CConstaterende datNoordoostpolder
Koppel je AI →
Document · PDF

D12 02 Beleidsregels Maatschappelijke ondersteuning 201208.pdf

Gemeenteraad 25 januari 2021, gemeente NoordoostpolderBij agendapunt: 4: Lijst ingekomen stukken44.936 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 4 van 5

primaat van de Regiotaxi bij hen niet kan worden toegepast. In de praktijk zal dat niet vaak voor komen. Algemeen gebruikelijk Sommige autoaanpassingen kunnen algemeen gebruikelijk zijn. Denk bijvoorbeeld aan stuur- en rembekrachtiging, de automatische versnelling of een auto met hoge instap. Voor deze aanpassingen kan in ieder geval geen beroep worden gedaan op de Wmo 2015 als gebruik kan worden gemaakt van de maatwerkvoorziening collectief vervoer (vergelijk CRVB:2011:BU7172). Fondsenwerving Het werven van fondsen is vanzelfsprekend geen voorliggende oplossing op het verstrekken van een maatwerkvoorziening waarop de cliënt is aangewezen. Het kan echter wel voor komen dat een cliënt met behulp van fondsen een auto of bus kan aanschaffen. Vaak moeten aan zo’n auto of bus nog aanpassingen verricht worden. Het ligt op de weg van de cliënt daarover vooraf met het college contact over te hebben. Dit om teleurstellingen te voorkomen als een aanvraag om aanpassingen zal worden afgewezen. Uitgangspunten bij de beoordeling autoaanpassing Bij het verstrekken van een autoaanpassing worden een aantal uitgangspunten gehanteerd.

 Is het gebruik van de eigen auto nodig voor het zich lokaal verplaatsen én is Regiotaxi geen passende bijdrage?  Is de cliënt eigenaar en bestuurder van de auto? Onder de eigenaar van de auto kan ook de wettelijk vertegenwoordiger van het kind worden verstaan waar de autoaanpassing voor bestemd is. Ook kan de cliënt zijn aangewezen op vervoer door diens partner.  Is een autoaanpassing de goedkoopst passende bijdrage?  Wat is de staat van de auto (ouderdom en technische staat)?  Het college hanteert het uitgangspunt dat de auto waar de autoaanpassing voor bestemd is moet nog ten minste zeven jaar te gebruiken zijn. Daarvoor doet het college onderzoek naar de gemiddelde levensduur van de auto.  Ook kan bij twijfel een technische keuring van de auto door een onafhankelijke instantie (bijvoorbeeld de ANWB) nodig zijn. Dit om te kunnen beoordelen of de aanpassing nog verantwoord is met het oog op de technische staat en de verwachte levensduur van de auto.  De geldigheidsduur van het rijbewijs wordt ook in ogenschouw genomen. Dit in verband met een eventuele keuring ter beoordeling van de rijgeschiktheid. Bijzonderheden De wegenbelasting en autoverzekering komen niet voor vergoeding in aanmerking. Als sprake is van een aanvraag voor een aanpassing aan de eigen auto, dient een advies van het Centraal Bureau Rijvaardigheid (CBR) met de restreint bepalingen aanwezig te zijn.

Het CBR verricht de keuring voor het vaststellen van de beperkingen (restreint), waarop de auto voor de belanghebbende aangepast moet zijn. Zonder deze restreintbepalingen is de cliënt onverzekerd als hij in een auto rijdt. Aan de eis dat de auto niet ouder mag zijn dan vijf jaar, kan worden voorbijgegaan als de autoaanpassing in een andere auto kan worden overgezet (bijvoorbeeld een aangepaste autostoel). Als in dat geval de

aanpassing binnen zeven jaar overgezet moet worden, dan zijn de kosten hiervan voor rekening van de cliënt. BPM teruggave Op grond van het Nederlands belastingstelsel is de teruggaaf BPM-gehandicaptenregeling in het leven geroepen. Indien een bestelauto op of na 1 juli 2005 in gebruik is genomen voor het vervoer van een gehandicapte en diens rolstoel of ander hulpmiddel, kan men een teruggaaf krijgen van belasting van personenauto’s en motorrijwielen (bron:belastingdienst.nl). 9.8 Een gehandicaptenvoertuig Een gehandicaptenvoertuig is een voertuig dat is ingericht voor het vervoer van een gehandicapte, niet breder is dan 1,10 meter, niet langer dan 3,50 meter en niet hoger dan 2,00 meter en niet is uitgerust met een motor, dan wel is uitgerust met een motor waarvan de door de constructie bepaalde maximumsnelheid niet meer dan 45 km per uur bedraagt en geen bromfiets is (art. 1 Reglement Verkeersregels en Verkeerstekens). Deze voertuigen mogen op de voetpaden (stapvoets), fietspaden en rijbanen gebruikt worden. 9.8.1 Voorwaarden verstrekken gehandicaptenvoertuig Voor de cliënt geldt dat hij op eigen gesloten buitenvervoer moet zijn aangewezen omdat de Regiotaxi of ander collectief vervoer al dan niet gecombineerd met een aanvullende vervoersvoorziening niet de goedkoopst passende bijdrage is. Dergelijke situaties zullen zich in de praktijk zelden voordoen.

9.8.2 Brommobiel Dit betreft een gesloten buitenwagen die breder is dan 1,10 meter en geen gehandicaptenvoertuig is. De brommobiel lijkt op een kleine auto en mag alleen van de rijbaan gebruik maken. De brommobiel wordt in beginsel niet op grond van de Wmo 2015 verstrekt. 9.9 Bewoners Wlz-instelling In paragraaf 2.15 Weigeren aanvraag maatwerkvoorziening van de beleidsregels staat dat bewoners van een Wlz-instelling in aanmerking kunnen komen voor een vervoersvoorziening. Zij zullen in de regel een lagere vervoersbehoefte hebben dan cliënten die nog zelfstandig wonen. Soms zijn er in het complex voorzieningen aanwezig, zoals een winkel, kapper, recreatieruimte voor diverse sociale activiteiten, of ze zijn in de directe omgeving beschikbaar. Te denken valt aan Wlz-instellingen eventueel met aanleunwoningen of verpleeghuizen. Bovendien kan het zijn dat een aantal bestemmingen in de directe leefomgeving vervallen, omdat daarin op andere wijze wordt voorzien. Bewoners van (intramurale) Wlz-instellingen hoeven bijvoorbeeld minder vaak boodschappen te doen, omdat de instellingen de maaltijden bereiden. Ook worden sommige gezamenlijke sociale activiteiten vanuit de Wlz-instelling georganiseerd, inclusief vervoer (dagbesteding). Daarom kan de vervoersbehoefte bij de deelname aan het maatschappelijk vervoer verminderen.

Het college houdt daar rekening mee de beoordeling van de aanvraag. 9.10 Incidenteel rolstoelgebruik Een rolstoel voor incidenteel gebruik (ook wel transportrolstoel genoemd) is doorgaans niet voor dagelijks zittend gebruik noodzakelijk. Het kan echter ook gaan om een transportrolstoel waarop de cliënt is aangewezen om van A naar B te komen (in relatie

tot het zich kunnen verplaatsen in de leefomgeving). Denk bijvoorbeeld aan de situatie dat iemand structureel niet in staat is om hele korte afstanden zelfstandig - al dan niet met een loophulpmiddel - af te leggen. In dat geval zijn de bovengenoemde mogelijkheden (rolstoelpool, uitleen) niet van toepassing. Deze rolstoel kan worden meegenomen in de Regiotaxi of in de eigen auto. In de praktijk zal dit echter niet vaak voorkomen. 9.11 Een sportvoorziening Voor de deelname aan het maatschappelijk verkeer (participatie) kan het college sportvoorzieningen zoals een sportrolstoel verstrekken inclusief de daarmee gepaard gaande kosten van onderhoud, gebruik, verzekering en reparatie en eventuele noodzakelijke aanpassingen en accessoires. 9.11.1 Kenmerk sportrolstoel Deze rolstoelen kenmerken zich door scheefstand van de grote wielen en zijn vaak uitgerust met een doorlopende voetenplank in plaats van twee aparte voetensteunen. Een sportrolstoel is gericht op snelheid en wendbaarheid en stelt minder hoge eisen aan zitcomfort dan een rolstoel voor dagelijks gebruik. In principe zijn sportrolstoelen niet bruikbaar in de gewone leefsituatie. 9.11.2 Voorwaarden om voor de sportvoorziening in aanmerking te komen Tijdens het vraagverhelderingsgesprek wordt besproken of de cliënt serieus overweegt te gaan dan wel te blijven sporten.

