CConstaterende datNoordoostpolder
Koppel je AI →
Document · PDF

D11 04 Bijlage 4 bij Nota - Contextanalyse najaar 2023.pdf

Gemeenteraad 11 december 2023, gemeente NoordoostpolderBij agendapunt: 4: Lijst ingekomen stukken20.822 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Ook dat systeem is opgezet om de inzet van fossiele brandstoffen te reduceren. Oók in andere (w.o. Europese) landen worden ‘fossiele subsidies’ verleend. De Europese Rekenkamer publiceerde begin 2022 een rapport waarin stond dat meer dan de helft van de EU-landen (15 van de 27) meer subsidie verstrekt voor fossiele brandstoffen dan voor hernieuwbare energie - waardoor het EU klimaatbeleid ernstig ondermijnd wordt. En in vrijwel al die landen gaat het met het afbouwen van die subsidies ook erg langzaam. Kabinetsvisie ‘fossiele subsidies’. Op basis van eigen onderzoek concludeert het kabinet dat in Nederland via belastingregeling jaarlijks tussen 39,7 miljard en 46,4 miljard euro aan ‘fossiele subsidies’ worden uitgekeerd. Het kabinet vindt afbouw hiervan noodzakelijk. In veel gevallen kan Nederland echter niet zelfstandig besluiten tot afschaffing bijvoorbeeld omdat het gaat om Europese afspraken waaronder de belastingvrijstelling op kerosine voor vliegtuigen en op stookolie voor de binnenvaart.

Andere relevante vragen met betrekking tot het eventueel afschaffen van deze belastingvoordelen zijn onder andere Wat zijn de kosten die afschaffen met zich meebrengt? Hebben bedrijven een handelingsperspectief wanneer de subsidie op fossiele brandstoffen verdwijnt? En bestaat de kans dat afschaffen leidt tot het 'weglekken' van economische activiteit? De in opdracht van het kabinet opgestelde impactanalyses met betrekking tot het afschaffen van deze fossiele subsidies laten zien dat het afschaffen van fossiele subsidies een subtiele bezigheid is. De afschaffing van elke subsidie brengt eigen risico's met zich mee. Het wegen van die risico’s in een op te stellen afbouwplan wordt ongetwijfeld een belangrijk onderwerp voor en volgend kabinet. In het Belastingplan 2023 zette het kabinet al een stap in de afbouw van fiscale en niet-fiscale regelingen die invloed hebben op fossiel energiegebruik. In het Belastingplan 2024 zet het ondertussen demissionaire kabinet vervolgstappen en wordt een aantal fiscale regelingen (gefaseerd) afgeschaft, zoals de vrijstelling voor duaal gebruik van kolen in de staalproductie (per 2028), de vrijstelling in de energiebelasting voor metallurgische en mineralogische procedés (per 24

2025) en het verlaagd tarief in de energiebelasting voor de glastuinbouw. Daarnaast is afgesproken om de bestaande inputvrijstelling ten aanzien van de energiebelasting op aardgas voor toepassing in installaties voor zogenoemde warmtekrachtkoppeling (WKK’s) te beperken.

1.5

Ontwikkelingen met betrekking tot duurzame warmte

1.5.1 ACM stelt rendementstoets warmte vast De Autoriteit Consument & Markt heeft de regels voor de rendementstoets warmte vastgesteld. Met de rendementstoets kan de ACM de komende jaren controleren of een warmteleverancier een onredelijk rendement behaalt. In dat geval kan de ACM de warmteleverancier dwingen om het teveel behaalde rendement het jaar daarna terug te betalen aan de afnemers. De rendementstoets biedt daarmee consumenten een extra bescherming tegen te hoge tarieven. Op termijn moet de Wet Collectieve Warmte de huidige Warmtewet vervangen. In het voorstel voor de nieuwe wet zijn de maximum warmtetarieven niet langer gekoppeld aan de gasprijs, maar worden de prijzen gebaseerd op de werkelijke kosten die warmteleveranciers maken.

1.5.2 Financieel rendement warmteleveranciers gedaald De Autoriteit Consument & Markt (ACM) houdt toezicht op het financieel rendement van leveranciers en publiceert elke 2 jaar de resultaten van deze monitoring. Uit de Rendementsmonitoring warmteleveranciers 2021 – 20221 blijkt dat het gemiddelde financiële rendement van warmteleveranciers is gedaald van 5% in 2021 naar ca. 2,7% in 2022 (fig. 8). Deze daling wordt vooral veroorzaakt door de hoge energieprijzen en een daling in het verbruik. Het definitieve gewogen gemiddelde rendement in 2022 kan nog wijzigen omdat het is gebaseerd op voorlopige cijfers van de warmteleveranciers. Enkele leveranciers die met hun rendement significant boven het gemiddelde zitten moeten onderbouwen waarom dat nodig is. Ook warmteleveranciers die in 2023 het maximumtarief van €90,91 per GJ in rekening brengen moeten verantwoorden waarom dat noodzakelijk is voor het behalen van een redelijk rendement. De ACM toetst de onderbouwing van leveranciers en heeft geconcludeerd dat de vier vergunninghoudende warmteleveranciers die in 2023 het maximumtarief voor warmte hanteren, geen onredelijke tarieven in rekening brengen.

1

https://www.acm.nl/nl/publicaties/acm-rendement-warmteleveranciers-2022-niet-gestegen-ondanks-hogermaximumtarief#:~:text=ondanks%20hoger%20maximumtarief,ACM%3A%20rendement%20warmteleveranciers%202022%20niet%20gestegen%2C%20ondanks%20hoger%20 maximumtarief,een%20daling%20in%20het%20verbruik.

25

Figuur 8. Ontwikkeling gewogen gemiddelde rendement warmteleveranciers.

1.5.5 Analyse Transitievisies Warmte (TVW’s) PBL heeft de Transitievisies Warmte (TVW’s) van Nederlandse gemeenten geanalyseerd2 op drie aspecten: welke plannen voor de verduurzaming van gebouwen bevatten de TVW’s, welke voorwaarden en obstakels hebben gemeenten daarbij aangetekend, en welke mogelijke effecten kunnen deze plannen teweegbrengen in het licht van de nationale doelstellingen voor verduurzaming van de gebouwde omgeving. Hiervoor zijn de TVW’s van 338 van de 352 gemeenten geanalyseerd. Van de ongeveer 9 miljoen verblijfsobjecten (woningen en bedrijven) in Nederland valt circa 6,9 miljoen onder tenminste 1 plan uit de TVW’s, zo blijkt uit de analyse. Een aantal valt onder meerdere plannen, bijvoorbeeld een isolatieprogramma bovenop een wijkaanpak. De verduurzamingsmaatregelen die in de plannen zijn opgenomen, zijn in veel gevallen nog niet concreet en vaak worden meerdere opties opengehouden. Het totaal aan plannen telt op tot 1.779.000 nieuwe warmtenetaansluitingen, 673.000 elektrische warmtepompen, 537.000 hybride warmtepompen en 3.148.000 woningequivalenten waarvoor meerdere opties worden opengehouden. Van al deze plannen is maar een zeer beperkt deel al klaar voor de uitvoering. De meeste plannen zijn nog in een voorbereidende of onderzoekende fase.

Gemeenten hebben in de TVW’s meerdere voorwaarden en obstakels gesignaleerd voor de uitvoering of verdere ontwikkeling van deze plannen. De meest genoemde voorwaarden vallen in de categorieën “Kosten & financiering”, “Haalbaarheid & robuustheid”, en “Participatie & draagvlak”. Gemeenten vragen expliciet om actie van het Rijk om de plannen te kunnen uitvoeren. Het gaat dan over financiële middelen voor zowel uitvoeringskosten van gemeenten als ondersteuning van inwoners bij het doen van investeringen. Ook wordt gevraagd om heldere kaders en de benodigde bevoegdheden voor gemeenten. Uit deze analyse blijkt dat gemeenten het doel van een aardgasvrije gebouwde omgeving breed onderschrijven (fig. 9). Het belangrijkste nationale doel voor de TVW’s is om 1,5 miljoen woning2

https://www.pbl.nl/sites/default/files/downloads/pbl-2023-overzicht-transitievisies-warmte-signalenobstakels-potentieel_5051.pdf

26

equivalenten te verduurzamen voor 2030. Voor duurzame warmte installaties hebben de plannen in de TVW’s een maximale potentie van 1 miljoen woningequivalenten. Daarnaast zijn er ook 0,7 miljoen woningequivalenten waarvoor isolatiemaatregelen worden voorzien. Dit zou tezamen een emissiereductie kunnen opleveren van circa 2,1 megaton CO2-equivalenten ten opzichte van 2020. De status van deze plannen is echter vaak nog onderzoekend of voorbereidend, en slechts een kwart is al klaar voor de uitvoerende fase.

