CConstaterende datNoordwijk
Koppel je AI →
Document · PDF

A. Aanbiedingsbrief ISD Bollenstreek - Afstemmingsverordening Participatiewet, IOAW en IOAZ ISD Bollenstreek 2022 (inclusief 4 bijlagen)

Gemeenteraadsvergadering 27 september 2022, gemeente NoordwijkBij agendapunt: Afstemmingsverordening Participatiewet, IOAW en IOAZ ISD Bollenstreek 202228.964 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

3 CRvB 17-07-208, LJN: BD7679

Artikel 3. Het besluit tot opleggen van een verlaging

Het verlagen van een uitkering (als bedoeld in artikel 18, tweede, vijfde en zesde lid van de PW en de artikelen 20 en 38, twaalfde lid, van de IOAW respectievelijk IOAZ) op grond van deze verordening vindt plaats door middel van een besluit. Tegen dit besluit kan een belanghebbende bezwaar en beroep indienen. ln dit artikel is aangegeven wat in het besluit in ieder geval moet worden vermeld. Deze eisen vloeien rechtstreeks voort uit de Awb en dan vooral uit het motiveringsvereiste. Het motiveringsvereiste houdt onder andere in dat een besluit kenbaar is en van een deugdelijke motivering is voorzien.

Artikel 4. Horen van belanghebbende Op grond van afdeling 4.1.2van de Awb is in een aantalgevallen het horen van de belanghebbende

verp-licht bij de voorbereiding van beschikkingen. Deze hoorplicht geldt echter niet bij de voorbereiding van beschi-kkingen die betrekking hebben op een financiële aanspraak (artikel 4:12 Awb), behalve bij

subsidies. ln dit artikel wordt het horen van belanghebbende voordat een verlaging van de uitkering wordt opgelegd in beginsel voorgeschreven. Het tweede lid bevat een aantal uitzonderingen op deze hoorplicht.

AÉikel 5. Afzien van verlaging Afzien van verlagen wegens ontbreken verwijtbaarheid Het afzien van het opleggen van een verlaging "indien elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt", is overgenomen uit artikel 18, negende lid, van de PW, respectievelijk artikel20, derde lid, van de IOAW en aÍikel 20, derde lid, van de IOAZ. Aangenomen moet worden dat hiervan uitsluitend sprake is bij evidente afwezigheid van verwijtbaarheid.a Het is aan het dagelijks bestuur te beoordelen of elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt aan het betreffende gedrag (zie ook de toelichting op artikel2). ls vanwege de afwezigheid van elke vorm van verwijtbaarheid afgezien van een verlaging, dan is het niet mogéliif om bij toepassing van recidive deze gedraging mee te tellen (zie artikel 17 van deze verordening;. ls vanwege de afstemming op grond van artikel 18, eerste lid, van de PW van een verlaging afgezien dan is daarin geen reden gelegen om de betreffende gedraging buiten beschouwing te laten in gevalvan recidive. Afzien van verlagen wegens'verjaing' Een andere reden om af te zien van het opleggen van een verlaging is dat de gedraging te lang geleden heeft plaatsgevonden (verjaring). Omwille van de effectiviteit ("lik op stuk") is het nodig dat een verlaging spoedig nadat de gedraging heeft plaatsgehad, wordt opgelegd.

Om dezeiedèn regelt artikel 5, eerste lid, onderdeel b, van deze verordening dat het dagelijks bestuur geen verlagingen oplegt voor gedragingen die langer dan één jaar geleden hebben plaatsgevonden. Óit neeft tevens als voordeel dat een uitkeringsgerechtigde niet te lang in onzekerheid wordt gehouden over de vraag of het dagelijks bestuur overgaat tot het opleggen van een verlaging. Afzien van verlagen in verband met dringende redenen ln het tweede lid is geregeld dat kan worden afgezien van het opleggen van een verlaging als daarvoor dringende redenen aanwezig zijn. De verordening stelt een algemene verplichting tot het opleggen van een verlaging voorop. Uitzonderingen moeten echter mogelijk zijn als voor de OetangneOOende onaanvaardbare consequenties zouden optreden. Uit het woord "dringend" blijkt dat er weiiets heel bijzonders en uitzonderlijks aan de hand moet zijn, wil een afwijking van het algemene principe gerechtvaard igd zij n. Wat dringende redenen zijn, is afhankelijk van de concrete situatie en kan dus niet op voorhand worden vastgelegd. Er kan worden gedacht aan enezijds een mindere mate van verwijtbaarheid ten aanzien van de gedraging en anderzijds aan de financiële of sociale gevolgen voor belanghebbende en/of diens geziÀ.

Daarbij moet worden opgemerkt dat ernstige financiële gevolgen op zichzelf geen reden zijn om van een verlaging af te zien, omdat dit inherent is aan het verlagen van een uitkering. ln jurispruóentie worden dringende redenen gedefinieerd als onaanvaardbare materiële of immateriële gevolgen voor de belanghebbendes.

4 CRvB 24-07-2001 nr. 99/1857 NABW, ECLI:NL:CRVB:2001 :AD4887 5 CRvB 06-07-2010 LJN: 0703.

Afzie n verlage n ook mogel ijk bij geil n iformee rde arbe id sverplichtingen

De wet schrijft bij overtreding van een geUniformeerde arbeidsverplichting een afstemming voor van 100 o/o van de bijstand gedurende tenminste één tot maximaal drie maanden. Op grond van artikel 18, tiende lid, van de PW moet het dagelrlks bestuur een op te leggen maatregel (verlaging) of een opgelegde maatregel (verlaging) afstemmen op de omstandigheden van een belanghebbende en diens mogelijkheden om middelen te verwerven. Dit als - volgens het dagelijks bestuur - dringende redenen daartoe noodzaken, gelet op bijzondere omstandigheden. Op grond van bijzondere omstandigheden kan het dagelijks bestuur besluiten de maatregel op een lager niveau, voor een kortere duur of op nul vast te stellen. Schriftelqke mededeling in verband met recidive Het doen van een schriftelijke mededeling in een beschikking dat het dagelijks bestuur afziet van het opleggen van een verlaging wegens dringende redenen is van belang in verband met eventuele recidive (artikel4, derde lid). Het opleggen van een verlaging bij recidive is geregeld in artikel 17.

Artikel 6. lngangsdatum en tijdvak van een verlaging Het verlagen van de uitkering die in de nabije toekomst wordt verstrekt, is de gemakkelijkste methode van het opleggen van een verlaging. Dan hoeft niet te worden overgegaan tot herziening van de uitkering en terugvordering van het te veel betaalde bedrag. ln de praktijk zaldit meestal inhouden dat een verlaging wordt opgelegd met ingang van de eerste dag van de kalendermaand, die volgt op de kalendermaand waarin het besluit bekend is gemaakt. Voor de berekening van de hoogte van de verlaging moet worden uitgegaan van de voor die maand geldende bijstandsnorm. Verlagen met terugwerkende kracht (tweede lid) Het is niet altijd mogelijk om een lopende uitkering af te stemmen. Wanneer een uitkering/bijzondere bijstand nog niet (volledig) aan de belanghebbende is uitbetaald, kan het praktisch zijn om de verlaging van de uitkering/bijzondere bijstand te verrekenen met het bedrag dat nog moet worden uitbetaald. ln dat geval moet de uitkering/bijzondere bijstand welworden herzien en teruggevorderd. Verlagen op nieuwe uitkering (derde lid) Een verlaging kan niet los worden gezien van het recht op bijstand.

Het opleggen van een verlaging is niet mogelijk als een belanghebbende geen recht op bijstand (meer) heeft.6 Als een verlaging niet of niet geheel ten uitvoer kan worden gelegd als gevolg van de beëindiging of intrekking van de uitkering, is het ook mogelijk om de verlaging of dat deel van de verlaging dat nog niet is uitgevoerd, alsnog op te leggen als belanghebbende binnen een bepaalde termijn na beëindiging van de uitkering opnieuw een uitkering op grond van de PWIOAWIOAZ ontvangt. Het dagelijks bestuur moet wel rekening houden met de vervaltermijn voor het opleggen van een verlaging zoals bedoeld in artikel4, eerste lid,

onderdeel b. Een dergelijke verlaging kan vanwege de samenhang met het recht op bijstand niet bij voorbaat worden opgelegd. Het dagelijks bestuur moet bij het opnieuw toekennen van het recht op bijstand beoordelen in hoeverre er nog aanleiding bestaat om een verlaging toe te passen. Pas dan is sprake van een afstemmingsbesluit en staat de mogelijkheid van bezwaar tegen de verlaging open.7

Veil agen zelfstandigen (vierde lid) Bijstand aan zelfstandigen wordt in het boekjaar als renteloze lening verstrekt en na afloop van het betreffende boekjaar wordt de bijstand over dat jaar definitief vastgesteld. Dat maakt het mogelqk om een verlaging met terugwerkende kracht toe te passen bij de definitieve vaststelling van de bijstand.

