CConstaterende datNoordoostpolder
Koppel je AI →
Document · PDF

D12 02 Beleidsregels Maatschappelijke ondersteuning 201208.pdf

Gemeenteraad 25 januari 2021, gemeente NoordoostpolderBij agendapunt: 4: Lijst ingekomen stukken44.936 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 5

Zie verder onder het kopje ‘de aard van de relatie van de persoon binnen de leefeenheid met de cliënt’ van deze beleidsregels. De omvang Ook de omvang van de ondersteuningsbehoefte kan divers van aard zijn. Die zal eerst geïnventariseerd moeten worden, voordat kan worden beoordeeld of er sprake kan zijn van gebruikelijke hulp (CRVB:2018:373). De vraag of het gaat om uitstelbare of nietuitstelbare ondersteuning is daarbij ook van belang. De cliënt kan bijvoorbeeld

aangewezen zijn op ondersteuning bij het vervoer of de administratie of aansporing nodig hebben bij zelfzorg. De omvang van de ondersteuning kan onder de normale routine van de leefeenheid vallen. Denk bijvoorbeeld aan het uitzoeken en klaarleggen van kleding, het gezamenlijk eten, samen er op uit, et cetera. In die gevallen zal de hulp al snel als gebruikelijke hulp kunnen worden aangemerkt. Ook kan de cliënt zijn aangewezen op permanent toezicht hetgeen zware eisen zal stellen aan de persoon die dat toezicht biedt. Permanent toezicht of 24 uurs ondersteuning in de nabijheid valt niet onder gebruikelijke hulp. De vraag is dan of deze persoon nog in staat is om daarnaast gebruikelijke hulp te bieden, zoals het uitvoeren van huishoudelijke taken. De totale omvang (en aard) van de ondersteuningsbehoefte kan met zich meebrengen dat voor het uitvoeren van een deel van de taken of activiteiten niet meer van gebruikelijke hulp kan worden gesproken. Dat deel wordt als boven-gebruikelijk aangemerkt. Zijn er geen andere oplossingen beschikbaar, dan kan het college een maatwerkvoorziening verstrekken. Kortdurende of een langdurige ondersteuningsbehoefte Afhankelijk van de aard van de beperking kan er een kortdurende of een langdurige ondersteuningsbehoefte bestaan bij de cliënt.

Bij een kortdurende ondersteuningsbehoefte is er uitzicht op herstel in de mate van de zelfredzaamheid van de cliënt. In het algemeen geldt hiervoor een periode van drie maanden. Bij langdurig gaat het om een situatie waarbij de ondersteuningsbehoefte naar verwachting langer dan drie maanden aanwezig zal zijn. Het kan gaan om hulp bij of het overnemen van activiteiten of taken die naar algemene aanvaardbare opvattingen tot de (persoonlijke) levenssfeer behoort en dat om die reden geacht wordt onderling aan elkaar te worden geboden. Legen en reinigen toiletemmer Is er geen noodzaak voor het verstrekken van een tweede toilet op de eerste verdieping, dan kan worden volstaan met losse toiletstoel. Ook als de cliënt daar echter geen gebruik van wenst te maken, dan mag van een partner/echtgenoot en/of inwonende meerderjarige kinderen toch worden verwacht dat zij het legen en reinigen van de toiletemmer als gebruikelijke hulp verrichtten (CRVB:2019:1334). Dat is natuurlijk anders als wordt vastgesteld dat zij niet in staat zijn om dat te doen. Ad. 2. De aard van de relatie van de persoon binnen de leefeenheid met de cliënt Als algemeen uitgangspunt geldt dat huisgenoten elkaar onderling gebruikelijke hulp bieden. Immers huisgenoten binnen de leefeenheid voeren een huishouden met elkaar. Dat maakt hen ook verantwoordelijk voor het functioneren van het huishouden.

Het college moet wel rekening houden met de aard van de relatie die de persoon binnen de leefeenheid heeft met de cliënt. Dat betekent dat er onderscheid kan bestaan tussen wat van echtgenoten/partners ten opzichte van elkaar als gebruikelijke hulp kan worden aangemerkt, tussen kinderen ten opzichte van hun ouders en huisgenoten die bijvoorbeeld geen bloedverwantschap hebben met de cliënt. Algemene aanvaardbare opvattingen in de persoonlijke levenssfeer Het college houdt wel rekening met hulp bij of het overnemen van activiteiten of taken die naar algemene aanvaardbare opvattingen onderling aan elkaar geacht wordt geboden te worden. Voorbeelden zijn hulp: • bij een bezoek aan de familie, vrienden, huisarts, et cetera. Denk ook aan het vervoer;

• bij of het overnemen van taken die tot een huishouden behoren zoals de thuisadministratie; • aan derden, die behoren tot de omgeving van de cliënt, in het omgaan met de beperkingen van de cliënt. Denk aan familie, vrienden, leerkracht, etc.; • van ouders aan kinderen, waaronder ook toezicht, bij activiteiten zoals zwemmen of andere activiteiten die kinderen normaal gesproken doen en waar zij door hun ouders bij begeleid worden. Verwezen wordt naar Bijlage 4 Richtlijn gebruikelijke hulp van ouder(s) voor minderjarige kinderenRichtlijn gebruikelijke hulp van ouder(s) voor minderjarige kinderen bij deze beleidsregels. Echtgenoten/partners Als uitgangspunt geldt dat van echtgenoten/partners ten opzichte van elkaar in ieder geval meer wordt verwacht in het kader van gebruikelijke hulp dan van kinderen ten opzichte van hun ouders. Dat heeft te maken met wat gebruikelijk is volgens algemene aanvaardbare opvattingen; de onderhoudsplicht. Zo wordt het normaal geacht dat de ene partner de ander aanspoort tot bijvoorbeeld zelfzorg. Kinderen en ouders Het algemene principe van de verantwoordelijkheid voor de leefeenheid geldt ook voor de hulp of ondersteuning van kinderen aan hun ouders. Voor kinderen ten opzichte van hun ouders kan dat voor begeleiding anders liggen.

Het hoeft niet in alle gevallen zo te zijn dat het volgens algemene aanvaardbare opvattingen gebruikelijk is dat kinderen hun ouder(s) begeleiding bieden. Daarbij kan de mate en aard van de beperkingen in combinatie met de noodzakelijke aansporing tot bijvoorbeeld zelfzorg bepalend zijn. Huisgenoten ten opzichte van elkaar Het algemene principe van de verantwoordelijkheid voor de leefeenheid geldt ook voor de hulp of ondersteuning van huisgenoten ten opzichte van elkaar. Gelet op aard van de relatie (bijvoorbeeld niet familierechtelijk) kan het zijn dat het volgens algemene aanvaardbare opvattingen niet gebruikelijk is dat ene huisgenoot de ander aanspoort tot zelfzorg. Daarbij kan de mate en aard van de beperkingen in combinatie met de noodzakelijke aansporing tot bijvoorbeeld zelfzorg bepalend zijn. Ouders en kinderen Ouders hebben een plicht en het recht om hun minderjarig kind te verzorgen, op te voeden en te onderhouden (art. 1:247 en 1:395a van het Burgerlijk Wetboek). Onder verzorging en opvoeding worden mede verstaan de zorg en de verantwoordelijkheid voor het geestelijk en lichamelijk welzijn en de veiligheid van het kind alsmede het bevorderen van de ontwikkeling van zijn persoonlijkheid.

De zorgplicht van ouder(s) strekt zich in ieder geval uit over: verzorging, begeleiding en opvoeding die de ouder(s) normaal gesproken geeft aan het kind, waaronder ook de ‘zorg’ bij kortdurende ziekte met uitzicht op herstel. Bij uitval van één van de ouders neemt de andere ouder de gebruikelijke hulp voor de kinderen over. Zie voor opvang van kinderen hoofdstuk 0 van deze beleidsregels. Verwezen wordt ook naar Bijlage 4 Richtlijn gebruikelijke hulp van ouder(s) voor minderjarige kinderen Richtlijn gebruikelijke hulp van ouder(s) voor minderjarige kinderen bij deze beleidsregels. Thuisadministratie Voor begeleiding bij of het overnemen van de thuisadministratie geldt dat het binnen de algemeen aanvaarde opvattingen valt dat partners de thuisadministratie van elkaar

overnemen als een van hen dat niet (meer) kan (bijv. RBDHA:2018:10620 en RBZWB:2017:6072). Onder het doen van de thuisadministratie valt in ieder geval de postverzorging, de betaling van rekeningen en dergelijke. Het kan ook zijn dat de huisgenoot en de cliënt dat gezamenlijk doen. In die situatie biedt de huisgenoot ondersteuning bij de thuisadministratie. Ook van ouder(s) wordt verwacht dat zij de thuisadministratie van een inwonend meerderjarig kind overnemen. Bij inwonende kinderen tot 23 jaar kan een uitzondering gelden voor het overnemen van de thuisadministratie van hun (alleenstaande) ouder. Het bieden van gebruikelijke hulp bij de thuisadministratie moet overigens niet verward worden met personen die niet (meer) in staat zijn om financiële beslissingen te nemen en daardoor in de problemen komen. Op die grond kan de Kantonrechter bewindvoering uitspreken omdat ‘derden’ misbruik zouden kunnen maken van de situatie van de cliënt. Begeleiding gericht op zelfzorg Onder zelfzorg worden algemene dagelijkse levensverrichtingen (adl) verstaan zoals: lichaamsreiniging, zich kleden, eten en drinken, medicijnen innemen, etc. Van echtgenoten/partners mag bij een kortdurende ondersteuningsbehoefte in ieder geval worden verwacht dat de een de ander aanspoort tot het uitvoeren van deze adlactiviteiten in het kader van gebruikelijke hulp.

