D12 02 Beleidsregels Maatschappelijke ondersteuning 201208.pdf
Tekst van het document
Cliënten zijn beperkt gevoelig en gemotiveerd voor begeleiding en correctie, hebben geen inzicht in hun eigen aandeel bij (interactie)problemen en er is een relatief beperkt leervermogen. Er is sprake van verbaal agressief gedrag, manipulatie, dwangmatig, destructief en reactief gedrag (o.a.) met betrekking tot interactie. Er is zeer intensieve zorg, begeleiding, bescherming en stabiliteit nodig in een veilige en weinig eisende woonomgeving (gecontroleerde in- en uitgang). Deze intensieve ondersteuning en begeleiding zijn gericht op het (in de eerste instantie) overnemen van taken op alle levensterreinen, het leren omgaan waar mogelijk met de beperkingen
(cognitief en psychisch), het beheersbaar houden en gaandeweg doen afnemen van gedragsproblematiek en is continue aanwezig. Deze begeleiding is tevens waar mogelijk gericht op het ontwikkelen van zelfregie en zelfredzaamheid. De cliënten hebben ten aanzien van hun sociale redzaamheid in het algemeen dagelijks leven intensieve begeleiding nodig. Cliënten zijn nauwelijks in staat om sociale relaties te onderhouden en invulling te geven aan de dag. Er ontbreken vaardigheden die nodig zijn voor het oplossen van problemen, het nemen van besluiten en bij het uitvoeren van eenvoudige en wat complexere taken. Het aanleren van deze vaardigheden is bijna niet mogelijk. Begeleiding en/of overnemen van het beheren van geld en verrichten van administratieve handelingen is nodig. Het ondersteuningspakket dat past bij zorgprofiel beschermd wonen hoog omvat: Gemiddeld minimaal vier dagdelen dagbesteding of passende activering per week die aansluit bij de hersteldoelen, waarbij onderwijs en werk voorliggend zijn aan dagbesteding. Gemiddeld minimaal zeven uur directe individuele begeleiding per week. Een beschermde woonomgeving met continue intensieve begeleiding en een wakende wacht in de nacht (24 uur per dag direct aanwezig). 7.7. 24-uurs aanwezigheid begeleiding binnen Beschermd Wonen Bij de beschermende woonomgeving is 24-uurs aanwezigheid van begeleiding inbegrepen.
Het gaat om aanwezigheid en observatie gedurende het gehele etmaal. Bij cliënten die 24-uurs en ongeplande ondersteuning nodig hebben, kan immers op ieder moment iets (ernstig) misgaan. Observatie heeft als doel dat er tijdig ingegrepen kan worden om escalatie en onveilige situaties te voorkomen. In de nachten is spraken van wakende of slapende begeleiding. Wanneer cliënten structureel logeren bij familie, vrienden of op andere plekken dient dit afgestemd te worden met de plaatsingscoördinator van beschermd wonen. N.a.v. dit contact kunnen maatwerkafspraken gemaakt worden. 7.8. PGB Beschermd Wonen Beschermd wonen kent twee verzilveringsvormen: zorg in natura en via een persoonsgebonden budget (pgb). Bij een persoonsgebonden budget krijgt de cliënt via de Sociale Verzekeringsbank een geldbedrag om zelf de benodigde ondersteuning in te kopen. Voor het beheren van een pgb zijn wel bepaalde kennis en vaardigheden nodig. Aan de hand van het pgb-vaardigheidsonderzoek welke bestaat uit: het uitvoeringsplan,, de zorgovereenkomst en het bewust keuze gesprek wordt beoordeeld of door het college van centrumgemeente Almere of de cliënt in pgb-vaardig is en beschermd kan wonen middels een pgb. Als een cliënt het pgb niet zelf kan beheren, dan kan een vertegenwoordiger (pgb-beheerder) deze taak overnemen. Ook de pgb-beheerder moet voldoende pgb-vaardig zijn.
De cliënt krijgt maximaal twee keer de mogelijkheid om een pgb-beheerder voor te dragen. Vervolgens geeft centrumgemeente Almere het besluit af, verstuurt de beschikking en zet het budget klaar bij de SVB. Een cliënt kan zorg inkopen zodra de pgb-vaardigheid is vastgesteld én er een zorgovereenkomst is ingeleverd bij centrumgemeente Almere. De cliënt mag het pgb beschermd wonen alleen inzetten voor wonen in een accommodatie met 24-uurstoezicht en -begeleiding. Het pgb is niet bedoeld voor
begeleid of thuis wonen. Met het budget kan de cliënt individuele begeleiding, toezicht/aanwezigheid en dagbesteding inkopen. Centrumgemeente Almere vergoedt geen woonkostencomponent. Een aanvraag voor pgb kan door het college geweigerd worden op gronde van de geldende verordening van de gemeente Almere. 7.9. Pilots Beschermd Wonen Pilot Beschut Wonen Beschut wonen is een lichtere vorm van ondersteuning. Met beschut wonen bedoelen we een beschutte woonomgeving (appartementencomplex, etage flat, omgebouwde rijtjeswoning) waar aan meerdere bewoners met een vergelijkbare ondersteuningsvraag structuur wordt geboden. Er is een combinatie van toezicht (overdag op vaste tijden) en achterwacht beschikbaar. Het betreft wonen in een accommodatie waarbij een beroep gedaan kan worden op 24uurs ondersteuning. De accommodatie ligt op maximaal 30 minuten afstand van de beschermd wonen locatie. Er is sprake van geplande individuele ondersteuningsmomenten. Naast deze ondersteuningsmomenten kan de cliënt gebruik maken van de beschik- en bereikbaarheid van 24-uurs ondersteuning. Cliënten kunnen daarnaast gebruik maken van de groepsactiviteiten op de beschermd wonen locatie. Voorwaarden om beschut te kunnen wonen is dat de cliënt in bezit is van een geldige indicatie voor beschermd wonen en woont binnen een beschermd wonen instelling.
Het uitgangspunt is dat beschut wonen plaatsvindt in de herkomst gemeente van de cliënt. Tenzij er binnen de gemeente van herkomst geen beschutte woonplekken zijn. De Centrale Toegang (CT) voor beschut wonen is belegd bij GGD Flevoland. Een melding voor beschut wonen kan gedaan worden bij de CT. GGD Flevoland voert in opdracht van gemeente Almere een onderzoek uit naar de noodzaak voor beschut wonen. Hiervan wordt een onderzoeksverslag gemaakt. In een multidisciplinair overleg (MDO) komt het advies voor de toegang tot beschut wonen tot stand. Het team met toegangsbepalers van de GGD Flevoland is verantwoordelijk voor een professioneel inhoudelijk advies op het onderzoeksverslag. Het advies wordt gedeeld met gemeente Almere. Gemeente Almere heeft de verantwoordelijkheid om te beslissen op de aanvraag voor beschut wonen. Het college van gemeente Almere kan een indicatie voor beschut wonen verstrekken waarbij rekening wordt gehouden met de mate waarin de cliënt problemen ondervindt bij het zich kunnen handhaven in de samenleving en de daarbij behorende beperkingen in de zelfredzaamheid en participatie. Pilot Gewoon Thuis Gewoon Thuis biedt 24-uurs ondersteuning en bescherming in de thuissituatie. Gewoon Thuis schaalt ondersteuning op- en af naar behoefte en sterkt cliënten in verbinding met de wijk en het sociale netwerk en andersom.
Met een pakket aan ondersteuning op maat kunnen zij in hun eigen huis blijven wonen. Het beoogde effect van Gewoon Thuis is voorkomen van instroom- en bevordering van een snellere uitstroom uit beschermd wonen. Iemand komt in aanmerking voor Gewoon Thuis wanneer: er sprake is van een psychiatrische/ psychische aandoening, mogelijk in combinatie met een verstandelijke beperking. Op het gebied van de psychiatrische aandoening is stabiliteit haalbaar door actief monitoren, het ondersteunen van net verworven stabiliteit te behouden, meer te verkrijgen en te bestendigen. Er is een noodzakelijkheid van geplande en ongeplande ondersteuning met 24-uurs beschik- en bereikbaarheid op afroep omdat de cliënt
mogelijk niet ten allen tijden in staat is het gedrag te begrenzen, te stabiliseren en te reguleren. Er zijn beperkingen in de vaardigheden die nodig zijn voor het oplossen van problemen, het nemen van besluiten en/of bij het uitvoeren van eenvoudige en wat complexere taken, wat vraagt om gevraagde en ongevraagde ondersteuning omdat het anders leidt tot overlast, agressie of schade aan het welzijn van de cliënt en diens omgeving.