Artikel 7. Berekeningsgrondslag Bijstandsnorm ln het eerste lid is het uitgangspunt vastgelegd dat een verlaging wordt berekend over de brlstandsnorm. Onder de bijstandsnorm wordt verstaan de wettelijke norm inclusief gemeentelijke verlaging en inclusief vakantietoeslag. Br1 een uitkering op grond van de IOAW of de IOAZ wordt gekeken naar de grondslag als bedoeld in artikel 5 van de IOAW respectievelijk van de IOAZ. 6 CRvB 07 -08-2012, nr. I 0/3435 VIA/VB, ECLI : N L: CRVB:201 2: BX3978 7 CRvB 08-09-2009, nrs. 07/6337 V1ANB e.a., ECLI:NL:CRVB:2009:BJ7732 en CRvB 07-12-2010, nr. 09/1094

IMNB, ECLI : N L: CRVB :201 0:8067 2'l

Bijzondere bijstand ln het tweede lid is bepaald dat een verlaging ook kan worden toegepast op de bijzondere bijstand als aan een belanghebbende bijzondere bijstand wordt verleend met toepassing van artikel 12 van de PW. Personen tussen de 18 en 21 jaar ontvangen een lage jongerennorm, die indien noodzakelijk wordt aangevuld door middel van aanvullende bijzondere bijstand in de kosten van levensonderhoud. Als een verlaging uitsluitend op de lage jongerennorm wordt opgelegd, zou dit leiden tot rechtsongelijkheid ten opzichte van de 21-jarigen. Daarom is in het derde lid, onderdeel a, geregeld dat de berekeningsgrondslag in dat geval bestaat uit de bijstandsnorm inclusief de verleende bijzondere bijstand op grond van artikel 12van de PW. De PW kent geen grond om bijzondere bijstandsaanvragen die het gevolg zijn van een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid af te wijzen. Wel kan op de bijzondere bijstand in dergelijke gevallen een verlaging worden toegepasts. Óp grond van het tweede lid, onderdeel b, is het mogelijk dat het dagelijks bestuur in incidentele gevàllen een verlaging oplegt over de bijzondere bijstand. Er moet dan wel een verband bestaan tussen de gedraging (handelen/nalaten) van een belanghebbende en zijn recht op bijzondere bijstand. Een verlaging kan uitsluitend worden opgelegd als daadwerkelijk bijzondere bijstand is verstrekt.

De verlaging kan maximaal de hoogte hebben van het bedrag waarvoor bijzondere bijstand zou ztln toegekend zonder toepassing van de verlaging, zodat per saldo voor de betreffende aanvraag geen bijzóndere bijstand wordt verstrekt. lndien bijvooöeeld zou worden vastgesteld dat belanghebbende een beroep doet op bijzondere bijstand omdat hij heeft nagelaten een aanvullende ziektekostenverzekering af te sluiten, dan kan dus een verlaging worden opgelegd ter hoogte van het bedrag dat hij anders ontvangen zou hebben via de aanvullende ziektekostenvezekering.

ls bijzondere bijstand toegekend voor de premie arbeidsongeschiktheidsverzekering aan een zeffétandige die bijstand voor levensonderhoud krachtens het Bbz ontvangt of heeft ontvangen, dan kan de verlaging ook worden toegepast op deze bijzondere bijstand.

Artikel 8. Ged ragingen PW (de niet-getin iformeerde arbeidsverplichtingen) De artikelen 8 en 10 moeten in onderlinge samenhang worden gelezen. ln artikel 8 worden

schendingen van verplichtingen uit de PW geformuleerd. De veruijtbare gedragingen die zijn genoemd in artikelS zijn ondergebracht in categorieën. Aan die categorieën wordt in artikel 10 een gewicht toegekend in de vorm van een verlagingspercentage. De categorieën zijn gerangschikt naar toenemende zwaarle. Een gedraging wordt ernstiger geacht naarmate de gedraging meer concrete gevolgen heeft voor het niet verkrijgen van algemeen geaccepteerde arbeid. Niet of onvoldoende nakomen van verplichtingen De verwijtbare gedragingen omvatten zowel het niet als het onvoldoende nakomen van diverse verplichtingen. Artikel í 8, tweede lid, van de V1AA/B zoals dat luidde vóór 1 januari 20í 5 bepaalt dat het dagelijks bestuur moest afstemmen als een belanghebbende de verplichtingen "niet of onvoldoende nakomt". Met het huidige artikel 18, tweede lid, van de PW wordt dit gewijzigd in "het niet nakomen van de verplichtingen". Het woord "onvoldoende" valt hiermee weg. Gemeend wordt dat de wetgever hiermee echter geen inhoudelijke wijziging heeft beoogd en dat dit moet worden gelezen als het niet of onvoldoende nakomen van verplichtingen. Om onduidelijkheid hierover te voorkomen is daarom in artikel 8 neergelegd dat sprake is van een verwijtbare gedraging bij het niet of onvoldoende nakomen van de verplichtingen.

Het niet naar vermogen proberen algemeen geaccepteerde arbeid te verkriigen (onderdeel c)

Deze venrijtbare gedraging is niet aan de orde voor zover het gaat om het niet naar vermogen proberen te verkrijgen van algemeen geaccepteerde arbeid als dit het gevolg is van een gedraging zoals bedoeld in artikellS, vierde lid, van de PW. ln artikel 18, vierde lid, van de PW staan de geUniformeerde arbeidsverplichtingen. Voor schending van een geUniformeerde arbeidsverplichting geldt een apart afstemmingsregime: verlaging van de bijstand met 100 % gedurende een in de afstemmingsverordening vastgelegde duur van ten minste eàn maand en ten hoogste drie maanden (artikel 18, vijfde lid, van de PW). ln deze verordening is de duur van de geriniformeerde arbeidsverplichtingen vastgelegd in artikel 11, tweede lid.

I Zie ook: CRvB: LJN: BL 7308, \AA/íB 08i3397)

Er is dus géén sprake van een verwijtbare gedraging zoals bedoeld in artikel 8 als het niet naar vermogen proberen te verkrijgen van algemeen geaccepteerde arbeid voortvloeit uit een gedraging zoals bedoeld in artikel 18, vierde lid, van de PW zoals: - het niet verkrijgen of niet behouden van kennis en vaardigheden die noodzakelijk zijn voor het verkrijgen van algemeen geaccepteerde arbeid, en - het belemmeren van het verkrijgen van algemeen geaccepteerde arbeid door kleding, gebrek aan persoonlijke vezorging en gedrag.

lnspanningen in eerste vier weken na de melding De plicht tot arbeidsinschakeling geldt vanaf datum melding (zie artikel 9, eerste lid, van de PW). Specifiek voor personen jonger dan 27 jaar geldt dat zij worden beoordeeld op hun inspanningen in de eerste vier weken na de melding (artikel 43, vierde en vijfde lid, van de PW). ls geen enkele inspanning verricht, dan bestaat op grond van artikel 13, tweede lid, onderdeel d, van de PW geen recht op bijstand. Zijn er wel inspanningen verricht, maar naar het oordeel van het dagelijks bestuur onvoldoende, dan verlaagt het dagelijks bestuur de uitkering (zie artikel 8, onderdeel b onder 3).

