CConstaterende datNoordwijk
Koppel je AI →
Document · PDF

A. Aanbiedingsbrief ISD Bollenstreek - Afstemmingsverordening Participatiewet, IOAW en IOAZ ISD Bollenstreek 2022 (inclusief 4 bijlagen)

Gemeenteraadsvergadering 27 september 2022, gemeente NoordwijkBij agendapunt: Afstemmingsverordening Participatiewet, IOAW en IOAZ ISD Bollenstreek 202228.964 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 4

zZfl32

o

I

0NïVANGEN25apn 202

ts

a o

Hobahostraat 92

Aan het college van de gemeente Noordwijk

Postbus 255 - 2160 i\G Lisse

Postbus 298 22OO AG NOORDWIJK

Tcl.

als.: (Oti,U)) 95 67 0OO

F--mail: infoi@isdbollcnstrcck.nl

Fax:

(0252) 345 077

Website: www.isdbollenstreek.nl

IIIAN:

NLs0llN(il10285099914

Lisse, 20 april2022 Verzonden: 21 april 2022

Uw brief/kenmerk Ons kenmerk Bijlagen lnlichtingen Doorkiesnummer Onderwerp

4

Carla Heemskerk Afstemmingsverordening Participatiewet, IOAW en IOAZ SD Bollenslreek 2022 I

Geacht college, lk stuur u hierbij namens het dagelijks bestuur van de ISD Bollenstreek de Afstemmingsverordening Participatiewet, IOAW en IOAZ ISD Bollenslreek2022. Wilt u deze via de gebruikelijke weg doorgeleiden naar uw gemeenteraad.

KoÉe toelichting Vanwege een wetswijziging en jurisprudentie is een aanpassing van de Afstemmingsverordening Participatiewet, IOAW en IOAZ ISD Bollenstreek 2017 op enkele punten noodzakelijk. Gelijktijdig hebben we van de gelegenheid gebruik gemaakt om deze afstemmingsverordening te evalueren.

Bij deze brief ontvangt u: o De notitie van het dagelijks bestuur inclusief de evaluatiebevindingen. e De Afstemmingsverordening Participatiewet, IOAW en IOAZ ISD Bollenstreek2022 met wijzigingen zichtbaar. o De Afstemmingsverordening Participatiewet, IOAW en IOAZ ISD Bollenstreek2022 met

.

wijzigingen venverkt. Het advies van de Cliëntenraad ISD Bollenstreek.

Voorstel 1. Afstemmingsverordening Participatiewet, IOAW en IOAZ ISD Bollenslreek 2022 vast te stellen. 2. Gelijktijdig de Afstemmingsverordening Participatiewet, IOAW en IOAZ ISD Bollenstreek 2017 in te trekken. Ik vertrouw erop u hiermee voldoende geïnformeerd te hebben. Voor vragen kunt u terecht bij de beleidsmedewerker, mevrouw C.J. (Carla) Heemskerk, telefonisch bereikbaar op (0252) 251 608 en per mail via c.heemskerk@isdbollenstreek.nl.

Met vriendelijke groet, Het d ijks bestuur van de namens deze, ISD ;t Jong

o

I

a

o

NOTITIE

Aan Van Onderwerp Datum

Dagelijks bestuur Afdeling beleid Evaluatie en vaststelling afstemmingsverordening

Ter

besluitvorming en doorgeleiding naar de gemeenteraden

7 april2022

Samenvatting

Een wetswijziging en jurisprudentie leiden ertoe dat de afstemmingsverordening op enkele punten moet worden aangepast. Tevens is van de gelegenheid gebruik gemaakt de afstemmingsverordening te evalueren.

Voorstel

1. lnstemmen met de Afstemmingsverordening Participatiewet, IOAW en IOAZ ISD Bollenstreek 2022 (biilage 1) 2. De Afstemmingsverordening Participatiewet, IOAW en IOAZ ISD Bollenstreek 2022 volgens de gebruikelijke procedure ter vaststelling voorleggen aan de gemeenteraden onder gelijktijdige intrekking van de Afstemmingsverordening Participatiewet, IOAW en IOAZ ISD Bollenstreek 2017.

3. Kennis nemen van het positieve advies van de cliëntenraad (b|lage 3) lnleiding

ln de afstemmingsverordening wordt benoemd wat de concrete uitwerking is van de consequenties die volgen op het niet nakomen van verplichtingen door mensen die een uitkering ontvangen ingevolge de Participatiewet (Pw), IOAW of IOAZ. Na de'Handhavingsverordening Pw, IOAW, IOAZ, Wmo en Wgs ISD Bollenstreek 2019' en het 'Handhavingsbeleidsplan sociaal domein ISD Bollenstreek 2020-2023' , waarin het uitgangspunt van onze dienstverlening, een preventieve handhaving is beschreven, is de afstemmingsverordening het sluitstuk van de handhaving.

Sinds 1 januari 2022is er een nieuw artikelaan de Participatiewet toegevoegd, artikel 56a, dat ziet op financiëÉ ontzorging van inburgeringsplichtigen. De financiële ontzorging betreft het doorbetalen van de belangrijkste vaste lasten van de uitkering, gedurende 6 maanden. De inburgeringsplichtige moet hieraan zijn mèdewerking verlenen. Deze verplichting moet kunnen worden gehandhaafd op grond van artikel 18 Pw. De oude verordening voozag onvoldoende in deze situatie, en handhaving vanuit de Wet inburgering 2021 zeli blijkt voor dit ondenrerp niet mogelijk. Dit leidt ertbe dat de afstemmingsverordening moet worden aangevuld (punt 1). Daarna wordt een aantal artikelen van de verordening aangepast om de differentiatie in de geUniformeerde arbeidsverplichtingen op te heffen (punt 2). Tot slot is de afstemmingsverordening op uitvoeringsgebied geëvalueerd en worden de uitkomsten toegelicht in deze notitie (punf 3).

1. Financiële ontzorging inburgeringsplichtigen

í.í Voorkomen is beter dan genezen

De basis van handhaving van de ISD Bollenstreek is gelegen in het 'concept hoogwaardig handhaven' zoals geïntroduceerd in de genoemde handhavingsverordening en het handhavingsbeleidsplan. Daarin is het uitgangspunt beschreven dat wij door middel van een preventieve werkwijze in onze dienstverlening, een heldere communicatie en het leveren van maatwerk de naleving van afspraken en verplichtingen stimuleren. Dit doen wij onder andere op basis van inzichten uit de gedragswetenschap, waarbij rekening gehouden wordt met het feit dat stress of langdurige stress het nakomen van verplichtingen kan belemmeren. De ISD Bollenstreek past organisatie breed stress sensitieve

a

Lï)

NOTITIE

dienstverlening toe, waarbij tegemoet gekomen wordt aan basisbehoeften die de nakoming van afspraken en verplichtingen bevorderen. Mocht dit ondanks deze aanpak, niet gebeuren, dan geeft de afstemmingsverordening richtlijnen hoe het gedrag middels het afstemmen (verlagen)van de uitkering veranderd kan worden. Dit noemen we een maatregel. Een maatregel wegens het schenden van de arbeids- of andere aan de bijstand verbonden verplichtingen is een reparatoire sanctie, dat wil zeggen dat de sanctie niet als doel heeft om leed toe te voegen, maar om gedrag te veranderen. Alleen in gevallen waarbij een belanghebbende zich zeer ernstig heeft misdragen, is een maatregel een punitieve sanctie.

Voor de doelgroep inburgeringsplichtigen is een nieuwe verplichting opgenomen in de wet, het financieel ontzorgen en het medewerking daaraan verlenen. Ontzorgen houdt in dat de eerste 6 maanden de belangrr.lkste vaste lasten worden doorbetaald van de uitkering. Ook houdt dit in het gedurende deze periode financieel zelÍredzaam maken van de inburgeringsplichtige die een uitkering ontvangt. Medewerking verlenen kan bryvoorbeeld gaan om het ondertekenen van een machtiging, het nakomen van afspraken of het doorgeven van gegevens teneinde de doorbetaling te effectueren. We gaan ervan uit dat, voor het meewerken aan financiële ontzorging, afstemming niet (vaak) nodig zal zijn vanwege duidelijke communicatie vooraf, afgestemd op deze doelgroep. Gedurende het traject is er persoonlijk contact en begeleiding van een consulent (budgetcoach). Op grond van artikel 56a Pw en artikel 18 Pw moet handhaving van deze verplichting mogelijk zijn, neergelegd in een verordening. Zaak is daarbij om de handhaving af te stemmen op de doelgroep, omdat de huidige bepalingen in de afstemmingsverordeningen niet afgestemd zijn op deze doelgroep. De doelgroep is kwetsbaar. De financiële situatie moet nog stabiliseren. Toeslagen zijn er soms nog niet, een overbruggingsuitkering wordt toegekend, het Nederlandse financiële systeem is nog niet duidelijk.