Onder aansporen wordt het aanmoedigen verstaan om een activiteit uit te voeren. Dat wil zeggen het helpen herinneren opdat de cliënt zich bijvoorbeeld gaat douchen of aankleden. Onder aansporen in het kader van gebruikelijke hulp valt niet het structureel (voortdurend) moeten activeren van de cliënt. Bij een langdurige ondersteuningsbehoefte van de cliënt wordt gebruikelijke hulp van de echtgenoot/partner verwacht voor zover het activiteiten betreft die hen gezamenlijk aangaan, zoals het eten en drinken. Bij andere adl-activiteiten overlegt het college met de cliënt en zijn partner/echtgenoot wat redelijk is (vergelijk CRVB:2018:3243). Dat uitgangspunt geldt ook voor ouders voor hun meerderjarige inwonende kinderen. Van inwonende meerderjarige kinderen wordt in principe niet verwacht dat zij hun ouder(s) aansporen tot zelfzorg. Begeleiding bij het doen van aankopen Van de echtgenoot/partner ten opzichte van elkaar wordt verwacht dat zij elkaar ondersteuning bieden bij het doen van aankopen. Onder gebruikelijke hulp valt dan ook het overnemen van deze activiteiten voor zover een van hen daartoe niet meer in staat is. Denk bijvoorbeeld aan: kleding kopen, vakantie boeken, boodschappen doen of andere normale aankopen.

Daarmee is overigens nadrukkelijk niet uitgesloten dat van meerderjarige inwonende kinderen niet ook mag worden verwacht dat zij hun ouder(s) incidenteel begeleiding bieden bij bijvoorbeeld het boodschappen doen. Datzelfde geldt ook voor ouders voor hun meerderjarige inwonende kinderen. Begeleiding bij structureren van de dag/week Van echtgenoten/partners ten opzichte van elkaar wordt verwacht dat zij elkaar ondersteuning bieden bij activiteiten die hen ook gezamenlijk kunnen aangaan. Dat kan door het maken en bespreken van een dag-of weekplanning. Daarin staat de volgorde waarin activiteiten plaats vinden en de dag of het dagdeel waarin de activiteit zal worden gedaan. Denk bijvoorbeeld aan: • Bezoek aan de huisarts, tandarts, specialist, • Regelen van dagelijkse zaken zoals: de hond uitlaten, postverwerking, e.d., • Bezoek aan familie, • Deelname aan geïndiceerde groepsondersteuning (brengen en/of opgehaald worden).

Er zijn meer voorbeelden denkbaar. Dergelijke activiteiten kunnen onder meer betrekking hebben op het sociaal functioneren van de cliënt en het aanbrengen van structuur in de thuissituatie. In geval van ouders en hun meerderjarige kinderen overlegt het college met de cliënt en zijn ouders wat redelijk is (vergelijk CRVB:2018:3243). Begeleiding bij participatie Onder participatie wordt onder meer verstaan: bezoek aan de familie, vrienden, kerk of moskee, huisarts/ziekenhuis, winkelen, deelname maatschappelijke activiteiten, etc. Daaronder wordt ook het vervoer verstaan, het gaat immers om (incidentele) verplaatsingen die in het algemeen gepland kunnen worden. Daar kunnen huisgenoten onderling afspraken over maken. Onder vervoer kan ook begeleiding bij gebruikmaking van het Openbaar Vervoer worden verstaan. Zoals gezegd geldt in het algemeen dat van echtgenoten/partners ten opzichte van elkaar meer wordt verwacht dan van inwonende kinderen voor hun ouders. Dat wil zeggen dat van een inwonend meerderjarig kind wel mag worden verwacht dat het incidentele vervoer of begeleiding bij het vervoer aan de cliënt (zijn ouder) wordt geboden. Denk bijvoorbeeld aan een bezoek aan de huisarts of vrienden/familie. Het is dan ook niet ongebruikelijk als daarvoor een vrije dag van het werk moet worden genomen.

Individuele vervoersbehoefte, geen gebruikelijke hulp De cliënt kan ook een individuele lokale vervoersbehoefte hebben en om die reden niet voor alle ondersteuning afhankelijk kan (mag) zijn van zijn huisgenoten in het kader van gebruikelijke hulp. In die gevallen kan het verstrekken van een vervoersvoorziening of tegemoetkoming in de kosten voor het gebruik van eigen auto aan de cliënt zijn aangewezen. Ad. 3. De leeftijd en de ontwikkelingsfase van inwonende kinderen Als de cliënt thuiswonende kinderen heeft, dan gaat het college er in beginsel van uit dat de kinderen, afhankelijk van hun leeftijd en de ontwikkelingsfase, een bijdrage kunnen leveren aan het overnemen van huishoudelijke werkzaamheden. Dat sluit aan bij het algemene uitgangspunt van gebruikelijke hulp. Zie verder Bijlage 1 Normtijden huishoudelijke ondersteuning bij de beleidsregels. Ad. 4. De leerbaarheid van de cliënt en/of de personen van wie gebruikelijke hulp kan worden gevergd Het kan voor komen dat er (tijdelijk) geen gebruikelijke hulp kan worden gevergd. Een reden kan zijn dat de huisgenoot niet weet op welke manier zij gebruikelijke hulp kan of moet verlenen, maar dat wel kan aanleren. Denk bijvoorbeeld aan situaties waarin men wordt geconfronteerd met een ondersteuningsbehoefte van de cliënt door niet eerder aanwezige beperkingen zoals een niet aangeboren hersenletsel (NAH) of (beginnende) dementie.

Of een huisgenoot die bijvoorbeeld nooit heeft geleerd huishoudelijke werkzaamheden uit te voeren, maar wel leerbaar is. Het college kan dan tijdelijk een maatwerkvoorziening inzetten om de gebruikelijke hulp aan te leren. Redenen als 'niet gewend zijn om’ of ‘geen huishoudelijke werk willen en/of kunnen verrichten' leiden niet tot een indicatie voor het overnemen van huishoudelijke taken. Geen gebruikelijke hulp verlangen Voor zover een partner, ouder, volwassen kind en/of elke andere volwassen huisgenoot geobjectiveerde beperkingen heeft en/of kennis dan wel vaardigheden mist om

gebruikelijke hulp aan de cliënt te bieden en deze vaardigheden niet kunnen worden aangeleerd wordt van hen geen gebruikelijke hulp verwacht. 4.5 Uitzonderingen op het bieden van gebruikelijke hulp In de volgende situaties gaat het college er in principe van uit dat de huisgenoot (tijdelijk) geen gebruikelijke hulp biedt of kan bieden:  de cliënt heeft een zeer korte levensverwachting;  de huisgenoot is overbelast of dreigt dat te geraken;  de huisgenoot heeft beperkingen en/of mist de kennis/vaardigheden om gebruikelijke hulp uit te voeren en kan deze vaardigheden niet aanleren;  de huisgenoot is voor aaneengesloten periode(n) niet aanwezig vanwege activiteiten elders met een verplichtend karakter; of  er is naar het oordeel van het college sprake van bijzondere omstandigheden. Hieronder kan bijvoorbeeld een stapeling van ondersteunings- en/of zorgtaken worden verstaan. In voorkomende gevallen kan het college ook al dan niet tijdelijk een maatwerkvoorziening verstrekken zodat de cliënt en zijn huisgenoot in de gelegenheid worden gesteld een oplossing te vinden. Denk bijvoorbeeld aan kinderopvang. 4.6 Boven-gebruikelijke hulp Verder kan het zijn dat de naar algemene aanvaardbare opvattingen gebruikelijk hulp substantieel wordt overschreden.

