CConstaterende datNoordoostpolder
Koppel je AI →
Document · PDF

D21 01 Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning gemeente Noordoostpolder 2026.pdf

Gemeenteraad 26 januari 2026, gemeente NoordoostpolderBij agendapunt: 5: Lijst ingekomen stukken49.812 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 4 van 6

Om de intensiteit te bepalen kan het college bij het onderzoek gebruik maken van Bijlage 3 Aandachtspunten resultaatgebieden begeleiding bij deze beleidsregels. Het college hanteert de volgende intensiteiten:

48

No. 25.0002254 Intensiteit Licht Middel Zwaar Intensief

Ondergrens dagdelen per maand meer dan 4 dagdelen meer dan 19 dagdelen meer dan 27 dagdelen meer dan 35 dagdelen

Bovengrens dagdelen per maand tot en met 18 dagdelen tot en met 26 dagdelen tot en met 35 dagdelen -

Werksetting, begeleiding en coaching De maatwerkvoorziening dagactiviteiten arbeidsmatig omvat activiteiten in een werkachtige setting. Cliënten ontplooien hun capaciteiten, leren kennis en vaardigheden, leef- en werkritme en omgangsvormen die ze ook nodig hebben op de werkvloer, zodat waar mogelijk hun kansen op de arbeidsmarkt worden vergroot. De begeleiding bestaat uit ondersteuning en coaching en richt zich op het stimuleren van de zelfredzaamheid en eigen regie en het krijgen van veiligheid en structuur. De begeleiding gaat uit van de mogelijkheden en wensen van de cliënt en staat in het teken van het ontwikkelen van eigen initiatief, talenten. Begeleiding spreekt de competenties aan. Realiseren van ontwikkeling De beperkingen van deze cliënten zijn dusdanig, dat er ontwikkeling verwacht en gerealiseerd kan worden. Het doel is afhankelijk van het ontwikkelperspectief van de individuele cliënt. De mate en snelheid van ontwikkeling verschilt per persoon. Het gaat erom dat cliënten zich ontwikkelen op maximaal eigen vermogen. Waar mogelijk stromen de deelnemers uit deze maatwerkvoorziening omdat ze er niet meer op zijn aangewezen of kan worden afgeschaald naar voorliggende oplossingen. Ook kan een cliënt doorstromen naar een vorm van werk of ondersteuning gericht op arbeidsparticipatie.

De maatwerkvoorziening dagactiviteiten arbeidsmatig dient dan als opstapje naar werk voor cliënt waarvoor de stap naar werk of een vorm van arbeidsparticipatie (tijdelijk) nog te groot is. Geen doorstroom naar werk/arbeidsparticipatie In bepaalde gevallen zal gezien de beperkingen van de cliënt doorstroom naar een vorm van werk niet haalbaar zijn. De maatwerkvoorziening dagactiviteiten arbeidsmatig staat dan in het teken van participatie met als doel cliënten een zinvolle invulling van de dag te geven die past bij hun interesse en vaardigheden en hun naar vermogen te laten ontwikkelen. 7.7 Mogelijkheden tot arbeidsparticipatie Tijdens het onderzoek door het college komt ook de mogelijke samenwerking aan bod met andere partijen (art. 2.3.2 lid 4 onder f Wmo 2015). Bijvoorbeeld de medewerker van de gemeente Noordoostpolder zelf in het kader van de uitvoering van de Participatiewet of een arbeidsdeskundige van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV). Valt de cliënt onder de doelgroep van de Participatiewet of het UWV, dan kan samenwerking maar ook afstemming van de bijvoorbeeld te verstrekken begeleiding of dagactiviteiten arbeidsmatig op grond van de wet zijn aangewezen (art. 2.3.5 lid 5 Wmo 2015).

Reikwijdte De cliënt die een beroep doet op de Wmo 2015 kan in aanmerking komen voor voorzieningen gericht op zijn arbeidsparticipatie op grond van de Participatiewet of van het UWV. Daaronder kan ook het verrichten van vrijwilligerswerk vallen. In dat geval zal de cliënt een verzoek moeten indienen bij de betreffende organisatie. Ondersteuning in de mogelijkheden tot arbeidsinschakeling valt niet binnen de reikwijdte van de Wmo 2015. Cliënt verstrekt inlichtingen of gegevens Bij het onderzoek na de melding zal de cliënt desgevraagd inlichtingen of gegevens moeten verstrekken om de noodzaak van ondersteuning op grond van de Wmo 2015 vast te kunnen stellen. Zie verder 2.10 Inlichtingen- en medewerkingsplicht in deze beleidsregels. Werkwijze

49

Bij de melding van een ondersteuningsvraag gericht op dagactiviteiten arbeidsmatig wordt in de volgende situaties samen door de klantmanager Wmo en de klantmanager Participatie of accountmanager werk onderzoek gedaan naar de mogelijkheden van ondersteuning bij de arbeidsinschakeling of dat dagactiviteiten arbeidsmatig is aangewezen. De cliënt: • heeft een uitkering van de gemeente Noordoostpolder of het UWV en beschikt nog niet over een voorziening (traject) richting arbeidsinschakeling. Het gaat om cliënten met arbeidsvermogen; zij hebben dus geen UWV-uitkering vanwege volledige én duurzame arbeidsongeschiktheid (ook 80 tot 100% arbeidsongeschiktheid) of zijn door de gemeente niet ontheven van de arbeidsverplichtingen. • heeft geen uitkering van de gemeente Noordoostpolder of het UWV en beschikt nog niet over een voorziening (traject) richting arbeidsinschakeling. Niet-uitkeringsgerechtigden kunnen onder de doelgroep van de Participatiewet vallen als zij beschikken over arbeidsvermogen. • staat ingeschreven in het doelgroepregister van het UWV maar is nog niet werkzaam in een baan die valt onder de banenafspraak. Doelgroepregister UWV De volgende personen vallen in ieder geval in het doelgroepregister: • doelgroep van de Participatiewet (art. 7 lid 1 onder a PW) en waarvan is vastgesteld dat die persoon niet zelfstandig het minimumloon kan verdienen.

Bijvoorbeeld de doelgroep loonkostensubsidie. • die een WSW-indicatie (Wet Sociale Werkvoorziening) heeft of had. • die een oude Wajong of Wajong 2010 uitkering ontving en die kan werken. • schoolverlaters van het voortgezet speciaal onderwijs (vso) en het praktijkonderwijs (pro) die zich schriftelijk hebben aangemeld bij UWV. • die alleen met een voorziening (hulp, hulpmiddelen en regelingen) het wettelijk minimumloon kunnen verdienen. Bijzonderheden • Het UWV kan ook aan personen met een UWV-uitkering zonder verplichting tot arbeidsinschakeling een voorziening aanbieden als de client dat wenst. • Scholen voor (voortgezet) speciaal onderwijs moeten in ieder geval een ontwikkelingsperspectiefplan (opp) voor leerlingen vaststellen. In dit plan staat de verwachte uitstroombestemming van de leerling: type vo of uitstroomprofiel vso en in het vso de verwachte uitstroombestemming (dagbesteding, arbeidsmarktgericht of vervolgonderwijs). • Het UWV beoordeelt of iemand in aanmerking komt voor een indicatie beschut werk. Een beschutte werkplek valt niet onder de banenafspraak en degene met een indicatie wordt niet opgenomen in het doelgroepregister.