De aanmelding van een cliënt voor Gewoon thuis, kan o.a. vanuit het Sociaal team of vanuit de GGD via de mail gestuurd worden naar beschermdwonen@noordoostpoder.nl. De aanmelding wordt gedaan via het aanmeldformulier Gewoon thuis. De procesbegeleider van het Sociaal team initieert een planbijeenkomst. In aanwezigheid van cliënt wordt de ondersteuningsvraag onderzocht. Hierbij zijn naast de cliënt aanwezig de melder (professional van het Sociaal team of de GGD), specialist vanuit de gemeente met perspectief regie op de beschikking. En eventueel andere relevante partijen. Tijdens de pilotfase kan aanbieder van Gewoon thuis Kwintes gevraagd worden om deel te nemen aan de planbijeenkomst voor advies. Het is aan de gemeente om te beoordelen of cliënt geschikt is voor Gewoon thuis. De beschikking Gewoon thuis wordt door het college van gemeente Noordoostpolder afgegeven. Een beschikking kan in het pilotjaar voor zes maanden afgegeven worden. Er is verlenging mogelijk.Hoofdstuk 8 Ondersteuning gericht op het wonen en in en om de woning verplaatsen Hoofdstuk 7 van de Verordening (ondersteuning gericht op het wonen) 8.1 Inleiding Uitgangspunt is dat iedereen in Nederland zelf voor een woning moet zorgen. Een woning kan zowel een eigen woning zijn als een huurwoning.
Ook een woonwagen en een woonschip met vaste stand- of ligplaats wordt gezien als een woning, zie daarvoor ook de begripsbepaling van een woning in de Verordening. Woningen die niet geschikt en bedoeld zijn om het gehele jaar te bewonen (zoals vakantiewoningen zonder gedoogvergunning, hotels en pensions) vallen niet onder het begrip ‘eigen woning’. Ook instellingen die gericht zijn op het verstrekken van zorg zijn geen woning. Verder geldt dat men normaal gebruik moet kunnen maken van de woning. Het gaat om de ruimtes waarop de cliënt is aangewezen voor het verrichten van elementaire woonfuncties (eten, koken wassen en slapen). Onder omstandigheden kan het normale gebruik van de woning zich uitstrekken tot de berging, de toegang tuin of balkon van de woning. Afhankelijk van de woonfunctie en het daadwerkelijke noodzakelijke gebruik daarvan kunnen maatwerkvoorzieningen worden verstrekt voor de bereikbaarheid, toegankelijkheid en bruikbaarheid van de woning. Verder is het zo dat bij de beoordeling van de aanvraag beperkende voorwaarden en/of weigeringsgronden aan de orde kunnen zijn. In dat kader wordt ook nog opgemerkt dat in de Verordening verschillende begrippen aan de orde kunnen zijn. Zo bepaalt de Verordening dat onder een woonvoorziening een woningaanpassing (als bedoeld in de wet) wordt verstaan maar ook een hulpmiddel gericht op het normale gebruik van de woning.
Deze begripsbepaling is van belang omdat een traplift niet als woningaanpassing kan worden gekwalificeerd. De Verordening bepaalt bijvoorbeeld dat het college bevoegd is om het primaat van verhuizen toe te passen in het geval de cliënt is aangewezen op een woningaanpassing
en/of een traplift. Ondersteuning bij het wonen bestaat uit het in staat stellen van de cliënt tot het normale gebruik van de woning waar hij zijn hoofdverblijf heeft of zal hebben. 8.2 Aanbrengen woningaanpassingen Met het inwerking treden van de Wmo 2015 is artikel 16 van de Woningwet geschrapt. De eigenaar van de woning moet een noodzakelijke woningaanpassing die door het college of de cliënt wordt aangebracht op grond van de Wmo 2015 accepteren. Dit om te voorkomen dat de eigenaar door weigeren van toestemming een noodzakelijke aanpassing zou kunnen blokkeren. Daarom regelt artikel 2.3.7 van de wet dat het college of de cliënt, zonder toestemming van de eigenaar van de woning als bedoeld in artikel 7:215 BW, de noodzakelijke woningaanpassing kan (laten) aanbrengen. Wel moet de eigenaar in de gelegenheid worden gesteld daarover zijn mening te geven. Dit geeft de eigenaar de gelegenheid om bij uitvoeringskwesties betrokken te zijn. In afwijking van artikel 7:216, eerste lid, BW hoeft de woningaanpassing bij het vertrek van de cliënt niet te worden verwijderd. In de Wmo 2015 brengt het college dan wel de cliënt de woningaanpassing aan. Het resultaat is echter gelijk aan de regels die voor 1 januari 2015 golden: de cliënt hoeft bij vertrek de woningaanpassing niet ongedaan te maken.
Overleg Het is niet zo dat het college zonder overleg met de eigenaar een woningaanpassing aanbrengt. Het ligt in de rede - net als voor 1 januari 2015 het geval was - dat wel te doen. Derde-belanghebbende Verder wordt opgemerkt dat de woningeigenaar derde-belanghebbende kan zijn bij het toekennen van een woningaanpassing (vergelijk CRVB:2013:2716). Denk bijvoorbeeld aan de situatie waarin het college of de cliënt zelf een woningaanpassing of woonvoorziening aanbrengen die in strijd is met bijvoorbeeld het vigerende Bouwbesluit. 8.3 Hoofdverblijf Artikel 7.1 van de Verordening Een woningaanpassing of een woonvoorziening in de vorm van een traplift wordt slechts verstrekt voor de woning waar de cliënt zijn hoofdverblijf heeft of zal hebben. Het hoofdverblijf is de woning, bestemd en geschikt voor permanente bewoning, waar de cliënt zijn vaste woon- en verblijfplaats heeft en in de Basisregistratie Personen (BRP) staat ingeschreven. Ook kan het gaan om het feitelijke adres, als de cliënt een briefadres heeft. 8.3.1 Uitzondering hoofdverblijf Er is een uitzondering. In het geval van co-ouderschap waar het kind geen normaal gebruik kan maken van de woningen. Bij co-ouderschap delen de ouders de zorg voor het kind. In die situaties kan voor twee woningen een woningaanpassing en/of een traplift worden verstrekt.
In het geval van losse hulpmiddelen wordt beoordeeld of één hulpmiddel voldoende is. Alleen in die situatie kunnen in beide ouderlijke woningen woonvoorzieningen getroffen worden en niet in situaties waarin sprake is van een bezoekregeling. 8.4 Primaat van verhuizen Artikel 7.3 van de Verordening
Omdat het college in principe de goedkoopst passende bijdrage mag hanteren bij het verstrekken van een maatwerkvoorziening kan het primaat van verhuizen worden toegepast. Dat is het geval bij het verzoek om een woningaanpassing en/of een traplift. Het college neemt de volgende kosten in elk geval mee in de overwegingen: a. huidige en voorzienbare toekomstige aanpassingskosten van de reeds bewoonde woning; b. de eventuele aanpassingskosten van de nieuwe beschikbare woning. Op basis van de kostenafweging kan het college besluiten om het primaat niet toe te passen maar de huidige woning aan te passen. Voor de cliënt die toch gaat verhuizen, wordt geen financiële maatwerkvoorziening verhuiskosten en/of inrichtingskosten verstrekt (art. 7.3, tweede lid, van de Verordening). Ad a. Het kan voor komen dat de cliënt weliswaar op een relatief eenvoudige woningaanpassing en/of traplift is aangewezen. Maar dat het, gelet op de aard en prognose van de beperkingen voor de hand ligt dat er op korte of middellange termijn nog een woningaanpassing en/of een traplift nodig zal zijn. Onder een middellange termijn wordt een periode van 12 maanden verstaan. Zeker wanneer aannemelijk is dat hier wel hoge kosten aan verbonden zijn of de woning zelfs niet meer geschikt zal zijn omdat deze niet kan worden aangepast.