Artikel 9. Gedragingen IOAW en IOAZ De artikelen 9 en 10 moeten in onderlinge samenhang worden gelezen. ln artikel9 worden

schendingen van verplichtingen uit de IOAW en IOAZ geformuleerd. De verwijtbare gedragingen die zijn genoemd in artikel 9, zijn ondergebracht in categorieën. Aan die categorieën wordt in artikel 10 een gewicht toegekend in de vorm van een verlagingspercentage. De categorieën zijn gerangschikt naar toenemende zwaarte. Een gedraging wordt ernstiger geacht naarmate de gedraging meer concrete gevolgen heeft voor het niet aanvaarden, verkrijgen of behouden van betaalde arbeid. ln artikel 19 is benoemd in welke gevallen de IOAW- of |OAZ-uitkering tijdelijk of blijven kan worden geweigerd.

AÉikel í0. Hoogte en duur van de verlaging Zie voor de verlagingswaardige gedragingen de toelichting bij de artikelen 8 en 9. Met de Wet Maatregelen WWB zijn geUniformeerde arbeidsverplichtingen en bijbehorende maatregelen geïntroduceerd.Zie artikel 18, vierde en vijfde lid, van de PW. Er is voor gekozen bij de zwaarte van de afstemming aan te sluiten bij de forse maatregelen voor het schenden van geuniformeerde arbeidsverplichtingen. Dit omwille van eenvoud en duidelijkheid. Bovendien zijn diverse geriniformeerde arbeidsverplichtingen verwant aan de gedragingen als bedoeld in de artikelen 8 en 9 van deze verordening.

Artikel íí. Duur vertaging bij schending getiniformeerde arbeidsverplichting

De eerste keer dat het dagelijks bestuur een verwijtbaar niet naleven van een geUniformeerde arbeidsverplichting vaststelt, bedraagt de verlaging 100 % van de brlstandsnorm gedurende een bij deze verordening vastgestelde periode van één maand (artikel 18, vijfde lid, eerste volzin, van de PW). Er is geen onderscheid in de geUniformeerde arbeidsverplichtingen, een schending van een geuniformeerde arbeidsverplichtingen wordt in alle gevallen gelijk gesanctioneerd. Dit is naar vaste rechtspraak van de CRvB en naar de bedoeling van de invoering van de geUniformeerde arbeidsverplichti ngene.

Artikel 12. Verrekenen verlaging Het dagelijks bestuur heeft de mogelijkheid bij verlaging van de bijstand weoens schendinq van een qeUniformeerde arbeidsverplichtinq, de verlaging te verrekenen. Dit over de maand van oplegging van de maatregel en ten hoogste over de twee volgende maanden. Over de eerste maand moet minimaal een derde van het bedrag van de verlaging worden verrekend (artikel 18, vijfde lid, tweede volzin, van de PW). Verrekenen bij bijzondere omstandigheden Er is voor gekozen gebruik te maken van de mogelijkheid tot het verrekenen van het bedrag van de verlaging bij een eerste schending van een geUniformeerde arbeidsverplichting (of een herhaalde schending buiten de recidivetermijn) als biizondere omstandiqheden dit rechtvaardiqen. Hierbij kan worden gedacht aan: - vergroting schuldenproblematiek; - (dreigende) huisuitzetting;

e Zie bijv. ECLI:NL:CRVB'.2021.2148

en ECLI:NL:CRVB:2020 3258

- afsluiting van gas en elektriciteit.

De maand van oplegging ln het eerste, tweede en derde lid wordt gesproken over de "maand van oplegging". Deze term is overgenomen uit artikel 18, vrlfde lid, van de PW. Met de "maand van oplegging" wordt in deze verordening bedoeld: de maand waarin de bijstand feitelijk wordt verlaagd (dus de maatregel geëffectueerd wordt). Toedeling over drie maanden bij zware overtredingen ls sprake van een overtreding van een geiiniformeerde arbeidsverplichting, dan kan worden verrekend over twee of drie maanden. Bij een dergelijke overtreding wordt de bijstand verlaagd met 100 % gedurende één maand. Aan de maand van oplegging en aan de twee daaropvolgende maanden wordt een derde van het bedrag van de verlaging toebedeeld. Dit betekent dat in de maand van oplegging van de verlaging en de daaropvolgende maanden de inhouding in beginsel 50% danwel 33,33 % bedraagt (artikel 12, derde lid, van deze verordening). De periode waarvoor gekozen wordt, wordt in het individuele geval beoordeeld, waarbij het uitgangspunt is dat een zo kort mogelijke periode wordt gehanteerd, mits de individuele omstandigheden hier ruimte toe laten. ln het uiterste geval wordt de maatregel verrekend over 3 maanden.

Geen verrekening bij niet aanvaarden of behouden algemeen geaccepteerde arbeid ln het vierde lid is bepaald dat als sprake is van een verlaging op grond van artikel 18, vierde lid, onderdeela, van de PW, geen verrekening plaatsvindt zoals bedoeld in artikel 12, eerste lid. Het betreft het niet aanvaarden of behouden van algemeen geaccepteerde arbeid. Deze keuze is gebaseerd op de zwaarte van de gedraging. G een verrekening bij recidive

ls sprake van een tweede of volgende schending van een geriniformeerde aöeidsverplichting binnen de recidivetermijn, dan is verrekenen van de maatregel niet mogelijk. Artikel 12bepaalt immers dat verrekenen uitsluitend mogelijk is bij een gedraging zoals bedoeld in artikel 11 van deze verordening én als sprake is van bijzondere omstandigheden. Recidive is niet geregeld in artikel 11, maar in artikel 18 van deze verordening en artikel 18, zesde, zevende en achtste lid, van de PW. Daarom is verrekenen bij recidive niet mogelijk. Geen verreke n ing b'tj maatregel wegens sche nding andere gedragingen Verrekening bij maatregelen voor schendingen van andere gedragingen dan de getlniformeerde arbeidsverplichtingen, is niet mogelijk. Dit volgt uit artikel 12 van deze verordening en artikel 18, vijfde lid, van de PW.

Artikel í3. Niet nakomen medewerkingsverplichting

ln artikel 17, tweede lid, van de PW en in artikel 13, tweede lid, van de IOAZIOAZ is sinds I juli 2013 de medewerkingsverplichting opgenomen. De wetgever wilde hiermee gemeenten de mogelijkheid geven om de uitkering op de schorten wanneer een uitkeringsgerechtigde geen medewerking verleent aan oproepen van de gemeente om de mogelijkheden van re-integratie te bespreken en daardoor de arbeidsinschakeling frustreert. Dit zou ook mogelijk maken om de uitkering te beëindigen indien de uitkeringsgerechtigde na opschorting van de uitkering nog niet reageerde op oproepen.

Omdat deze bepaling was opgenomen in de PWIOAWIOAZ was het niet nodig om in de Afstemmingsverordening een bepaling op te nemen over het afstemmen van de bijstand bij het niet voldoen aan de medewerkingsverplichting. De CRvB heeft echter in een aantal uitspraken bepaald dat het niet mogelijk is uitkering op te schorten wanneer de uitkeringsgerechtigde geen medewerking verleent aan een oproep in verband met arbeidsinschakeling. De CRvB stelt dat als een uitkeringsgerechtigde louter niet voldoet aan de medewerkingsverplichting, de gemeente niet bevoegd is om de bijstandsuitkering op te schorten en te beëindigen wanneer het recht op bijstand (ondanks een dergelijk vezuim) wel is vast te stellen. De uitoefening van de bevoegdheid tot opschorting en de daaropvolgende beëindiging van de uitkering is alleen mogelijk indien het niet nakomen van de medewerkingsverplichting van invloed is op het actuele recht op bijstand.

Heeft belanghebbende vezuimd om de medewerkingsverplichting na te komen, maar is het recht op bijstand wel vast te stellen, dan is de enige mogelijkheid waarop de gemeente kan reageren op het verzuim van belanghebbende om de bijstand te verlagen op grond van artikel 18, tweede lid, van de PW en artikel 20, tweede lid, van de IOAWIOAZ. De gedraging moet dan wel zijn opgenomen in de door de gemeenteraad vastgestelde Afstemmingsverordening. ln de verordening wordt de bijstand verlaagd met 50% van de brlstandsnorm wanneer belanghebbende de medewerkingsverplichting niet (tijdig) nakomt. ln het tweede lid is opgenomen dat de medewerkingsverplichting in ieder geval niet wordt nagekomen wanneer belanghebbende geen gehoor geeft aan een oproep om op een bepaalde plaats en tijd te verschijnen in verband met zijn arbeidsinschakeling. Dit is overgenomen uit artikel 17, tweede lid, van de PW en artikel 13, tweede lid, van de IOAWIOAZ. Ook wanneer een belanghebbende geen medewerking verleent aan een oproep om op een bepaalde plaats en tijd te verschijnen in verband met het maken van een taaltoets, schendt belanghebbende de medewerkingsverplichting. De taaltoets is in de PW ingevoerd via de Wet taaleis die op I januari 2016 inwerking is getreden.