Daarom is het ons uitgangspunt dat een verlaging wel merkbaar moet zijn, maar zo min mogelijk negatieve gevolgen moet hebben voor financiële stabiliteit. 1.2 Grondslagen beleid De wet inburgering staat lik op stuk beleid voor. Dat wil zeggen dat er, indien nodig, zo snel mogelijk gehandhaafd moet worden. Na voldoende gewaarschuwd te zijn, uitleg gekregen te hebben en de mogelijkheid om de verplichting alsnog na te komen, moet er een consequentie volgen. Deze consequentie, de daadwerkelijke handhaving van de verplichtingen, is dus het sluitstuk van handhaving. Dat geldt ook voor de verplichtingen in het kader van de Participatiewet, waar het financieel ontzorgen onder valt. Als het tot afstemming leidt, is er blijkbaar geen moment geweest waarop de belanghebbende op een andere manier tot ander gedrag te bewegen was. Afstemming is in dit geval de laatst openstaande optie en dient tot het veranderen van gedrag. ln zulke situaties moet gehandhaafd worden op grond van artikel 18 Pw, waarin staat beschreven dat het college (het dagelijks bestuur van de ISD Bollenstreek) de bijstand afstemt in geval een verplichting, voortvloeiende uit de wet, niet wordt nagekomen. Bijvoorbeeld, de arbeidsverplichtingen, financiële ontzorging of overige verplichtingen die zijn opgelegd op grond van artikel 55 Pw. De vaststelling van de afstemming moet beschreven zijn in een verordening.

Afstemming op zichzelÍ is een verplichting, maar voor vaststelling van de hoogte van de afstemming is beleidsvrijheid. Het afstemmen van de uitkering is in lijn met de bedoeling van de wetgeverl.

Maatwerk is ook bij afstemming mogelijk, zo wordt op grond van artikel2 van de verordening de verlaging afgestemd naar de ernst van het feit, mate van verwijtbaarheid, en individuele omstandigheden. Consulenten maken hiergebruik van indien dit nodig is in de situatie van een klant.

í.3 Vaststelling hoogte en duur

1

TK2019-2O20, 35 483 (Memorie van toelichting Wet inburgering 2021) punl2 5.2

a

Lï)

NOTITIE

Gezien de kwetsbare (financiële) situatie van nieuwe inburgeraars, is het niet wenselijk om de maatregel te hoog vast te stellen. De afstemming (verlaging) voor gedragingen in de eerste categorie is in de verordening vastgesteld op 15% van het recht op uitkering. Dit is de laagste categorie. Het ligt daarom voor de hand om voor wat betreft het niet meewerken met de financiële ontzorging aan te sluiten bij deze categorie. Hiertoe is artikel 14 toegevoegd aan de verordening. ln situaties waarbij een verlaging in één maand een te hoog risico voor de financiële stabiliteit oplevert (bijvoorbeeld vergroting van schuldenproblematiek, een dreigende huisuitzetting, of afsluiting van gas, water of licht), is een afwijkende duur van de maatregel denkbaar. Mogelijk is om met toepassing van artikel 2 de maatregel in gevallen waarbij sprake is van bijzondere omstandigheden te spreiden over 3 maanden, waardoor de maatregel zelÍ 5o/o per maand wordt, wat aansluit bij de hoogte van de ruimte voor beslaglegging2.

2. Aan passi ng d ifferentiatie getin iformeerde arbeidsverpl ichti ngen ln 2015 heeft de wetgever de geuniformeerde arbeidsverplichtingen geïntroduceerd in artikel 18 lid 4 Pw. De wetgever wilde daarmee onderlinge verschillen in de hoogte van maatregelen tussen gemeenten wegnemen. Er is in dit artikeleen aantal gedragingen vastgesteld die in elk geval leiden tot afstemming van de uitkering met 100% van de brjstandsnorm. Gemeenten kregen beleidsruimte om de duur van deze maatregel in een verordening vast te leggen, maar in elk geval tussen 1 en 3 maanden. ln onze verordening (versie 2017) was ervoor gekozen om de 'lichte' gedragingen te bestraffen met I maand verlaging van 100%, en de'zware'gedragingen te bestraffen met 2 maanden verlaging van lOOo/o. Er zijn meer gemeenten die deze differentiatie in de verordening hebben toegepast. Nu blijkt uit jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep dat deze differentiatie niet geoorloofd is, voor differentiatie bestaat geen verordenende bevoegdheid3. Juist door uniformering van de arbeidsverplichtingen en het vaststellen van de hoogte van de sanctie, heeft de wetgever beoogd dat voor alle geUniformeerde arbeidsverplichtingen eenzelfde sanctie wordt opgelegd.

De gemeente (het dagelijks bestuur) heeft vervolgens wel de bevoegdheid om voor de eerste overtreding en de tweede overtreding (recidive) de duur van de maatregel bij verordening vast te stellen. De duur van de maatregel bij recidive moet langer zijn dan de duur van de maatregel bij de eerste overtreding.

2.í Vaststelling duur van de sanctionering ln bijgaand concept verordening zijn daarom de artikelen 11, 12 en 19 van de verordening aangepast op grond van hieronder benoemde afwegingen. 100% van de uitkering is een zware sanctie, als er geen ander inkomen dan de uitkering is. Vaste lasten lopen door, evenals kosten voor levensonderhoud. De wetgever heeft het noodzakeltjk geacht om de hoogte van deze sanctie maximaal vast te stellen, naar het uitgangspunt van de Participatiewet dat iedereen tracht (naar vermogen) arbeid te verkrijgen. Een langere periode dan 1 maand kan ertoe leiden dat er betalingsachterstanden ontstaan die niet eenvoudig zijn in te lopen, waarbij iemand nog een lange periode na de schending van de verplichtingen minder geld te besteden heeft, of zelfs in een schuldenpositie geraakt doordat rentes of invorderingskosten worden berekend. Bij een eerste gedraging is dit efÍect in onze optiek te zwaat, een maatregel strekt immers tot gedragsverandering.

Daarom is het voorstelom een eerste schending van een geUniformeerde arbeidsverplichting te sanctioneren met 100% van de uitkering gedurende I maand.

2 Beslagvrije voet 95% van de bijstandsuitkering volgens artikel 475 van het Wetboek voor Burgerlijke

Rechtsvordering. 3 Zie bijv. ECLI : NL:CRVB.2021 .21 48 en ECLI : NL: C RVB : 2020: 3258

a

Lï)

NOTITIE

Bij recidive (schending van één of meerdere van de geriniformeerde arbeidsverplichtingen binnen 12 maanden na oplegging van de laatste maatregel)wordt deze periode langer, namelijk 2 maanden. De eerste maatregel heeft dan blijkbaar onvoldoende gedragsverandering tot gevolg gehad.

De Participatiewet regelt vervolgens zelf dat bij nog één of meerdere malen recidive, de periode van de afstemming 3 maanden wordt. Deze periode wordt verlengd zolang de schending van de geUniformeerde arbeidsverp lic hti n gen voortd u u rt.