Daarbij wordt gekeken naar de bijdrage van sporten aan de maatschappelijke participatie en waarom andere oplossingen met hetzelfde doel niet mogelijk zijn. Bij de verstrekking van een sportvoorziening wordt rekening gehouden met de gebruikelijke levensduur van zo’n voorziening. Dat wil zeggen dat het college maximaal eens per drie jaar een sportvoorziening verstrekt. Daar kan een uitzondering voor gelden als de eerder verstrekte dan wel met een pgb aangeschafte sportvoorziening technisch is afgeschreven. 9.11.3 Aard van de verstrekking Een sportrolstoel kan in de vorm van in natura in bruikleen worden verstrekt. Het college schaft de sportrolstoel aan die bij de offertevergelijking als goedkoopste aanbieding is gedaan. Kiest de cliënt voor een pgb, dan bedraagt het pgb maximaal het bedrag dat bij de offertevergelijking als goedkoopste aanbieding is gedaan. De kosten voor reparatie, onderhoud en verzekering komen bij een verstrekking in natura voor rekening van de gemeente. Bij een verstrekking in de vorm van een pgb kan een vergoeding voor de instandhoudingskosten worden verstrekt. Bij aanpassingen en accessoires gaat het uiteraard alleen om noodzakelijke en niet-algemeen gebruikelijke zaken.

Hoofdstuk 10 Tegemoetkoming meerkosten Hoofdstuk 11 van de Verordening Besluit maatschappelijke ondersteuning 10.1 Inleiding De tegemoetkoming meerkosten is een inkomensondersteunende maatregel en dus geen maatwerkvoorziening of pgb. De tegemoetkoming mag op basis van declaratie rechtstreeks aan de cliënt worden uitbetaald en er geldt geen bijdrage in de kosten. Het

college kan ook overgaan tot uitbetaling op basis van een ondertekende offerte of proforma-factuur. Uit artikel 2.1.7 Wmo 2015 blijkt dat het bij de tegemoetkoming meerkosten niet hoeft te gaan om een cliënt want in het wetsartikel wordt gesproken over de persoon met een beperking of chronisch psychisch of psychosociaal probleem die in verband daarmee aantoonbare of aannemelijke meerkosten kan hebben. De tegemoetkoming dient ter ondersteuning van de zelfredzaamheid en participatie. De Verordening bepaalt dat de tegemoetkoming betrekking heeft op de doelgroep die aannemelijke meerkosten heeft. De gemeenteraad maakt in de Verordening gebruik van het delegeren van regels aan het college (CRVB:2019:3206). Wie onder doelgroep valt ligt dan ook vast in het Besluit maatschappelijke ondersteuning. 10.2 Op aanvraag Om in aanmerking te komen voor een tegemoetkoming gelden de regels van de melding van een ondersteuningsvraag en het onderzoek (het vraagverhelderingsgesprek) niet. Als hoofdregel geldt wel dat de tegemoetkoming slechts op aanvraag wordt verleend. De aanvraag moet worden ingediend in het kalenderjaar waarop de aannemelijke meerkosten betrekking hebben.

Hoofdstuk 11 Persoonsgebonden budget Hoofdstuk 9 van de Verordening Besluit maatschappelijke ondersteuning 11.1 Inleiding Een persoonsgebonden budget (pgb) is een bedrag waarmee de budgethouder de geïndiceerde maatwerkvoorziening kan inkopen als wordt voldaan aan de voorwaarden. Het college moet de cliënt tijdens het onderzoek ná de ondersteuningsvraag informeren over welke mogelijkheden er zijn om te kiezen voor een pgb en wat de gevolgen van die keuze zijn. Het pgb wordt door de Sociale verzekeringsbank (Svb) betaald aan een derde met wie de budgethouder een overeenkomst heeft afgesloten. Betaling van het pgb aan derden geldt ook voor eenmalige pgb’s die het college namens de Svb in mandaat verricht. Denk bijvoorbeeld aan een pgb voor de aanschaf van een scootmobiel. De wet bepaalt een aantal voorwaarden die het college moet beoordelen of wordt voldaan aan de voorwaarden om voor een pgb in aanmerking te komen (art. 2.3.6, tweede en derde lid, van de wet). Een financiële maatwerkvoorziening voor bijvoorbeeld verhuis- en inrichtingskosten is geen pgb. Hiervoor gelden immers geen kwaliteits- en verantwoordingseisen en de tegemoetkoming wordt niet aan een derde maar aan de cliënt uitbetaald (al dan niet op declaratiebasis).

11.2 Spoedeisende situatie: geen pgb Een pgb is niet mogelijk als het college, na de ondersteuningsvraag, een (tijdelijke) maatwerkvoorziening verstrekt vanwege een spoedeisende situatie als bedoeld in artikel 2.3.3 van de wet. Immers, het onderzoek naar de vraag of de cliënt is aangewezen op een maatwerkvoorziening moet nog worden uitgevoerd. 11.3 Pgb met terugwerkende kracht Artikel 9.1, tweede lid, van de Verordening De wet en Verordening bepalen dat de cliënt zijn ondersteuningsvraag eerst moet melden bij het college alvorens een aanvraag in te dienen. De wet strekt er niet toe dat het

college gehouden is om een maatwerkvoorziening in de vorm van een pgb te verstrekken als de (gevraagde) maatwerkvoorziening al vóór de ondersteuningsvraag of de aanvraag is ingezet of aangeschaft (CRVB:2017:433). Onbekendheid van cliënten met de geldende regelingen komen in principe voor eigen rekening en risico (vergelijk CRVB:1993:ZB2748). Ingangsdatum diensten Het spreekt voor zich dat wanneer een aanvraag wordt gedaan voor een dienst, zoals huishoudelijke ondersteuning, wel een indicatie kan worden verstrekt maar niet met terugwerkende kracht. Dit laat overigens onverlet dat de inzet van een maatwerkvoorziening in natura bij spoedeisende gevallen onverkort van toepassing blijft. 11.4 Noodzaak achteraf vaststellen Artikel 9.1, derde lid, van de Verordening Wanneer er sprake is van een nog niet gerealiseerde maatwerkvoorziening vóór ondersteuningsvraag of de aanvraag, geldt het volgende. Door zich niet eerder te melden kan het zijn dat het college de mogelijkheid worden ontnomen om nog te kunnen beoordelen of er aanspraak bestaat op een maatwerkvoorziening. En zo ja, welke. Kan het college de noodzaak nog wel vaststellen, dan kan worden overgegaan tot het verlenen van een maatwerkvoorziening dan wel in de vorm van een pgb die als goedkoopst passende bijdrage wordt aangemerkt (vergelijk CRVB:2012:BV5418).

11.5 Nieuwe pgb-aanvraag binnen budgetperiode Artikel 9.1, vierde lid, van de Verordening Aan de cliënt kan een pgb worden verstrekt als wordt voldaan aan de verschillende voorwaarden. Dat wil feitelijk zeggen dat het college heeft vastgesteld dat de budgethouder, al dan niet hulp met diens vertegenwoordiger, verantwoordelijk kan worden gehouden voor het gebruik (besteding) van het pgb binnen de geldende budgetperiode. Deze vraag kan zich voordoen omdat het pgb niet uitsluitend aan de geïndiceerde maatwerkvoorziening hoeft te worden besteed, maar wel voor het doel (resultaat) waarvoor het pgb is verstrekt (bijv. CRVB:2018:3102, CRVB:2018:819 en CRVB:2009:BK2502). Heeft de cliënt het pgb binnen de budgetperiode volledig besteed en is de maatwerkvoorziening verloren gegaan, dan verstrekt het college niet opnieuw een pgb (CRVB:2018:818). Onder verloren gaan wordt bijvoorbeeld verstaan het niet meer functioneren van een tweedehands voorziening die met het volledige toegekende pgb is aangeschaft. De gevolgen van de door de budgethouder gemaakte keuze in de besteding van het pgb komen namelijk voor diens rekening en risico. Dat is alleen anders als de maatwerkvoorziening weliswaar verloren is gegaan maar dat niet aan de budgethouder is te wijten.

