CConstaterende datNoordoostpolder
Koppel je AI →
Document · PDF

D21 01 Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning gemeente Noordoostpolder 2026.pdf

Gemeenteraad 26 januari 2026, gemeente NoordoostpolderBij agendapunt: 5: Lijst ingekomen stukken49.812 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 6

Beschermd wonen Verblijft een cliënt met een indicatie voor beschermd wonen tijdelijk elders maar de plek blijft wel voor de cliënt beschikbaar (bezet), dan blijft de eigen bijdrage verschuldigd. 3.7.2 Bijdrage niet verschuldigd Het college is bevoegd om te bepalen dat de cliënt (tijdelijk) geen eigen bijdrage verschuldigd is (art. 3.8 lid 3 onder g en h Uitvoeringsbesluit Wmo 2015). Tijdelijk geen betalingscapaciteit Het gaat om cliënten die tijdelijk door (abrupte) veranderingen in de betalingscapaciteit door bijvoorbeeld bijzondere omstandigheden geen mogelijkheid hebben de bijdrage (tijdelijk) te voldoen. De bevoegdheid is nadrukkelijk bedoeld voor het ontbreken van betalingscapaciteit en niet het ontbreken van inkomen en vermogen. Dat betekent dat iemand geen beschikking heeft over voldoende vrij besteedbaar inkomen om aan de betalingsverplichtingen te voldoen. Het college berekent de

31

betalingscapaciteit op basis van de individuele situatie. Deze bevoegdheid geldt sinds 1 januari 2018 toen de eigen bijdrage nog inkomensafhankelijk was. Gelet op de hoogte van het abonnementstarief zal zelden sprake van zijn van het ontbreken van betalingscapaciteit. Het hebben van schulden valt niet onder het ontbreken van betaalcapaciteit. Zorgmijders Het gaat bij zorgmijders specifiek om cliënten die de stap naar ondersteuning niet kunnen of willen maken. Meestal is er sprake van een vorm van verwaarlozing. Het kan voorkomen dat het vragen van een eigen bijdrage maakt dat de stap naar ondersteuning niet wordt gezet. Dat wil zeggen: het opleggen van een eigen bijdrage heeft nadelige gevolgen voor de doelstellingen van een integrale dienstverlening of persoonsgerichte aanpak van een cliënt die gericht is op het zich kunnen handhaven in de samenleving, het zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving blijven of de veiligheid en leefbaarheid in Noordoostpolder. In die gevallen kan het college besluiten om tijdelijk geen eigen bijdrage op te leggen. 3.8 Regresrecht Artikel 2.4.3 Wmo 2015 Een onrechtmatige daad is in het burgerlijk recht de term voor een fout die een ander schade berokkent. In het algemeen betekent dit dat degene die een onrechtmatige daad heeft begaan, ervoor verantwoordelijk is de hieruit voortkomende schade te vergoeden.

Door een onrechtmatige daad kan een cliënt aangewezen zijn op een maatwerkvoorziening. Denk bijvoorbeeld aan de gevolgen van een ongeval. Cliënt heeft een keuze In het algemeen mag van een cliënt in het kader van de eigen kracht niet worden verlangd dat hij zich voor de kosten van de benodigde maatwerkvoorzieningen (eerst) tot de (verzekeraar van de) schadeveroorzaker wendt. De uitdrukkelijke bedoeling van de wetgever is dat de cliënt keuzevrijheid heeft: melding bij het college of de schadeveroorzaker aanspreken. De enkele omstandigheid dat de client met de (verzekeraar van de) schadeveroorzaker een vaststellingsovereenkomst heeft gesloten, brengt niet mee dat het een cliënt niet meer vrijstaat zich tot het college te wenden (CRVB:2024:2410 en vgl. CRVB:2025:84). Regres plegen Het college heeft de bevoegdheid regres te plegen en de schade te verhalen op degene die de onrechtmatige daad heeft begaan. De datum van de onrechtmatige daad is bepalend: plaatsgevonden op of ná 1 januari 2019.

Gebruik formulier Het college kan ook gebruik maken van het model-schadeformulier voor de declaratie van regreskosten. Het formulier is beschikbaar via de website van de VNG.

Hoofdstuk 4 Gebruikelijke hulp Artikel 1.1.1 lid 1 Wmo 2015 (begripsbepaling) Artikel 1.1 lid 1 onder g, l en aa Verordening (begripsbepalingen) Artikel 4.3 Verordening (hulp van huisgenoten) 4.1 Inleiding Gebruikelijke hulp is in de Wmo 2015 gedefinieerd als hulp die naar algemeen aanvaarde opvattingen in redelijkheid mag worden verwacht van de echtgenoot, ouders, inwonende kinderen of andere huisgenoten (art. 1.1.1 lid 1 Wmo 2015). Gebruikelijke hulp strekt zich daarom alleen uit tot personen die met de cliënt woonachtig zijn in een woning. De zogeheten leefeenheid bestaat uit de bewoners die

32

No. 25.0002254 gemeenschappelijk een woning bewonen met het oog op gezamenlijk een huishouden te voeren. Onder een huisgenoot wordt iedere andere persoon verstaan die tot de leefeenheid van de cliënt kan worden gerekend. Dat wil zeggen dat volwassen huisgenoten alleen bij een commerciële huurders- of kostgangersrelatie geen deel uitmaken van de leefeenheid. Het gaat om personen die een (pension)kamer huren via een (huur)overeenkomst. In zo’n overeenkomst kan overigens wel staan dat ruimten voor gemeenschappelijk gebruik door de huurder of kostganger moeten worden schoongehouden. In dat geval stemt het college de omvang van de ondersteuning daarop af. Dat wil overigens niet zeggen dat als er geen contractuele bepalingen zijn opgenomen over het schoonmaken, dat het college meer huishoudelijke ondersteuning moet verstrekken. Voor zover er sprake is van meer vervuiling vanwege intensiever gebruik door de huurder of kostganger, dan valt dat buiten de omvang van de indicatie. 4.2 Beleidsuitgangspunten In de Wmo 2015 staat voorop dat door het college allereerst wordt bezien of en in hoeverre iemand zelf dan wel met gebruikelijke hulp in staat is zijn problemen (beperkingen) op te lossen of te verminderen.

In onze samenleving wordt het normaal geacht dat de echtgenoot, geregistreerde partner, zij die een gezamenlijke huishouding voeren, ouders, inwonende kinderen of andere huisgenoten waar nodig en mogelijk hun rol nemen binnen de leefeenheid (het huishouden), zeker daar waar er sprake is van een huisgenoot met een beperkte zelfredzaamheid. Gebruikelijke hulp vloeit rechtstreeks voort uit de sociale relatie, waarin het voeren van een gemeenschappelijk huishouden een gezamenlijke verantwoordelijkheid voor het functioneren van dat huishouden met zich brengt. Gebruikelijke hulp is dan ook de normale, dagelijkse hulp die de hiervoor genoemde huisgenoten geacht worden elkaar onderling te bieden. In dit hoofdstuk wordt verder de term partner gebruikt. Daarmee wordt bedoeld: echtgenoot, geregistreerde partner of zij die een gezamenlijke huishouding voeren als bedoeld in artikel 1.1.2 Wmo 2015. 4.3 Objectief afwegingskader Artikel 4.3 Verordening Objectief wegingskader Het is wenselijk om een objectief afwegingskader vast te stellen wat betreft de afbakening en inzet van gebruikelijke hulp om te voorkomen dat in voorkomende gevallen sprake is van toeval of van willekeur. Onderzoek Tijdens het onderzoek worden de problemen geïnventariseerd die de cliënt heeft in zijn zelfredzaamheid en/of participatie.

Op basis van die inventarisatie beoordeelt het college of er ondersteuning nodig is en zo ja, welke (zie hoofdstuk 2 Procedure van deze beleidsregels). Pas dan kan op juiste wijze worden vastgesteld of gebruikelijke hulp mag worden verwacht van huisgenoten (bijv. CRVB:2018:3243, CRVB:2018:3108). Verordening De Verordening bepaalt dat het college bij het afwegingskader in ieder geval rekening houdt met: 1. De aard en omvang van de ondersteuningsbehoefte van de cliënt. 2. De aard van de relatie van de persoon binnen de leefeenheid met de cliënt. 3. De leeftijd en de ontwikkelingsfase van inwonende kinderen. 4. De leerbaarheid van de cliënt en/of de personen van wie gebruikelijke hulp kan worden gevergd. Dat is nader uitgewerkt in 4.4 Algemeen aanvaardbare opvattingen en 4.5 In redelijkheid te verwachten van huisgenoten in dit hoofdstuk. Daarbij geldt dat van partners in redelijkheid meer hulp worden verwacht dan van bijvoorbeeld kinderen aan hun ouders of van andere huisgenoten (RBLIM:2022:7897).