Op grond van de gewijzigde PW moet een uitkeringsgerechtigde met een PWuitkering een taaltoets afleggen wanneer hij niet (met bijvoorbeeld diploma's) kan aantonen dat hij de Nederlandse taal beheerst. Blijkt uit de taaltoets dat belanghebbende de Nederlandse taal inderdaad onvoldoende beheerst, dan krijgt hij een inspanningsverplichting opgelegd om zich de Nederlandse taal eigen te maken. Het niet nakomen van deze inspanningsverplichting betekent een in de PW zelf bepaalde verlaging van de uitkering. De gewijzigde PW vooziet echter niet in de situatie dat de uitkeringsgerechtigde niet verschijnt bij de taaltoets. ln het tweede lid sub b van de Afstemmingsverordening is daarom expliciet opgenomen dat het niet verschijnen voor de taaltoets een schending betekent van de medewerkingsverplichting. Deze bepaling in de Afstemmingsverordening vormt de grondslag op basis waarvan het niet verschijnen voor de taaltoets kan worden gesanctioneerd. Uit de bewoordingen 'in ieder geval' in het tweede lid, blijkt dat een niet-limitatieve opsomming is gegeven. Ook andere, niet genoemde situaties waarbij sprake is van een schending van de medewerkingsverplichting kunnen leiden tot een verlaging van de uitkering.

Artikel í 4. Niet nakomen medewerkingsverplichting fi nanciële ontzorging Vanaf 1 januari 2022is artikel56a toegevoegd aan de Pw. Dit is een verplichting die gericht is op inburgeringsplichtige uitkeringsgerechtigden en gaat over het financieel ontzorgen. De inburgeringsplichtige moet hieraan medewerking verlenen. Bijvoorbeeld door inzage te geven in (financiële) administratie, op afspraken te komen, een machtiging te ondertekenen, of andere handelingen die nodig zijn om het financieel ontzorgen te kunnen uitvoeren (sub b). De wet inburgering staat lik op stuk beleid voor, dat wil zeggen dat er, indien nodig, zo snel mogelijk gehandhaafd moet worden. Na voldoende gewaarschuwd te zijn, uitleg gekregen te hebben en de mogelijkheid om de verplichting alsnog na te komen, moet er een consequentie volgen, het afstemmen van de uitkering met toepassing van artikel 18 Pw. Gezien de kwetsbare (financiele) situatie van nieuwe inburgeraars, is het niet wenselijk om de maatregel te hoog vast te stellen. De afstemming (verlaging) voor gedragingen in de eerste categorie is in de verordening vastgesteld op 15% van de bijstandsnorm. Dit is de laagste categorie. Er is daarom voor gekozen om voor wat betreft het niet meewerken met de financiële ontzorging aan te sluiten bij deze categorie.

Artikel í5. Tekortschietend besef van verantwoordelijkheid Aan de PW ligt het beginselten grondslag dat iedereen in eerste instantie in zijn eigen bestaan(skosten) dient te voozien. Pas wanneer dat niet mogelijk is, kan men een beroep doen op bijstand. Hoofdregel is dus dat iedereen alles zal moeten doen en nalaten om een beroep op bijstand te voorkomen. Leidt een gedraging ertoe dat belanghebbende eerder, langer of voor een hoger bedrag is aangewezen op bijstand, dan is veelal sprake van een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan. Hiervan is in ieder geval sprake bt1 de volgende gedragingen (als die er toe leiden dat belanghebbende eerder, langer of voor een hoger bedrag is aangewezen op bijstand): - het te snel interen van vermogen; - het door eigen schuld verliezen van het recht op een uitkering; - het door eigen schuld niet of te laat aanvragen van een voorliggende vooziening.

Het door eigen toedoen niet behouden van algemeen geaccepteerde arbeid ls sprake van het door eigen toedoen niet behouden van algemeen geaccepteerde arbeid of het onvoldoende trachten algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen in de periode voorafqaand aan de biistandsaanvraao dan kan dit volgens de CRvBl0 niet als schending van de arbeidsverplichtingen worden aangemerkt. Deze gedragingen vallen onder het begrip tekortschietend besef van verantwoordelijkheid en zijn opgenomen in artikel 14lid2 van de verordening. ln het vierde lid wordt wat betreft de duur van de op te leggen verlaging onderscheid gemaakt tussen het door eigen toedoen niet behouden van algemeen geaccepteerde arbeid en het onvoldoende trachten die aóeid te verkrijgen. Het door eigen toedoen niet behouden van algemeen geaccepteerde arbeid qedurende de biistandsverlenino moet wel worden aangemerkt als een geUniformeerde arbeidsverplichting (zie de artikelen 9, eerste lid, onderdeel a, en í8, vierde lid, onderdeel a, van de PW). ls sprake van het door eigen toedoen niet behouden van algemeen geaccepteerde arbeid, dan moet afstemming plaatsvinden volgens de regels van artikel 18 van de PW en artikel 11 en 18 van deze verordening. Op grond van artikel 14 van deze verordening kan een verlaging worden opgelegd wegens het betonen van tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de vooziening in het bestaan.

De ernst van de gedraging komt tot uitdrukking in de duur van de verlaging. Dat is in dit geval de periode waarover eerder of langer een beroep wordt gedaan op uitkering. De ernst van de gedraging komt tot uitdrukking in de hoogte van de verlaging als sprake is van bijzondere bijstand.

ln het derde lid is sprake van een vast kortingspercentage (100%) en wordt de ernst van de gedraging uitgedrukt in de duur van de verlaging. Bij de vaststelling van de duur van de verlaging moet beoordeeld worden hoe lang belanghebbende onafhankelijk van uitkering zouziln gebleven, indien hij wel voldoende besef van verantwoordelijkheid had betoond. ln het derde lid worden hiervoor richtlijnen gegeven. Dat laat onverlet de mogelijkheid voor het dagelijks bestuur om af te wijken van duur en/of hoogte op basis van de mate van venrijtbaarheid en de individuele omstandigheden van belanghebbende. Bijzondere bijstand Zoals in de toelichting op artikel 7 al is aangegeven kent de PW geen grond om bijzondere bijstandsaanvragen die het gevolg zijn van een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid af te wijzen. Welkan op de bijzondere bijstand in dergelijke gevallen een verlaging worden toegepast. Als het gaat om bijzondere bijstand als bedoeld in artikel 7, tweede lid, onder b, kan de verlaging worden toegepast op die bijzondere bijstand wanneer er een verband bestaat tussen de gedraging (handelen/nalaten) van belanghebbende en zijn recht op bijzondere bijstand. De bijzondere bijstand wordt verlaagd met het volledige bedrag van de kosten die een gevolg zijn van het tekortschietend besef van verantwoordelijkheid van belanghebbende (venrezen wordt naar de toelichting op artikel 7).

Bijstand in de vorm van een geldlening Als sprake is van tekortschietend besef van verantwoordelijkheid kan het dagelijks bestuur tevens besluiten de bijstand in de vorm van een geldlening te verstrekken. Dit volgt uit artikel4S, tweede lid, onderdeel b, van de PW. Als het dagelijks bestuur besluit beide instrumenten te gebruiken (leenbijstand én verlaging) moet het wel voldoende acht slaan op het totale effect hiervan voor de bijstandsgerechtigde.

11

Voor toepassing van het Bbz wordt verwezen naar de algemene toelichting, onder de kop: 'De relatie met het Bbz'.