Het college zal moeten beoordelen of de aangewezen woningaanpassing en/of traplift wel langdurig als passende bijdrage kan worden aangemerkt. Dit uitgangspunt sluit aan bij het principe van de wet dat mensen zolang mogelijk in hun eigen leefomgeving kunnen blijven (wonen). Ad. b Het kan bijvoorbeeld zijn dat in de nieuwe beschikbare op dat moment meest geschikte woning ook weer aangepaste keuken of stalling voor de vervoersvoorziening moet worden gerealiseerd. Verder kan ook de beoordeling van het verstrekken van een losse woonunit aan de huidige woning aan de orde zijn als dat als goedkoopst passende bijdrage kan worden aangemerkt. Het ligt echter niet voor de hand omdat deze kosten vaak hoger zijn dan de eventuele aanpassingskosten van de nieuwe woning. Bij de aanvraag om een traplift kan dat anders liggen. Afwegingsfactoren primaat van verhuizen Het is niet mogelijk een uitputtend overzicht te geven van alle mogelijke afwegingsfactoren die een rol kunnen spelen bij de toepassing van het primaat van verhuizen, omdat elke situatie anders kan zijn. De beleidsregels geven een overzicht van relevante factoren die daar, afhankelijk van de situatie, een rol bij kunnen spelen. Belangenafweging Aan de hand van de belangenafweging kunnen er zwaarwegende redenen zijn waardoor een uitzondering moet worden gemaakt op het verhuisprimaat.
Voorbeelden waarin het college de belangen weegt zijn: 1. Er blijkt uit medisch onderzoek een contra-indicatie voor verhuizen. Bijvoorbeeld als verwacht wordt dat een cliënt binnen een redelijke termijn niet zal aarden of vertrouwd zal kunnen geraken in de nieuwe woning of woonomgeving. Denk bijvoorbeeld aan een cliënt met dementie. 2. Er blijkt uit onderzoek dat de medische situatie van de cliënt zich verzet tegen een zoektijd/wachttijd naar een geschikte woning. Uit het medisch advies moet dan
bijvoorbeeld blijken wat een medisch aanvaardbare termijn is waarbinnen iemand over een aangepaste/geschikte woning moet beschikken. Dat is afhankelijk van de individuele situatie. 3. De aanwezigheid van mantelzorg door mensen in de directe omgeving van de woning maakt het niet acceptabel dat de cliënt verhuist. Daarvan is sprake als de te verlenen mantelzorg wordt geleverd in een bepaalde intensiteit en een wezenlijke bijdrage leveren aan het behoud van de zelfredzaamheid van de cliënt met het oog op zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kunnen blijven (wonen). Dat is ook het geval als de mantelzorger zorg op grond van de Zvw of ondersteuning in de vorm van een maatwerkvoorziening overbodig maakt en duidelijk is dat de mantelzorg in zijn bestaande omvang en intensiteit bij een eventuele nieuwe woning niet (meer) kan worden verleend. 4. De verhuizing leidt tot inkomstenderving doordat bedrijfsmatige activiteiten niet meer kunnen worden uitgeoefend of het verplaatsen van het bedrijf onredelijke kosten met zich meebrengt. Deze kosten kunnen voor de ondernemer in kwestie mogelijk wel aftrekbaar zijn op diens aangifte Inkomstenbelasting. Hierbij kan het gaan om de cliënt zelf maar ook zijn partner. 5. Er is een substantiële stijging van woonlasten verbonden aan de woning waar naar moet worden verhuisd (zie verder hierna).
Woonlastenconsequenties woning Een nieuwe huurwoning kan een (aanzienlijke) stijging van de huurprijs met zich meebrengen. Deze huidige huurprijs wordt vergeleken met de huurprijs van de beschikbare woning rekening houdend met het recht op huurtoeslag en eventueel toename of afname van het wooncomfort. Het college beoordeelt in ieder geval of een eventuele huurlastenstijging voor de aanvrager en zijn eventuele echtgenoot redelijkerwijs niet aanvaardbaar zijn. Daarbij is het niet zo dat het hebben van erg lage woonlasten zonder meer betekent dat het primaat van verhuizen niet kan worden toegepast. Immers iedereen wordt geacht de toepasselijke basishuur te kunnen betalen van zijn eigen inkomen. Bij toewijzing van een woning wordt overigens door de woningbouwcoöperaties rekening gehouden met de verhouding tussen het inkomen en de toe te wijzen woning qua huurprijs op grond van de Wet op de huurtoeslag (Wht). Het kan ook gaan om een koopwoning. Daarvoor gelden een aantal dezelfde uitgangspunten. Een stijging van de woonlasten die aan een eigen woning verbonden zijn hoeven dan ook niet in de weg te staan aan het toepassen van het primaat van verhuizen. Wel is het zo dat het primaat van verhuizen niet is toegestaan als de cliënt en/of de mede-eigenaar van de woning, bijvoorbeeld diens partner, met een aanzienlijke restschuld blijven zitten na de verkoop van de woning.
Of daarvan sprake is beoordeeld het college op basis van de individuele situatie. Woonlastenconsequenties bij verhuizing eigen woningbezit Om de woonlastenconsequenties voor woningeigenaren te berekenen worden de netto woonlasten van deze eigen woning als volgt berekend: • Rente die verband houdt met de woning (netto hypotheeklasten), • Zakelijke lasten in verband met het hebben van eigendom, • Opstalverzekering. 8.5 Bereikbaarheid, toegankelijkheid en bruikbaarheid Artikel 7.4, eerste lid, van de Verordening
Met het oog op het normale gebruik van de woning kan een maatwerkvoorziening worden verstrekt gericht op de bereikbaarheid, toegankelijkheid en bruikbaarheid van de woning. Denk bijvoorbeeld ook aan het verbreden van een toegangspad of toegangsdeur als dat gericht is op het kunnen uitvoeren van een elementaire woonfunctie en het opheffen of verminderen van problemen bij het normale gebruik van de woning. In dat kader wordt geen rekening gehouden met voorzieningen met een therapeutisch doel (bijvoorbeeld dialyseruimten, therapeutisch baden). Voor het gebruik van hobbyruimtes en/of studeerkamers worden in beginsel geen woonvoorzieningen verstrekt, omdat dit in het algemeen geen ruimtes zijn met een elementaire woonfunctie. Verwezen wordt naar de begripsbepalingen van een woning en het normale gebruik van de woning in artikel 1.1, eerste lid, van de Verordening. Gemeenschappelijke ruimte Omdat de cliënt zijn woning moet kunnen bereiken en/of de aan hem verstrekte vervoersvoorziening moet kunnen stallen, kan het college een maatwerkvoorziening verstrekken in de gemeenschappelijke ruimte (art. 7.4, derde lid aanhef en onder f, van de Verordening). 8.6 Specifieke criteria Artikel 7.4 van de Verordening bepaalt een aantal specifieke criteria bij het verlenen van ondersteuning gericht op het wonen. Er zijn situaties opgenomen waaronder geen aanspraak bestaat of kan bestaan.
In de meeste van deze bepalingen ligt het beginsel van de eigen verantwoordelijkheid van de cliënt besloten. Het gaat om situaties waarin: • Er geen dringende reden is om te verhuizen. • De cliënt zonder toestemming verhuist naar de niet meest geschikte en beschikbare woning. • De cliënt een woning bewoont die niet geschikt of bestemd is om het gehele jaar te bewonen. • De aanvraag betrekking heeft op de aard van de materialen in de woning. • De aanvraag gericht op renovatie of het in overeenstemming brengen met de eisen die aan de woning gesteld mogen worden. 8.7 Uitraasruimte Bepaalde stoornissen van cliënten met bijvoorbeeld een verstandelijk beperking (hyperactiviteit en moeilijkheden in het doseren van omgevingsprikkels), kunnen aanleiding geven tot problemen bij het verblijf in de woning. Deze problemen kunnen worden opgevangen door in de woning een uitraaskamer te realiseren. De voorwaarden (aangewezen zijn op) voor het verstrekken van een uitraaskamer zijn: • de cliënt beschadigt of zal zichzelf beschadigen (zelfverwonding), • de cliënt beschadigt of zal de omgeving beschadigen (vernielzucht), • er is sprake van ernstig ontremd gedrag (gedragsstoornis).
