevingsvisie stelt hier voort te willen borduren op een grote diversiteit aan punten, waaronder:  Noordwijkerhout heeft een gezellig centrum rond de Witte Kerk, beschikt over een aantal supermarkten, mooie scholen, een voetbalclub en een sporthal in aanbouw.  streven naar voldoende huisvestings- en zorgmogelijkheden; Het project draagt hieraan bij met een nieuwe school en 17 appartementen in het betaalbare segment. In hoofdstuk 4 staan voornamelijk het landschap, cultuur en erfgoed, de natuur en het DNA van Noordwijk centraal, wat vooral raakt aan grotere (landschapsstructuren). Op projectlocatie, binnen bestaand stedelijk gebied, kan hier op beperkte schaal aansluiting bij worden gezocht.

29/75

Dit wordt vooral bereikt doordat bij de terreininrichting (zie paragraaf 2.2) wordt aangesloten bij enkele ambities uit de Omgevingsvisie ten aanzien van natuur, te weten:  bijzondere natuurwaarden in de dorpen;  bij elke ontwikkeling wordt het verhogen van de biodiversiteit meegenomen. In hoofdstuk 5 worden de vijf voornaamste opgaven voor de gehele gemeente gepositioneerd. Dit zijn: 1. een ondernemende gemeente met voldoende welvaart voor iedereen; 2. prettig wonen met voldoende woningen voor iedereen; 3. een betrokken gemeenschap; een plek waar we prettig samenleven en gelukkig oud worden; 4. goede bereikbaarheid en minder (parkeer)overlast op topdagen; 5. een duurzame gemeente Noordwijk; klimaatneutraal en -bestendig. Het project heeft met name aansluiting bij de punten 2, 3 en 5. De appartementen sluiten aan bij punt 2, de school draagt bij aan een plek waar het prettig (samen)leven is en de nader uit te werken architectuur en terreininrichting (zie par. 2.2) dragen bij aan een duurzame gemeente. 3.5.2 Woonvisie 2020-2030 De gemeenteraad heeft op 26 januari 2021 de woonvisie ‘Alle zeilen bij voor voldoende en juiste woningen’ vastgesteld. In de woonvisie staan twee prioriteiten voorop: 'zorg voor het toevoegen van voldoende woningen in de gemeente Noordwijk én zorg voor de juiste woningen in het bijzonder voor mensen die zonder onze aandacht geen huis kunnen krijgen'.

Daarnaast wordt ingezet op prettig zelfstandig thuis wonen en verduurzaming. De Woonvisie kent dan ook 4 belangrijke opgaven: Volle inzet voor meer nieuwbouw In de woonvisie worden maatregelen voorgesteld om volop op de bouw van voldoende woningen voor minimaal de lokale woningbehoefte in te zetten, te zoeken naar meer bouwmogelijkheden én om de druk op de woningmarkt te verlichten het toevoegen van tijdelijke woningen. Juiste woningen toevoegen In de woonvisie worden maatregelen voorgesteld om te zorgen dat groepen die nu moeilijk aan bod komen in Noordwijk extra huisvestingsmogelijkheden krijgen én om actief te sturen op meer passend woningaanbod voor lage en middeninkomens: en dan in het bijzonder jongeren en jonge gezinnen. Mogelijkheden voor prettig thuis wonen In de woonvisie worden maatregelen voorgesteld om ouderen en andere mensen met een ondersteuningsbehoefte of zorgvraag passende huisvesting te kunnen bieden én voor leefbare buurten met een sluitende woonzorginfrastructuur in onze kernen, waardoor mensen langer thuis kunnen wonen. Op naar een klimaatneutraal Noordwijk De gemeente wil in 2050 klimaatneutraal zijn. Hieraan levert een energiezuinige woningvoorraad een belangrijke bijdrage. Daarom worden in de woonvisie maatregelen voorgesteld om de energetische verbeteringen van bestaande huur- en koopwoningen te bevorderen én een klimaatbestendige woonomgeving.

De maatregelen, prioriteitsstelling en actiehouders zijn gevat in een bijhorend uitvoeringsprogramma.

