D21 01 Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning gemeente Noordoostpolder 2026.pdf
Tekst van het document
Denk bijvoorbeeld aan de cliënt die gebruik kan maken van de algemene voorziening
14
No. 25.0002254 wasservice of hulp van anderen kan krijgen. Het college doet in ieder geval onderzoek naar de gewijzigde ondersteuningsbehoefte; dat kan door een afspraak te maken met de cliënt. De wettelijke bevoegdheid om onderzoek te doen nadat een maatwerkvoorziening (al dan niet in de vorm van een pgb) is toegekend is neergelegd in artikel 2.3.9 Wmo 2015. 2.7 Onderwerpen van het onderzoek De Wmo 2015 schrijft voor dat het college een onderzoek doet naar de behoefte aan maatschappelijke ondersteuning als de cliënt dat bij het college heeft gemeld. De onderwerpen die tijdens het onderzoek aan bod moeten komen zijn neergelegd in artikel 2.3.2 lid 4 Wmo 2015. Daarin staat dat het college het volgende onderzoekt: a. de behoeften, persoonskenmerken en de voorkeuren van de cliënt; b. de mogelijkheden om op eigen kracht of met gebruikelijke hulp zijn zelfredzaamheid of zijn participatie te verbeteren of te voorzien in zijn behoefte aan beschermd wonen of opvang; c. de mogelijkheden om met mantelzorg of hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk te komen tot verbetering van zijn zelfredzaamheid of zijn participatie of te voorzien in zijn behoefte aan beschermd wonen of opvang; d. de behoefte aan maatregelen ter ondersteuning van de mantelzorger van de cliënt; e.
de mogelijkheden om met gebruikmaking van een algemene voorziening of door het verrichten van maatschappelijk nuttige activiteiten te komen tot verbetering van zijn zelfredzaamheid of zijn participatie, onderscheidenlijk de mogelijkheden om met gebruikmaking van een algemene voorziening te voorzien in zijn behoefte aan beschermd wonen of opvang; f. de mogelijkheden om door middel van samenwerking met zorgverzekeraars en zorgaanbieders als bedoeld in de Zorgverzekeringswet en partijen op het gebied van publieke gezondheid, jeugdhulp, onderwijs, welzijn, wonen, werk en inkomen, te komen tot een zo goed mogelijk afgestemde dienstverlening met het oog op de behoefte aan verbetering van zijn zelfredzaamheid, zijn participatie of aan beschermd wonen of opvang; g. welke bijdragen in de kosten de cliënt met toepassing van het bepaalde bij of krachtens artikel 2.1.4 of 2.1.4a, verschuldigd zal zijn. Voorlichting Tijdens het onderzoek wordt de cliënt ook: • verteld welke mogelijkheden er bestaan om te kiezen voor een pgb en wordt hij/zij in begrijpelijke bewoordingen ingelicht over de gevolgen van die keuze; • geïnformeerd over het gebruik en oneigenlijk gebruik van maatwerkvoorzieningen, al dan niet in de vorm van een pgb en de manier waarop het college vorm kan geven aan de controle.
2.8 Stappenplan voor het onderzoek Volgens de CRvB zijn er zes stappen nodig om een zorgvuldig onderzoek uit te voeren, dit zijn: • Stap 1: Na de melding dient eerst de precieze ondersteuningsvraag te worden geduid. • Stap 2: Vervolgens moet bepaald worden wat – kort gezegd – de beperkingen in de zelfredzaamheid en participatie zijn. • Stap 3: Als deze beide vragen op papier staan, kan (en moet) inzicht worden verkregen in de aard, omvang en frequentie van de ondersteuning die nodig is. • Stap 4: Daarna wordt in kaart gebracht of: - de eigen kracht, - gebruikmaking van algemeen gebruikelijke voorzieningen, - gebruikelijke hulp, - mantelzorg of hulp uit het sociale netwerk, en - gebruikmaking van algemene voorzieningen, en zo ja: in welke mate – deze voorliggende oplossingen beschikbaar, geschikt en toereikend zijn. • Stap 5: Zijn de mogelijkheden onder stap 4 ontoereikend, dat zal het college een maatwerkvoorziening moeten verstrekken, tenzij een (andere) weigeringsgrond van toepassing is.
15
• Stap 6: Voor zover dit in het individuele geval noodzakelijk is, zal specifieke deskundigheid moeten worden ingeschakeld. 2.9 Ondersteuning vragen Cliënten kunnen het moeilijk vinden om een ander te vragen iets voor hen te doen terwijl mensen in het netwerk vaak best bereid zijn iets voor een ander te betekenen, maar niet weten hoe ze dat moeten aankaarten. Dit kan onderwerp zijn van het onderzoek, waarbij het college kan ondersteunen bij het betrekken van personen uit de sociale omgeving. Van de cliënt mag worden verwacht dat hij de personen uit het sociaal netwerk vraagt of zij hem kunnen en willen ondersteunen. Deze personen kunnen ook worden uitgenodigd bij het onderzoek. 2.10 Inlichtingen- en medewerkingsplicht Om het onderzoek volledig uit te kunnen voeren is het van belang dat de cliënt daaraan zijn medewerking verleent. In artikel 2.3.2 lid 7 Wmo 2015 is bepaald dat de cliënt dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger het college de gegevens en bescheiden verschaft die voor daarvoor nodig zijn en waarover hij redelijkerwijs de beschikking kan krijgen. Deze verplichting geldt naar analogie van artikel 4:2 Awb. Het komt er op neer dat de cliënt noodzakelijke informatie verstrekt die het college kan onderzoeken.
2.10.1 Inlichtingenplicht Artikel 2.3.8 lid 1 Wmo 2015 bepaalt de inlichtingenplicht voor cliënten aan wie een maatwerkvoorziening is verstrekt, al dan niet in de vorm van een pgb. Dat wil zeggen dat inlichtingen die relevant zijn voor een verstrekte maatwerkvoorziening spontaan bij het college gemeld moeten worden. Denk bijvoorbeeld aan de situatie dat de cliënt een huisgenoot heeft gekregen die mogelijk de gebruikelijke hulp op zich kan nemen. 2.10.2 Medewerkingsplicht Artikel 2.3.8 lid 3 Wmo 2015 regelt de medewerkingsplicht die redelijkerwijs nodig is voor de uitvoering van de wet. Onder het niet verlenen van medewerking wordt in ieder geval verstaan: • Het niet meewerken aan een onderzoek, al dan niet door een deskundige, door niet te verschijnen of relevante vragen niet te beantwoorden. Denk ook aan een onderzoek door een ergotherapeut. De medewerkingsverplichting geldt ook voor de huisgenoot ingeval van een onderzoek over het kunnen bieden van gebruikelijke hulp. • Als de vertegenwoordiger stelt dat het college de cliënt niet hoeft te zien en/of te spreken voor het onderzoek. • Gebruikmaking van het blokkeringsrecht als bedoeld in artikel 7:464 lid 2 onder b Burgerlijk Wetboek. • Het niet overleggen van het indicatiebesluit op grond van de Wlz als dat noodzakelijk is voor de beoordeling van de ondersteuningsbehoefte (RBLIM:2021:4243).
Blokkeringsrecht Het blokkeringsrecht als bedoeld in art. 7:464 lid 2 onder b BW houdt in dat de uitslag van een medisch onderzoek niet door anderen mag worden gelezen. Dat wil zeggen dat de (medisch) adviseur geen toestemming heeft om het door het college gevraagde advies ook daadwerkelijk aan het college te verstrekken. Gebruikmaken van het blokkeringsrecht wordt aangemerkt als het niet verlenen van de medewerking die nodig is voor de uitvoering van de wet. De gevolgen van het gebruikmaken van het blokkeringsrecht komen voor rekening en risico van de cliënt (bijv. CRVB:2023:2020). In de praktijk houdt het in dat het college de noodzaak tot het verstrekken van een maatwerkvoorziening niet kan vaststellen. Gevolgen Niet of onvoldoende medewerking verlenen kan leiden tot weigering aanvraag als daardoor de noodzaak tot ondersteuning niet kan worden vastgesteld (CRVB:2019:224, CRVB:2020:567, CRVB:2021:1739). De gevolgen van het niet verstrekken van relevante inlichtingen kan leiden tot een
16
No. 25.0002254 herziening of intrekking van het toekenningsbesluit onder toepassing van artikel 2.3.10 Wmo 2015. En mogelijk ook tot een terugvordering. Zie verder hoofdstuk 16 Heroverweging, beëindiging, herziening of intrekking, terug- en invordering van deze beleidsregels. 2.11 Beperking, chronisch psychisch probleem en psychosociaal probleem Beperking De Wmo 2015 bepaalt niet wat onder een beperking wordt verstaan. Onder een beperking kunnen aan de cliënt verbonden factoren worden verstaan die ertoe leiden dat de cliënt niet (volledig) in staat is tot zelfredzaamheid en participatie. Denk aan: ouderdomsklachten, ziekte, aandoening of DSM-5 problematiek. Zelfredzaamheid en participatie Zelfredzaamheid bevat twee elementen: 1. het uitvoeren van de noodzakelijke algemene dagelijkse levensverrichtingen (ADL), 2. het voeren van een gestructureerd huishouden. Participatie heeft betrekking op deelname aan het maatschappelijk verkeer. Dit wil zeggen zoveel mogelijk op gelijke voet met anderen mee kunnen doen aan de samenleving. Diagnose alleen geeft geen toegang Een diagnose is geen beperking. Het moet duidelijk zijn dat de cliënt door de beperkingen belemmerd wordt in de zelfredzaamheid en/of participatie én dat ‘voorliggende oplossingen’ niet passend zijn in de individuele situatie. Zie onder meer hoofdstuk 3 Beoordeling van de aanspraak van deze beleidsregels.