Individueel gericht De uitraaskamer is bedoeld om de cliënt, die bovenstaande problemen ondervindt tegen zichzelf te beschermen. Immers een maatwerkvoorziening is in overwegende mate individueel gericht (art. 4.3 eerste lid aanhef en onder c van de Verordening). Ook worden de ouders/verzorgers hierdoor in staat gesteld beter toezicht uit te oefenen. Daarbij gaat het er om dat de uitraaskamer het belang van de cliënt dient. Gaat het bij
de gevolgen van de gedragsproblemen niet om de belangen van de cliënt, maar om die van anderen, bijvoorbeeld doordat zij bestaan uit hinder voor hen, dan is er geen sprake van een uitraasruimte. Doel uitraasruimte Het doel van de uitraaskamer is het tot rust kunnen komen van de cliënt. Daarom moet de ruimte prikkelarm en veilig zijn. Ook kan de uitraasruimte uitgerust worden met voorzieningen die toezicht door de ouders mogelijk maken. Uit het medisch advies (door een arts) moet blijken of de cliënt is aangewezen op een uitraasruimte én de eisen waaraan die ruimte moet voldoen. Mogelijk dat het college ook kan volstaan met een aanpassing van een bestaande ruimte, bijvoorbeeld de slaapkamer van de cliënt. 8.8 Hulpmiddelen Onder hulpmiddelen worden roerende zaken verstaan die bedoeld zijn om beperkingen in de zelfredzaamheid of de participatie te verminderen of weg te nemen (art. 1.1.1, eerste lid, van de wet). Het kan gaan om een roerende woonvoorziening zoals een douchestoel of een traplift. Of de cliënt in aanmerking komt voor een hulpmiddel, hangt mede af van de bouwkundige situatie van de woning en van de geobjectiveerde beperkingen van de cliënt in het normale gebruik van de woning. 8.8.1 Wettelijke afbakening hulpmiddelen Sinds 1 januari 2013 is de uitleen van hulpmiddelen onder de werking van de Zvw gebracht (Stcrt. 2012, nr. 14946).
Of een verzekerde in aanmerking komt voor bepaalde hulpmiddelen via de uitleen is afhankelijk van de vraag of hij daar voor een beperkte of onzekere duur op is aangewezen (art. 2.12, tweede lid, van de Regeling zorgverzekering). Het gaat om rolstoelen, drempelhulpen, transferhulpmiddelen en hulpmiddelen voor het zich wassen en zorgdragen voor de toiletgang. Staat op voorhand vast dat de cliënt voor onbeperkte duur is aangewezen op een dergelijk hulpmiddel wordt deze op grond van de Wmo 2015 verstrekt. In de praktijk kan overigens nog steeds de zes-maanden-termijn worden gehanteerd (2 x 3 maanden uitleen) zoals die gold tot 1 januari 2013. Zodra voor gebruik van het hulpmiddel moeten worden betaald, kan aanspraak bestaan op een maatwerkvoorziening. In het algemeen geldt dat als en voor zover de cliënt gebruik kan maken van de kosteloze uitleen, het tot zijn eigen verantwoordelijkheid behoort dat ook te doen. 8.8.2 Eenvoudige mobililiteitshulpmiddelen De reden om de rollator en andere eenvoudige mobililiteitshulpmiddelen uit het basispakket van de zorgverzekering te halen is dat de verzekerden ook zelf een verantwoordelijkheid hebben en dat zij zorg waarvan de kosten te overzien zijn en die bij het dagelijks leven behoren, zelf worden geacht te kunnen dragen.
Voorbeelden van eenvoudige mobiliteitshulpmiddelen zijn krukken, loophulpen met drie of vier poten, looprekken en rollators. Het college heeft daarvoor dan ook geen ondersteuningsplicht. Analoog aan de uitleg van artikel 15 PW (Participatiewet) zijn de eenvoudige mobiliteitmiddelen uit de AWBZ geschrapt, omdat deze voorzieningen, gezien de lage kosten en de duurzaamheid, voor eigen rekening komen. Er kan weliswaar - voor de problematiek in voorkomende gevallen - aanleiding zijn voor de noodzaak tot ondersteuning, maar de eenvoudige mobililiteitshulpmiddelen zijn bewust door de wetgever uit de voorliggende wettelijke regeling gehaald. Het ligt dan ook niet op de weg van de gemeente om op grond van de Wmo die voorzieningen te verstrekken.
8.8.3 Patiëntenliften Er zijn zowel losse (mobiele) als vaste patiëntenliften. Laatstgenoemde worden geplaatst middels een vloer-, muur- of wandbevestiging. Bij de beoordeling over de noodzaak van een dergelijke woonvoorziening worden de volgende factoren betrokken: • de te verwachten transfers, • de mogelijkheden van de cliënt/het kind, • de indeling van de woning en de aanwezige inrichtingselementen, • de beschikbare ruimte, • de noodzakelijke lichamelijke ondersteuning van de cliënt/het kind. 8.8.4 Douchehulpmiddelen, toilethulpmiddelen Losse hulpmiddelen voor gebruik in de "natte cel" en het toilet vallen onder de ondersteuningsplicht van het college. Voorbeelden zijn badzitjes, badplanken, douchestoel, douchewagens, douchebrancards, toiletstoelen. 8.5 Kindvoorzieningen Het verlenen van kindvoorzieningen valt onder de Wmo 2015 en niet onder de Jeugdwet. Voorbeelden zijn: speelvoertuigen, aangepaste driewielers en kruiphulpmiddelen. Deze maatwerkvoorzieningen hebben een ontwikkelingsgericht karakter en kunnen ook dienen als mobiliteitshulpmiddel. Driewielers Het college kan een driewieler verlenen die zonodig is aangepast aan de beperking van het kind. Afhankelijk van de leeftijd van het kind kan een driewieler wel als algemeen gebruikelijke zaak worden aangemerkt. Immers, tot vier jaar is het normaal dat een kind een driewieler of een fiets met zijwieltjes gebruikt.
Speelvoorzieningen Speelmobielen en vliegende Hollanders zijn maatwerkvoorzieningen gericht op het spelen en verplaatsen voor buiten (vervoersvoorziening). Deze speelvoorzieningen zijn sneller en wendbaarder dan handbewogen rolstoelen. Bovendien geeft het kinderen de mogelijkheid langere afstanden af te leggen. Het college beoordeelt overigens wel of een speelvoorziening als algemeen gebruikelijk kan worden gekwalificeerd. Kruipwagens en kruiphulpmiddelen Kinderen kunnen zich liggend of zittend op deze hulpmiddelen voortbewegen. Ze zijn bedoeld voor kinderen die vanwege beenfunctiestoornissen niet in staat zijn te kruipen. 8.6 Woningaanpassing Aanpassingen in de keuken zijn mogelijk, tenzij deze kosten zonder meerkosten kunnen worden meegenomen in de bouw of er sprake is van renovatie. Wel kan van de cliënt en zijn partner en/of huisgenoten mogelijk worden gevergd dat de taakverdeling wordt aangepast. Uit jurisprudentie blijkt dat, wanneer activiteiten ook door andere gezinsleden kunnen worden gedaan zoals het in- en uitladen van de wasmachine, er geen ondersteuningsplicht voor het college is. Alleen met de door het college verleende toestemming kan worden begonnen met de werkzaamheden van de woningaanpassing. Het spreekt voor zich dat de woningaanpassing binnen het programma van eisen wordt uitgevoerd.
Nadat de werkzaamheden zijn voltooid controleert het college dat aan de hand van bescheiden en tekeningen die betrekking hebben op de woningaanpassing. Na de voltooiing van de werkzaamheden zal de woningeigenaar of huurder binnen 15 maanden een gereedmeldingsformulier met facturen van de werkzaamheden in moeten
leveren. Dan kan de definitieve hoogte van het pgb worden opgemaakt. Bij de gereedmelding moet door de cliënt ook een verklaring worden bijgevoegd waaruit blijkt dat is voldaan aan de voorwaarden waaronder het pgb is verstrekt. De gereedmelding wordt tevens beschouwd als een verzoek om vaststelling en uitbetaling van het pgb. 8.7 Zich verplaatsen in en om de woning Artikel 7.5 van de Verordening Met het oog op het zich verplaatsen in en om de woning kan een rolstoel voor dagelijks zittend gebruik worden verstrekt. Bij het verstrekken van een rolstoel gaat het om cliënten met geen of onvoldoende loopcapaciteit. Denk bijvoorbeeld aan de situatie dat iemand niet in staat is om korte afstanden zelfstandig - al dan niet met een loophulpmiddel - af te leggen. Hoewel een rolstoel strikt genomen geen vervoersvoorziening is, kan daar in het kader van deelname aan het maatschappelijk verkeer wel rekening mee worden gehouden. Immers kan de cliënt een (elektrische) rolstoel ook gebruiken (of kunnen gebruiken) voor lokale verplaatsingen in de directe woon-en leefomgeving. Incidenteel rolstoelgebruik Een rolstoel voor incidenteel gebruik is niet voor dagelijks zittend gebruik noodzakelijk. Doorgaans wordt deze gebruikt als de cliënt zich elders moet verplaatsen (wat zonder rolstoel niet kan), zoals tijdens een uitstapje of ziekenhuisbezoek.
