D11 03 Contextanalyse najaar 2025.pdf
Tekst van het document
Daardoor produceren hoge molens per eenheid vermogen meer windenergie. Op land staan de meeste windmolens in Flevoland en in de kuststreek. In de kuststreek speelt het grotere windaanbod een belangrijke rol. Bij de plaatsing van de windmolens is het windaanbod echter niet de enige factor. Ook de beleving van de inpasbaarheid in het landschap speelt een belangrijke rol. (bron CBS) De doelstelling voor 2040 is in juli 2025 door het kabinet bijgesteld van 50 naar 30 tot 40 gigawatt omdat de business case voor nieuwe
26
windparken op zee minder gunstig is geworden door gestegen bouwkosten en vertraging in de verduurzaming van de industrie. Door het achterblijven van de industriële verduurzaming is veel minder groene stroom nodig dan gedacht. Volgens eerdere plannen moest in 2030 21 GW staan aan windenergie, in 2040 rond de 50 GW en in 2050 zo’n 70 GW. Aangezien een miljoen huishoudens gemiddeld zo’n 1 GW per jaar gebruiken zou stroom van latere windparken vooral bestemd zijn voor verduurzaming van de industrie. Wind op zee was daarmee de ruggengraat van de energietransitie. Probleem is dat vraag en aanbod van stroom nu niet gelijk opgaan. Het kabinet wil voorkomen dat de Noordzee straks vol staat met windmolens die hun stroom niet kwijt kunnen en dat netbeheerder TenneT infrastructuur aanlegt in zee die jaren niet wordt gebruikt.
3.3.7 Bronnenstrategie Een bronnenmix is de samenstelling van verschillende beschikbare warmtebronnen, zoals aardwarmte, restwarmte en zonnewarmte, die worden ingezet om aan de warmtevraag te voldoen. Een bronnenstrategie is het plan dat bepaalt welke bronnen, opslagmethoden en omzettingen voor een bepaalde locatie het meest kansrijk zijn, en hoe en waar deze ingezet zullen worden, met als doel een optimale, duurzame warmtevoorziening te realiseren. Bronnen zijn niet altijd lokaal aanwezig en niet altijd beschikbaar op het moment dat er vraag naar is. En warmtebronnen zijn nodig in de buurt van de warmtevraag. Het is daarom belangrijk om kennis te ontwikkelen over de lokaal beschikbare bronnen om plannen te kunnen ontwikkelen.
Volgens de minister betekent het afzwakken van de ambities voor 2040 niet dat klimaatdoelen voor 2030 en 2050 nu verder uit zicht raken. Het wordt wel hard werken om op tijd de 21 GW aan windmolens in zee te plaatsen. Die ambitie is eerder al verschoven van 2030 naar 2032. Nu staat er 5 GW. In de op Prinsjesdag gepresenteerde Miljoenennota is bekend gemaakt, dat het demissionaire kabinet 1 miljard euro uittrekt om de bouw van windparken op zee te stimuleren. Het geld, afkomstig uit het Klimaatfonds, moet de opgewekte stroom vergroten. Het kabinet verwacht dat windmolens op zee de manier is om op korte termijn grote hoeveelheden groene energie op te wekken. Daarnaast streeft het kabinet naar maatregelen die het op lange termijn aantrekkelijk moeten maken om windparken op zee te bouwen. Via Contracts for Differences (CFD’s) ontvangen windparkeigenaren subsidie wanneer de inkomsten laag zijn. En dragen af als de prijzen hoog zijn.
HVC Contextanalyse, najaar 2025
Bron: Gemeente Utrecht
27
3.4
Specifieke thema’s
3.4.1 Netcongestie Prioritering geothermie Netcongestie speelt een belangrijke rol bij de realisatie van duurzame bronnen. Om warmte uit de grond te kunnen halen is stroom nodig. Geothermieprojecten krijgen voor de benodigde stroom (nog) geen prioriteit bij de aanvraag van een aansluiting op het stroomnet, ook al helpen warmtenetten voor verwarming bij het ontlasten van het elektriciteitsnet. De huidige stand van zaken is dat warmtenetten wel prioriteit hebben gekregen, maar geothermie niet. Om dat laatste mogelijk te maken zou de ACM het zogeheten prioriteringskader moeten aanpassen dat in 2024 in werking is getreden. De Autoriteit Consument & Markt (ACM) publiceerde in de zomer van 2025 een ontwerpbesluit voor een nieuw maatschappelijk prioriteringskader. In dat kader is vastgelegd welke categorieën stroomverbruikers met voorrang in aanmerking komen voor transportcapaciteit. Op het ontwerpbesluit konden belanghebbenden een zienswijze indienen, waarna de ACM nog dit jaar een definitief besluit zal nemen. Het nieuwe prioriteringskader moet op 1 januari 2026 in werking treden. Het nieuwe kader is nodig, omdat het huidige kader afgelopen maart door het College van Beroep voor het bedrijfsleven (CBb) is vernietigd. De ACM moet de voorrangregels opnieuw onderbouwen en vaststellen. Het ‘oude’ kader blijft van kracht tot 1 januari 2026.
Zowel in het nieuwe als het huidige prioriteringskader hanteert de ACM drie hoofdcategorieën van gebruikers die recht hebben op voorrang. Ten eerste zijn dat ‘congestieverzachters’ (zoals batterijen), die ervoor
HVC Contextanalyse, najaar 2025
kunnen zorgen dat er juist meer capaciteit op het net vrijkomt. In de tweede categorie vallen bedrijven en organisaties die bijdragen aan ‘veiligheid’, waaronder defensie, politie en acute gezondheidszorg. De derde categorie omvat ‘basisbehoeften’, waar bijvoorbeeld drinkwaterbedrijven, scholen, woningbouw en gas- en warmtenetten onder vallen. Ten opzichte van het bestaande kader wil de ACM aan deze categorieën enkele functies toevoegen, zodat meer sectoren in aanmerking komen voor een prioriteitsbehandeling. Netbeheer Nederland pleit ervoor daar een functie aan toe te voegen, namelijk de productie van alternatieve energiedragers als warmte en groen gas. De gedachte is dat de inzet van warmte en groen gas het gebruik van elektriciteit kan verminderen en dus de druk op het elektriciteitsnet kan verlichten. Installaties voor de productie van groen gas of warmte zijn weliswaar geen directe congestieverzachters, maar ze spelen wel “een belangrijke rol in het beperken van de toekomstige elektriciteitsvraag” en zouden om die reden in het prioriteringskader opgenomen moeten worden. Batterijen De Nederlandse markt voor batterijen groeit naar verwachting dit jaar van 500 megawattuur naar bijna 1,5 gigawatt. Grootschalige batterijsystemen nemen daarvan 900 megawattuur voor hun rekening.
Achter-de-meteroplossingen bij bedrijven en consumenten zijn goed voor ongeveer 500 megawattuur nieuwe opslagcapaciteit. Er zijn wel uitdagingen op het gebied van nettarieven, vergunningverlening, beschikbaarheid van technisch personeel en het reserveren van geschikte locaties met netaansluitingen. Er wordt ondanks deze uitdagingen een groei, met in 2029 een jaarlijkse installatie van 4,6 gigawattuur aan grootschalige batterijen op utiliteitsniveau, verwacht.
28
worden. Netcongestie is en blijft een uitdaging voor het realiseren van onze duurzame investeringen. Door op de juiste plekken duurzame energie en batterijen toe te voegen kan netcongestie verzacht worden. Netcode Toezichthouder ACM is voornemens een capaciteitssturingscontract toevoegen aan de Netcode elektriciteit. Daarmee kunnen netbeheerders afspraken maken met aangeslotenen, bijvoorbeeld een batterijpark, over een minimaal niveau van invoeding of afname. De officiële introductie van het capaciteitssturingscontract maakt het mogelijk congestieverzachters te contracteren en prioriteit tot aansluiting op het net te geven, zoals batterijparken. Het idee van het capaciteitssturingscontract (CSC) is dat netbeheerders aangeslotenen vragen hun aansluiting te gebruiken in tegengestelde richting van de fysieke congestie. Als er in een gebied afnamecongestie is, kan een batterijpark met een CSC gevraagd worden om (tegen betaling) een bepaalde hoeveelheid stroom in te voeden. Dat helpt de congestie te verminderen en creëert ruimte op het net voor anderen die een nieuwe of grotere aansluiting willen. Nederland telde eind 2024 84 grote batterijen van 1 megawattuur en groter met een vermogen van 350 megawatt en opslagcapaciteit van 620 megawattuur.