3. Evaluatie afstemmingsverordening 3.í Evaluatie kwantitatief Periode: 2018 -2021 in jaar 2018

20t9

2020

202L

100% Niet nakomen arbeidsplicht

23

L0

13

11

15% Niet nakomen arbeidsplicht

1

L

L

30% Niet nakomen arbeidsplicht 50% Niet nakomen arbeidsplicht

1

Som van unieke maatregel

soort maatregel

Maatregel 100% overig Maatregel50% overig Eindtotaal

2

3

L

3

6

4

7

7

L7

22

22

1

34

Recidives: Er waren 6 klanten die recidives hadden in de weergegeven jaren. 3 klanten hadden 2x een maatregel, 3 klanten 3x een maatregel. 3. 1. 1 Analyse kwantitatieve resultaten Te zien is, dat het aantal maatregelen in zijn algemeenheid, maar met name in de zwaarste categorie, wegens het niet nakomen van de arbeidsverplichting, is afgenomen vanaf de vaststelling door de gemeenteraden van de handhavingsverordening en het handhavingsbeleidsplan. Een verklaring zou kunnen zijn dat een waarschuwing of motiverend gesprek in veel gevallen al voldoende is om gedrag bij te sturen.

ln de afgelopen jaren zijn daadwerkelijke afstemmingen in beperkte mate voorgekomen. Dat heeft verschillende oozaken. Ten eerste communiceert de ISD Bollenstreek bij het begin van een uitkering of vooziening duidelijk en persoonsgebonden de verplichtingen waaraan een klant zich moet houden gedurende de periode dat de klant recht heeft op de uitkering. Dit is een belangrijke voorwaarde om nakoming van afspraken en verplichtingen te bevorderen. Ten tweede is de ISD Bollenstreek in ruime mate afhankelijk van de aanbieder van een reintegratietraject voor terugkoppeling van de nakoming van de verplichtingen gedurende dit traject. ln veel gevallen gaat dit om Provalu, die verantwoordelijk is voor veel re-integratietrajecten. Provalu stelt in de praktijk gedragingen vast, aan de hand waarvan al dan niet de uitkering wordt afgestemd met een maatregel. Als er veel signalen zijn, zullen er ook veel maatregelen zijn. Als er weinig signalen zqn, ziin er automatisch ook minder maatregelen. Ten derde was er vanwege de corona maatregelen slechts beperkt de inzet van re-integratietrajecten mogelijk.

3.2 Evaluatie kwalitatief 3.2. 1 Onderzoeksvragen

a

f,ï)

NOTITIE

De volgende onderzoeksvragen zijn gehanteerd: Wat was de grondslag voor het opleggen van de maatregel? Waren de maatregelen effectief met het oog op gedragsverandering? ls de verordening inhoudelijk nog correct en in lijn met wetgeving en jurisprudentie? Geeft de verordening voldoende mogelijkheden om, indien nodig, te sanctioneren? Geeft de verordening voldoende mogelijkheid om maatwerk toe te passen?

-

3. 2. 2 G rondsl ag m aatregelen

De afgelopen jaren laten een stabiel beeld zien van de meest voorkomende redenen voor het opleggen van een maatregel. Het niet nakomen van de arbeidsverplichtingen is daarin de vaakst voorkomende reden. Dit kan bijvoorbeeld gaan om, na een waarschuwing, het niet nakomen van afspraken, maar ook aan het niet verschijnen bij een traject, niet meewerken aan het traject of het niet (voldoende) solliciteren naar werk. Hierin zijn geen opvallende trends te zien, het beeld is stabiel in de afgelopen jaren. Een voorbeeld van de mogelijkheid tot maatwerk (het matigen van de maatregel) is brlvoorbeeld het afwijkende percentage 30%. Dat is geen standaard, maar in individuele gevallen wel mogelijk. Maatregelen wegens overige redenen zijn redelijk stabielgebleven, dit betreffen over het algemeen maatregelen op grond van een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid in het bestaan. Dat kan bijvoorbeeld zijn het door eigen toedoen of nalaten langer aanspraak moeten maken op bijstand dan nóOig. Oo1 kan het gaan om een maatregel vanwege het niet meewerken aan een taaltoets (max 50%) 3.2. 3 Effectiviteit opgelegde maatregelen Van het aantal klanten dat een maatregelopgelegd heeft gekregen heeft 94% geen maatregel meer gehad, waaruit is af te leiden dat er gedragsverandering is geweest. 6% heeft wel opnieuw een maatregel opgelegd gekregen.

Hoewel er altijd uitzonderingen kunnen bestaan, kan over het algemeen gezegd worden dat de maatregelen die worden opgelegd, effectief blijken te zijn.

3.2.4 Verordening inhoudelijk correct De grondslag van de verordening is ongewijzigd. De verordening dient ervoor om invulling te geven aan artik;l 18, hel sanctioneren van het niet nakomen van de arbeids- en andere aan de bijstand verbonden verplichtingen. Behoudeni het financieel ontzorgen, en de onder punt 2 behandelde differentiatie van geUniformeerde arbeidsverplichtingen, behoeft de verordening inhoudelijk geen wijzigingen. 3. 2. 5 Mogelijkheid sanctioneren Voor beantwoording van deze en de volgende vraag is intern onderzoek gedaan, omdat de consulenten die met de verordening werken en de mensen spreken, dit het beste kunnen beoordelen. Ook de kwaliteitscontrole heeft inspraak gehad. Er zijn voldoende mogelijkheden om de gedragingen die gecategoriseerd worden als arbeidsverplichtingen, in verschillende gradaties, als uiteindelijk pressiemiddel te sanctioneren.

3.2.6 Mogelijkheid tot maatwerk Vooropgesteld wordt, dat een afstemming (maatregel) wordt ingezet teneinde gedragsverandering teweeg te brengen. Bij het beoordelen van een maatregel worden de ernst van het feit, de mate van vena/jtbaarheid en de individuele omstandigheden meegewogen. lndieà bl;;kt dat, na het niet houden van bijvoorbeeld een arbeidsverplichting en vóór oplegging van de maatregel, het gedrag reeds is veranderd, hoeft er geen afstemming van de uitkering plaats te vinden. Ook bij het ontbreken van verwijtbaarheid wordt er geen maatregel opgelegd. Voor getiniformeerde arbeidsverplichtingen geldt de zogenoemde inkeerregeling; indien binnen de periode van de maatregelgedragsverandering plaatsvindt, wordt de maatregel heroverwogen. Verder wordt ervaren dat er voldoende mogelijkheid tot maatwerk is, dit uit zich bijvoorbeeld in een aangepast percentage van de maatregel of het spreiden van de maatregel over een langere periode dan 1 maand.

a

Lï)

NOTITIE

3.3 Conclusie en advies evaluatie Op basis van de kwantitatieve en kwalitatieve evaluatiegegevens is geen aanleiding om de afstemmingsverordening aan te passen (behoudens de onderdelen onder punt 1 en 2 van deze notitie). De afstemmingsverordening biedt voldoende richtlijnen om de afstemming van de uitkering, wanneer nodig, op te leggen. Daarnaast is er voldoende ruimte voor maatwerk, dat in de praktijk zichtbaar wordt toegepast. Ook uit het aantal opgelegde sancties volgt geen aanleiding om de verordening verder inhoudelijk aan te passen.

4. Financiën N.v.t.

5. Evaluatie N.v.t.

6. Gommunicatie Interne communicatie

Ja

Medium Medewerkers kwaliteit (o.a. werkinstructie

x

Nee

Toelichting

Nee

Toelichting

aanpassen)

Medewerkers KCC Medewerkers PC

x x

Externe communicatie

Ja

Medium

x

Persbericht

Tekst website

x x

Folder (indien van toepassinq) Publicatie

x

qemeentepaqina Externe relaties (bv

x

adviesraden) Brief klanten

Officiële bekendmaking via WEP

x

x

7. Privacy N.v.t.

Bijlagen

1. Concept'Afstemmingsverordening Participatiewet, IOAW en IOAZ ISD Bollenstreek2022' mel wijzigingen zichtbaar

2. Concept 'Afstemmingsverordening Participatiewet, IOAW en IOAZ ISD Bollenstreek 2022' mel wijzigingen verwerkt

3. Advies clièntenraad

Afstemmingsverordening Participatiewet, IOAW en IOAZ ISD Bollenstreek 2022 De raad van de gemeente

... . . ... ;

Gelezen het voorstel van het dagelijks bestuur van de lntergemeentelijke Sociale Dienst Bollenstreek

van...

.............;

Gelet op de Gemeenschappelijke Regeling van de lntergemeentelijke Sociale Dienst Bollenstreek;

Gelet op artikel 8, eerste lid, aanhef en onderdeel a en d, van de Participatiewet (PW), artikel 35 van de Wet inkomensvooziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (IOAW) en artikel 35 van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (IOAZ); BESLUIT vast te stellen de

Afstem m i n gsverorden in g Partici patiewet, IOAW en IOAZ I SD Bol lenstreek 2O22

Hoofdstuk í.