Hoofdstuk 8 Huishoudelijke ondersteuning Artikel 1.1 lid 1 Verordening Hoofdstuk 5 Verordening 8.1 Inleiding Onder huishoudelijke ondersteuning wordt verstaan: geheel of gedeeltelijk ondersteunen of overnemen van noodzakelijke activiteiten in het huishouden dan wel van de leefeenheid waartoe de cliënt behoort. Huishoudelijke ondersteuning bestaat uit: schoonmaakondersteuning en ondersteuning bij regie/zorg over het huishouden. Het college kan de te verstrekken maatwerkvoorziening combineren met het (tijdelijk) overnemen van de huishoudelijke werkzaamheden en/of het bieden van begeleiding bij het zelf uitvoeren daarvan. Verder is het zo dat degene die de begeleiding (als bedoeld in Hoofdstuk 6 Begeleiding) biedt contact moet hebben met degene die de huishoudelijke werkzaamheden overneemt van de cliënt om tot goede afstemming van de te bieden huishoudelijke ondersteuning te komen. Dat kan ook met de huisgenoot zijn die gebruikelijk hulp biedt. Deze maatwerkvoorziening wordt alleen dan verstrekt als: eigen kracht, gebruik kunnen maken van algemeen gebruikelijke voorzieningen,

50

No. 25.0002254 gebruikelijke hulp of een algemene voorziening geen passende bijdrage is en er verder ook geen andere personen in het netwerk zijn die taken kunnen overnemen. Het college maakt gebruik van het normenkader huishoudelijke ondersteuning HHM 2025. 8.2 Maatwerkvoorziening schoonmaakondersteuning Schoonmaakondersteuning heeft betrekking op het bereiken van een aantal resultaten. Het gaat om: • Resultaat een schoon en leefbaar huis; • Resultaat schone en draagbare kleding en ander linnengoed; en • Resultaat boodschappen doen voor het dagelijks leven. De twee laatstgenoemde resultaten komen incidenteel voor. Incidenteel omdat deze resultaten doorgaans met voorliggende oplossingen kunnen worden opgelost. Slechts in uitzonderlijke gevallen geeft het college een indicatie. 8.2.1 Resultaat een schoon en leefbaar huis Dit resultaat gaat over het schoonhouden van de woning. Iedereen moet gebruik kunnen maken van schone en leefbare elementaire woonruimten, zoals een woonkamer, een slaapkamer, een slaapkamer die anders wordt gebruikt, een keuken, sanitaire ruimtes (maximaal één badkamer en twee toiletten) en aangrenzende hal, trap en/of overloop. Elementaire woonruimten Het gaat bij deze woonruimten over de primaire leefruimten in de woning die de cliënt daadwerkelijk (dagelijks of in ieder geval meerdere keren per week) in gebruik heeft.

Deze ruimten worden schoongemaakt volgens de algemeen gebruikelijke hygiënische normen. Leefbaar staat voor opgeruimd en functioneel, bijvoorbeeld om vallen te voorkomen. Om een schoon en leefbaar huis te realiseren zal huishoudelijk werk moeten worden uitgevoerd. Concreet gaat het om taken zoals stofzuigen van de woning, het schoonmaken van de sanitaire ruimten, keuken en het dweilen van vloeren.

Alleen de binnenkant van de woning De huishoudelijke taken beperken zich tot de binnenkant van de woning. Onderhoud van tuin, opruimen van een schuur, de stoep vegen, ramen zemen aan de buitenkant vallen niet onder een schoon en leefbaar huis (CRVB:2017:1302, CRVB:2017:885, RBZWB:2023:49). Dat wil niet zeggen dat bijvoorbeeld het vegen van een balkon nooit gedaan zou mogen worden, maar er wordt geen aparte indicatie voor gegeven. Twee incidenteel voorkomende situaties Er zijn nog twee resultaten waar in incidentele situaties een indicatie maatwerkvoorziening schoonmaakondersteuning voor kan worden afgegeven. Het gaat om: 1. Resultaat schone en draagbare kleding en ander linnengoed; en 2. Resultaat boodschappen voor het dagelijks leven. Incidenteel omdat deze resultaten doorgaans met voorliggende oplossingen worden bereikt en er daarom slechts in uitzonderlijke gevallen tot een indicatie van een maatwerkvoorziening zullen leiden. 8.2.2 Resultaat schone en draagbare kleding en ander linnengoed Dit resultaat gaat over de overname van de wasverzorging. In Bijlage 4 Huishoudelijke ondersteuning (normtijden activiteiten en frequentie per week) zijn de activiteiten opgenomen die onder de wasverzorging vallen.

Een indicatie voor de maatwerkvoorziening wasverzorging zal zich zelden voordoen omdat het resultaat doorgaans bereikt kan worden door gebruik te maken van de algemene voorziening wasservice (zie 8.12 Algemene voorziening van deze beleidsregels) of met hulp van het sociaal netwerk. Er wordt dan geen indicatie maatwerkvoorziening voor wasverzorging afgegeven. Deeltaken zelf uitvoeren

51

Mocht de algemene voorziening wasservice (nog) geen passende oplossing zijn, dan is het wel vaak zo dat cliënten een deel van de wasverzorging nog zelf kunnen uitvoeren. Zie Bijlage 4 Huishoudelijke ondersteuning (normtijden activiteiten en frequentie per week) bij deze beleidsregels. Uitgangspunt strijken van was Als uitgangspunt geldt dat de was niet wordt gestreken, tenzij dat medisch noodzakelijk is. Dat zal moeten blijken uit een medisch advies; waaronder ook wát gestreken zou moeten worden. Er kan worden volstaan met het opvouwen van de was. Van de cliënt wordt verwacht dat hij beschikt of kan beschikken over strijkvrije kleding (bijv. CRVB:2024:1487). 8.2.3 Resultaat boodschappen voor het dagelijks leven Dit resultaat gaat over de overname van het doen van boodschappen voor het dagelijks leven. Tot de goederen voor primaire levensbehoeften worden boodschappen gerekend die nodig zijn voor dagelijkse levensbehoeften. Hieronder vallen levensmiddelen, toiletartikelen en schoonmaakmiddelen, zaken die dagelijks/wekelijks worden gebruikt. Andere inkopen vallen niet onder dit resultaat. Een indicatie voor de overname van het doen van boodschappen zal zich zelden voordoen omdat dit resultaat doorgaans bereikt zal worden door gebruik te maken van de online boodschappendienst (algemeen gebruikelijke voorziening) of met hulp van huisgenoten (gebruikelijke hulp).

Ook kinderen die niet meer thuis wonen of buren van de cliënt kunnen mogelijk hulp bieden. 8.3 Maatwerkvoorziening ondersteuning: regie/ zorg over het huishouden De inzet van een maatwerkvoorziening ondersteuning regie/zorg over het huishouden kan in meer of mindere mate afhankelijk zijn van de vraag in hoeverre de cliënt beschikt over regievermogen. In dat geval kan ondersteuning om een gestructureerd huishouden te kunnen voeren nodig zijn. De maatwerkvoorziening ondersteuning bij regie/ zorg over het huishouden bestaat uit de volgende resultaten: • een gestructureerde organisatie van het huishouden; • bevorderen zelfredzaamheid door advies, instructie, voorlichting (AIV); • maaltijden: broodmaaltijd en/of warme maaltijd; • thuis zorgen voor minderjarige kinderen die tot het gezin behoren. De twee laatstgenoemde resultaten komen incidenteel voor. Incidenteel omdat deze resultaten doorgaans met voorliggende oplossingen worden opgelost. Slechts in uitzonderlijke gevallen wordt hiervoor door het college een indicatie afgegeven. 8.3.1 Resultaat een gestructureerde organisatie van het huishouden Een gestructureerde organisatie van het huishouden gaat over het, al dan niet samen met de cliënt, bepalen welke huishoudelijke werkzaamheden wanneer worden gedaan (regievoering over het huishouden).

Het gaat bij de taak regie voeren over het huishouden niet om overname van huishoudelijke taken maar om activeren van de cliënt en samen optrekken bij de uitvoering van huishoudelijke taken. Regievermogen De inzet van een maatwerkvoorziening kan in meer of mindere mate afhankelijk zijn van de vraag in hoeverre de cliënt beschikt over regievermogen. Daaronder kan worden verstaan of de cliënt het vermogen heeft om een adequaat oordeel te vormen over dagelijks voorkomende situaties op het gebied van sociale redzaamheid, probleemgedrag, psychisch functioneren of geheugen en oriëntatie. Samenloop met ambulante begeleiding Ambulante begeleiding en de huishoudelijke ondersteuning kunnen met dit resultaat kunnen samenlopen. Dat wil zeggen naast elkaar kunnen bestaan. In de praktijk gaat het vaak om cliënten met beperkingen die voortkomen uit chronisch psychische of psychosociale klachten. In die gevallen wordt er geen indicatie voor ambulante begeleiding gegeven maar wordt huishoudelijke ondersteuning op dit resultaat gegeven.

52

No. 25.0002254 8.3.2 Resultaat bevorderen zelfredzaamheid door advies, instructie, voorlichting (AIV) Bij dit resultaat gaat het niet over de overname van huishoudelijke taken maar over het aanleren daarvan. Het is daarom belangrijk dat de aanbieder weet wat de cliënt moet aanleren. Dat is onderdeel van de kortdurende indicatie; het te bereiken resultaat. Het resultaat gaat over het beschikken van de vaardigheid om zelfstandig te zorgen voor een schoon en leefbaar huis, voor schone en draagbare kleding en andere linnengoed, koken/maaltijdverzorging en het doen van boodschappen voor het dagelijks leven. Voor wie is AIV Aan cliënten die leerbaar zijn kan tijdelijk AIV worden verstrekt over het zelf kunnen uitvoeren van huishoudelijke taken en/ of het plannen daarvan. Het gaat bijvoorbeeld om voorlichting en instructie over het gebruik van (ergonomische) hulpmiddelen zoals een plumeau of een telescoopsteel bij het uitvoeren van huishoudelijke taken of over de indeling van de ruimte, waardoor een taak met minder fysieke belasting zelf kan worden uitgevoerd. Bij het plannen van huishoudelijke taken gaat het over het verdelen van de huishoudelijke taken over de week. Zie hierna onder het kopje twee doelgroepen.