30/75

Toetsing Met dit plan worden 17 appartementen toegevoegd in het betaalbare segment. Dit geeft invulling aan de beleidsambities van de woonvisie. 3.5.3 Nota Parkeernormen 2020 In de Nota Parkeernormen 2020 zijn de parkeernormen opgenomen waar ontwikkelingen aan dienen te voldoen. Toetsing Voor nieuwbouw dient te worden voldaan aan de Nota Parkeernormen 2020. Aangezien hier sprake is van herontwikkeling, is voor de beoogde ontwikkeling een parkeerbalans opgesteld. In paragraaf 4.2 wordt dit nader toegelicht.

31/75

32/75

Hoofdstuk 4 4.1

Omgevingsaspecten

Inleiding

Ten behoeve van de uitvoerbaarheid van het project is naar de relevante omgevingsaspecten gekeken. In voorliggend hoofdstuk worden de resultaten hiervan beschreven.

4.2

Verkeer en parkeren

Toetsingskader Op het gebied van verkeer en vervoer bestaat geen specifieke wetgeving die relevant is voor de voorgenomen activiteit. Wel dient in het kader van het ruimtelijk plan dat de activiteit mogelijk maakt te worden onderbouwd dat het geheel voldoet aan een goede ruimtelijke ordening. Dit houdt onder meer in dat er voldoende parkeergelegenheid aanwezig dient te zijn en de eventuele verkeerstoename niet leidt tot knelpunten in de verkeersafwikkeling. De parkeerbehoefte van de beoogde ontwikkeling is bepaald aan de hand van de gemeentelijke parkeernormen uit de 'Nota parkeernormen 2020' van de gemeente Noordwijk. Binnen het gemeentelijke parkeernormenbeleid is het plangebied gelegen binnen 'Zone B'. Voor het berekenen van de verkeersgeneratie van de beoogde ontwikkeling is gebruik gemaakt van kencijfers uit publicatie 381 van het Centrum voor Regelgeving en Onderzoek in de Grond-, Water- en Wegenbouw en de Verkeerstechniek (CROW). Voor het bepalen van de te hanteren kencijfers is voor de gemeente Noordwijk op basis van CBS-data een stedelijkheidsgraad van 'matig stedelijk' aangehouden. De ligging van het plangebied is gedefinieerd als 'rest bebouwde kom'. Tenslotte wordt op basis van de omgevingsadressendichtheid en het gemiddelde autobezit in de gemeente Noordwijk conform het CBS per kencijfer het gemiddelde van de bandbreedte aangehouden.

Ontsluiting Langzaam verkeer Aan de noordzijde van het projectgebied zijn op de Viaductweg aan weerszijden van de rijbaan voetpaden aanwezig. Oversteekplaatsen zijn ingericht voor voetgangers op de Viaductweg ten hoogte van de Van Iersellaan en de Koninginneweg. Voor fietsers zijn op de Viaductweg aan weerszijden van de rijbaan fietsstroken aanwezig. Langs de overige drie zijden van het projectgebied bevinden zich het Dijkzicht, de Geversstraat en de Van Iersellaan. Langs deze straten zijn aan weerszijden voetpaden aanwezig. Voor fietsers zijn geen aparte voorzieningen aanwezig, waardoor fietsers de rijbaan moeten delen met het gemotoriseerde verkeer. Openbaar vervoer De dichtstbijzijnde OV-halte vanaf het plangebied is gelegen op minder dan 50 meter loopafstand aan de Viaductweg. Vanaf deze halte kan gebruik worden van buslijn 57, tussen Nieuw-Vennep en Leiden Centraal, en buslijn 90, tussen Lisse en Leiden Centraal.

33/75

Gemotoriseerd verkeer Het plangebied wordt aan de oostzijde ontsloten door het Dijkzicht en aan de westzijde door de Van Iersellaan. Beide wegen zijn ingericht als erftoegangswegen met een maximumsnelheid van 30 km/u en komen in noordelijke richting uit op de Viaductweg. De Viaductweg is ingericht als een gebiedsontsluitingsweg met een maximumsnelheid van 50 km/u. In westelijke richting leidt de Viaductweg naar het centrumgebied van Noordwijkerhout. In oostelijke richting leidt de Viaductweg onder de N206 door naar de buurt Mossenest en vervolgens naar het kruispunt Schelftweg – Wildlaan – Maandagsewetering. De Maandagsewetering is ingericht als een gebiedsontsluitingsweg met een maximumsnelheid van 50 km/u en leidt in zuidelijke richting via de Gieterij naar de 's-Gravendamseweg (N443). Parkeren In de bestaande situatie zijn binnen het plangebied een tijdelijke scholenlocatie en een kantoorpand aanwezig. Als gevolg van de beoogde ontwikkeling wordt de tijdelijke school vervangen door een permanente uitbreiding van basisschool De Prinsenhof en komt het kantoorpand te vervallen. Daarnaast worden binnen het plangebied 17 huurappartementen gerealiseerd, waarvan 13 sociale huur en 4 middeldure huur.