Chronisch psychisch probleem Psychische problemen hebben te maken met gevoelens en gedachten van mensen waarvoor vaak geen fysieke oorzaak is. Psychische problemen worden vastgesteld aan de hand van de DSM-5. Dat is een classificatiesysteem voor psychiatrische aandoeningen. De DSM-5 biedt een geclusterde beschrijving van alle stoornissen op basis van symptomen. Daaronder vallen bijvoorbeeld: • Angststoornissen • Depressie • Persoonlijkheidsproblematiek • Autisme Spectrum Stoornissen (ASS) Beoordeling ondersteuningsvraag Dat wil zeggen als uit het onderzoek blijkt dat de ondersteuningsvraag betrekking heeft op een chronisch psychisch probleem (DSM-5 problematiek), bijvoorbeeld een angststoornis, dan zal dat aannemelijk moeten worden door een diagnose. Psychosociaal probleem Psychosociale problematiek is een containerbegrip. Het gaat om problemen die cliënten kunnen ondervinden in hun relaties en contacten met andere mensen. De wetsgeschiedenis van de Wmo 2015 gaat niet concreet in op dit begrip. In de Wmo (oud) was dat wel het geval. Is het verlies van zelfstandig functioneren of een gebrek aan deelname aan het maatschappelijk verkeer het gevolg zijn van iemands problemen in zijn relatie met zijn sociale omgeving, dan is sprake van een psychosociaal probleem (TK 2004/05, 30 131, nr. 3, p. 29).
Ongeacht de aard van de psychosociale problematiek, de beperkingen moet wel geobjectiveerd kunnen worden aan de hand van reguliere onderzoeksmethoden (bijv. CRVB:2019:2909 en CRVB:2019:1173). 2.12 Bevorderen gezondheid Dat een maatwerkvoorziening een positief effect heeft op de gezondheid is voor de Wmo 2015 niet relevant (CRVB:2020:2644, CRVB:2023:1446). Gezondheid en vervoer
17
Dat een positief effect op de gezondheid geen rol speelt in de Wmo 2015 speelt voornamelijk bij vervoersvoorzieningen. Het werken aan bijvoorbeeld conditie is geen resultaatgebied waar de Wmo 2015 voor verantwoordelijk is. Gezondheid en begeleiding Zelfzorg kan een onderdeel zijn waar de begeleiding op is gericht. Denk bijvoorbeeld aan ADLactiviteiten zoals lichamelijke hygiëne en eten/drinken. Een risico op zelfverwaarlozing kan aanleiding zijn om begeleiding te indiceren (vgl. CRVB:2020:3471). Gezondheid en hygiëne Tijdens een huisbezoek kan de klantmanager zien dat de woning niet schoon is. Het moet gaan om een objectief oordeel. Want wat onder schoon wordt verstaan kan van persoon tot persoon verschillen. Een woning is niet schoon als het zorgen oproept over hygiëne in relatie tot gezondheid. Gebruikmaken van een andere wet Tijdens het onderzoek wordt gekeken of de cliënt, gelet op de vastgestelde problematiek, gebruik kan maken van een andere wet. Zie verder 3.2.6 Gebruik maken van een andere wet (voorliggende voorziening) in deze beleidsregels. 2.13 De aanvraag Het college beslist in principe binnen twee weken op de aanvraag. Pas na verstrekking van een onderzoeksverslag kan een aanvraag voor een maatwerkvoorziening worden gedaan, tenzij het onderzoek niet binnen zes weken is uitgevoerd (art. 2.3.2 lid 9 Wmo 2015).
Er zijn twee mogelijkheden om een aanvraag in te dienen voor een maatwerkvoorziening: schriftelijk of mondeling. Het college stelt de identiteit van de cliënt altijd vast. 2.13.1 Schriftelijke aanvraag Een aanvraag wordt schriftelijk gedaan (art. 4:1 Awb). Dat kan op twee manieren. Als eerste kan, om administratieve lasten voor zowel de cliënt als het college te voorkomen, een onderzoeksverslag voorzien van de NAW-gegevens én een handtekening van de cliënt, als aanvraag worden aangemerkt. De cliënt mag het door hem (digitaal) ondertekende onderzoeksverslag digitaal of fysiek naar het college sturen. Dat is de reguliere procedure. Een tweede mogelijkheid om een aanvraag om een maatwerkvoorziening in te dienen is middels een aanvraagformulier dat tijdens een huisbezoek kan worden ingevuld als: • volstrekt duidelijk is dat de cliënt is aangewezen op een maatwerkvoorziening, en • het college in de beschikking volledig tegemoetkomt aan de vraag van de cliënt. Het onderzoeksverslag wordt nog wel aan de cliënt verzonden. 2.13.2 Mondelinge aanvraag Het college kan bepalen dat een aanvraag mondeling kan worden gedaan (art. 3.1 lid 3 Verordening).
Het gaat om situaties waarin na het onderzoek en het nog op te stellen onderzoeksverslag: • volstrekt duidelijk is dat de cliënt is aangewezen op een maatwerkvoorziening, en • het college in de beschikking volledig tegemoetkomt aan de vraag van de cliënt, en 1. het eerst moeten terugsturen van een ondertekend onderzoeksverslag (= aanvraag) of een aanvraagformulier bij de cliënt tot verwarring over de procedure kan leiden; of 2. het college op grond van het dossier of adviezen van deskundigen vindt dat de cliënt gebaat is bij het voortvarend handelen gelet op de problematiek. Het onderzoeksverslag wordt ook aan de cliënt verzonden. 2.14 Advisering Voor de uitvoering van de Wmo 2015 kan het college advies vragen omdat het zelf niet ter zake deskundig is én zonder advies geen beslissing op de aanvraag genomen kan worden. Denk bijvoorbeeld aan:
18
No. 25.0002254 • de beperkingen op het gebied van de zelfredzaamheid en/of participatie vast laten stellen (wettelijk toetsingskader); • te laten beoordelen of er in het individu gelegen omstandigheden zijn die het recht op een pgb in de weg staan (wettelijke voorwaarden); • de goedkoopst passende bijdrage (maatwerkvoorziening) te laten indiceren en te selecteren zonodig aan de hand van de door een arts (of iemand die functioneert op vergelijkbaar niveau) vastgestelde (medische) beperkingen; • zaken van technische aard te laten beoordelen, zoals die bij woningaanpassingen aan de orde kunnen zijn. Denk bijvoorbeeld aan de mogelijkheden van een inpandige woningaanpassing in plaats van een aanbouw. Advies vragen Als vuistregel geldt dat, als dat oordeel betrekking heeft op een medische kwalificatie van lichamelijke of geestelijke gebreken en de beperkingen die daaruit kunnen voortvloeien, het college in beginsel niet ter zake kundig zal zijn (CRVB:2021:2004). Afhankelijk van de aard van de problematiek moet het college de cliënt laten oproepen door een deskundige die (zonodig) op het niveau van een arts functioneert. Het college kan advies vragen gedurende de procedure (melding, onderzoek of alvorens te beslissen op de aanvraag). Ook als het college het besluit heroverweegt als bedoeld in artikel 2.3.9 Wmo 2015 kan er aanleiding om advies op te vragen.