Wanneer leerbaar Het college kan op verschillende momenten vaststellen dat de cliënt leerbaar is en tijdelijk is aangewezen op AIV: • Tijdens het onderzoek na de melding; • Gedurende de indicatie; • Na beëindiging van de maatwerkvoorziening en er sprake is van een ‘leerbare’ partner. Langer zelfredzaam Het uiteindelijke resultaat is het bevorderen van de zelfredzaamheid van de cliënt door inzet van AIV. Cliënten zijn langer zelfredzaam doordat ze zelf actiever blijven en hierdoor geen of minder snel gebruik hoeven te maken van een langdurige indicatie schoonmaakondersteuning of kunnen starten met een indicatie schoonmaakondersteuning met een lager volume of frequentie. Twee doelgroepen Er kunnen twee doelgroepen zijn die voor AIV in aanmerking komen: 1. De cliënt die nauwelijks beperkingen heeft maar is aangewezen op AIV gericht op het aanleren van huishoudelijke activiteiten. 2. De cliënt die beperkingen heeft en tijdelijk is aangewezen op AIV gericht op het stimuleren van de zelfredzaamheid door samen met de cliënt te kijken naar in ieder geval het gebruik van de juiste (lichte) werkmaterialen, indeling van de woning en verdeling van huishoudelijke taken over een week. Relatie reablement AIV sluit aan op de landelijke ontwikkeling reablement (herstelgerichte zorg).

Dat heeft betrekking op het behouden en vergroten van de zelfredzaamheid van de cliënt door tijdelijke inzet van herstelgerichte zorg. De herstelgerichte zorg kan voor huishoudelijke ondersteuning bestaan uit AIV over hoe en wanneer bepaalde huishoudelijke taken uitgevoerd (moeten) worden. Periode Wordt een maatwerkvoorziening voor dit resultaat ingezet, dan is dat meestal gedurende een periode van zes weken. Zie Bijlage 4 Huishoudelijke ondersteuning (normtijden activiteiten en frequentie per week). Het resultaat is dat de cliënt over de vaardigheid beschikt zelfstandig een huishouding te voeren. Het is daarom belangrijk dat de aanbieder weet wat de cliënt moet aanleren. Dat is onderdeel van de indicatie; het te bereiken resultaat. Een verlenging van de indicatie voor AIV is niet uitgesloten. Het college beoordeelt de noodzaak mede op basis van een evaluatieverslag van de aanbieder. Meerpersoonshuishouden

53

Een indicatie voor dit resultaat zal zich bij een meerpersoonshuishouden zelden voordoen omdat sprake zal zijn van gebruikelijke hulp (overname). Rol aanbieders Aanbieders hebben hierin ook een rol als het cliënten betreft waarvan tijdens de indicatie blijkt dat zij leerbaar zijn. Het kan ook gaan om belastende factoren zoals niet het juiste schoonmateriaal. Extra aandacht voor zorgmijders In situaties waarbij het niet wenselijk of haalbaar is dat een cliënt meerdere ondersteuners heeft, bijvoorbeeld bij (potentiële) zorgmijders, dan zorgt aanbieder dat één ondersteuner zowel de schoonmaakondersteuning als de ondersteuning bij regie/ zorg uitvoert. Het college zorgt dat aanbieder hiervan op de hoogte is. Incidenteel voorkomende resultaten regie/zorg Er zijn twee resultaten regie/zorg die slechts in incidentele gevallen worden geïndiceerd. Het gaat om: 1. het verzorgen van brood- en/of warme maaltijden; en 2. de verzorging van minderjarige kinderen van het huishouden. 8.3.3 Resultaat maaltijden: broodmaaltijd en/of warme maaltijd In incidentele gevallen valt het verzorgen van brood- en/of warme maaltijden onder de maatwerkvoorziening regie/zorg over het huishouden.

Dit resultaat valt onder de huishoudelijke ondersteuning als sprake is van overname van het: • klaarzetten of aanreiken van de broodmaaltijd; • klaarzetten of opwarmen van een maaltijd; • bereiden van de warme maaltijd (alleen als voorliggende oplossingen zoals kant- en klaar maaltijden niet passend zijn); • tafel dekken en afruimen; • eten en drinken klaarzetten; • in/uitruimen van de vaatwasser of de afwas doen en het opruimen van de vaat. Zie Bijlage 4 Huishoudelijke ondersteuning (normtijden activiteiten en frequentie per week) bij deze beleidsregels. In/uitruimen van de vaatwasser of de afwas doen en het opruimen van de vaat Deze activiteiten zijn onderdeel van het resultaat maaltijden. Is het resultaat maaltijden niet nodig, dan wordt beoordeeld of in/uitruimen van de vaatwasser of de afwas doen en het opruimen van de vaat nodig is. Er wordt rekening gehouden met wat de cliënt zelf kan (eigen kracht) of met gebruikelijke hulp van de huisgenoot. Niet-uitstelbaar Bij dit resultaat gaat het om niet-uitstelbare taken. Dat wil zeggen: taken die doorgaans dagelijks moeten worden gedaan of in ieder geval niet kunnen worden uitgesteld tot de hulp weer langskomt bij de cliënt. Bij maaltijden spreekt dat voor zich.

Voorliggende oplossingen Een indicatie voor het overnemen van het doen van maaltijdverzorging zal zich zelden voordoen omdat dit resultaat doorgaans: op eigen kracht, met algemeen gebruikelijke voorzieningen (kant en klaar maaltijden), met gebruikelijke hulp of met hulp van anderen bereikt kan worden. Ook het mee kunnen eten bij een buurt- of verzorgingshuis valt hieronder. Uitgangspunt broodmaaltijden Een broodmaaltijd kan één keer per dag worden gemaakt en klaargezet. De tweede broodmaaltijd wordt dan ook gemaakt en in koelkast klaargezet. Dat is in lijn met de rechtspraak van de CRvB qua aard en frequentie (bijv. CRVB:2016:2960).

54

No. 25.0002254

Hulp sociaal netwerk Kan de cliënt met ondersteuning van de mensen om hem heen het resultaat bereiken, dan heeft het college geen ondersteuningsplicht. Tijdens het onderzoek wordt gekeken of bijvoorbeeld één van de buren bereid is een maaltijd klaar te zetten of op te warmen als de cliënt dat niet zelf kan. Aansporen bereiden en eten maaltijd Kan een cliënt wel zelf een maaltijd nuttigen, maar weet hij niet of vergeet hij om tijdig een maaltijd te bereiden, dan kan de aansporing daartoe onder ambulante begeleiding vallen. Het gaat meestal om cliënten die ook voor het bereiken van andere resultaten al een indicatie voor begeleiding hebben. Wijkverpleging en maaltijdvoorziening Maaltijdvoorziening valt onder wijkverpleging (Zvw) als een cliënt ‘behoefte aan geneeskundige zorg of een hoog risico daarop’ heeft en er geen aanspraak is op Wlz-zorg. Dat is het geval als de client: • hulp nodig heeft om het eten en drinken in zijn mond te brengen (eten en drinken geven), • is aangewezen op toezicht bij de maaltijden in verband met bijvoorbeeld verslikkingsgevaar. Zie verder 6.4 Afbakening Zorgverzekeringswet en Wmo 2015 in deze beleidsregels.