33

4.4 Algemeen aanvaardbare opvattingen Onder hulp die op grond van algemeen aanvaardbare opvattingen geacht wordt geboden te kunnen worden valt in ieder geval: • Overname van huishoudelijke taken, • Overname van of hulp bij de thuisadministratie, • hulp gericht op zelfzorg, • hulp bij het doen van aankopen, • hulp bij structureren van de dag/week, • hulp bij participatie, • Legen en reinigen van de toiletemmer, • Zorg voor minderjarige inwonende kinderen. Niet-professionele ondersteuning Het gaat bij gebruikelijke hulp om niet-professionele ondersteuning die niet per se door een professional geboden hoeft te worden (bijv. CRVB:2021:823, CRVB:2021:1114). Daarom wordt in dit hoofdstuk de term hulp gebruikt. Verder is geen limitatieve opsomming beoogd. Andere ondersteuning kan volgens het college ook onder algemene aanvaardbare opvattingen vallen. 4.5 In redelijkheid te verwachten van huisgenoten Artikel 1.1.1 lid 1 Wmo 2015 (begripsbepaling) Artikel 4.3 Verordening In redelijkheid Of in redelijkheid mag worden verwacht dat huisgenoten gebruikelijke hulp bieden is afhankelijk van de individuele situatie. Als het onderzoek daartoe aanleiding geeft, zal het college vast moeten (laten) stellen of de huisgenoot in staat is de gebruikelijke hulp te bieden over te nemen.

De individuele situatie gaat in ieder geval over: • de beschikbaarheid van de huisgenoot voor de niet-uitstelbare taken, • mogelijke overbelasting van de huisgenoot, • de (totale) omvang van de ondersteuningsbehoefte van de cliënt. Voor de vaststelling of de huisgenoot in staat is tot het bieden van gebruikelijke hulp kan het college bijvoorbeeld om advies vragen (zie hoofdstuk 17 Advisering van deze beleidsregels). Hulp in de keuken Onder gebruikelijke hulp valt ook het aangegeven van spullen uit de keukenkasten waar de cliënt niet bij kan. In zo’n geval weigert het college een aanpassing van de keuken (CRVB:2025:1461). 4.5.1 Aard van de ondersteuningsbehoefte De aard van de ondersteuningsbehoefte kan divers van aard zijn. Die zal eerst geïnventariseerd moeten worden, voordat kan worden beoordeeld of er sprake kan zijn van gebruikelijke hulp (CRVB:2018:373). Het college houdt rekening met de aard van de relatie die de persoon binnen de leefeenheid heeft met de cliënt (art. 4.3 Verordening). Dat betekent dat er onderscheid kan bestaan tussen wat van partners ten opzichte van elkaar als gebruikelijke hulp kan worden aangemerkt, tussen kinderen ten opzichte van hun ouders en andere huisgenoten die bijvoorbeeld geen bloedverwantschap hebben met de cliënt.

In het algemeen wordt ook verwacht dat aan personen van het sociaal netwerk, uitleg wordt gegeven in het omgaan met de beperkingen van de cliënt. Denk aan familie, vrienden, leerkracht, etc. Dit voor zover het niet-professionele hulp betreft. Niet beheersen Nederlandse taal Het (nog) niet beheersen van de Nederlandse taal is geen beperking in de zin van de Wmo. Het kan wel voorkomen dat dit een probleem oplevert bij het bieden van gebruikelijke hulp. Het college wijst de

34

No. 25.0002254 cliënt en degene van wie gebruikelijke hulp wordt verwacht op de mogelijkheden. Denk aan een tolk of cliëntondersteuning. 4.5.2 Omvang van de ondersteuningsbehoefte Ook de omvang van de ondersteuningsbehoefte kan divers van aard zijn. Die zal eerst geïnventariseerd moeten worden, voordat kan worden beoordeeld of er sprake kan zijn van gebruikelijke hulp (CRVB:2018:373). De vraag of het gaat om uitstelbare of niet-uitstelbare ondersteuning is daarbij ook van belang. De cliënt kan bijvoorbeeld aangewezen zijn op: hulp bij het vervoer, de administratie of aansporing bij zelfzorg. De omvang van de hulp kan onder de normale routine van de leefeenheid vallen. Denk bijvoorbeeld aan het uitzoeken en klaarleggen van kleding, het gezamenlijk eten, samen er op uit, etc. De totale omvang (en aard) van de ondersteuningsbehoefte kan met zich meebrengen dat een deel van de taken of activiteiten niet als gebruikelijke hulp kan worden aangemerkt. Dat deel wordt als bovengebruikelijke hulp aangemerkt. Zijn er geen andere oplossingen beschikbaar, dan moet het college een maatwerkvoorziening verstrekken. 4.5.3 Leerbaarheid cliënt of huisgenoot Het kan voorkomen dat er (tijdelijk) geen gebruikelijke hulp kan worden gevergd. Een reden kan zijn dat de huisgenoot niet weet op welke manier zij gebruikelijke hulp kan of moet verlenen, maar dat wel kan aanleren.

Denk bijvoorbeeld aan situaties waarin men wordt geconfronteerd met een ondersteuningsbehoefte van de cliënt door niet eerder aanwezige beperkingen zoals een niet aangeboren hersenletsel (NAH) of (beginnende) dementie. Of een huisgenoot die bijvoorbeeld nooit heeft geleerd om huishoudelijke werkzaamheden uit te voeren, maar wel leerbaar is. Het college kan dan tijdelijk een maatwerkvoorziening inzetten om de gebruikelijke hulp aan te leren. Redenen als 'niet gewend zijn om’ of ‘geen huishoudelijke werk willen en/of kunnen verrichten' leiden niet tot een indicatie voor het overnemen van huishoudelijke taken. 4.5.4 Overname van huishoudelijke taken Voor huishoudelijke ondersteuning (schoonmaakondersteuning) geldt dat het binnen de algemeen aanvaarde opvattingen valt dat huisgenoten de huishoudelijke taken overnemen als een andere huisgenoot deze niet kan uitvoeren. Dit uitgangspunt is in lijn met de vaste rechtspraak van de CRvB (bijv. CRVB:2019:2616, CRVB:2018:2721 en CRVB:2017:4476). Dat wil zeggen dat geen rekening wordt gehouden met de aard van de relatie die de cliënt heeft met de huisgenoot. Dat de huisgenoot weigert om huishoudelijke taken te verrichten, maakt niet dat het college, met toepassing van de hardheidsclausule, gehouden is om huishoudelijke ondersteuning toe te kennen (CRVB:2016:3665).

Inwonende kinderen Als de cliënt thuiswonende kinderen heeft, dan gaat het college er in beginsel van uit dat de kinderen, afhankelijk van hun leeftijd en de ontwikkelingsfase, een bijdrage kunnen leveren aan het overnemen van huishoudelijke werkzaamheden. Dat sluit aan bij het algemene uitgangspunt van gebruikelijke hulp. Uitgangspunten: • Kinderen tot 5 jaar leveren geen bijdrage aan de huishouding. • Kinderen tussen 5 en 12 jaar worden naar hun eigen mogelijkheden betrokken bij huishoudelijke werkzaamheden zoals: opruimen, tafeldekken/afruimen, afwassen/afdrogen (vaatwasser in- en uitruimen), boodschap doen, kleding in de wasmand doen. • Kinderen vanaf 13 jaar kunnen, naast bovengenoemde taken, hun eigen kamer op orde houden, d.w.z. rommel opruimen, stofzuigen, bed verschonen. Ook kunnen zij geïnstrueerd worden was te sorteren, de wasmachine of wasdroger aan te zetten en de was op te vouwen en op te ruimen. • Kinderen vanaf 18 jaar kunnen in principe de huishoudelijke taken binnen de leefeenheid overnemen. Kind zijn

35

De inzet van kinderen mag niet ten koste gaan van hun welbevinden en ontwikkeling, waaronder het omgaan met leeftijdgenoten, het doen aan vrijetijdsbesteding en de schoolprestaties (TK 2013/14, 33 841, nr. 34, p. 116). Het college let in het bijzonder op de situatie van jonge mantelzorgers en zorgt er zo mogelijk voor dat zij worden uitgenodigd bij het onderzoek. 4.5.5 Jonge mantelzorgers Jonge mantelzorgers zijn kinderen en jongeren die opgroeien met een familielid dat chronisch ziek of gehandicapt is of een psychische aandoening heeft. Deze situatie kan een grote impact hebben op hun leven. Zij helpen omdat ze zich verantwoordelijk voelen voor het reilen en zeilen van het gezin en nemen daarbij vaak taken en verantwoordelijkheden op zich die niet altijd passen bij gewoon kind zijn. Ook kan het kind na verloop van tijd de rol van de ouder aannemen binnen het gezin. Ondersteuning (jonge) mantelzorger Carrefour biedt ondersteuning aan (jonge) mantelzorgers in Noordoostpolder. Het college wijst de (jonge) mantelzorger op deze ondersteuning, ook als huishoudelijke ondersteuning wordt ingezet. Overbelasting (dreigende) overbelasting Het college kan (tijdelijk) huishoudelijke ondersteuning verstrekken als uit onderzoek blijkt dat de (jonge) mantelzorger overbelast is of dreigt te geraken. Zie Bijlage 1 Onderzoek naar (dreigende) overbelasting bij deze beleidsregels.