Zie verder hoofdstuk 17 Advisering bij deze beleidsregels. 2.15 Maatwerk Een cliënt die zijn hoofdverblijf heeft of zal hebben in de gemeente Noordoostpolder komt in aanmerking voor een maatwerkvoorziening in verband met de door hem ondervonden beperkingen in de zelfredzaamheid en/of participatie, voor zover de cliënt deze beperkingen naar het oordeel van het college niet: a. op eigen kracht; b. met gebruikmaking van algemene gebruikelijke voorzieningen; c. met gebruikelijke hulp; d. met mantelzorg of met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk; dan wel e. met gebruikmaking van algemene voorzieningen, kan verminderen of wegnemen. Passende bijdrage Bij de beslissing op de aanvraag om een maatwerkvoorziening gaat het om maatwerk. Uit de Wmo 2015 volgt dat de maatwerkvoorziening een passende bijdrage levert aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt in staat wordt gesteld tot zelfredzaamheid en/of participatie en zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kan blijven. Dat wil zeggen dat het bij het bieden van maatwerk om een resultaatverplichting van het college gaat. Het resultaat kan op verschillende manieren worden bereikt. Daarom is het van groot belang dat het onderzoek zich richt op het bereiken van een resultaat. Dit in samenspraak met de cliënt, zijn eventuele mantelzorger of andere personen uit het sociaal netwerk.
Het resultaat van de ondersteuning zal waar mogelijk én nodig zo veel mogelijk moeten aansluiten bij de wensen en mogelijkheden van de cliënt zelf en zijn eventuele sociale omgeving. Niveau van maatschappelijke ondersteuning De verplichting van het college om een maatwerkvoorziening te verstrekken, gaat niet zo ver dat de cliënt in exact dezelfde of wellicht zelfs betere positie wordt gebracht dan waarin hij verkeerde voor hij de ondersteuning nodig had (TK 2013/14, 33 841, nr. 3, p. 149). Het behoeft geen toelichting dat dit in bepaalde gevallen ook helemaal niet mogelijk is. De gevraagde ondersteuning moet in een redelijke verhouding staan tot wat de situatie van de cliënt was voor hij ondersteuning nodig had. Wat redelijk is laat zich niet vertalen in beleidsregels; het gaat immers om maatwerk. Het gaat erom dat de cliënt voldoende zelfredzaam is en in staat tot participatie (art. 1.2.1 onder a Wmo 2015, CRVB:2022:224).
19
2.16 Weigeren aanvraag maatwerkvoorziening (Wet langdurige zorg) De Wmo 2015 kent slechts één weigeringsgrond (art. 2.3.5 lid 6 Wmo 2015). Het college is bevoegd om een aanvraag om een maatwerkvoorziening te weigeren als: • de cliënt een indicatie heeft op grond van de Wet langdurige zorg (Wlz), of • een Wlz-indicatie kan krijgen maar daar geen aanvraag voor wil indienen. Geen Wlz-aanvraag willen indienen Een hogere bijdrage op grond van de Wlz, in vergelijking met de Wmo 2015, is geen reden om geen aanvraag op grond van de Wlz te doen. Het niet willen indienen van een aanvraag op grond van de Wlz, als er aanleiding is om aan te nemen dat zo’n aanvraag door het CIZ zal worden toegekend, leidt tot een afwijzing van de aanvraag om een maatwerkvoorziening. Het college kan zonder Wlz-indicatie de noodzaak tot het verstrekken van een maatwerkvoorziening niet vaststellen. Wet langdurige zorg en mantelzorg (kortdurend verblijf) Ook kan mantelzorg worden verleend aan een cliënt die thuis woont. Heeft de cliënt een Wlz-indicatie of kan hij deze krijgen, dan wordt een aanvraag om kortdurend verblijf geweigerd. Op grond van de Wlz bestaat namelijk aanspraak op logeeropvang in een instelling (art. 3.1.1 lid 1 onder g Wlz).
2.16.1 Toegang Wlz verruimd Sinds 1 januari 2021 hebben verzekerden die vanwege een psychische stoornis blijvend behoefte hebben aan permanent toezicht of 24 uur per dag zorg toegang tot de Wlz. Zij worden dan niet anders behandeld dan verzekerden met een lichamelijke, verstandelijke of zintuiglijke handicap, of verzekerden met een somatische of psychogeriatrische beperking of aandoening. 2.16.2 Verblijf in een Wlz-instelling In dit onderdeel staat een aantal aandachtspunten die van belang zijn bij de beoordeling van een aanvraag om maatwerkvoorziening van een cliënt die in een Wlz-instelling woont (al dan niet in deeltijd). Outillagemiddelen Wlz -instelling Er worden op grond van de Wmo geen outillagemiddelen verstrekt aan een client die in een Wlzinstelling verblijft. Voor de uitleg van het begrip outillage kan worden aangesloten bij het algemene spraakgebruik. Het gaat om datgene waarmee een Wlz-instelling is uitgerust ter operationalisatie van zijn doelstelling. De inrichting van een instelling moet zijn uitgerust met die standaardvoorzieningen die nodig zijn om de doelgroep waarop de instelling zich richt adequaat te kunnen verzorgen.
Daarbij is van belang of de gevraagde voorziening door meerdere mensen, eventueel na elkaar en met een geringe individuele aanpassing, te gebruiken is of dat sprake is van een op het individu toegesneden voorziening, die alleen na een kostbare aanpassing door verschillende personen na elkaar te gebruiken is (CRVB:2013:CA0312 Wmo). Mobiliteitshulpmiddelen Sinds 1 januari 2020 is het Zorgkantoor verantwoordelijk voor mobiliteitshulpmiddelen (zoals een rolstoel en een scootmobiel) voor individueel gebruik voor verzekerden met een Wlz-indicatie die in een Wlz-instelling verblijven. Voor hen worden deze voorzieningen verstrekt vanuit de Wlz en niet meer vanuit de Wmo. Per die datum is ook art. 2.3 Regeling langdurige zorg gewijzigd waarmee het recht van verzekerden op het individueel gebruik van een mobiliteitshulpmiddel is verruimd. In dat artikel is een limitatieve opsomming van mobiliteitshulpmiddelen opgenomen. De Minister van VWS heeft wel afspraken gemaakt met de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) en Zorgverzekeraars Nederland dat gemeenten verantwoordelijk blijven voor onderhoud, aanpassing en reparatie van het vóór 1 januari 2020 verstrekte mobiliteitshulpmiddel tot aan het moment dat het hulpmiddel vervangen moet worden. Sociaal Vervoer
20
No. 25.0002254 Cliënten die in een Wlz-instelling wonen kunnen een maatwerkvoorziening sociaal vervoer aanvragen, zoals de Regiotaxi. Bedenk dat deze bewoners mogelijk aanspraak kunnen maken op een mobiliteitshulpmiddel voor individueel gebruik op grond van de Wlz (zie hiervoor). Deeltijdverblijf Wlz Deeltijdverblijf is een combinatie van thuis wonen en in een Wlz-instelling wonen. Met ingang van 1 januari 2020 is het eenvoudiger om deels thuis te wonen en daar Wlz-zorg te ontvangen en deels in een Wlz-instelling te wonen. Deeltijdverblijf maakt het mogelijk om langer thuis te blijven wonen en/of te wennen aan verblijf in een instelling. In de regelgeving is er niets geregeld bij deeltijdverblijf voor wat betreft hulpmiddelen. Het is de bedoeling om per categorie hulpmiddelen afspraken te maken over een verdeling van verantwoordelijkheden (www.regelhulp.nl). Bezoekbaar maken woning Onder het bezoekbaar maken van een woning wordt verstaan: het bereikbaar maken van de woning, de woonkamer en het toilet. Cliënten met een Wlz-indicatie die in een Wlz-instelling wonen kunnen een maatwerkvoorziening aanvragen voor het bezoekbaar maken van de woning zodat de cliënt op bezoek kan komen bij partner of kinderen. Bedenk ook dat de partner of kinderen ook bij de cliënt op bezoek kunnen gaan. Als uitgangspunt geldt dat de woning niet logeerbaar gemaakt hoeft te worden.