Artikel 16. Zeer ernstige misdragingen Onder de term 'zeer ernstige misdraging' dient in elk geval te worden verstaan: elke vorm van ongewenst en agressief fysiek contact met een persoon of het ondernemen van pogingen daartoe, Hieronder valt bijvoorbeeld het (dreigen met) schoppen, slaan of gooien van voorwerpen naar een 10 CRvB 06-10-2010, LJN: BN9720 1

en LJN: 8720)

1 CRvB 20-03-2007, nrs. 06/51 5 NABW e. a., ECLI : NL: CRVB:2007: B 42344.

persoon. Ook het toebrengen van schade aan een gebouw of inventarisonderdeel, evenals het ondernemen van pogingen daartoe in enige vorm wordt als zeer ernstige misdraging gezien. Handelingen die door hun grote en mogelijk blijvende impact op de desbetreffende persoon of personen grote invloed hebben, zoals het opzetten van gerichte lastercampagnes, discriminatie, (seksuele) intimidatie (het uitoefenen van psychische druk), het tonen van steek en/of vuurwapens evenals (pogingen tot) opsluiting in een ruimte zijn eveneens als zeer ernstige misdraging te beschouwen.l2 Ook verbaal geweld (waaronder ook wordt verstaan mondelinge of schriftelijke bedreigingen) valt onder de noemer'zeer ernstige misdraging'.13 Het gaat dus om alle vormen van zeer ernstige misdragingen tegenover de met de uitvoering van de PW, de IOAW en de IOAZ belaste personen en instanties (dagelijks bestuur, SVB en reintegratiebedrijven) tijdens het verrichten van hun werkzaamheden.la Met de zinsnede in de wet 'tijdens het verrichten van de werkzaamheden'wordt aangegeven dat de misdraging dient plaats te vinden in het kader van de uitvoering van de PW, de IOAW of de IOAZ. Dat is anders als betrokkenen elkaar buiten werktijd tegen komen: dan is alleen het strafrecht van toepassing.ls

Met ingang van 1 januari 2015 is de verplichting om zich te onthouden van zeer ernstige misdragingen een zelfstandige verplichting die is opgenomen in artikel 9, zesde lid, van de PW en artikel 37, eerste lid sub g van de IOAWIOAZ. Deze verplichting staat dus op zichzelÍ. Vóór I januari2015 was dit een onzelfstandige verplichting. Om een belanghebbende te sanctioneren wegens zeer ernstige misdragingen, moest sprake zijn van een samenhang tussen de zeer ernstige misdragingen met het niet nakomen van een of meer verplichtingen die voortvloeien uit de toenmalige V1M/8, IOAW of loAz.16

Artikel í7. Niet nakomen van overige verplichtingen De PW geeft het dagelijks bestuur de bevoegdheid om personen verplichtingen op te leggen die volledig individueel bepaald zijn. Artikel 55 van de PW biedt daartoe de mogelijkheid en beperkt deze tot een viertal categorieën, te weten. 1. verplichtingen die strekken tot aöeidsinschakeling (voor zover niet direct herleidbaar tot 8, 9 en 11 van deze verordening); 2. verplichtingen die verband houden met de aard en het doelvan een bepaalde vorm van bijstand, 3. verplichtingen die strekken tot vermindering van de btlstand, 4. verplichtingen die strekken tot beëindiging van de bijstand. Omdat de verplichtingen die het dagelijks bestuur op grond van artikel 55 van de PW kan opleggen een zeer individueel karakter hebben, kan het voorkomen dat de in de verordening vastgestelde verlaging niet is afgestemd op de individuele omstandigheden van een belanghebbende. Het dagelijks bestuur zal daarom altijd rekening moeten houden met de individualiseringsbepaling van artikel 18, eerste lid, van de PW. Deze bepaling verplicht het dagelijks bestuur de bijstand af te stemmen op de omstandigheden, mogelijkheden en middelen van een belanghebbende' ln individuele gevallen kan dus worden afgeweken van de in dit artikel vastgestelde verlaging.

Voor de toepassing van het Bbz wordt verwezen naar de algemene toelichting onder de kop: 'De relatie met het Bbz'.

Artikel í8. Samenloop van gedragingen

Samenloop bij eén gedraging waardoor meerdere verplichtingen worden geschonden Het eerste lid regelt samenloop als sprake is van één gedraging die schending oplevert van meerdere verplichtingen, die zijn genoemd in deze verordening, artikel 18, vierde lid, van de PW of in beide regelingen. ln dat gevalwordt één verlaging opgelegd. Voor het bepalen van de hoogte en de duur van de verlaging wordt uitgegaan van de gedraging waarop de hoogste verlaging is gesteld. Samenloop bij meerdere gedragingen waardoor één of meerdere verplichtingen worden geschonden Het tweede regelt samenloop als sprake is van meerdere gedraging die schending opleveren van één 12 Kamerstukken ll 2013114,33 80í 1

, nr. 3, blz. 24.

3 CRvB 1 9-08-2008, nrs. 07 12416 V1A//B e.a., ECLI : NL:CRVB:2008: 8E891 9

14 Kamerstukkenll 2013114,33 801, nr. 3, blz. 55. 15 Kamerstukkenll 2013114,33 801, nr 3,blz.25-26. 16 cRvB 06-07-2010, nr. Q812025 V1MB, ECLI:NL:CRVB:2010:BN0660.

of meerdere verplichtingen, die zijn genoemd in deze verordening, artikel 18, vierde lid, van de PW of in beide regelingen. Dit wordt'meerdaadse samenloop' genoemd. ln dat geval wordt voor iedere gedraging een afzonderlijke verlaging toegepast. Deze verlagingen worden in principe gelijktijdig opgelegd. Dit is anders als dit niet verantwoord is. Hierbij spelen factoren zoals de ernst van de gedraging, de mate van venarijtbaarheid en de omstandigheden van een belanghebbende een rol. Daarvoor moet altijd gekeken worden naar de individuele omstandigheden. De verlaging wordt dan over meerdere maanden uitgesmeerd. ls er sprake van meerdere gedragingen, waarvoor meerdere verlagingen worden opgelegd, dan kan het zo zijn dat de verlagingen niet gelijktijdig kunnen worden opgelegd. Bedragen de verlagingen tezamen immers meer dan 100% van de bijstandsnorm, dan is gelijktijdige oplegging van de verlagingen niet mogelijk. ln beginsel bedraagt de verlaging in dat geval in de eerste maand 100% van de bijstandsnorm en worden de vervolgens nog resterende verlagingen (tot telkens maximaal 100%) opgelegd over de daaropvolgende maand(en) totdat alle verlagingen zijn geëffectueerd. Wanneer dit niet verantwoord is (zie voorgaande alinea), dan kan de verlaging worden uitgesmeerd over meer maanden (maatwerk).

Samenloop met een bestuulijke boete Het derde en vierde lid regelen in hoeverre een verlaging kan worden opgelegd als sprake is van een verlagingswaardige gedraging die tevens een boetewaardige gedragingen is.

Als sprake is van één gedraging die zowel schending van een in deze verordening opgenomen verplichting als schending van de inlichtingenplicht oplevert, kan de schending van deze verplichtingen niet gezamenlijk worden afgedaan, omdat schending van de inlichtingenplicht (wettelijk) is geregeld in de vorm van een bestuurlijke boete. ln het geval zich de situatie voordoet dat er sprake is van samenloop tussen de bestuurlijke boete en afstemming dient het dagelijks bestuur in het individuele geval te beoordelen welke sanctie wordt opgelegd. Bij eendaadse samenloop ligt het voor de hand één sanctie op te leggen. Het dagelijks bestuur bepaalt of al dan niet een boete wordt opgelegd. ls dit het geval, dan wordt geen verlaging meer opgelegd (derde lid). Bij meerdaadse samenloop ligt het voor de hand de gedraging te sanctioneren door het opleggen van een bestuurlijke boete voor zover sprake is van een gedraging waarin ook een beboetbare gedraging zit. Daarnaast kan het dagelijks bestuur in dit geval nog een of meer maatregelen opleggen, waarbij bij de hoogte van de afstemming zo nodig rekening kan worden gehouden met de boete en de eventuele andere maatregelen (vierde lid).

Als sprake is van één gedraging die zowelschending van een in artikel 18, vierde lid, van de PW benoemde (geUniformeerde arbeids)verplichting als schending van de inlichtingenplicht oplevert, is het voorgaande ook van toepassing.

Artikel í9. Recidive Ve rd u bbel i ng d u u r ve rl ag ing Als binnen twaalf maanden na een eerste verwijtbare gedraging wederom sprake is van een verwijtbare gedraging waarmee dezelfde verplichting wordt geschonden, wordt de grotere mate van verwijtbaarheid tot uitdrukking gebracht in een verdubbeling van de duur van de verlaging. Een verlaging kan nooit hoger zijn dan 100 o/o. Daarom kan bij gedragingen waar relatief zware verlagingen voor gelden, alleen gekozen worden voor een verdubbeling van de duur van de maatregel (en niet voor verdubbeling van de hoogte).