Denk aan de situatie van een langdurige ondersteuningsbehoefte in combinatie met het uitvoeren van huishoudelijke werkzaamheden en/of het bieden van noodzakelijke begeleiding. Ook kan de zorg van ouders voor kinderen boven-gebruikelijk zijn. In vergelijking tot gezonde kinderen met een normaal ontwikkelingsprofiel kan deze zorg substantieel worden overschreden. In voorkomende gevallen kan een maatwerkvoorziening zijn aangewezen, tenzij (bij kinderen) aanspraak bestaat op begeleiding of persoonlijke verzorging op grond van de Jeugdwet. 4.7 De verhouding tussen de draaglast en de draagkracht De vraag is of in individuele situaties van een uitzondering sprake is op grond waarvan toch taken of activiteiten in het kader van gebruikelijke hulp moeten worden overgenomen. Eén van de redenen daarvoor kan zijn dat degenen van wie wordt verwacht dat zij gebruikelijke hulp bieden, overbelast zijn (geraakt) en niet meer in staat is dat te doen. Steeds moet duidelijk zijn hoe de overbelasting zich uit en wat deze inhoudt. De met de overbelasting gepaard gaande klachten moeten duidelijk beschreven worden. In voorkomende gevallen kan het opnemen van contact met de huisarts over de ouder, partner of huisgenoot helpen om daarover een oordeel te vormen. Verwezen wordt naar Bijlage 3 Onderzoek naar (dreigende) overbelasting Onderzoek naar (dreigende) overbelasting van deze beleidsregels.

Omvang planbare en onplanbare hulp Soms is het duidelijk dat de ouder, partner of huisgenoot overbelast is, maar soms ook niet. Niet alleen de omvang van de planbare hulp, maar ook de mate van de noodzaak tot het continu aanwezig zijn om onplanbare hulp te bieden is van invloed op de belastbaarheid van de degene die geacht wordt gebruikelijke hulp te verlenen. Met andere woorden: het uitvoeren van enkele taken op vooraf afgesproken momenten is vaak minder belastend dan het uitvoeren van dezelfde taken waarbij continue aanwezigheid en alertheid gevraagd wordt van degene die geacht wordt gebruikelijke

hulp te verlenen. Het college zal bij de beoordeling over (dreigende) overbelasting ook rekening moeten houden met de gebruikelijke zorg in het kader van verpleging en verzorging op grond van de Zorgverzekeringswet (Zvw) of Jeugdwet. Het kan dus zijn dat deze zorg of hulp wordt verleend zonder dat aanspraak wordt gedaan op de betreffende wet. Dreigende overbelasting Wordt een beroep gedaan op (dreigende) overbelasting van de huisgenoot moet de cliënt dat aannemelijk maken. Op het college rust dan de plicht daar onderzoek naar in te stellen. De betreffende huisgenoot is dan overigens wel verplicht zijn medewerking te verlenen aan een onderzoek. Weigert hij dit, dan kan het recht op een maatwerkvoorziening mogelijk niet worden vastgesteld. Voorkomen of oplossen overbelasting Wanneer er bij de huisgenoot, die geacht wordt gebruikelijke hulp te verlenen, eigen mogelijkheden zijn om de (dreigende) overbelasting op te heffen zullen deze aangewend moeten worden. Er kan sprake zijn van (dreigende) overbelasting vanwege het zelf onbetaald leveren van geïndiceerde zorg (verpleging en/of verzorging). In die gevallen kan het college overleggen of dat voor deze zorg aanspraak wordt gemaakt op de Zorgverzekeringswet zodat de (dreigende) overbelasting kan worden opgeheven.

Voor zover de (dreigende) overbelasting wordt veroorzaakt door maatschappelijke activiteiten (buiten de gebruikelijke hulp) al dan niet in combinatie met een fulltime school- of werkweek, gaat het verlenen van gebruikelijke hulp voor op die maatschappelijke activiteiten. Het spreekt voor zich dat de schoolprestatie daar niet onder mogen lijden. Zie ook Bijlage 3 Onderzoek naar (dreigende) overbelasting Onderzoek naar (dreigende) overbelasting bij deze beleidsregels.

Hoofdstuk 5 Mantelzorg Artikel 1.1.1 van de wet (begripsbepaling) Artikel 4.1, eerste lid, van de Verordening (beoordeling aanspraak) Artikel 6.4 van de Verordening 5.1 Inleiding Gebruikelijke hulp en mantelzorg zijn elkaar uitsluitende begrippen. Bij mantelzorg wordt de normale (gebruikelijke) hulp in zwaarte, duur en/of intensiteit overschreden. Mantelzorg kan worden verleend door een huisgenoot maar ook door uitwonende kinderen of een andere persoon uit het sociale netwerk van de cliënt. Dat wil zeggen dat in die gevallen geen sprake is van gebruikelijke hulp dan wel boven-gebruikelijke hulp. 5.2 Wettelijk begrip In de wet wordt mantelzorg als volgt beschreven: hulp ten behoeve van zelfredzaamheid, participatie, beschermd wonen, opvang, jeugdhulp, het opvoeden en opgroeien van jeugdigen en zorg en overige diensten als bedoeld in de Zvw, die rechtstreeks voortvloeit uit een tussen personen bestaande sociale relatie en die niet wordt verleend in het kader van een hulpverlenend beroep (art. 1.1.1, eerste lid, van de wet). 5.2.1 Niet verzilveren van een aanspraak Uit de begripsbepaling van mantelzorg volgt dat de hulp of zorg die door de mantelzorger wordt geboden een wettelijke aanspraak vertegenwoordigd. Die aanspraak kan betrekking hebben op de Wmo 2015, verpleging en/of verzorging zoals bedoeld in de

Zvw of hulp aan een jeugdige op grond van de Jeugdwet. Bij mantelzorg is het dus zo dat die aanspraak niet wordt verzilverd. 5.2.2 Afstemmen Het college mag bij het bepalen van de ondersteuning die iemand nodig heeft, rekening houden met de mantelzorg die hij ontvangt (CRVB:2017:17 en CRVB:2017:3209). Dit neemt overigens niet weg dat het bieden van mantelzorg (onbetaald) vrijwillig is. Ook zal het college oog moeten hebben voor de ondersteuning die nodig is om de inzet van mantelzorg structureel mogelijk te laten zijn dan wel voor wat nodig is om de mantelzorger (af en toe) te kunnen ontlasten. Dat gebeurt in ieder geval tijdens het vraagverhelderingsgesprek. 5.3 Ondersteuning mantelzorg De ondersteuning aan de mantelzorger geeft geen aanspraak op een maatwerkvoorziening (RBNHO:2017:1022). Het college moet wel onderzoek doen naar de vraag of er behoefte is aan ondersteuning zodat de mantelzorger de taken uit kan blijven voeren. Dat behoort tot de wettelijke de opdracht. Daarnaast zijn er lokale of mogelijk regionale organisaties die daarin iets voor mantelzorgers kunnen betekenen. 5.3.1 Hulpmiddelen Bij het bepalen van hulpmiddelen houdt het college rekening met de belangen van mantelzorgers, zoals bij tilliften en andere hulpmiddelen die door mantelzorgers bediend moeten worden. Ook kan het zijn dat de mantelzorger niet of moeizaam in staat is om de rolstoel te duwen.

Omdat de zelfredzaamheid en/of participatie van de cliënt bij het verstrekken van een maatwerkvoorziening het uitgangspunt is, kan duwondersteuning op de rolstoel worden verstrekt. 5.3.2 Overbelasting van de mantelzorger Respijtzorg in de vorm van een (tijdelijke) maatwerkvoorziening kan ook worden ingezet om overbelasting van mantelzorgers te voorkomen en/of op te vangen. Van cliënt en mantelzorger mag in principe worden verwacht dat zij (eventueel met ondersteuning) onderzoek doen naar mogelijkheden om de overbelasting te voorkomen of te verminderen. De inzet van andere personen uit het sociale netwerk of eventueel vrijwilligers kunnen hierin ook een rol spelen. De belangen en de draagkracht/draaglast van de mantelzorger worden hierbij meegewogen (zie Bijlage 3 Onderzoek naar (dreigende) overbelasting Onderzoek naar (dreigende) overbelasting bij deze beleidsregels). Inzet van (tijdelijke) respijtzorg kan de draagkracht van de mantelzorger versterken. 5.3.3 Wet langdurige zorg Ook kan mantelzorg worden verleend aan een thuiswonende verzekerde met een indicatie op grond van de Wlz. In die gevallen heeft het college geen ondersteuningsplicht voor de mantelzorger. Mogelijk kan voor deze verzekerden aanspraak bestaan op logeeropvang in een instelling (art. 3.1.1, eerste lid onder g, van de Wlz). Wel kunnen deze verzekerden mogelijk gebruik maken van algemene voorzieningen.