Ook bij gewijzigde omstandigheden in de ondersteuningsbehoefte zal er geen aanleiding zijn om een pgb op voorhand te weigeren op grond van deze bepaling. 11.6 Technisch geschikte maatwerkvoorziening Artikel 9.2, vijfde lid, van de Verordening De ondersteuningsvraag kan gericht zijn op het vervangen van een eerder met een pgb aangeschaft hulpmiddel, zoals een scootmobiel of een tillift. Als het gaat om situaties waarbij de budgetperiode is verstreken, dan geldt het volgende uitgangspunt. Voldoet de eerder met het pgb aangeschafte maatwerkvoorziening nog aan de daaraan te stellen kwaliteitseisen, dan beoordeelt het college of het verstrekken van een pgb voor reële instandhoudingskosten als goedkoopst passende bijdrage kan worden aangemerkt. In de

praktijk gaat het om (aangeschafte) maatwerkvoorzieningen die technisch gezien nog niet zijn afgeschreven. Dat wil zeggen ze nog voldoen in de zin van kwaliteit én het resultaat dat bereikt moet worden. De strekking van deze bepaling heeft ook betrekking op de maatwerkvoorziening in natura. 11.7 Termijn besteding pgb Artikel 9.2, zesde lid, van de Verordening Artikel 9.4, derde lid, van de Verordening De Verordening schrijft voor binnen welke termijn de budgethouder (cliënt) het pgb moet besteden. Die termijn is afhankelijk van de maatwerkvoorziening die met het pgb wordt ingekocht. Wanneer de budgethouder het pgb niet binnen de geldende termijn heeft besteed, dan doet het college onderzoek naar de reden hiervan. Afhankelijk van de uitkomsten van het onderzoek kan er aanleiding zijn om over te gaan tot herziening of intrekking van het pgb-besluit. 11.8 Beoordelen voorwaarden recht op pgb Heeft het college vastgesteld dat de cliënt is aangewezen op een maatwerkvoorziening (natura), dan kan de cliënt verzoeken om de maatwerkvoorziening in de vorm van een pgb te ontvangen. Zo’n verzoek wordt aangemerkt als aanvraag. Dat wil zeggen dat het college daar een besluit over moet nemen. In deze beleidsregels worden verschillende criteria genoemd die het college hanteert bij de beoordeling.

Daarmee is geen limitatief overzicht bedoeld, er kunnen ook andere criteria of voorbeelden aan de orde zijn. De wet bepaalt een aantal voorwaarden die het college moet beoordelen om het recht op pgb vast te stellen. Deze voorwaarden zijn cumulatief. Dat wil zeggen dat aan alle voorwaarden moet zijn voldaan om voor een pgb in aanmerking te komen. Het gaat om:  Pgb-bekwaamheid.  Motivatie-eis wens pgb.  Kwaliteit.  Besteding pgb geschikt voor het doel. 11.8.1 Pgb-bekwaamheid De budgethouder moet pgb-bekwaam zijn. Dat wil zeggen dat de budgethouder, al dan niet met hulp van zijn vertegenwoordiger, in staat moet zijn om de aan het pgb verbonden taken (verplichtingen) op verantwoorde wijze uit te voeren. Vertegenwoordiger Is de budgethouder niet pgb-bekwaam, dan kan een vertegenwoordiger dat overnemen. Het kan gaan om een persoon die door de budgethouder gemachtigd is of een wettelijke vertegenwoordiger die is aangesteld door de rechtbank (bewindvoerder, curator of mentor). Zonder volmacht kunnen de personen genoemd in artikel 1.1.1, tweede lid, van de wet niet als vertegenwoordiger optreden als de cliënt dat niet wenst. Dat moet het college dan onderzoeken. De vertegenwoordiger mag alleen handelen in het belang van de cliënt en dus niet ook zijn eigen belang dienen.

Een vertegenwoordiger zorgt er feitelijk voor dat (namens) de budgethouder de verplichtingen die aan het pgb zijn verbonden ook daadwerkelijk worden nagekomen. Hij biedt de budgethouder gewaarborgde hulp. Dat is van belang omdat de gevolgen van het niet of onvoldoende nakomen van verplichtingen in principe voor rekening en risico van de budgethouder komen. Denk aan de weigering van een pgb, het intrekken van het recht op pgb of de terugvordering van een ten onrechte of tot een te hoog bedrag betaald pgb. Blijkt uit onderzoek dat door de vertegenwoordiger onvoldoende gewaarborgde hulp wordt

geboden, dan weigert het college het pgb. Deze weigeringsgrond is ook in de Verordening neergelegd.

Vertegenwoordiger (specifiek) Is de handelwijze van de vertegenwoordiger eerder aanleiding geweest voor de herziening of intrekking van een pgb, dan kan deze persoon niet meer de pgbbekwaamheid van de budgethouder overnemen. Dit ter bescherming van de budgethouder. Conflicterende belangen Dit betekent dat een derde aan wie het pgb wordt besteed niet ook de vertegenwoordiger (gewaarborgde hulp) kan zijn. Het op verantwoorde wijze uitvoeren van pgb-taken wordt namelijk beïnvloed door de derde. Het college kan het pgb in redelijkheid weigeren (CRVB:2019:2803, RBGEL:2018:3911 en 4703). Er is sprake van conflicterende belangen omdat de derde namelijk ook degene is die het pgb ontvangt voor de geleverde ondersteuning, het gaat om zijn inkomen. Deze weigeringsgrond is ook in de Verordening neergelegd. Dat geldt ook voor personen uit het sociaal netwerk, tenzij aannemelijk is dat de cliënt is aangewezen op de ondersteuning door deze persoon én deze persoon als vertegenwoordiger primair het belang van de cliënt dient. Persoon sociaal netwerk is de derde Het college beoordeelt of de persoon uit het sociaal netwerk primair het belang van de cliënt dient. Dat moet in ieder geval blijken uit de motivatie van de budgethouder waarom hij kiest om de betreffende persoon uit het sociaal netwerk in te willen schakelen.

Deze persoon mag daarbij op geen enkele wijze druk uitoefenen op de cliënt bij de besluitvorming. Dat wil zeggen de budgethouder mag niet door deze persoon worden beïnvloed. Dit betekent dat alleen bij zeer hoge uitzondering een pgb wordt toegekend als de persoon uit het sociaal netwerk zowel als vertegenwoordiger optreedt als ook de derde is aan wie het pgb wordt besteed. Algemene beoordeling pgb-bekwaamheid Het college moet dus beoordelen of de cliënt dan wel zijn vertegenwoordiger pgbbekwaam is. Dat moet in ieder geval blijken uit: 1. Een goed overzicht van de eigen situatie kunnen houden. De cliënt dan wel zijn vertegenwoordiger weet welke ondersteuning hij nodig heeft. De cliënt moet dat zelf kunnen vertellen. 2. Weten welke regels er horen bij een pgb. De cliënt kent de regels of weet waar die regels te vinden zijn en kan deze ook begrijpen. Het helpt als de cliënt digitaal vaardig is. 3. Een overzichtelijke pgb-administratie kunnen bijhouden. De cliënt weet bijvoorbeeld ook welk deel van het pgb al uitgegeven is. Een overzichtelijke pgb-administratie is niet alleen handig voor de cliënt zelf, maar de administratie kan ook nodig zijn als het college daarom vraagt. 4. Communiceren met de gemeente, de Svb en ondersteuners. De cliënt moet uit zichzelf en zelfverzekerd kunnen communiceren met andere partijen.

Bijvoorbeeld op tijd brieven van de gemeente of de Svb beantwoorden. Of telefoongesprekken voeren met ondersteuners. En als er iets verandert, moet de cliënt dat zelf aangeven.

5. Zelfstandig handelen en zelf voor ondersteuners kiezen. De cliënt moet zelf ondersteuners uitzoeken en afspraken maken over de ondersteuning die ze gaan geven. En over hun uurtarief en hun uren. 6. Zelf afspraken maken, deze afspraken bijhouden en zich hier aan houden. De cliënt moet tussendoor controleren of alles volgens afspraak verloopt. Bijvoorbeeld of de ondersteuner genoeg uren maakt. Omgekeerd moet de cliënt kunnen laten zien dat ondersteuning wordt ingekocht waarvoor het pgb bestemd is. 7. Beoordelen of de ondersteuning uit het pgb past. En of de kwaliteit van de ondersteuning in orde is. Als de cliënt de ondersteuning niet goed vindt, kan hij uitleggen waarom dat zo is. Als de ondersteuning niet volgens afspraak verloopt, moet de cliënt zelf kunnen ingrijpen. Bijvoorbeeld door de ondersteuner op te bellen. En uit te leggen wat er niet goed gaat. 8. Zelf de ondersteuning regelen met 1 of meer ondersteuners. En dat zo regelen dat er altijd ondersteuning is, ook als de (vaste) ondersteuner ziek is of op vakantie gaat. De cliënt moet zelf ondersteuners kunnen kiezen die goed bij de situatie van de cliënt passen. De cliënt moet er zelf op toezien of zij hun werk goed doen. Als de ondersteuner ziek is, moet de cliënt zelf vervanging kunnen regelen. 9. Zorgen dat de ondersteuners die voor de budgethouder werken weten wat ze moeten doen.