(bron: SolarPower Europe, CBS) HVC en het Nieuwe Energiesysteem HVC ontzorgt aandeelhouders op het gebied van hun duurzame energieproductie vraagstukken. HVC financiert, ontwikkelt, realiseert en exploiteert. Enkelvoudige oplossingen realiseren volstaan niet meer. HVC kijkt naar de totale energieketen. En kan/wil waar mogelijk aandeelhouders ontzorgen en ondersteunen om te komen tot een Nieuw Energiesysteem. Opwek en vraag van energie moet stuurbaar
HVC Contextanalyse, najaar 2025
Het CSC gaat daarmee een stap verder dan het al bestaande capaciteitsbeperkingscontract (CBC), waarmee netbeheerders afspraken kunnen maken over het beperken van afname of invoeding tot een bepaald maximum. Virtual Powerplant Een Virtual Power Plant functioneert als een digitale energiecentrale. Door energiebronnen en opslagfaciliteiten slim te verbinden en op afstand te beheren, ontstaat flexibiliteit op het elektriciteitsnet. Het is een digitaal platform dat energiebronnen slim koppelt en aanstuurt. Dit biedt de mogelijkheid om ruimte te creëren zonder fysieke netuitbreiding. Zo kunnen zonne- en windparken tijdelijk worden
29
gedimd om piekmomenten te vermijden. Of gestuurd op een betere spreiding van energieverbruik door het opladen van batterijen of het vullen warmtebuffers op momenten dat er voldoende capaciteit is en de prijzen gunstig zijn. 3.4.2 Waterstof Nederland heeft ambitieuze plannen om waterstof een centrale plek te geven als nieuwe energiedrager, met aandacht voor productie, infrastructuur, opslag en import. Groene waterstof — geproduceerd via elektrolyse met hernieuwbare energie zoals offshore wind — wordt gezien als essentieel om de industrie en zware transportsector te verduurzamen. Nederland werkt op meerdere fronten tegelijk: opwekken van groene waterstof, bouwen van infrastructuur voor transport en opslag, en importketens; met het doel om regio’s, industrieclusters en havens in de komende jaren met elkaar te verbinden in een CO₂-arm energiesysteem. Gasunie werkt aan het nationale “Waterstofnetwerk Nederland”, een backbone van leidingen van ruim 1.200 km die tegen 2030 de belangrijkste industriële clusters koppelt. Het ministerie heeft recent voorkeurlocaties vastgelegd voor nieuwe zoutcavernes in Zuidwending te Groningen. Die gaan dienen voor de opslag van waterstof in het project HyStock van Gasunie. Bij Zuidwending slaat Gasunie via dochter EnergyStock sinds 2011 aardgas op in zoutcavernes.
Op dezelfde locatie wil EnergyStock onder de naam HyStock in de toekomst ook waterstof opslaan. In juni 2025 kreeg EnergyStock daarvoor de opslagvergunning van het ministerie en 160 mln euro subsidie.
HVC Contextanalyse, najaar 2025
De waterstofbackbone zoals die er in 2033 zou moeten liggen. (bron: Gasunie).
De geplande groene waterstoffabriek ‘HyDeer’ in Lelystad krijgt 25 miljoen euro subsidie (start bouw 2026, oplevering eind 2027). De fabriek is gepland naast een zonnepark van Circul8.energy in Lelystad en Essent en Circul8.energy willen stroompieken (zon en wind) te gebruiken voor het splitsen van water in waterstof en zuurstof. De geproduceerde groene waterstof is bedoeld voor de transport- en industriesector. Als de elektrolyser wordt opgeschaald naar de geplande 105 megawatt, staat dat gelijk aan brandstof voor 1,2 miljard autokilometers.
30
4.
Afval- en Grondstoffen
Als grote inzamelaar en verwerker van huishoudelijk afval volgt HVC Europese en Nederlandse wet- en regelgeving proactief om de koers van de sector mee te bepalen en zo de transitie naar een circulaire en duurzame afvalketen te versnellen. Hieronder volgt een overzicht van voor ons belangrijke wet- en regelgeving.
4.1
Wet en regelgeving Europese Unie
4.1.1 Green Deal en Clean Industrial Deal De Europese Green Deal, gepresenteerd in december 2019, is het strategische kader van de EU om tegen 2050 klimaatneutraliteit te bereiken. Het doel is de Europese economie duurzaam, concurrerend en circulair te maken door emissies drastisch te verminderen, biodiversiteit te beschermen, energie-efficiëntie te verhogen en duurzame mobiliteit en productie te stimuleren. Kerninstrumenten zijn het Fit for 55-pakket, het EU ETS, CO₂-heffingen, investeringen in hernieuwbare energie en circulaire economieprogramma’s, en regelgeving voor landbouw, transport en industrie. De Green Deal vormt de overkoepelende beleidsstrategie die alle sectoren bindt aan klimaat- en duurzaamheidsdoelen. De Clean Industrial Deal, aangekondigd in 2025, is een onderdeel van de Green Deal dat specifiek focust op de industriële transitie. Het doel is de Europese industrie concurrerend te houden terwijl ze klimaatneutraal en circulair wordt. De deal richt zich op het verhogen van het gebruik van secundaire grondstoffen, energie-efficiëntie, CO₂reductie in productieprocessen en innovatie in nieuwe technologieën. De Clean Industrial Deal is dus een uitvoeringsprogramma binnen de Green Deal dat industriële bedrijven concrete instrumenten en verplichtingen biedt om de bredere klimaatdoelen te halen.
HVC Contextanalyse, najaar 2025
Belangrijke tijdstippen: de Green Deal loopt van 2019 met doelen op 2030 en 2050, inclusief tussentijdse regelingen zoals Fit for 55 (2021– 2030). De Clean Industrial Deal startte in 2025, met implementatie- en subsidieprogramma’s die doorlopen tot het einde van het decennium, parallel aan de industriële deelplannen van de Green Deal. 4.1.2 EU CO₂-heffing en het emissiehandelssysteem (ETS) Het Europese emissiehandelssysteem (EU ETS) is een marktinstrument waarmee de Europese Unie de uitstoot van broeikasgassen kosteneffectief wil verminderen om zo haar klimaatdoelstellingen te realiseren. De handel in emissierechten is de handel in emissieruimte: het recht om een bepaalde hoeveelheid broeikasgassen uit te stoten. Doordat vragers en aanbieders handelen in emissierechten, krijgt broeikasgasuitstoot een prijs. De Europese CO₂-heffing en het emissiehandelssysteem vormen samen de kern van het klimaatbeleid van de EU. Het emissiehandelssysteem (EU ETS), is sinds 2005 van kracht en werkt volgens het principe van ‘cap and trade’. Er wordt een plafond vastgesteld voor de totale hoeveelheid broeikasgassen die bedrijven in bepaalde sectoren mogen uitstoten. Binnen dit plafond ontvangen of kopen bedrijven emissierechten, die zij onderling kunnen verhandelen. Wie efficiënter produceert en minder CO₂ uitstoot, kan rechten verkopen; wie meer uitstoot moet rechten bijkopen.