Figuur 9. Aandeel gemeenten naar type einddoel in Transitievisies Warmte. Op basis van de plannen in de TVW’s (gepeild eind 2021/begin 2022), kan worden verwacht dat deze een beperkte bijdrage leveren aan de nationale doelstellingen voor 2030. De potentie voor na 2030 is groter maar voor beide geldt een grote bandbreedte van onzekerheid. Bij de volgende actualisatie van de TVW’s, aangekondigd voor 2026, zullen plannen concreter en uitgebreider moeten worden. Het huidige gebrek aan concretisering van de verduurzamingsdoelen is, vooral rond warmtenetten en warmtepompen, kan er toe leiden dat burgers zelf hun keuzes al maken en vaak al voor een warmtepomp kiezen. Daardoor wordt later de behoefte aan warmtenetaansluitingen mogelijk verminderd.

1.5.6 Programma Aardgasvrije Wijken In 2018 startte het interbestuurlijk Programma Aardgasvrije Wijken (PAW), met als doel te leren hoe de wijkgerichte aanpak kan worden ingericht en opgeschaald. In drie rondes 66 proeftuinen geselecteerd, gedeeltelijk bekostigd middels een bijdrage vanuit het Rijk, en aan de slag gegaan. Jaarlijks is dit leerproces gemonitord. Met het vaststellen van de Transitievisie Warmte (TVW) is in bijna alle gemeenten een nieuwe fase aangebroken voor de lokale warmtetransitie, namelijk die van het in uitvoering brengen van deze visies. Vanaf 1 januari 2023 is het Nationaal Programma Lokale Warmtetransitie (NPLW) opgericht om gemeenten hierbij te gaan ondersteunen. De kennis- en leeractiviteiten van het PAW en het ophalen van de lessen van de geselecteerde proeftuinen worden voortgezet onder de noemer van NPLW.

1.5.7 Warmtenetten op WKK's moeizaam te verduurzamen Warmtenetten moeten op basis van de toekomstige warmtewet (het wetsvoorstel Wet collectieve warmtevoorziening) in de toekomst voldoen aan een emissie-intensiteit van 18,9 kilo CO₂ per GJ voor 27

Nederland gemiddeld in 2030 (nu 26,5 kilo CO₂ per GJ), en een maximum van 25 kilo CO₂ per GJ per net. Alhoewel veel van de (grotere) netten al aan de CO₂-eis van maximaal 25 kilo CO₂ per GJ (kunnen) voldoen, zijn er met name voor netten die voor een groot deel worden gevoed vanuit WKKinstallaties, grote belemmeringen om de doelen te halen. De reden is tweeledig. Ten eerste zijn WKK's compacte installaties, die vaak in wijken staan. Er is simpelweg niet de ruimte om daar een duurzame installatie naast te plaatsen. Een lucht-waterwarmtepomp zou eventueel kunnen, maar dat kan botsen op bezwaren van geluidsoverlast. Een andere oorzaak dat het moeilijk gaat is dat de CO₂-intensiteit van een aardgasgestookte WKK-installatie al hoog is, maar naar verwachting nog hoger wordt door de rekenmethode die wordt gehanteerd om uitstoot toe te wijzen aan de geproduceerde warmte en elektriciteit. Tegelijkertijd zijn juist deze WKK-installaties bijzonder flexibel, wat in het steeds volatielere energiesysteem van de toekomst van grote waarde kan zijn.

1.5.8 Hybride warmtepomp Vorig jaar kondigde minister Hugo de Jonge aan dat vanaf 2026 iedereen aan de hybride warmtepomp moet als de cv-ketel wordt vervangen. Maar voor het gros van de Nederlandse huishoudens wordt de hybride warmtepomp na 2026 toch niet verplicht, omdat de investering in het apparaat bij de huidige energieprijzen niet binnen zeven jaar is terug te verdienen, mede doordat het gasverbruik door onder andere isoleren en de verwarming minder hoog zetten, is gedaald. Door de besparingen is het gasverbruik vorig jaar zo'n 10% gedaald. De terugverdientijd voor hybride warmtepompen zou de komende jaren kunnen dalen door belastingmaatregelen op het gebied van het gasverbruik en mogelijk wordt de hybride warmtepomp iets goedkoper, tussen nu en 2026 zou de prijs 15% kunnen dalen.

1.5.9 Ontwikkelingen specifieke warmtenetten Stadsverwarming Purmerend heeft 15 miljoen euro nodig Stadsverwarming Purmerend heeft een extra lening nodig van 15 miljoen euro. Dat wordt onder andere veroorzaakt door de onverwachte uitval van de biowarmtecentrale begin dit jaar. Door lekkages moesten twee van de vier warmteketels buiten gebruik worden gesteld. Dat leidde ertoe dat SVP over moest schakelen op hulpcentrales die op duur aardgas draaien, en de reparatiekosten kwamen daar nog bij. Het verlies wordt geschat op 7,5 miljoen euro door de uitval. Die kosten kunnen niet geheel of deels worden terugverdiend door hogere warmtetarieven te vragen aan de klanten. De gemeente heeft dat eerder dit jaar tegengehouden. Daarnaast heeft SVP zal de komende jaren extra geld nodig in verband met de investeringen aan het warmtenet in Purmerend, onder meer veroorzaakt door de verwachte groei van het aantal aansluitingen. Het bedrijf verwacht daarvoor de komende jaren nog eens ruim 17 miljoen euro te moeten financieren. Subsidie voor warmtenet Twence (en Cogas) Cogas en Twence werken aan de ontwikkeling van een warmtenet in het stedelijk gebied van Twente. Het Ministerie van Economische Zaken stelt vanuit de Wis-regeling 17 miljoen euro beschikbaar om de aanleg van het Regionaal Warmtenet Twente (RWT) mogelijk te maken.

Het geld komt ter beschikking van Cogas en Twence, die de ontwikkeling samen met verschillende Twentse gemeenten oppakken. Daarmee kunnen 2.800 huishoudens in de Hengelose wijk De Nijverheid aardgasvrij verwarmd worden. Ennatuurlijk was tot een half jaar geleden ook betrokken bij de realisatie van het Regionale Warmtenet Twente. Dit energiebedrijf stapte er begin april uit, nadat duidelijk werd dat in de toekomst publieke partijen een meerderheid moeten hebben in infrastructuurprojecten voor 28

warmtenetten. Ennatuurlijk zegt de leveringszekerheid, duurzaamheid en betaalbaarheid niet te kunnen garanderen als zij geen meerderheidsbelang hebben. Amsterdam wil publiek warmtenetwerk De gemeente Amsterdam gaat zelf een publiek warmtenetwerkbedrijf oprichten om nieuwe warmtenetten aan te leggen. Dat staat in de nieuwe klimaatagenda die Wethouder Zita Pels (Duurzaamheid) 26 september 2023 presenteerde. Hierin staat dat duurzaamheid centraal komt te staan in alle plannen van de gemeente.Amsterdam bereidt de stap naar een publiek warmtenetwerkbedrijf voor en sorteert daarmee voor op de aangekondigde Wet collectieve warmte. De strategie en het proces moeten in 2024 verder uitgewerkt worden. Daarnaast wordt de aanpak voor het aardgasvrij maken van de stad verbreed. De gemeente zet in op warmtesystemen die functioneren op basis van duurzame, toekomstbestendige warmtebronnen zoals warmte uit een datacenter, het riool of het IJ. De gemeente Amsterdam wil bewonersinitiatieven faciliteren die een versnelling van de energietransitie als doel hebben. Zo zijn er in Amsterdam verschillende initiatieven om een eigen warmtebedrijf op te richten om zo meer zeggenschap te hebben over de toekomstige warmtevoorziening.