Voor dit soort rolstoelen kan gebruik gemaakt worden van speciaal hiervoor beschikbare uitleendepots op grond van de Zvw of van rolstoelen die op de plaats van bestemming beschikbaar zijn, zoals in pretparken, dierentuinen, in het winkelcentrum, bij ziekenhuizen en dergelijke. Selectie van een rolstoel Bij de selectie van een rolstoel door de aanbieder wordt gekeken naar de volgende factoren: a. Het gebruik b. Het gebruiksgebied c. De aandrijving • door middel van het eigen lichaam • door het bedienen van een aandrijfmechanisme • voortduwen door anderen d. De zithouding en de eisen aan de ondersteuning e. De meeneembaarheid f. Antropometrische gegevens 8.8 Rolstoelen Er zijn verschillende soorten rolstoelen te onderscheiden: handbewogen rolstoelen; elektrische rolstoelen; kinderrolstoelen; stoelen op wielen. 8.8.1 Handbewogen rolstoelen Bij de handbewogen rolstoelen is een onderscheid mogelijk tussen zelfbewegers en duwrolstoelen. Voor zelfbewegers is een goede arm- en handfunctie van de cliënt noodzakelijk en een redelijk uithoudingsvermogen. Zelfbewegers hebben kleine wielen voor en grote wielen met hoepels achter. Voor degene die slechts in één hand of arm een
sterke functie hebben zijn rolstoelen ontwikkeld die aan één kant voortbewogen kunnen worden. Duwrolstoelen hebben over het algemeen vier kleine wielen. 8.8.2 Elektrische rolstoelen Bij elektrische rolstoelen kan het gaan om rolstoelen met zogenaamde joystick-besturing, computergestuurde rolstoelen, sta-rolstoelen of plateaurolstoelen. Onderscheid kan worden gemaakt tussen: elektrische rolstoelen voor binnenshuis: compact, wendbaar, kleine wielen; elektrische rolstoelen voor buitenshuis: groot, grote actieradius, stabiel, grote wielen. Onder omstandigheden kan deze rolstoel in aanmerking komen als vervoersvoorziening en kan een korting gelden op de financiële tegemoetkoming voor vervoer; rolstoel voor zowel binnens- als buitenshuis: een combinatie van kenmerken van de binnen- en buitenrolstoelen. De verstrekking is afhankelijk van de afmetingen van de woning, rijvaardigheid van de cliënt en het gebruiksgebied. 8.8.3 Kinderrolstoelen Voor kinderen spelen andere behoeftes ook een belangrijke rol, te weten: veiligheid, nabijheid moeder/vader, beweging, ontdekken van en deelname aan alle facetten van het gezinsgebeuren en daarbuiten. De rolstoel moet makkelijk mee te nemen zijn voor gebruik binnenshuis. Verder moeten de kinderrolstoel zeer wendbaar zijn en tegen een stootje kunnen.
Aan lichtgehandicapte kinderen, die nog niet aan een rolstoel toe zijn kan een aangepaste buggy verstrekt worden. Aangezien deze buggy's relatief weinig ondersteuning bieden, zijn ze bedoeld voor kinderen met een redelijke spierfunctie. Een aangepaste buggy wordt voor een kind in de leeftijd tot en met drie jaar niet als algemeen gebruikelijk beschouwd en wordt afhankelijk van de aard van de beperking verstrekt. Bij kinderrolstoelen is een aantal aspecten van bijzonder belang: Een aantal voorzieningen wordt in principe standaard aangebracht: anti-kiepwieltjes, duwhandvatten (verstelbaar in hoogte) en spaakbeschermers. Belangrijk is dat de groei van de rolstoelgebruiker kan worden opgevangen door het rolstoelsysteem. Dit kan door rolstoelsystemen met de volgende nastelbare onderdelen: zitbreedte, zitdiepte, beenlengte, zit-, rug- en armhoogte. Bij levering van rolstoelen aan kinderen wordt hiermee rekening gehouden. Vanuit therapeutisch oogpunt kan het belangrijk zijn dat kinderen niet de hele dag in een rolstoel zitten maar van tijd tot tijd rechtop kunnen staan en zich staand kunnen voortbewegen. Het zitgedeelte valt onder de Wmo. Vanwege het therapeutische doel van het sta-gedeelte komt dit niet voor vergoeding in het kader van de Wmo in aanmerking, eventueel wel voor vergoeding vanuit de Zvw.
In voorkomende gevallen neemt de gemeente contact op met de betreffende zorgverzekeraar om de mogelijkheid van een gezamenlijke financiering te bespreken. 8.8.4 Stoelen op wielen Deze stoelen worden ook wel werkstoel of trippelstoel genoemd. Deze stoelen vallen in principe niet onder de ondersteuningsplicht van het college, aangezien het primair gaat om een combinatie van een sta-, zit- en loopvoorziening en niet om een verplaatsingsvoorziening. De cliënt verplaatst zich namelijk zonder hulpmiddelen, bijvoorbeeld door met zijn voeten af te zetten (trippelen). Een trippelstoel valt onder de Zorgverzekeringswet. Ook een aangepaste kinderstoel met bijvoorbeeld een zitkuipje en verplaatsbaar middels kleine wielen kan hieronder vallen. Er wordt enkel tot verstrekking
overgegaan als een dergelijke stoel als goedkoopst passende bijdrage kan worden aangemerkt. 8.8.5 Aanpassingen aan rolstoelen Aanpassingen zijn noodzakelijke maatwerkvoorzieningen om de rolstoel een adequate voorziening te laten zijn. Rolstoelen zijn in diverse maatvoeringen leverbaar. Toch zijn dan nog vaak individuele aanpassingen nodig. Een deel hiervan kan gerealiseerd worden door standaardcomponenten aan de rolstoel toe te voegen. Een ander deel moet individueel en op maat gemaakt worden. Deze aanpassingen vinden plaats bij handbewogen, duw en elektrische rolstoelen, voor zowel kinderen als volwassenen. Een onderscheid in aanpassingen is: a. Zit-, rug- en ondersteuningsdelen. Dit is in het bijzonder van belang voor cliënten die de hele dag of een groot deel van de dag in een rolstoel zitten. Het kan dan gaan om zit-orthesen (op maat gemaakte zitkuip, op een onderstel kunnen meerdere maten van kuipen geplaatst worden), rugsteunen, fixatiegordels, kantel- en zithoekverstellingen, speciale arm-, hoofd- en beenondersteuningen, anti-decubituskussens, werkbladen voor ondersteuning of activiteiten aan de rolstoel. b. Rijgedeelte.
Het gaat hierbij onder andere om verzwaring van het frame, aandrijving van de wielen en eventueel motoren, rubber hoepelovertrekken of hoepels met extra tussenruimte, kogelkoppen of staafjes bij handbewogen rolstoelen om een goede greep mogelijk te maken. c. Bediening en/of besturing. Te denken valt aan het mogelijk maken van besturing door middel van voet, mond of kin. 8.8.6 Rolstoelaccessoires Accessoires zijn extra’s die, in tegenstelling tot aanpassingen, in principe niet noodzakelijk zijn om de rolstoel op zich een adequate voorziening te laten zijn. Hiertoe behoren: rolstoelhandschoenen, regenpakken, bagagetas of boodschappennet dat aan de rolstoel bevestigd kan worden, been- en voetenzak, winterbekleding, asbak, overtrekhoezen om de rolstoel tegen neerslag te beschermen, spaakbeschermers en zonneschermen voor buggy’s en wandelwagens. Voorwaarden Rolstoelaccessoires vallen onder de ondersteuningsplicht van het college voor zover deze noodzakelijk zijn voor dagelijks gebruik van de rolstoel. Het kan dan gaan om bijvoorbeeld: een been- en voetenzak, winterbekleding, spaakbeschermers, of een zonnescherm wanneer er sprake is van allergie. Aard van de verstrekking Bij een maatwerkvoorziening in natura worden noodzakelijke rolstoelaccessoires verstrekt door de aanbieder (leverancier). De kosten komen direct voor rekening van de gemeente.