Het systeem dekt momenteel de energiesector, de zware industrie en de luchtvaart binnen Europa, en is de afgelopen jaren aangescherpt door het plafond sneller te verlagen en gratis rechten af te bouwen. Naast het ETS bestaat er sinds enkele jaren een aanvullende CO₂heffing aan de buitengrens van Europa, de zogenoemde Carbon Border Adjustment Mechanism (CBAM). Deze moet voorkomen dat bedrijven hun productie verplaatsen naar landen met minder strenge
31
klimaatregels en zorgt ervoor dat geïmporteerde producten zoals staal, cement en kunstmest dezelfde CO₂-prijs dragen als binnen de EU. Afvalenergiecentrales Het ETS dekt al sinds de start in 2005 grote verbrandingsinstallaties vanaf 20 MW, waaronder ook AEC’s. Tot nu toe gold echter een uitzondering: het deel van de emissies afkomstig van het biogene aandeel van afval telt niet mee, omdat dit als hernieuwbaar wordt beschouwd. Alleen de fossiele fractie (bijvoorbeeld plastics in het restafval) kan aan een heffing worden onderworpen. In de revisie van het ETS (2023, onderdeel van Fit for 55) is afgesproken dat de afvalverbrandingssector nauwer betrokken wordt. Lidstaten krijgen de mogelijkheid om vanaf 2024 vrijwillig CO₂-uitstoot van afvalverbrandingsinstallaties te monitoren. Vanaf 2028 wordt een verplichte opname in het ETS voorzien, tenzij de Europese Commissie na een evaluatie besluit dit uit te stellen. Door toetreding tot EU ETS wordt de nationale CO2-heffing die HVC moet betalen minder. De CO2-heffing industrie kent namelijk een afslag (korting) voor bedrijven die ETS deelnemer zijn. De totale kosten per ton verbrand afval stijgen. Doordat de EU ETS prijs wordt bepaald door vraag en aanbod is deze vooraf niet te voorspellen Gerekend met een bandbreedte over de afgelopen drie jaar ziet het effect per ton verbrand afval er als volgt uit:
HVC Contextanalyse, najaar 2025
60,0
Kostprijs CO2 maatregelen per ton afval [€/t]
50,0 40,0 30,0 20,0 10,0 2025
2026 CO2 heffing
2027 EU ETS
2028 2029 onzekerheid
2030
Het tarief van de CO2 -heffing ligt vast. De marktprijs voor EU ETS rechten varieert. Het is mogelijk om het risico op prijsstijgingen in die ETS markt af te dekken. Dat kan door emissierechten in te kopen. Net zoals bij de energiemarkten bestaat er voor EU ETS een termijnmarkt waarop emissierechten kunnen worden ingekocht voor 2026, 2027 en 2028. Dit geeft zekerheid over het tarief. Ook andere inkoopstrategieën zijn mogelijk. Zo kunnen grote prijsschommelingen gedempt worden door bijvoorbeeld ieder jaar éénderde van de verwachte uitstoot in te kopen. HVC en CO2 De beste manier om kosten door broeikasgasbeprijzing te beperken is het verlagen van de hoeveelheid restafval. HVC doet er alles aan om zo veel mogelijk herbruikbare materialen uit het afval te behouden. HVC kiest ervoor om nu nog geen emissie rechten voor CO2 in te kopen. En wacht daarmee tot juli 2026 als bekend is of de plannen doorgang vinden.
32
Vrachtwagenheffing 1 juli is de geplande startdatum van de vrachtwagenheffing in Nederland. Net als in landen om ons heen betalen binnen- en buitenlandse eigenaren van vrachtwagens van meer dan 3,5 ton dan een bedrag per gereden kilometer. De heffing geldt op vrijwel alle snelwegen, en op een aantal provinciale en gemeentelijke wegen. Het verwachte gemiddelde tarief per kilometer is € 0,186 (prijspeil 2025). Hoe lager de uitstoot en hoe lichter de vrachtwagen, hoe lager het tarief. Hiermee stimuleert de overheid duurzaam vervoer. En gaat de CO2-uitstoot door vrachtwagens omlaag. En tegelijk met de start van de vrachtwagenheffing, gaat de motorrijtuigenbelasting omlaag. De invoering van de vrachtwagenheffing betekent een verhoging door HVC van het logistieke tarief. ETS 2 In 2027 wordt een tweede emissiehandelssysteem ingevoerd, ETS 2. ETS 2 wordt ook wel 'de nieuwe koolstoftaks' genoemd en richt zich op de gebouwde omgeving en het wegtransport, sectoren die tot nu toe buiten het oorspronkelijke ETS vielen. ETS 2 moet bijdragen aan verdere emissiereducties in sectoren waar verduurzaming nog achterloopt. Brandstofleveranciers worden bijvoorbeeld verantwoordelijk voor het inkopen van emissierechten, waardoor de CO₂-kosten indirect worden doorberekend aan consumenten en bedrijven.
Daarom zal er een onderzoek komen naar de impact op de koopkracht van de gezinnen en het concurrentievermogen van bedrijven, aangezien ETS2 op termijn brandstoffen als benzine, diesel of gas duurder zal maken. 4.1.3 Critical Raw Materials Act (CRMA) Als onderdeel van de Europese Green Deal heeft de Europese Unie een verordening over kritieke grondstoffen aangenomen, de Critical Raw Materials Act (CRMA). Kritieke grondstoffen zijn van belang voor
HVC Contextanalyse, najaar 2025
de economie, er zijn weinig alternatieven voor en het risico is groot dat de aanvoer ervan stokt. De Europese Critical Raw Materials Act (CRMA) is sinds mei 2024 van kracht en heeft als doel de afhankelijkheid van de EU van derde landen voor kritieke grondstoffen te verkleinen. De wet stelt dat tegen 2030 minimaal 10 procent van de jaarlijkse behoefte in de EU moet worden gewonnen, 40 procent verwerkt en 25 procent uit recycling afkomstig moet zijn. Daarnaast mag maximaal 65 procent van een strategische grondstof uit één enkel land worden geïmporteerd. Om dit te realiseren worden vergunningstrajecten voor strategische projecten verkort en worden lidstaten verplicht nationale programma’s voor geologisch onderzoek, monitoring en inzameling te ontwikkelen. Inmiddels zijn de eerste 47 strategische projecten geselecteerd, variërend van mijnbouw tot recyclinginitiatieven. Voor afvalinzamelaars en -verwerkers betekent de CRMA dat afvalstromen met kritische grondstoffen, zoals elektronica en batterijen, meer waarde krijgen. Recycling en terugwinning van deze materialen worden niet alleen belangrijker maar ook ondersteund door Europese doelstellingen en mogelijk subsidies. Tegelijk zullen strengere eisen ontstaan rond traceerbaarheid en rapportage van ingezamelde en verwerkte materialen.
4.1.4 Herziening Kaderrichtlijn Afval De Kaderrichtlijn Afval (Waste Framework Directive, WFD) vormt de basis van het Europese afvalbeleid en bepaalt hoe afval in alle lidstaten wordt gedefinieerd en beheerd. De richtlijn schrijft de zogenoemde afvalhiërarchie voor, waarbij preventie de hoogste prioriteit heeft, gevolgd door hergebruik, recycling, nuttige toepassing zoals energieopwekking, en als laatste optie verwijdering. Ook
33
introduceert zij de einde-afvalstatus en uitgebreide producentenverantwoordelijkheid, waardoor afvalstromen sneller kunnen worden ingezet als grondstof en producenten verantwoordelijk zijn voor de afvalfase van hun producten. De richtlijn legt concrete recyclingdoelen vast: 55 procent van het stedelijk afval moet in 2025 worden gerecycled, oplopend tot 65 procent in 2035. Het Europees Parlement en Raad hebben in februari 2025 een voorlopig akkoord bereikt over de herziening van de kaderrichtlijn afvalstoffen. De herziening focust op het verminderen van voedselverspilling en het invoeren van producentenverantwoordelijkheid voor textiel. Lidstaten moeten voedselverspilling met 10 procent reduceren bij verwerking en productie en met 30 procent in de detailhandel en de consumptie. Daarnaasr gaan textielproducenten bijdragen aan inzameling en recycling en wordt fast fashion ontmoedigd. Het Europees Parlement en de Raad moeten de herziene richtlijn nog formeel aannemen. 4.1.5 Circular Economy Act (CEA) De Circular Economy Act (CEA) en de Herziening Kaderrichtlijn Afval (WFD) liggen in elkaars verlengde, maar hebben een ander karakter en bereik. De WFD isvooral gericht op afvalbeheer en afvalpreventie. De Circular Economy Act (CEA), waar de Commissie in 2025 mee komt, bouwt hierop voort maar verschuift de focus van “afval” naar de grondstoffen- en productketen.
Waar de WFD bepaalt hoe afval moet worden verwerkt, richt de CEA zich op het sluiten van kringlopen: het creëren van een EU-markt voor secundaire grondstoffen, het verplicht stellen van circulair ontwerp, het verhogen van de beschikbaarheid en vraag naar gerecyclede materialen en het stimuleren van industriële symbiose.