1.6

Waterstof voor mobiliteit

Het kabinet maakt 125 miljoen euro vrij om waterstof voor mobiliteit aan te zwengelen. De regeling zou volgens het kabinet veertig nieuwe waterstoftankstations en duizenden nieuwe waterstofvoertuigen moeten opleveren. Vanaf maart 2024 kunnen ondernemers subsidie aanvragen voor een waterstofproject. Bij elke aanvraag moet ten minste één tankstation in het plan zitten én de aanschaf van genoeg vrachtwagens of bussen om het tankstation vanaf de start rendabel te maken. Gemiddeld zijn voor één tankstation tien tot vijftien waterstofvrachtwagens nodig. In praktijk betekent dit vaak dat transportbedrijven en tankstationhouders hun krachten moeten bundelen in een subsidieaanvraag. Per waterstoftankstation kunnen ondernemers 40% van de kosten voor de bouw van het tankstation gesubsidieerd krijgen. Per vrachtwagen of bestelbus gaat het om 80% van het verschil in prijs met een dieselvariant. Bij een waterstoftankstations moeten zowel vrachtwagens als personenauto’s kunnen tanken. De subsidieregeling loopt van 2024 tot 2028. Met de 125 miljoen kunnen er naar schatting veertig tankstations gebouwd worden, met de voertuigen die nodig zijn om het station rendabel te laten draaien. Daarmee wil het kabinet een landelijk dekkend netwerk van waterstoftankstations bouwen. Deze ontwikkelingen zijn in lijn met onder andere Europese doelstellingen.

Europa eist dat er in 2030 langs alle Europese hoofdsnelwegen om de 150 kilometer waterstoftankstations te vinden zijn. Voor Nederland moeten dat er minimaal dertig zijn, verspreid over het hele land. Europa stelt eisen aan deze stations, bijvoorbeeld qua grootte, capaciteit en toegankelijkheid. Op dit moment zijn er zeventien waterstoftankstations in Nederland, waarvan er vier voldoen aan de Europese eisen die in 2030 gelden. In 2040 zijn dieseltrucks verboden in Europa en vanaf 2030 moeten er in de EU al 400.000 emissievrije trucks - op stroom of waterstof - rijden. Vanaf 2025 zijn de binnensteden van 29 Nederlandse gemeenten taboe voor fossiele bestelbusjes en vrachtwagens.

1.7

Netcongestie en leveringszekerheid

1.7.1 Netcongestie Lokale duurzame energieproductie, onder andere via zonnepanelen, en tevens een toenemende elektrificatie onder andere door de inzet van warmtepompen, leiden in toenemende mate tot problemen met de capaciteit van het elektriciteitsnet. Het is voor de netbeheerders een enorme opgave, ook in financiële zin, om deze capaciteitstekorten op te lossen. De netbeheerders zoeken daarom naar aanvullende financiering onder andere door kapitaalinjecties door bestaande of 29

nieuwe aandeelhouders. De regionale netbeheerders hebben een principeovereenkomst met het rijk voor deelname van het rijk. Met een kapitaalinjectie van 500 miljoen euro in Stedin, wordt het rijk voor 11,9% aandeelhouder van Stedin. Deze deelname van het rijk resulteert in €1,7 miljard euro aan extra financieringsruimte. De investeringen door de netbeheerders leiden tot een aanzienlijke toename van de activa van de netbeheerders (fig. 10).

Figuur 10. Ontwikkeling activa 3 grootste netbeheerders

1.7.2 Leveringszekerheid Tennet constateert dat de leveringszekerheid afneemt en in 2030 mogelijk de leveringszekerheidsnorm zal overschrijden. De afname van de leveringszekerheid wordt vrijwel geheel veroorzaakt door een versnelling van de afname van beschikbare flexibiliteit in de omringende landen, met name door extra buitenbedrijfstelling van conventioneel vermogen en verhoging van de elektriciteitsvraag. Om de leveringszekerheid op peil te houden, voorziet Tennet het plaatsen van 9 GW aan batterijen. Om dergelijke vermogens aan batterijen aan te kunnen sluiten en effectief in te kunnen zetten is het cruciaal dat deze op de juiste locatie op het hoogspanningsnet van TenneT worden aangesloten. Om de juiste locatie op het hoogspanningsnet te duiden, heeft TenneT de benodigde vermogens per provincie bepaald3. Omdat slechts een beperkt deel van dit batterijvermogen onder de huidige condities met en positieve businesscase valt te realiseren, komt het kabinet komt met een uitgebreid stimuleringspakket voor batterijen met vermogens vanaf 70 MW.

1.7.3 Power-to-heat en warmteopslag in relatie tot netcongestie Volgens CE Delft kunnen power-to-heat en warmteopslag helpen vraag en aanbod op het stroomnet beter aan elkaar te koppelen. Het onderzoek keek naar twee methodes voor power-to-heat: warmtepompen en elektrische boilers. Daarnaast keek het nog drie methodes voor warmteopslag: tankopslag (TTES), opslag in een geïsoleerd gat in de grond (PTES) en hogetemperatuuropslag in een ondergrondse waterlaag (HT-ATS).

3

https://tennet-drupal.s3.eu-central-1.amazonaws.com/default/202306/Kaart_provincies_batterijen_120623%20%282%29.pdf

30

CE Delft noemt een tweetal voorwaarden voor power-to-heat en warmteopslag, om een systemische bijdrage te leveren aan het benutten van overschotten aan hernieuwbare energie en het verminderen van aardgasgebruik. Ten eerste moeten elektrische boilers altijd flexibel kunnen worden ingezet als aanvulling op een warmtenet, ze moeten niet nodig zijn voor de normale warmtevraag. Ten tweede moet de inzet afhankelijk kunnen zijn van de elektriciteitsprijzen, in plaats van de warmtevraag. CE Delft beveelt daarbij een tijdelijke investeringssubsidie aan voor grootschalige langdurige thermische opslag en een duidelijk beoordelingskader om het vergunningsproces voor bodemopslagsystemen te standaardiseren.

1.8

Ontwikkelingen per duurzame bron

1.8.1 Zon-pv Nederland ’s werelds grootste importeur zonnepanelen Nederland was vorig jaar ’s werelds grootste importeur van zonnepanelen (fig. 11). De totale waarde van alle zonnepanelen die ons land binnenkwamen bedroeg bijna 12 miljard euro. Dat is ongeveer 2 miljard euro meer dan de op één na grootste importeur, de Verenigde Staten, aan zonnepanelen binnenhaalde. Dat een klein land als Nederland zoveel zonnepanelen importeert, komt onder andere doordat het grootste deel direct weer wordt geëxporteerd. Ongeveer 60% van de geïmporteerde panelen ging vrijwel direct opnieuw de grens over, vaak naar andere lidstaten van de Europese Unie.

Figuur 11. Import zonnepanelen inclusief herkomst. China is veruit de grootste leverancier van de zonnepanelen die Nederland importeert, met een aandeel van 89%. Die afhankelijkheid van China is te verklaren doordat in het land ook veel kritieke materialen te vinden zijn die in zonnepanelen zitten. Het gaat dan bijvoorbeeld om gallium, magnesium en zeldzame aardmetalen. China is voor elk van die kritieke materialen goed voor minstens 65% van de wereldproductie. Record elektriciteitsproductie zonnepanelen. In de maand juni was er in Nederland een recordproductie van zonnestroom en werd 35% van alle elektriciteit in Nederland geleverd door de zon. De totale productie bedroeg 3 terawattuur (TWh). Door het zonnige weer werd per paneel ca. 5% meer opgewekt en daarnaast is de hoeveelheid zonnepanelen met 25% gegroeid ten opzichte van vorig jaar. Europese zonnepanelenindustrie in zwaar weer. De Europese zonnepanelenindustrie verkeert in zwaar weer. De prijs van zonnepanelen in Europa is sinds begin 2023 met 25% gedaald waardoor Europese fabrikanten hun producten niet meer kwijtraken. Zonder acute hulp vanuit de EU dreigen faillissementen in de sector en komt het Europese doel om 30 GW aan productiecapaciteit terug te halen naar Europa in gevaar.

De prijsdaling van zonnepanelen is veroorzaakt door een grote overcapaciteit in de gehele productieketen van zonnepanelen waardoor de prijzen op alle fronten zijn gaan dalen. Dit is nog eens 31

versterkt door een lichte afname van de Europese vraag naar zonnepanelen in de tweede helft van dit jaar, vergeleken met de sterke vraag in 2022. Kosten terugleveren zonnestroom In augustus kondigde energiebedrijf Vandebron aan dat het klanten met zonnepanelen voortaan ‘terugleverkosten’ zou laten betalen. Een bedrag van € 4 euro tot maximaal € 46 per maand, afhankelijk van hoeveel stroom die klanten terugleveren aan het net. Na deze bekendmaking volgden vele andere energieleveranciers die in alle openheid, of soms meer verborgen, maatregelen troffen i.v.m. de sterke toename van de hoeveelheid teruggeleverde zonnestroom. Het gaat daarbij onder andere om het niet meer aanbieden van meerjarige contracten aan bezitters van zonnepanelen, het laten vervallen van een ‘welkomstbonus’, etcetera. De Autoriteit Consument en Markt heeft gesteld dat het in rekening brengen van de terugleverkosten is toegestaan. Deze maatregelen leiden ertoe dat het voor particulieren financieel minder aantrekkelijk wordt om zonnepanelen te installeren. Deze ontwikkelingen worden veroorzaakt door de huidige salderingsregeling voor zonnepanelen. Die bepaalt dat huishoudens de stroom die zij op zonnige momenten aan het net terugleveren, mogen verrekenen met de stroom die zij afnemen wanneer zon niet schijnt. Dit salderen maakt zonnepanelen voor eigenaren zeer lucratief.