4.5.6 Overname van of hulp bij de thuisadministratie Voor overname van de thuisadministratie geldt dat het binnen de algemeen aanvaarde opvattingen valt dat huisgenoten deze taak van elkaar overnemen als een van hen dat niet (meer) kan (bijv. CRVB:2021:1114, RBDHA:2018:10620 en RBZWB:2017:6072). Onder het doen van de thuisadministratie valt in ieder geval: de postverzorging, de betaling van rekeningen en dergelijke. Van een inwonend meerderjarig kleinkind mag bijvoorbeeld worden verwacht dat hij, naast de huishoudelijke taken ook de thuisadministratie van oma overneemt (CRVB:2021:1114). Daaronder zou ook de aansporing kunnen vallen in de zin van het helpen herinneren of dat de huisgenoot en de cliënt dat gezamenlijk doen. In die situatie biedt de huisgenoot ondersteuning bij de thuisadministratie. Het bieden van gebruikelijke hulp moet overigens niet verward worden met personen die niet (meer) in staat zijn om financiële beslissingen te nemen en daardoor in de problemen komen. Op die grond kan de Kantonrechter bewindvoering uitspreken omdat ‘derden’ misbruik zouden kunnen maken van de situatie van de cliënt. 4.5.7 Hulp gericht op zelfzorg Onder zelfzorg worden algemene dagelijkse levensverrichtingen (adl) verstaan zoals: lichaamsreiniging, zich kleden, eten en drinken, medicijnen innemen, etc.

Van partners mag worden verwacht dat de een de ander aanspoort tot het uitvoeren van deze adl-activiteiten in het kader van gebruikelijke hulp. Onder aansporen wordt het aanmoedigen verstaan om een activiteit uit te voeren. Dat wil zeggen: het helpen herinneren opdat de cliënt zich bijvoorbeeld gaat douchen of aankleden. Onder aansporen in het kader van gebruikelijke hulp valt niet het structureel moeten activeren van de cliënt; dat valt onder professionele ondersteuning. Een aantal adl-activiteiten gaat partners beiden aan en valt alleen al om die reden onder de gebruikelijke hulp die zij elkaar geacht worden te bieden, zoals het eten en drinken. Van inwonende meerderjarige kinderen wordt in principe niet verwacht dat zij hun ouder(s) aansporen tot zelfzorg. 4.5.8 Hulp bij het doen van aankopen Van partners wordt in ieder geval verwacht dat zij elkaar hulp bieden bij het doen van aankopen. Onder gebruikelijke hulp valt dan ook het overnemen van deze activiteiten voor zover een van hen daartoe niet meer in staat is of daar hulp bij nodig heeft. Daarmee is nadrukkelijk niet uitgesloten dat van meerderjarige inwonende kinderen niet ook mag worden verwacht dat zij hun ouder(s) incidenteel hulp bieden bij bijvoorbeeld het boodschappen doen.

36

No. 25.0002254 4.5.9 Ouders en meerderjarige kinderen Afhankelijk van de aard en de omvang van de ondersteuningsbehoefte mag van ouders worden verwacht dat zij bij bepaalde hulpvragen van een meerderjarig kind hulp bieden in het kader van de gebruikelijke hulp. Een aanvraag om een maatwerkvoorziening in de vorm van begeleiding wordt dan afgewezen (CRVB:2024:941). In de hiervoor aangehaalde uitspraak ging het onder meer om hulp dan wel aansturing om: • ‘s ochtends op tijd uit bed te komen; • te voorkomen dat te veel eten wordt opschept en betrokkene gaat kokhalzen tijdens het eten; • te kunnen werken met een agenda; • bij het ondernemen van nieuwe activiteiten. 4.5.10 Hulp bij structureren van de dag/week Van partners wordt verwacht dat zij elkaar hulp bieden bij activiteiten die hen ook gezamenlijk kunnen aangaan. De hulp kan bestaan uit het bespreken van een dag-of weekplanning (vergelijk CRVB:2021:823). Daarin staat bijvoorbeeld de volgorde waarin activiteiten plaats vinden en de dag of het dagdeel waarin de activiteit zal worden gedaan. Denk bijvoorbeeld aan: • Bezoek aan de huisarts, tandarts, specialist, e.d., • Regelen van dagelijkse zaken zoals: de hond uitlaten, postverwerking, uitvoeren van huishoudelijke taken, e.d., • Bezoek aan familie, • Deelname aan dagactiviteiten (brengen en/of opgehaald worden). Er is geen limitatieve opsomming beoogd.

Het gaat om activiteiten die kunnen gaan over het sociaal functioneren van de cliënt en het aanbrengen van structuur in de thuissituatie. De hulp heeft een nietprofessioneel karakter. 4.5.11 Hulp bij participatie Is vastgesteld dat de cliënt beperkingen heeft in de participatie, dan mag van partners of andere huisgenoten worden verwacht daar gebruikelijke hulp bij te bieden. Denk bijvoorbeeld aan: bezoek aan de familie, vrienden, kerk, moskee of synagoge, huisarts/ziekenhuis, winkelen, deelname maatschappelijke activiteiten, etc. Daaronder wordt ook het vervoer verstaan, het gaat immers om (incidentele) verplaatsingen die in het algemeen gepland kunnen worden. Daar kunnen huisgenoten onderling afspraken over maken. Onder vervoer kan ook hulp (meegaan) bij gebruikmaking van het Openbaar Vervoer worden verstaan. In het algemeen geldt dat van partners ten opzichte van elkaar meer wordt verwacht dan van inwonende kinderen voor hun ouders (RBLIM:2022:7897). Dat wil echter niet zeggen dat van een inwonend meerderjarig kind niet mag worden verwacht dat het incidentele vervoer of hulp (meegaan) bij het vervoer aan de cliënt wordt geboden. Denk bijvoorbeeld aan een bezoek aan de huisarts of vrienden/familie. Het is dan ook niet ongebruikelijk als daarvoor een vrije dag van het werk moet worden genomen.

Vervoer en hulp bij vervoer Of het vervoer of de hulp (meegaan) bij vervoer als gebruikelijke hulp geboden kan worden is mede afhankelijk van de ondersteuningsbehoefte van de cliënt en dan met name de frequentie. Verder wordt rekening gehouden met een individuele vervoersbehoefte van de cliënt, zie verder 4.7 Geen gebruikelijk hulp in dit hoofdstuk. Het college kan bij het verstrekken van een vervoersvoorziening rekening houden met de gebruikelijke hulp die bij het vervoer geboden kan worden. Bijvoorbeeld een gebruikerspas voor de Regiotaxi verstrekken in plaats van individueel (rolstoel)taxivervoer. Ook bij het bezit van een eigen auto kan sprake zijn van gebruikelijke hulp. Dat wil zeggen dat in zo’n situatie geen financiële tegemoetkoming voor het gebruik van de auto verstrekt hoeft te worden. Begeleider Regiotaxi Een verplichte begeleider (medisch begeleider) mag gratis met de Regiotaxi mee. Ook als de cliënt in het bezit is van een geldige OV-begeleiderskaart, dan kan diens begeleider gratis mee. Een sociale begeleider betaalt net als de cliënt het gereduceerde tarief (de ritbijdrage). Los van de vraag of er sprake

37

is van gebruikelijke hulp, het volgende. Er geldt geen ondersteuningsplicht voor het college om begeleiding toe te kennen zodat gebruik gemaakt kan worden van de Regiotaxi. 4.5.12 Legen en reinigen van de toiletemmer Is er geen noodzaak voor het verstrekken van een tweede toilet op de eerste verdieping, dan kan worden volstaan met losse toiletstoel. Van partners en inwonende meerderjarige kinderen mag dan worden verwacht dat zij het legen en reinigen van de toiletemmer als gebruikelijke hulp verrichtten (CRVB:2019:1334). Dat is natuurlijk anders als wordt vastgesteld dat zij niet in staat zijn om dat te doen. 4.5.13 Zorg voor minderjarige inwonende kinderen Ouders hebben een plicht en het recht om hun minderjarig kind te verzorgen, op te voeden en te onderhouden (art. 1:247 en 1:395a van het Burgerlijk Wetboek). Onder verzorging en opvoeding worden mede verstaan de zorg en de verantwoordelijkheid voor het geestelijk en lichamelijk welzijn en de veiligheid van het kind alsmede het bevorderen van de ontwikkeling van zijn persoonlijkheid. De zorgplicht van ouder(s) strekt zich in ieder geval uit over: verzorging, begeleiding en opvoeding die de ouder(s) normaal gesproken geeft aan het kind, waaronder ook de ‘zorg’ bij kortdurende ziekte met uitzicht op herstel.