De cliënt durft een gesprek te beginnen als de ondersteuners hun werk niet goed doen. De cliënt betaalt de ondersteuner en is zijn werkgever of opdrachtgever. De cliënt moet dan goed kunnen vertellen wat ze moeten doen. 10. Weten wat de budgethouder moet doen als werkgever of opdrachtgever van een ondersteuner. Het is niet erg als de cliënt sommige regels over hoe een werkgever of opdrachtgever moet zijn niet kent. Bijvoorbeeld bij ontslag van een ondersteuner. Maar de cliënt moet de informatie daarover wel zelf kunnen vinden. Bijvoorbeeld bij instanties die hierover advies geven. Twijfel pgb-bekwaamheid Het kan voor komen dat het college twijfels heeft over de pgb-bekwaamheid van de budgethouder, mede gelet op de hiervoor genoemde algemene beoordelingskaders. Dat wil zeggen dat de budgethouder problemen zal (kunnen) krijgen met het uitvoeren van de taken die horen bij een pgb en om die reden geen pgb krijgt toegekend. Mogelijk dat het college de weigering niet alleen op de algemene beoordelingskaders kan baseren. In dat geval zijn er nog andere omstandigheden die kunnen leiden tot de weigering van het pgb. Denk bijvoorbeeld aan: • schuldenproblematiek, • een gok- of drugsverslaving, • in een hoge mate beïnvloedbaar zijn.

Met de aanstelling van een bewindvoerder is het risico dat het pgb niet besteed zal worden aan de daarvoor bestemde doelen voldoende ondervangen (RBGEL:2019:4940). Pgb-bekwaamheid bij de woningaanpassing In tegenstelling tot diensten lopen pgb’s voor woningaanpassingen niet via de Svb. Deze worden door het college zelf aan de derde uitbetaald. Bij (sociale) huurwoningen zal dat in de praktijk de verhuurder zelf zijn. Bij woningaanpassingen gelden in ieder geval de volgende voorwaarden om voor een pgb in aanmerking te komen: • kunnen selecteren van een aannemer, • opdracht kunnen verlenen aan een aannemer conform het Programma van Eisen (PvE) en de overige vereisten,

• in staat om afspraken te maken over onderhoud en reparatie van de woningaanpassing, • kunnen aansturen van de uitvoering rekening houdend met het programma van eisen, • de oplevering kunnen controleren conform het PvE. Pgb-bekwaamheid bij een hulpmiddel In tegenstelling tot diensten lopen ook pgb’s voor hulpmiddelen niet via de Svb. Deze worden door het college aan de derde uitbetaald. Bij hulpmiddelen gelden in ieder geval de volgende voorwaarden: • kunnen selecteren van een leverancier, • in staat om afspraken te maken over onderhoud en reparatie van het hulpmiddel, zoals een traplift, • hulpmiddel kunnen kiezen om het beoogde resultaat mee te bereiken volgens de kwaliteitseisen die aan het hulpmiddel mogen worden gesteld. 11.8.2 Motivatie-eis wens pgb De cliënt moet om een pgb verzoeken en daarbij aangeven waarom dat passende ondersteuning is. Er gelden geen specifieke voorwaarden aan de motivatie. De cliënt zal wel moeten aangeven waarom in zijn situatie het pgb een geschikte oplossing is. Dat zal bij diensten ook blijken uit het Budgetplan. 11.8.3 Kwaliteit De met het pgb in te kopen maatwerkvoorziening moet veilig, doeltreffend, doelmatig en cliëntgericht zijn. Deze eisen gelden voor voorzieningen in natura (art. 3.1, eerste lid, van de wet).

De Verordening bepaalt dat de eisen voor het gecontracteerde aanbod ook gelden als de ondersteuning voor diensten wordt ingekocht met een pgb (art. 12.4 van de Verordening). Echter niet alle eisen zijn ook van toepassing op de derde. Eisen die specifiek gelden voor het gecontracteerde aanbod, zijn daarvan uitgezonderd. Daarnaast gelden geen opleidingseisen voor personen uit het sociaal netwerk. Kwaliteit en veiligheid Een met het pgb in te kopen maatwerkvoorziening moet vanzelfsprekend veilig zijn. De veiligheid is een belangrijk onderdeel van de kwaliteit. Voor diensten kan dat gekoppeld zijn aan het opleidingsniveau van de professionele ondersteuner maar ook aan het beschikken over een Verklaring Omtrent Gedrag (VOG). Bij hulpmiddelen kan veiligheid betrekking hebben op de bestedingsvrijheid. Als een traplift in natura door het college niet als veilige maatwerkvoorziening in natura wordt aangemerkt, dan mag de budgethouder met een pgb vanzelfsprekend geen traplift aanschaffen. Melding calamiteiten of geweld (algemeen) De derde is in voorkomende gevallen verplicht om onverwijld melding te doen bij de toezichthoudende ambtenaar van:  iedere calamiteit die bij het bieden van de ondersteuning heeft plaatsgevonden,  geweld bij het bieden van de ondersteuning.

Onder een calamiteit wordt een niet-beoogde of onverwachte gebeurtenis verstaan die betrekking heeft op de kwaliteit van de ondersteuning en die tot een ernstig schadelijk gevolg voor of de dood van een cliënt heeft geleid (art. 1.1.1, eerste lid, van de wet). De meldcode geldt voor elke derde aan wie het pgb wordt besteed. Dat wil zeggen voor derden die in dienst zijn bij een professionele organisatie, die als ZZP-er werkzaam zijn én voor personen uit het sociaal netwerk.

Omzetten in natura Een melding van ernstig schadelijke gevolgen voor de cliënt zal voor het college aanleiding (kunnen) zijn om het recht op pgb in te trekken en daarvoor in de plaats een maatwerkvoorziening in natura te verstrekken. Ook kan het college de budgethouder (cliënt) natuurlijk in de gelegenheid stellen om met een andere derde een overeenkomst aan te gaan die wel voldoet aan de geldende vereisten. Meldcode bij diensten (algemeen) De derde moet aan het college stapsgewijs kunnen laten zien hoe met signalen van huiselijk geweld of kindermishandeling wordt omgegaan. Daaruit moet blijken dat na zo’n melding zo snel en adequaat mogelijk hulp kan worden geboden. De melding van huiselijk geweld of kindermishandeling wordt gedaan bij Veilig Thuis Flevoland. De meldcode geldt voor elke derde aan wie het pgb wordt besteed. Dat wil zeggen voor derden die in dienst zijn bij een professionele organisatie, die als ZZP-er werkzaam zijn als ook voor personen uit het sociaal netwerk. Daarbij wordt opgemerkt dat persoon uit het sociaal netwerk als derde ook slachtoffer van huiselijk geweld kan zijn. Denk bijvoorbeeld aan een budgethouder met specifieke problematiek die het pgb aan zijn ouder(s) besteed (CRVB:2019:1815). Kwaliteit en doeltreffend Onder doeltreffend wordt verstaan ‘waarmee het doel/resultaat wordt bereikt’.

Met het pgb moet ondersteuning worden ingekocht die efficiënt en effectief moet zijn om dat doel/resultaat te bereiken. Het college zal daar ook onderzoek naar doen gedurende de budgetperiode of bij een verzoek om verlenging van de indicatie. In dat kader kan zich de vraag voordoen of een persoon uit het sociaal netwerk in staat is om de budgethouder (cliënt) iets aan te leren waarna hij niet meer is aangewezen op een maatwerkvoorziening. Dit gelet op de directe sociale relatie tussen hen. Het aanleren van activiteiten zou meer kans van slagen kunnen hebben als de ondersteuning wordt geboden door een professionele ondersteuner die juist niet in directe relatie met de budgethouder (cliënt) staat. Dit gelet op de professionele distantie. In dat geval kan tijdelijk een maatwerkvoorziening in natura worden ingezet en wordt tijdens de evaluatie beoordeeld of de cliënt toch nog is aangewezen op een maatwerkvoorziening én of die wel in de vorm van een pgb kan worden verstrekt. Onder tijdelijk wordt een periode van zes maanden verstaan. Het college kan de budgethouder (cliënt) ook in de gelegenheid stellen om met een andere derde een overeenkomst aan te gaan die wel voldoet aan de vereisten. Kwaliteit en doelmatig Onder doelmatig wordt verstaan het zo goed mogelijk bereiken wat met het pgb is beoogd. Zie ook onder doeltreffend.