Logeerbaar houden woning (bestuursafspraken) Het college volgt de landelijke bestuursafspraken over het logeerbaar houden van de woning. Dat is vastgelegd in: Landelijke afspraken over het thuis laten staan van Wmo-hulpmiddelen bij een verhuizing naar een Wlz-zorginstelling. Het gaat hier om de vraag of het college een toekenningsbesluit voor bijvoorbeeld een tillift, toiletstoel of traplift, kan intrekken omdat de cliënt verhuist naar een Wlz-instelling (art. 2.3.10 lid 1 onder b Wmo 2015). 2.16.3 Uitzondering weigeringsgrond bij thuis wonen Er geldt één uitzondering op het kunnen weigeren van een aanvraag om een maatwerkvoorziening: voor de cliënt die thuis woont mag een aanvraag om een hulpmiddel of woningaanpassing (nog) niet worden geweigerd (art. 8.6a onder a Wmo 2015). Voor begeleiding, dagactiviteiten of kortdurend verblijf geldt de uitzondering niet. Het is van belang dat het college bij de melding van de ondersteuningsvraag onderzoekt of de cliënt in aanmerking kan komen voor een Wlz-indicatie of zo’n indicatie heeft, tenzij er geen aanleiding is om dat aan te nemen. 2.16.4 Wat is thuis wonen Onder thuis wonen als bedoeld in art. 8.6a onder a Wmo 2015 valt het ‘echte’ thuis wonen in de eigen huurwoning of woning in eigendom. Deze groep verzilvert de Wlz-indicatie vaak in de vorm van een modulair pakket thuis (mpt).
Onder thuis wonen valt echter ook het niet wonen in een Wlz-instelling waar de zorg én het verblijf wordt geboden (CRVB:2025:140). Dat wil zeggen: bij thuis wonen is sprake van een scheiding tussen wonen en zorg. Deze groep verzilvert de Wlz-indicatie vaak in de vorm van een volledig pakket thuis (vpt). Woont de cliënt met een Wlz-indicatie ‘thuis’ dan valt het verstrekken van een hulpmiddel, zoals een tillift, onder de Wmo 2015. Het college beoordeelt of de cliënt de elementaire woonfuncties kan verrichten. Zie oofdstuk 10 Hulp voor wonen en in en om de woning verplaatsen in deze beleidsregels. 2.16.5 Subsidie of natura-verstrekking woonvorm Het college kan er ook voor kiezen om een hulpmiddel te verstrekken aan de exploitant van de woonvorm, al dan niet in de vorm van een subsidie. Dit is te vergelijken met outillagemiddelen waarover een Wlz-instelling beschikt voor de bewoners. De exploitant kan het betreffende hulpmiddel voor meerdere cliënten gebruiken. Realiseren verblijfssetting
21
Het kan ook gaan om cliënten (met een Wlz-indicatie) die bijvoorbeeld bij hun ouder(s) wonen en voor wie een woonunit of aanbouw wordt aangevraagd. Het college beoordeelt of de aanvraag (primair) gericht is op het realiseren van een ‘verblijfsetting’ thuis die geschikt is op het kunnen (blijven) ontvangen dan wel kunnen (blijven) bieden van de Wlz-zorg mogelijk wordt gemaakt (vergelijk CRVB:2014:1490). 2.16.6 Samenloop Wlz en Wmo Volgens de CRvB kunnen de Wmo en de Wlz naast elkaar bestaan (CRVB:2018:3933). Dat wil zeggen dat het college verantwoordelijk kan zijn voor het verstrekken van een maatwerkvoorziening als de beperkingen van de verzekerde betrekking heeft op maatschappelijke participatie. Dat valt namelijk niet binnen de reikwijdte van de Wlz. Denk bijvoorbeeld aan sociaal vervoer. 2.16.7 Toepassingsvoorwaarden Eerst beoordeelt het college of aan de toepassingsvoorwaarden van artikel 2.3.5 lid 6 Wmo 2015 is voldaan. Dat wil zeggen: 1. heeft de cliënt een Wlz-indicatie of kan hij daarvoor in aanmerking komen. 2. en zo ja, is er sprake is van een uitzondering als bedoeld in art. 8.6a onder a Wmo 2015 (zie 2.16.4 Uitzondering weigeringsgrond bij thuis wonen van deze beleidsregels). Onderzoek De procedure van artikel 2.3.2 Wmo 2015 moet volledig worden doorlopen, zie 2.8 Stappenplan voor het onderzoek.
Uit het onderzoek zal moeten blijken wat het doel, inhoud en omvang van de ondersteuningsvraag is en of er een noodzaak van ondersteuning op grond van de Wmo 2015 bestaat. Daar kan sprake van zijn als de cliënt een ondersteuningsbehoefte heeft die niet door de Wlz wordt gedekt. 2.16.8 Motivatie weigeren maatwerkvoorziening De beslissing op de aanvraag is gebaseerd op art. 2.3.5 lid 6 Wmo 2015. Daarbij heeft het college een zeer ruime beslisruimte (CRVB:2018:3933 en CRVB:2019:3171). Het gaat om de vraag of het college in redelijkheid tot het besluit heeft kunnen komen om de aanvraag om een maatwerkvoorziening, bij een behoefte die niet door de Wlz wordt gedekt, af te wijzen of toe te kennen. De belangen van de cliënt spelen een rol bij de motivatie (RBGEL:2023:4967). Passende bijdrage geldt niet bij toekenning Bij de toekenning van een maatwerkvoorziening gaat het om een redelijkheidstoets. Er hoeft in ieder geval niet te worden vastgesteld of de maatwerkvoorziening een passende bijdrage levert aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt in staat wordt gesteld tot zelfredzaamheid of participatie.
Hoofdstuk 3 Beoordeling van de aanspraak Artikel 2.3.5 Wmo 2015 Hoofdstuk 4 Verordening Besluit maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp 3.1 Inleiding De cliënt die zijn hoofdverblijf heeft of zal hebben in de gemeente Noordoostpolder kan aanspraak maken op ondersteuning van de gemeente Noordoostpolder. Door de toevoeging ‘zal hebben’ wordt cliënten niet de mogelijkheid ontnomen naar de gemeente Noordoostpolder te verhuizen. Dat staat ook in de begripsbepaling van hoofdverblijf in de Verordening. Wel zal de cliënt bij de keuze van een woning nadrukkelijk rekening moeten houden met de aanwezige of redelijkerwijs te verwachten beperkingen. 3.2 Algemene criteria In deze paragraaf komen de belangrijkste algemene criteria aan bod die van belang zijn bij de beoordeling van de aanspraak op een maatwerkvoorziening.
22
No. 25.0002254 3.2.1 Geen tekort in de zelfredzaamheid of participatie Uit het onderzoek kan blijken dat er geen tekort is in de zelfredzaamheid of participatie omdat de cliënt: • al dan niet door paramedische hulp gebruik kan (leren) maken van ergonomische hulpmiddelen, een juiste werkhouding aan te nemen en/of de huishoudelijke werkzaamheden in een rustig tempo verdeelt over de week uit te voeren (CRVB:2022:308, CRVB:2018:2272), • met het gebruik van het OV in redelijke mate kan participeren (CRVB:2022:224), • met de beschikbare voorzieningen (bijv. scootmobiel en/of gebruikerspas Regiotaxi) kan voorzien in de vervoersbehoefte (CRVB:2020:2644, CRVB:2021:511, CRVB:2021:3222). 3.2.2 Bevorderen gezondheid Dat een maatwerkvoorziening een positief effect heeft op de gezondheid is voor de Wmo 2015 niet relevant. Het werken aan bijvoorbeeld conditie is geen resultaatgebied waar gemeenten op grond van de Wmo 2015 verantwoordelijk voor zijn (CRVB:2020:2644, CRVB:2023:1446). Tijdens het onderzoek wordt (ook) gekeken of de cliënt, gelet op de vastgestelde problematiek, gebruik kan maken van een andere wet (zie 2.12 Bevorderen gezondheid van deze beleidsregels). 3.2.3 Eigen kracht Artikel 2.3.5 lid 3 Wmo 2015 De eigen kracht vormt een belangrijk onderdeel van de beoordeling of de cliënt is aangewezen op een maatwerkvoorziening.