Onder de gebruikelijke hulp valt (vanzelfsprekend) ook het bieden van toezicht, bij activiteiten zoals zwemmen of andere activiteiten die kinderen normaal gesproken doen en waar zij door hun ouders bij begeleid worden. Bij uitval van één van de ouders neemt de andere ouder de gebruikelijke hulp voor de kinderen over. Zie voor zorg van kinderen 8.3.4 Resultaat thuis zorgen voor minderjarige kinderen die tot het gezin behoren van deze beleidsregels. Verder wordt verwezen naar Bijlage 2 Richtlijn gebruikelijke hulp van ouder(s) voor minderjarige kinderen bij deze beleidsregels. 4.6 Overbelasting of dreigende overbelasting Steeds moet duidelijk zijn hoe de (dreigende) overbelasting zich uit en wat deze feitelijk inhoudt. Dat wil zeggen dat een beroep op (dreigende) overbelasting van de huisgenoot aannemelijk moet worden gemaakt en zonodig nader worden onderbouwd. Is dat het geval, dan zal het college een (nader) onderzoek instellen. Bijvoorbeeld door medisch advies te vragen. De betreffende huisgenoot is verplicht daaraan zijn medewerking te verlenen. Zie verder 2.10.2 Medewerkingsplicht van deze beleidsregels voor wat daar onder wordt verstaan en wat de gevolgen zijn van het niet meewerken. Verwezen wordt naar Bijlage 1 Onderzoek naar (dreigende) overbelasting van deze beleidsregels.

Omvang planbare en onplanbare ondersteuning Soms is het duidelijk dat de huisgenoot overbelast is, maar soms ook niet. Niet alleen de omvang van de planbare ondersteuning, maar ook de mate van de noodzaak tot het telkens aanwezig zijn om onplanbare ondersteuning te bieden is van invloed op de belastbaarheid van degene die geacht wordt gebruikelijke hulp te verlenen. Met andere woorden: het uitvoeren van enkele taken op vooraf afgesproken momenten is vaak minder belastend dan het uitvoeren van dezelfde taken waarbij telkens aanwezigheid en alertheid wordt gevraagd van degene die geacht wordt gebruikelijke hulp te verlenen. Denk bijvoorbeeld aan de beschikbare huisgenoot die geacht wordt om niet-uitstelbare taken in het kader van gebruikelijke hulp te bieden. Aard van de beperkingen Het kan voorkomen dat de huisgenoot weliswaar psychische beperkingen heeft maar geen aantoonbare fysieke beperkingen om de huishoudelijke taken uit te voeren (bijv. CRVB:2018:3101). In geval van psychische beperkingen kan het nodig zijn om vast te stellen dat de cliënt de betreffende huisgenoot kan aansturen bij de uitvoering van de huishoudelijke activiteiten. Geen overbelasting Uit het medisch advies kan ook blijken dat de huisgenoot medisch gezien in staat is om huishoudelijke taken verdeeld over de week en in eigen tempo uit te voeren (bijv. CRVB:2018:2721).

38

No. 25.0002254 Reële mogelijkheden oplossen of verminderen overbelasting Artikel 5.2 lid 4 Verordening Is er sprake van (dreigende) overbelasting, dan kan het college (tijdelijk) huishoudelijke ondersteuning verstrekken. De huishoudelijke ondersteuning is tijdelijk en biedt ruimte om aan reële oplossingen te werken. De overbelasting kan betrekking hebben op de cliënt of diens huisgenoot. Voor overbelasting is vaak een oplossing (eigen kracht). Om dat vast te stellen én of er reële mogelijkheden zijn om dat te verminderen of op te lossen zal doorgaan een medisch advies nodig zijn. Het college helpt om de huisgenoot of de cliënt niet afhankelijk te maken van ondersteuning van de gemeente. Daarom verwacht het college dat een huisgenoot of cliënt met reële oplossingen aan de slag gaat. Dat wil zeggen oplossingen die binnen het bereik liggen van de cliënt of diens huisgenoot. Doen zij dat niet, dan verstrekt het college niet opnieuw huishoudelijke ondersteuning. Dat is alleen anders als de cliënt of huisgenoot daar een gegronde reden voor had.

4.7 Geen gebruikelijk hulp In de volgende situaties gaat het college er in principe van uit dat de huisgenoot (tijdelijk) geen gebruikelijke hulp biedt of kan bieden: • de cliënt heeft een zeer korte levensverwachting (terminale fase); • de huisgenoot is overbelast of dreigt dat te geraken; • de huisgenoot is voor aaneengesloten periode(n) niet aanwezig vanwege activiteiten elders met een verplichtend karakter; of • er is volgens het college sprake van bijzondere omstandigheden. Hieronder kan een stapeling van ondersteunings- en/of zorgtaken worden verstaan. Deskundigenadvies Bij (dreigende) overbelasting kan het college om advies vragen, tenzij daar geen enkele twijfel over bestaat. In voorkomende gevallen kan het college ook al dan niet tijdelijk een maatwerkvoorziening verstrekken zodat de cliënt en zijn huisgenoot in de gelegenheid worden gesteld een oplossing te vinden. In de volgende situaties is in ieder geval geen sprake van gebruikelijke hulp. Individuele vervoersbehoefte De cliënt kan een individuele lokale vervoersbehoefte hebben die zelfstandig kan worden gedaan met een vervoersvoorziening. In die gevallen kan (mag) de cliënt niet voor alle ondersteuning bij vervoer afhankelijk zijn van zijn huisgenoten in het kader van gebruikelijke hulp.

In die gevallen kan het verstrekken van een vervoersvoorziening of tegemoetkoming in de kosten voor het gebruik van eigen auto aan de cliënt zijn aangewezen.

Niet leerbaar Voor zover de huisgenoot geobjectiveerde beperkingen heeft of kennis dan wel vaardigheden mist om gebruikelijke hulp aan de cliënt te bieden en deze vaardigheden niet kunnen worden aangeleerd wordt van hen geen gebruikelijke hulp verwacht. Permanent toezicht Het bieden van permanent toezicht of 24 uurs ondersteuning in de nabijheid valt niet onder gebruikelijke hulp. 4.8 Boven-gebruikelijke hulp Verder kan het zijn dat de naar algemene aanvaardbare opvattingen gebruikelijk hulp substantieel wordt overschreden. Dat kan te maken hebben met een combinatie van factoren. Denk bijvoorbeeld aan de aard en omvang van de totale ondersteuningsbehoefte van de cliënt of het combineren van het bieden van gebruikelijke hulp en de eigen activiteiten van de huisgenoot. Ook kan de zorg van ouders voor

39

kinderen boven-gebruikelijk zijn. In vergelijking tot gezonde kinderen met een normaal ontwikkelingsprofiel kan deze zorg worden overschreden. Daarvoor wordt wel een bandbreedte van één uur per etmaal aangehouden (zie Bijlage 2 Richtlijn gebruikelijke hulp van ouder(s) voor minderjarige kinderen bij deze beleidsregels). In voorkomende gevallen kan tijdelijk een maatwerkvoorziening zijn aangewezen, tenzij (bij kinderen) aanspraak bestaat op een maatwerkvoorziening op grond van de Jeugdwet.