Kwaliteit en cliëntgericht Het spreekt voor zich dat de ondersteuning gericht moet zijn op de cliënt, met zijn belangen en wensen als uitgangspunt. Dit uitgangspunt kan daarom ook te maken hebben met de samenwerking tussen de budgethouder (cliënt) en de ondersteuner. Gaat het om derden die in dienst zijn bij een professionele organisatie of als ZZP-er werkzaam zijn, dan zijn kwaliteit en cliëntgerichtheid onderdeel van de professionele standaarden die gelden binnen de beroepsgroep. Kwaliteit: aangewezen op professionele ondersteuning

Uit de noodzaak van de maatwerkvoorziening in natura zal doorgaans blijken of de cliënt -gelet op de problematiek- aangewezen is op professionele ondersteuning. Dat wil zeggen dat aan de ondersteuning specialistische eisen verbonden kunnen zijn die (alleen) een beroepskracht kan bieden. Denk in dit geval ook aan de noodzaak van voldoende professionele distantie. Wanneer het college dat heeft vastgesteld, kan de ondersteuning niet worden geboden door een persoon uit het sociaal netwerk. Het college hoeft in die gevallen niet meer te beoordelen of de persoon uit het sociaal netwerk aan wie de budgethouder het pgb wenst te besteden voldoet aan de kwaliteitseisen. De budgethouder zal dan een door het college goedgekeurde professionele ondersteuner moeten inschakelen. Lukt dat niet, dan weigert het college het pgb en zal een maatwerkvoorziening in natura worden verstrekt. Kwaliteit: besteding pgb sociaal netwerk Het college beoordeelt in ieder geval of: • de cliënt zijn keus om de betreffende persoon uit het sociaal netwerk in te schakelen voldoende kan motiveren (zie ook bij pgb-bekwaamheid). • de persoon uit het sociale netwerk op geen enkele wijze druk uitoefent op de cliënt bij de besluitvorming. Dat wil zeggen de cliënt mag niet door deze persoon worden beïnvloed (zie ook bij pgb-bekwaamheid).

Het ligt voor de hand dat het college een gesprek heeft met de cliënt zonder dat de betreffende persoon uit het sociale netwerk daarbij aanwezig is. Het college kan er voor zorgen dat de cliënt bij dat gesprek gebruik kan maken van een onafhankelijke cliëntondersteuner. • de persoon uit het sociale netwerk in staat is om de noodzakelijke ondersteuning te bieden. En zo ja, waar blijkt dat uit? • voldoende aannemelijk dat de persoon aan wie het pgb wordt besteed niet overbelast is of dreigt te geraken. • de persoon uit het sociale netwerk de omvang/intensiteit van de ondersteuning wel kan bieden. Denk in dit geval aan de 40-urige werkweek die deze persoon heeft. Reguliere werkzaamheden, maar ook andere activiteiten kunnen daarbij een rol spelen. • de kwaliteit van de geboden ondersteuning voldoende is gewaarborgd. Naar gelang de mate van beperkingen (kwetsbaarheid) van de cliënt zullen de kwaliteitseisen in het algemeen strenger mogen zijn. • voldoende professionele distantie aanwezig is. Dit kan een belangrijke rol spelen bij het bereiken van het resultaat. Zo kan te veel (emotionele) betrokkenheid van de persoon uit het sociale netwerk een negatief effect hebben op de relatie cliëntondersteuner. De cliënt kan daardoor ook (te) afhankelijk worden van de persoon uit het sociale netwerk.

Kwaliteit: besteding pgb professionele ondersteuner Het kan gaan om een derde die in dienst is bij een professionele organisatie of als ZZP-er werkzaam is. Het college beoordeelt in ieder geval of: • de ondersteuning aansluit aan bij de vastgestelde beperkingen van de cliënt. • de ondersteuner beschikt over een relevante opleiding. De opleidingseis zal verschillen naar gelang de aard van de geïndiceerde ondersteuning. • de ondersteuner beschikt over een Verklaring Omtrent Gedrag (VOG). Deze verklaring mag in principe niet ouder zijn dan drie maanden voorafgaand aan de aanvang van de ondersteuning. • de ondersteuner de omvang/intensiteit van de ondersteuning kan bieden. Deze vraag zal zich voornamelijk voordoen bij ZZP-ers. Die zullen namelijk ook door andere

budgethouders (cliënten) kunnen worden ingehuurd. Denk in dit geval aan de 40-urige werkweek. • de beoogde ondersteuner niet al lang betrokken is bij de budgethouder (cliënt), zijn gezin en/of personen uit het sociaal netwerk. Dat wil zeggen dat het college onderzoek doet naar de vraag of er nog wel sprake is van voldoende professionele distantie om het resultaat te bereiken. Dat kan bijvoorbeeld blijken uit het ontbreken van voortuitgang in het behalen daarvan. Kwaliteitseisen woningaanpassing en hulpmiddel Het spreekt voor zich dat een woningaanpassing moet voldoen aan de vereiste kwaliteitseisen waaronder de veiligheid. Om die reden zal uit bijvoorbeeld een offerte een door het college goed te keuren Programma van Eisen moeten blijken. Woningaanpassingen zullen in dat kader in ieder geval moeten voldoen aan de eisen van het vigerende Bouwbesluit. Daarnaast kan het zijn dat in de bouwvergunning of de afwijking van het bestemmingsplan voorwaarden staan waar de woningaanpassing aan moet voldoen. Aan degene die de woningaanpassing zal gaan uitvoeren mag het college om voornoemde redenen dan ook kwaliteitseisen stellen. Bijvoorbeeld het beschikken over het BouwGarantKeurmerk. De kwaliteitseisen van een hulpmiddel zijn afhankelijk van het soort hulpmiddel en de daarvoor geldende eisen die gelden voor het door het college gecontracteerde aanbod.

11.8.4 Besteding pgb geschikt voor het doel De door de budgethouder in te kopen maatwerkvoorziening moet in redelijkheid geschikt zijn voor het doel waarvoor het pgb wordt verstrekt (art. 2.3.6, derde lid, van de wet). Dat kan blijken uit de noodzaak tot het verstrekken van een maatwerkvoorziening (indicatie in natura). Mede gelet op de bestedingsvrijheid zal dat in ieder geval wel moeten blijken uit het Budgetplan. Daar staat namelijk in waar de bestedingsdoelen (resultaten) van het pgb op zijn gericht. 11.9 Verplichting Budgetplan diensten Artikel 9.3 van de Verordening Als verplichting geldt om een Budgetplan in te dienen, met uitzondering van huishoudelijke ondersteuning. Doen de cliënt dan wel zijn vertegenwoordiger dat niet, dan weigert het college het pgb conform de bepaling in de Verordening. Zie Hoofdstuk 13 Regels misbruik en oneigenlijk gebruik van de wet van deze beleidsregels. 11.10 Besteding pgb algemeen Artikel 9.2, eerste en tweede lid, van de Verordening Voor het pgb geldt een ruime mate van bestedingsvrijheid. Dat wil zeggen dat het pgb mag worden besteed aan een maatwerkvoorziening waarmee het doel/resultaat wordt bereikt. Vooropgesteld dat wordt voldaan aan voorwaarden.

Om doorkruising met de wettelijke systematiek te voorkomen bepaalt de Verordening dat het pgb niet mag worden besteed aan een:  voor de budgethouder als algemeen gebruikelijk te kwalificeren zaak of dienst, en/of  persoon die tot de leefeenheid van de budgethouder behoort en gebruikelijke hulp op zich zou moeten nemen, maar daartoe (tijdelijk) niet in staat is wegens overbelasting of dreigende overbelasting. Daarnaast zijn in de Verordening een aantal kostensoorten uitgezonderd (art. 9.2 derde lid, van de Verordening). Dat wil zeggen dat het pgb daar niet aan mag worden besteed.