Cliënten zijn geen eigen bijdrage verschuldigd voor rolstoelaccessoires. Indien de cliënt zelf accessoires aanschaft voor de in bruikleen ontvangen maatwerkvoorziening, dan moeten deze accessoires geplaatst en verwijderd kunnen worden zonder de maatwerkvoorziening te beschadigen.
8.8.7 Kosten rolstoeltraining Net als bij een scootmobiel kunnen, als het onduidelijk is of de cliënt wel gebruik kan maken van een rolstoel, rijvaardigheidslessen (gewenning) noodzakelijk zijn. Een ergotherapeut kan beoordelen of de cliënt kan leren om gebruik te maken van de rolstoel (of scootmobiel). In andere gevallen wordt ervan uitgegaan dat een korte instructie van de rolstoelleverancier voldoende is en bij de prijs is inbegrepen.
Hoofdstuk 9 Ondersteuning deelname maatschappelijk verkeer Artikel 5.2 en hoofdstuk 8 van de Verordening 9.1 Inleiding Deelname aan het maatschappelijk verkeer heeft betrekking op het zich lokaal kunnen verplaatsen. Het college kan een maatwerkvoorziening verstrekken voor het verplaatsen over de korte afstand rond de woning en het verplaatsen over de langere afstand. Voor de langere afstand hanteert het college in principe het primaat van de Regiotaxi. Tijdens het onderzoek na de melding van de ondersteuningsvraag beoordeelt het college of de cliënt is aangewezen op ondersteuning bij zijn deelname aan het maatschappelijk verkeer. 9.2 Beoordelingskader vervoersbehoeften en vervoersmogelijkheden Naast het vereiste dat er geobjectiveerde beperkingen moeten worden ondervonden in het zich lokaal verplaatsen is een te verstrekken vervoersvoorziening afhankelijk van de vervoersbehoefte en de andere vervoersmogelijkheden van de cliënt. Daaronder worden ook de mogelijkheden van de sociale omgeving van iemand verstaan en in het kader van gebruikelijke hulp. Dit is een belangrijk onderdeel van het onderzoek zoals dat tijdens het vraagverhelderingsgesprek zal plaatsvinden. Uitgangspunt is dat het collectief vraagafhankelijk vervoer (de Regiotaxi) geschikt is voor de verplaatsingen op de middellange afstand en dat het primaat van het collectief vervoer wordt gehanteerd.
Of gebruik van de Regiotaxi voor deelname aan het maatschappelijk verkeer kan worden aangemerkt als passende bijdrage in het individuele geval, is afhankelijk van de vervoersbehoefte en frequentie van de verplaatsingen op de middellange afstand. Daaronder vallen in ieder geval gerichte verplaatsingen. Daarbij geldt ook dat het hebben van enige wachttijd bij gebruik van het collectief vervoer niet zodanig bezwarend is dat daardoor niet meer gesproken kan worden van een voorziening die voldoende ondersteuning biedt. Uit de jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep blijkt dat voor de omvang in kilometers in verband met de vervoersbehoefte in beginsel mag worden uitgegaan van maximaal 1500 tot 2000 kilometer per jaar (vergelijk CRVB:2012:BV7463). Dit uitgangspunt is ook neergelegd in de Verordening en wordt door het college gehanteerd. Bij de beoordeling van de aanvraag om een (collectieve) vervoersvoorziening worden de volgende zaken meegenomen: a. Mobiliteit: maximale loopafstand op goede dag; maximale loopafstand op slechte dag; gebruik loophulpmiddel: (rollator, wandelstok, kruk, etc.); gebruik rolstoel/scootmobiel: (type, bijv. elektrische rolstoel); in staat gebruik te maken van de scootmobielpool. b. Organisatie en begeleiding van de reis:
kan zonder begeleiding met het OV; kan met begeleiding in het OV, zonder begeleiding met de taxi; kan met begeleiding in het OV en met begeleiding met de taxi; kan alleen met begeleiding met de taxi.
9.3 Het verplaatsingsmotief en de verplaatsingsbestemming Bij het onderzoek naar de goedkoopst passende bijdrage is het noodzakelijk de vervoersbehoefte van de cliënt vast te stellen. Deze behoefte wordt onderzocht aan de hand van de volgende kenmerken: a. verplaatsingsgedrag; b. het verplaatsingsmotief (waarom); en c. de verplaatsingsbestemming (waarheen). De ondersteuningsplicht voor deelname aan het maatschappelijk verkeer is in beginsel gericht op “vervoer in het kader van het leven van alledag in de directe woon- of leefomgeving”. Het gaat in de Wmo in beginsel om verplaatsingen die de gemiddelde Nederlander in zijn/haar eigen woonomgeving maakt, zoals vervoer om boodschappen te doen, vrienden en familie te bezoeken, vervoer naar clubs en sociaal-culturele of religieuze instellingen. Bestaat er geen aanspraak op medisch vervoer, dan valt het vervoer in verband met therapie of het bezoeken van medische behandelaars ook onder de ondersteuningsplicht van het college (CRVB:2010:BL4037). Wel is het zo dat de cliënt een minimaal aantal basisvoorzieningen moet kunnen bereiken. Daaronder vallen bijvoorbeeld winkels voor het doen van boodschappen en het ziekenhuis. De ondersteuningsplicht van het college is gericht op de lokale vervoersbehoefte waarin bovengenoemde aspecten te bereiken zijn.
Recreatieve verplaatsingen kunnen deel uitmaken van het dagelijkse patroon van het leven van alledag. In dat geval wordt met het treffen van een vervoersvoorziening ook met deze bestemmingen rekening gehouden. Een vervoersvoorziening die uitsluitend wordt aangevraagd met het oog op recreatie en ontspanning, wordt echter niet in het kader van de Wmo verstrekt. Te denken valt hierbij aan bewoners van een Wlz--instelling die de voorziening uitsluitend aanvragen om het vervoer van het jaarlijkse uitje te kunnen bekostigen/regelen. 9.4 Bovenlokaal vervoer Maatwerkvoorzieningen die gericht zijn om zich boven-lokaal te kunnen verplaatsen of om maatwerkvoorzieningen mee te nemen, zoals aanhangers en oprijplaten voor het meenemen van scootermobielen of een meeneembare scootermobiel, vallen dan (in principe) niet onder de ondersteuningsplicht van het college. Het college is alleen verantwoordelijk voor het verstrekken van een maatwerkvoorziening gericht op de lokale vervoersbehoefte van de cliënt. Dat betekent ook dat het onderzoek naar de vervoersbehoefte gericht is op de lokale verplaatsingen. Voor bovenlokale verplaatsingen kan gebruik worden gemaakt van Valys (beschikbaar vanaf 5 OV-zones vanaf het woonadres). Met Valys kan een reis van deur tot deur geboekt worden, waar het gebruik van taxi mogelijk gecombineerd kan worden met openbaar vervoer of aanvullend openbaar vervoer.
Elke pashouder ontvangt een persoonlijk kilometerbudget per jaar. Daarnaast kent Valys een hoog persoonlijk kilometerbudget per jaar. Daarvoor is een indicatie nodig. 9.5 Beleidsuitgangspunten Het college hanteert de volgende beleidsuitgangspunten. Gebruiken en bereiken regulier Openbaar Vervoer
Kan de cliënt het reguliere Openbaar Vervoer gebruiken, dan heeft het college geen ondersteuningsplicht. Bij de beoordeling van de aanspraak onderzoekt het college of de cliënt het reguliere Openbaar Vervoer kan bereiken al dan niet met een algemeen gebruikelijk vervoermiddel. Dat wil zeggen te voet, met een (elektrische) fiets, brommer of met de bus. Voor wat betreft het bereiken is het redelijk om uit te gaan van de vraag of de cliënt een afstand van 800 meter in 20 minuten kan afleggen (CRVB:2012:BX7649). Mogelijk kan dat met een loophulpmiddel zoals een rollator. Het spreekt voor zich dat dit ook afhankelijk kan zijn van de afstand waarbinnen zich een opstaphalte voor de bus bevindt. Het kan dan ook voor komen dat het college moet beoordelen of de cliënt die afstand kan overbruggen met een voor de cliënt algemeen gebruikelijk vervoermiddel. Bushaltes zijn over het algemeen opgehoogd en mogelijk zijn ook lage instapbussen beschikbaar eventueel met een uitklapbare oprijplaat. Bij de beoordeling wordt ook rekening met de cognitieve of visuele beperkingen of gedragsstoornis van de cliënt. Algemeen gebruikelijk Bij de beoordeling van de aanspraak op een vervoersvoorziening wordt bezien of een algemeen gebruikelijke dienst of zaak zoals bijvoorbeeld een elektrische fiets of brommer een adequaat vervoermiddel is voor de cliënt.