Algemene bePalingen

Artikel í. Begrippen

1. De begrippen die in deze verordening worden gebruikt en niet nader worden omschreven, hebben dezelfde betekenis als in de Participatiewet (PW), het Besluit bijstandsverlening zelfstandigen (Bbz), de Wet inkomensvooziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (IOAW), de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (IOAZ) en de Algemene wet bestuursrecht (Awb), tenzij anders is aangegeven. 2.ln deze verordening wordt verstaan onder: a. bijstandsnorm: 1' van toepassing zijnde bijstandsnorm als bedoeld in artikel 5, onderdeel c, van de PW, of 2' grondslag van de uitkering als bedoeld in artikel 5 van de IOAW of artikel 5 van de IOAZ voor zover sprake is van een uitkering op grond van de IOAW of de IOAZ; 3" voor zelfstandigen die een Bbz-uitkering ontvangen of hebben ontvangen, wordt onder bijstandsnorm verstaan de norm die op grond van artikel 78f van de PW op hen van toepassing is; b. uitkering: algemene bijstand op grond van de PW of een uitkering op grond van de IOAW of de

IOAZ; c. het dagelijks bestuur: het dagelijks bestuur van de lntergemeentelijke Sociale Dienst Bollenstreek; d. PW: de Participatiewet; e. IOAW: de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers; Í. IOAZ de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen; g. Bbz: het Besluit bijstandsverlening zelfstandigen 2004.

Artikel 2. Het verlagen van de uitkering

1. De verlaging van de uitkering wordt afgestemd op de ernst van de gedraging, de mate waarin de belanghebbende de gedraging kan worden verweten en de omstandigheden waarin hij verkeert. 2. ls sprake van een verlaging van de uitkering wegens een of meer gedragingen als bedoeld in artikel 18, vierde lid van de Participatie, dan wordt die verlaging - in afwijking van het eerste lid afgestemd op basis van artikel 18, negende en tiende lid, van de Participatiewet.

-

Artikel 3. Horen van belanghebbende 1. Voordat een verlaging van de uitkering wordt opgelegd, wordt een belanghebbende in de

gelegenheid gesteld zijn zienswijze naar voren te brengen. 2. Het horen van een belanghebbende kan achtenryege blijven als: a. vereiste spoed zich daartegen vezet; b. belanghebbende al eerder in de gelegenheid is gesteld zijn zienswijze naar voren te brengen en zich sindsdien geen nieuwe feiten of omstandigheden hebben voorgedaan; c. het dagelÍks bestuur het horen niet nodig acht voor het vaststellen van de ernst van de gedraging of de mate van verwijtbaarheid, of d. belanghebbende aangeeft hiervan geen gebruik te willen maken.

Artikel4. Afzien van verlaging 1. Het dagelijks bestuur ziet af van een verlaging als: a. elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt, of b. de gedraging meer dan één jaar voor constatering daarvan door het dagelijks bestuur heeft plaatsgevonden. 2. Het dagelijks bestuur kan afzien van een verlaging als het daarvoor dringende redenen aanwezig acht. 3. Als het dagelijks bestuur afziet van een verlaging op grond van dringende redenen, wordt een belanghebbende hiervan schriftelijk op de hoogte gesteld.

Artikel 5. Het besluit tot opleggen van een verlaging ln het besluit tot het opleggen van een verlaging van de uitkering wordt in ieder geval vermeld:

a. de reden van de verlaging; b. de duur van de verlaging; c. het bedrag of percentage waarmee de uitkering wordt verlaagd, en d. indien van toepassing, de reden om af te wijken van de standaardverlaging. Artikel 6. lngangsdatum en tijdvak van een verlaging 1. Een verlaging wordt toegepast op de uitkering en/of bijzondere bijstand die is verleend met toepassing van artikel 12 van de PW over de kalendermaand volgend op de maand waarin het besluit tot het opleggen van de verlaging aan een belanghebbende is bekendgemaakt. Daarbij wordt uitgegaan van de op dat tijdstip voor die belanghebbende geldende bijstandsnorm. 2. ln afwijking van het eerste lid kan een verlaging met terugwerkende kracht worden toegepast, voor zover de uitkering of bijzondere bijstand nog niet is uitbetaald. 3. Als een verlaging niet of niet geheel ten uitvoer kan worden gelegd als gevolg van de beëindiging of intrekking van de uitkering, wordt de verlaging of dat deel van de verlaging dat nog niet is uitgevoerd, alsnog opgelegd als belanghebbende binnen de termijn, bedoeld in artikel 5, eerste lid, onderdeel b, opnieuw een uitkering ontvangt. 4. ln afwijking van het eerste lid kan, voor zover het zelfstandigen betreft die een uitkering voor levensonderhoud in de vorm van een geldlening op grond van het Bbz hebben ontvangen, de verlaging worden betrokken bijde definitieve vaststelling van die uitkering.

Artikel 7. Berekeningsgrondslag 1. Een verlaging wordt berekend over de btlstandsnorm. 2. ln afwijking van het eerste lid kan een verlaging worden toegepast op de bijzondere bijstand als: a. aan belanghebbende bijzondere bijstand wordt verleend met toepassing van artikel 12 van de PW, of b. de verwijtbare gedraging van belanghebbende in relatie met zijn recht op bijzondere bijstand daartoe aanleiding geeft 3. Bij toepassing van het tweede lid, onderdeel a, moet in de hoofdstukken 2, 3 en 4 'bijstandsnorm' worden gelezen als 'bijstandsnorm inclusief de op grond van artikel 12 van de PW verleende bijzondere bijstand'. 4. Bij toepassing van het tweede lid, onderdeel b, moet in de hoofdstukken 2, 3 en 4 'bijstandsnorm' worden gelezen als'de verleende bijzondere bijstand'. 5. ln afwijking van het eerste lid kan de verlaging ook worden toegepast op de bijzondere bijstand voor premie arbeidsongeschiktheidsverzekering aan zelfstandigen die bijstand voor levensonderhoud krachtens het Bbz ontvangen of hebben ontvangen. Bij toepassing van deze verlaging moet in de hoofdstukken 2, 3 en 4'bijstandsnorm'worden gelezen als 'de verleende bijzondere bijstand voor premie arbeidson geschiktheidsvezekering'. .

Niet nakomen van de niet geiiniformeerde verplichtingen Hoofdstuk 2. met betrekking tot de arbeidsinschakeling Artikel 8. Gedragingen PW Gedragingen van een belanghebbende waardoor algemeen geaccepteerde aÖeid niet wordt verkregen of een verplichting op grond van de artikelen 9, 9a en 55 van de PW niet of onvoldoende wordt nagekomen, worden onderscheiden in de volgende categorieën: eercte categorie: het zich niet tijdig laten registreren als werkzoekende bij het Uitvoeringsinstituut werknemersvezekeringen of het niet tijdig laten verlengen van de registratie;

tweede categorie:

1" het niet of onvoldoende verrichten van een door het dagelijks bestuur opgedragen tegenprestatie naar vermogen als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onderdeel c, van de PW; 2o het niet of onvoldoende meewerken aan het opstellen, uitvoeren en evalueren van een plan van aanpak als bedoeld in artikel 44avan de PW; 3o het onvoldoende nakomen van verplichtingen als bedoeld in de artikelen 9, eerste lid, of 55 van de PW, voor zover het gaat om een belanghebbende jonger dan 27 jaar, gedurende vier weken na een melding als bedoeld in artikel 43, vierde en vijfde lid, van de PW, voor zover deze verplichtingen niet worden genoemd in artikel 18, vierde lid, van de PW; 4" het uit houding en gedrag ondubbelzinnig laten blijken verplichtingen als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onderdeel b, van de PW niet te willen nakomen, wat heeft geleid tot het intrekken van de ontheffing van de arbeidsplicht voor een alleenstaande ouder, bedoeld in artikel 9a, eerste lid, van de PW;

derde categorie: het niet naar vermogen proberen algemeen geaccepteerde aóeid te verkrijgen voor zover dit niet voortvloeit uit een gedraging als bedoeld in artikel 18, vierde lid, van de PW; vierde categorie: het door houding of gedrag belemmeren van het aanvaarden of behouden van algemeen geaccepteerde arbeid, voor zover dit niet voortvloeit uit een gedraging als bedoeld in artikel 18, vierde lid van de PW.