Ook geldt dat geen gebruik wordt gemaakt van een zogeheten verantwoordingsvrij bedrag (art. 9.2, vierde lid, van de Verordening). Gemeenten zijn vrij om dat te bepalen. 11.11 Overige weigeringsgronden pgb Er nog twee wettelijke uitsluitingsgronden voor het pgb (art. 2.3.6, vijfde lid, van de wet). Het college is bevoegd daarover een beleidsregel vast te stellen. 1. Duurdere maatwerkvoorziening Het kan voor komen dat de budgethouder een duurdere maatwerkvoorziening wil inkopen terwijl het pgb alleen toereikend is om de geïndiceerde maatwerkvoorziening in te kunnen kopen. In dat geval weigert het college het meerdere van de kosten die daarmee gemoeid zijn (CRVB:2018:2829). Het is dan aan de budgethouder om de meerkosten zelf te betalen. Let wel het college beoordeelt nog steeds of de kwaliteit van de in te kopen (duurdere) maatwerkvoorziening voldoet aan de daaraan te stellen eisen. Als college aanleiding heeft om te twijfelen of de budgethouder de in te kopen maatwerkvoorziening wel kan bekostigen, zal de budgethouder daar desgevraagd bewijsstukken van moeten overleggen. Dit om te voorkomen dat toch een maatwerkvoorziening van onvoldoende kwaliteit wordt ingekocht of de budgethouder een maatwerkvoorziening inkoopt waarmee hij niet gedurende de (gehele) budgetperiode kan voorzien in zijn ondersteuningsbehoefte.

Bijstorten diensten In artikel 2b, zesde lid, van de Uitvoeringsregeling Wmo 2015 is de vrijwillige bijstorting door budgethouders uitgewerkt. Er kan door de budgethouder geld worden bijgestort voor een concrete betaalopdracht om meer of duurdere ondersteuning in te kopen. Als de budgethouder meer (uren) of een duurdere variant wil betrekken dan het toegekende pgb mogelijk maakt, dan kan de Svb betalingen verrichten uit bijgestorte gelden. Het gaat om diensten die zijn omschreven in de overeenkomst op grond waarvan die diensten worden ingekocht. Dit in aanvulling op hetgeen is toegekend op grond van de pgb-beschikking. 2. Pgb-besluit eerder ingetrokken Heeft het college eerder een pgb-besluit ingetrokken, dan komt de cliënt gedurende 12 maanden niet voor een pgb in aanmerking (art. 2.3.6, vijfde lid onderdeel b, van de wet). De termijn gaat in vanaf de datum van het herzienings- of intrekkingsbesluit. Dat wil dus zeggen dat het college een pgb-verzoek kan weigeren zonder te beoordelen of wel wordt voldaan aan de voorwaarden. 11.12 Hoogte pgb In hoofdstuk 9 van de Verordening is bepaald hoe de hoogte van het pgb voor de verschillende soorten maatwerkvoorzieningen wordt vastgesteld. Diensten Voor diensten gelden gedifferentieerde tarieven die afhankelijk zijn van de derde aan wie de budgethouder het pgb wil besteden.

Het kan gaan om: • ondersteuners die in dienst zijn van een professionele organisatie of die werkzaam zijn als ZZP-er; • personen uit het sociaal netwerk; en • personen die niet onder een van de hiervoor genoemde categorieën vallen. Denk bijvoorbeeld aan een student met een bijbaan.

Begripsbepalingen In de Verordening zijn begripsbepalingen opgenomen van een professionele organisatie en een ZZP-er. Dat is van belang omdat de hoogte van het pgb daar op wordt gebaseerd. In principe moet zijn voldaan aan de begripsbepaling om in aanmerking te komen voor het van toepassing zijnde tarief. Sociaal netwerk Voor personen uit het sociaal netwerk geldt volgens de Verordening dat altijd een lager tarief van toepassing is dan het tarief voor ondersteuners in dienst bij een professionele organisatie of een ZZP-er. Gemeenten hebben deze bevoegdheid op grond van artikel 2.3.6, vierde lid, van de wet. Hulpmiddelen De hoogte van het pgb voor hulpmiddelen bedraagt niet meer dan het maximum van de kostprijs waaronder inbegrepen de instandhoudingskosten of andere bijkomende noodzakelijke kosten. Onder de kostprijs wordt de huurprijs verstaan die het college verschuldigd is aan de aanbieder waaronder eventueel bijkomende kosten zoals instandhoudingskosten. Het kan voor komen dat het aangewezen hulpmiddel niet in het assortiment zit van de gecontracteerde partij en dat er door het college geen afspraken zijn gemaakt dat de aanbieder het aangewezen hulpmiddel aanschaft.

In die gevallen zal de hoogte van het pgb worden vastgesteld op basis van de koopprijs die het college verschuldigd is (of zou zijn) aan de aanbieder (al dan niet naar rato in verband met de economische afschrijftermijn), waaronder eventueel bijkomende kosten zoals instandhoudingskosten. Het college kan zelf een offerte opvragen of de offerte wordt door de cliënt wordt overhandigd. Het kan ook om meerdere offertes gaan zodat het college de goedkoopst passende bijdrage kan vaststellen. Hoogte instandhoudingskosten In het Besluit maatschappelijke ondersteuning staat dat het pgb voor instandhoudingskosten kan worden verhoogd met (reële) instandhoudingskosten. Voor liften gelden de bedragen als uitgangspunt. Voor de overige maatwerkvoorziening worden de reële instandhoudingskosten vastgesteld in het individuele toekenningsbesluit. Het spreekt voor zich dat de budgetperiode daarbij een rol speelt.

Woningaanpassing Het spreekt voor zich dat de te realiseren woningaanpassing moet voldoen aan de vereiste kwaliteitseisen waaronder de veiligheid. Om die reden zal uit bijvoorbeeld de offerte een door het college goed te keuren Programma van Eisen moeten blijken. Woningaanpassingen zullen doorgaans ook moeten voldoen aan de eisen van het vigerende Bouwbesluit. Daarnaast kan het zijn dat in de bouwvergunning of afwijking van het bestemmingsplan voorwaarden staan waar de woningaanpassing aan moet voldoen. Overige kosten Daarnaast kan het zijn dat er naast de kosten van de woningaanpassing ook nog andere noodzakelijke kostenposten zijn die het college in aanmerking neemt. Denk bijvoorbeeld aan de kosten van architect of legeskosten. In het Besluit maatschappelijke

ondersteuning staat wanneer het pgb voor een complexe woningaanpassing kan worden verhoogd. Beschermd wonen De Verordening bepaalt dat de hoogte van het pgb toereikend moet zijn om de indicatie voor beschermd wonen in te kunnen kopen bij een door het college goedgekeurde partij. De gemeente Almere ontvangt zowel het budget van het Rijk en beslist ook op de aanvraag om beschermd wonen. Dat geldt ook als de cliënt de indicatie in de vorm van een pgb wenst te ontvangen. Omdat het bij beschermd wonen gaat om een kwetsbare doelgroep kan het college kort na het toekenningsbesluit een tussentijds onderzoek doen om te beoordelen om het pgb daadwerkelijk wordt besteed waarvoor het is verstrekt. Dit ter bescherming van de budgethouder. 11.13 Verlenging indicatie Bij een verzoek om verlenging is feitelijk sprake van een nieuwe ondersteuningsvraag en een daaropvolgende nieuwe aanvraag. Het college beoordeelt bij een verzoek om verlenging van de indicatie in de vorm van een pgb ook of tijdens de voorafgaande indicatie de doelen (voldoende) zijn behaald. Wanneer dat niet het geval is én daar wordt geen afdoende verklaring voor gegeven, dan kan het college het pgb weigeren en een maatwerkvoorziening in natura inzetten. Lichte toetsing Na afloop van de indicatie kan de cliënt zich opnieuw melden bij het college met het oog op een verlenging van de indicatie voor ondersteuning.