Voor energiebedrijven betekent dit echter dat zij voor deze teruglevering vaak een tarief betalen dat (veel) hoger is dan de markwaarde op dat moment. Daar komt bij dat energiebedrijven door zonnepanelen regelmatig hoge ‘onbalanskosten’ moeten betalen. Wanneer er plotseling meer of minder zon is dan zij eerder hadden ingeschat, moet de netbeheerder daarvoor kosten maken, bijvoorbeeld door een gascentrale aan te laten zetten. Die kosten worden verhaald op de bedrijven die te veel of te weinig stroom hebben geleverd. Als de Eerste Kamer instemt wordt de salderingsmogelijkheid vanaf 2025 in zeven jaar afgebouwd naar nul. Dat moet mensen prikkelen om de zonnestroom zoveel mogelijk te gebruiken op de momenten dat die wordt opgewekt. De droger, vaatwasser en wasmachine aanzetten en vooral de elektrische auto laden als de zon schijnt. Zonnepanelen moeten wel lucratief blijven, door energiebedrijven te verplichten een 'redelijke terugleververgoeding' te betalen. Het kabinet wil dat de terugverdientijd van panelen rond de zeven jaar uitkomt. Zonne-folie Niet alle daken zijn geschikt voor zonnepanelen, die soms te zwaar zijn om door een dakconstructie gedragen te kunnen worden. Het Arnhemse bedrijf HyET Solar heeft 29 miljoen euro opgehaald bij investeerders om daarmee de productie van een licht, oprolbaar zonnefolie te kunnen ontwikkelen.

Een nadeel van de zonnefolie is dat het rendement relatief laag is. 12% van het zonlicht wordt omgezet in elektriciteit. Ter vergelijking: reguliere zonnepanelen halen een rendement van ruim 20%. Mede hierdoor is de kostprijs voor elektriciteit geproduceerd met zonne-folie het dubbele ten opzichte van de kostprijs van reguliere zonnepanelen. HyET Solar doet momenteel onderzoek met de TU Eindhoven naar nieuwe productietechnieken onder andere gericht op het realiseren van een hoger rendement.

1.8.2 Biomassa Raad van State vernietigt vergunning biomassacentrale Diemen In 2019 heeft de provincie een omgevingsvergunning verleend voor de komst van de biomassacentrale Diemen. De biomassacentrale zou jaarlijks maximaal 212 kiloton aan houtpellets verbranden waarbij de warmte die daarbij vrijkomt, zal gebruikt worden om huishoudens in de gemeenten Amsterdam, Diemen en Almere van warmte te voorzien. De provincie voerde toen aan dat dat nieuwe biomassacentrale voor minder uitstoot zou zorgen dan het complex met twee aardgasinstallaties (zie bovenstaande foto) die het zou vervangen. Nadat Mobilisation for the 32

Environment U.A. (MOB) eerder van de rechter ongelijk kreeg, ging MOB in hoger beroep bij de Raad van State. De Raad van State boog zich over de vraag of voor de biomassacentrale een milieueffectrapport opgesteld had moeten worden. Volgens de provincie zijn de houtpellets die Vattenfall wil verbranden geen afvalstof. De RvS is van mening dat Vattenfall de provincie te weinig concrete informatie heeft gegeven over de herkomst van de houtresten waarvan de pellets zijn gemaakt en over de intentie van degene die deze houtresten levert aan de producent van de pellets. Zonder die informatie kon de provincie niet uitsluiten dat de houtresten, en daarmee de pellets, als afvalstof moesten worden aangemerkt. Daarom is in dit geval een milieueffectrapport vereist. Omdat dit milieueffectrapport bij het verlenen van de vergunning ontbrak, is de eerder afgegeven omgevingsvergunning is vernietigd. Doordat de omgevingsvergunning voor de biomassacentrale is vernietigd, zal de provincie NoordHolland een nieuwe beslissing moeten nemen over de vergunningaanvraag van Vattenfall. Als de provincie de vergunning opnieuw wil verlenen, zal eerst een milieueffectrapport moeten worden opgesteld. Naar aanleiding van deze uitspraak zet Vattenfall de bouw van de biomassa-centrale bij Diemen voorlopig stil. Het concern onderzoekt alternatieven voor deze centrale.

1.8.3 Aquathermie Nieuwe handreiking aquathermie Aquathermie, het winnen van warmte of koude uit oppervlaktewater, afvalwater of drinkwater water om gebouwen te verwarmen of af te koelen, gebeurt al op zo’n 100 plekken in Nederland. Netwerk Aquathermie, STOWA en Warmte uit Water hebben op 12 juni een nieuwe online handreiking aquathermie4 gelanceerd. Hiermee willen ze de beschikbare tools en kennis voor iedereen die met aquathermie aan de slag wil, makkelijk toegankelijk maken. In de handreiking komen naast rapporten en tools ook veel praktijkvoorbeelden aan bod. De handreiking bestaat uit drie onderdelen: ‘basis’, ‘proces’ en ‘verdieping’. Het eerste onderdeel wijst mensen die zich voor het eerst op aquathermie oriënteren de weg. Wat is aquathermie? En is het handig voor mijn project of wijk? Het tweede deel ‘proces’ omschrijft de verschillende fases van een aquathermieproject, van oriëntatie tot realisatie. Bij iedere fase moet duidelijk worden wie er betrokken zijn, wat het doel is van de fase en welke afwegingen en afspraken de betrokkenen moeten maken. Voor wie er het fijne van wil weten, biedt het onderdeel ‘verdieping’ meer achtergrondinformatie over verschillende thema’s: technisch, financieel, stakeholders, juridisch en impact op de omgeving. Zo lees je hoe een businesscase van een aquathermieproject in elkaar steekt en welke impact op de ecologie kan optreden.

1.8.4 Wind Wind op zee. Er zijn forse ambities van de diverse Europese landen met betrekking tot de realisatie van (met name) wind op zee waarbij de huidige capaciteit van 16 GW moet groeien tot 61 GW in 2030 en 340 GW in 2050. Die doelen zijn ambitieus en om ze te halen zal de jaarlijkse uitrol van hernieuwbareenergieprojecten op zee aanzienlijk moeten stijgen. De Europese Rekenkamer vreest dat de uitbreiding van hernieuwbare offshore-energie in Europa schade zal toebrengen aan het zeemilieu, zowel onder als boven de zeespiegel. En die schade reikt verder dan de 3% Europese maritieme ruimte die de hernieuwbare-energieprojecten op zee tot 2030 zullen innemen. Naar de mening van 4

https://www.aquathermie.nl/handreiking/begin+handreiking/default.aspx

33

de Rekenkamer moeten lidstaten meer samenwerken om zo de impact op ruimte en ecologie te beperken. Ook zou de ecologische impact van duurzame energieprojecten op zee vooraf in ogenschouw genomen moeten worden. Wind op land Het Rijk en provincies zijn als onderdeel van het Energieakkoord (2013) een nationale doelstelling overeengekomen van 6.000 MW operationeel vermogen wind op land in 2020. Omdat deze doelstelling eind 2020 niet was gehaald, er aanvullende afspraken gemaakt voor de periode tot 2023. Uit de Monitor Wind op Land 2022 blijkt dat ondertussen aan de originele doelstelling en de aanvullende afspraken is voldaan. Eind 2022 was in Nederland 6.045 MW opgesteld vermogen wind op land operationeel, waarmee de doelstelling van 6.000 MW wind op land is behaald (fig. 12). In 2022 zijn een aantal grote en middelgrote windparken (deels) gerealiseerd, waardoor 759 MW netto is bijgeplaatst. Daarnaast zijn er nog meerdere projecten in aanbouw waardoor het windvermogen de komende jaren toeneemt. Eind 2022 zijn de projecten met een SDE-beschikking goed voor in totaal 946 MW netto. Met Windpark de 2e Maasvlakte (geen SDE-subsidie) komt het totaal van projecten waarvan de bouw is gestart, dan wel in voorbereiding is, op 1.063 MW. Hiervan zijn voor 782 MW de vergunningen onherroepelijk en voor 687 MW is de bouw inmiddels begonnen.