HVC Contextanalyse, najaar 2025
De WFD blijft de juridische ruggengraat van het afvalrecht en regelt hoe lidstaten met afval moeten omgaan. De CEA vult dit aan met bredere maatregelen om productie en consumptie circulair te maken, en legt de nadruk op grondstoffenbeleid, productontwerp en secundaire markten. 4.1.6 Packaging and Packaging Waste Regulation (PPWR) De Packaging and Packaging Waste Regulation (PPWR) vervangt de oude Europese richtlijn 94/62/EC en legt uniforme, bindende regels op voor verpakkingen in de EU. De verordening is direct van toepassing in alle lidstaten, zonder dat omzetting nodig is, en heeft als doel een volledig circulaire verpakkingsketen te creëren. De PPWR trad in werking op 11 februari 2025, met een overgangsperiode van 18 maanden, waardoor lidstaten en bedrijven tot augustus 2026 de tijd hebben om de regels volledig toe te passen. Belangrijkste elementen van de PPWR zijn dat tegen 2030 alle verpakkingen recyclebaar moeten zijn, dat het aandeel gerecycled materiaal in nieuwe verpakkingen wordt verhoogd, en dat materiaalgebruik wordt teruggewonnen en vereenvoudigd. De regelgeving stimuleert hergebruik en refill-systemen en beperkt singleuse verpakkingen. Ook zijn er regels voor schadelijke stoffen, zoals PFAS, in contactverpakkingen.
4.1.7 Corporate Sustainability Reporting Directive (CSRD) De Corporate Sustainability Reporting Directive (CSRD) is een EUrichtlijn die de rapportage van bedrijven over milieu, sociale en governance-aspecten (ESG) aanzienlijk uitbreidt, verheldert en verplicht maakt. Waar de vorige Non-Financial Reporting Directive (NFRD) beperkte groepen dekte, geldt de CSRD voor veel meer ondernemingen: grote
34
bedrijven die aan twee van drie criteria voldoen (omzet, balanswaarde, aantal werknemers), beursgenoteerde kleine en middelgrote ondernemingen, en uiteindelijk ook niet-EU bedrijven met significante omzet in de EU. Bedrijven moeten vanaf boekjaar 2024 (rapportage in 2025) voldoen aan de nieuwe regels voor de eerste groep, vervolgfasen volgen in 2025, 2026 en 2028 voor grotere categorieën en buitenlandse bedrijven. De Europese Commissie heeft op in februari 2025 het 'Omnibusvereenvoudigingspakket' gepubliceerd. Het pakket voorstellen moet de regelgeving voor duurzaamheidsrapportages vereenvoudigen en zorgen voor een besparing meer dan zes miljard aan administratieve lasten. De Europese duurzaamheidsrichtlijn CSRD geldt alleen nog voor de grootste ondernemingen. Wat betekent dit voor HVC? CSRD is uitgesteld met twee jaar. HVC heeft al voorbereidingen getroffen om in de toekomst aan deze regelgeving te kunnen voldoen. Hier is nu meer tijd voor beschikbaar.
4.2
Circulaire Economie in Nederland
4.2.1 Nationaal Programma Circulaire Economie In 2023 werd het Nationaal Programma Circulaire Economie (NPCE 2023-2030) gepubliceerd. Momenteel loopt een actualisatie van dit programma, de Periodieke Rapportage Circulaire Economie, waarin het beleid van het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat op dit thema in de periode 2021-2025 wordt onderzocht om doeltreffendheid en doelmatigheid te bepalen en verbeterpunten te identificeren. De Periodieke rapportage zal in 2026 worden uitgebracht.
HVC Contextanalyse, najaar 2025
4.2.2 Ontwerp Circulair Materialenplan Het Circulair Materialenplan (CMP) biedt een uniform kader voor grondstoffengebruik, afvalbeheer en vergunningverlening, en ondersteunt overheden en bedrijven bij het maken van circulaire keuzes binnen de transitie naar een circulaire economie. Het CMP bevindt zich momenteel in de afrondende fase. In het begin van 2025 lag het ontwerpplan, samen met de milieueffectrapportage (MER), ter inzage en konden belanghebbenden hun zienswijzen indienen. Op dit moment worden de reacties verwerkt en waar nodig wordt het plan aangepast. De definitieve vaststelling door de staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat wordt eind 2025 verwacht. Zodra het CMP officieel is vastgesteld, treedt het vier weken daarna in werking en vervangt het het huidige Landelijk Afvalbeheerplan (LAP3). Zienswijze HVC op ontwerp CMP Door HVC is een zienswijze ingediend. HVC is in het algemeen positief over het ontwerp CMP en de wijze waarop het de transitie naar een circulaire economie via kennis en kaders voor overheden en bedrijven ondersteunt. Vooral omdat het ontwerp CMP breder naar de hele keten kijkt dan het vorige Landelijk Afvalbeheerplan (LAP). Gelet op die brede scoop pleiten wij ervoor dat het CMP verder wordt doorontwikkeld tot een samenhangend en toekomstgericht beleidskader voor het maken van circulaire keuzes (‘het CMP als groeimodel’).
De zienswijze van HVC heeft inhoudelijk betrekking op enkele afval- en ketenplannen en onderwerpen van het ontwerp CMP.
35
4.2.3 Uitgebreide Producenten Verantwoordelijkheid (UPV) De Europese uitgebreide producentenverantwoordelijkheid (UPV / EPR – Extended Producer Responsibility) is een kerninstrument binnen de circulaire economie dat producenten verantwoordelijk maakt voor de inzameling, verwerking en hergebruik van producten aan het einde van hun levensduur. Het idee is dat de kosten en organisatie van afvalbeheer bij de producent worden gelegd, zodat producten duurzamer worden ontworpen en recycling wordt gestimuleerd. De Europese kaders, vastgelegd in de Kaderrichtlijn Afval, bepalen dat lidstaten systemen voor UPV moeten implementeren voor verpakkingen en andere productgroepen, maar geven ruimte in de vorm en uitvoering van die systemen. Verschillende sectoren vallen al verplicht onder een UPV, zoals verpakkingen, batterijen, elektronische apparaten, voertuigen, banden en textiel. Binnen de EU verschillen lidstaten echter in aanpak: sommige werken met collectieve organisaties, andere met individuele producenten, en de mate van verplichting, financiële instrumenten en handhaving verschilt per land. In Nederland is de UPV concreet uitgewerkt in nationale regelingen voor verschillende sectoren. Voor verpakkingen geldt bijvoorbeeld Verpact, waarin producenten collectief bijdragen aan inzameling en recycling.
Voor elektrische apparaten en batterijen is er Stichting Open (voorheen Wecycle en Stibat). Nederland hanteert daarbij vaak een sterker gecentraliseerd en collectief model dan veel andere EUlanden, waardoor uitvoering, toezicht en rapportage relatief uniform zijn. Voor de afvalketen betekent een UPV een duidelijke verschuiving: waar gemeenten traditioneel de kosten en organisatie van afvalinzameling en verwerking droegen, worden producenten nu medeverantwoordelijk en financieren zij een groot deel van de keten.
HVC Contextanalyse, najaar 2025
Dit leidt tot structurele veranderingen: producenten hebben meer invloed op inzamel- en verwerkingssystemen en er ontstaan nieuwe stromen voor gescheiden inzameling (bijv. textielcontainers, inleverpunten voor elektronica). Spanningsveld Door de UPV-regelingen ontstaat er wel een spanningsveld tussen producenten en inzamelaars, verwerkers en gemeenten vanwege verschillen in verantwoordelijkheid en kosten. Producenten zijn juridisch en financieel verantwoordelijk voor de inzameling en verwerking van hun producten, en richten zich vaak op kostenefficiëntie en naleving van de wet via collectieve systemen. Inzamelaars, verwerkers en gemeenten verzorgen de fysieke uitvoering en hebben te maken met operationele uitdagingen zoals variabele afvalstromen en kwaliteitsverschillen in gescheiden inzameling. Hierdoor ontstaan discussies over wie de kosten volledig draagt, wie garant staat voor materiaalkwaliteit en hoe efficiënt de keten kan functioneren. Het spanningsveld ligt dus in de verschuiving van wettelijke verantwoordelijkheid naar producenten, terwijl de praktische uitvoering grotendeels bij inzamelaars en gemeenten blijft. 4.2.4 Nationaal Exploratie Programma Kritieke Grondstoffen (NEP) Het Nationaal Exploratie Programma Kritieke Grondstoffen (NEP), gepresenteerd in juli 2025, is de Nederlandse uitwerking van de Europese Critical Raw Materials Act.