Wanneer het college vaststelt dat de cliënt is aangewezen op een maatwerkvoorziening, dan kan de cliënt ook weer een verzoek doen om een pgb. Hebben zich in de voorafgaande periode van pgb-verlening geen onregelmatigheden voorgedaan en heeft het college ook anderszins geen reden om te twijfelen of (nog) wordt voldaan aan de voorwaarden (wet en verordening), dan kan het onredelijk zijn om met de cliënt de intensieve beoordeling van voorwaarden opnieuw te doorlopen. In voorkomende gevallen betekent dit dat het college slechts een lichte toetsing toepast. Wel geldt onverkort dat (opnieuw) een Budgetplan (bij diensten) moet worden opgesteld, behalve voor huishoudelijke ondersteuning. 11.14 Pgb en verblijf buiten Noordoostpolder of in het buitenland Het college verstrekt een maatwerkvoorziening aan cliënten die feitelijk hun hoofdverblijf in de gemeente hebben. Verder bepaalt de Verordening dat de cliënt die een hulpmiddel meeneemt naar het buitenland verantwoordelijk is een afdoende verzekering af te sluiten tegen verlies, schade of diefstal (art. 4.3, derde lid, van de Verordening). Voor diensten betekent dit in de praktijk dat het verstrekte pgb in principe niet mag worden besteed in het geval de cliënt buiten de gemeente of in het buitenland verblijft. Denk bijvoorbeeld aan vakantie.

Voor huishoudelijke ondersteuning geldt immers dat het bestemd is voor de woning waar de cliënt woonachtig is. Van de cliënt wordt daarom ook verwacht dat hij een vakantie- of verblijfslocatie kiest waar hij geen huishoudelijke ondersteuning nodig heeft. Voor begeleiding ligt dat anders. Termijn verblijf buiten de gemeente op aanvraag Volgens het Besluit maatschappelijke ondersteuning is het toegestaan om een toegekend pgb voor ondersteuning in de vorm van begeleiding gedurende maximaal 13 weken per kalenderjaar te besteden buiten Noordoostpolder, mits de noodzaak van die ondersteuning niet (enkel) voortvloeit uit het verblijf buiten Noordoostpolder. Het zal in

de praktijk gaan om situaties waarbij degene aan wie het pgb wordt besteed de ondersteuning ook daadwerkelijk buiten de gemeente biedt. Termijn verblijf buitenland op aanvraag Volgens het Besluit maatschappelijke ondersteuning is het toegestaan om een toegekend pgb voor ondersteuning in de vorm van begeleiding gedurende maximaal zes weken per kalenderjaar te besteden in het buitenland, mits de noodzaak van die ondersteuning niet (enkel) voortvloeit uit het verblijf in het buitenland. Ook bij verblijf in het buitenland zal het in de praktijk gaan om situaties waarbij degene aan wie het pgb wordt besteed de ondersteuning ook daadwerkelijk in het buitenland biedt. Het college kan de termijn van zes weken op aanvraag verlengen als bijzondere omstandigheden daartoe aanleiding geven. Daar zal in de praktijk zelden sprake van zijn.

Hoofdstuk 12 Financiële maatwerkvoorziening Artikel 5.3 van de Verordening Besluit maatschappelijke ondersteuning 12.1 Inleiding Uit de uitspraken van de Centrale Raad van Beroep blijkt dat de wet ruimte biedt om een maatwerkvoorziening in de vorm van een financiële tegemoetkoming te verstrekken (CRVB:2018:395 en 396). Uitvoeringspraktijk Het gaat in de praktijk om situaties waarin het college geen (volledige) maatwerkvoorziening in natura verstrekt (hoeft te verstrekken) of kan verstrekken omdat dit in de uitvoering niet mogelijk is. Een cliënt zal in het algemeen niet zijn aangewezen op een bruikleenauto op grond van de wet. Maar de cliënt kan wel zijn aangewezen op het vervoer met zijn eigen auto en daarvoor is brandstof nodig, die het college niet in natura zal kunnen verstrekken. De tegemoetkoming kan op basis van declaratie rechtstreeks aan de cliënt worden uitbetaald. 12.2 Vervoer Kosten gebruik eigen auto De cliënt die in het bezit is van een eigen auto en geen gebruik kan maken van de Regiotaxi kan in aanmerking komen voor een financiële maatwerkvoorziening als tegemoetkoming in de kosten. Het gaat om de cliënt die eigenaar is én bestuurder van de auto of waarvan de partner bestuurder is. Heeft de cliënt geen eigen auto, dan is het mogelijk om een financiële tegemoetkoming te verstrekken die de cliënt betaalt aan iemand die het vervoer biedt.

Lokale en samenvallende vervoersbehoefte De hoogte van de tegemoetkoming is afhankelijk van de noodzakelijke lokale vervoersbehoefte van de cliënt. Daarnaast spreekt het voor zich dat de samenvallende vervoersbehoefte van echtgenoten of daarmee gelijkgestelden een rol speelt. Dat wil zeggen dat de hoogte van de tegemoetkoming daar op wordt afgestemd. Individueel (rolstoel)taxi vervoer Ook de kosten van individueel (rolstoel)taxi vervoer kunnen in aanmerking komen voor een tegemoetkoming.

12.3 Kosten verhuis- en inrichting De cliënt op wie het primaat van verhuizing van toepassing is, kan in aanmerking komen voor een tegemoetkoming in de kosten van het verhuizen. Deze tegemoetkoming wordt in principe pas uitbetaald als de cliënt feitelijk is verhuisd naar een door het college geschikt bevonden woning. Als de cliënt echter een huurcontract overlegt, dan kan het college eerder overgaan tot uitbetaling. Wel moet duidelijk zijn dat het om een geschikte woning gaat. De hoogte van de tegemoetkoming is in principe gemaximeerd (zie Besluit maatschappelijke ondersteuning). Binnen een medisch gezien aanvaardbare termijn, maar uiterlijk binnen 15 maanden nadat de tegemoetkoming in verhuis- en herinrichtingskosten is toegekend dient de belanghebbende verhuisd te zijn naar een adequate woning. Belanghebbende stuurt een gereedmeldingsformulier naar het college toe om aan te tonen dat men verhuisd is naar een voor hen adequate woning, overeenkomstig het advies. Hierna kan worden overgegaan tot uitbetaling. Eerste verhuizing algemeen gebruikelijk De tegemoetkoming in de verhuis- en inrichtingskosten is niet bestemd voor inwonende personen die niet de (mede)huurder of (mede)eigenaar van de woning zijn. Denk bijvoorbeeld aan inwonende kinderen.

In het algemeen is het zo dat iedereen, ongeacht het hebben van beperkingen, geconfronteerd wordt met de kosten van een eerste verhuizing. Het gaat daarom om algemeen gebruikelijke kosten. 12.4 Kosten saneren woning De cliënt kan in aanmerking komen voor tegemoetkoming in de kosten van een woningsanering die als gevolg van allergie, astma of chronische bronchitis (CARA of COPD) noodzakelijk is. Sanering is slechts mogelijk als daarvoor een medische noodzaak is gesteld waar ook de noodzakelijke vervanging van bijvoorbeeld vloerbedekking of gordijnen uit blijkt. Verder zal de cliënt in zo’n geval gebruik maken van de adviezen van een gespecialiseerde CARA-verpleegkundige. Ook kan het college om advies vragen aan deze verpleegkundige. Ook geldt dat als de cliënt bekend was met zijn aandoening maar toch is overgegaan tot de aanschaf van bijvoorbeeld vloerbedekking die allergene reacties oproept, dan is er sprake van voorzienbaarheid gelet op de keuzes van de cliënt. De gevolgen daarvan kunnen niet op het college worden afgewend. Afschrijvingsprincipe Een tegemoetkoming wordt alleen wordt verstrekt als de te vervangen stoffering of raamdecoratie nog niet is afgeschreven. Het college zoekt daarvoor aansluiting bij de afschrijvingsprincipes die door het Nibud worden gehanteerd.

12.5 Kosten overig Omdat de wet uitgaat van maatwerk kan niet worden uitgesloten dat ook andere kosten in aanmerking kunnen komen voor een financiële maatwerkvoorziening. Het kan bijvoorbeeld zijn dat de cliënt stroomkosten heeft die enkel en alleen het gevolg zijn van het gebruik van een maatwerkvoorziening (CRVB:2017:2777). Er zijn meer voorbeelden denkbaar. 12.6 Geen dubbele vergoeding Het is vanzelfsprekend niet de bedoeling dat het college dubbele tegemoetkomingen verstrekt. Daar kan geen limitatief aantal van worden gegeven. Twee voorbeelden. Een verhuiskostenvergoeding van de verhuurder op grond van artikel 220 en 275 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek en de daarbij behorende Regeling minimumbijdrage verhuisen inrichtingskosten bij renovatie en de leefvervoersvoorziening op grond van de Wet

Werk en Inkomen naar Arbeidsvermogen (WIA). Dat wil zeggen dat geen tegemoetkoming wordt verstrekt of dat het college de hoogte van de tegemoetkoming afstemt. Dat laatste gelet op het aanvullende karakter van de wet. Het zal in de praktijk niet vaak voor komen dat er verschillende aanspraken (kunnen) zijn.