Binnen het gemeentelijke parkeernormenbeleid is opgenomen dat bij wijziging van een reeds bestaande functie de bestaande parkeerbehoefte in mindering kan worden gebracht op de parkeerbehoefte van de beoogde ontwikkeling. In tabellen 4.2.1 en 4.2.2 is de normatieve parkeerbehoefte van het plangebied in de bestaande en beoogde situatie weergegeven. Tabel 4.2.1

De normatieve parkeerbehoefte in de bestaande situatie

Tabel 4.2.2

De normatieve parkeerbehoefte van de beoogde ontwikkeling

Het plangebied heeft een normatieve parkeerbehoefte van 11,5 parkeerplaatsen in de bestaande situatie en 35,1 parkeerplaatsen in de beoogde situatie. In de bestaande situatie wordt de parkeerbehoefte van het kantoorpand echter volledig op eigen terrein opgevangen. Aangezien de parkeergelegenheid behorende bij het kantoor ook wordt opgeheven als onderdeel van de beoogde ontwikkeling, wordt de parkeerbehoefte van het kantoorpand niet meegenomen in de saldering. Voor de bestaande situatie wordt daarom gerekend met een normatieve parkeerbehoefte van 3 parkeerplaatsen. Bij het toepassen van saldering dient gekeken te worden naar de parkeerbehoefte per dagdeel. Voor het bepalen van de parkeerbehoefte per weekmoment is gebruik gemaakt van de aanwezigheidspercentages uit het gemeentelijke parkeernormenbeleid.

34/75

Er is voor de nieuwe situatie nog geen keuze gemaakt of er bij de woningen eigen parkeerplaatsen of openbare parkeerplaatsen worden toegepast. In de volgende berekeningen is uitgegaan van het scenario dat er eigen parkeerplaatsen voor de bewoners worden aangelegd. Dit kan immers gezien worden als het worst-case scenario, aangezien deze plaatsen in dat geval niet door anderen gebruikt kunnen worden en er dus in meer plaatsen in het openbaar gebied voorzien zal moeten worden. Ten opzichte van onderstaande berekeningen kan de uiteindelijke behoefte dus lager uitvallen indien de bewoners ook gebruik maken van openbare plekken waar dus ook dubbelgebruik mogelijk is. Gelet op bovenstaande, is in de volgende tabellen uitsluitend dubbelgebruik toegepast voor de basisschool en de bezoekers van de woningen. Om deze reden wordt voor de bewoners van de nieuwe woningen voor ieder weekmoment een aanwezigheidspercentage van 100% aangehouden. In tabel 4.2.3 en 4.2.4 is de parkeerbehoefte van het plangebied bepaald per weekmoment in de bestaande en beoogde situatie. Tabel 4.2.3

De parkeerbehoefte per weekmoment in de bestaande situatie

Tabel 4.2.4

De parkeerbehoefte van de beoogde ontwikkeling per weekmoment

Het maatgevende moment voor de beoogde ontwikkeling is de werkdag middag. Gedurende deze periode heeft het plangebied een parkeerbehoefte van 31 parkeerplaatsen. Na toepassing van saldering verschuift het maatgevende moment naar de zaterdagavond. Ten opzichte van de bestaande situatie is gedurende deze periode sprake van een aanvullende parkeereis van 31 parkeerplaatsen.