Hoofdstuk 5 Mantelzorg Artikel 1.1.1 lid 1 Wmo 2015 (begripsbepaling) Artikel 4.1 lid 1 Verordening (algemene voorwaarden voor maatwerkvoorzieningen) Artikel 6.4 Verordening (kortdurend verblijf in een instelling) 5.1 Inleiding Gebruikelijke hulp en mantelzorg zijn elkaar uitsluitende begrippen. Bij mantelzorg wordt de normale (gebruikelijke) hulp in zwaarte, duur en/of intensiteit overschreden. Mantelzorg kan worden verleend door een huisgenoot maar ook door uitwonende kinderen of een andere persoon uit het sociale netwerk van de cliënt. Dat wil zeggen dat in die gevallen geen sprake is van gebruikelijke hulp dan wel bovengebruikelijke hulp. 5.2 Wettelijk begrip In de Wmo 2015 wordt mantelzorg als volgt beschreven: hulp ten behoeve van zelfredzaamheid, participatie, beschermd wonen, opvang, jeugdhulp, het opvoeden en opgroeien van jeugdigen en zorg en overige diensten als bedoeld in de Zvw, die rechtstreeks voortvloeit uit een tussen personen bestaande sociale relatie en die niet wordt verleend in het kader van een hulpverlenend beroep (art. 1.1.1 lid 1 Wmo 2015). 5.2.1 Niet verzilveren van een aanspraak Uit de begripsbepaling van mantelzorg volgt dat de hulp of zorg die door de mantelzorger wordt geboden een wettelijke aanspraak vertegenwoordigt.

Die aanspraak kan betrekking hebben op de Wmo 2015, verpleging en/of verzorging zoals bedoeld in de Zvw of hulp aan een jeugdige op grond van de Jeugdwet. Bij mantelzorg is het dus zo dat die aanspraak niet wordt verzilverd. 5.2.2 Maatwerk als aanvulling op mantelzorg Het college mag bij het bepalen van de ondersteuning die iemand nodig heeft, rekening houden met de mantelzorg die hij ontvangt (CRVB:2017:17 en CRVB:2017:3209). Dit neemt overigens niet weg dat het bieden van mantelzorg (onbetaald) vrijwillig is. Ook zal het college oog moeten hebben voor de ondersteuning die nodig is om de inzet van mantelzorg structureel mogelijk te laten zijn dan wel voor wat nodig is om de mantelzorger (af en toe) te kunnen ontlasten. Dat gebeurt in ieder geval tijdens het onderzoek. 5.3 Ondersteuning mantelzorg De ondersteuning aan de mantelzorger geeft geen aanspraak op een maatwerkvoorziening (RBNHO:2017:1022). Het college moet wel onderzoek doen naar de vraag of er de behoefte is aan maatregelen ter ondersteuning zodat de mantelzorger de taken uit kan blijven voeren. Dat behoort tot de wettelijke opdracht (art. 2.3.2 lid 4 onder d Wmo 2015). Daarnaast zijn er lokale (Carrefour) of mogelijk regionale organisaties die daarin iets voor mantelzorgers kunnen betekenen. De mantelzorger kan worden verwezen naar dergelijke initiatieven.

5.3.1 Hulpmiddelen Bij het bepalen van hulpmiddelen houdt het college rekening met de belangen van mantelzorgers, zoals bij tilliften en andere hulpmiddelen die door mantelzorgers bediend moeten worden. Ook kan het zijn dat de mantelzorger niet of moeizaam in staat is om de rolstoel te duwen. Omdat de zelfredzaamheid

40

No. 25.0002254 en/of participatie van de cliënt bij het verstrekken van een maatwerkvoorziening het uitgangspunt is, kan duwondersteuning op de rolstoel worden verstrekt. 5.3.2 Overbelasting van de mantelzorger Respijtzorg in de vorm van een (tijdelijke) maatwerkvoorziening kan ook worden ingezet om overbelasting van mantelzorgers te voorkomen en/of op te vangen. Van cliënt en mantelzorger mag in principe worden verwacht dat zij (eventueel met ondersteuning) onderzoek doen naar mogelijkheden om de overbelasting te voorkomen of te verminderen. De inzet van andere personen uit het sociale netwerk of eventueel vrijwilligers kunnen hierin ook een rol spelen. De belangen en de draagkracht/draaglast van de mantelzorger worden hierbij meegewogen (zie Bijlage 1 Onderzoek naar (dreigende) overbelasting bij deze beleidsregels). Inzet van (tijdelijke) respijtzorg kan de draagkracht van de mantelzorger versterken. 5.3.3 Wet langdurige zorg Ook kan mantelzorg worden verleend aan een thuiswonende verzekerde met een indicatie op grond van de Wlz. In die gevallen heeft het college geen plicht om maatregelen ter ondersteuning van de mantelzorger in te zetten. Mogelijk kan voor deze verzekerden aanspraak bestaan op logeeropvang in een instelling (art. 3.1.1 lid 1 onder g Wlz). Wel kunnen deze verzekerden mogelijk gebruik maken van algemene voorzieningen.

5.4 Respijtzorg De maatwerkvoorziening beoogt in eerste instantie de cliënt zelf passend te ondersteunen. Maatwerkvoorzieningen zijn immers in overwegende mate individueel gericht (zie art. 4.3 lid 1 onder c Verordening). Het college houdt in het algemeen rekening met wat de cliënt aan mantelzorg heeft of mogelijk zou kunnen krijgen. Dat betekent dat de cliënt (tijdelijk) aangewezen kan zijn op een maatwerkvoorziening op de momenten dat de mantelzorger niet in de gelegenheid is hem deze ondersteuning te bieden. Dat is respijtzorg. Denk bijvoorbeeld aan dagactiviteiten. Respijtzorg moet worden onderscheiden van: • de ondersteunende maatregelen die nodig zijn om een mantelzorger goed zijn werk te kunnen laten doen, en • de maatschappelijke ondersteuning (eventueel in de vorm van een maatwerkvoorziening) die een mantelzorger nodig heeft voor zijn eigen zelfredzaamheid en participatie. De mantelzorger is dan zelf cliënt en zal de ondersteuningsvraag moeten melden bij het college waarna een onderzoek plaatsvindt. Het ligt niet voor de hand dat deze situaties snel zullen leiden tot het verstrekken van een maatwerkvoorziening. De maatwerkvoorziening als respijtzorg wordt altijd aan de cliënt toegekend die daar mogelijk een bijdrage in de kosten voor verschuldigd is.

Opgemerkt wordt nog dat het college ook een maatwerkvoorziening kan verstrekken die erop is gericht dat de mantelzorger leert omgaan met de beperkingen van de cliënt. 5.5 Kortdurend verblijf De Wmo 2015 kent één specifieke maatwerkvoorziening die door het college kan worden verstrekt om de mantelzorger te ontlasten Het gaat om kortdurend verblijf (art. 1.1.1 lid 1 Wmo 2015). Het college beoordeelt wel eerst of de cliënt in aanmerking kan komen voor een indicatie voor de Wlz. Nadat is vastgesteld dat de mantelzorger van de cliënt moet worden ontlast geldt nog een ander criterium. De cliënt is door het (tijdelijk/deels) wegvallen van de mantelzorg aangewezen op ondersteuning die gepaard gaat met voortdurend toezicht of 24 uurs ondersteuning in de nabijheid. Daarnaast is het zo dat geen sprake is van het bieden van noodzakelijke geneeskundige zorg. In dat geval zal de cliënt namelijk een beroep moeten doen op Eerstelijns verblijf op grond van de Zvw. Het is ook mogelijk dat de cliënt op grond van zijn aanvullende zorgverzekering in aanmerking kan komen voor kortdurend verblijf.

41

5.5.1 Accommodatie en vervoer Het kortdurend verblijf wordt geboden in een instelling of accommodatie van een door het college gecontracteerde aanbieder. Is de cliënt aangewezen op kortdurend verblijf dan ligt het niet voor de hand dat de cliënt zelf in staat is de accommodatie te bereiken. In het algemeen wordt aangenomen dat de mantelzorger de cliënt kan brengen en weer ophalen. Is dat niet het geval en er zijn ook geen andere voorliggende oplossingen dan kan een vervoersindicatie worden verstrekt. 5.5.2 Omvang en duur Kortdurend verblijf kan voor een etmaal per week worden verstrekt. Het is niet vereist dat het kortdurend verblijf slechts voor wekelijks (of maandelijks) gebruik kan worden toegekend. Afhankelijk van de omstandigheden in het individuele geval kunnen de periodieke aanspraken ook voor aaneengesloten gebruik van maximaal 52 etmalen per kalenderjaar worden toegekend en gebruikt. Denk bijvoorbeeld aan de situatie waarin de mantelzorger op vakantie wil. Het college kan afwijken van de gestelde norm. Bij de beoordeling van de aanspraak houdt het college in het algemeen rekening met de vraag of de cliënt aanspraak kan maken op Eerstelijns verblijf op grond van de Zvw of een indicatie op grond van de Wlz. 5.6 Mantelzorgwoning Woningen dus ook mantelzorgwoningen worden niet als maatwerkvoorziening verstrekt.