5.4 Respijtzorg De maatwerkvoorziening beoogt in eerste instantie de cliënt zelf passende te ondersteunen. Maatwerkvoorziening zijn immers in overwegende mate individueel gericht (zie art. 4.3, eerste lid onder c, van de Verordening). Het college houdt in het algemeen

rekening met wat de cliënt aan mantelzorg heeft of mogelijk zou kunnen krijgen. Dat betekent dat de cliënt (tijdelijk) aangewezen kan zijn op een maatwerkvoorziening op de momenten dat de mantelzorger niet in de gelegenheid is hem deze ondersteuning te bieden. Dat is respijtzorg. Denk bijvoorbeeld aan dagactiviteiten. Respijtzorg moet worden onderscheiden van: • de ondersteunende maatregelen die nodig zijn om een mantelzorger goed zijn werk te kunnen laten doen, en • de maatschappelijke ondersteuning (eventueel in de vorm van een maatwerkvoorziening) die een mantelzorger nodig heeft voor zijn eigen zelfredzaamheid en participatie. De mantelzorger is dan zelf cliënt en zal de hulpvraag moeten melden bij het college waarna een onderzoek (het vraagverhelderingsgesprek) plaatsvindt. Het ligt niet voor de hand dat deze situaties snel zullen leiden tot het verstrekken van een maatwerkvoorziening. De maatwerkvoorziening als respijtzorg wordt altijd aan de cliënt toegekend die daar mogelijk een bijdrage in de kosten voor verschuldigd is. Opgemerkt wordt nog dat het college ook een maatwerkvoorziening kan verstrekken die erop is gericht dat de mantelzorger leert omgaan met de beperkingen van de cliënt. 5.5 Kortdurend verblijf De wet kent één specifieke maatwerkvoorziening die door het college kan worden verstrekt om de mantelzorger te ontlasten Het gaat om kortdurend verblijf (art.

1.1.1, eerste lid, van de wet). Het college beoordeelt wel eerst of de cliënt in aanmerking kan komen voor een indicatie voor de Wlz. Nadat is vastgesteld dat de mantelzorger van de cliënt moet worden ontlast geldt nog een ander criterium. De cliënt is door het (tijdelijk/deels) wegvallen van de mantelzorg aangewezen op ondersteuning die gepaard gaat met voortdurend toezicht of 24 uurs ondersteuning in de nabijheid. Daarnaast is het zo dat geen sprake is van het bieden van noodzakelijke geneeskundige zorg. In dat geval zal de cliënt namelijk een beroep moeten doen op Eerstelijns verblijf op grond van de Zorgverzekeringswet. Het is ook mogelijk dat de cliënt op grond van zijn aanvullende zorgverzekering in aanmerking kan komen voor kortdurend verblijf. 5.5.1 Accommodatie en vervoer Het kortdurend verblijf wordt geboden in een instelling of accommodatie van een door het college goedgekeurde aanbieder. Onder deze maatwerkvoorziening is zonodig ook het vervoer naar de locatie begrepen waar het kortdurend verblijf wordt geboden. Het is niet aannemelijk dat de cliënt zelf in staat is de accommodatie te bereiken. Dit vervoer wordt in ieder geval noodzakelijk geacht indien de mantelzorger niet in staat is de cliënt te brengen (en te halen) en er ook geen andere vervoersmogelijkheden zijn. 5.5.2 Omvang en duur Kortdurend verblijf kan voor een etmaal per week worden verstrekt.

Het is niet vereist dat het kortdurend verblijf slechts voor wekelijks (of maandelijks) gebruik kan worden toegekend. Afhankelijk van de omstandigheden in het individuele geval kunnen de periodieke aanspraken ook voor aaneengesloten gebruik van maximaal 52 etmalen per kalenderjaar worden toegekend en gebruikt. Denk bijvoorbeeld aan de situatie waarin de mantelzorger op vakantie wil. Het college kan afwijken van de gestelde norm. Bij de beoordeling van de aanspraak houdt het college in het algemeen rekening met de vraag of de cliënt aanspraak kan maken op Eerstelijns verblijf op grond van de Zorgverzekeringswet of een indicatie op grond van de Wet langdurige zorg.

5.6 Mantelzorgwoning Woningen dus ook mantelzorgwoningen worden niet als maatwerkvoorziening verstrekt. Tijdens de wetsbehandeling van de Wmo 2015 is aangegeven dat initiatieven als mantelzorgwoningen aandacht verdienen en waar mogelijk belemmeringen tot plaatsing te worden verminderd. Zo zijn de regels voor omgevingsvergunningvrij bouwen vereenvoudigd. Daartoe is het Besluit omgevingsrecht gewijzigd (Stb. 2014, nr. 333). In voorkomende gevallen moet afstemming worden gezocht met het cluster Vergunningen, Toezicht en Handhaving omdat, zoals gezegd, de regels hierover zijn gewijzigd.

Hoofdstuk 6 Ondersteuning en dagactiviteiten Hoofdstuk 6 van de Verordening 6.1 Inleiding Met de maatwerkvoorzieningen ondersteuning en dagactiviteiten wordt invulling gegeven aan het wettelijke begrip begeleiding. Daaronder worden activiteiten verstaan gericht op het bevorderen van zelfredzaamheid en/of participatie van de cliënt opdat hij zo lang mogelijk in zijn eigen leefomgeving kan blijven (art. 1.1.1, eerste lid, van de wet). Het bieden van dagactiviteiten kan een vorm zijn van begeleiding, die bijdraagt aan de zelfredzaamheid en/of participatie van de cliënt, zodat deze langer in de eigen leefomgeving kan blijven. Dit omvat structurele tijdsbesteding met een welomschreven doel waarbij een cliënt actief wordt betrokken en wat hem zingeving verleent. Als dat nodig is valt hieronder ook het vervoer naar en van de dagactiviteiten. Daarnaast valt de huishoudelijke ondersteuning onder dit hoofdstuk. 6.2 Zelfredzaamheid en participatie Zelfredzaamheid bevat twee elementen: 1. het uitvoeren van de noodzakelijke algemene dagelijkse levensverrichtingen (adl), 2. het voeren van een gestructureerd huishouden. Participatie heeft betrekking op deelname aan het maatschappelijk verkeer. Dit wil zeggen zoveel mogelijk op gelijke voet met anderen mee kunnen doen aan de samenleving.

Om de dagelijkse handelingen en praktische zaken uit te kunnen voeren moet de cliënt daar lichamelijk toe in staat zijn maar ook over vaardigheden beschikken. De vaardigheid is het vermogen om een handeling bekwaam uit te voeren of een probleem op te lossen. Vaardigheid op een of ander gebied wordt veelal vergaard door praktische ervaring, door korte of langere tijd regelmatig te oefenen. 6.3 Algemene uitgangspunten De Verordening bepaalt dat het college de maatwerkvoorziening kan combineren met eigen kracht, ondersteuning vanuit het sociaal netwerk en vrijwilligers. Daarnaast geldt onverkort dat het college boordeelt of er sprake is van gebruikelijke hulp. Verder geldt als uitgangspunt dat een collectieve maatwerkvoorziening in principe voor gaat op een individuele maatwerkvoorziening. De achtergrond daarvan is onder meer dat een collectief aanbod goedkoper is dan een individueel aanbod. Het college is immers niet gehouden meer dan de goedkoopst passende bijdrage te verlenen (zie art. 4.3, eerste lid onder b, van de Verordening). Verder kan het natuurlijk ook zo zijn dat een collectieve maatwerkvoorziening eenvoudigweg een beter passende bijdrage levert aan de zelfredzaamheid en/of participatie van de cliënt.