8.3.4 Resultaat thuis zorgen voor minderjarige kinderen die tot het gezin behoren Een indicatie voor het overnemen van de zorg voor minderjarige kinderen zal zich zelden voordoen omdat dit resultaat doorgaans bereikt zal worden door eigen kracht, gebruikelijke hulp (de andere ouder) of hulp van anderen. Het gaat om de dagelijkse, gebruikelijke hulp voor gezonde kinderen (jonger dan 12 jaar) als beide ouders niet in staat zijn deze te leveren. Het betreft activiteiten als wassen en aankleden, hulp bij eten en/of drinken, maaltijd voorbereiden en toezicht houden. Ook het brengen en halen van kinderen naar school/crèche vallen eronder. In principe is het de verantwoordelijkheid van ouders om, op tijden dat zij beide niet in staat zijn voor de kinderen te zorgen dat zelf te regelen. De Wmo heeft alleen een taak in het tijdelijk bijspringen, zodat voor de ouder(s) ruimte ontstaat om zelf een oplossing te vinden. In de praktijk betreft dit ondersteuning die doorgaans per direct moet kunnen worden ingezet en zonodig buiten de reguliere werktijden om. Diverse vormen van kinderopvang kunnen als voorliggende oplossing worden aangemerkt. 8.4 Wet langdurige zorg en huishoudelijke ondersteuning Bestaat de leefeenheid uit meer dan één persoon, dan kan het voorkomen dat een van hen een indicatie heeft op grond van de Wlz. De Wlz-indicatie is alleen gericht en bestemd voor de Wlz-gerechtigde.

Het college zal moeten onderzoeken welke ondersteuning naar aard en omvang (nog) nodig is voor de cliënt (CRVB:2023:2165). Het kan zijn dat er op grond van de Wmo 2015 een lagere indicatie kan worden verstrekt omdat de Wlz-indicatie voorziet in bijvoorbeeld schoonmaakactiviteiten voor de Wlzgerechtigde die niet dubbel uitgevoerd te hoeven worden. 8.5 Uitstelbare en niet-uitstelbare taken Of gebruikelijke hulp kan worden geboden is ook afhankelijk van de vraag of het gaat om uitstelbare of niet-uitstelbare ondersteuning. Dit met het oog op de beschikbaarheid van de huisgenoot. Beschikbaarheid huisgenoot Het kan voorkomen dat de huisgenoot regelmatig niet aanwezig is vanwege activiteiten elders met een verplichtend karakter. Denk bijvoorbeeld aan de reguliere werkzaamheden. Schoonmaakwerkzaamheden In geval van schoonmaakwerkzaamheden zal het meestal gaan om uitstelbare taken. Dit betekent dat de huishoudelijke activiteiten ook in de avond of het weekend uitgevoerd kunnen worden. Zijn deze taken echter niet-uitstelbaar en is de huisgenoot niet beschikbaar (afwezig), dan kan daarvoor een maatwerkvoorziening schoonmaakondersteuning worden verstrekt.

55

Wasverzorging Ook in geval van wasverzorging zal het meestal gaan om een uitstelbare taak. Dit betekent dat deze huishoudelijke activiteit wasverzorging in de avond of het weekend uitgevoerd kan worden. Dat betekent ook dat de algemene voorziening wasservice een passende oplossing zal zijn (zie 8.12 Algemene voorziening van deze beleidsregels). En zo niet, dan kan de maatwerkvoorziening wasverzorging worden verstrekt. Maaltijden Maaltijden vallen niet onder een uitstelbare taak. 8.6 Beleidsuitgangspunten huishoudelijke ondersteuning Bij de beoordeling hanteert het college de volgende beleidsuitgangspunten. • Eigen kracht/eigen verantwoordelijkheid • Huisdieren en de gesaneerde woning • Algemeen gebruikelijke voorzieningen • Gebruikelijke hulp • Hulp van personen uit het sociaal netwerk en mantelzorg • Gebruik van algemene voorzieningen • Normtijden HHM 2025 8.7 Eigen kracht en eigen verantwoordelijkheid Algemeen Onder eigen kracht wordt het vermogen verstaan een oplossing te vinden voor de beperkingen die de cliënt ondervindt. Feitelijk eigen kracht Onder eigen kracht wordt ook het feitelijk in staat zijn tot het (deels) zelf uitvoeren van huishoudelijke activiteiten verstaan (CRVB:2022:308). In het algemeen zal een cliënt die een melding doet nog over enige eigen kracht beschikken.

Dat wil zeggen dat een deel van de te bereiken resultaten nog deels zelf kunnen worden uitgevoerd. Daaronder valt ook het gebruik maken van ergonomische hulpmiddelen die als algemeen gebruikelijke voorziening kunnen worden aangemerkt. Het college houdt rekening met de feitelijke eigen kracht door de ‘minder inzet’ af te trekken van de basisnorm (zie 8.14 Normenkader huishoudelijke ondersteuning HHM 2025 van deze beleidsregels). Eigen kracht algemeen Ervaring leert dat cliënten het schoonmaken op middenniveau en algemeen opruimen (voorheen licht huishoudelijke werk) meestal nog zelf kunnen. Dit leidt tot minder inzet van 15 minuten per week. Kan de cliënt meer dan schoonmaken op middenniveau, kan dat tot een aftrek van nog eens 15 minuten leiden. Eigen kracht: met inachtneming van leefregels Activiteiten die door de cliënt zelf kunnen worden uitgevoerd behoren uiteraard tot de eigen verantwoordelijkheid (lees ook: eigen kracht). Iemand heeft in zo’n geval geen tekort in de zelfredzaamheid die het college met een maatwerkvoorziening moet compenseren. Het kan ook zijn dat de cliënt met inachtneming van bepaalde leefregels de huishoudelijke taken verspreid over de week in een rustig tempo zelf kan uitvoeren (CRVB:2022:308), zie ook Hoofdstuk 3 Beoordeling van de aanspraak van deze beleidsregels.

Eigen kracht: wasverzorging In de meeste situaties is de algemene voorziening wasservice een passende oplossing en komt de cliënt niet in aanmerking voor een maatwerkvoorziening (zie 8.12 Algemene voorziening van deze beleidsregels). Is de algemene voorziening wasservice geen passende oplossing en is er geen sprake van gebruikelijke hulp of hulp uit het sociaal netwerk, dan beoordeelt het college of de cliënt zelf een

56

No. 25.0002254 deel van de wasverzorging doen. In dat geval hoeft niet de gehele wasverzorging overgenomen te worden; dit onder aftrek van ‘minder inzet’ op de basisnorm. Denk bijvoorbeeld aan: de was sorteren of de was in de wasmachine stoppen en deze aanzetten.

Eigen kracht: boodschappen voor het dagelijks leven Kan de cliënt zelf een deel van de boodschappen doen, dan hoeft niet het gehele resultaat boodschappen voor het dagelijks leven overgenomen te worden. Denk aan een deeltaak zoals het opstellen van de boodschappenlijst. Zie ook 8.9 Algemeen gebruikelijke voorzieningen van deze beleidsregels voor de boodschappendienst. Eigen kracht: zo efficiënt mogelijk Een andere vorm van het benutten van eigen kracht (lees ook: eigen verantwoordelijkheid) is het verlenen van medewerking, zodat de huishoudelijke ondersteuning zo efficiënt mogelijk kan worden geboden. Van de cliënt mag worden verwacht dat hiermee rekening wordt gehouden. Denk bijvoorbeeld aan de inrichting van de woning, (aanschaf van) gordijnen die - voordat de ramen aan de binnenkant gewassen kunnen worden - eerst verwijderd moeten worden, (te) volle vensterbanken, kasten met allerlei kleinheden, etc. Dat wil zeggen dat er geen sprake is van een specifiek kenmerk om ‘meer inzet’ te indiceren boven de basisnorm schoonmaakondersteuning (zie 8.13 Normenkader huishoudelijke ondersteuning HHM 2025 van deze beleidsregels). Reële mogelijkheden oplossen of verminderen overbelasting Artikel 5.2 lid 4 Verordening Is er sprake van (dreigende) overbelasting, dan kan het college (tijdelijk) huishoudelijke ondersteuning verstrekken.

De huishoudelijke ondersteuning is tijdelijk en biedt ruimte om aan reële oplossingen te werken. De overbelasting kan betrekking hebben op de cliënt of diens huisgenoot. Voor overbelasting is vaak een oplossing (eigen kracht). Om dat vast te stellen én of er reële mogelijkheden zijn om dat te verminderen of op te lossen zal doorgaan een medisch advies nodig zijn. Het college helpt om de huisgenoot of de cliënt niet afhankelijk te maken van ondersteuning van de gemeente. Daarom verwacht het college dat een huisgenoot of cliënt met reële oplossingen aan de slag gaat. Dat wil zeggen oplossingen die binnen het bereik liggen van de cliënt of diens huisgenoot. Doen zij dat niet, dan verstrekt het college niet opnieuw huishoudelijke ondersteuning. Dat is alleen anders als de cliënt of huisgenoot daar een gegronde reden voor had. 8.8 Huisdieren en de gesaneerde woning Houden van huisdieren Heeft de cliënt huisdieren, dan hanteert het college het volgende uitgangspunt. In het algemeen geldt dat het hebben van huisdieren niet hoeft te leiden tot meer inzet van huishoudelijke ondersteuning (CRVB:2019:2585). Heeft de cliënt een zogeheten hulphond, die is verstrekt op grond van de Zvw, dan houdt het college daar wel rekening mee (RBGEL:2018:1741). De verzorging van huisdieren valt buiten het normenkader van deze beleidsregels (vergelijk CRVB:2021:88).