Zie paragraaf 3.3 Algemeen gebruikelijk van de beleidsregels. Vervoer in verband met vrijwilligerswerk In geval van vrijwilligerswerk voor maatschappelijke organisaties ligt het in de eerste plaats op de weg van die organisaties om de vrijwilligers in staat te stellen dat werk te doen. Dat wil zeggen om op zijn minst een redelijke bijdrage in hun eventuele (reis)kosten te leveren (CRVB:2004:AO4037 en CRVB:2018:1961). Dit betekent overigens wel dat het college kan afwijken van dit beleidsuitgangspunt als daar in het individuele geval aanleiding voor is.
Omvang Uit de vaste jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep blijkt dat voor de omvang in kilometers in verband met de lokale vervoersbehoefte in beginsel mag worden uitgegaan van 1500-2000 kilometer per jaar (CRVB:2018:1961, CRVB:2012:BV7463). Dit uitgangspunt is ook neergelegd in de Verordening. Maatwerk Het college kan afwijken van deze norm. Dat kan zowel naar beneden als ook naar boven zijn. De noodzaak van kilometers boven deze algemene norm moet door de cliënt wel aannemelijk worden gemaakt. Is dat het geval, dan zal het college daar onderzoek naar moeten doen. Dit is ook neergelegd in de Verordening. Omvang is maatwerk De omvang van de maatwerkvoorziening(en) kan, als daar aanleiding voor is, worden afgestemd op: • De eigen mogelijkheden van de cliënt. Denk ook aan de hulp van de huisgenoot in het kader van gebruikelijk hulp. • Vervoersbehoefte, frequentie, afstand en tijdstip van de dag. • De vervoersbehoefte gelet op de zelfredzaamheid en/of participatie van de cliënt. Het ligt op de weg van de cliënt om aannemelijk te maken dat het algemene uitgangspunt
van 1500-2000 kilometer per jaar niet voldoende is hem in staat te stellen tot participatie. • Het beschikken over (maatwerk)voorzieningen waarmee de cliënt zich lokaal kan verplaatsen. Medisch vervoer Onderdeel van een lokale vervoersbehoefte kan een ziekenhuisbezoek of ander 'medisch vervoer' zijn. Het feit dat de cliënt met de maatwerkvoorziening collectief vervoer - in geval van een medische spoedsituatie - niet of niet tijdig in het ziekenhuis kan komen vormt geen reden om het primaat niet toe te passen (vergelijk CRVB:2014:2101). De ondersteuningsplicht van het college is in beginsel gericht op lokale (sociale) verplaatsingen. Verplaatsingen in verband met medische spoedsituaties vallen daar niet onder. Voor zover geen aanspraak bestaat op medisch vervoer op grond van de Zvw, valt het 'medisch' vervoer onder de Wmo 2015 (CRVB:2010:BL4037). Denk bijvoorbeeld aan het bezoek aan de huisarts of specialist. Ernstig beperkte mobiliteit en vervoersbehoefte voortvloeiend uit zorgtaken Bij een cliënt met beperkingen die uiterst beperkt mobiel is, moet in beginsel mede de vervoersbehoefte die voortvloeit uit zorgtaken voor minderjarige kinderen worden betrokken (vergelijk CRVB:1998:AA8703). Dit kan betekenen dat de maatwerkvoorziening collectief vervoer zich niet als passende bijdrage laat kwalificeren.
Daarbij wordt overigens wel rekening gehouden met de bijdrage die van de andere ouder en/of andere daarvoor in aanmerking komende personen redelijkerwijs kan worden gevergd (vergelijk CRVB:2010:BM7989). Dergelijke overwegingen spelen een rol bij een vervoersbehoefte op zowel de korte als de middellange afstand waarvoor meerdere voorzieningen aangewezen kunnen zijn. Onder uiterst beperkt mobiel wordt een loopafstand van minder dan 100 meter verstaan. Andere wettelijke aanspraak Volgens de Verordening is het college in principe niet gehouden een maatwerkvoorziening te verstrekken als aanspraak bestaat op een voorziening op grond van een andere wettelijke aanspraak waarmee een gelijk doel kan worden bereikt als met de maatschappelijke ondersteuning. In voorkomende gevallen behoort het tot de eigen verantwoordelijkheid van de cliënt om de aanspraak naar volle vermogen te gelde te maken. Het moet gaan om een werkelijke aanspraak en daarmee een afdwingbaar recht. Hieronder staan een aantal voorbeelden genoemd. Ziekenvervoer Op grond van de Zvw bestaat aanspraak op ziekenvervoer als de cliënt onder de doelgroep valt of met succes een beroep kan doen op de hardheidsclausule.
Het gaat om verzekerden die nierdialyses, oncologische behandelingen met chemotherapie of radiotherapie moeten ondergaan, zich uitsluitend per rolstoel kunnen verplaatsen of het gezichtsvermogen zodanig is beperkt dat zij zich niet zonder begeleiding kan verplaatsen. Ook ambulancevervoer valt onder de Zvw. Leefvervoer WIA Op grond van de Wet inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) kan aanspraak bestaan op een zogeheten leefvervoersvoorziening (art. 35, derde lid, WIA). Die bepaling geldt voor verzekerden aan wie op grond van de WIA een vervoersvoorziening wordt verstrekt zodat degene zijn werkplek of opleidingslocatie kan bereiken. Dit in het kader van
arbeidsintegratie. De zogeheten leefvervoersvoorziening heeft een functie in de leefsfeer net als in de Wmo 2015 (CRVB:2012:BV9433). Het behoort tot de eigen verantwoordelijkheid van de cliënt deze leefvervoersvoorziening aan te vragen en de gelden in te zetten waarvoor zij bestemd zijn. Verzekerden met een hoog inkomen hebben overigens geen aanspraak op deze WIA-voorziening omdat er een inkomensgrens van toepassing is. Dit betekent dat het college om die reden een aanvraag niet mag afwijzen. Het hanteren van inkomensgrenzen is onder de Wmo 2015, net als onder de Wmo (oud), niet toegestaan. Vervoer onderwijs Er kan aanspraak bestaan op vervoer van en naar school op grond van de Verordening Leerlingenvervoer. Het UWV kan vergoedingen en hulpmiddelen verstrekken voor leerlingen en studenten met een ziekte of handicap. 9.6 Primaat Regiotaxi De Regiotaxi is collectief aanvullend openbaar vervoer. Of gebruik van deze maatwerkvoorziening voor deelname aan het maatschappelijk verkeer in het individuele geval kan worden aangemerkt als passende bijdrage, is afhankelijk van de vraag of de cliënt daar - medisch gezien - gebruik van kan maken, al dan niet met begeleiding. Heeft de cliënt (medische) begeleiding nodig bij dat vervoer, dan moet hij daarin beginsel - zelf zorg voor dragen. Bij het bezit van een begeleiderspas, heeft de begeleider gratis toegang voor het collectief vervoer.