Bouwregels mantelzorgwoning Uit de bouw- en gebruiksregels van het omgevingsplan blijkt of een mantelzorgwoning op een bepaalde locatie is toegelaten. Een mantelzorgwoning is onder voorwaarden zonder vergunning te realiseren. Deze voorwaarden staan in het (tijdelijk én nieuwe) omgevingsplan en in het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl). In het Bbl staan de technische bouwregels voor een mantelzorgwoning. In voorkomende gevallen wordt afstemming gezocht met het cluster leefomgeving omdat, zoals gezegd, de regels hierover zijn gewijzigd.

Hoofdstuk 6 Begeleiding Hoofdstuk 6 Verordening 6.1 Inleiding Met de maatwerkvoorziening begeleiding (individueel) wordt invulling gegeven aan het wettelijke begrip begeleiding. Daaronder worden activiteiten verstaan gericht op het bevorderen van zelfredzaamheid en/of participatie van de cliënt opdat hij zo lang mogelijk in zijn eigen leefomgeving kan blijven (art. 1.1.1 lid 1 Wmo 2015). Het voldoende zelfredzaam zijn en in staat tot participatie wil zeggen dat de cliënt zoveel mogelijk op gelijke voet met anderen mee kan doen aan de samenleving. De compensatieplicht van het college is echter niet gericht op het optimaliseren. Dat wil zeggen: niet alle beperkingen hoeven te worden opgelost. 6.2 Algemene uitgangspunten Tijdens het onderzoek stelt het college vast of er voorliggende oplossingen zijn die aan het verstrekken van een maatwerkvoorziening in de vorm van begeleiding in de weg staat. Daaronder valt in ieder geval gebruikelijke hulp die een eventuele huisgenoot van de cliënt geacht wordt te bieden (zie Hoofdstuk 4 Gebruikelijke hulp van deze beleidsregels). Ook de begeleiding die geboden kan worden door bijvoorbeeld de welzijnsorganisatie kan een voorliggende oplossing zijn. Verder bepaalt de Verordening dat het college de te verstrekken maatwerkvoorziening kan combineren met eigen kracht, ondersteuning vanuit het sociaal netwerk en vrijwilligers.

Als uitgangspunt geldt ook dat een collectieve maatwerkvoorziening in principe voor gaat op een individuele maatwerkvoorziening (art. 4.6 Verordening). De achtergrond daarvan is onder meer dat een collectief aanbod goedkoper is dan een individueel aanbod. Het college is immers niet gehouden meer dan de goedkoopst passende bijdrage te verlenen (zie art. 4.2 lid 1 onder b Verordening). Verder kan het natuurlijk zijn dat dagactiviteiten

42

No. 25.0002254 (collectieve maatwerkvoorziening in groepsverband) een beter passende bijdrage levert aan de zelfredzaamheid en/of participatie van de cliënt. 6.3 Zelfredzaamheid en participatie Zelfredzaamheid bevat twee elementen: 1. het uitvoeren van de noodzakelijke algemene dagelijkse levensverrichtingen (adl), 2. het voeren van een gestructureerd huishouden. Om de dagelijkse handelingen en praktische zaken uit te kunnen voeren moet de cliënt daar lichamelijk toe in staat zijn maar ook over vaardigheden beschikken om daar regie over te kunnen voeren. De vaardigheid is het vermogen om een handeling bekwaam uit te voeren of een probleem op te lossen. Vaardigheden op een of ander gebied wordt veelal vergaard door praktische ervaring, door korte of langere tijd regelmatig te oefenen. Participatie Participatie heeft betrekking op deelname aan het maatschappelijk verkeer; waaronder ook deelname aan dagactiviteiten kan vallen. zie hoofdstuk 4 Gebruikelijke hulp en zie hoofdstuk 11 Hulp voor meedoen aan de samenleving (vervoer). 6.3.1 Mate van compensatie Zoals gezegd is de Wmo 2015 niet gericht op het optimaliseren. Het college stelt, aan de hand van het onderzoek, vast of er een tekort is of dreigt te ontstaan waardoor de cliënt niet voldoende zelfredzaam is of in staat tot participatie. En ook waar het tekort uit bestaat.

6.4 Afbakening Zorgverzekeringswet en Wmo 2015 De behoefte aan (alleen) verzorging zoals die tot 1 januari 2015 op grond van de AWBZ werd verleend, kan ook meer in het verlengde van de behoefte aan begeleiding liggen. Het gaat bij deze verzorging om mensen die behoefte hebben aan ondersteuning bij de adl. Deze verzorging houdt geen verband met de behoefte aan geneeskundige zorg of een hoog risico daarop. Deze behoefte aan ondersteuning bij adl komt met name voor bij mensen met een verstandelijke of zintuiglijke beperking of psychiatrische problematiek. Deze vorm van ondersteuning bij adl is niet naar de Zvw overgeheveld, maar per 1 januari 2015 gepositioneerd onder de Wmo 2015. Als cliënten een lichamelijke aandoening krijgen waardoor een geneeskundige zorgvraag ontstaat, zullen zij zowel verpleging als hun bij de geneeskundige zorgvraag behorende verzorging vanuit de Zvw ontvangen. Verder valt voor cliënten die begeleiding en adl-ondersteuning krijgen via de Wmo 2015, de overige medische zorg vanzelfsprekend onder de te verzekeren prestaties van de Zvw. 6.4.1 Afbakening begeleiding en behandeling Behandeling is niet voorliggend op het toekennen van begeleiding op grond van de Wmo 2015 (CRVB:2023:1508, CRVB:2025:876). Uit het onderzoek kan blijken dat de cliënt problemen heeft waarvoor GGZ-behandeling nodig is. Dat valt buiten de reikwijdte van de Wmo 2015.

Psycho-educatie kan onder de GGZ-behandeling vallen. Het college stelt wel vast of er een tekort is (of dreigt te ontstaan) waardoor de cliënt niet voldoende zelfredzaam is of in staat tot participatie. En zo ja, waaruit het tekort bestaat en bij welke concrete activiteiten de cliënt begeleiding nodig is om het tekort te compenseren (oplossen of verminderen). Begeleiding kan voorafgaande, tijdens of na de behandeling nodig zijn. Wachtlijst GGZ Het kan zijn dat er een wachtlijst is voor de (ambulante) GGZ-behandeling. Het college kan de cliënt voorlichten over de regels bij de wachtlijsten die GGZ-zorgaanbieders moeten naleven (treeknormen). 6.5 Bereiken van een resultaat Tijdens het onderzoek wordt bekeken of de cliënt is aangewezen op een maatwerkvoorziening in de vorm van begeleiding en zo ja, welke. Zo’n indicatie is natuurlijk ook afhankelijk van de aard en de mate van de beperkingen in de zelfredzaamheid of participatie. Het gaat om een te bereiken resultaat. Uit het

43

resultaat of resultaten blijkt ook waar de begeleiding op is gericht om de cliënt in staat te stellen tot zelfredzaamheid en participatie. 6.5.1 Reikwijdte en integraal werken De gebieden die tijdens het onderzoek worden uitgevraagd vallen niet allemaal (volledig) binnen de reikwijdte van de Wmo 2015. Het breed uitvragen op verschillende gebieden maakt het mogelijk om cliënten op een goede manier door te geleiden naar andere regelingen maar ook om de maatwerkvoorziening af te stemmen op die regelingen, als daar aanleiding voor is (art. 2.3.5 lid 5 Wmo 2015). Op die manier wordt (betere) integrale dienstverlening aan inwoners bereikt. Hierna wordt een voorbeeld genoemd. Financiën/ administratie Voor zover de problematiek betrekking heeft op het oplossen van schulden, waarvoor het minnelijk (gemeentelijke) of wettelijke (WSNP) traject is bedoeld, valt de begeleiding buiten de reikwijdte van de Wmo 2015. Dan kan alleen tijdelijk begeleiding worden verstrekt voor een toeleiding (warme overdracht) naar bijvoorbeeld het financieel loket. Naast eventuele schulddienstverlening kan dan ook toeleiding naar budgetbeheer of bewindvoering worden opgepakt. Bij het financieel loket kan ook worden bekeken of de cliënt eventueel aanspraak kan maken op inkomensondersteunende maatregelen.