6.4 Mate van de beperkingen Het college beoordeelt op basis van de aard en de mate van de beperkingen in de zelfredzaamheid en/of participatie op welke maatwerkvoorziening de cliënt is aangewezen. Uitgangspunt is dat het college zich op het standpunt kan stellen dat de maatwerkvoorziening daar een passende bijdrage aan levert. Dat is vanzelfsprekend telkens afhankelijk van de individuele situatie. Daarbij wordt onderscheid gemaakt in drie categorieën: middel, zwaar en intensief. De categorieën zijn gebaseerd op de indeling in klassen en de tarievenstructuur van de Nederlandse Zorg Autoriteit in 2014. Om te bepalen welke categorie wordt toegekend, beoordeelt het college het aantal uren ondersteuning of het aantal dagdelen dagactiviteiten dat minimaal nodig is. Aan de inzet van de categorie zwaar of intensief kan een termijn worden verbonden waarop de ondersteuning wordt afgeschaald naar de categorie middel. In het Besluit maatschappelijke ondersteuning is een overzicht opgenomen van de tarifering in natura. Het gaat om: ondersteuning, ondersteuning speciaal, dagactiviteiten en begeleiding gericht op zelfzorg. De cliënt kan beperkingen ondervinden op verschillende terreinen. Als hulpmiddel bij het beoordelen van de ondersteuningsbehoefte kan het college bijlage 5 Richtlijn ondersteuning (begeleiding) gebruiken.

6.5 Verschillende terreinen Ook is het zo dat de cliënt op één of meerdere terreinen beperkingen in zelfredzaamheid en/of participatie kan ondervinden. Voorbeelden zijn: a. sociale redzaamheid b. bewegen en verplaatsen c. probleemgedrag d. psychisch functioneren e. geheugen- en oriëntatiestoornissen 6.5.1 Samenwerking en afstemming maatwerkvoorziening (arbeidsinschakeling) Tijdens het vraagverhelderingsgesprek komt ook de mogelijke samenwerking aan bod met andere partijen (art. 2.3.2, vierde lid onder f van de wet). Bijvoorbeeld de wijkverpleegkundige in het kader van de Zorgverzekeringswet of een medewerker van de gemeente Noordoostpolder zelf in het kader van de uitvoering van de Participatiewet. Valt de cliënt namelijk onder de doelgroep van de Participatiewet, dan kan samenwerking maar ook afstemming van de maatwerkvoorziening op grond van de wet zijn aangewezen (art. 2.3.5, vijfde lid, van de wet). Denk aan de situatie dat de cliënt beschikt over arbeidsvermogen en voor zijn arbeidsinschakeling aanspraak kan maken op een voorziening op grond van de Participatiewet (art. 7, eerste onder a, van de Participatiewet). Arbeidsvermogen Artikel 1 van het Besluit loonkostensubsidie bepaalt wat onder mogelijkheden tot arbeidsparticipatie wordt verstaan. Iemand heeft mogelijkheden tot arbeidsparticipatie als die persoon: a. een taak kan uitvoeren in een arbeidsorganisatie; b.

over basale werknemersvaardigheden beschikt; c. aaneengesloten kan werken gedurende ten minste een periode van een uur; en d. ten minste vier uur per dag belastbaar is of ten minste twee uur per dag belastbaar is en in staat is per uur ten minste een bedrag te verdienen dat gelijk is aan het minimumloon per uur.

Arbeidsmatig karakter Voor de cliënt die nog niet beschikt over arbeidsvermogen kan het college dagactiviteiten verstrekken waarin activiteiten worden aangeboden met een arbeidsmatig karakter. De uitvoering van de Wmo 2015 dient dan als opstapje richting betaald werk. Zie ook onder resultaten participatie in 6.6.2 Resultaten participatie (plannen van dagelijkse activiteiten)van deze beleidsregels. Bij de beoordeling van de resultaten van de dagactiviteiten kan het zijn dat het college deze maatwerkvoorziening afschaalt omdat de cliënt aanspraak kan maken op ondersteuning bij zijn arbeidsinschakeling op grond van de Participatiewet. 6.5.1 Sociale redzaamheid Bij sociale redzaamheid gaat het om de volgende aspecten: a. begrijpen wat anderen zeggen b. een gesprek voeren c. zich begrijpelijk maken d. initiëren en uitvoeren van eenvoudige taken e. kunnen lezen, schrijven en rekenen f. communicatiehulpmiddel gebruiken g. dagelijkse bezigheden h. problemen oplossen en besluiten nemen i. dagelijkse routine regelen j. zelf geld beheren k. initiëren en uitvoeren van complexere taken l. zelf administratieve zaken bijhouden 6.5.2 Activiteiten dagelijks leven/zelfzorg in combinatie met ondersteuning De adl is gericht op het verlenen van hulp vooral bestaande uit: a. in en uit bed komen b. aan- en uitkleden c. bewegen d. lopen e. gaan zitten en weer opstaan f. lichamelijke hygiëne g.

toiletbezoek h. eten/drinken i. medicijnen innemen j. ontspanning k. sociaal contact Het spreekt voor zich dat de beperkingen bij de adl/zelfzorg ook opgelost kunnen worden door het verstrekken van een hulpmiddel, zoals een tillift. 6.5.3 Bewegen en verplaatsen Bij zich bewegen en verplaatsen gaat het om de volgende aspecten: a. lichaamspositie handhaven b. grove hand- en armbewegingen maken c. fijne handbewegingen maken d. lichtere voorwerpen tillen e. gecoördineerd bewegingen maken met benen en voeten f. lichaamspositie veranderen g. trap op en af gaan zonder hulp(middelen) h. zich verplaatsen met hulp(middelen)

i. voortbewegen binnenshuis, zonder hulp(middelen) j. gebruik maken van openbaar vervoer k. eigen vervoermiddel gebruiken l. voortbewegen buitenshuis zonder hulp(middelen) m. korte afstanden lopen n. zwaardere voorwerpen tillen Het spreekt voor zich dat de beperkingen in het bewegen en verplaatsen ook opgelost kunnen worden door het verstrekken van een hulpmiddel, zoals een rolstoel. 6.5.4 Gedragsproblemen Bij gedragsproblemen gaat het om de volgende aspecten: a. destructief gedrag (gericht op zichzelf en/of de ander, zowel letterlijk als figuurlijk) b. dwangmatig gedrag c. lichamelijk agressief gedrag d. manipulatief gedrag e. verbaal agressief gedrag f. zelfverwondend of zelfbeschadigend gedrag g. grensoverschrijdend seksueel gedrag 6.5.5 Psychisch functioneren Bij psychisch functioneren gaat het om de volgende aspecten: a. Concentratie b. geheugen en denken c. perceptie van omgeving 6.5.6 Oriëntatiestoornissen Bij oriëntatiestoornissen gaat het om de volgende aspecten: a. oriëntatie in persoon b. oriëntatie in ruimte c. oriëntatie in tijd d. oriëntatie naar plaats 6.6 Resultaten Ondervindt de cliënt beperkingen in zijn zelfredzaamheid en/of participatie én zijn er geen ‘voorliggende oplossingen’ mogelijk, dan verstrekt het college een maatwerkvoorziening. Er zijn verschillende resultaten mogelijk die met de maatwerkvoorziening worden of kunnen worden bereikt.

Hierna worden een aantal voorbeelden genoemd. 6.6.1 Resultaten thuisadministratie a. Client heeft overzicht van de administratie/ administratie op orde b. Client betaalt tijdig rekeningen c. Financiële situatie van cliënt is in balans d. Indien aanwezig, dan is schuldenproblematiek beheersbaar (en indien beheersbaar, dan kan de schuldenlast verminderen) 6.6.2 Resultaten participatie (plannen van dagelijkse activiteiten) a. Cliënt heeft een zinvolle (verplichte) dagbesteding b. Cliënt heeft onbetaald werk met ondersteuning c. Cliënt heeft onbetaald werk zonder ondersteuning d. Cliënt heeft betaald werk met ondersteuning

e. Cliënt heeft betaald werk zonder ondersteuning f. Mantelzorg is ontlast 6.6.3 Resultaten zelfzorg (ondersteuning ADL) a. Cliënt is in staat zichzelf te verzorgen (denk aan eten en drinken) b. Cliënt draagt schone kleding c. Cliënt ziet er in het algemeen verzorgd uit (zich wassen) d. Cliënt komt afspraken met zorgprofessionals (zoals huisarts, tandarts, medisch specialist) na. 6.6.4 Resultaten opbouwen van sociaal netwerk cliënt a. Cliënt heeft gezond sociaal netwerk en vervult daarbinnen een passende sociale rol b. Cliënt is in staat een beroep te doen op personen in zijn/haar sociaal netwerk c. Cliënt kan eigen problematiek in relatie tot sociale netwerk hanteren d. Bij bemoeizorg: cliënt staat open voor opbouw sociaal netwerk 6.7 Activiteiten ondersteuning De aanbieder kan het bieden van ondersteuning in de vorm van verschillende activiteiten doen. a. Praktische hulp en ondersteuning bij het uitvoeren van dan wel het ondersteunen bij of oefenen van handelingen dan wel vaardigheden die gericht zijn op de zelfredzaamheid en/of participatie van de cliënt. Deze activiteiten kunnen betrekking hebben op het versterken, verbeteren, behouden of ondersteunen in de beperkingen op het regelvermogen van de cliënt. b. Hieronder kan ook vallen: het inslijpen van aangeleerde vaardigheden en gedrag in het dagelijkse leven door herhaling en/of methodische interventie. c.