Met de eerste verwijtbare gedraging wordt de eerste gedraging bedoeld die aanleiding is geweest tot een verlaging, ook als wegens dringende redenen - op grond van artikel 5, tweede lid, van deze verordening en eventueel 18, tiende lid, van de PW - is afgezien van het opleggen van een verlaging Dit geldt ook als van afstemming op grond van artikel 18, eerste lid, van de PW is afgezien van het opleggen van een verlaging. ls vanwege de afwezigheid van elke vorm van verwijtbaarheid afgezien van een verlaging, dan is het niet mogelijk om bij toepassing van recidive deze gedraging mee te tellen.

Voor het bepalen van de aanvang van de termijn van twaalf maanden, geldt het tijdstip waarop het besluit waarmee de verlaging is opgelegd, is verzonden. Recidive op recidive bij niet geuniformeerde arbeidsverplichtingen Ook in het geval dat een belanghebbende voor een derde of volgende keer een niet geUniformeerde arbeidsverplichting schendt, is de recidivebepaling van artikel 17, eerste of tweede lid, van deze verordening van toepassing. Dit wordt tot uitdrukking gebracht door het woord "telkens" in de recidivebepaling.

Voor toepassing van de recidivebepaling is vereist dat het opnieuw schenden van dezelfde verplichting plaatsvindt binnen twaalf maanden na bekendmaking van het vorige besluit waarmee een verlaging is toegepast. ls sprake van een derde of volgende schending, dan geldt - evenals bij de eerste keer recidive - dat de duur van de oorspronkelijke verlaging wordt verdubbeld. Telkens wordt de duur van de oorspronkelijke verlaging verdubbeld. Dit is de verlaging die geldt bij een eerste schending van de verplichting. Er is expliciet niet voor gekozen de duur van de vorige verlaging te verdubbelen. Uitgangspunt is verdubbeling van de hoogte of de duur van de oorspronkelijke verlaging. Hiermee wordt stapeling van verdubbeling van de verlaging voorkomen. Eenzelfde gedraging vereist voor recidive Voor recidive als bedoeld in het eerste en tweede lid is vereist dat sprake moet zijn van "eenzelfde verwijtbare gedraging" als de gedraging waarvoor de eerste verlaging is opgelegd. Voorwaarde is dus dat dezelfde verplichting wordt geschonden. ls dit niet het geval, dan moet de verwijtbare gedraging worden aangemerkt als een eerste schending van een verplichting.

Heeft een persoon zich zeer ernstig misdragen (artikel 1 5) binnen twaalf maanden nadat een verlaging is opgelegd wegens het zich niet tijdig laten registreren als werkzoekende bij Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (artikel 8, eerste lid), dan is geen sprake van recidive aangezien het niet "eenzelfde gedraging" betreft. Evenmin is sprake van recidive als een belanghebbende niet meewerkt aan het opstellen van een plan van aanpak (artikel 8 onderdeel b onder 2) en vervolgens een opgedragen tegenprestatie niet verricht (artikelS onderdeel 1). Ook dan is geen sprake van eenzelfde gedraging aangezien twee verschillende verplichtingen zijn geschonden. Rec id iv e sc h e n d i ng g e 0 n ifo rm ee rde a rbe id sv e rpl ic hti ng

ls sprake van het niet of onvoldoende nakomen van een geUniformeerde arbeidsverplichting binnen twaalf maanden nadat aan een belanghebbende een eerste verlaging is opgelegd wegens schending van een geUniformeerde arbeidsverplichting, dan bedraagt de verlaging 100 % gedurende twee maanden. Dit valt binnen de in artikel 18, zesde lid, van de PW gegeven marges. Bij een derde, vierde en volgende schending van een geUniformeerde arbeidsverplichting, telkens binnen twaalf maanden na oplegging van de vorige verlaging, bedraagt de verlaging 100 % gedurende drie maanden (artikel 18, zevende en achtste lid, van de PW).

Artikel 20. Samenloop bij weigeren uitkering IOAWIOAZ Het dagelijks bestuur is op grond van artikel 20 van de IOAW en artikel 20 van de IOAZ bevoegd de uitkering blijvend of tijdelijk te weigeren als een belanghebbende, kort gezegd, inkomen uit arbeid had kunnen verwerven, maar dit nalaat. Dit is een discretionaire bevoegdheid van het dagelijks bestuur. De vraag of een verlaging moet worden toegepast, zal pas aan de orde komen als het dagelijks bestuur zich een oordeel heeft gevormd over de eventuele weigering van de uitkering. Deze beoordeling gaat in beginsel voor. Pas als het dagelijks bestuur concludeert dat van een weigering geen sprake is, kan op grond van deze verordening een verlaging worden toegepast. Artikel 19 van deze verordening is derhalve bedoeld om samenloop te voorkomen.

Artikel 21. Blijvend en tijdelijk weigeren IOAW- of !OAZ-uitkering Artikel 20, eerste lid, van de IOAW en artikel 20, tweede lid, van de IOAZ geeft het dagelijks bestuur de bevoegdheid om de uitkering tijdelijk of blijvend te weigeren naar de mate waarin de belanghebbende inkomen als bedoeld in of op grond van artikel 8 van de IOAW of de IOAZ zou hebben kunnen verwerven, indien:

a.

aan de beëindiging van zijn dienstbetrekking een dringende reden ten grondslag ligt in de zin van artikel 678 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek en de belanghebbende ter zake een verwijt kan worden gemaakt; àe dienstbetrekking is beëindigd door of op verzoek van de belanghebbende zonder dat aan de voortzetting ervan zodanige bezwaren waren verbonden, dat deze voortzetting redelijkerwijs niet van hem zou kunnen worden gevergd. de belanghebbende nalaat algemeen geaccepteerde arbeid te aanvaarden; of de belanghebbende door eigen toedoen geen algemeen geaccepteerde arbeid verkrijgt.

b. c. d.

Als sprake is van een situatie die valt onder a of b dan kan het dagelijks bestuur de uitkering tijdelijk weigeren. Beide situaties spelen zich af voorafgaand aan de aanvraag van de uitkering. Als sprake is van een situatie die valt onder c of d dan kan het dagelijks bestuur de uitkering blijvend weigeren. Beide situaties spelen zich af tijdens de uitkering

Artikel 22. Uitvoering Artikel 7 van de eW sànrljft voor dat de uitvoerrng van de PW berust bij burgemeester en wethouders. lngevolge de Gemeenschappelijke Regeling ISD Bollenstreek is de uitvoering van de PW, de IOAW

eíOe tOnZ gedelegeerd aan het dagelijks bestuur van de ISD Bollenstreek.

Afstem m i ngsverorden i n g Partici patiewet, IOAW en IOAZ ISD Bol len streek 2022 De raad van de gemeente

... ... . .;

Gelezen het voorstel van het dagelijks bestuur van de lntergemeentehjke Sociale Dienst Bollenstreek

van...

.............;

Gelet op de Gemeenschappelijke Regeling van de lntergemeentelijke Sociale Dienst Bollenstreek;

Gelet op artikel 8, eerste lid, aanhef en onderdeel a en d, van de Participatiewet (PW), artikel 35 van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (IOAW) en artikel 35 van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (IOAZ); BESLUIT vast te stellen de:

Afstem m i n gsverorden i n g Pa rtici patiewet, I OAW en IOAZ lS D Bol lenstreek 2022

Hoofdstuk í.

Algemene bepalingen

Artike! 1. Begrippen 1. De begrippen die in deze verordening worden gebruikt en niet nader worden omschreven, hebben dezelfde betekenis als in de Participatiewet (PW), het Besluit bijstandsverlening zelfstandigen (Bbz), de Wet inkomensvooziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (IOAW), de Wet inkomensvooziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (IOAZ) en de Algemene wet bestuursrecht (Awb), tenzij anders is

aangegeven.