Het programma onderzoekt welke kritieke grondstoffen in de Nederlandse ondergrond aanwezig kunnen zijn, waar deze zich bevinden en onder welke technische en milieukundige voorwaarden exploratie haalbaar is. Doel is de kennisbasis te versterken en risico’s rond leveringszekerheid
36
te verkleinen. Het Nederlands Materialen Observatorium coördineert dit proces en levert data, analyses en ketenonderzoek. Hoewel concrete winningsprojecten nog ontbreken, lopen al eerste verkenningen, bijvoorbeeld naar silicium voor zonnepanelen. Omdat kritieke grondstoffen vaak verwerkt zijn in complexe materialen, componenten en producten volstaat eenvoudige recycling niet. Er zijn innovatieve chemische processen nodig om de grondstoffen uit de ingezamelde materialen, producten en “afval”stromen uit productieprocessen terug te winnen.
4.3
Kengetallen huishoudelijk afval
4.3.1 Huishoudelijk afval per inwoner Volgens het CBS werd in 2024 8,2 miljard kilogram huishoudelijk afval ingezameld door gemeenten. Dit komt neer op 459 kilogram per inwoner. In 2023 was dat 453 kilogram per inwoner. De hoeveelheid huishoudelijk afval nam voor het eerst iets toe na jaren van daling. De drie grootste ingezamelde afvalstromen zijn fijn huishoudelijk restafval, groente-, fruit- en tuinafval (gft-afval) en oud papier en karton. Gemeenten zamelden per inwoner 149 kilogram fijn huishoudelijk restafval in. Verder werd 91 kilogram gft-afval en 40 kilogram oud papier en karton per inwoner ingezameld. Deze drie afvalstromen zijn samen goed voor 60 procent van het huishoudelijk afval. Dat is ongeveer hetzelfde als in 2023.
Gemeenten bepalen zelf hoe zij afval inzamelen. Hoe stedelijk een gemeente is, speelt vaak een rol bij het maken van het afvalbeleid. Stedelijke gemeenten kiezen er vaker voor om hun afval na te scheiden dan niet-stedelijke gemeenten. Mede daardoor wordt in stedelijke gemeenten meestal meer restafval ingezameld dan in minder stedelijke gemeenten.
Het overige huishoudelijk afval bestond uit afval dat huishoudens apart inzamelen zoals glas, textiel en pmd-afval (plastic, metaal en drankkartons), en afval dat inwoners naar de milieustraat brachten, zoals grof huishoudelijk restafval, puin en vloerbedekking. Bij een groot deel van deze afvalstromen is per inwoner iets meer afval ingezameld dan in 2023. (bron CBS)
HVC Contextanalyse, najaar 2025
37
staat om hiervoor beleid te formuleren en daaraan uitvoering te geven. Dit zien we terug in de cijfers op het gebied van afvalscheiding en/of het terugdringen van de hoeveelheid restafval. De benchmark van de NVRD met betrekking tot huishoudelijk afval over het jaar 2023 is in 2024 uitgevoerd en eind 2024 gepubliceerd. In totaal wordt met deze benchmark 55% van de Nederlandse gemeenten gedekt. In deze benchmark is een nieuwe milieuprestatie-indicator toegevoegd: het recyclepercentage. Deze indicator geeft aan hoeveel procent van het vrijkomende huishoudelijk afval uiteindelijk wordt ingevoerd in het recycleproces. Vanuit Europa ligt er een nieuwe norm om minimaal 65% van het huishoudelijk afval te recyclen in 2035. De eerste stap die het VANG-programma heeft vastgesteld is het behalen van 60% recycling in 2030. 4.3.2 Benchmark huishoudelijk afval Het uitvoeringsprogramma VANG Huishoudelijke Afval (HHA) is onderdeel van het Nationaal Programma Circulaire Economie. Het streven van het uitvoeringsprogramma is om door middel van goede afvalscheiding hoogwaardige recycling te faciliteren en voor bepaalde reststromen de hoeveelheid afval te beperken door waar mogelijk in te zetten op preventie. Het programma VANG is in 2015 van start gegaan en heeft een looptijd tot en met 2025.
De doelstellingen zijn: • Minimaal 55% van het stedelijk afval wordt gerecycled (met een doorkijk naar 65% in 2035) • Minimaal 75% afvalscheiding • Maximaal 100 kg restafval per inwoner Sinds de start van het VANG programma hebben veel gemeenten de VANG-doelstellingen omarmd. Steeds meer gemeenten zijn ook in HVC Contextanalyse, najaar 2025
In 2023 bedroeg het gemiddelde recyclepercentage 56%, 11% lager dan het afvalscheidingspercentage. Bijna de helft (48%) van de benchmarkgemeenten voldeden in 2023 aan de 60%- doelstelling. De Benchmark Huishoudelijk Afval 2024 van de NVRD is momenteel in uitvoering en de cijfers worden eind 2025 verwacht. HVC en recyclepercentage Een mooi voorbeeld waar deze nieuwe recycledoelstelling HVC helpt bij onze missie is bij de gewassen bodemas. Deze mag bij het recyclepercentage wel en bij het scheidingspercentage niet meegerekend worden. Rijkswaterstaat biedt via internet een tool aan waarmee een gemeente haar recyclepercentage kan uitrekenen. De tool maakt gebruik van de standaard CBS-data uit 2023. Het is mogelijk om eigen tonnages in te vullen en de vooraf ingevulde recyclepercentages aan te passen. De
38
VANG-tool rekent met landelijk gemiddeld bekende recyclingpercentages. Het VANG recyclepercentage kan afwijken van het percentage dat HVC berekent. HVC rekent met daadwerkelijk in specifiek haar ketens behaalde recyclingpercentages. Ook kunnen er nog enige definitieverschillen tussen zitten en berekent HVC alleen het gemiddelde recyclingpercentage van de stromen die onder regie van HVC verwerkt worden. Bron: Wetsvoorstel Belastingplan 2026
4.3.3 Belastingplan 2026 In haar Belastingplan 2026 houdt het kabinet vast aan de voorgenomen extra belasting op het verbranden en storten van afval. De fiscale maatregelen die het kabinet vandaag op Prinsjesdag naar buiten brengt, zijn namelijk gelijk aan de eerder genoemde maatregelen toen de plastic-heffing en de plastic norm werden afgeschaft. Zowel de aanscherping van de CO2-heffing bij avi's als de generieke tariefsverhoging van de afvalstoffenbelasting staan ongewijzigd in het belasting plan. Het kabinet schrijft dat het pakket aan maatregelen in de ASB en CO2heffing industrie leidt tot een lastenstijging van enkele tientallen euro’s per huishouden per jaar. Het kabinet verwacht dat de budgettaire opbrengst, indien avi’s deze volledig doorberekenen in de poorttarieven, naar verwachting voor 40% door bedrijven zal worden betaald en voor circa 60% via afvalverwerkers terecht komen bij gemeenten. Van de totale lastenstijging van € 567 miljoen in 2035 volgt een groot deel uit de reeds voorgenomen stijging van de CO2-heffing voor avi’s. Wanneer gemeenten de totale lastenstijging volledig verwerken in de afvalstoffenheffing resulteert dit in een lastenverzwaring voor huishoudens van structureel € 340 miljoen.
HVC Contextanalyse, najaar 2025
Bovenstaande tabel laat de gemiddelde lastenstijging voor huishoudens per jaar zien. Hierbij is de totale lastenstijging voor huishoudens gedeeld door het aantal inwoners in Nederland en vermenigvuldigd met de gemiddelde omvang van een huishouden. Op basis van het reeds voorgenomen beleid in de CO2-heffing zouden de kosten voor afvalverwerking per huishouden gemiddeld toenemen met € 7 in 2027 oplopend naar € 21 in 2035 per jaar. Met dit maatregelenpakket nemen de kosten voor afvalwerking per huishouden gemiddeld verder toe met € 1 in 2027 oplopend naar structureel € 18 per jaar vanaf 2035. Bij een volledige doorberekening van de lastenstijging aan huishoudens zouden de kosten voor afvalverwerking per huishouden gemiddeld toenemen met € 8 in 2027 oplopend naar € 40 per jaar vanaf 2035. Bovenstaande benadering geeft een gemiddelde lastenstijging voor alle huishoudens in Nederland. De werkelijke lastenstijging voor huishoudens kan erg verschillen tussen gemeenten. Zie paragraaf 4.6.2 voor een verdere beschrijving van de extra belasting op het verbranden en storten van afval en de aanscherping van de CO2heffing bij afvalverbrandingsinstallaties.