Verder is het afhankelijk of de Regiotaxi vervoer gelet op de vervoersbehoefte en frequentie van de verplaatsingen geschikt is. Daaronder vallen in ieder geval gerichte verplaatsingen waarmee de Regiotaxi voor de korte afstand een passende bijdrage kan zijn (vergelijk CRVB:2013:2459). Daarbij geldt ook dat het hebben van enige wachttijd niet zodanig bezwarend is dat daardoor niet meer gesproken kan worden van een passende bijdrage. In voorkomende gevallen wordt in principe het primaat van de maatwerkvoorziening collectief vervoer gehanteerd (vergelijk CRVB:2014:1491). Heeft de cliënt een vervoersbehoefte op de korte én middellange afstand, dan kunnen twee vervoersvoorzieningen zijn aangewezen. Niet gezamenlijk kunnen reizen Bij gebruikmaking van de Regiotaxi kan het voor komen dat het gezin niet gezamenlijk kan reizen. Op zichzelf genomen is het voorstelbaar dat een dergelijke wens bestaat en dat het voor een gezin prettiger en gemakkelijker is om samen te reizen. Uit de jurisprudentie blijkt echter dat het niet samen kunnen reizen niet betekent dat de Regiotaxi niet als passende bijdrage kan gelden. Gebruik maken van de Regiotaxi betekent namelijk niet dat het onmogelijk is om een gezamenlijke bestemming te bereiken (vergelijk CRVB:2014:2101). Betreft het een minderjarig kind met beperkingen kan het college een uitzondering maken op het primaat van de Regiotaxi.
Hardheidsclausule Om af te wijken van het primaat van de Regiotaxi kan onder zeer bijzondere omstandigheden de hardheidsclausule worden toegepast. Het gaat er in voorkomende gevallen om dat er bij de cliënt ten opzichte van de personenkring die gebruik maakt (moet maken) van de Regiotaxi bijzondere omstandigheden zijn aan te wijzen waarom het college onder toepassing van de hardheidsclausule moeten afwijken van het primaat. Deze omstandigheden moeten door de cliënt worden gesteld en zonodig desgevraagd worden onderbouwd.
Ritbijdrage Regiotaxi Voor het gebruik van het OV is iedereen - ongeacht het hebben van beperkingen - een gebruikelijk OV-tarief verschuldigd. Gebruikers van de Regiotaxi zijn in dat kader een de zogeheten ritbijdrage verschuldigd. Aard van de beperkingen en bezit van eigen (aangepaste) auto Het hanteren van het primaat van de Regiotaxi kan ook zijn toegestaan bij progressieve aandoeningen. Het kan in voorkomende gevallen aannemelijk zijn dat een autoaanpassing (of verdere aanpassingen) op zichzelf wel aangewezen kunnen zijn, maar dat het duidelijk is dat de eigen (aangepaste) auto binnen afzienbare termijn niet meer kan worden gebruikt. Deze overweging heeft ook betrekking op het kostenaspect (goedkoopst passende bijdrage). Kostenaspect Het college is niet gehouden om het kostenaspect ambtshalve te beoordelen. Het is ook niet zo dat het enkele feit dat de kosten van de door de cliënt gewenste vervoersvoorziening lager zouden kunnen zijn dan de (tot de individuele deelnemer herleide) kosten van de Regiotaxi meebrengt dat deelname daar aan geen passende bijdrage is, dan wel moet leiden tot de toepassing van de hardheidsclausule door het college (vergelijk CRVB:2013:2795 en CRVB:2009:BH5467). 9.7 Soorten vervoersvoorzieningen Er zijn verschillende soorten maatwerkvoorzieningen die het college kan verstrekken zoals vervoersvoorzieningen en een gebruikerspas voor de Regiotaxi.
Onder vervoersvoorzieningen vallen bijvoorbeeld een: scootmobiel, fietsvoorziening, of autoaanpassing. Er zijn uiteraard meer voorbeelden denkbaar. 9.7.1 Scootmobiel Een scootmobiel is een open elektrische buitenwagen bestemd voor gebruikers met een matige tot slechte sta- loopfunctie. De scootmobiel is bedoeld voor lokale verplaatsingen in de directe omgeving van de woning, het onderhouden van sociale contacten, het doen van boodschappen, et cetera. Het gaat in ieder geval om situaties waarbij gebruik van bijvoorbeeld de scootmobielpool geen passende oplossing is. Een scootmobiel wordt alleen verstrekt als: er sprake is van een zekere sta- en loopfunctie, ook gelet op het kunnen maken van transfers, de cliënt een beperkte loopafstand heeft en gelet op de beperkingen en de vervoersbehoefte op de korte afstand (directe omgeving) is aangewezen op een scootmobiel, er niet op een andere wijze kan worden voorzien in deze vervoersbehoefte zoals met een hand- of duwstoel of een aangepaste (niet algemeen gebruikelijke) fiets, de maatwerkvoorziening collectief vervoer alleen niet in de lokale vervoersbehoefte kan voorzien (geen passende bijdrage), de cliënt zelf het voertuig veilig kan bedienen en besturen (eventueel vaststellen met een rijvaardigheidstest), er een mogelijkheid is om de scootmobiel te stallen en op te laden.
Kosten scootmobieltraining Zoals gezegd kunnen haalbaarheidslessen noodzakelijk zijn om vast te stellen of de cliënt gebruik kan maken van een scootmobiel. De ergotherapeut verzorgt deze lessen en de kosten vallen dan ook onder de Zorgverzekeringswet. Het college vergoedt daarnaast maximaal vijf gewenningslessen, als gebleken is dat de cliënt in staat is gebruik te maken van de scootmobiel, maar zonder deze lessen niet veilig aan het verkeer kan deelnemen. In andere gevallen wordt ervan uitgegaan dat een korte instructie van de leverancier voldoende is en bij de prijs is inbegrepen. Stalling Het stallen van vervoersvoorzieningen door de cliënt, zoals een scootmobiel moet op een adequate wijze gebeuren. Een aanwezige schuur, berging, garage, bijkeuken of tuinhuisje kan in dit kader als adequaat worden beschouwd. Ook het afdekken van de scootmobiel met een hoes, als de cliënt, zijn huisgenoten of de mantelzorger daartoe in staat zijn, kan een adequate oplossing zijn, mits er een oplaadmogelijkheid voor handen is. Het college onderzoekt of de cliënt zelf mogelijkheden heeft om hier zorg voor te dragen, door bijvoorbeeld herinrichten of opruimen van de beoogde (stallings)ruimte (CRVB:2016:429). Dit behoort tot de eigen verantwoordelijkheid.
Heeft de cliënt geen mogelijkheden tot het stallen van de scootmobiel, dan valt het realiseren daarvan onder de ondersteuningsplicht van het college. Een adequate stallingruimte wil zeggen dat de scootmobiel droog staat in een afgesloten ruimte. Dit om beschutting te bieden tegen weersinvloeden, diefstal en vernieling. In de stallingsruimte kan ook een oplaadpunt nodig zijn. 9.7.2 Fietsvoorzieningen Het college zal tijdens het onderzoek beoordelen of de cliënt voor de beperkingen in zijn zelfredzaamheid en/of normale deelname aan het maatschappelijk verkeer is aangewezen op een elektrische fiets. Dit moet blijken uit de noodzaak daarvoor, dat zal in de meeste gevallen een medische noodzaak zijn. Kort gezegd: wat zijn de beperkingen in de (te wensen) activiteiten en draagt een elektrische fiets bij aan het opheffen of verminderen daarvan? In dat het geval, dan beoordeelt het college of een elektrische fiets voor de cliënt als algemeen gebruikelijk kan worden aan gemerkt. Heeft het verstrekken van een dergelijke fiets een therapeutisch doel (in beweging blijven of afvallen), dan heeft het verstrekken daarvan een therapeutisch karakter en valt in principe niet onder de ondersteuningsplicht van het college (CRVB:2013:BZ1741). Driewielfietsen en andere bijzondere fietsen Bijzondere fietsen kunnen voor verstrekking in aanmerking komen.
Denk bijvoorbeeld aan driewielfietsen of handbikes. Driewielfietsen worden speciaal gebruikt door de cliënt met beperkingen op evenwichtsgebied of een gestoorde motoriek. Dergelijke beperkingen maakt het gebruik van een normale fiets (al dan niet met hulpmotor) onmogelijk of ten minste onveilig. Om aanspraak te maken op een dergelijk maatwerkvoorziening gelden in principe dezelfde voorwaarden als voor een scootmobiel. Verder geldt dat een normale kinderdriewieler voor kinderen tot 4 jaar als algemeen gebruikelijk wordt beschouwd en daarom niet voor verstrekking in aanmerking komt. 9.7.3 Autoaanpassingen Autoaanpassingen zijn erop gericht lokale verplaatsingen mogelijk te maken voor cliënten die daarvoor zijn aangewezen op het gebruik van de eigen auto. Dat wil zeggen dat het