Figuur 12. Windvermogen (in MW) per fase en voortgang 2022 ten opzichte van 2021

1.8.5 Geothermie Eind 2022 waren er in Nederland 26 aardwarmtelocaties in bedrijf met in totaal 36 doubletten. Er zijn 100 projecten in voorbereiding. De totale warmteproductie uit geothermie is in 2022 ten opzichte van 2021 gestegen met 6% tot 6,4 PJ. Met deze productie is in totaal 193 miljoen m 3 aardgas bespaard waardoor de emissie van 365.000 ton CO 2 is vermeden.

34

2. Afval- en grondstoffen 2.1

Ontwikkelingen internationaal

2.1.1 Ierland komt met heffing op afvalverbranding Per 1 september 2023 introduceert de Ierse regering een heffing op het verbranden van afval van € 10 per ton en verhoogt ze de heffing op het storten van afval met € 10 naar € 85 per ton. Dit moet ervoor zorgen dat bewoners hun afval beter gaan sorteren en zo veel mogelijk gaan hergebruiken en recyclen. In 2020 was de hoeveelheid restafval in Ierland per persoon 372 kilo en die hoeveelheid moet flink naar beneden, vindt de Ierse overheid. Mede door de stortheffing is het aantal stortplaatsen in Ierland teruggebracht van 121 in 1992 tot drie in 2023.

2.1.2 RDF-export vanuit Engeland weer in lift Na een jarenlange afname exporteerde Engeland in de periode van januari tot en met juni 2023 met een hoeveelheid van ca. 775 kton, ca. 7% meer RDF dan in dezelfde periode van vorig jaar. Deze toename is mogelijk te verklaren door een lagere afvalproductie in de EU en de nood om minder gas te gebruiken uit Rusland. Zweden blijft de belangrijkste importeur van afval uit Verenigd Koninkrijk. Het land importeert 341 kton RDF uit Engeland. Maar ook Nederland blijft met 208 kton nog altijd een belangrijke importeur. Andere grote importeurs van Engels RDF zijn op dit moment Duitsland, Noorwegen en Denemarken. Hoeveelheid gestort gemeentelijk afval in VK in 2021 gestegen Na een daling in 2020, is de hoeveelheid gestort gemeentelijk afval in het Verenigd Koninkrijk in 2021 weer gestegen. Het recyclingpercentage van gemeentelijk afval en verpakkingsafval is ongeveer hetzelfde gebleven. In 2021 is in totaal 20,8 Mton huishoudelijk afval naar de stortplaatsen gestuurd. Dit is een stijging van 1,9 Mton ten opzichte van de hoeveelheid (18,9 Mton) in 2020.

2.2

Algemene ontwikkelingen Nederland

2.2.1 Lachgascilinders Sinds begin dit jaar valt lachgas onder de Opiumwet en hierdoor is het gebruik en het afdanken verboden en is het statiegeldsysteem op de cilinders vervallen. Sindsdien is het aantal lachgascilinders in het rest- en zwerfafval enorm toegenomen. Als de cilinders in een inzamelwagen of afvalverbrandingsoven onder druk komen, kunnen ze tot ontploffing komen. Dit heeft geleid tot enorme schade aan het materiaal, die volgens de VA en de NVRD inmiddels is opgelopen tot zeker 30 miljoen euro. Begin september maakten de VA en de NVRD bekend per direct lachgascilinders bij alle milieustraten in Nederland te accepteren, vanwege de problemen die lachgascilinders opleveren. Ondanks deze problematiek hebben de gesprekken met de ministeries van Justitie en Veiligheid en van Infrastructuur en Waterstaat, het OM en de politie voor de afvalsector nog geen resultaat opgeleverd. In Kamervragen aan demissionair minister Dilan Yesilgoz vraagt D66 onder andere om herinvoering van statiegeld op lachgascilinders. Vanwege de schade die ontstaat in de installaties, overweegt AVR huishoudelijk afval weigeren als hierin een gebruikte lachgascilinder wordt aangetroffen. AEB Amsterdam gaat over tot inspectie van al het afval voordat het wordt verbrand, om schade door lachgascilinders te voorkomen.

Daarnaast is AEB overgegaan tot het betalen € 10 per lege cilinder om de op deze wijze ingezamelde cilinders af te voeren voor bijvoorbeeld recycling. Vanwege het succes van deze regeling met 1.500 ingeleverde cilinders, en de mogelijk aantrekkende werking van lachgascilinders van buiten de regio, heeft AEB het bedrag dat mensen krijgen per ingeleverde lachgascilinder gehalveerd. 35

HVC en lachgascilinders. Vooruitlopend op landelijke besluitvorming, heeft HVC al in juli besloten om lege lachgascilinders op haar afvalbrengstations in te nemen. Daarnaast heeft HVC bioscoopbonnen uitgedeeld als beloning voor mensen die een lachgascilinder inleverden bij het afvalbrengstation in Dordrecht. Vanwege veiligheidsrisico’s zijn rondleidingen door de installatie in Dordrecht voorlopig opgeschort.

2.2

Inzamelen

2.2.1 Marktverdeling inzamelen huishoudelijk afval De trend waarbij in toenemende mate de inzameling van huishoudelijk afval door publiek bedrijven wordt, zet door (fig. 13). Deze toename gaat ten koste van het aandeel privaat (incl. PPS). De animo van private bedrijven om in te schrijven op openbare aanbestedingen voor deze inzameling, lijkt af te nemen.

Figuur 13. Ontwikkeling Inzameling huishoudelijk afval naar type bedrijf.

2.2.2 Elburg en Nunspeet dichter bij toetreding tot Fryslân Miljeu In de gemeenten Elburg, Ermelo, Harderwijk, Nunspeet en Oldebroek zamelt Aconov (een samenwerking tussen Remondis en Van Werven) het afval in. Dat was de uitkomst van de laatste aanbesteding van de afvalinzameling in 2018. Aconov was destijds de enige inschrijver, wat de landelijke tendens bevestigt dat de belangstelling van private partijen voor dit soort aanbestedingen afneemt. Daarnaast zou deelname in een overheidsgedomineerde inzamelorganisatie de inzameling minder kwetsbaar maken én die deelname zou het eenvoudiger maken om (zonder winstoogmerk) de dienstverlening aan te passen op basis van gemeentebeleid, wijzigingen in wet- en regelgeving of andere omstandigheden. Daarom hebben de betrokken gemeenten gekeken naar de opties voor deelname in een publieke inzamelorganisatie om mee samen te werken. In dat kader zitten verschillende Noord-Veluwse gemeenten nu in het besluitvormingsproces om de afvalinzameling per 2026 onder te brengen bij Fryslân Miljeu. Die zal dan per 1 januari 2026 het fijn restafval, gft en opk gaan inzamelen. In de regio zal daartoe een nieuwe Omrin-vestiging worden opgericht.

36

2.2.3 5 jaar inzameling bedrijfsafval met ‘white label’. Vijf jaar geleden starten PreZero en Renewi in Gouda met het inzamelen van bedrijfsafval onder één neutrale vlag. Een belangrijk doel hiervan was het beperken van het aantal afgelegde kilometers. In vijf jaar tijd heeft deze samenwerking in Gouda geleid tot 142.000 minder kilometers. Inmiddels is het concept onder de naam Green Collective in 25 gemeenten actief en eind dit jaar zullen dat er dertig, wellicht zelfs 32 zijn. Bij deze vorm van samenwerking zijn naast private bedrijven ook publieke inzamelaars van bedrijfsafval betrokken. De mogelijkheid om via een dergelijk white label inzameling ook bijvoorbeeld oud papier en karton in te zamelen, wordt onderzocht. In Tilburg is het Green Collective een samenwerking tussen Bat (Brabants Afval Team) en Renewi en PreZero. Bat heeft de eerste drie elektrische achterladers in Tilburg in gebruik genomen die zowel voor de inzameling van huishoudelijk afval als voor de gecombineerde inzamelroutes voor bedrijfsafval worden ingezet. Met de aankoop anticipeert Bat op de invoering van de nul-emissiezone in het centrum van Tilburg en de omliggende gebieden, die vanaf 1 januari 2025 van kracht wordt.

2.3

Samenstelling huishoudelijk restafval

Het Nederlands huishoudelijk restafval bestond in 2021 voor 34% uit gft-afval en ondefinieerbare rest (fig. 14)5. Ook de componenten papier/karton en kunststoffen zijn, met respectievelijke aandelen van 20% en 13%, omvangrijke componenten in het huishoudelijk restafval. Samen vormen deze drie componenten twee derde van het Nederlands huishoudelijk restafval. Van de relatief kleinere hoofdcomponenten zijn incontinentiemateriaal en glas met 6,3% en 4,5% de grootste.