Wettelijk beschermingsmaatregelen Er bestaat een aantal wettelijke beschermingsmaatregelen; bij de kantonrechter kan een verzoek om toelating worden gedaan. Tegen de achtergrond van de problematiek binnen dit resultaatgebied zijn dat: • Beschermingswind. Als iemand niet meer alleen voor zijn financiële zaken kan zorgen, kan hij hulp daarbij krijgen door zijn vermogen onder bewind te laten stellen en zijn financiële zaken door een ander laten regelen. Problematische schulden en verkwisting kunnen redenen zijn om beschermingsbewind uit te spreken. • Curatele. Als iemand zowel zijn persoonlijke én financiële zaken niet meer zelf kan regelen. Persoonlijke zaken zijn bijvoorbeeld een medische behandeling of verpleging. Het gaat om personen die handelingsonbekwaam zijn. • Mentorschap. Als iemand alleen niet meer voor zijn persoonlijke en immateriële zaken kan zorgen, kan hij een mentor krijgen om hem te helpen. 6.5.2 Aandachtspunten De cliënt kan beperkingen ondervinden op verschillende gebieden (zie verder hierna). Het college kan bij het onderzoek gebruik maken van Bijlage 3 Aandachtspunten resultaatgebieden begeleiding bij deze beleidsregels. 6.5.3 Resultaat Het college stelt tijdens het onderzoek vast welk resultaat of welke resultaten bereikt moeten worden en welke aandachtspunten er eventueel zijn bij het bieden van de begeleiding.

Daaruit volgt de begeleiding waarop de cliënt is aangewezen qua aard, omvang en frequentie. Dat wordt aangeduid met een intensiteit. Begeleiding kan worden geïndiceerd in vijf intensiteiten: waakvlamcontact, licht, middel, zwaar of intensief. De termen licht, matig en zwaar uit van Bijlage 3 Aandachtspunten resultaatgebieden begeleiding bij deze beleidsregels laten zich niet rechtstreeks vertalen naar een gelijknamige intensiteit. Met andere woorden: wanneer de ernst van de problematiek op een van de gebieden als zwaar wordt beoordeeld, wil dit niet zeggen dat de begeleiding per definitie wordt geïndiceerd in de intensiteit zwaar. Het college hanteert de volgende intensiteiten: Intensiteit Ondergrens uren per maand Bovengrens uren per maand Waakvlamcontact tot en met 4 uur Licht meer dan 4 uur tot en met 9 uur Middel meer dan 9 uur tot en met 18 uur Zwaar meer dan 18 uur tot en met 26 uur Intensief meer dan 26 uur -

44

No. 25.0002254

Geen optelsom Het kan zijn dat op meerdere gebieden te behalen resultaten te formuleren zijn. Voor wat betreft de omvang van de indicatie voor begeleiding is het niet zo dat de ureninschatting per gebied bij elkaar worden opgeteld. Het gaat om maatwerk: het bereiken van het resultaat is leidend. De aanbieder kan in een bepaalde volgtijdelijkheid werken aan de te bereiken resultaten. Het kan van belang zijn (tussentijds) te evalueren. Resultaat en intensiteit Voor het bepalen van een te bepalen resultaat en bijbehorende intensiteit kan het college onderstaand schema gebruiken. De begeleiding bestaat uit: Stimuleren en controleren. Stimuleren en controleren + aansturen en instrueren. Stimuleren en controleren, aansturen en instrueren + zaken overnemen.

De begeleiding is: Praktisch en planbaar. Specialistisch, niet uitstelbaar tot volgend contactmoment, binnen reguliere werktijden. Specialistisch, bij een incidenteel karakter per direct bereikbaarheid, zonodig buiten reguliere werktijden

Deskundigheid begeleider: Geen specifieke eisen. Kennis van ziektebeelden en behandelmethoden is noodzakelijk. Kennis van behandelmethoden én overleg met ketenpartners is noodzakelijk.

6.5.4 Intensiteit waakvlamcontact De intensiteit waakvlamcontact is bedoeld als: • manier om af te schalen, • nazorg en monitoring, • preventie om zwaardere begeleiding te voorkomen, • de “zorgmijdende” cliënt de toegekende begeleiding niet gebruikt (no show). Manier om af te schalen Voordat de begeleiding daadwerkelijk wordt afgeschaald wordt eerst gekeken of in het netwerk van de cliënt een persoon beschikbaar en geschikt is die de functie van het waakvlamcontact op zich kan nemen. Dat wil zeggen: bij een indicatie zoekt de aanbieder samenwerking met die persoon. Het waakvlamcontact wordt dan belegd bij die persoon en heeft als doel om een vinger aan de pols te houden in de overgang naar het afbouwen van de begeleiding en/of na beëindiging van de begeleiding. Zijn er geen mogelijkheden binnen het eigen netwerk, dan biedt de aanbieder het waakvlamcontact. Nazorg en monitoring Cliënten zijn goed in beeld bij aanbieders. Daarom hoeft de cliënt niet steeds opnieuw een vraag te stellen of een intake te doorlopen. De aanbieder bewaakt dat de zelfredzaamheid van de cliënt niet afneemt. Daarnaast kan “uitstroom” naar voorliggende oplossingen ingezet of behouden worden. Preventie om zwaardere begeleiding te voorkomen Bij waakvlamcontact is de begeleiding tijdig aanwezig om op te schalen bij dreigende terugval.

Op die manier hoeven de problemen van een cliënt niet verder op te stapelen. De cliënt kan terugvallen op de aanbieder als het even wat minder goed gaat. Als dat nodig is kan de aanbieder ook begeleiding bieden bij het formuleren van een ondersteuningsvraag en toeleiding tot (meer) ondersteuning. Zorgmijders Het gaat bij zogeheten “zorgmijders” om cliënten aan wie weliswaar begeleiding is toegekend maar die daar geen gebruik van maken (no show). In die situaties wordt het eerdere toekenningsbesluit vervangen door een toekenning begeleiding waakvlamcontact. Het kan ook een manier zijn om de

45

ondersteuning voor (nieuwe) cliënten, aan wie nog geen begeleiding is verstrekt, op een laagdrempelige manier op te starten. Dat kan ook bemoeizorg zijn vanuit de GGD.

Hoofdstuk 7 Dagactiviteiten Artikel 1.1 lid 1 Verordening (begripsbepaling) Hoofdstuk 6 Verordening 7.1 Inleiding De maatwerkvoorziening dagactiviteiten is een vorm van begeleiding in groepsverband bestemd voor cliënten die niet mee kunnen doen in het ‘gewone’ dagelijkse (werk)leven. De dagactiviteiten dragen bij aan de zelfredzaamheid en/of participatie van de cliënt, zodat deze zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kan blijven. Dagactiviteiten omvatten structurele tijdsbesteding met een welomschreven resultaat waarbij een cliënt actief wordt betrokken en wat hem zingeving biedt. Begeleiding is hiervan een onderdeel zodat de cliënt kan deelnemen aan de dagactiviteiten. Dagactiviteiten kunnen gericht zijn op: een invulling van de dag, dagstructuur hebben en mensen ontmoeten. Ze kunnen naast structurerend ook ontwikkelingsgericht zijn. Als dat nodig is valt hieronder ook het vervoer naar en van de dagactiviteiten. Dagactiviteiten kan er ook voor zorgen dat de mantelzorger wordt ontlast. Er zijn drie vormen van dagactiviteiten die zijn afgestemd op een specifieke doelgroep (zie hierna). 7.2 Algemene uitgangspunten Tijdens het onderzoek stelt het college vast of er voorliggende oplossingen zijn die aan het verstrekken van een maatwerkvoorziening in de vorm van dagactiviteiten in de weg staat.

Daaronder kan gebruikelijke hulp vallen die een eventuele huisgenoot van de cliënt geacht wordt te bieden. Ook de begeleiding die geboden kan worden door een welzijnsorganisatie kan een voorliggende oplossing zijn. Verder bepaalt de Verordening dat het college de te verstrekken maatwerkvoorziening kan combineren met eigen kracht, ondersteuning vanuit het sociaal netwerk en vrijwilligers. Als uitgangspunt geldt ook dat een collectieve maatwerkvoorziening in principe voor gaat op een individuele maatwerkvoorziening (art. 4.6 van de Verordening). De achtergrond daarvan is onder meer dat een collectief aanbod goedkoper is dan een individueel aanbod. Het college is immers niet gehouden meer dan de goedkoopst passende bijdrage te verlenen (zie art. 4.2 lid 1 onder b Verordening). Verder kan het natuurlijk zijn dat dagactiviteiten (collectieve maatwerkvoorziening in groepsverband) een beter passende bijdrage levert aan de zelfredzaamheid en/of participatie van de cliënt dan individuele begeleiding. 7.2.1 Voorliggende oplossing De Bouwerskamp is een laagdrempelige inloopvoorziening voor inwoners waaronder cliënten met een psychische kwetsbaarheid. De Bouwerskamp is een algemene voorziening en kan voor gaan op het verstrekken van een maatwerkvoorziening dagactiviteiten.