Gesaneerde woning Verder is het zo dat wordt uitgegaan van een gesaneerde woning, ingeval van bijvoorbeeld huisstofmijtallergie of COPD. Is de cliënt allergisch voor bijvoorbeeld vogels of katten, en worden deze dieren nog wel steeds door de cliënt gehouden, dan geldt in principe geen ondersteuningsplicht voor het college voor het ‘meerwerk’ die dat met zich meebrengt. Dit zijn keuzes die in het kader van de eigen verantwoordelijkheid moeten worden beschouwd. 8.9 Algemeen gebruikelijke voorzieningen Als algemeen uitgangspunt geldt dat de cliënt beschikt over algemeen gebruikelijke voorzieningen, waarmee de huishoudelijke ondersteuning kan worden uitgevoerd maar ook zo efficiënt mogelijk kan

57

worden geboden. Denk aan een (robot)stofzuiger, een wasmachine, een wasdroger, schoonmaakmiddelen, een dweil, etc. (vergelijk CRVB:2015:1503). Het gaat in dit geval ook om bepaalde zaken, die het mogelijk maken dat de cliënt een deel van de huishoudelijke activiteiten zelf kan uitvoeren. Bijvoorbeeld stof afnemen met een plumeau. Voorkomen van een aanspraak Het kan ook zijn dat met algemeen gebruikelijke voorzieningen een aanspraak (deels) wordt voorkomen. Denk bijvoorbeeld aan: • strijkvrije kleding (CRVB:2024:1487), • de boodschappendienst (CRVB:2019:3690), • kant-en-klaar maaltijden van de supermarkt of de maaltijdservice, • de aanschaf van een wasdroger (CRVB:2005:AT8015) of • het plaatsen van de wasmachine en/of droger op een verhoging of in een ruimte die (wel) bereikbaar is voor de cliënt, zodat hij (een deel van) de was zelf kan doen (vergelijk CRVB:2005:AT8015). Algemeen gebruikelijke voorzieningen kunnen als voorliggende oplossing worden aangemerkt; er wordt dan geen maatwerkvoorziening schoonmaakondersteuning verstrekt. Zie verder 3.2.8 Algemeen gebruikelijke voorziening van deze beleidsregels voor hoe het college dat beoordeelt. 8.10 Gebruikelijke hulp De leefeenheid is primair verantwoordelijk voor het eigen huishouden en de hoe de huishoudelijke activiteiten worden verdeeld en uitgevoerd.

Volgens algemeen aanvaardbare opvattingen wordt het overnemen van of ondersteunen bij het uitvoeren van huishoudelijke taken verwacht van huisgenoten. Dat is in lijn met de vaste jurisprudentie (bijv. CRVB:2018:2721, CRVB:2019:1334, CRVB:2019:2616, CRVB:2021:1114). Het college zal - als het onderzoek daartoe aanleiding geeft - vast moeten (laten) stellen of de huisgenoot in staat is de huishoudelijke taken over te nemen, al dan niet onder aansturing van de cliënt (CRVB:2019:2616). Dat kan bijvoorbeeld met een medisch advies (zie Hoofdstuk 17 Advisering van deze beleidsregels). Dat de huisgenoot weigert om huishoudelijke taken te verrichten, maakt niet dat het college, met toepassing van de hardheidsclausule, gehouden is om huishoudelijke ondersteuning toe te kennen (CRVB:2016:3665). Er kunnen zich ook situaties voordoen dat de huisgenoot de taken niet kan overnemen omdat het gaat om niet-uitstelbare taken. Dit gelet op de beschikbaarheid van de huisgenoot. Zie verder Hoofdstuk 4 Gebruikelijke hulp van deze beleidsregels. 8.11 Hulp van personen uit het sociaal netwerk en mantelzorg De Wmo 2015 bepaalt dat als de cliënt hulp krijgt of kan krijgen van personen uit zijn sociaal netwerk waaronder mantelzorg, er geen of slechts een aanvullende ondersteuningsplicht voor het college bestaat. Hulp van deze personen is echter niet afdwingbaar.

Dat geldt ook voor het bieden van mantelzorg (CRVB:2017:17, CRVB:2017:3209). 18.11.1 Onderzoek Tijdens het onderzoek wordt gekeken of de cliënt -kort gezegd- hulp van anderen kan krijgen. Zijn andere personen uit het netwerk van de cliënt aanwezig bij het gesprek, dan kunnen praktische zaken tot oplossingen leiden waardoor geen of minder maatwerkvoorziening huishoudelijke ondersteuning verstrekt hoeft te worden. 18.11.2 Rol aanbieder De aanbieder heeft gedurende de indicatie (frequent) contact met de cliënt en mogelijk ook met personen uit het sociaal netwerk. De aanbieder kan met betrokkenen bespreken of bijvoorbeeld personen uit het sociaal netwerk bepaalde huishoudelijke werkzaamheden zouden kunnen overnemen. En zo ja, welke werkzaamheden. De aanbieder meldt dat bij het college, zie ook 2.6 Signaleringsfunctie aanbieder van deze beleidsregels. 8.12 Algemene voorziening Uit het onderzoek kan blijken dat gebruikmaking van een algemene voorziening een passende oplossing is voor de beperkingen die door de cliënt worden ondervonden in de zelfredzaamheid of participatie.

58

No. 25.0002254 Dat wil zeggen dat de cliënt niet of slechts gedeeltelijk is aangewezen op een maatwerkvoorziening. Noordoostpolder heeft een algemene voorziening wasservice. 8.12.1 Wasservice De algemene voorziening wasservice bestaat uit: • het eens per week ophalen van de was door de aanbieder bij de cliënt thuis bij de voordeur of de schuur, • de aanbieder zorgt voor de waszakken, • labelen van wasgoed is niet nodig, het wasgoed van de cliënt wordt niet vermengd met wasgoed van anderen, • het wassen en drogen van de was wordt gedaan op locatie bij de aanbieder, • het eens per week weer terugbrengen van de opgevouwen was, • wassen en drogen gebeurt milieubewust en duurzaam, • er wordt een neutraal wasmiddel gebruikt en geen wasverzachter. De was wordt aangeboden in een waszak; die ontvangt de cliënt van de aanbieder. Van de cliënt wordt verwacht dat hij voldoende kleding of andere linnengoed heeft om een week te overbruggen. Kleding strijken Zoals gezegd is het uitgangspunt bij de maatwerkvoorziening schoonmaakondersteuning dat de was niet wordt gestreken (CRVB:2024:1478). In overleg met de aanbieder kan de cliënt wel, tegen betaling, gebruik maken van het laten strijken of stomen van kledingstukken.

Indicatie Wet langdurige zorg De algemene voorziening wasservice is op grond van de Wmo niet toegankelijk voor verzekerden die in een instelling wonen op grond van de Wet langdurige zorg (Wlz). De Wlz-instelling is namelijk verplicht om de wasverzorging voor de persoonlijke was (kleding) voor de bewoners te organiseren. Dat kan door de Wlz-instelling zelf worden gedaan maar ook door bijvoorbeeld een commerciële partij. Daar mag de Wlz-instelling een bijdrage voor vragen; in de praktijk gebeurt dat ook. Verzekerden met een Wlzindicatie die thuis wonen ontvangen de wasverzorging op grond van de Wlz. 8.12.2 Wasservice als passende oplossing De algemene voorziening wasservice wordt in de volgende situaties in ieder geval als passende oplossing aangemerkt: • Als het doen van de was als uitstelbare taak kan worden aangemerkt. De wasservice biedt in ieder geval de mogelijkheid om 6 waszakken per week aan te bieden. De eerste, derde en vijfde waszak mogen maximaal twee was- en droogbeurten bevatten en de tweede, vierde en zesde waszak maximaal één was- en droogbeurt. Dat komt neer op 9 wasbeurten per week. Een dergelijke omvang zal in de praktijk niet vaak voorkomen. • Er een mogelijkheid is voor het: - aanbieden van de was in de daarvoor bestemde waszak.