Figuur 14. Driejaarlijks gemiddelde samenstelling van het Nederlands huishoudelijk restafval 2021 Veranderingen in de gescheiden inzameling hebben invloed op de samenstelling van het restafval (fig. 15). De gescheiden inzameling van gft-afval vanaf begin jaren ‘90 heeft het aandeel van deze component in het restafval duidelijk doen afnemen en daarmee dat van andere componenten doen stijgen. Dit zegt dus niets over de mate van afvalscheiding van die componenten. Duidelijk is wel dat 5

NB de samenstelling wordt hier weergegeven als het gemiddelde over de jaren 2020, 2021 en 2022.

37

gft-afval en papier/karton de omvangrijkste stromen blijven in het huishoudelijk restafval. Begin jaren ‘80 heeft de hoofdcomponent kunststoffen de hoofdcomponent glas verdrongen van de derde plaats. Het aandeel kunststof nam tot en met 2008 toe. Vanaf 2009 is er gedurende enkele jaren een duidelijke afname te zien. Dit kan verklaard worden door de brongescheiden inzameling van kunststof-verpakkingen die in 2010 is ingevoerd. Incontinentiemateriaal (waaronder luiers) is vanaf halverwege de jaren tachtig in het restafval te vinden waarbij het aandeel toenam tot ruim 11% in 1996. Na de eeuwwisseling is het aandeel gaan dalen en sinds 2005 lag het rond de 5%. Vanaf 2010 is het aandeel weer gestegen. De overige hoofdcomponenten zijn in relatie tot het totaal redelijk stabiel.

Figuur 15. Ontwikkeling van het aandeel van de verschillende hoofdcomponenten in het huishoudelijk restafval (voortschrijdend driejaarlijks gemiddelde 1972 – 2021).

2.4

Diftar/recycletarief.

2.4.1 Toename tariefdifferentiatie op afvalaanbod zet door. Het aantal gemeenten met tariefdifferentiatie op het afvalaanbod (diftar) stijgt nog steeds. In 2022 had 54% van de gemeenten diftar. In 2021 was dit 50%. Ook stijgt het aandeel huishoudens met diftar weer. In 2022 woonden bijna 2 op de 5 huishoudens (39,4%) van de aangeslagen huishoudens in een gemeente met diftar. Diftar wordt vooral toegepast in kleine, weinig tot niet-stedelijke gemeenten buiten de Randstad (fig. 16). Een uitzondering vormen Maastricht en Nijmegen die wel buiten de Randstad liggen maar tot de grotere steden van Nederland behoren. De meeste gemeenten met diftar hebben een ‘volume en frequentie’ systeem ingevoerd (86 gemeenten). De andere hoofdsystemen van diftar zijn ‘dure zak’ (34 gemeenten) en ‘volume, frequentie en aantal personen’ (31 gemeenten). De overige gemeenten met diftar (34 gemeenten) hebben een ander of combinatie van systemen. 38

De afvalbeheerkosten zijn in gemeenten met diftar gemiddeld lager dan in de overige gemeenten (fig. 17). In 2022 bedragen de kosten in gemeenten met diftar gemiddeld € 262 per huishouden, een stijging van € 6,37 ten opzichte van 2021. Over het algemeen wordt in deze gemeenten minder restafval ingezameld. De afvalbeheerkosten vallen daardoor lager uit.

Figuur 16. Overzicht gemeenten waar wel of geen Diftar-systematiek is ingevoerd.

39

Figuur 17. Ontwikkeling van de afvalbeheerskosten per tariefsysteem HVC en recyletarief. Steeds meer gemeentes waarvoor HVC de inzameling verzorgt, gaan over op het recycletarief. Dit leidt niet alleen tot een forse daling van de hoeveelheid restafval en toename van de hoeveelheid gescheiden ingezamelde secundaire grondstoffen, maar i.h.a. ook tot een lagere afvalstoffenheffing.

2.4.2 Waardlanden stapt over op diftar De Waardlanden-gemeenten Gorinchem, Hardinxveld-Giessendam en Molenlanden waren eigenlijk van plan om vanaf 1 januari 2023 over te stappen op diftar, onder de noemer 'recycletarief'. In de zomer van 2022 bleek dat echter niet haalbaar. Waardlanden en haar leveranciers hadden onder meer door de oorlog in Oekraïne last van materiaal- en personeelstekorten, waardoor bijvoorbeeld de benodigde verzamelcontainers en kaartlezers niet tijdig gereed waren. Daarom is uiteindelijk besloten tot een nieuwe invoerdatum, van 1 januari 2024. In Vijfheerenlanden zijn al wel wijzigingen in de inzamelsystematiek doorgevoerd ook al heeft deze gemeente nog niet besloten of en wanneer er diftar wordt ingevoerd. De gemeente wil namelijk eerst het effect van de overige maatregelen evalueren.

2.5

Ontwikkelingen per deelstroom

2.5.1 plastic-, metaal- en drankverpakkingen (pmd) Meer recyclingcapaciteit voor PolyAl uit drankenkartons Drankenkartons bestaan naast papier voor ongeveer 25% uit PolyAl. PolyAl is het nietvezelcomponent van kartonverpakkingen: de lagen polymeren en aluminium die worden gebruikt als barrière tegen zuurstof en vocht om voedsel in drankenkartons te beschermen.Tetra Pak en Recon Polymers investeren 1 miljoen euro in de recyclinginrichting voor polyethyleen en aluminium uit drankenkartons in Roosendaal. De recyclingcapaciteit neemt zo toe tot minstens 8.000 ton per jaar. De recyclinginrichting van Recon Polymers richt zich in het bijzonder op het recyclen van 40

polyethyleen en aluminium (PolyAl) uit drankkartons afkomstig van ingezamelde verpakkingen uit Frankrijk, België en Nederland. Dankzij de verhoogde capaciteit zal in deze fabriek ongeveer 30% van al het PolyAl uit drankkartons worden gerecycled die in deze landen worden ingezameld voor recycling. vervuiling pmd Bij een vervuiling van meer dan 15% stoorstoffen in ingezameld plastic, metaal en drankkartons (PMD-afval), wordt de betreffende vracht afgekeurd en alsnog afgevoerd naar de afvalverbranding. Recent onderzoek laat zien dat veel plastic afval dat gescheiden wordt ingezameld, alsnog in de verbrandingsovens belandt. Mede n.a.v. deze recente publicaties zijn door Haverkort (VVD) diverse vragen aan de Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat gesteld6. Hij stelt daarin onder andere de vraag waarom vrachten die worden afgekeurd vanwege een te groot percentage restafval in het pmd-afval niet alsnog worden nagescheiden. Ook stelt hij onder andere vragen over standaardisatie van het afvalinzamelsysteem en over machinaal scheiden versus bronscheiding.

HVC en vervuiling pmd Het afkeurpercentage voor pmd is sterk afhankelijk van de gemeente en (onder andere ) van de door de gemeente gehanteerde inzamelmethode. Het gemiddelde afkeurpercentage bedraagt ca. 5% waarbij sprake is van een oplopende trend.

Statiegeld flesjes en blik Begin augustus bleek dat inzameldoelstellingen bij plastic flessen bij lange na niet worden gehaald. Het bedrijfsleven is wettelijk verplicht 90% in te nemen, maar in 2022 kwam slechts 68% terug via de statiegeldroute. Demissionair staatssecretaris Vivianne Heijnen van Milieu eist daarom maatregelen. Ze vindt dat Afvalfonds Verpakkingen, dat hier verantwoordelijk voor is, meer moet doen om het statiegeldsysteem te verbeteren. Zo moeten er meer inleverpunten komen. Afvalfonds zegt bezig te zijn met een plan om inzameling te verhogen en met meer inzamelpunten, zoals op stations, bij sportverenigingen, luchthavens, scholen en attractieparken. Maar het bedrijf vindt dat de consument ook meer kan doen. Onder meer met gedragsonderzoekers wordt gekeken wat goede inleverplekken zouden zijn. Ook is Afvalfonds met gemeenten in gesprek om daar lokaal de overlast te verminderen. Deze overlast bestaat onder andere uit een toename van de hoeveelheid zwerfafval doordat statiegeldflesjes en -blikjes uit prullenbakken worden gevist en vuilniszakken worden opengehaald. Recycling Netwerk Benelux (RNB) becijferde onlangs dat het bedrijfsleven in 2022 84 miljoen euro zou hebben verdiend aan niet ingeleverde statiegeldflessen.