Resultaten De inloopvoorziening Bouwerskamp richt zich op het bereiken van de volgende resultaten: • Het zich thuis laten voelen en contacten leggen. • Het faciliteren van cliënten met een psychische kwetsbaarheid om zich te ontwikkelen om een volgende stap te zetten in het meedoen in de maatschappij, ook arbeidsmatig. Hierbij wordt geïnvesteerd op herstel en inzet van ervaringsdeskundigheid. • Het signaleren van verergering van de problematiek en somatische achteruitgang en hiernaar handelen. Het hierbij ontlasten van de mantelzorger. • Het werken aan een gezonde leefstijl bij cliënten door het bieden van gezonde voeding, het verstrekken van informatie over voeding en bewegen en het samenwerken met de Voedselbank om verspilling van voedsel tegen te gaan. • Het onder de aandacht brengen van stigma’s. • Het faciliteren van ruimte aan vrijwilligersorganisaties op het gebied van zelfhulp waarmee zwaardere zorg voorkomen wordt.

46

No. 25.0002254 • Er ontstaat begrip en acceptatie tussen verschillende doelgroepen waardoor de drempel verlaagd wordt om samen activiteiten te ondernemen. Hierdoor is er een breder aanbod van activiteiten voor wie er behoefte aan heeft. • Het samenwerken tussen organisaties waardoor expertise en inzet voor een brede doelgroep wordt benut. • Het vergroten van het bereik van mensen, zodat er meer mensen bereikt worden en naar de Bouwerskamp komen. • Het normaliseren en afschalen van hulpverlening. • Het versterken van het netwerk van cliënten buiten de Bouwerskamp. 7.2.2 Maatwerkvoorziening op locatie of thuis Artikel 6.3 lid 3 Verordening De aanbieder van dagactiviteiten biedt deze op locatie en kan dit combineren met dagactiviteiten bij een cliënt thuis. Dit zal mede afhankelijk zijn van de te behalen resultaten die het college tijdens het onderzoek vaststelt. 7.3 Vormen van dagactiviteiten Er zijn drie maatwerkvoorzieningen in de vorm van dagactiviteiten die elk bestemd zijn voor een verschillend deel van de populatie. Onderstaande tabel geeft een overzicht van de verschillende producten, de bijbehorende deelpopulatie en activiteiten: 7.3.1 Doelgroep en scheidslijn dagactiviteiten Naam product Deelpopulatie Dagactiviteiten Ouderen en (jong) belevingsgericht dementerenden Dagactiviteiten NAH Niet aangeboren hersenletsel (NAH) Dagactiviteiten arbeidsmatig

Arbeidsmatige leeftijd

Activiteiten Recreatief Recreatief en ontwikkelingsgericht Ontwikkelingsgericht

Exclusief deelpopulatie Arbeidsmatige leeftijd m.u.v. jong dementerenden Cliënten die geen NAH hebben

-

Deelpopulatie NAH, Pensioengerechtigde leeftijd en dementerenden

Pensioengerechtigd en toch dagactiviteiten arbeidsmatig? De cliënt staat centraal. Neem bijvoorbeeld een cliënt die deelneemt aan de dagactiviteiten arbeidsmatig en de pensioengerechtigde leeftijd bereikt maar graag wil blijven deelnemen aan de dagactiviteiten arbeidsmatig. Deze cliënt kan daar in afstemming met de aanbieder en het college blijven. De cliënt ontvangt wel een andere indicatie, namelijk voor dagactiviteiten belevingsgericht. De aanbieder van dagactiviteiten belevingsgericht en de aanbieder dagactiviteiten arbeidsmatig werken samen om deze cliënt te bedienen. Dat kan een combinatie van dagactiviteiten zijn of volledige deelname aan de dagactiviteiten arbeidsmatig. Aanbieders kunnen bijvoorbeeld hun samenwerking vormgeven in een hoofd- en onderaannemerschap. 7.4 Dagactiviteiten niet aangeboren hersenletsel (NAH) Cliënten met niet-aangeboren hersenletsel (NAH) hebben schade aan de hersenen die is ontstaan in de loop van hun leven. Dit zorgt voor een onomkeerbare breuk in hun levenslijn; een cliënt met NAH ervaart dat wat voorheen vanzelfsprekend was, dat nu niet meer is. Dit vraagt om speciale aanpak en aandacht, bijvoorbeeld voor rouwverwerking en leerbaarheid. 7.5 Dagactiviteiten belevingsgericht De doelgroep voor deze maatwerkvoorziening zijn cliënten vanaf de pensioengerechtigde leeftijd en (jong) dementerenden.

De doelgroep kenmerkt zich door een onomkeerbaar verlies van regie en een grote mate van zorgafhankelijkheid. Het gaat bij dagactiviteiten belevingsgericht om cliënten die ernstig beperkt zijn in hun zelfredzaamheid en die (nagenoeg) niet meer in staat zijn om hun eigen dagstructuur vorm te geven. Denk aan cognitieve beperkingen door dementie en/of fysieke beperkingen door een ziekte of ouderdom. Omdat zij sterk beperkt zijn in de zelfredzaamheid kan dat leiden tot: sociaal 47

isolement, afnemende vaardigheden en het langzaam verliezen van de regie over het leven. De dagactiviteiten belevingsgericht geven structuur en een zinvolle invulling van de dag aan deze groep ouderen en (jong) dementerenden. Deze maatwerkvoorziening voorkomt ook dat iemand geen sociale contacten meer heeft en geïsoleerd raakt. Recreatief met als doel beleven De dagactiviteiten belevingsgericht zijn veelal recreatief van aard en hebben als doel ‘beleven’. Als de cliënt beginnende en lichte beperkingen heeft, zijn de activiteiten vooral recreatief van aard en gericht op het hebben van contacten, versterken sociaal netwerk en ontmoeting. Activiteiten zijn bijvoorbeeld: wandelen, knutselen, klussen, gymnastieken, zingen of samen koken en andere mensen ontmoeten. Voor deze cliënten kan een algemene voorziening, een vrij toegankelijke voorziening en/of inzet van een vrijwilliger voldoende zijn, al dan niet in combinatie met deze maatwerkvoorziening een passende oplossing zijn. Opvang en stabiliseren Afhankelijk van de mate van maar ook de prognose van de beperkingen van de cliënt zijn de dagactiviteiten vaak recreatief van aard en gericht op stabilisering, het voorkomen of vertragen van verdere achteruitgang, het zo lang mogelijk behouden van vaardigheden, het zo lang mogelijk zelfstandig kunnen wonen.

Het richt zich op opvang van cliënten die naar verhouding veel structuur, begeleiding en toezicht nodig hebben, bijvoorbeeld cliënten met dementie. De begeleiding is intensiever en meer specialistisch dan recreatief met als doel beleven vanwege de beperkingen (fysiek, verstandelijk, geestelijk). Het is daarnaast vaak gericht op het ontlasten van mantelzorgers. Een groot deel van deze cliënten komt via de maatwerkvoorziening dagactiviteiten belevingsgericht uiteindelijk terecht in de Wlz. 7.6 Dagactiviteiten arbeidsmatig De (onbetaalde) dagactiviteiten arbeidsmatig is bestemd voor cliënten: • van 18 jaar tot de pensioengerechtigde leeftijd (arbeidsmatige leeftijd), • die (nog) geen aanspraak kunnen maken op ondersteuning bij de arbeidsparticipatie, en • een mate van ontwikkelingspotentieel hebben richting maatschappelijk participeren.

Kenmerk doelgroep Veelal gaat het om cliënten met een verstandelijke beperking, psychosociale problematiek of psychiatrische stoornis. De beperking is dermate belemmerend dat cliënten (al dan niet tijdelijk) nog geen ondersteuning kan krijgen bij de inschakeling bij de arbeidsparticipatie van de gemeente of het UWV. De reden daarvan is dat de cliënt (nog) niet over arbeidsvermogen (of verdiencapaciteit) beschikt. De doelgroep heeft dikwijls moeite om een stabiele structuur en invulling aan hun dagen te geven. De maatwerkvoorziening dagactiviteiten arbeidsmatig biedt als het ware een alternatief voor werk of school voor cliënten die (nog) geen betaald werk kunnen doen. Daaronder wordt ook ondersteuning in de arbeidsparticipatie verstaan, zoals (begeleid) vrijwilligerswerk. De dagactiviteiten arbeidsmatig biedt cliënten zingeving. 7.6.1 Doelgroep en beoordelen problematiek Het college stelt tijdens het onderzoek vast welk resultaat of welke resultaten bereikt moeten worden en welke aandachtspunten er eventueel zijn. Hiervoor maakt het college ook gebruik van de uitvraag op verschillende gebieden. Is de cliënt aangewezen op een maatwerkvoorziening dagactiviteiten arbeidsmatig dan wordt vastgesteld wat als passende bijdrage kan worden aangemerkt. Dat wordt aangeduid met een intensiteit.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://raad.noordoostpolder.nl/api/v1/meetings/2313/documents/43779