2.ln deze verordening wordt verstaan onder: a. bijstandsnorm: 1' van toepassing zijnde bijstandsnorm als bedoeld in artikel 5, onderdeel c, van de PW, of 2' grondslag van de uitkering als bedoeld in artikel 5 van de IOAW of artikel 5 van de IOAZ voor zover sprake is van een uitkering op grond van de IOAW of de IOAZ, 3' voor zelfstandigen die een Bbz-uitkering ontvangen of hebben ontvangen, wordt onder bijstandsnorm verstaan de norm die op grond van artikel 78f van de PW op hen van toepassing is; algemene bijstand op grond van de PW of een uitkering op grond van de IOAW of de uitkering: b. IOAZ, c. het dagelijks bestuur: het dagelijks bestuur van de lntergemeentelijke Sociale Dienst Bollenstreek; d. PW: de Participatiewet; e. IOAW: de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers; Í. IOAZ de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen; g. Bbz: het Besluit bijstandsverlening zelfstandigen 2004.

Artikel 2. Het verlagen van de uitkering 1. De verlaging van de uitkering wordt afgestemd op de ernst van de gedraging, de mate waarin de belanghebbende de gedraging kan worden verweten en de omstandigheden waarin hijverkeert. 2. ls sprake van een verlaging van de uitkering wegens een of meer gedragingen als bedoeld in artikel 18, vierde lid van de Participatie, dan wordt die verlaging - in afwijking van het eerste lid afgestemd op basis van artikel 18, negende en tiende lid, van de Participatiewet.

-

Artikel 3. Horen van belanghebbende 1. Voordat een verlaging van de uitkering wordt opgelegd, wordt een belanghebbende in de

gelegenheid gesteld zijn zienswijze naar voren te brengen. 2. Het horen van een belanghebbende kan achterwege blijven als: a. vereiste spoed zich daartegen verzet; b. belanghebbende al eerder in de gelegenheid is gesteld zijn zienswijze naar voren te brengen en zich sindsdien geen nieuwe feiten of omstandigheden hebben voorgedaan; c. het dagelijks bestuur het horen niet nodig acht voor het vaststellen van de ernst van de gedraging of de mate van verwijtbaarheid, of d. belanghebbende aangeeft hiervan geen gebruik te willen maken.

Artikel4. Afzien van verlaging 1 . Het dagelrlks bestuur ziet af van een verlaging als. a. elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt, of b. de gedraging meer dan één jaar voor constatering daarvan door het dagelijks bestuur heeft plaatsgevonden. 2. Het dagelijks bestuur kan afzien van een verlaging als het daarvoor dringende redenen aanwezig acht. 3. Als het dagelijks bestuur afziet van een verlaging op grond van dringende redenen, wordt een belanghebbende hiervan schriftelijk op de hoogte gesteld.

Artikel 5. Het besluit tot opleggen van een verlaging ln het besluit tot het opleggen van een verlaging van de uitkering wordt in ieder geval vermeld:

a. de reden van de verlaging; b. de duur van de verlaging;

c. het bedrag of percentage waarmee de uitkering wordt verlaagd, en d. indien van toepassing, de reden om af te wijken van de standaardverlaging. Artike! 6. lngangsdatum en tijdvak van een verlaging 1. Een verlaging wordt toegepast op de uitkering en/of bijzondere bijstand die is verleend met toepassing van artikel 12 van de PW over de kalendermaand volgend op de maand waarin het besluit tot het opleggen van de verlaging aan een belanghebbende is bekendgemaakt. Daarbij wordt uitgegaan van de op dat tijdstip voor die belanghebbende geldende bijstandsnorm. 2. ln afwijking van het eerste lid kan een verlaging met terugwerkende kracht worden toegepast, voor zover de uitkering of bijzondere bijstand nog niet is uitbetaald. 3. Als een verlaging niet of niet geheelten uitvoer kan worden gelegd als gevolg van de beëindiging of intrekking van de uitkering, wordt de verlaging of dat deel van de verlaging dat nog niet is uitgevoerd, alsnog opgelegd als belanghebbende binnen de termijn, bedoeld in artikel 5, eerste lid, onderdeel b, opnieuw een uitkering ontvangt. 4. ln afwijking van het eerste lid kan, voor zover het zelfstandigen betreft die een uitkering voor levensonderhoud in de vorm van een geldlening op grond van het Bbz hebben ontvangen, de verlaging worden betrokken bij de definitieve vaststelling van die uitkering.

Artikel 7. Berekeningsgrondslag 1. Een verlaging wordt berekend over de bijstandsnorm. 2. ln afwijking van het eerste lid kan een verlaging worden toegepast op de bijzondere bijstand als: a. aan belanghebbende bijzondere bijstand wordt verleend met toepassing van artikel 12 van de PW, of b. de verwijtbare gedraging van belanghebbende in relatie met zijn recht op bijzondere bijstand daartoe aanleiding geeft. 3. Bij toepassing van het tweede lid, onderdeel a, moet in de hoofdstukken 2,3 en 4 'bijstandsnorm' worden gelezen als 'bijstandsnorm inclusief de op grond van aitkel 12 van de PW verleende bijzondere bijstand'. 4. Bij toepassing van het tweede lid, onderdeel b, moet in de hoofdstukken 2, 3 en 4 'bijstandsnorm' worden gelezen als 'de verleende bijzondere bijstand'. 5. ln afwijking van het eerste lid kan de verlaging ook worden toegepast op de bijzondere bijstand voor premie arbeidsongeschiktheidsvezekering aan zelfstandigen die bijstand voor levensonderhoud krachtens het Bbz ontvangen of hebben ontvangen. Brj toepassing van deze verlaging moet in de hoofdstukken 2, 3 en 4 'bijstandsnorm'worden gelezen als'de verleende bijzondere bijstand voor p re m i e a rbe id so n g esc h i kt h ei d sve rzeke ri n g'.

Niet nakomen van de niet geiiniformeerde verplichtingen Hoofdstuk 2. met betrekking tot de arbeidsinschakeling Artikel 8. Gedragingen PW Gedragingen van een belanghebbende waardoor algemeen geaccepteerde aöeid niet wordt verkregen of een verplichting op grond van de artikelen 9, 9a en 55 van de PW niet of onvoldoende wordt nagekomen, worden onderscheiden in de volgende categorieën: eercte categorie: het zich niet tijdig laten registreren als werkzoekende bij het Uitvoeringsinstituut werknemersvezekeringen of het niet tijdig laten verlengen van de registratie;

tweede categorie:

1o het niet of onvoldoende verrichten van een door het dagelijks bestuur opgedragen tegenprestatie naar vermogen als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onderdeel c, van de PW; 2o het niet of onvoldoende meewerken aan het opstellen, uitvoeren en evalueren van een plan van aanpak als bedoeld in artikel 44avan de PW; 3o het onvoldoende nakomen van verplichtingen als bedoeld in de artikelen 9, eerste lid, of 55

van de PW, voor zover het gaat om een belanghebbende jonger dan 27 jaar, gedurende vier weken na een melding als bedoeld in artikel 43, vierde en vijfde lid, van de PW, voor zover deze verplichtingen niet worden genoemd in artikel 18, vierde lid, van de PW; 4" het uit houding en gedrag ondubbelzinnig laten blijken verplichtingen als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onderdeel b, van de PW niet te willen nakomen, wat heeft geleid tot het intrekken van de onthefÍing van de arbeidsplicht voor een alleenstaande ouder, bedoeld in artikel 9a, eerste lid, van de PW;

derde categorie: het niet naar vermogen proberen algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen voor zover dit niet voortvloeit uit een gedraging als bedoeld in artikel 18, vierde lid, van de PW; vierde categorie: het door houding of gedrag belemmeren van het aanvaarden of behouden van algemeen geaccepteerde arbeid, voor zover dit niet voortvloeit uit een gedraging als bedoeld in artikel 18, vierde lid van de PW.