39
4.4
Specifieke thema’s
In dit gedeelte van de contextanalyse behandelen we overkoepelende thema’s die spelen op het gebied van afval en grondstoffen. 4.4.1 Verschuiving naar publieke inzameling De trend waarbij publieke bedrijven steeds vaker de inzameling van huishoudelijk afval op zich nemen. In 2025 en 2026 neemt het aandeel van private bedrijven in de inzameling van huishoudelijk afval neemt rap af. Dit omdat zowel Renewi als PreZero niet meer inschrijven op aanbestedingen waar alleen “wielen” worden gevraagd. Hiermee staan veel gemeenten voor een dilemma. Blijven aanbesteden in een markt waar nog maar erg weinig en misschien wel geen geïnteresseerden zijn, inbesteden bij een overheidsbedrijf, samenwerken met buurgemeenten of het zelf gaan doen. Afhankelijk van de regio worden verschillende keuzes gemaakt, maar inbesteden lijkt een lichte voorkeur te hebben. HVC is momenteel de grootste inzamelaar van huishoudelijk afval in Nederland. Renewi is inmiddels afgezakt naar de zeventiende plaats, terwijl PreZero momenteel nog op de derde plek staat, maar naar verwachting verder zal dalen. Van de grote spelers is alleen Remondis actief bezig met het uitbreiden van haar inzameling van huishoudelijk afval. inzamelaars samen nog altijd ruim één miljoen huishoudens, wat neerkomt op ongeveer 15% van het totaal aantal huishoudens in Nederland.
HVC Contextanalyse, najaar 2025
De afloop van contracten heeft de afgelopen jaren geleid tot grote verschuivingen in de markt. Vooral in 2024 en 2027 zijn er pieken te zien in het aantal aflopende contracten. Een belangrijke recente ontwikkeling is de overname van Renewi door Macquarie Asset Management in juni 2025, wat mogelijk verdere veranderingen in de markt zal aanjagen. 4.4.2 Verkenning landelijke uniformering inzamelmethoden Het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat onderzoekt de mogelijkheden om de inzameling van huishoudelijk afval landelijk te uniformeren. Als eerste stap zijn de verschillende inzamelmethoden in kaart gebracht en is via een burgerpanel het perspectief van inwoners opgehaald. Vervolgens zijn er sessies georganiseerd met gemeenten en inzamelaars om de haalbaarheid van uniformering te toetsen. Door de val van het kabinet ligt het besluitvormingsproces momenteel stil.
40
4.4.3 Recycletarief en recyclekeuze Gemeenten bepalen zelf het tariefsysteem dat zij hanteren voor de afvalstoffen- en de rioolheffing. In een steeds groter deel van de gemeenten is het tarief van de afvalstoffenheffing gekoppeld aan de hoeveelheid afval (diftar). Het recycletarief is een bewezen beleidsmaatregel die direct leidt tot minder restafval. Door een financiële prikkel te koppelen aan het aanbieden van restafval, worden inwoners gestimuleerd om beter te scheiden. Elke keer dat de restafvalbak wordt aangeboden of de container wordt geopend, brengt dit kosten met zich mee.
gemeenten diftar in voor de afvalstoffenheffing. Geen enkele gemeente schaft dit jaar diftar af. In 2024 wonen 43,1 procent van de huishoudens met een aanslag in een gemeente met diftar. Dat is ruim vier keer zo veel als in het jaar 2000 (10,2%). (bron: Coelo) Het combineren van het recycletarief o.b.v. frequentie met nascheiding blijkt minder effectief. Dit heeft ook invloed op de kwaliteit van andere afvalstromen. Recycletarief op basis van gewicht (ipv frequentie) kan het negatieve effect enigszins dempen, maar bij verzamelcontainers (hoogbouw) is deze techniek nog te kostbaar. Aan huis is recycletarief op basis van gewicht beter te introduceren, omdat dit zonder al teveel kosten te integreren is in het inzamelsysteem. HVC en diftar Ook bij HVC hanteren inmiddels bijna tien gemeenten het recycletarief. Zij realiseren gemiddeld zo’n 40 procent minder restafval dan vergelijkbare gemeenten zonder dit systeem. Recyclekeuze De invoering van het recycletarief ligt in sommige gemeenten politiek gevoelig. Voor deze situaties heeft HVC een alternatief ontwikkeld: Recycle-keuze. Dit is een vrijwillig systeem dat inwoners beloont voor goed scheiden, zonder de verplichting van een tariefstructuur. Inwoners kiezen elk jaar zelf of ze meedoen (wel meedoen = korting bij goed scheiden; niet meedoen = standaardtarief).
In 2024 heeft 59 procent van de gemeenten diftar. In 2023 was dit 55 procent. Diftar wordt vooral toegepast in kleine, weinig tot nietstedelijke gemeenten buiten de Randstad. In 2025 voeren nog eens 6
HVC Contextanalyse, najaar 2025
Recycle-keuze biedt inwoners de vrijheid om zelf te bepalen hoe zij omgaan met afvalscheiding. De verwachting is dat dit leidt tot hogere tevredenheid dan bij dwingende systemen zoals diftar, doordat mensen bewust kunnen kiezen wat bij hen past.
41
Door deze keuzevrijheid ontstaat meer betrokkenheid. Naar verwachting kiest ongeveer twee derde van de inwoners vrijwillig voor deelname, waarvan één derde kiest voor de meest duurzame optie. Het systeem is klaar voor invoering per 1 januari 2027. Omdat Recyclekeuze een nieuwe en unieke samenwerking is tussen gemeente en HVC, is evaluatie essentieel om waar nodig bij te sturen.
Hoewel de inzameling met bakken aan huis – voor papier, gft en restafval – ook over 10 tot 15 jaar nog gangbaar zal zijn, verandert de manier waarop we de kwaliteit en het gedrag monitoren. Denk aan systemen zoals C-detect van C-Trace op gft-wagens en slimme technieken op verzamelcontainers, waarmee direct zichtbaar wordt wat inwoners storten. Dit helpt om vervuiling en stoorstoffen tegen te gaan. Zo is ook al getest met een vergelijkbaar systeem van Lixo, om lachgascilinders in het restafval te detecteren. Directe feedback inzamelgedrag inwoners HVC werkt momenteel aan het ontwikkelen van directe feedback richting inwoners over hun afvalinzameling. Het uiteindelijke doel is om via een app tips, adviezen of complimenten te geven op basis van het inzamelgedrag, zodat er een persoonlijke en motiverende aanpak ontstaat waarbij de kwaliteit van afvalscheiding op huishoudenniveau centraal staat.
4.4.4 AI en digitalisering De komende jaren verschuift de focus in afvalinzameling steeds verder richting data-gedreven inzichten op woonhuis- en inwonerniveau. Waar voorheen vooral op wijk- of vrachtniveau werd gemeten, maken nieuwe technologieën zoals camera’s en AI het mogelijk om veel gedetailleerder te analyseren hoe huishoudens hun afvalstromen aanbieden.
HVC Contextanalyse, najaar 2025
Digitale afvalpas Het is mogelijk voor inwoners van een tweetal HVC-gemeenten om hun afvalpas digitaal te gebruiken via de HVC-app. Dankzij een koppeling kan men de afvalpas eenvoudig op je telefoon zetten, wat het gebruik van verzamelcontainers toegankelijker maakt. Bovendien biedt dit ruimte voor meerdere deelpassen, bijvoorbeeld voor huisgenoten. In de gemeente Noordoostpolder loopt een pilot met Wastevision. In Alkmaar wordt op kleine schaal getest met een andere techniek, in samenwerking met V-Consyst en KIWA. Als deze pilots succesvol blijken, wordt de techniek volgend jaar geïntegreerd in de HVC-app.