Daaronder wordt dat verstaan wat volgens het college binnen het vermogen van de cliënt ligt om zelf tot verbetering van zijn zelfredzaamheid en/of participatie te komen. De cliënt zal zich, in een door het college te beoordelen mate, moeten inspannen om dat aan te wenden wat binnen zijn eigen bereik ligt om zelf in zijn behoefte op het gebied van maatschappelijke ondersteuning te voorzien. Dat is wat de wetgever voor ogen heeft gehad. Zo zou iemand bijvoorbeeld maatschappelijk nuttige activiteiten kunnen verrichten om zijn participatieprobleem aan te pakken. Het verrichten van dergelijke activiteiten is echter niet verplicht. Onder eigen kracht kan ook letterlijk de eigen kracht worden verstaan. Denk bijvoorbeeld aan het in staat zijn om bepaalde huishoudelijke taken (deels) zelf uit te voeren. 3.2.4 Eigen verantwoordelijkheid is ook eigen kracht In de Wmo 2015 is de eigen verantwoordelijkheid van burgers nog meer verankerd en wordt daarom betrokken bij het onderzoek en de beslissing op aanvraag. Zelf of met anderen Als het college vindt dat de cliënt eigen verantwoordelijkheid kan nemen (lees: de beperkingen zelf kan oplossen), dan wordt de aanvraag om ondersteuning afgewezen. Het spreekt voor zich dat het college dat telkens in het individuele geval moet beoordelen.
In hoeverre medewerking of hulp kan worden gevergd van de cliënt, diens huisgenoten, zijn mantelzorger of van anderen in diens omgeving, zoals familieleden, is afhankelijk van de individuele situatie. Voorbeelden Tijdens het onderzoek (meestal een gesprek met de cliënt) kunnen allerlei oplossingen aan de orde komen die kunnen leiden tot het oplossen dan wel verminderen van de beperkingen in de zelfredzaamheid en/of participatie. Hierna staan een aantal voorbeelden genoemd wanneer de cliënt in staat kan worden geacht zijn zelfredzaamheid en/of participatie te verbeteren of op te lossen. De voorbeelden zijn ook gebaseerd op de jurisprudentie die onder de Wmo oud tot stand is gekomen en van toepassing zijn op de Wmo 2015. Herinrichting woning Van de cliënt kan worden verwacht dat de woning zodanig wordt ingericht of heringericht zodat wordt voorkomen dat een woningaanpassing moet worden verstrekt (vergelijk CRVB:2011:BQ8290 en CRVB:2016:429).
23
Aanspreken woningeigenaar Van de cliënt mag worden verwacht dat hij de woningeigenaar regelmatig met goede pogingen aanspreekt om gebreken in de woning te doen wegnemen. Denk bijvoorbeeld aan het oplossen van vocht en schimmelplekken. Is er mede gelet op de gezondheidstoestand van de cliënt binnen redelijkerwijs aanvaardbaar tijdsbestek geen uitzicht op opheffing van die gebreken, dan zal het college een maatwerkvoorziening al dan niet in de vorm van een financiële tegemoetkoming (verhuiskostenvergoeding) moeten verstrekken (CRVB:2013:2508). Is de aanvrager de eigenaar van de woning, dan zal hij dat zelf moeten realiseren. Privaatrechtelijke verbintenis Het college mag verlangen dat de cliënt een aanspraak op grond van een privaatrechtelijke verbintenis naar volle vermogen te gelde probeert te maken. Dat is gebruikelijk om te doen (vergelijk CRVB:2011:BQ4115). Het gaat om de situatie waarin de cliënt mag verwachten dat de woning in overeenstemming is of wordt gebracht met de contractuele bepalingen. 3.2.5 Feitelijk eigen kracht Uit het onderzoek kan blijken dat de cliënt de huishoudelijke taken verdeeld over de week in rustig tempo zelf kan (leren) uitvoeren (bijv. CRVB:2022:308, CRVB:2018:2272). De cliënt heeft in dat geval geen tekort in diens zelfredzaamheid of participatie (zie ook hiervoor).
Om dat vast te stellen kan een deskundigenadvies nodig zijn, zie 2.14 Advisering van deze beleidsregels. 3.2.6 Gebruik maken van een andere wet (voorliggende voorziening) Artikel 4.3 lid 2 onder a en 1.1 lid 1 onder w Verordening (begripsbepaling) Onder de 'eigen kracht' valt ook aanspraak maken op voorzieningen die op grond van een andere wettelijke regeling bestaan (CRVB:2023:1046). Volgens de CRvB heeft de wetgever op dit punt geen inhoudelijke wijziging beoogd ten opzichte van de Wmo (oud) en is de rechtspraak die eerder is gedaan ook van toepassing voor de Wmo 2015. Dat betekent ook dat evenmin recht op maatschappelijke ondersteuning bestaat als de specifieke regeling, zoals de Zvw, slechts in een gedeeltelijke vergoeding van de kosten voorziet door de eigen bijdrage die iemand moet betalen (CRVB:2013:CA1427, CRVB:2022:441). Dat is ook te vergelijken met de kosten van het verplicht eigen risico op grond van de Zvw. Ook de aanspraak op gelden met het oog op een specifieke bestemming valt onder de voorliggende voorziening, zoals een vervoerskostenvergoeding op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen of de Wet Wajong (CRVB:2012:BV9433). Onderzoek aanspraak andere wet Uit onderzoek moet blijken voor welke problemen of beperkingen de cliënt een beroep kan doen op een andere wettelijke regeling en/of de Wmo 2015 (CRVB:2022:441, CRVB:2023:1046).
Denk bijvoorbeeld aan een sta-op stoel die op grond van de Zvw verstrekt kan worden. Als dat nodig is, neemt het college contact op met bijvoorbeeld de zorgverzekeraar om duidelijkheid te krijgen over een mogelijke aanspraak op grond van de Zvw. Keuze in de voorliggende voorziening Artikel 4.2 lid 2 onder a Verordening Het college volgt de keuze in de voorliggende voorziening om bepaalde kosten gedeeltelijk of niet te vergoeden. Voor de Zorgverzekeringswet gaat het bijvoorbeeld om de eigen bijdrage die iemand moet betalen of de kosten voor een psychosociale hulphond (CRVB:2013:CA1427, CRVB:2024:241, CRVB:2024:1467, CRVB:2024:367). Reële mogelijkheden van behandeling Behandeling op grond van de Zvw is geen voorliggende voorziening. Maar van de cliënt mag wel worden verwacht dat als er reële mogelijkheden van behandeling zijn, dat de cliënt daar gebruik van maakt en zich ten volle inspant om deze zo optimaal mogelijk te laten verlopen (CRVB:2023:1508). Denk aan (laagdrempelig toegankelijke) paramedische zorg als bedoeld in de Zvw vanwege lichamelijke of
24
No. 25.0002254 psychische klachten (CRVB:2011:BT7241, CRVB:2018:1444). Het college is dan niet gehouden een maatwerkvoorziening te verstrekken. Onderzoek maatwerkvoorziening en behandeling Uit onderzoek moet blijken voor welke problemen of beperkingen de cliënt een beroep kan doen op een andere wettelijke regeling. Maar ook of er daarnaast nog een behoefte is aan bijvoorbeeld begeleiding of huishoudelijke ondersteuning en of na de behandeling eventueel enige behoefte daarop zal blijven bestaan (CRVB:2023:1508, CRVB:2025:876). 3.2.7 Gebruik maken van ergotherapie Ergotherapie heeft als doel de zelfzorg en zelfredzaamheid te bevorderen of te herstellen. Bij ergotherapie is de behandeling gericht op het opheffen, verminderen of compenseren van lichamelijke of psychische stoornissen, beperkingen of handicaps. De ergotherapeut geeft advies, instructie of behandeling om weer algemene dagelijkse of arbeidsgerelateerde handelingen te kunnen doen en weer zo zelfstandig mogelijk te kunnen functioneren in zijn leefsituatie, woonsituatie of werksituatie. De Zvw (basis) dekt de kosten voor maximaal 10 behandeluren per kalenderjaar. Huishoudelijke ondersteuning Gebruik maken van ergotherapie kan de aanspraak op huishoudelijke ondersteuning voorkomen of de omvang daarvan verminderen. Het college onderzoekt, in samenspraak met een ergotherapeut, of dat het geval is of kan zijn.