AÉikel 9. Gedragingen IOAW en IOAZ Gedragingen van een belanghebbende waardoor algemeen geaccepteerde arbeid niet wordt verkregen of een verplichting op grond van de artikelen 37 en 38 van de IOAW of de artikelen 37 en 38 van de IOAZ niet of onvoldoende wordt nagekomen, worden onderscheiden in de volgende categorieën: eercte categorie: het zich niet tijdig laten registreren als werkzoekende bij het Uitvoeringsinstituut werknemersvezekeringen of het niet tijdig laten verlengen van de registratie;

tweede categorie:

o

het niet of onvoldoende verrichten van een door het dagelijks bestuur opgedragen tegenprestatie naar vermogen als bedoeld in artikel 37, eerste lid, onderdeel f, van de IOAW of artikel 37, eerste lid, onderdeel f, van de IOAZ; het uit houding en gedrag ondubbelzinnig laten blijken de verplichtingen als bedoeld in artikel 37, eerste lid, onderdeel e, van de IOAW of artikel 37, eerste lid, onderdeel e, van de IOAZ niet te willen nakomen, wat heeft geleid tot het intrekken van de ontheffing van de arbeidsplicht voor een alleenstaande ouder als bedoeld in artikel 38, eerste lid, van de IOAW of artikel 38, eerste lid, van de í

2"

topz. derde categorie.

1o het niet of onvoldoende gebruik maken van een door het dagelijks bestuur aangeboden voorziening gericht op arbeidsinschakeling als bedoeld in de artikelen 36, eerste lid, en 37, eerste lid, onderdeel e, van de IOAW en de artikelen 36, eerste lid, en 37, eerste lid, onderdeel e, van de IOAZ, voor zover dit heeft geleid tot het geen doorgang vinden of tot voortijdige beëindiging van die voorziening; 2o het niet of in onvoldoende mate meewerken aan een ondezoek naar zijn of haar mogelijkheden tot arbeidsinschakeling. vierde categorie: het door eigen toedoen niet behouden van algemeen geaccepteerde arbeid als bedoeld in artikel 20, eerste lid, onder a of b, van de IOAW of artikel 20, tweede lid, onder a of b, van de IOAZ.

Artikel í0. Hoogte en duur van de verlaging De verlaging, bij gedragingen als bedoeld in de artikelen 8 en 9, wordt vastgesteld op:

a. í5 % van de bijstandsnorm gedurende één maand bij gedragingen van de eerste categorie; b. 50 % van de bijstandsnorm gedurende één maand bij gedragingen van de tweede categorie;

c. í00 olo van de bijstandsnorm gedurende één maand bij gedragingen van de derde categorie; d. í00 olo yàn de bijstandsnorm gedurende twee maanden bij gedragingen van de vierde categorie.

Niet nakomen van de gefiniformeerde verplichtingen Hoofdstuk 3. met betrekking tot de arbeidsinschakeling Artikel í1. Hoogte en duur verlaging bij schending getiniformeerde arbeidsverplichting Als een belanghebbende een verplichting als bedoeld in artikel 18, vierde lid, van de Participatiewet niet of onvoldoende nakomt, bedraagt de verlaging 100 olo van de bijstandsnorm gedurende één maand. AÉikel í2. Verrekenen verlaging 1. Het bedrag van de verlaging, bedoeld in artikel 1'1, wordt toegepast over de maand van oplegging van de maatregel en de volgende één of twee maanden als bijzondere omstandigheden dit rechtvaardigen. Bij een verlaging als bedoeld in artikel 1'Í kan de verlaging worden toegepast over twee maanden als de bijzondere omstandigheden ertoe leiden dat de maatregel niet in één maand kan worden gedragen, waarbij zowelaan de maand van oplegging als aan de daaropvolgende maand de helft van de verlaging wordt toebedeeld. Bij een verlaging als bedoeld in artikel 11 kan de verlaging worden toegepast over drie maanden, als de bijzondere omstandigheden ertoe leiden dat de maatregel niet in twee maanden kan worden gedragen, waarbij zowel aan de maand van oplegging als aan de twee daaropvolgende maanden een derde van de verlaging wordt toebedeeld.

a.

b.

Hoofdstuk 4.

Overige gedragingen die leiden tot een verlagang

Artikelí3. Nietnakomenmedewerkingsverplichting 1. lndien een belanghebbende niet of onvoldoende de medewerking verleent die redelijkerwijs nodig is voor de uitvoering van de wet als bedoeld in artikel 17, tweede lid, van de PW, artikel 13, tweede lid, van de IOAW of artikel 13, tweede lid, van de IOAZ, dan wordt de verlaging vastgesteld op 50 % van de bijstandsnorm gedurende één maand. 2.Yan het niet of onvoldoende verlenen van medewerking als bedoeld in het eerste lid is in ieder gevalsprake indien: a. niet of niet tijdig is voldaan aan een oproep om op een bepaalde plaats en tijd te verschijnen in verband met arbeidsinschakeling b. niet of niet tijdig is voldaan aan een oproep om op een bepaalde plaats en tijd te verschijnen in verband met het maken van een taaltoets als bedoeld in artikel 18b van de PW. ;

Artikel 14. Niet nakomen medewerkingsverplichting

fi nanciële ontzorging

1. lndien een belanghebbende, na te zijn geïnformeerd over het belang, de verplichting en de consequenties die samenhangen met de ontzorging, niet of onvoldoende medewerking verleent die redelijkenrvijs nodig is voor de uitvoering van de wet als bedoeld in artikel 56a Pw, dan wordt de verlaging vastgesteld op 15o/o van de bijstandsnorm gedurende één maand. 2. Van het niet of onvoldoende medewerken als bedoeld in het eerste lid is in elk geval sprake indien: a. belanghebbende geen machtiging ondertekent tot het inhouden van de vaste lasten zoals benoemd in artikelS6a Pw. b. belanghebbende anderszins weigert mee te werken of informatie te verstrekken, waardoor het ontzorgen wordt bemoeilijkt danwel onmogelijk wordt gemaakt.

Arti kel I 5. Tekortsch ietend besef van vera ntwoordel ij kheid 1. Een verlaging wegens tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het

bestaan als bedoeld in artikel 18, tweede lid, van de PW wordt afgestemd op de periode dat de belanghebbende als gevolg van zijn gedraging eerder of langer recht heeft op een uitkering en/of tot een hoger bedrag recht heeft op bijzondere bijstand. 2. Als tekort schietend besef van verantwoordelijkheid voor de vooziening in het bestaan, bedoeld in het eerste lid, wordt mede gerekend het in de periode voorafgaande aan de bijstandsverlening: a. door eigen toedoen niet behouden van algemeen geaccepteerde arbeid; b. het onvoldoende trachten algemeen geaccepteerde aÖeid te verkrijgen. 3. De verlaging, bedoeld in het eerste lid, wordt vastgesteld op: a. 1OO olo van de bijstandsnorm gedurende één maand bij een periode van korter dan 6 maanden; 1OO % van de bijstandsnorm gedurende twee maanden bij een periode van langer dan 6 maanden. 4. ln afwijking van het derde lid wordt de verlaging - bij toepassing van artikel 7, tweede lid, onder b. vastgesteld op í00 o/oyàn de verleende bijzondere bijstand voor die kosten die een gevolg zijn van tekortsch ietend besef va n verantwoordelij kheid. De verlaging wordt bij een gedraging, bedoeld in het tweede lid onder a., overeenkomstig het 5. gestelde in het derde lid sub a. en b. vastgesteld; De verlaging wordt bij een gedraging, bedoeld in het tweede lid onder b., overeenkomstig het gestelde in het derde lid sub a. vastgesteld. 6.

De afstemming op grond van een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan als bedoeld in dit artikel laat onverlet de mogelijkheid de bijstand te verstrekken in de vorm van een geldlening, zoals bedoeld in artikel4S, tweede lid, van de PW.

b.

-

a. b.

AÉikel 16. Zeer ernstige misdragingen Als een belanghebbende zich zeer ernstig misdraagt tegenover personen en instanties die zijn belast met de uitvoering van de PW als bedoeld in artikel 9, zesde lid, van de PW, tegenover personen en instanties die zijn belast met de uitvoering van de IOAW als bedoeld in artikel 37, eerste lid, onder g IOAW of tegenover personen en instanties die zijn belast met de uitvoering van de IOAZ als bedoeld in artikel 37, eerste lid, onder g, van de IOAZ, wordt een verlaging opgelegd van: 60 % van de bijstandsnorm gedurende één maand bij veóaal geweld gericht tegen de in de aanhef genoemde personen en/of instanties, bij intimidatie en/of discriminatie van de in de aanhef genoemde personen; IOOYo van de bijstandsnorm gedurende één maand bij (dreigend)fysiek geweld gericht

tegen de in de aanhef genoemde personen en/of instanties en/of materiële zaken.