In het algemeen worden deze activiteiten persoonlijk (individueel) geboden, waar mogelijk kortdurend en primair gericht op het (her)krijgen van zelfregie (indien mogelijk) in het kader van zelfredzaamheid en participatie. 6.8 Resultaat ondersteuning bij regie/ zorg over het huishouden De cliënt heeft een gestructureerd huishouden door (het aanleren van) het zelf uitvoeren van huishoudelijke taken of door het tijdelijk overnemen hiervan. Het college kan de te verstrekken maatwerkvoorziening combineren met het (tijdelijk) overnemen van de huishoudelijke werkzaamheden en/of het bieden van begeleiding bij het zelf uitvoeren daarvan. Verder is het zo dat degene die de begeleiding biedt contact moet hebben met degene die de huishoudelijke werkzaamheden overneemt van de cliënt om tot goede afstemming van de te bieden maatschappelijke ondersteuning te komen. Dat kan ook met de huisgenoot zijn die gebruikelijk hulp biedt. De indicatie voor de maatwerkvoorziening, bestaande uit het (tijdelijk) overnemen van de huishoudelijke werkzaamheden en/of het bieden van begeleiding bij het zelf uitvoeren daarvan, wordt alleen dan verstrekt als geen sprake is van gebruikelijke hulp, een algemene voorziening geen passende bijdrage is en er verder geen andere personen in het netwerk zijn is die deze taken kunnen overnemen.

6.9 Activiteiten bij regie/ zorg over het huishouden De maatwerkvoorziening ondersteuning bij regie/ zorg over het huishouden kan bestaan uit de volgende activiteiten: a. Organisatie van het huishouden Het (samen met de cliënt) kunnen bepalen welke huishoudelijke werkzaamheden wanneer worden gedaan (regievoering over het huishouden) waaronder in incidentele

gevallen het verzorgen van brood- en/of warme maaltijden. Daaronder kan ook het aanreiken of klaarzetten van de maaltijden vallen. b. Het aanleren van taken aan cliënten die leerbaar zijn Het gedurende een beperkt tijdsbestek (8 weken) instructie geven over huishoudelijke werkzaamheden en/ of het plannen van huishoudelijke werkzaamheden (aanleren vaardigheden). Betreft het aanleren van taken aan cliënten die leerbaar zijn. c. Het kunnen opvangen en verzorgen van jonge kinderen In de praktijk gaat het om ondersteuning die per direct moet kunnen worden ingezet en vaak buiten de reguliere werktijden om, aangezien in andere gevallen de kinderopvang (waaronder ook een gastouder) een passende oplossing is of dat kan zijn. In zeer uitzonderlijke gevallen kan het (tijdelijk) overnemen van schoonmaaktaken, zoals stofzuigen en wasverzorging onder de maatwerkvoorziening ondersteuning bij regie/ zorg over het huishouden vallen. Dit geldt met name in situaties waarbij het niet wenselijk of haalbaar is dat een cliënt meerdere ondersteuners heeft. Denk hierbij aan zorgmijders. Dan is het wenselijk, dat één ondersteuner zowel de schoonmaakondersteuning als de ondersteuning bij regie/ zorg uitvoert.

6.10 Schoonmaakondersteuning Schoonmaakondersteuning is de zorg voor het schoonhouden van de woning, op orde hebben van het huishouden, de zorg voor schoon beddengoed, ander linnengoed en schone kleding. De indicatie voor de maatwerkvoorziening schoonmaakondersteuning bestaat uit: licht en zwaar huishoudelijk werk, verzorging kleding/linnengoed en het doen van boodschappen voor het dagelijks leven. Schoonmaakondersteuning kan betrekking hebben op een aantal resultaten. 6.10.1 Resultaat een schoon en leefbaar huis Iedereen moet gebruik kunnen maken van een schone huiskamer, een schone slaapkamer, een schone keuken, een schone badkamer en toilet en een schone gang, schoon volgens de algemeen gebruikelijke hygiënische normen. Leefbaar staat voor opgeruimd en functioneel, bijvoorbeeld om vallen te voorkomen. Om een schoon en leefbaar huis te realiseren zal huishoudelijk werk moeten worden uitgevoerd. Concreet gaat het om taken zoals stofzuigen van de woning, het schoonmaken van de badkamer, keuken, toilet en het dweilen van vloeren. Persoonlijke omstandigheden en behoeften kunnen het in sommige gevallen noodzakelijk maken hiervan af te wijken. 6.10.2 Resultaat schone en draagbare kleding Iedereen moet gebruik kunnen maken van schone en draagbare kleding.

Bij het wassen gaat het uitsluitend over het sorteren, wassen en drogen en wegleggen van de normale kleding voor alledag en overig textiel. En in bepaalde situaties het strijken van de normale kleding voor alledag. Hierbij is het uitgangspunt dat zo min mogelijk kleding gestreken wordt. Er worden geen lakens, theedoeken, zakdoeken, ondergoed, etc. gestreken. 6.10.3 Resultaat boodschappen voor het dagelijks leven Iedereen moet kunnen beschikken over goederen voor primaire levensbehoeften. Tot de goederen voor primaire levensbehoeften worden boodschappen gerekend die nodig zijn voor dagelijkse levensbehoeften. Hieronder vallen levensmiddelen, toiletartikelen en schoonmaakmiddelen, zaken die dagelijks/wekelijks worden gebruikt. Grotere inkopen,

zoals kleding en duurzame goederen zoals (huishoudelijke) apparaten, vallen hier niet onder. 6.11 Beleidsuitgangspunten huishoudelijke ondersteuning Bij beoordeling hanteert het college de volgende beleidsuitgangspunten. • Eigen kracht/eigen verantwoordelijkheid • Gebruikelijke hulp • Hulp van personen uit het sociaal netwerk en mantelzorg • Gebruik van algemene voorzieningen • Algemeen gebruikelijke zaken en/of diensten • Het bereiken van resultaten • Normtijden 6.12 Eigen kracht Algemeen Onder eigen kracht wordt het vermogen verstaan een oplossing te vinden voor de beperkingen die de cliënt ondervindt. Onder eigen kracht wordt ook het feitelijk in staat zijn tot het deels zelf uitvoeren van huishoudelijke activiteiten verstaan. Onder eigen kracht wordt ook de eigen verantwoordelijkheid verstaan. Daaronder vallen: de aanwezigheid (lees ook: aanschaf) van algemeen gebruikelijke voorzieningen, zo efficiënt mogelijke medewerking, et cetera (zie verder hierna). Eigen kracht: met inachtneming van leefregels Activiteiten die door de cliënt zelf kunnen worden uitgevoerd behoren uiteraard tot de eigen verantwoordelijkheid (lees ook: eigen kracht). Iemand ondervindt in zo’n geval geen beperkingen die het college met een maatwerkvoorziening moet compenseren.

Het kan ook zijn dat de cliënt met inachtneming van bepaalde leefregels niet of slechts gedeeltelijk is aangewezen op huishoudelijke ondersteuning (vergelijk CRVB:2011:BP1804 en CRVB:2018:2721). Eigen kracht: zo efficiënt mogelijk Een andere vorm van het benutten van eigen mogelijkheden (lees ook: eigen verantwoordelijkheid) is het verlenen van medewerking, zodat de huishoudelijke ondersteuning zo efficiënt mogelijk kan worden geboden. Van de cliënt mag worden verwacht dat hiermee rekening wordt gehouden. Denk bijvoorbeeld aan de inrichting van de woning, (aanschaf van) gordijnen die - voordat de ramen aan de binnenkant gewassen kunnen worden - eerst verwijderd moeten worden, (te) volle vensterbanken, kasten met allerlei kleinheden, etc. 6.13 Eigen verantwoordelijkheid Houden van huisdieren Heeft de cliënt huisdieren, dan hanteert het college het volgende uitgangspunt. In het algemeen geldt dat het hebben van huisdieren niet hoeft te leiden tot meer inzet van huishoudelijke ondersteuning (CRVB:2019:2585). Het ligt ook niet voor de hand dat een cliënt dit van het college verwacht. Wenst de cliënt dit wel, dan zal hij omstandigheden moeten aanvoeren waarom het college moet afwijken van het hiervoor genoemde uitgangspunt.