De cliënt is verplicht om medewerking te verlenen aan dat onderzoek maar ook om gebruik te maken van ergotherapie als dat de inzet van huishoudelijke ondersteuning voorkomt of vermindert. Dit geldt ook voor de huisgenoot. Verplicht eigen risico De kosten van ergotherapie vallen binnen het verplicht eigen risico. Dat is geen reden om geen gebruik te maken van ergotherapie. Immers iedereen die gebruik maakt van zorg kan met deze kosten worden geconfronteerd, het is inherent aan het zorgstelsel. Wordt er geen huishoudelijke ondersteuning verstrekt, dan is de cliënt ook geen maandelijkse eigen bijdrage (abonnementstarief) verschuldigd. De kosten van het verplicht eigen risico mogen betaald worden uit de tegemoetkoming meerkosten, zie hoofdstuk 14 Tegemoetkoming meerkosten van deze beleidsregels. 3.2.8 Algemeen gebruikelijke voorziening Artikel 2.3.5 lid 3 Wmo 2015 bepaalt dat als de cliënt de beperkingen in de zelfredzaamheid en/of participatie, volgens het college, met gebruikmaking van een algemeen gebruikelijke voorziening kan verminderen of wegnemen, er geen maatwerkvoorziening verstrekt hoeft te worden. De CRvB heeft in november 2019 een uitspraak gedaan met betrekking tot het begrip algemeen gebruikelijke voorziening (CRVB:2019:3535). De CRvB geeft aan dat een voorziening algemeen gebruikelijk is als deze: 1. niet specifiek bedoeld is voor personen met een beperking; 2.
daadwerkelijk beschikbaar is; 3. een passende bijdrage levert aan het realiseren van zelfredzaamheid of participatie en; 4. financieel kan worden gedragen met een inkomen op minimumniveau.
De beoordeling Het college beoordeelt aan de hand van de vier genoemde punten of sprake is van een algemeen gebruikelijke voorziening die aan het verstrekken van een maatwerkvoorziening in de weg staat. 1. Niet specifiek bedoeld is voor personen met een beperking Bij het eerste criterium wordt bepaald of een voorziening specifiek bedoeld is voor de doelgroep van de Wmo 2015. Dat betekent (eenvoudig gezegd) dat iemand hierover beschikt of zou kunnen beschikken ongeacht het hebben van beperkingen (CRVB:2016:614). Of een beoogde algemeen gebruikelijke voorziening niet specifiek bestemd is voor personen met een beperking is ook afhankelijk van
25
technische ontwikkelingen en nieuwe maatschappelijke normen. In het algemeen zijn algemeen gebruikelijke voorzieningen in de reguliere handel verkrijgbaar. Bijvoorbeeld een eenhendelmengkraan, toiletverhoger of wandbeugel in een bouwmarkt, een robotstofzuiger of een boodschappendienst bij de supermarkt. Een anti-slipbehandeling van een badkamervloer is algemeen gebruikelijke voorziening (CRVB:2024:1492). Het gaat om wat normaal wordt gevonden om over te (kunnen) beschikken. 2. Daadwerkelijk beschikbaar Bij het tweede criterium geldt dat als de voorziening niet daadwerkelijk beschikbaar is voor de aanvrager, deze niet als algemeen gebruikelijke voorziening kan worden aangemerkt. Een boodschappenservice moet bijvoorbeeld wel door de supermarkt worden geboden. 3. Levert een passende bijdrage aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt tot zelfredzaamheid of participatie in staat is Bij het derde criterium gaat het om maatwerk. Dat wil zeggen: er wordt bekeken of de beoogde algemeen gebruikelijk voorziening een passende bijdrage levert aan de situatie waarin de cliënt tot zelfredzaamheid en participatie in staat is. Of een voorziening passend is, hangt af van de concrete situatie van de cliënt. De boodschappendienst moet bijvoorbeeld wel gebruikt kunnen worden door de cliënt gelet op diens beperkingen. 4. Kan financieel worden gedragen met een inkomen op minimumniveau.
Onder een minimum inkomen wordt een inkomen op bijstandsniveau verstaan. Het vierde en laatste criterium gaat over de hoogte van de kosten van de beoogde algemeen gebruikelijke voorziening. Het gaat bij de hoogte om de ondergrens van een inkomen op minimumniveau: Er wordt dus niet gekeken of de persoon van de aanvrager het kan betalen. Voor de “eenmalige” aanschaf van een algemeen gebruikelijke voorziening hanteert het college het volgende beleidsuitgangspunt. Hoogte van de kosten Het bedrag dat kan worden gedragen met een minimum inkomen is gebaseerd op: 1. de aflossingsduur van 36 maanden die in Noordoostpolder geldt voor leenbijstand in de vorm van bijzondere bijstand (gebruiksgoederen); 2. een aflossing van 5% van de norm voor personen (alleenstaande, alleenstaande ouder of gehuwden, art. 21 van de Participatiewet). Er wordt bij de norm geen onderscheid gemaakt tussen personen die wel of niet de pensioengerechtigde leeftijd hebben. Het percentage van 5% sluit aan op dat wat buiten de beslagvrije voet valt. Aansluiting op deze systematiek is in de rechtspraak redelijk bevonden (RBDHA:2021:2084, RBDHA:2022:5272). Datum aanvraag De datum van de aanvraag is bepalend voor welke bijstandsnorm wordt toegepast voor de berekening.
Berekening alleenstaande of alleenstaande ouder 5% van de bijstandsnorm € 1.369,06 [bedrag per 1 juli 2025] = € 68,45 x 36 maanden = € 2.464,31. Dit bedrag geldt voor een periode van 36 maanden. Voor de hoogte van de bijstandsnorm geldt het bedrag van 1 januari of 1 juli. Dat zijn de momenten waarop de bijstandsnormen worden aangepast. Rekenvoorbeeld Cliënt dient een aanvraag in voor een maatwerkvoorziening. Uit onderzoek blijkt dat een algemeen gebruikelijke voorziening een passende oplossing is. De voorziening kost € 1.525,00. De kosten zijn lager dan € 2.464,31 [bedrag geldt per 1 juli 2025] en komt daarom niet voor verstrekking in aanmerking. Is de cliënt binnen 36 maanden opnieuw aangewezen op een maatwerkvoorziening en dan resteert voor een beoogde algemeen gebruikelijke voorziening nog een bedrag van € 939,31 (€ 1.525,00 minus
26
No. 25.0002254 € 2.464,31). Het gaat om eenmalige aanschafkosten en niet de periodieke kosten van bijvoorbeeld de maaltijdservice of boodschappendienst. Meerkosten Het kan ook voorkomen dat het college alleen de noodzakelijke meerkosten bij een algemeen gebruikelijke voorziening verstrekt. Het gaat dan om (een deel van) de voorziening die specifiek voor personen met een beperking bestemd is. Kosten Tafeltje Dekje, maaltijdservice Gebruikmaking van Tafeltje Dekje of een andere maaltijdservice kan voor een cliënt een passende bijdrage leveren aan het realiseren van een situatie waarin hij/zij in staat is tot zelfredzaamheid. De kosten van een maaltijd behoren tot de algemene kosten van het bestaan en zijn, mede gezien de keuzes die nu eenmaal in de besteding van het beschikbare inkomen worden gemaakt, niet zodanig dat deze in financiële zin niet passend zijn (CRVB:2018:2182). Voor de meerkosten, bijvoorbeeld de bezorgkosten kan een aanvraag om bijzondere bijstand worden gedaan. Het op deze manier invulling geven aan de ondersteuningsplicht, zodat de kosten financieel draagbaar zijn, is een aanvaardbare keuze (CRVB:2014:1403, CRVB:2015:97). Zowel deze maaltijden als ook de kant-en-klaar maaltijden van de supermarkt kunnen een voorliggende oplossing zijn.
Kosten boodschappendienst Een boodschappendienst kan worden aangemerkt als een algemeen gebruikelijke voorziening die aan het verstrekken van een maatwerkvoorziening in de weg staat (CRVB:2019:3690, CRVB:2019:397). Bezorgkosten van een boodschappendienst die bijvoorbeeld € 4,95 per keer bedragen waarbij een minimum bestelbedrag van € 70 geldt kunnen in ieder geval worden gedragen uit een inkomen op minimumniveau (CRVB:2017:1302). Bedenk ook dat bepaalde boodschappen opgespaard kunnen worden. Besteding pgb Het spreekt voor zich dat de cliënt het pgb niet mag besteden aan een algemeen gebruikelijke voorziening (zie art. 9.2 lid 1 Verordening). 3.2.9 Gebruikelijke hulp Gebruikelijke hulp heeft alleen betrekking op personen die binnen de leefeenheid van de cliënt vallen (zie begripsbepalingen van de Verordening). Als volgens het college gebruikelijke hulp kan worden verlangd, bestaat er geen (of slechts gedeeltelijk) aanspraak op een maatwerkvoorziening. Zie verder hoofdstuk 4 Gebruikelijke hulp van deze beleidsregels. 3.2.10 Mantelzorg en hulp van personen uit het sociale netwerk Mantelzorg is niet afdwingbaar; het is vrijwillig en wordt onbetaald geboden. Maar het ontvangen van mantelzorg kan bijdragen aan het in staat zijn tot zelfredzaamheid en participatie door de cliënt.