Artikel í7. Niet nakomen van overige verplichtingen Als een belanghebbende een door het dagelijks bestuur opgelegde verplichting als bedoeld in artikel 55 van de PW en artikel 38, eerste lid, van het Bbz niet of onvoldoende nakomt, wordt een verlaging toegepast. De verlaging wordt vastgesteld op: 50 % van de bijstandsnorm gedurende één maand.

Hoofdstuk 5.

Samenloop en recidive

Artikel í8. Samenloop van gedragingen 1. Als sprake is van één gedraging die schending oplevert van meerdere in deze verordening of artikel

18, vierde lid, van de PW genoemde verplichtingen, wordt één verlaging opgelegd. Voor het bepalen van de hoogte en duur van de verlaging wordt uitgegaan van de gedraging waarop de hoogste verlaging is gesteld. 2. Als Àprake is van meerdere gedragingen die schending opleveren van één of meerdere in deze verordening of artikel 18, vierde lid, van de PW genoemde verplichtingen, wordt voor iedere gedraging een afzonderlijke verlaging opgelegd. Deze verlagingen worden gelijktUdig opgelegd, tenzijdit gelet op de ernst van de gedraging, de mate van verwijtbaarheid en de omstandigheden van de belanghebbende niet verantwoord is. Bedragen de verlagingen tezamen meer dan 100% van de bijstandsnorm, dan is gelijktijdige oplegging van de verlagingen niet mogelijk. ln dat geval bedraagt de verlaging de eerste maand in beginsel 100% van de bijsiandsnorm en de resterende verlaging(en)worden in beginseltelkens tot maximaal 100% van de bijstandsnorm geëffectueerd in de daarop volgende maand(en). 3. Als sprake is van één gedraging die schending oplevert van zoweleen in deze verordening of

artikel 18, vierde lid, van de PW genoemde verplichting als een in artikel 17, eerste lid, van de PW genoemde verplichting, wordt geen verlaging opgelegd, voor zover voor die schending een bestuurlijke boete wordt opgelegd. 4. Als sprake is van meerdere gedragingen die schending opleveren van zowel een in deze verordening of artikel 18, vierde lid, van de PW genoemde verplichting als een in artikel 17, eerste lid, van de PW genoemde verplichting, waarvoor een bestuurlijke boete kan worden opgelegd, wordt voor iedere gedraging een afzonderlijke verlaging opgelegd, tenzij dit gelet op de ernst van de gedraging, de mate van verwijtbaarheid en de omstandigheden van de belanghebbende niet verantwoord is.

Artikel í9. Recidive 1. Als een belanghebbende zich binnen twaalf maanden na bekendmaking van een besluit waarmee

een verlaging is toegepast vanwege een gedraging als bedoeld in de artikelen 8, 9, 14, 15 eerste lid, 16 of 17 opnieuw schuldig maakt aan eenzelfde verwijtbare gedraging, wordt telkens de duur van de oorspronkelijke verlaging verdubbeld. 2. Als een belanghebbende zich binnen twaalf maanden na bekendmaking van een besluit waarmee een verlaging is toegepast vanwege het schenden van een verplichting als bedoeld in artikel 11 van deze verordening, opnieuw schuldig maakt aan het schenden van een verplichting als bedoeld in olo artikel 1 í (venrvijzend naar artikel 18, vierde lid, van de PW), bedraagt de verlaging 100 van de bijstandsnorm gedurende twee maanden.

Hoofdstuk 6.

Blijvende of tijdelijke weigering IOAW/IOAZ

Artikel 20. Samenloop bij weigeren uitkering IOAWIOAZ Als het dagehjks bestuur de uitkering op grond van artikel 20, eerste lid, van de IOAW of artikel 20, tweede lid, van de IOAZ blijvend of tijdelijk weigert en de gedraging die tot deze weigering heeft geleid tevens op grond van deze verordening tot een verlaging zou kunnen leiden, blijft een verlaging ter zake van die gedraging achterwege.

Artikel 2í. Blijvend en tijdelijk weigeren IOAW- of lOAZ-uitkering 1. Het dagelijks bestuur kan de uitkering tídelijk weigeren naar de mate waarin de belanghebbende inkomen als bedoeld in of op grond van artikel 8 van de IOAW of de IOAZ zou hebben kunnen verwerven, als: a. aan de beëindiging van zijn dienstbetrekking een dringende reden ten grondslag ligt in de zin van artikel 678 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek en de belanghebbende ter zake een verwijt kan worden gemaakt, of b. de dienstbetrekking is beëindigd door of op verzoek van de belanghebbende zonder dat aan de voortzetting ervan zodanige bezwaren waren verbonden, dat deze voortzetting redelijkerwijs niet van hem zou kunnen worden gevergd. 2. Het dagelijks bestuur kan de uitkering blijvend weigeren naar de mate waarin de belanghebbende inkomen als bedoeld in of op grond van artikel 8 van de IOAW van de IOAZ zou hebben kunnen verwerven, als de belanghebbende: a. nalaat algemeen geaccepteerde arbeid te aanvaarden, of b. door eigen toedoen geen algemeen geaccepteerde arbeid verkrijgt.

Hoofdstuk 7

Slotbepalingen

Artikel 22. Uitvoering Het dagelijks bestuur is belast met de uitvoering van het bepaalde in deze verordening

Artikel 23. lntrekken oude verordening De Afstemmingsverordening Participatiewet, IOAW en IOAZ ISD Bollenstreek 2017 wordt ingetrokken per datum van inwerkingtreding van de Afstemmingsverordening PW, IOAW en IOAZ ISD Bollenstreek 2022.

Artikel 24. lnwerkingtreding en citeertitel 1. Deze verorden

treedt in

de

Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van De voozitter, De griffier,

icatie.

Toelichting op de Afstemmingsverordening PW, IOAW en IOAZ lSD Bollenstreek 2O17 ALGEMEEN Rechten en plichten in de Participatiewet (PW) De gemeente heeft een verantwoordelijkheid met betrekking tot de invulling van de rechten en plichten van bijstandsgerechtigden. Mede gelet op de rechtszekerheid van een bijstandsgerechtigde moet het gemeentelijk beleid vastgelegd worden in een verordening. Rechten en plichten zijn echter twee kanten van één medaille. Het recht op algemene bijstand is altijd verbonden aan de plicht zich in te zetten om weer onafhankelijk te worden van de uitkering.

Artikel 18, eerste lid, van de PW spreekt over het afstemmen van de bijstand en de daaraan verbonden verplichtingen op de omstandigheden, mogelijkheden en middelen van een belanghebbende. ln deze bepaling wordt benadrukt dat het vaststellen van de hoogte van de uitkering en de daaraan verbonden verplichtingen voor bijstandsgerechtigden maatwerk is. Daarbij moet recht worden gedaan aan de individuele situatie en de persoonlijke omstandigheden van bijstandsgerechtigden.

Artikel 18, tweede lid, van de PW legt een directe koppeling tussen de rechten en plichten van uitkeringsgerechtigden: het recht op een uitkering is altijd verbonden aan de plicht zich in te zetten om weer onafhankelijk te worden van de uitkering. Dit betekent dat de vaststelling van de hoogte van de uitkering niet alleen afhangt van de toepasselijke uitkeringsnorm en de beschikbare middelen van de bijstandsgerechtigde, maar ook van de mate waarin de verplichtingen worden nagekomen. De inspanningen die van de bijstandsgerechtigde naar vermogen kunnen worden verwacht, spelen ook een rol. Vedaging van de uitkering Wanneer het dagelijks bestuur tot het oordeel komt dat een bijstandsgerechtigde zijn verplichtingen niet of in onvoldoende mate nakomt, verlaagt het de uitkering. Er is dus géén sprake van een bevoegdheid, maar van een vemlichtinq. Alleen wanneer iedere vorm van verwijtbaarheid ontbreekt, ziet het dagelijks bestuur af van een dergelijke verlaging. Het dagelijks bestuur moet niettemin bij de vaststelling van de verlaging rekening houden met de persoonlijke omstandigheden en de individueel vastgestelde verplichtingen. Het dagelijks bestuur kan dan ook van een verlaging afzien als het dagelijks bestuur daartoe zeer dringende redenen aanwezig acht. G e 0 n iform ee rde arbe i dsv e rpl ichti n ge n

Met ingang van 1 januari 2015 zijn in artikel 18, vierde lid, van de PW geUniformeerde arbeidsverplichtingen opgenomen. Voor schending van deze verplichting geldt dat de bqstand in beginsel moet worden verlaagd met 100 % gedurende een periode van minimaal één en maximaal drie maanden. ln de verordening is de duur van de verlaging vastgelegd (artikel 18, vijfde lid, van de PW). ls afgezien van een verlaging wegens het ontbreken van elke vorm van verwijtbaarheid, dan is het niet mogelijk om bij toepassing van bepalingen ten aanzien van recidive deze gedraging mee te tellen. ls vanwege de afstemming op grond van artikel 18, eerste lid, van de PW of vanwege dringende redenen afgezien van het opleggen van een verlaging, dan is daarin geen reden gelegen om de betreffende gedraging buiten beschouwing te laten in geval van recidive.