Hiermee wordt de situatie bedoeld dat de aangeboden was met hulp in de waszak bij de voordeur wordt neergezet en even kan blijven staan tot het moment dat de aanbieder de was ophaalt; - aannemen of opruimen van de was. Hiermee wordt de situatie bedoeld dat de opgevouwen was even in huis kan blijven staan tot er hulp beschikbaar is om de was op te ruimen. Geen passende oplossing De algemene voorziening wasservice is niet geschikt als: • sprake is van frequent optredende incontinentie en aannemelijk is dat het gebruik van incontinentiemateriaal geen afdoende oplossing is, • de cliënt gebruik maakt van zalven op grond waarvan een hoge hygiëne noodzakelijk is vanwege infectiegevaar (CRVB:2019:982);

59

• het aantal noodzakelijke wasbeurten een omstandigheid is dat het geen passende oplossing is. In de praktijk kan dat te maken hebben met jonge kinderen. In zulke gevallen kan de was mogelijk niet (een week) blijven liggen. Het gaat dan in zo’n situatie om een niet-uitstelbare taak. Er zijn meer voorbeelden denkbaar. Gebruikelijke hulp De omstandigheid dat de algemene voorziening wasservice geen passende oplossing is, wil niet zeggen dat er geen sprake kan zijn van gebruikelijke hulp (bijv. RBLIM:2022:7897). 8.13 Normenkader huishoudelijke ondersteuning HHM 2025 Huishoudelijke ondersteuning valt uiteen in twee maatwerkvoorzieningen: schoonmaakondersteuning waaronder ook de wasverzorging valt (voorheen HH1) en ondersteuning bij regie/zorg over het huishouden (voorheen HH2). Zie Bijlage 4 Huishoudelijke ondersteuning (normtijden activiteiten en frequentie per week) bij deze beleidsregels. Met uitzondering van het resultaat kindzorg (regie/zorg) zijn de normtijden gebaseerd op de HHM 2025. Normenkader als richtlijn Het doel van het gebruik van het normenkader huishoudelijke ondersteuning HHM 2025 is om uniformiteit in de toekenning na te streven. Het gaat hierbij om een richtlijn, die is gebaseerd op volledige professionele overname van huishoudelijke activiteiten bij een gemiddelde cliëntsituatie.

Iedere individuele situatie wordt separaat onderzocht en er wordt met behulp van de richtlijn ondersteuning op maat toegekend. Het college kan afwijken met zowel op- als neerwaartse bijstellingen. Wanneer cliënten als gevolg van hun (medische) beperkingen onvoldoende ondersteund worden door de basisvoorziening schoon en leefbaar huis, kan minder of meer ondersteuning ingezet worden. Dit zijn bijvoorbeeld: een hoger niveau van hygiëne of schoonhouden realiseren of het klaarzetten van maaltijden. Verder wordt rekening gehouden met de mogelijkheden van: eigen kracht, gebruikelijke hulp en hulp van het netwerk. Hierbij geeft het college gemotiveerd aan waarom de basisnorm wordt verhoogd of verlaagd. 8.13.1 Basisnorm Met de basisnorm wordt 125 minuten per week bedoeld volgens het normenkader HHM 2025 voor een schoon en leefbaar huis. Zoals gezegd kan de basisnorm worden verlaagd of verhoogd. Dat is afhankelijk van de situatie van de cliënt. Zie Bijlage 4 Huishoudelijke ondersteuning (normtijden activiteiten en frequentie per week) voor het normenkader voor de omvang van de verlaging of verhoging van de basisnorm. 8.13.2 Gemiddelde cliëntsituatie Door uit te gaan van een gemiddelde cliëntsituatie krijgen de normtijden een algemeen karakter. Hiermee wordt voorkomen dat er op alle mogelijk denkbare uitzonderingen apart beleid moet worden ontwikkeld.

Onder een gemiddelde cliëntsituatie wordt verstaan: • Een huishouden met 1 of 2 volwassenen zonder thuiswonende kinderen; • Wonend in een zelfstandige huisvestingssituatie, gelijkvloers of met een trap; • Er zijn geen huisdieren aanwezig die extra inzet van ondersteuning vragen; • De cliënt kan de woning dagelijks op orde houden (bijvoorbeeld aanrecht afnemen, algemeen opruimen) zodat deze gereed is voor de schoonmaak; • De cliënt heeft geen mogelijkheden om zelf bij te dragen aan de activiteiten die moeten worden uitgevoerd; • Er is geen ondersteuning vanuit mantelzorgers, netwerk en vrijwilligers bij activiteiten die moeten worden uitgevoerd; • Er zijn geen beperkingen of belemmeringen aan de orde bij de cliënt die maken dat de woning extra vervuilt of dat de woning extra schoon moet zijn; • De woning heeft geen uitzonderlijke inrichting en is niet extra bewerkelijk of extra omvangrijk.

60

No. 25.0002254 8.13.3 Individuele situaties op basis van kenmerken Niet iedere cliënt past in deze omschrijving van de gemiddelde cliëntsituatie. Voor cliënten waarbij de gemiddelde situatie niet van toepassing is, kunnen invloedsfactoren worden meegewogen. Deze staan in het normenkader als ‘meer inzet’ of ‘minder inzet’. Daarmee wordt voor iedere cliënt maatwerk gerealiseerd. Let op dat de aanwezigheid van deze kenmerken niet automatisch leidt tot meer inzet. Het is steeds de vraag of een kenmerk leidt tot extra vervuiling of vraagt om een extra niveau van schoon, waardoor meer inzet nodig is. De volgende invloedsfactoren kunnen maken dat meer of minder ondersteuningstijd nodig is: a. Kenmerken cliënt • Mogelijkheden cliënt zelf: De fysieke mogelijkheden van de cliënt om bij te dragen aan de uit te voeren huishoudelijke taken. Dit hangt af van het kunnen bewegen, lopen, bukken en omhoog reiken, het vol kunnen houden van activiteiten, het kunnen overzien wat moet gebeuren en daadwerkelijk tot actie kunnen komen. Ook speelt hier de trainbaarheid en leerbaarheid van de cliënt mee. • Beperkingen en belemmeringen van de cliënt: Beperkingen en belemmeringen van de cliënt kunnen gevolgen hebben voor de benodigde inzet. Leidend is de hoeveelheid extra ondersteuning die nodig is; niet de problematiek als zodanig.

Voorbeelden zijn Huntington, ALS, Parkinson, dementie, visuele beperking, revalidatie, bedlegerig, psychische aandoeningen, verslaving/alcoholisme e.d. Dit kan op twee manieren uitwerken: 1. Het kan nodig zijn extra vaak schoon te maken of te wassen, doordat meer vervuiling optreedt. Bijvoorbeeld als gevolg van rolstoelgebruik, ernstige incontinentie, overmatig zweten, (ernstige) tremoren, besmet wasgoed (bijvoorbeeld bij chemokuur of Norovirus). 2. Het kan nodig zijn de woning extra goed schoon te maken. Ter voorkoming van problemen bij de cliënt voortkomend uit bijvoorbeeld allergie, astma, longemfyseem, COPD. Het college hanteert daarbij het uitgangspunt van een gesaneerde woning. • Ondersteuning vanuit mantelzorgers, gebruikelijke hulp, netwerk en vrijwilligers: De hoeveelheid ondersteuning die wordt geboden vanuit mantelzorgers, het netwerk van de cliënt en eventuele vrijwilligers, waardoor minder inzet vanuit het college noodzakelijk is omdat een deel van de activiteiten door hulp van anderen wordt gedaan. Daar vult het college alleen op aan als dat nodig blijkt. b. Kenmerken huishouden • Samenstelling van het huishouden: het aantal personen en de leeftijd van leden in het huishouden. Als sprake is van een huishouden van twee personen, is niet persé extra inzet nodig.

Dit is bijvoorbeeld wel het geval als zij gescheiden slapen, waardoor een extra slaapkamer in gebruik is. Het kan ook betekenen dat er minder ondersteuning nodig is, omdat de partner een deel van de activiteiten uitvoert (gebruikelijke hulp). De aanwezigheid van een kind of kinderen kan leiden tot extra noodzaak van inzet van ondersteuning. Dit is mede afhankelijk van de leeftijd en leefstijl van de betreffende kinderen en van de bijdrage die het kind levert in de huishouding. • Huisdieren: door de aanwezigheid van een of meer huisdieren in het huishouden, kan eventueel door meer vervuiling extra inzet nodig zijn dan in de norm is opgenomen. Verzorging van huisdieren valt niet onder huishoudelijke ondersteuning. Een huisdier veroorzaakt niet altijd extra benodigde inzet (goudvis in een kom, een niet verharende hond, etc.). Een huisdier heeft vaak ook een functie ten aanzien van participatie en eenzaamheidsbestrijding. Met de cliënt moet in voorkomende gevallen overleg plaatsvinden over aantal of aard van huisdieren en welke gevolgen hiervan wel of niet ‘voor rekening’ van de gemeente/samenleving komen. Zie 8.8 Eigen kracht en eigen verantwoordelijkheid van deze beleidsregels voor het te hanteren uitgangspunt over huisdieren. c.