Als de cliënt is aangewezen op een zogeheten hulphond, die is verstrekt op grond van de Zvw, zal het college daar wel rekening mee moeten houden (RBGEL:2018:1741). Gesaneerde woning

Verder is het zo dat er wordt uitgegaan van een gesaneerde woning, ingeval van bijvoorbeeld huisstofmijtallergie. Is de cliënt allergisch voor bijvoorbeeld vogels of katten, en worden deze dieren nog wel steeds door de cliënt gehouden, dan geldt in principe geen ondersteuningsplicht voor het college voor het ‘meerwerk’ die dat met zich meebrengt. Dit zijn keuzes die in het kader van de eigen verantwoordelijkheid moeten worden beschouwd. 6.14 Hulp van personen uit het sociaal netwerk en mantelzorg De wet bepaalt dat als de cliënt hulp krijgt of kan krijgen van personen uit zijn sociale netwerk waaronder mantelzorg, er geen of slechts een aanvullende ondersteuningsplicht voor het college bestaat. Hulp van deze personen is echter niet afdwingbaar. Dat geldt ook voor het bieden van mantelzorg (CRVB:2017:17). 6.15 Gebruikelijke hulp De leefeenheid is primair verantwoordelijk voor het eigen huishouden en de hoe de huishoudelijke activiteiten worden verdeeld en uitgevoerd. Volgens algemeen aanvaardbare opvattingen wordt het overnemen van of ondersteunen bij het uitvoeren van huishoudelijke taken verwacht van huisgenoten. Dat is in lijn met de vaste jurisprudentie (bijv. CRVB:2019:2616, CRVB:2018:2721, RBGEL:2018:2007, CRVB:2016:4351, CRVB:2015:3198).

Het college zal - als het onderzoek daartoe aanleiding geeft - vast moeten (laten) stellen of de huisgenoot in staat is de huishoudelijke taken over te nemen, al dan niet onder aansturing van de cliënt (CRVB:2019:2616). Dat kan bijvoorbeeld met een medisch advies (zie Hoofdstuk 15 Advisering van deze beleidsregels). Dat de huisgenoot weigert om huishoudelijke taken te verrichten, maakt niet dat het college, met toepassing van de hardheidsclausule, gehouden is om huishoudelijke ondersteuning toe te kennen (CRVB:2016:3665). Er kunnen zich ook situaties voordoen dat de huisgenoot de taken niet kan overnemen omdat het gaat om niet-uitstelbare taken. Dit gelet op de beschikbaarheid van de huisgenoot. Zie Hoofdstuk 4 Gebruikelijke hulpvan deze beleidsregels. 6.16 Uitstelbare/ niet-uitstelbare taken Het spreekt voor zich dat voor het oordeel of gebruikelijke hulp kan worden geboden ook afhankelijk is van de vraag of het gaat om uitstelbare of niet-uitstelbare ondersteuning. Dit met het oog op de beschikbaarheid van de huisgenoot. Beschikbaarheid huisgenoot Het kan voor komen dat de huisgenoot regelmatig niet aanwezig is vanwege activiteiten elders met een verplichtend karakter. Denk bijvoorbeeld aan de reguliere werkzaamheden. Schoonmaakwerkzaamheden en de was In geval van schoonmaakwerkzaamheden zal het meestal gaan om uitstelbare taken.

Dit betekent dat de huishoudelijke activiteiten in de avond of het weekend uitgevoerd kunnen worden. Zijn deze taken echter niet-uitstelbaar en is de huisgenoot niet beschikbaar, dan kan daarvoor een maatwerkvoorziening worden verstrekt. Broodmaaltijd Een broodmaaltijd kan één keer per dag worden bereid en klaargezet. De tweede broodmaaltijd wordt dan gelijk gemaakt en in koelkast klaargezet. Dat is in lijn met de rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep qua aard en frequentie (bijv. CRVB:2016:2960).

6.17 Algemeen gebruikelijk Als algemeen uitgangspunt geldt dat de cliënt beschikt over algemeen gebruikelijke zaken, waarmee de huishoudelijke ondersteuning zo efficiënt mogelijk kan worden geboden. Denk aan een stofzuiger, een wasmachine, schoonmaakmiddelen, een dweil, etc. (vergelijk CRVB:2015:1503). Het gaat in dit geval ook om bepaalde zaken, die het mogelijk maken dat de cliënt een deel van de huishoudelijke activiteiten zelf kan uitvoeren. Bijvoorbeeld stof afnemen met een plumeau. Het kan ook zijn dat met een algemeen gebruikelijke zaak of dienst een aanspraak (deels) wordt voorkomen. Denk bijvoorbeeld aan de aanschaf van een wasdroger of het plaatsen van de wasmachine en/of droger op een verhoging of in een ruimte die (wel) bereikbaar is voor de cliënt, zodat hij (een deel van) de was zelf kan doen (vergelijk CRVB:2005:AT8015). Daarnaast kunnen algemeen gebruikelijke diensten als voorliggende oplossing worden aangemerkt voor het verstrekken van schoonmaakondersteuning. Denk aan: de boodschappendienst, kant en klaar maaltijden van de supermarkt of de maaltijdservice. Het college beoordeelt of de algemeen gebruikelijke dienst: beschikbaar en geschikt is en financieel draagbaar is voor de cliënt. Zie verder paragraaf 3.3 Algemeen gebruikelijkvan deze beleidsregels.

6.18 Algemene voorzieningen Uit het onderzoek kan blijken dat gebruikmaking van een algemene voorziening een passende oplossing is voor de beperkingen, die door de cliënt worden ondervonden. Dat brengt met zich mee dat de cliënt niet of slechts gedeeltelijk is aangewezen op een maatwerkvoorziening. Denk bijvoorbeeld aan scootmobielpool uitleenpunten die door het college zijn gecontracteerd. 6.19 Normtijden huishoudelijke ondersteuning Huishoudelijke ondersteuning valt uiteen in twee maatwerkvoorzieningen: schoonmaakondersteuning (voorheen HH1) en ondersteuning bij regie/zorg over het huishouden (voorheen HH2). De indicatie voor huishoudelijke ondersteuning vindt plaats op basis van specifieke (deel)taken die overgenomen dienen te worden, de gebruiksruimten en het aantal personen in het huishouden. Dit alles op basis van de persoonlijke omstandigheden en kenmerken van de cliënt. De normtijden die gehanteerd worden zijn gebaseerd op onderzoek van Onderzoeksbureau HHM. De onderzoeken van HHM hebben bij een twintigtal verschillende gemeenten plaatsgevonden en zijn representatief om de gemeentelijke normtijden huishoudelijke hulp aan te toetsen. Voor gemeentelijke normtijden huishoudelijke ondersteuning wordt verwezen naar Bijlage 1 Normtijden huishoudelijke ondersteuning en Bijlage 2 Normtijden HHM vs normtijden gemeente Noordoostpolder per 2017 bij deze beleidsregels.

Indirecte tijd behelst de tijd die de hulp per bezoek besteedt aan aankomst, vertrek, administratie en sociale interactie met de cliënt. Het college onderzoekt welke activiteiten moeten worden overgenomen van de cliënt voor het bereiken van de resultaten, hoeveel tijd dat kost (conform de normtijdentabel) en hoe vaak dit moet worden gedaan (conform de normtijden tabel). Daar waar de individuele situatie dat noodzaakt kan gemotiveerd van de richtlijn worden afgeweken. De uitkomst in uren kan leiden tot meer of minder uren dan onder de Normtijden HHM het geval zou zijn geweest. De gemeentelijke normtijden zijn verder verfijnd ten opzichte van de vorige normtijden en betrekken op basis van de Wmo 2015 het zelf organiserend vermogen van de cliënt en zijn zelfredzaamheid. Delen van de activiteiten waarbij de cliënt wordt ondersteund, kunnen wellicht wél zelf door de cliënt worden uitgevoerd (bijv. cliënt kan zelf

wasmachine en droger laden en klein wasgoed opvouwen, hij heeft echter wel hulp nodig bij het vouwen en opruimen van het grote wasgoed en het strijken). Uitgangspunt is dat de cliënt altijd de ondersteuning ontvangt die noodzakelijk is gelet op zijn beperkingen. 6.20 Werkwijze selectie van een aanbieder De cliënt wordt door het college de mogelijkheid geboden om te kiezen uit de door de gemeente gecontracteerde aanbieders. De cliënt krijgt daarvoor een overzicht van de aanbieders. De selectie van een aanbieder vindt plaats op basis van de volgende criteria: 1. keuze van de cliënt; 2. indien de cliënt geen voorkeur heeft: de aanbieder die het meest geschikt is voor het bieden van hulp /ondersteuning voor de specifieke casus naar het oordeel van het college; 3. indien de cliënt geen voorkeur heeft en bij gelijke geschiktheid van aanbieders voor de specifieke casus: de prijs van de dienstverlening; 4. in geval van gelijke geschiktheid en gelijke tarieven zal de opdracht per toerbeurt aan een aanbieder worden toegewezen. Dit alles onder de voorwaarde van beschikbaarheid van de ondersteuning bij de aanbieder. 6.21 Afbakening Zorgverzekeringswet en Wmo 2015 De behoefte aan (alleen) verzorging zoals die tot 1 januari 2015 ten laste van de AWBZ werd verleend, kan echter ook meer in het verlengde van de behoefte aan begeleiding liggen.