42
4.4.5 Duurzaam transport Ondanks de nodige politieke onrust de afgelopen maanden, openden veertien gemeenten begin 2025 hun zero-emissiezone. Daarnaast hebben 12 andere steden aangeven een zero-emissiezone op een later moment in de jaren na 2025 in te stellen. Voorlopig krijgen ondernemers alleen een waarschuwing als ze de emissieregels in een zone overtreden. HVC en elektrisch inzamelen HVC zet volop in op duurzaam transport. Alle voertuigen die op fossiele brandstof reden zijn vervangen door voertuigen op HVO100, een schoner alternatief. Daarnaast wordt het wagenpark waar mogelijk geëlektrificeerd. Dit draagt bij aan de leefbaarheid in de wijk door minder uitstoot en geluidshinder. HVC kijkt ook verder dan de weg. Op dit moment vervoert HVC al verschillende tonnages restafval over het water en worden verschillende output stromen vanuit haar installaties per schip geleverd aan vervolgverwerkers. Daarnaast verkent HVC, in samenwerking met de provincies Noord- en Zuid-Holland, verdere mogelijkheden van vervoer over water, bijvoorbeeld voor het transport van bodemas.
4.5
Ontwikkelingen per deelstroom
4.5.1 Plastic, blik en pak (PMD) Herziening ketenovereenkomst Afgelopen september hebben VNG, NVRD en Verpact een nieuwe Samenwerkingsovereenkomst ondertekent. Dit na een intensief onderhandelingstraject, onder leiding van Dick Benschop.
HVC Contextanalyse, najaar 2025
De vorige overeenkomst tussen de gemeentelijke partijen en het verpakkend bedrijfsleven werd in 2024 beëindigd. Gemeenten vonden dat ze onvoldoende zekerheid hadden over de vergoedingen en de kwaliteit van het ingezamelde verpakkingsafval. In de nieuwe afspraken zijn deze knelpunten structureel aangepakt. De overeenkomst richt zich op de inzameling van PMD en daarnaast ook op papier, karton, glas en piepschuim. Uitgangspunt is: gescheiden inzameling waar mogelijk, nascheiding alleen waar nodig. En gemeenten ontvangen een voorspelbare vergoeding, die niet langer afhankelijk is van afkeur. In de nieuwe afspraken staat verder kwaliteit centraal. Schonere stromen leveren niet alleen betere recyclingresultaten op, een vurige wens van Verpact, maar ook meer opbrengst voor gemeenten. Om dit te stimuleren, zijn de vergoedingen gekoppeld aan de kwaliteit van het ingezamelde materiaal. Daarnaast is afgesproken dat beleid en bijsturing voortaan gebaseerd zijn op gezamenlijke, transparante onderzoeken. De samenwerkingsovereenkomst geldt van 1 januari 2025 tot en met 2030. Plastictaks en bijmengverplichting In 2024 werd in het hoofdlijnenakkoord van het kabinet-Rutte IV het voornemen opgenomen om per 2024 een polymerenheffing (‘plastictaks’) in te voeren.
Deze belasting zou producenten van nieuw plastic jaarlijks circa €567 miljoen moeten opleveren, met als doel het gebruik van gerecycled plastic te stimuleren en bij te dragen aan de circulaire economie. Daarnaast werd een bijmengverplichting voorgesteld, waarbij producenten vanaf 2027 verplicht zouden worden om 25 tot 30 procent gerecycled of bio-based plastic in hun producten te verwerken. Echter, onder druk van de plastic-producerende industrie, die bezorgd was over concurrentievervalsing en hogere kosten, besloot het kabinet
43
in april 2025 de plastictaks niet door te voeren. In plaats daarvan werd de heffing verlegd naar de afvalenergiecentrales, wat leidde tot hogere kosten voor afvalverwerking en een stijging van de afvalstoffenheffing voor huishoudens. Deze verschuiving werd bekritiseerd door de afvalsector, die vond dat de lasten onterecht bij hen werden gelegd (zie ook paragraaf 4.6.2). De bijmengverplichting blijft weliswaar bestaan, maar wordt nu onderdeel van de Plastic Pact Wetgeving (PPWR), die op Europees niveau wordt uitgewerkt. De implementatie van de bijmengverplichting is voorzien voor 2030, met als doel het gebruik van gerecycled plastic te verhogen en de circulaire economie te bevorderen. Inzameling De keuze voor bron- of nascheiding als inzamelmethode is afhankelijk van factoren als de hoogbouwklasse, het inzamelmiddel, de hoogte van de vergoedingen, de kwaliteit van het ingezamelde materiaal en het effect op de scheiding van de andere grondstofstromen. Over het algemeen zien we bij gemeenten in hoogbouwklasse B dat er gekozen wordt voor nascheiding. In hoogbouwklasse C wordt er zowel voor bron- als nascheiding gekozen. In hoogbouwklasse D of E zien we dat er voornamelijk voor bronscheiding wordt gekozen. Wanneer er ingezameld wordt met bakken aan huis i.p.v. collectieve verzamelcontainers is de kwaliteit hoger.
Er zijn vier kwaliteitscategorieën vastgesteld in de samenwerkingsovereenkomst tussen Verpact en de VNG/NVRD . In categorie 1 is er minder dan 15% vervuiling, maar dat niveau wordt zelden gehaald. HVC’s aandeelhoudende gemeenten vallen allemaal in categorie 3 of 4. Met name gemeenten die gebruik maken van collectieve PMDverzamelcontainers (hoogbouw en in binnensteden) vallen in categorie 4. Hier worden PMD-verzamelcontainers minder vaak
HVC Contextanalyse, najaar 2025
ingezet vanwege zorgen over de kwaliteit, o.a. vanwege de anonimiteit van het ingezamelde materiaal. Hoe hoger de categorie, hoe hoger de kwaliteitskosten vanuit Verpact. Sommige gemeenten stappen vanwege de hoge kosten over op nascheiding, mede omdat de nascheidingstechnieken voor plastic sterk zijn verbeterd. Nascheiding van plastic heeft helaas o.a. tot gevolg dat bronscheiding van de overige grondstofstromen negatief wordt beïnvloed. Verwerking De ontwikkelingen rondom plastic recycling gaan snel, maar er zijn ook veel uitdagingen. Vooral in de voedselverpakkingen is closed-loop (bijvoorbeeld van flesje naar flesje) recycling nog beperkt; slechts 7 procent van de kunststof voedselverpakkingen komt weer in nieuwe voedselverpakkingen terecht. Drankenkartons worden niet gerecycled tot nieuwe drankenkartons. Door de strenge veiligheids- en hygiëneeisen aan gebruik van recyclaat in nieuwe voedselverpakkingen duurt het gauw 5-10 jaar voordat een nieuwe recyclingtechnologie is toegestaan. Een andere ontwikkeling is dat er steeds meer folies geproduceerd worden, wat het sorteren bemoeilijkt. Folies zijn weliswaar lichter en gebruiken minder grondstoffen, maar het sorteren, schoonmaken en verwerken ervan is duurder dan het gebruik van virgin-materiaal.
Mechanische recycling blijft daarnaast de voorkeur hebben, maar vervuilingen en chemische additieven maken closed-loop recycling nauwelijks mogelijk. Chemische recycling met technieken zoals pyrolyse en vergassing lijkt veelbelovend, maar is op beperkte schaal bewezen. Waar eerst werd gezegd dat alles gerecycled kon worden via chemische recycling, blijkt nu dat voor hoogwaardige chemische recycling een hoge kwaliteit input nodig is (chemische recycling blijkt
44
dus geen allesvreter te zijn). Bij input van mindere kwaliteit is voorbewerking nodig die veel energie vraagt en waarin veel materiaal verloren gaat. Hierdoor is chemische recycling financieel en milieutechnisch minder aantrekkelijk. Ook Verpact kiest dan liever voor bewezen technieken om te voldoen aan de aan hen opgelegde recyclingdoelstellingen. HVC en nieuwe recyclingtechnieken Over nagenoeg alle huishoudelijke kunststofstromen voert Verpact de regie voor het verwaarden ervan. Verpact maakt afspraken met mechanische en chemische recyclers om kunststoffen te verwerken en probeert dit van de grond te krijgen. Waar mogelijk onderzoekt HVC verwaardingsroutes voor kunststoffen, die niet onder de regie van Verpact vallen. Dit gaat om kleine volumes. Zo is HVC aangesloten bij het InReP-subsidieprogramma, waarin nieuwe sorteertechnologie en nieuwe mechanische en chemische recyclingprocessen worden ontwikkeld voor een meer circulaire kunststofketen. Nieuwe recycle-initiatieven hebben veel last van goedkoop virgin materiaal, wat leidt tot faillissementen in de sector. Veel partijen pleiten daarom voor overheidsmaatregelen, zoals een plasticheffing of subsidies. De langverwachte Packaging and Packaging Waste Regulation (PPWR) is in januari van dit jaar officieel gepubliceerd.