35/75

In de bovenstaande berekening is de benodigde parkeergelegenheid voor het faciliteren van de kiss-and-ride-bewegingen van de scholenlocatie nog niet meegenomen. In de bestaande situatie vindt dit echter ook al plaats voor de tijdelijke school en in het verleden ook voor de voormalige Ireneschool. Ten opzichte van de bestaande situatie zal er sprake zijn van een lichte stijging van het aantal leerlingen en daarmee mogelijk ook van een lichte toename in het benodigde aantal kiss-and-ride-plaatsen. In de volgende fase van de planvorming, bij de uitwerking van het bouwplan en de landschappelijke inrichting, zal worden aangetoond hoe voorzien wordt in de benodigde parkeerbehoefte. Op dat moment zal ook de keuze gemaakt moeten zijn of voor de bewoners van de nieuwe woningen in eigen parkeerplaatsen wordt voorzien, of dat zij van openbare parkeerplaatsen gebruik maken. Ruimte voor nieuw aan te leggen parkeerplaatsen kan gezocht worden aan de randen van het projectgebied. Indien blijkt dat er sprake is van restcapaciteit in de directe omgeving, kan dit ook een (al dan niet gedeeltelijke) mogelijkheid vormen voor het opvangen van de parkeerbehoefte vanuit de ontwikkeling. Verkeer Voor het bepalen van de verkeersgeneratie van de beoogde ontwikkeling wordt waar mogelijk gebruik gemaakt van kencijfers uit CROW-publicatie 381.

Echter zijn vanuit het CROW geen kencijfers beschikbaar voor het bepalen van de verkeersgeneratie van een basisschool. Daarom wordt de verkeersgeneratie bepaald aan de hand van het gegenereerde haal- en brengverkeer en de benodigde parkeerplaatsen voor het personeel. De methodiek voor het bepalen van het gegenereerde verkeer is gebaseerd op de voormalige 'Rekentool Verkeersgeneratie & Parkeren' van het CROW. Hiervoor zijn gegevens benodigd omtrent het aantal leerlingen, de verdeling tussen bovenbouw en onderbouw, het percentage leerlingen dat met de auto naar school wordt gebracht, het gemiddelde aantal kinderen per auto en het percentage kinderen dat tijdens de lunch overblijft. Bestaande situatie In de bestaande situatie bestaat de tijdelijke school uit 4 klassen met in totaal circa 110 leerlingen. Er is geen onderverdeling tussen boven- en onderbouw bekend voor de bestaande situatie. Daarom wordt aangehouden dat de klassen evenredig zijn verdeeld tussen bovenbouw en onderbouw. De school werkt met een continurooster, wat betekent dat de leerlingen overblijven tussen de middag. Voor de overige benodigde gegevens is gebruik gemaakt van expert judgement gebaseerd op standaard waardes vanuit de voormalige rekentool van het CROW. In tabel 4.2.5 zijn de gehanteerde waarden weergegeven voor de bestaande school. Tabel 4.2.5

Gehanteerde uitgangspunten haal- en brengverkeer bestaande situatie

Voor het bepalen van de verkeersgeneratie wordt voor kinderen die met de auto worden gehaald en gebracht een verkeersgeneratie van 4 ritten per voertuig aangehouden. Aan de hand van de bovengenoemde waarden is in tabel 4.2.6 de verkeersgeneratie ten behoeve van het halen en brengen van leerlingen berekend.

36/75

Tabel 4.2.6

Het gegenereerde verkeer voor het halen en brengen van leerlingen

In totaal zorgt het halen en brengen van leerlingen voor een verkeersgeneratie van 84 mvt/etmaal gedurende een gemiddelde werkdag. Daarnaast dient rekening te worden gehouden met de verkeersgeneratie van het personeel. Hiervoor wordt gebruik gemaakt van een turnover van 1 per parkeerplaats. Zoals eerder berekend, bedraagt de parkeerbehoefte van de bestaande school 3 parkeerplaatsen. Voor de bestaande school komt dit neer op een aanvullende verkeersgeneratie van (3 x 2 =) 6 mvt/etmaal, waarmee de totale verkeersgeneratie van de school 90 mvt/etmaal bedraagt. Naast de tijdelijke schoollocatie is in de bestaande situatie ook een kantoorpand aanwezig van 415 m² bvo, waarvoor wordt aangesloten bij de functie 'kantoor zonder baliefunctie'. Met behulp van de CROW-kencijfers is de verkeersgeneratie voor een gemiddelde weekdag berekend. Voor het beoordelen van de verkeersafwikkeling is echter de gemiddelde werkdag maatgevend. Voor het omrekenen van weekdag naar werkdag wordt conform CROW-publicatie 381 voor werkfuncties een omrekenfactor van 1,33 aangehouden. Voor schoolfuncties wordt een omrekenfactor van 1,4 gehanteerd. In tabel 4.2.7 is de totale verkeersgeneratie van het plangebied in de bestaande situatie berekend. Tabel 4.2.7

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Noordwijk&id=2680878c-d125-4f16-b220-6a2993b123b9