Het gaat bij deze verzorging om mensen die behoefte hebben aan ondersteuning bij de adl. Deze verzorging houdt geen verband met de behoefte aan geneeskundige zorg of een hoog risico daarop. Deze behoefte aan ondersteuning bij adl komt met name voor bij mensen met een verstandelijke of zintuiglijke beperking of psychiatrische problematiek. Deze vorm van ondersteuning bij adl is niet naar de Zvw overgeheveld, maar per 1 januari 2015 gepositioneerd onder de Wmo 2015. Als cliënten een lichamelijke aandoening krijgen waardoor een geneeskundige zorgvraag ontstaat, zullen zij zowel verpleging als hun bij de geneeskundige hulpvraag behorende verzorging vanuit de Zvw ontvangen. Verder blijft voor cliënten die begeleiding en adl-ondersteuning krijgen via de Wmo 2015, de overige medische zorg vanzelfsprekend onder de te verzekeren prestaties Zvw vallen.

Hoofdstuk 7 Beschermd wonen Hoofdstuk 6 van de Verordening Artikel 6.5 van de Verordening De Wmo 2015 definieert beschermd wonen als volgt: “het wonen in een accommodatie van een instelling met daarbij behorend toezicht en begeleiding gericht op het bevorderen van zelfredzaamheid en participatie, het psychisch en psychosociaal functioneren, stabilisatie van een psychiatrisch ziektebeeld, het voorkomen van verwaarlozing of maatschappelijke overlast of het afwenden van gevaar voor de cliënt of anderen, bestemd voor personen met psychische of psychosociale problemen, die niet in staat zijn zich te handhaven in de samenleving” (art. 1.1.1, eerste lid, Wmo 2015).

Als er sprake is van een mogelijkheid van herstel kan een cliënt gebruik maken van BW vanuit de Wmo. Als er geen herstel meer wordt verwacht of als het gaat om een chronische situatie is beschermd wonen middels de Wlz beschikbaar. Met ingang van 1 januari 2021 is de wet langdurige zorg (Wlz) ook toegankelijk voor mensen met GGZ problematiek. De ondersteuning is bedoeld voor cliënten die een blijvende behoefte hebben aan: permanent toezicht ter voorkoming van escalatie of ernstig nadeel of 24 uur per dag zorg in de nabijheid, omdat zij zelf niet in staat zijn om op relevante momenten hulp in te roepen en, om ernstig nadeel voor zichzelf te voorkomen, door fysieke problemen voortdurend begeleiding, verpleging of overname van zelfzorg nodig hebben, of door zware regieproblemen voortdurend begeleiding of overname van taken nodig hebben.. Overzicht zorg uit Wlz: Met een Wlz-indicatie heeft de client recht op specifieke zorgvormen, zoals:  Verblijf in een zorginstelling, of waar mogelijk intensieve zorg thuis  Begeleiding, verpleging en verzorging  Medische zorg en (paramedische) behandeling in verband met de ziekte, beperking of stoornis  Hulpmiddelen  Dagbesteding  Huishoudelijke hulp (soms)  Vervoer naar de plaats waar de begeleiding, behandeling en verzorging plaatsvindt.

Zorg vanuit de Wlz kan worden georganiseerd in een verpleeghuis, verzorgingshuis, woonvorm of bij thuis. Het gehele pakket aan zorg en voorzieningen noemt men het integraal pakket. 7.2. Doelgroep Beschermd Wonen Het gaat bij de indicatie voor beschermd wonen om een specifieke doelgroep die vanwege psychische en/of psychosociale problemen en/of verstandelijke beperking niet in staat zijn zich te handhaven in de samenleving. Daarnaast is er sprake van regieproblemen op het gebied van zelfredzaamheid en participatie. De cliënt is om die redenen tijdelijk aangewezen op verblijf in een beschermende woonomgeving met bijbehorend toezicht en begeleiding. De noodzaak voor een beschermende woonomgeving wordt, zo blijkt uit de begripsbepaling, (mede) bepaald aan de hand van de aanwezigheid van risico’s:  het voorkomen van verwaarlozing; en/of  maatschappelijke overlast; en/of  het afwenden van gevaar voor de cliënt of anderen; en/of Het toezicht is noodzakelijk ter voorkoming van één of meer van de hiervoor genoemde risico’s en bestaat uit een (noodzakelijke) behoefte aan meerdere en onplanbare ondersteuningsmomenten per etmaal op essentiële terreinen dagelijks leven. 7.3.

Doelstelling Beschermd Wonen De doelstelling is om voor mensen in een beschermde woonvorm het leven daar waar mogelijk te stabiliseren, normaliseren en het perspectief op ontwikkeling en integratie in de samenleving te bevorderen. Ten einde duurzaam uit te stromen naar de gemeente van herkomst.

7.4. Indicatie Besluit Beschermd Wonen Het college van gemeente Almere kan een indicatie voor beschermd wonen verstrekken als de aanvraag middels een handtekening van de cliënt is bekrachtigd. Hierbij wordt rekening gehouden met de ondersteuningsvraag van de cliënt. Het college van gemeente Almere zal ook een beslissing nemen wanneer client het onderzoeksverslag, ondanks herinneringen vanuit de GGD, niet ondertekend retour heeft gestuurd. Het college neemt het besluit op basis van het advies van de GGD, omdat de cliënt akkoord is gegaan met de melding voor beschermd wonen en mee heeft gewerkt aan het onderzoek. Deze werkwijze is in het kader van het belang van de cliënt. Juridisch gezien en vanuit de algemene wet bestuur is het college niet verplicht om een beslissing te nemen. 7.5. Beschermd Wonen Profiel Midden Cliënten hebben een (complexe) psychiatrische aandoening en ondervinden daar in het dagelijks leven beperkingen van. Er is zorg, begeleiding, bescherming en stabiliteit nodig in een veilige en weinig eisende woonomgeving. Deze intensieve zorg en begeleiding zijn gericht op het omgaan met deze beperkingen (cognitief en psychisch), het beheersbaar houden en gaandeweg doen afnemen van gedragsproblematiek. Deze begeleiding is continue aanwezig. De cliënten hebben ten aanzien van hun sociale redzaamheid in het algemeen dagelijks leven intensieve begeleiding nodig.

Er zijn forse beperkingen bij het onderhouden van sociale relaties en het invullen van de dag. Er zijn forse beperkingen in de vaardigheden die nodig zijn voor het oplossen van problemen, het nemen van besluiten en bij het uitvoeren van eenvoudige en wat complexere taken. Tevens kan er bij aanvang van de ondersteuning sprake zijn van een beperkt zelfinzicht in hun eigen aandeel in (interactie)problemen en/of kan het ontbreken aan motivatie om doelgericht te gaan werken aan (herstel)doelen. Begeleiding is nodig bij beheren van geld en verrichten van administratieve handelingen. Het ondersteuningspakket dat past bij ondersteuningsprofiel beschermd wonen midden omvat:  Gemiddeld minimaal vier dagdelen dagbesteding of passende activering per week die aansluit bij de hersteldoelen, waarbij onderwijs en werk voorliggend zijn aan dagbesteding.  Gemiddeld minimaal vier uur directe individuele begeleiding per week.  Een beschermde woonomgeving met continue intensieve begeleiding en een slapende wacht in de nacht (24 uur per dag beschik- en bereikbaarheid). 7.6. Beschermd Wonen Profiel Hoog Cliënten hebben een actieve (complexe) psychiatrische aandoening, vaak in combinatie met ernstig gedragsproblematiek, een somatische aandoening, een lichamelijke handicap, een verstandelijke beperking en/of een verslaving.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://raad.noordoostpolder.nl/api/v1/meetings/1758/documents/25285