Het Afvalfonds Verpakkingen geeft aan het statiegeld dat door consumenten is betaald over de niet-ingeleverde flesjes en blikjes binnen stichting Statiegeld Nederland blijft en wordt ook gebruikt om het statiegeldsysteem verder te optimaliseren, nieuwe inname-apparaten aan te schaffen, de uitbreiding van innamepunten en communicatiecampagnes. De inspectiedienst ILT, verantwoordelijk voor het toezicht op de gemaakte afspraken, kijkt naar het lage inzamelpercentage en zal na een analyse komen met eventuele maatregelen.

6

https://www.tweedekamer.nl/kamerstukken/kamervragen/detail?id=2023Z14758&did=2023D35706

41

De invoering van statiegeld op blik heeft wel geleid tot een forse afname van de hoeveelheid blikjes in het zwerfafval. Deze hoeveelheid is nl. ruim gehalveerd. Op de meeste blikjes die nu nog gevonden worden, zit geen statiegeld. Ook was er in het eerste half jaar van 2023 sprake van een halvering van de hoeveelheid sapflesjes in het zwerfafval ten opzichte van dezelfde periode in 2019-2021. Dit komt mogelijk een aantal bedrijven sinds 2022 op vrijwillige basis statiegeld op deze flesjes zijn gaan heffen. Er lijkt wel sprake te zijn van een toename van het aandeel karton als drankverpakking, m.n. verpakkingen van limonade en water. Omdat hier geen statiegeld op zit, worden deze in toenemende mate in het zwerfafval aangetroffen. Meer geld voor zwerfafvalplannen gemeenten In het Platform Ketenoptimalisatie (PKO) hebben de VNG, ondersteund door de NVRD, en het Afvalfonds Verpakkingen onlangs besloten het totaal resterende budget uit de zogenoemde Zwerfafvalvergoeding van ruim 11 miljoen euro alsnog beschikbaar te stellen voor extra inzet in de strijd tegen zwerfafval. De maximale vergoeding per inwoner komt nu uit op € 1,14, meldt de NVRD. Om aanspraak te kunnen doen op de vergoeding voor activiteiten in 2023 en 2024 kan een gemeente van 1 oktober 2023 tot en met 30 november 2023 een (jaar)plan indienen via WasteTool.

Binnen acht weken hoort de gemeente of het ingediende plan toereikend is en goedgekeurd kan worden. Wanneer de ingediende en goedgekeurde (jaar)plannen het totale resterende budget van ruim 11 miljoen euro overschrijden, wordt de maximale vergoeding per inwoner naar rato verlaagd.

2.5.2 Textiel UPV Textiel Stichting UPV Textiel heeft 527 kleding- en textielbedrijven bijeen gebracht, die via een gezamenlijke aanpak willen voldoen aan nieuwe wetgeving voor uitgebreide producentenverantwoordelijkheid. Zij vertegenwoordigen ruim 60% van de totale markt. Met een collectieve melding aan het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat is Stichting UPV Textiel nu officieel de producentenorganisatie geworden voor de UPV Textiel. Dit najaar start een onderzoek naar de huidige infrastructuur voor de gescheiden inzameling van huishoudelijk textiel. Het is één van de eerste stappen die ketenpartners zetten richting een raamovereenkomst in het kader van de UPV Textiel. De stichting UPV Textiel gaat in overleg met publieke afvalbedrijven (NVRD), gemeenten (VNG), kringloopbedrijven (BKN) en textielverwerkers (VHT) de route bepalen richting een raamovereenkomst met Stichting UPV Textiel. Stichting UPV Textiel sprak de intentie uit gebruik te willen van de huidige inzamelstructuur voor textiel. In het kader van die raamovereenkomst wordt dit najaar in ieder geval een nulmeting gedaan: een onderzoek naar de huidige infrastructuur voor de gescheiden inzameling van huishoudelijk textiel.

Statiegeld op kleding Met de oprichting van de stichting Never Ever Waste (New) wil het Nederlandse kledingmerk New Optimist zorgen voor een statiegeldsysteem, waar ook andere modemerken aan kunnen deelnemen. Dit statiegeldsysteem moet gaan garanderen dat ingeleverde kleding wordt gerecycled en een tweede leven krijgt. Door ieder kledingstuk te voorzien van een QR-code kan de levenscyclus van ieder kledingstuk worden gevolgd, tot aan recycling. De stichting beheert de statiegelden voor alle kledingmerken die deelnemen aan dit statiegeldsysteem en functioneert als financiële en administratieve entiteit voor het statiegeldsysteem. New Optimist is geen deelnemer aan de Stichting UPV Textiel.

42

2.5.3 UPV luiers In 2021 heeft het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat (IenW) een verkenning laten uitvoeren om de knelpunten bij de inzameling en hoogwaardige recycling van luiers en incontinentiemateriaal in beeld te brengen. In navolging daarvan gaf staatssecretaris Vivianne Heijnen van IenW ruim een jaar geleden aan dat zij aan de slag zou gaan met een uitgebreide producentenverantwoordelijkheid (UPV) voor luiers en incontinentiemateriaal. Deze luier-UPV werd afgelopen februari officieel aangekondigd in het Nationaal Programma Circulaire Economie (NPCE) en zal gelden vanaf 2026. IenW gaf eerder dit jaar ook aan adviesbureaus Tauw en Rebel opdracht om een adviesrapport met aanbevelingen voor de UPV op te stellen. De adviesbureaus schrijven dat een effectief UPV-systeem aan een aantal randvoorwaarden voldoet: het moet uitvoerbaar, handhaafbaar en kostendekkend zijn. De vraag die tijdens het onderzoek naar voren is gekomen is wat hiervoor het meest geschikte moment is. Dit komt omdat er op dit moment onvoldoende recyclingcapaciteit is voor de doelstelling van 12,5% recycling van het op de markt gebrachte volume. De recyclingcapaciteit zal dus moeten worden gebouwd in de komende jaren. Er zijn vergevorderde plannen voor het bijbouwen van recyclingcapaciteit, zodat naar verwachting de capaciteit rond 2025 voldoende is voor 12,5%.

De timing van het bouwen van de capaciteit en het behalen van de doelstelling zullen op elkaar moeten worden afgestemd. Het andere grote probleem is dat de UPV-wetgeving gericht is op de achterkant van de keten, terwijl de grootste milieuwinst te halen valt in aan de voorkant (preventie). Meer onderzoek is nodig naar eventueel flankerend beleid dat gericht is op de voorkant van de keten. De recyclingdoelstelling van 12,5% is een goed begin. De adviesbureaus stellen voor om dit percentage lineair te laten groeien naar 25%, vijf jaar na invoering. Ook adviseren ze om de percentages voor inzameling te laten volgen op het recyclingpercentage zodat er voldoende materiaal beschikbaar is voor recycling. Dit betekent een inzameldoelstelling van minimaal 30% van het vrijkomende eenmalige luier- en incontinentieafval in Nederland bij het invoeren van de UPV. Zo is er voldoende gescheiden ingezameld materiaal beschikbaar voor de verwachte recyclingcapaciteit die tot die tijd wordt ontwikkeld. In de daaropvolgende vijf jaar kan de inzameldoelstelling groeien naar 45% (3%punt per jaar).

2.5.4 Oud papier en karton. Uit de jaarlijkse enquête van de Federatie Nederlandse Oudpapier Industrie (FNOI) blijkt dat er in 2022 zowel minder huishoudelijk oud papier en karton (opk) als bedrijfsmatig opk is ingezameld ten opzichte van een jaar eerder (fig. 18). De hoeveelheid opk uit huishoudens daalde van 825 kton naar 765 kton (-7,3%) terwijl ook de hoeveelheid opk van KWDI-bedrijven daalde (- 1,2% naar 1.630 kton ). De totale inzameling nam dus af van 2.475 kton naar 2.395 kton (-3,2%). De trendmatige daling van de hoeveelheid gescheiden ingezameld opk wordt m.n. veroorzaakt door een terugloop van de opk inzameling bij huishoudens. Dit wordt waarschijnlijk mede veroorzaakt door een daling van het aantal abonnementen op papieren kranten en tijdschriften. De FNOI verwacht dat in 2023 een verdere daling van de ingezamelde hoeveelheid papier en karton te zien zal zijn. De ontwikkeling in Nederland is in lijn met de Europese ontwikkelingen. Europees is de inzameling van opk in 2022 met 5% gedaald ten opzichte van 2021.