Kenmerken woning • Inrichting van de woning: extra inzet nodig door bijvoorbeeld extra veel beeldjes of fotolijstjes in de woonkamer of een groot aantal meubelstukken in de ruimte. Het gaat in dit geval om de extreme

61

situaties, waarin de inrichting een aanzienlijke extra ondersteuning vergt. Ook hierbij kan nader overleg met de cliënt zijn aangewezen over wie wat doet in het huishouden. • Bewerkelijkheid van de woning: extra inzet nodig door bouwkundige en externe factoren, bijvoorbeeld de ouderdom van het huis, de staat van onderhoud, de aard van de wand- of vloerafwerking, de aard van de deuren, schuine wanden, hoogte van de plafonds, tocht en stof, eventuele gangetjes en hoekjes. • Omvang van de woning: een grote woning kan, maar hoeft niet persé meer inzet te vragen. Een extra grote oppervlakte van de in gebruik zijnde ruimtes kan meer tijd vergen om bijvoorbeeld stof te zuigen, maar kan het stofzuigen ook makkelijker maken omdat je makkelijk overal omheen kunt werken. Een extra slaapkamer die daadwerkelijk in gebruik is als slaapkamer vergt wel extra tijd. 8.13.4 Middeling van tijden Het normenkader HHM 2025 bestaat uit totaaltijden voor verschillende onderdelen. Deze zijn bepaald op grond van de triangulatie-aanpak die ten grondslag ligt aan dit normenkader. Dit betreft onderzoektijden die samengevoegd leiden tot een passende omvang van ondersteuning op maat voor de cliënt. Hierbij is sprake van middeling van tijden. Individuele situaties verschillen altijd van elkaar.

Dit maakt in dit normenkader dat het grote geheel zeker klopt, maar er is geen sprake van ‘instructietijden of uitvoeringsnormen per activiteit’. Zie schema in Bijlage 4 Huishoudelijke ondersteuning (normtijden activiteiten en frequentie per week) van deze beleidsregels. Uitgangspunten Opgemerkt wordt dat het uitgangspunt voor meer inzet als gevolg van huisdieren ook al is opgenomen in dit hoofdstuk. Verder kan een robotstofzuiger (algemeen gebruikelijke voorziening) leiden tot minder inzet van schoonmaakondersteuning. Zie 3.2.8 Algemeen gebruikelijke voorziening van deze beleidsregels. 8.13.5 Een keer per twee weken schoonmaakondersteuning Het college kan de huishoudelijke ondersteuning eens per twee weken inzetten als dat passend is. Dat is het geval als de cliënt tussen de momenten dat de hulp weer komt in staat is om de ‘algemene hygiëne’ in huis op orde te houden. Dit betekent: • dat de cliënt ‘op middenhoogte’ een aantal zaken in huis voldoende bij moet kunnen houden. Zoals wastafel, aanrecht, toilet(ten) en stof afnemen op middenniveau; • dat de cliënt de vloeren moet kunnen bijhouden. Bijvoorbeeld met een (steel)stofzuiger, Swiffer of met een robotstofzuiger of door iemand anders, etc. • er is geen sprake van verzwarende factoren/beperkingen. Uitgangspunt van de passende inzet De omvang is 2,5 uur per twee weken. De uitleg voor de omvang is: 1.

1 x het volledige reguliere ‘week-werk’ = 125 minuten; 2. plus: 1 x de ‘niet-wekelijkse werkzaamheden = 20 minuten. Dit is gebaseerd op het onderzoek Utrecht, 2016); 3. plus: 1 extra kamer niet in gebruik als slaapkamer = 5 minuten; 4. totaal = 125 + 20 + 5 = 150 minuten = 2,5 uur per 2 weken. Niet is uitgesloten dat het college, vanwege bijvoorbeeld eigen kracht, nog tijd in mindering kan brengen op deze 2,5 uur. Maar dat kan ten laste gaan van de hulp. Dat wil zeggen dat het in mindering brengen van tijd heel goed gemotiveerd moet worden. 8.14 Werkwijze selectie van een aanbieder De cliënt wordt door het college de mogelijkheid geboden om te kiezen uit de door de gemeente gecontracteerde aanbieders. De cliënt krijgt daarvoor een overzicht van de aanbieders. De selectie van een aanbieder vindt plaats op basis van de volgende criteria: • keuze van de cliënt;

62

No. 25.0002254 • indien de cliënt geen voorkeur heeft: de aanbieder die het meest geschikt is voor het bieden van hulp /ondersteuning voor de specifieke casus volgens het college; • indien de cliënt geen voorkeur heeft en bij gelijke geschiktheid van aanbieders voor de specifieke casus: de prijs van de dienstverlening; • in geval van gelijke geschiktheid en gelijke tarieven zal de opdracht per toerbeurt aan een aanbieder worden toegewezen. Dit alles onder de voorwaarde van beschikbaarheid van de ondersteuning bij de aanbieder. De keuze van de cliënt gaat echter niet zo ver dat diens voorkeur voor een bepaalde ondersteuner bepalend is voor de keuze van de aanbieder met wie het college een overeenkomst sluit. Bepalend is of de verstrekte maatwerkvoorziening passend is (CRVB:2021:2784).

Hoofdstuk 9 Beschermd wonen Hoofdstuk 6 van de Verordening 9.1 Inleiding De Wmo 2015 definieert beschermd wonen als volgt: “het wonen in een accommodatie van een instelling met daarbij behorend toezicht en begeleiding gericht op het bevorderen van zelfredzaamheid en participatie, het psychisch en psychosociaal functioneren, stabilisatie van een psychiatrisch ziektebeeld, het voorkomen van verwaarlozing of maatschappelijke overlast of het afwenden van gevaar voor de cliënt of anderen, bestemd voor personen met psychische of psychosociale problemen, die niet in staat zijn zich te handhaven in de samenleving” (art. 1.1.1 lid 1 Wmo 2015). 9.2 Doelgroep Beschermd Wonen Het gaat bij de indicatie voor beschermd wonen om een specifieke doelgroep die vanwege psychische en/of psychosociale problemen en/of verstandelijke beperking niet in staat zijn zich te handhaven in de samenleving. Daarnaast is er sprake van regieproblemen op het gebied van zelfredzaamheid en participatie. De cliënt is om die redenen tijdelijk aangewezen op verblijf in een beschermende woonomgeving met bijbehorend toezicht en begeleiding. De noodzaak voor een beschermende woonomgeving wordt, zo blijkt uit de begripsbepaling, (mede) bepaald aan de hand van de aanwezigheid van risico’s: • het voorkomen van verwaarlozing; en/of • maatschappelijke overlast; en/of • het afwenden van gevaar voor de cliënt of anderen.

Het toezicht is noodzakelijk ter voorkoming van één of meer van de hiervoor genoemde risico’s en bestaat uit een (noodzakelijke) behoefte aan meerdere en onplanbare ondersteuningsmomenten per etmaal op essentiële terreinen van het dagelijks leven. 9.3 Doelstelling Beschermd Wonen De doelstelling is om voor mensen in een beschermde woonvorm het leven daar waar mogelijk te stabiliseren, normaliseren en het perspectief op ontwikkeling en integratie in de samenleving te bevorderen. Ten einde duurzaam uit te stromen naar de gemeente van herkomst. 9.4 Indicatiebesluit Beschermd Wonen In paragraaf 2.3.1 Hybride toegangsteam Beschermd wonen staat hoe de toegang tot beschermd wonen is georganiseerd. Het college van gemeente Almere beslist op de aanvraag. 9.4.1 Beschermd Wonen Profiel Beschut Wonen Beschermd wonen profiel Beschut Wonen Kenmerken pakket

Beschut Wonen is een lichtere vorm van ondersteuning binnen de financiering van beschermd wonen. De cliënt woont in een accommodatie van de aanbieder en krijgt hier gemiddeld vier uur

63

individuele begeleiding per week. Begeleiding is 24/7 beschikbaar en kan binnen 30 minuten aanwezig zijn. Het uiteindelijke doel van Beschut Wonen is uitstroom naar zelfstandig wonen. Daarnaast moet Beschut Wonen uitstroom vanuit intensievere vormen van beschermd wonen of andere (intramurale) setting bevorderen of instroom naar intensievere vormen van beschermd wonen of andere (intramurale) setting voorkomen. Beschut Wonen kan bijvoorbeeld ook ingezet worden voor cliënten die uitstromen vanuit de Forensische Zorg, een GGZ-instelling of de Jeugdhulp. Cliënten kunnen een aanvraag doen voor Beschut Wonen met óf zonder dagbesteding. Dit wordt beoordeeld door de klantmanager van de betreffende een regiogemeente. Indien een aanvraag Beschut Wonen met dagbesteding wordt beschikt, dan ontvangt de aanbieder hiervoor één tarief, waarbij het onderdeel dagbesteding gebaseerd is op gemiddeld 4 dagdelen dagbesteding per week. Dit wordt bekostigd vanuit de regionale Wmo-middelen.