Herbeoordeling Het dagelrlks bestuur beoordeelt uiterhlk drie maanden na de datum van de beschikking of de omstandigheden en het gedrag van belanghebbende aanleiding geven de beslissing te hezien (artikel 18, derde lid, van de PW). Brj een dergelijke herbeoordeling hoeft niet opnieuw een besluit te worden genomen, waarbij alle feiten en omstandigheden opnieuw tegen het licht worden gehouden. Het heeft slechts als doel vast te stellen of belanghebbende tussentijds (binnen de periode waarover de verlaging zich uitstrekt) blijk heeft gegeven van een zodanige gedragsverandering of dat sprake is van een zodanige wijziging van omstandigheden, dat aanleiding bestaat de eerder opgelegde verlaging in zwaaie of duur bij te stellen.l Artikel 18, derde lid, van de PW is naar oordeel van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid niet van toepassing als sprake is van schending van een van de geuniformeerde 1 CRvB 19-04-2011, nr. 1014882 \AA/íB, ECLI:NL:CRVB:2011:BQ3002.

arbeidsverplichtingen (artikel 18, vierde lid, van de PW). Ten aanzien van geUniformeerde '18, arbeidsverplichtingen is artikel 18, elfde lid, van de PW van toepassing. Verschil tussen artikel pas toegepast als worden lid, kan derde lid, en artikél 18, elfde lid, van de PW is dat artikel 18, elfde belang hebbende daarom vraagt. Punitieve / reparatoire sanctie Een verlaging krachtens de afstemmingsverordening is een punitieve sanctie voor zover de verlaging wordt opgelegd omdat belanghebbende zich zeer ernstig heeft misdragen.2 Als een betreffende gedraging ook een strafbaar feit oplevert, kan belanghebbende hier strafrechtelijk voor worden vervotgO.-Oeze verlaging en de strafuervolging kunnen alleen naast elkaar bestaan als sprake is van juridisèh te onderscheiden feiten. Bijvoorbeeld: belanghebbende beledigt opzettelijk een ambtenaar. Strafrechtelijk bezien kan een geldboete worden opgelegd of een gevangenisstraf van ten hoogste drie maanden. Daarnaast is sprake van zich zeer ernstig misdragen zoals bedoeld in artikel 9, zesde lid, van de PW op grond waarvan de bijstand kan worden verlaagd.

ln andere gevallen waarin een verlaging wordt opgelegd krachtens de afstemmingsverordening is sprake van een reparatoire sanctie (bijvoorbeeld bij schending arbeidsverplichting). Als een betreffende gedraging ook een strafbaar feit oplevert, kan belanghebbende hier strafrechtelijk voor worden vervólgd. De verlaging en de strafvervolging kunnen naast elkaar bestaan omdat het hier gaat om een reparatoire maatregel en een punitieve sanctie. Afstemmen in de IOAW en de IOAZ Het dagelijks bestuur heeft de mogelijkheid een uitkering op grond van de IOAW of IOAZ te verlagen of te wéigéren als een belanghebbende de aan het recht op uitkering verbonden verplichtingen niet of onvoldoende nakomt (artikel 20 van de IOAW en artikel van de 20IOAZ). Het gemeentelijk beleid moet vastgelegd worden in een verordening (artikel van de 35 IOAW en artikel 35 van de IOAZ). Het afstemmingsbeleid in de IOAW en IOAZ is zoveel mogelijk analoog aan het afstemmingsbeleid in de PW opgesteld. Hierbij moet welworden opgemerkt dat de IOAW en de IOAZ - in afwijking van de PW - in een aantal situaties de mogelijkheid creëren om de uitkering (gedeeltelijk) blijvend te weigeren.

Schenden van de inlichtingenplicht De bestuurlijke boete is per I januari 2013 opnieuw ingevoerd in de Wet werk en bijstand (hierna: \ M/B) (thans: PW), IOAW en IOAZ. Deze moet worden opgelegd bij een schending van de inlichtingenplicht en komt in de plaats van de verlaging van de bijstand. De relatie met het Bbz Deze verordening is ook van toepassing op de verlening van bijstand op grond van het Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004 (Bbz). Het gaat hierbij primair om de verlening van algemene bijstand voor het levensonderhoud en de in de jaarÀorm opgenomen bijzondere bijstand voor hoge woonkosten en premie arbeidsongeschiktheidsverzekering. Het begrip jaar norm staat in artikel 1, onderdeel g, van het Bbz. Het gaat ook om uitbreiding van het begrip medewerkingsplicht. Het gaat hierbij om de verplichting, opgenomen in artikel3S, tweede lid van het Bbz: De zelfstandige aan wie bijstand wordt verleend is verplicht naar behoren een administratie te voeren en deze op eigen initiatief binnen 6 maanden na afloop van het boekjaar waarin bijstand is verleend, aan het college over te leggen. Die plicht geldt ook als de gemeente om de administratie vraagt, bijvoorbeeld óm de bedrijfsontwikkeling te beoordelen in het geval verlenging van de uitkeringstermijn aan de orde is. Een verdere aanpassing is niet nodig.

lmmers, voor zelfstandigen die een uitkering krachtens het Bbz ontvangen of hebben ontvangen, geldt ook de medewerkingsplicht.

Ten aanzien van het niet leveren van de administratie (aarcijfers) voor de definitieve vaststelling van de verleende uitkering over het betreffende boekjaar, geldt op grond van artikel 58 van de Pw en de lntegrale uitvoeringsregels debiteuren ISD Bollenstreek 2022 dat het dagelijks bestuur de bijstand van CRvB 29-07-2008,nrs.0712262\l{V\B e.a., ECLI:NL:CRVB:2008:BD9023, CRvB 19-08-2008, nrs. 0712416 \AA/UB e.a., ECLI:NL:CRVB:2008:BE8919 en C RvB 1 9-01 -201 0, nr. 081 1012 \rV\A/B, ECLI : NL: CRVB:201 0: B10052. 2 CRvB 31-12-2007, nrs.06/4510\AAIUB, ECLI:NL:CRVB:2007:8C1811,

de zelfstandige terugvordert voor zover de bijstand ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend als gevolg van het niet nakomen van de verplichting bedoeld in artikel 38, tweede lid. Op grond van artikel 58 Pw en de lntegrale uitvoeringsregels debiteuren ISD Bollenstreek 2022 vordert het dagelijks bestuur kosten van bijstand in de vorm van een geldlening terug, indien de zelfstandige de uit de geldlening voortvloeiende verplichtingen niet of niet behoorlijk nakomt. Het dagelijks bestuur vordert dus onder toepassing van beide artikelen de geldlening over het betreffende boekjaar geheel van de zelfstandige terug, in het geval de hier bedoelde verplichting niet wordt nagekomen. Er is in dat geval in principe geen aanleiding om tevens een verlaging op grond van deze verordening op te leggen: de gehele jaaruitkering wordt immers al teruggevorderd. Het leveren van de jaarcijfers is ook nodig voor vaststelling van het bedrag om niet of de rentereductie, bedoeld in artikel 21 Bbz (bedrijfskapitaal aan gevestigde zelfstandigen). Als de zelfstandige hiervoor geen jaarcijfers overlegt, kent de gemeente geen bedrag om niet of rentereductie toe. Er is dan ook geen aanleiding voor een verlaging, nog daargelaten dat een verlaging niet op een reeds verstrekte g eld len ng kan worden geëffectueerd. i

Ten aanzien van de in de verordening opgenomen gedragingen en verlagingen met betrekking tot de verplichtingen, gericht op het verkrijgen van algemeen geaccepteerde arbeid, geldt voor zelfstandigen en hun partners het volgende: De in artikel 9 en 10 van de PW opgenomen verplichtingen gelden alleen voor de zelfstandige die geschikt is voor het verrichten van arbeid, maar die ten minste zes maanden zijn bedrijf of zelfstandig beroep niet kan uitoefenen (artikel 38, derde lid Bbz). De verplichtingen, bedoeld in artikel 9 en 10 van de PW kunnen aan de partner van de zelfstandige worden opgelegd, voor zover die partner tevens rechthebbende is voor de PW en niet zelf een zelfstandige in de zin van het Bbz is of fulltime meewerkt in het bedrijf of zelfstandig beroep van de zelfstandige. Uiteraard kan ook bij minder uren rekening worden gehouden met de meewerkuren in het bedrijf of zelfstandig beroep van de zelfstandige. De in de verordening opgenomen gedragingen die leiden tot een verlaging (tekortschietend besef van verantwoordelijkheid, nadere verplichtingen en zeer ernstige misdragingen) zijn ook voor het Bbz gedragingen die leiden tot een verlaging. Artikel 18, tweede lid, van de PW is onverkort van toepassing op het Bbz.