43

Figuur 18. Ontwikkeling hoeveelheid ingezameld oud papier en karton in Nederland.

2.5.5 Gescheiden inzamelen van gft: alles uit de kast De aangepaste Europese Kaderrichtlijn afvalstoffen treedt per 1 januari 2024 in werking. Die schrijft voor dat iedere inwoner vanaf die datum de gelegenheid moet hebben om gft gescheiden aan te bieden ter inzameling en recycling. Alhoewel Nederland al een langjarige traditie heeft voor het gescheiden inzamelen van gft, zal ook Nederland naar verwachting op deze datum nog niet aan deze Europese verplichting voldoen. Met name grote, sterk verstedelijkte gemeenten, zullen nog forse stappen moeten zetten om tot een dekkend systeem te komen. Extra inspanningen zowel aan de voorkant (via bijvoorbeeld de wel/niet-lijst voor gft-afval) als bij de gft-verwerkers zorgen voor een geleidelijke verbetering van zowel de kwaliteit van het ingezameld gft (fig. 19) als de kwaliteit van de geproduceerde compost (fig. 20). Evengoed bevat nog steeds ca. 25% van alle gft vrachten meer dan 5% vervuiling.

Figuur 19. Ontwikkeling gemiddeld vervuilingspercentage van bij verwerkers aangeleverd gft.

44

Figuur 20. Ontwikkeling gemiddelde kwaliteit gft compost.

2.5.6 AEEA Herziening Europese richtlijn Tot vrijdag 22 september liep er een Europese raadpleging over de herziening van EU-Richtlijn AEEA. In totaal kwamen er 129 geldige reacties op de raadpleging. De Fead, de Europese brancheorganisatie van afvalbedrijven, pleit daarin onder andere voor meer nadruk op het verminderen van de AEEA-stroom door repareerbaarheid en recyclebaarheid te promoten. Daarnaast is volgens de Fead harmonisering van belang, om zo verschillen per lidstaat op het gebied van bijvoorbeeld afvalbeheer en handhaving te verminderen. Fead is voorstander om de Richtlijn AEEA bij de herziening om te zetten in een AEEA-Verordening, waarmee maatregelen directer opgelegd kunnen worden aan lidstaten. Fead is kritisch op de ‘universele’ inzameldoelstelling van 65% onder andere omdat sommige apparaten een veel langere levensduur hebben. Fead stelt ook voor om voor batterijen en apparaten met batterijen een statiegeldsysteem te realiseren om het correct weggooien te stimuleren. Inzamelresultaten Nederland Stichting Organisatie Producentenverantwoordelijkheid E-waste Nederland (Stichting OPEN) geeft namens alle producenten en importeurs van elektrische apparaten in Nederland invulling aan de wettelijke producentenverantwoordelijkheid voor afgedankte elektrische en elektronische apparaten (AEEA of e-waste).

Uit de monitoringsrapportage blijkt dat Stichting Open in 2022 ongeveer 7,5 kton meer AEEA inzamelde dan in 2021 (fig. 21). Dat is een stijging van 2%. Volgens de stichting is dit te danken aan afspraken die gemaakt zijn met de metaalbranche en het succes van Wecycle campagnes, die leidden tot minder AEEA in het huisvuil.

Figuur 21. Ontwikkeling hoeveelheid ingezameld AEEA. 45

Alhoewel er sprake is van een toename van de hoeveelheid ingezameld AEEA, worden de doelstellingen op basis van de hoeveelheid op de markt gebrachte AEEA, niet gerealiseerd. De Stichting Open is van mening dat de doelstelling op basis van de hoeveelheid op de markt gebrachte AEEA niet reëel is onder andere omdat veel producten veel langer mee gaan dan de 3 jaar waarop de doelstelling is gebaseerd. Ook doet dit geen recht aan de wens om te komen tot meer reparatie i.p.v. afdanken.

2.5.7 Batterijen Voor het tweede jaar op rij is het aantal ingezamelde batterijen gedaald. Ook het inzamelpercentage blijft onder de wettelijke doelstelling. Het inzamelpercentage daalde in 2022 ook verder, naar 41,1%. De wettelijke doelstelling is 45%. In 2021 werd deze doelstelling ook niet behaald, met een inzamelpercentage van 43,3%. In 2020 werd de doelstelling voor het laatst wel behaald, met 48,1%. Stibat benadrukt echter dat dit lage inzamelpercentage vooral veroorzaakt wordt door de lithiumbatterijen. Wanneer die niet meegerekend worden, behaalde Stibat een inzamelpercentage van 56,7%. In het afval aanwezige batterijen zijn een belangrijke oorzaak voor afvalbranden. Het verhogen van de gescheiden inzameling daarvan, zowel de ‘losse’ inzameling als de inzameling van de apparaten waar deze batterijen in zitten, is dan ook een belangrijke maatregel om afvalbranden te voorkomen.

2.6

(Secundaire) grondstoffen

2.6.1 CO2 als grondstof Productie methanol Tot nu toe zijn tachtig projecten aangekondigd om methanol te maken zonder fossiele brandstoffen te gebruiken. Als die allemaal doorgaan, zal de productiecapaciteit rond 2027 meer dan 8 miljoen ton bedragen. In China is de eerste fabriek ter wereld geopend die op commerciële schaal CO 2 omzet in methanol. De fabriek zal naar schatting 500.000 ton CO2-uitstoot per jaar besparen in vergelijking met installaties die methanol uit steenkool maken. Methanol is een vloeistof die ook wel houtalcohol of brandalcohol wordt genoemd. Het wordt gebruikt als brandstof en voor de productie van chemicaliën zoals kunststoffen. Gewoonlijk wordt methanol gemaakt uit steenkool of aardgas. De installatie, beheerd door het bedrijf Shunli, gebruikt CO2 die wordt opgevangen bij de productie van kalk. Die CO2 wordt gecombineerd met waterstof die vrijkomt wanneer kolen worden verhit om cokes te maken voor de staalproductie. De fabriek kan jaarlijks 160.000 ton CO2 omzetten in 110.000 ton methanol. North-C-Methanol project Gent Tien private en publieke partners werken samen in het North-C-Methanol project in Gent. Samen zullen deze partners jaarlijks de CO2-emissie met 140.000 ton verminderen en 44.000 ton groene methanol aanmaken voor de lokale chemische industrieën en als brandstof voor schepen en treinen.

North-C-Methanol is een grootschalige demofabriek goed voor een investering van 140 miljoen euro. North-C-Methanol voorziet in de bouw van twee grootschalige demofabrieken en ondersteunende infrastructuur. De eerste installatie betreft een elektrolyser van 65 megawatt waar water via windenergie wordt omgezet in groene waterstof en zuurstof. De tweede installatie is een methanolfabriek waar deze groene waterstof wordt gebruikt om de opgevangen CO2-uitstoot van grote lokale industriële spelers zoals ArcelorMittal en Alco Bio Fuel om te zetten naar groene methanol. De lokale chemische industrie en hernieuwbare brandstofindustrie, waartoe Cargill 46

behoort, neemt de methanol op haar beurt af als groene grondstof en/of als groene brandstof voor schepen en treinen. CO2 -mineralisatie De Rotterdamse start-up Paebbl laat het CO2 onder verhoogde druk en tempratuur met het mineraal olivijn reageren. Voor dat proces is weliswaar energie nodig is (en er is dus sprake van CO2-emissies) maar die hoeveelheid is slechts een fractie van de uitstoot die wordt opgeslagen. Bovendien komt er, als de reactie eenmaal loopt, veel meer energie vrij in de vorm van warmte dan er nodig is om het proces aan te zwengelen. Het eindproduct is bovendien stabiel voor miljoenen jaren. Het eindproduct kan niet alleen als zand- of grindvervanger worden gebruikt, maar heeft ook bindende eigenschappen heeft waardoor het deels cement vervangen. De uitstoot die daarmee vermeden wordt, telt mee in de milieuscore van de producten die Paebbl maakt. Paebbl met ondertussen ca. 30 medewerkers, wist recent een groep buitenlandse investeerders aan te trekken. Een injectie van 8 miljoen euro moet de techniek van CO2 -mineralisatie de kans geven om het labstadium te ontgroeien en stevig op te schalen. CO2 als grondstof voor lithiumbatterijen In Terneuzen bouwt het bedrijf Alta Carbon Technologies met een subsidie van het Europese Just Transition Fund, een pilot-fabriek om CO2 afkomstig van de chemische industrie om te zetten naar een vloeistof voor batterijen.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://raad.noordoostpolder.nl/api/v1/meetings/2106/documents/36711