Artikel 9. Gedragingen IOAW en IOAZ Gedragingen van een belanghebbende waardoor algemeen geaccepteerde arbeid niet wordt verkregen of een verplichting op grond van de artikelen 37 en 38 van de IOAW of de artikelen 37 en 38 van de IOAZ niet of onvoldoende wordt nagekomen, worden onderscheiden in de volgende categorieën: eeÍste categorie: het zich niet tijdig laten registreren als werkzoekende bij het Uitvoeringsinstituut werknemersvezekeringen of het niet tijdig laten verlengen van de registratie;

tweede categorie:

o

het niet of onvoldoende verrichten van een door het dagelijks bestuur opgedragen tegenprestatie naar vermogen als bedoeld in artikel 37, eerste lid, onderdeel f, van de IOAW of artikel 37, eerste lid, onderdeel f, van de IOAZ; 2" het uit houding en gedrag ondubbelzinnig laten blijken de verplichtingen als bedoeld in artikel 37, eerste lid, onderdeel e, van de IOAW of artikel 37, eerste lid, onderdeel e, van de IOAZ niet te willen nakomen, wat heeft geleid tot het intrekken van de ontheffing van de arbeidsplicht voor een alleenstaande ouder als bedoeld in artikel 38, eerste lid, van de IOAW of artikel 38, eerste lid, van de í

toAz. derde categorie:

1o het niet of onvoldoende gebruik maken van een door het dagelijks bestuur aangeboden voorziening gericht op arbeidsinschakeling als bedoeld in de artikelen 36, eerste lid, en 37, eerste lid, onderdeel e, van de IOAW en de artikelen 36, eerste lid, en 37, eerste lid, onderdeele, van de IOAZ, voor zover dit heeft geleid tot het geen doorgang vinden of tot voortijdige beëindiging van die voorziening; 2" het niet of in onvoldoende mate meewerken aan een ondezoek naar zitjn of haar mogelijkheden tot arbeidsinschakeling. vierde categorie: het door eigen toedoen niet behouden van algemeen geaccepteerde arbeid als bedoeld in artikel 20, eerste lid, onder a of b, van de IOAW of artikel 20, tweede lid, onder a of b, van de IOAZ.

Artikel í0. Hoogte en duur van de verlaging De verlaging, bij gedragingen als bedoeld in de artikelen 8 en 9, wordt vastgesteld op:

a. 15 % van de bijstandsnorm gedurende één maand bij gedragingen van de eerste categorie; b. 50 % van de bijstandsnorm gedurende één maand bij gedragingen van de tweede categorie;

c. í00 Yovan de bijstandsnorm gedurende één maand bijgedragingen van de derde categorie; d. lOO olo yàn de bijstandsnorm gedurende twee maanden bij gedragingen van de vierde categorie

Niet nakomen van de geiiniformeerde verplachtingen Hoofdstuk 3. met betrekking tot de arbeidsinschakeling Artikel í í. Hoogte en duur verlaging bij schending geiiniformeerde arbeidsverplichting Als een belanghebbende een verplichting als bedoeld in artikel 18, vierde lid, van de Participatiewet niet of onvoldoende nakomt, bedraagt de verlaging 100 % van de bijstandsnorm gedurende één maand. Artikel í2. Verrekenen verlaging '1. Het bedrag van de verlaging, bedoeld in artikel '11, wordt toegepast over de maand van oplegging

van de maatregel en de volgende één of twee maanden als br,lzondere omstandigheden dit rechtvaardigen. Bij een verlaging als bedoeld in artikel 11 kan de verlaging worden toegepast over twee maanden als de bijzondere omstandigheden ertoe leiden dat de maatregel niet in één maand kan worden gedragen, waarbij zowel aan de maand van oplegging als aan de daaropvolgende maand de helft van de verlaging wordt toebedeeld. Bij een verlaging als bedoeld in artikel 11 kan de verlaging worden toegepast over drie maanden, als de bijzondere omstandigheden ertoe leiden dat de maatregel niet in twee maanden kan worden gedragen, waarbij zowel aan de maand van oplegging als aan de twee daaropvolgende maanden een derde van de verlaging wordt toebedeeld.

a.

b.

Hoofdstuk 4.

Overige gedragingen die leiden tot een verlaging

Artikelí3. Nietnakomenmedewerkingsverplichting

1. lndien een belanghebbende niet of onvoldoende de medewerking verleent die redelijkerwijs nodig is voor de uitvoering van de wet als bedoeld in artikel 17, tweede lid, van de PW, artikel í 3, tweede lid, van de IOAW of artikel 13, tweede lid, van de IOAZ, dan wordt de verlaging vastgesteld op 50 % van de bijstandsnorm gedurende één maand. 2. Van het niet of onvoldoende verlenen van medewerking als bedoeld in het eerste lid is in ieder geval sprake indien: a. niet of niet tijdig is voldaan aan een oproep om op een bepaalde plaats en tijd te verschijnen in

verband met arbeidsinschakeling; b. niet of niet tijdig is voldaan aan een oproep om op een bepaalde plaats en tijd te verschijnen in verband met het maken van een taaltoets als bedoeld in artikel í8b van de PW.

Artikel í 4. N iet nakomen medewerkingsverplichtin g financiële ontzorging 1. lndien een belanghebbende, na te zijn geïnformeerd over het belang, de verplichting en de consequenties die samenhangen met de ontzorging, niet of onvoldoende medewerking verleent die redelijkerwijs nodig is voor de uitvoering van de wet als bedoeld in artikel 56a Pw, dan wordt de verlaging vastgesteld op 15o/o van de bijstandsnorm gedurende één maand. 2.Van het niet of onvoldoende medewerken als bedoeld in het eerste lid is in elk geval sprake indien: a. belanghebbende geen machtiging ondertekent tot het inhouden van de vaste lasten zoals benoemd in artikel56a Pw. b. belanghebbende anderszins weigert mee te werken of informatie te verstrekken, waardoor het ontzorgen wordt bemoeilijkt danwel onmogelijk wordt gemaakt.

Arti kel í 5. Tekortsch ietend besef van vera ntwoorde! ij kheid 1. Een verlaging wegens tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de vooziening in het

bestaan als bedoeld in artikel 18, tweede lid, van de PW wordt afgestemd op de periode dat de belanghebbende als gevolg van zijn gedraging eerder of langer recht heeft op een uitkering en/of tot een hoger bedrag recht heeft op bijzondere bijstand. 2. Als tekort schietend besef van verantwoordelijkheid voor de vooziening in het bestaan, bedoeld in het eerste lid, wordt mede gerekend het in de periode voorafgaande aan de bijstandsverlening: door eigen toedoen niet behouden van algemeen geaccepteerde arbeid; het onvoldoende trachten algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen. bedoeld in het eerste lid, wordt vastgesteld op: verlaging, 3. De 100 % van de bijstandsnorm gedurende één maand bij een periode van korter dan 6 maanden; olo van de bijstandsnorm gedurende twee maanden bij een periode van langer dan 6 1OO maanden. 4. ln afwijking van het derde lid wordt de verlaging - bij toepassing van artikel 7, tweede lid, onder b. vastgesteld op í00 o/o van de verleende bijzondere bijstand voor die kosten die een gevolg zijn van tekortschietend besef van verantwoordelijkheid. De verlaging wordt bij een gedraging, bedoeld in het tweede lid onder a., overeenkomstig het 5. gestelde in het derde lid sub a. en b. vastgesteld; De verlaging wordt bij een gedraging, bedoeld in het tweede lid onder b., overeenkomstig het gestelde in het derde lid sub a. vastgesteld. 6.

De afstemming op grond van een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de vooziening in het bestaan als bedoeld in dit artikel laat onverlet de mogelijkheid de bijstand te verstrekken in de vorm van een geldlening, zoals bedoeld in artikel43, tweede lid, van de PW.

a. b. a. b.

-

a. b.

Artikel 16. Zeer ernstige misdragingen Als een belanghebbende zich zeer ernstig misdraagt tegenover personen en instanties die zijn belast met de uitvoering van de PW als bedoeld in artikel 9, zesde lid, van de PW, tegenover personen en instanties die zijn belast met de uitvoering van de IOAW als bedoeld in artikel 37, eerste lid, onder g IOAW of tegenover personen en instanties die zijn belast met de uitvoering van de IOAZ als bedoeld in artikel 37, eerste lid, onder g, van de IOAZ, wordt een verlaging opgelegd van: 60 % van de bijstandsnorm gedurende één maand bij verbaal geweld gericht tegen de in de aanhef genoemde personen en/of instanties, bij intimidatie en/of discriminatie van de in de aanhef genoemde personen; 100 Yo van de bijstandsnorm gedurende één maand bij (dreigend) fysiek geweld gericht tegen de in de aanhef genoemde personen en/of instanties en/of materiële zaken.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Noordwijk&id=0d8c1e97-2a3a-4626-97f4-02237a5800fd