Hoofdstuk 13 Regels misbruik en oneigenlijk gebruik van de wet Hoofdstuk 12 van de Verordening 13.1 Inleiding De wet schrijft voor dat in de Verordening regels moeten staan om misbruik en oneigenlijk gebruik van de wet te voorkomen (hoofdstuk 12 van de Verordening). Dat wil zeggen dat het college bevoegd is controles uit te voeren die betrekking hebben op de naleving van: de regels uit de wet, de regels uit de Verordening en de voorwaarden die voortvloeien uit overeenkomsten met aanbieders. Het gaat om controles op de rechtmatigheid als ook op de kwaliteit van de maatschappelijke ondersteuning en/of ondersteuning door derden in geval van een pgb. Daarvoor hoeft het college geen specifieke aanleiding te hebben; de controles kunnen bijvoorbeeld thematisch worden uitgevoerd. De controles kunnen zowel door het college als ook de toezichthoudende ambtenaar worden uitgevoerd. Op het college rust een voorlichtingsplicht om de cliënt tijdens het onderzoek te informeren over de rechten en plichten die aan het ontvangen van een maatwerkvoorziening (in natura of in de vorm van een pgb) zijn verbonden en over de consequenties van misbruik en oneigenlijk gebruik van de wet (fraudepreventie). De verantwoordelijkheid voor de naleving van de verplichtingen omtrent het pgb, evenals de gevolgen bij niet-naleving daarvan, rusten in de eerste plaats bij de budgethouder.

Om te zorgen dat een pgb ook daadwerkelijk wordt besteed waarvoor het is verstrekt kan het college of de toezichthoudende ambtenaar de budgethouder maar ook de derde aan wie het pgb wordt besteed, vragen daar verantwoording over af te leggen. Denk bijvoorbeeld aan de wel of niet uitgevoerde activiteiten met het oog op het te behalen resultaat. Daar kan aanleiding voor zijn als het college daar twijfels over heeft. Onder de derde wordt tevens een aan die derde gelieerde (rechts)persoon verstaan. 13.2 Onderzoeksbevoegdheid college Het college is op grond van artikel 12.1 van de Verordening bevoegd om onderzoeken in te stellen die betrekking hebben op de naleving van regels uit de wet, de Verordening en de voorwaarden die voortvloeien uit overeenkomsten met aanbieders. Deze onderzoeken hebben betrekking op zowel de rechtmatigheid als de kwaliteit van de geboden ondersteuning. Het kan dan bijvoorbeeld gaan om de beoordeling van de inhoudelijke activiteiten met bijbehorende resultaatafspraken. De aanbieder, budgethouder en/of de derde aan wie het pgb wordt besteed zijn desgevraagd verplicht om hun medewerking te verlenen aan de verantwoording hierover (art. 12.3 van de Verordening). Afhankelijk van de uitkomsten van zo’n onderzoek (controle), kan het college daar vanzelfsprekend gevolgen aan verbinden.

13.3 Weigering pgb Artikel 12.5, eerste lid aanhef en onder a, van de Verordening Er kunnen zich situaties voordoen waarin het college tot het oordeel komt dat er sprake is van een belangenstrengeling tussen de budgethouder en de derde aan wie het pgb wordt besteed. Dat is het geval als die derde ook degene is die de budgethouder helpt om de aan het pgb verbonden taken op een verantwoorde manier uit te voeren. Daarmee

kunnen de aan het pgb verbonden taken door die derde beïnvloed worden. Wanneer de derde beroepshalve maatschappelijke ondersteuning biedt, dan gaat het college daarvan uit. De invloed van de derde op het zogeheten pgb-beheer is niet in lijn met het doel van het pgb en kan oneigenlijk gebruik van de wet in hand werken. Immers deze derde (in ieder geval een ZZP-er of ondersteuner in dienst bij een professionele organisatie) kan niet twee belangen dienen (CRVB:2019:2803, RBGEL:2018:3911). Denk ook aan de situatie waarin de professionele organisatie in een bijvoorbeeld een andere BV. activiteiten heeft ondergebracht gericht op bemiddeling. Het kan ook gaan om medewerkers die bij deze derde in dienst zijn of op een andere wijze aan de derde zijn verbonden (CRVB:2019:2803). In het geval de derde een persoon is uit het sociaal netwerk (niet beroepshalve werkzaam) kan ook sprake zijn van een belangenverstrengeling. Maar deze personen zullen gelet op hun betrokkenheid bij de cliënt voornamelijk diens belang dienen. Bij de beoordeling van de wettelijke voorwaarden onderzoekt het college of hier sprake van kan zijn (art. 2.3.6, tweede lid, van de wet). Artikel 12.5, eerste lid aanhef en onder b, van de verordening Het spreekt voor zich dat het college het ingevulde Budgetplan met de cliënt (budgethouder) wenst te bespreken. Dat is niet vrijblijvend.

Wordt er geen Budgetplan ingediend, dan wordt het pgb in principe geweigerd. Dat geldt ook als de budgethouder of diens vertegenwoordiger een bespreking daarover weigert of zonder tegenbericht niet verschijnt op een uitnodiging van het college. Het college zal de budgethouder dan wel diens vertegenwoordiger in ieder geval twee keer uitnodigen om een Budgetplan in te dienen dan wel het ingediende Budgetplan te bespreken. Artikel 12.5, tweede lid, van de Verordening Gewaarborgde hulp De budgethouder (cliënt) kan afhankelijk zijn van gewaarborgde hulp. Dat wil zeggen hulp van een andere persoon ter compensatie van het gebrek aan capaciteiten of bekwaamheden om zelf de regie te voeren over de aan het pgb verbonden taken. Uit onderzoek moet blijken dat dergelijke hulp gewaarborgd is. Dat wil zeggen dat deze persoon moet kunnen instaan voor de nakoming van de aan het pgb verbonden verplichtingen zoals: • de keuze van de ondersteuner, • de kwaliteit en het behalen van het resultaat van de ondersteuning, en • de financiële verantwoording rondom het pgb. Deze persoon zal moeten verklaren inhoudelijke verantwoordelijkheid te willen dragen voor het nakomen van de pgb-verplichtingen.

Niet ingestaan voor nakomen verplichtingen Als de derde aan wie de budgethouder het pgb wenst te besteden eerder niet heeft ingestaan voor het nakomen van de pgb-verplichtingen, zal het college het pgb in principe weigeren. Denk bijvoorbeeld aan: • onjuiste declaraties of onregelmatigheden daarin, • de situatie dat eerder is gebleken dat geen of niet voldoende kwalitatieve ondersteuning is ingekocht. Er zijn meer voorbeelden denkbaar. Artikel 12.5, derde lid, van de Verordening Het staat de budgethouder, die voldoet aan de voorwaarden, vrij om het pgb te besteden aan een derde. Ook kan de budgethouder besluiten om een andere derde in te

schakelen, mits wederom wordt voldaan aan de voorwaarden. Daarnaast kan het voor komen dat de omstandigheden wijzigingen en het college aanleiding heeft om de ondersteuningsbehoefte gewijzigd vast te stellen of het recht op het pgb in te trekken. Daarom is in de Verordening bepaald dat een overeenkomst met een derde waarin ook huurbepalingen van de woonruimte zijn opgenomen, in principe niet is toegestaan. Dit voorkomt dat de budgethouder (cliënt) zonder woonruimte komt te zitten als hij het pgb niet meer besteed aan de derde met wie hij de overeenkomst voor ondersteuning én woonruimte is aangegaan. De cliënt geniet dan namelijk geen huurbescherming. 13.4 Opschorten betaling pgb en opschorting inzet maatwerkvoorziening Om misbruik of oneigenlijk gebruik van de wet te voorkomen zal het college niet in alle gevallen direct over kunnen (of willen) gaan tot het herzien of intrekken van het toekenningsbesluit. Opschorting betaling pgb algemeen Een opschorting van de pgb-betaling is een beter instrument om ruimte te bieden voor herstelmaatregelen of nader onderzoek. Opschorting van de pgb-betaling is een bevoegdheid, waarvoor het college een gegrond vermoeden moet hebben. Daarnaast brengt gebruikmaking van de bevoegdheid een belangenafweging met zich mee.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://raad.noordoostpolder.nl/api/v1/meetings/1758/documents/25285