Het is ook van groot belang dat het college tijdens het onderzoek ook nagaat of, en zo ja welke behoefte de mantelzorger heeft aan hulp zodat de taken kunnen worden volgehouden. Zie verder hoofdstuk 5 Mantelzorg van deze beleidsregels. Bij het sociaal netwerk gaat het om personen uit de huiselijke kring (art. 1.1.1 lid 1 Wmo 2015). Daaronder kunnen een familielid, huisgenoot, (voormalig) echtgenoot, geregistreerd partner of andere personen vallen met wie de cliënt een sociale relatie onderhoudt. Ook het bieden van ondersteuning door personen uit het sociale netwerk is niet afdwingbaar. Wel is het zo dat het in principe aan cliënt is om zijn sociale netwerk te vragen of zij hem kunnen en willen ondersteunen opdat zijn beperkingen in de zelfredzaamheid en/of participatie worden verminderd of weggenomen. 3.2.11 Gebruikmaking algemene voorzieningen De Wmo 2015 geeft het college opdracht om algemene voorzieningen te treffen. Een algemene voorziening is een aanbod van diensten of activiteiten die, zonder voorafgaand onderzoek naar de
27
behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van de gebruikers, toegankelijk is. Algemene voorzieningen zijn gericht op maatschappelijke ondersteuning (art. 1.1.1 lid 1 Wmo 2015). De wetgever heeft met algemene voorzieningen beoogd dat het in de daarvoor geschikte situaties een voorliggend en volwaardig alternatief is voor een maatwerkvoorziening (TK 2013/14, 33 841, nr. 3, p. 34). Algemene voorzieningen kunnen ook een belangrijke bijdrage leveren aan het meer inclusief maken van de samenleving, zodat mensen met beperkingen zoveel mogelijk in staat worden gesteld om op gelijke voet te participeren (TK 2013/14, 33 841, nr. 34, p. 21). Uit het onderzoek kan blijken dat gebruikmaking van een algemene voorziening voor de cliënt als passende oplossing kan worden aangemerkt. Daarvoor hoeft de cliënt geen aanvraag in te dienen; gebruikmaking van algemene voorzieningen kan zonder indicatie. Voorbeelden zijn: de wasservice of een scootmobielpool. 3.2.12 Overige voorliggende oplossingen In 2.7 Onderwerpen van het onderzoek van deze beleidsregels staat wat het college onderzoekt als de cliënt zijn ondersteuningsvraag heeft gemeld. Daarin staat ook het wettelijk beoordelingskader volgens het stappenplan van de CRvB waarop de beslissing van de aanvraag om een maatwerkvoorziening wordt gebaseerd.
Beschikbare voorliggende oplossingen Andere beschikbare voorliggende oplossingen in Noordoostpolder vallen ook onder het beoordelingskader. Het zal namelijk niet altijd zo zijn dat het college alle beschikbare mogelijkheden heeft gecontracteerd als algemene voorziening. Het zal wel duidelijk moeten zijn waaruit deze bestaan, zodat vastgesteld kan worden of het een passende oplossing is. Denk bijvoorbeeld aan een inloopmiddag bij een buurthuis die dagbestedingsactiviteiten organiseert of vrijwilligers die als boodschappenmaatje kunnen fungeren. Het kan ook gaan om vrijwilligers bij een manege. Denk in dat kader ook aan een rijinstructeur die een cliënt kan helpen (CRVB:2018:3348). Wanneer het gaat om vrijwilligers zal het college ook moeten vaststellen dat zij beschikbaar en geschikt zijn. 3.3 Uitgangspunten maatwerkvoorziening en persoonsgebonden budget Artikel 4.4 Verordening 3.3.1 Maatwerkvoorziening gerealiseerd vóór de melding Het kan voorkomen dat de melding van de ondersteuningsvraag pas wordt gedaan nadat de cliënt de maatwerkvoorziening heeft gerealiseerd. Bijvoorbeeld de badkamer is aangepast en pas daarna wendt de cliënt zich met een ondersteuningsvraag tot het college. Er is op dat moment voorzien in de behoefte. Omdat de Wmo 2015 niet voorziet in een grondslag, bepaalt de Verordening dat de maatwerkvoorziening in die situatie wordt geweigerd (CRVB:2020:1099).
In de praktijk zal het gaan om een verzoek de gemaakte kosten te vergoeden want een (gerealiseerde) maatwerkvoorziening in natura kan niet met terugwerkende kracht worden verstrekt. Onbekendheid van cliënten met de geldende regelingen komen in principe voor eigen rekening en risico (vergelijk CRVB:1993:ZB2748). 3.3.2 Maatwerkvoorziening gerealiseerd vóór besluitname Het kan ook voorkomen dat de cliënt een maatwerkvoorziening realiseert tijdens de procedure van de melding maar voordat is beslist op de aanvraag. Dat wil zeggen: de cliënt heeft de beslissing van het college op de aanvraag niet afgewacht. In zo’n situatie wordt de maatwerkvoorziening (al dan niet in de vorm van een pgb) alleen verstrekt als de cliënt het college om toestemming heeft gevraagd en die toestemming schriftelijk heeft verkregen. Denk bijvoorbeeld aan een situatie waarin de cliënt een woning kan verkrijgen en de normale procedure niet kan afwachten omdat de woning dan aan iemand anders wordt toegewezen of verkocht. 3.3.3 Niet gerealiseerd, noodzaak achteraf vaststellen Er kan ook sprake zijn van een nog niet gerealiseerde maatwerkvoorziening voordat de cliënt zijn ondersteuningsvraag heeft gemeld of het college heeft beslist op de aanvraag.
Echter door zich niet eerder te melden kan het zijn dat het college de mogelijkheid is ontnomen om nog te kunnen beoordelen of er een noodzaak is voor een maatwerkvoorziening. En zo ja, welke. Kan het college de noodzaak
28
No. 25.0002254 nog wel vaststellen, dan kan het college overgegaan tot het verstrekken van een maatwerkvoorziening, al dan niet in de vorm van een pgb die als goedkoopst passende bijdrage wordt aangemerkt (vergelijk CRVB:2012:BV5418). Denk bijvoorbeeld aan de situatie waarin de cliënt al is begonnen met het aanpassen van de badkamer door het bad te verwijderen. De vraag is of het college op dat moment nog, aan de hand van bijvoorbeeld bouwtekeningen of foto’s, kan vaststellen dat de al in gang gezette aanpassing noodzakelijk was, en zo ja wat de goedkoopst passende bijdrage is. 3.3.4 Aanpassing zelf aangeschaft hulpmiddel Het kan voorkomen dat de cliënt zelf een hulpmiddel heeft aangeschaft en een melding doet voor een aanpassing van dat hulpmiddel. De omstandigheid dat het om een zelf aangeschaft hulpmiddel gaat wil niet zeggen dat een aanpassing daarvan niet voor verstrekking in aanmerking kan komen als die nog niet is gerealiseerd (zie hiervoor). Het college beoordeelt in zo’n situatie of het betreffende hulpmiddel noodzakelijk is en zo ja, of dat ook geldt voor de gevraagde aanpassing. 3.3.5 Nieuwe pgb-aanvraag binnen budgetperiode Aan de cliënt kan een pgb worden verstrekt als wordt voldaan aan de verschillende voorwaarden.
Dat wil feitelijk zeggen dat het college heeft vastgesteld dat de budgethouder, al dan niet met hulp van diens vertegenwoordiger, verantwoordelijk kan worden gehouden voor het gebruik (besteding) van het pgb binnen de geldende budgetperiode. Ruimte in de besteding Een cliënt kan zich echter binnen de budgetperiode opnieuw melden. Het pgb hoeft niet uitsluitend aan de geïndiceerde maatwerkvoorziening te worden besteed, maar wel voor het doel (resultaat) waarvoor het pgb is verstrekt (bijv. CRVB:2018:3102, CRVB:2018:819, CRVB:2009:BK2502). Heeft de cliënt het pgb binnen de budgetperiode volledig besteed en is de maatwerkvoorziening verloren gegaan, dan verstrekt het college niet opnieuw een pgb (CRVB:2018:818). Rekening en risico budgethouder Onder verloren gaan wordt bijvoorbeeld verstaan het niet meer functioneren van een tweedehands voorziening die met het volledige toegekende pgb is aangeschaft. De gevolgen van de door de budgethouder gemaakte keuze in de besteding van het pgb komen namelijk voor diens rekening en risico. Dat is alleen anders als de maatwerkvoorziening weliswaar verloren is gegaan maar dat niet aan de budgethouder is te wijten. Ook bij gewijzigde omstandigheden in de ondersteuningsbehoefte zal er geen aanleiding zijn om een pgb op voorhand te weigeren.