Uit artikel 38, eerste lid Bbz vloeit voort dat de zelfstandige de door het dagelijks bestuur opgelegde verplichtingen, gericht op een doelmatige bedrijfs- of beroepsuitoefening, moet nakomen. Doet hij dat niet of in onvoldoende mate, dan is het dagelijks bestuur bevoegd om een verlaging op te leggen, omdat de zelfstandige door deze verplichting niet of niet voldoende na te komen, blijk heeft gegeven van een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de bestaansvooziening. Het dagelijks bestuur kan bijvoorbeeld een verplichting opleggen, gericht op beperking van de bedrijfskosten (zoals uitzien naar een goedkopere bedrijfsruimte, inruil dure leaseauto voor een goedkopere, stopzetten niet-noodzakelijke abonnementen etc.), op veóetering van de omzet (effectievere acquisitie, verandering brutowinstmarge, verandering openstelling, ontwikkeling internetverkoop etc.), of op vermindering van de privé-uitgaven. Als later blijkt dat de zelfstandige niet (volledig) aan de gestelde verplichtingen heeft voldaan, kan dat leiden tot beëindiging van de bijstand, of voortzetting van de bijstand met een verlaging. Uiteraard is het opleggen van een verlaging alleen aan de orde, indien er nog sprake is van een lopende Bbzuitkering.

Als geen benadelingbedrag of -periode kan worden vastgesteld - en dat is bij de bijstandsverlening aan zelfstandigen en de daarbij geldende specifieke verplichtingen vaak het geval dan geldt de verlaging van artikel 15.

Wegens ziekte of arbeidsongeschiktheid kan een beroep op Bbz worden gedaan. Dan kan eveneens een verlaging aan de orde zijn wegens tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de bestaansvoorziening. Het Bbz 2004 gaat primair uit van de eigen verantwoordelijkheid van de zelfstandige. ln dit kader betekent dit dat de zelfstandige zelf verantwoordelijk is voor het afsluiten van een toereikende particuliere arbeidsongeschiktheidsverzekering. Deze verzekering wordt beschouwd als een voorliggende voorziening op bijstand. Een zelfstandige die verwijtbaar geen arbeidsongeschiktheidsvezekering of een arbeidsongeschiktheidsverzekering met een te lage dekking of te lange wachttijd heeft afgesloten en die bij ziekte/arbeidsongeschiktheid een beroep doet op bijstand (Bbz), heeft een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de bestaansvooziening betoond. Een afwijzing van de bijstandsaanvraag op grond van artikel 15, eerste lid, van de MA/B is echter niet aan de orde, aangezien na het ingaan van de arbeidsongeschiktheid sprake zal ziln van

feitelijke onverzekerbaarheid. Er kan dan geen sprake meer zijn van een beroep kunnen doen op een voorlggende vooziening. Wel kan, als uitkering wordt verleend omdat aan de overige voonruaarden voor Èét verkrijgen van recht op uitkering is voldaan, een verlaging aan de orde zijn. Bij beëindigende ondernemers die een beroep op het Bbz doen, moet worden beoordeeld of de nóodzakeliJke beëindiging wegens niet-levensvatbaarheid van het bedrijf is veroorzaakt door verwijtbaai gedrag van de zelfstandige (bijvoorbeeld door slechte betalingsmoraliteit, of een onverantwoord hoog uitgavenpatroon). Als daarvan sprake is, is een verlaging wegens tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de bestaansvoorziening aan de orde.

Arti kels gewijze toel ichti ng Enkel die bepalingen die nadere toelichting behoeven worden hier behandeld.

Artikel í. Begrippen Begrippen die al zijn omschreven in de PW, de IOAW, de IOAZ, de Algemene wet bestuursrecht (Awb) of de Gemeentewet worden niet afzonderlijk gedefinieerd in deze verordening. Deze zijn vanzelfsprekend van toepassing op deze verordening.

Bijstandsnorm Onder de 'bijstandsnorm' wordt in deze verordening verstaan de in de situatie van belanghebbende geldende bijstandsnorm. Dit is de toepasselijke norm, eventueel verminderd met verlagingen, alles inclusief vakantietoeslag. Voor zover sprake is van een uitkering op grond van de IOAW of de IOAZ wordt onder bijstandsnorm verstaan de toepasselijke grondslag zoals bedoeld in artikel 5 van de IOAW en artikel 5 van de IOAZ

Artikel 2. Het verlagen van de uitkering ln de afstemmingsverordening zqn voor allerlei gedragingen die een schending van een verplichting betekenen, standaard verlagingen vastgesteld in de vorm van een vaste (procentuele) verlaging van de bijstandsnorm. ln dit artikel is de hoofdregel vastgelegd. het dagelijks bestuur moet een verlaging afstemmen op de ernst van de gedraging, de individuele omstandigheden van de belanghebbende en de mate van verwijtbaarheid. Deze bepaling staat niet meer in de VIMB/PW, de IOAW en de IOAZ; alleen voor de geUniformeerde aöeidsverplichtingen is geregeld hoe de verlaging (de maatregel) moet worden vastgesteld. Maar de Centrale Raad van Beroep heeft uitgesproken dat voor de V1AA/B geldt dat bij het vaststellen van een verlaging altrjd rekening moet worden gehouden met de ernst van de gedraging, de individuele omstandigheden van de belanghebbende en de mate van verwijtbaarheid3. Opname in de verordening is daarom niet noodzakelijk, maar uit het oogpunt van duidelijkheid is deze belangrijke maatwerkregel toch (weer) opgenomen in deze verordening.

Het dagelijks bestuur moet dus bij het beoordelen of de uitkering wordt verlaagd, en zo ja hoeveel de uitkering wordt verlaagd, telkens de volgende drie stappen doorlopen: Stap 1: vaststellen van de ernst van de gedraging; Stap 2: vaststellen van de verwijtbaarheid; Stap 3: vaststellen van de omstandigheden van de belanghebbende. De ernst van de gedraging komt tot uitdrukking in het standaardpercentage waarmee de uitkering wordt verlaagd. De beoordeling van de verwijtbaarheid gebeurt op basis van de feiten 'ex tunc', dat wil zeggen naar het moment van de gedraging (die reden vormt voor de verlaging). Ontbreekt iedere verwijtbaarheid, dan wordt afgezien van verlaging van de uitkering (artikel 18 lid 9 PW jo artikel 5 en de toelichting daarop). En tot slot kunnen omstandigheden van de belanghebbende een rol spelen. Het kan gaan om bijvoorbeeld financiële omstandigheden of sociale omstandigheden. Ook de beoordeling van de omstandigheden van belanghebbende gebeurt op basis van de feiten 'ex tunc', dus naar het moment van de gedraging.

Getiniformeerde arbeidsverplichtingen (tweede lid) Voor de geUniformeerde aóeidsverplichtingen is in de Participatiewet zelf vastgelegd hoe de verlaging moet worden vastgesteld. ln artikel 18, negende lid, van de Participatiewet is geregeld dat wordt afgezien van het opleggen van een maatregel indien elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt. En in het tiende lid van artikel 18 van de Participatiewet is geregeld dat een maatregelwordt afgestemd op de omstandigheden van belanghebbende en diens mogelijkheden om middelen te verwerven, indien naar het oordeelvan het college (het dagelijks bestuur), gelet op bijzondere omstandigheden, dringende redenen daartoe noodzaken. Bij de geUniformeerde verplichtingen moet daarom worden getoetst aan de PW zelf (en niet aan het eerste lid van deze verordening). Voor de duidelijkheid is dit opgenomen in het tweede lid.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Noordwijk&id=0d8c1e97-2a3a-4626-97f4-02237a5800fd