Acties uit te voeren door aanbieder

De hieronder genoemde criteria gelden als randvoorwaarde voor Beschut Wonen. Uitgangspunt is echter altijd maatwerk. Er is daarom ruimte voor uitzonderingen. Over het algemeen geldt dat de cliënt: • Een psychiatrische/ psychische aandoening heeft, mogelijk in combinatie met een verstandelijke beperking. Op het gebied van de psychiatrische aandoening is stabiliteit behaald, echter is het nog noodzakelijk dat er dagelijks contact is met de cliënt om dit te monitoren. • Zelf de ondersteuningsvraag kan formuleren. • De hulpvraag 30 minuten kan uitstellen. • Dagbesteding, opleiding en/of werk volgt. • Basale ADL-vaardigheden beheerst. De begeleiding bestaat uit: • De cliënt ondersteunen bij het stabiel blijven en begeleiden naar zelfstandigheid. • De aanbieder werkt samen met de cliënt aan doelen om de uitstroom naar een zelfstandige woning mogelijk te maken. • Aanbieder begeleidt de cliënt naar dagbesteding of passende activering die aansluit bij de hersteldoelen, waarbij onderwijs en werk voorliggend zijn aan dagbesteding. Trajecten die lopen via het UWV maken geen onderdeel uit van dagbesteding. • De aanbieder meldt de cliënt zes maanden voordat iemand naar verwachting klaar is voor uitstroom aan voor de uitstroomtafel. De aanbieder biedt: • Aanbieder biedt gemiddeld vier uur individuele begeleiding per week. • Er is in principe geen sprake van groepsbegeleiding.

Het staat de aanbieder vrij om groepsbegeleiding in te zetten vanuit de beschikbare uren individuele begeleiding. • Aanbieder biedt planbare zorg buiten kantoortijden. • Zorg kan worden geleverd tussen 07:00 uur en 22:00 op alle weekdagen. • Aanbieder is 24/7 beschikbaar en indien nodig binnen 30 minuten aanwezig (oproepbaar). • De aanbieder biedt een woning waarbij de cliënt in staat is om zelfstandig naar een locatie van de hulpverlenende instantie te gaan. Dit kan zowel een woning op het terrein van de hulpverlenende instantie zijn of daarbuiten, afhankelijk van de behoeften van de cliënt.

64

No. 25.0002254 • Resultaat Looptijd beschikking

Beschut wonen vindt zo veel als mogelijk plaats in de herkomstgemeente van de cliënt. De cliënt heeft voldoende vaardigheden ontwikkeld om zelfstandig te kunnen wonen en functioneren met de benodigde ondersteuning. De beschikkingsduur is tijdelijk van aard. Maximaal 1,5 jaar, met een evaluatiemoment door middel van de uitstroomtafel na 1 jaar (of indien het een korter traject betreft 6 maanden voor uitstroom). Verlenging van de beschikking is mogelijk in uitzonderlijke gevallen.

9.4.2 Beschermd Wonen Midden Beschermd Wonen Midden Kenmerken pakket

Acties uit te voeren door aanbieder

Dit pakket biedt 24-uurs begeleiding, aan volwassenen met psychische of psychosociale problemen, in een veilige en weinig eisende accommodatie van een Beschermd wonen instelling. Het doel is toe te werken naar stabilisatie van de psychische en/of psychosociale problematiek, herstel van de zelfredzaamheid en zelfstandig wonen met eventueel ambulante ondersteuning. Over het algemeen geldt dat de cliënt: • Geen gebruik kan maken van voorliggende voorzieningen of wetgeving omdat deze onvoldoende ondersteuning bieden. • Geen netwerk heeft dat (voldoende) steun biedt of steun kan bieden. • Beperkingen ervaart door: Psychische en/of psychosociale problemen, mogelijk in combinatie met een verstandelijke beperking, verslaving, gedragsproblematiek, somatische aandoening en/of lichamelijke beperking. • Mogelijk in aanraking is (geweest) met politie/justitie. • Beperkt inzicht heeft in de eigen problematiek en/of gevolgen van eigen handelen/gedrag. • Onvoldoende in staat is zijn ondersteuningsvraag zelf te formuleren en uit te stellen. • Problemen ervaart bij het onderhouden van sociale relaties en het invullen van de dag. • Beperkte vaardigheden bezit om problemen op te lossen of besluiten te nemen. • Begeleiding bij één of meerdere taken van de basale algemeen dagelijkse levensverrichtingen (ADL)1 nodig heeft.

• Begeleiding of overname bij één of meerdere taken van de instrumentele ADL2 nodig heeft. • Intrinsiek gemotiveerd is. • Beperkt gevoelig kan zijn voor begeleiding. • Begeleiding nodig heeft bij het opstarten en/of vasthouden van dagbesteding Ondersteuning is 24 uur op een dag, 7 dagen in de week beschikbaar voor de cliënt. Omdat de cliënt in de nacht soms ondersteuning nodig heeft is er een slapende wacht aanwezig of wordt gebruik gemaakt van digi-contact waarbij begeleiding oproepbaar is en binnen 30 minuten aanwezig. De begeleiding is gericht op stabilisatie en het vergroten van zelfredzaamheid en zelfregie. De begeleiding is gericht op het ontwikkelen van zelfregie en zelfredzaamheid. Daarnaast is begeleiding in samenspraak met de behandelaar gericht op het leren omgaan met de beperkingen (cognitief en psychisch) en het beheersbaar houden en gaandeweg doen afnemen van de gedragsproblemen. Het uiteindelijke doel is zelfstandig wonen eventueel met ambulante ondersteuning in de

1

Onder basale ADL wordt verstaan: persoonlijke hygiëne, zelfstandig kunnen verplaatsen binnenshuis, aankleden, eten en drinken. 2 Onder instrumentele ADL wordt verstaan: reizen, maaltijd bereiden, boodschappen doen, huishouden voeren, administratie, financiën, medicatie beheren, afspraken maken en nakomen, problemen oplossen en besluiten nemen.

65

gemeente van herkomst. De intensiteit van de begeleiding fluctueert en sluit aan bij de ondersteuningsbehoefte van de cliënt. Begeleiding bestaat uit: • Samen met de cliënt een ondersteuningsplan opstellen gericht op herstel. • Ondersteunen en motiveren van de cliënt bij het behalen van zijn (herstel)doelen. • Begeleiding bij het aanleren van vaardigheden gericht op de zelfredzaamheid en bij het omgaan met beperkingen. • Toezien op, begeleiding bij en aanleveren van basale ADL, zodat de cliënt zo zelfstandig mogelijk de basale ADL kan uitvoeren. Wanneer er een somatische grondslag is, wordt zo nodig wijkverpleging /verzorging ingezet voor het overnemen van taken. • Toezien op, begeleiding bij en aanleveren van instrumentele ADL vaardigheden, indien nodig taken tijdelijk overnemen en ondersteunen bij het verwerven van vaardigheden zodat de cliënt zo zelfstandig mogelijk de instrumentele ADL kan uitvoeren. • Toezien op de geestelijke- en lichamelijke gezondheid van de cliënt en indien nodig contact opnemen met behandelaar/huisarts/specialist • Begeleiding bij het vergroten van de sociale redzaamheid. • Begeleiding bij het aanleren van vaardigheden om zelfstandig de dag in te vullen/een weekplanning te maken en overnemen waar nodig. • Begeleiding bij het aanleren van vaardigheden met betrekking tot het doen van de financiën, administratie en contact met instanties.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://raad.noordoostpolder.nl/api/v1/meetings/2313/documents/43779