3.3.6 Ingangsdatum diensten Wordt een aanvraag gedaan voor een dienst, zoals huishoudelijke ondersteuning, die al door de cliënt is gerealiseerd, kan er wel een indicatie voor een maatwerkvoorziening worden verstrekt. Er wordt in principe niet met terugwerkende kracht geïndiceerd (zie hiervoor en vergelijk CRVB:2019:772). Dit laat overigens onverlet dat de inzet van een maatwerkvoorziening in natura bij spoedeisende gevallen onverkort van toepassing blijft. 3.3.7 Technisch geschikte maatwerkvoorziening De ondersteuningsvraag kan gericht zijn op het vervangen van een eerder met een pgb aangeschaft hulpmiddel, zoals een scootmobiel of een tillift. Is de budgetperiode verstreken, dan geldt het volgende uitgangspunt. Voldoet de eerder met het pgb aangeschafte maatwerkvoorziening nog aan de daaraan te stellen kwaliteitseisen, dan beoordeelt het college of het verstrekken van een pgb voor reële instandhoudingskosten als goedkoopst passende bijdrage kan worden aangemerkt. In de praktijk gaat het om (aangeschafte) maatwerkvoorzieningen die technisch gezien nog niet zijn afgeschreven. Dat wil zeggen ze voldoen nog in de zin van kwaliteit én het resultaat dat bereikt moet worden. De strekking van deze bepaling gaat ook over de maatwerkvoorziening in natura.
29
3.3.8 Afdoende verzekeren Neemt de cliënt een maatwerkvoorziening (al dan niet aangeschaft met een pgb) mee naar het buitenland, dan is hij/zij verantwoordelijk een afdoende verzekering af te sluiten tegen verlies, schade of diefstal. In de praktijk zal het meestal gaan om een hulpmiddel zoals een rolstoel. De kosten vallen binnen het pgb of komen voor rekening van het college in geval van een maatwerkvoorziening in natura. 3.3.9 Afsluiten opstalverzekering Het is van belang dat de te verzekeren waarde van de woning dan wel de waarde van de verstrekte woningaanpassing is gedekt voor het risico van schade. Daarom zal de cliënt aan wie een woningaanpassing voor de eigen woning is verstrekt, al dan niet in de vorm van een pgb, moeten zorgen voor een (aangepaste) opstalverzekering. Een woonunit is ook een woningaanpassing, die wordt in bruikleen verstrekt. De opstalverzekering is onderdeel van de bruikleenovereenkomst. 3.3.10 Risicosfeer Artikel 4.3 lid 2 onder d Verordening Het is niet mogelijk limitatief te bepalen wanneer sprake is van omstandigheden die als ‘risicosfeer’ worden aangemerkt en daarmee voor rekening moeten blijven van de cliënt. In voorkomende gevallen betekent dit concreet dat de aanvraag om een maatwerkvoorziening kan worden geweigerd.
Het gaat in ieder geval over keuzes die de cliënt maakt of heeft gemaakt die hem door het college kunnen worden tegengeworpen (bijv. CRVB:2023:1195). Specifieke bepalingen Artikel 7.4 Verordening In dit artikel is nader invulling gegeven aan de bedoelde omstandigheden die betrekking hebben op de risicosfeer van de cliënt in geval van aanvragen om woningaanpassingen of een traplift. Denk bijvoorbeeld aan de aankoop van een woning die niet geschikt is in verband met de iemands beperkingen of verhuizen naar een woning waarvan te voorzien is dat daarin beperkingen zullen worden ondervonden (CRVB:2019:2951, CRVB:2019:290). Dat is bijvoorbeeld het geval als de cliënt rolstoelgebruiker is en verhuist naar een woning met een trap maar zonder traplift. Zie verder hoofdstuk 10 Hulp voor wonen en in en om de woning verplaatsen van deze beleidsregels. 3.4 Primaat collectieve maatwerkvoorziening Artikel 5.2 lid 1 Verordening De hoofdregel volgens de Verordening is dat het primaat van de collectieve maatwerkvoorziening geldt, zoals collectief vervoer (Regiotaxi). Bij de beoordeling door het college of het primaat kan worden toegepast, wordt altijd gekeken naar de individuele omstandigheden van het geval, zoals de vervoersbehoefte. Het genoemde primaat was al bekend onder de Wet voorzieningen gehandicapten (WVG) en de Wmo 2007.
De Regiotaxi kan als passende bijdrage worden aangemerkt om de cliënt in staat te stellen tot zelfredzaamheid en participatie. 3.5 Kortdurende maatwerkvoorziening Artikel 5.2 lid 2 en 3 Verordening De maatwerkvoorziening kan voor een kortdurende periode worden verstrekt. Dat kan aan de orde zijn als degene van wie gebruikelijke hulp wordt gevergd dat (nog) niet kan, maar dat wel kan leren. Daaronder kan ook toeleiding naar algemene voorzieningen, voorliggende voorzieningen of andere voorliggende oplossingen worden verstaan. 3.6 Geheel aan maatregelen Onder omstandigheden kan een maatwerkvoorziening ook een op maat van de persoon gesneden afgestemd geheel van maatregelen zijn. Daarbij kan het gaan om vormen van hulp die beschikbaar zijn ter ondersteuning van verschillende cliënten, maar ook om op maat voor iemand bedachte oplossingen. Deze kunnen ook betrekking hebben op de afstemming van de maatwerkvoorziening als bedoeld in artikel 2.3.5 lid 5 Wmo 2015.
30
No. 25.0002254 3.7 Eigen bijdrage Artikel 10.1 lid 4 Verordening Cliënten aan wie één of meerdere maatwerkvoorzieningen is verstrekt zijn daarvoor een bijdrage in de kosten verschuldigd: het abonnementstarief. Het gaat om een vast bedrag per maand, ongeacht het aantal maatwerkvoorzieningen. Het abonnementstarief wordt door het CAK altijd volledig in rekening gebracht. Het kan voorkomen dat een cliënt tijdelijk geen gebruik maakt van de maatvoorziening. Het valt binnen de beleidsvrijheid van het college om te bepalen of het abonnementstarief wordt opgeschort bij tijdelijke niet-gebruik (TK 2013/14, 33 841, nr. 3, p. 155-157). Artikel 10.2 Verordening Cliënten die gebruik maken van beschermd wonen zijn een inkomensafhankelijke bijdrage in de kosten verschuldigd die wordt berekend op basis van de regels in het landelijke Uitvoeringsbesluit Wmo 2015. Indexering Het abonnementstarief is per 1 januari 2026 geïndexeerd en de parameters in de berekening van de inkomensafhankelijke bijdragen voor beschermd wonen zijn geïndexeerd (Stcrt. 2025 nr. 35082). Artikel 10.5 Verordening Artikel 3.8 Besluit maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp Cliënten die gebruik maken van de algemene voorziening wasservice zijn een bijdrage in de kosten verschuldigd aan de aanbieder.
De bijdrage voor de algemene voorziening wasservice is gebaseerd op gebruikelijke kosten van het wassen en drogen van de was volgens de Nibudprijzengids 2024-2025. Die bedragen zijn lager dan de prijzen die het Nibud hanteert op hun algemene website. Het gaat om kosten die ieder huishouden maakt. Dat is ook de reden waarom deze bijdrage niet gelijk is aan het abonnementstarief en ook naast het abonnentstarief kan bestaan (TK 2018/19, 35 093, nr. 6, p. 17). Hoogte van de bijdrage wasservice De hoogte van de wekelijkse bijdrage in de kosten is gebaseerd op de Nibudprijzengids 2024-2025 voor het wekelijks wassen en drogen van de was per waszak. Het gaat om variabele bijdragen die in het voordeel zijn van de cliënt. 3.7.1 Beleidsuitgangspunten tijdelijk niet gebruik Abonnementstarief Als uitgangspunt geldt dat het abonnementstarief wordt opgeschort bij het niet-gebruik van de maatwerkvoorziening van drie maanden of meer waarvoor het abonnementstarief verschuldigd is. Het gaat dus niet om situaties waarin meerdere maatwerkvoorzieningen zijn verstrekt en slechts één daarvan tijdelijk niet wordt gebruikt.