Onderdeel hiervan is de verplichte hoeveelheid gerecycled materiaal in een verpakking die pas over een paar jaar echt serieus wordt; te laat dus voor nieuwe recyclers. Momenteel komt alleen brongescheiden verpakkingsmateriaal in aanmerking voor recycling in verpakkingen (zowel voedselverpakkingen via chemische recyling als nietvoedselverpakkingen via mechanische recycling ). Verpact zit hierdoor in een spagaat: enerzijds moeten de recyclingdoelen worden gehaald
HVC Contextanalyse, najaar 2025
(wat makkelijker gaat via nascheiding), anderzijds is hoogwaardige recycling noodzakelijk volgens de eisen mbt recycled content (wat op dit moment alleen kan via bronscheiding). 4.5.2 Oud papier & karton (OPK) Inzameling Door digitalisering is de hoeveelheid ingezameld papier afgenomen, terwijl e-commerce juist heeft gezorgd voor een toename van karton, vooral verpakkingsmateriaal. Deze verschuiving in de samenstelling van oud papier en karton leidt tot een mindere kwaliteit aan grondstoffen, terwijl de logistieke kosten door volumetoename omhoog gaan. De kwaliteit van het ingezamelde papier wordt daarnaast steeds vaker gecontroleerd met behulp van camera’s en AI. Doordat het papier vaak los (niet in een zak) wordt aangeleverd, maakt dit het analyseren van de kwaliteit eenvoudiger. Over het algemeen wordt papier ook goed ingezameld via collectieve verzamelcontainers, mede dankzij de aparte openingen waardoor vervuiling beperkt blijft. Daarnaast speelt er de keuze tussen het inzamelen met containers door inzamelbedrijven als HVC of inzameling via dozen door verenigingen. Vaak wordt gekozen voor verenigingen, wat in de praktijk neerkomt op een verkapte subsidie. Dit staat echter onder druk vanwege veiligheidsoverwegingen en een afnemende inzet van vrijwilligers bij verenigingen. Recycling Het recyclingpercentage van ingezameld oud papier en karton is met circa 90% relatief hoog.
Het aandeel verpakkingen (karton) stijgt ten opzichte van het waardevollere grafisch papier, maar deze groei lijkt zich te stabiliseren en daarom lijkt de sortering van oud papier en
45
karton rendabel te blijven. Vanwege een betere energiehuishouding blijft de vraag naar recyclaat hoog.
na voorbewerking, een hogere gasopbrengst oplevert. Voor woningen met een tuin blijft de gft-bak aan huis de standaard.
De Nederlandse papierindustrie loopt voorop in het gebruik van recyclaat. Daarom is er veel behoefte aan hoogwaardig brongescheiden en gesorteerd papier en karton. Er zijn echter nog maar enkele grote sorteerders of papierfabrieken die zelf sorteren, waardoor de sorteerkosten stijgen.
Daarnaast is er een aparte route voor vervuild gft, de zog. organische natte fractie (ONF), dat wel vergist kan worden, maar niet gecomposteerd (het ONF residu wordt verbrand).
De vrijwillige UPV biedt een bodemprijs, maar deze wordt momenteel nog niet benut. Mogelijk zal Verpact hierin een grotere rol gaan spelen, al is die rol nu nog onduidelijk, mede omdat de huidige recycledoelstellingen worden gehaald. Verwerking vervuild OPK Het aandeel papier in het restafval blijft onverminderd hoog en HVC onderzoekt alternatieve verwerkingsroutes om ook het vervuilde papier en karton te kunnen verwerken. Het aantal initiatieven in Europa en daarmee de verwerkingscapaciteit zijn hiervoor nog zeer beperkt. 4.5.3 Groente-, fruit-, tuinafval en etensresten (GFTe) Inzameling Sinds 1 januari 2024 geldt er een verplichting om ook in hoogbouw gft en etensresten gescheiden in te zamelen, voortkomend uit Europese regelgeving. De uitzonderingsmogelijkheden voor hoogbouw zijn beperkt; een deel van de gemeenten heeft deze verplichting inmiddels ingeregeld. Collectieve gft-verzamelcontainers worden steeds vaker uitgefaseerd vanwege kwaliteitsproblemen. Huishoudens zonder tuin maken gebruik van een gfe-cocon. Hierbij worden de dragers eruit gehaald en ontstaat er een aparte stroom die,
HVC Contextanalyse, najaar 2025
Glas in het gft blijft daarnaast één van de lastigste vervuilingsproblemen in gft; het komt in kleine stukjes in het compost terecht. Goede scheiding van gft aan de bron blijft essentieel voor de kwaliteit van het compost. Gemeenten kunnen dit stimuleren met goede inzamelfaciliteiten, duidelijke communicatie en hulpmiddelen voor in de keuken. Recycling De Nederlandse gft-verwerkingsmarkt kampt met capaciteitskrapte. De hoeveelheid ingezameld gft groeit door betere afvalscheiding en nieuwe gemeentelijke inzamelstrategieën, maar de beschikbare installaties houden daar onvoldoende gelijke tred mee. Vooral bij vergisting is sprake van een tekort aan capaciteit. Investeringen in nieuwe installaties blijven achter door trage vergunningprocedures, hoge kosten en maatschappelijke weerstand tegen nieuwe projecten. De invoering van de bijmengverplichting voor groen gas vanaf 2025 versterkt deze krapte. Energieleveranciers worden verplicht een deel van hun gasverkoop te vergroenen, wat de vraag naar biogas doet stijgen. Dit maakt vergisting economisch aantrekkelijker dan compostering, maar kan leiden tot spanning tussen energieproductie en de beschikbaarheid van compost. Voor de landbouw blijft compost van groot belang, mits de kwaliteit hoog is. Akkerbouwers stellen steeds strengere eisen aan de zuiverheid, met zeer lage toleranties voor vervuiling zoals plastics en
46
glas. Dit vraagt om schone inzameling en geavanceerde verwerkingsen nascheidingstechnieken.
markt gebracht. Daarmee besparen ze zowel CO₂-uitstoot als de kosten van nieuwe grondstoffen.
Uitbreiding capaciteit HVC De composterings- en groen gasinstallatie in Middenmeer wordt uitgebreid met vijf extra composteertunnels, waardoor de capaciteit stijgt van 140.000 naar 200.000 ton gft per jaar. Deze uitbreiding is nodig vanwege de groeiende hoeveelheid gft door hogere recycledoelstellingen. Tijdens de bouw blijft de installatie operationeel en de werkzaamheden zijn eind 2027 afgerond.
Om de toegankelijkheid verder te vergroten, zetten gemeenten en inzamelaars in op mobiele innamepunten. Met kleine, flexibele inzamelunits in de wijk kunnen bewoners makkelijker spullen inleveren die anders misschien illegaal zouden worden gedumpt. Dit verlaagt de drempel en draagt bij aan hogere inzamelingspercentages van herbruikbare goederen.
4.5.4 Grof huishoudelijk afval Afvalbrengstations en recyclepleinen In Nederland ontstaat jaarlijks ruim 1,6 miljoen ton grof huishoudelijk afval, bestaande uit onder meer meubels, hout, metalen en bouw- en sloopmaterialen. Een groot deel hiervan wordt ingezameld via milieustraten, afvalbrengstations of recyclepleinen. Deze voorzieningen vormen steeds vaker niet alleen een plek voor afvalinzameling, maar ook voor circulaire innovatie en hergebruik. Een belangrijke ontwikkeling is de opkomst van ambachtelijke centra die aan milieustraten worden gekoppeld. Hier worden afgedankte spullen gerepareerd, hersteld of omgebouwd tot nieuwe producten, vaak in samenwerking met sociale werkplaatsen. Zo krijgen apparaten, fietsen en meubels een tweede leven en wordt tegelijkertijd werkgelegenheid gecreëerd. Daarnaast groeit de aandacht voor tweedehands bouwmaterialen. Initiatieven zoals Cirq en Teun laten zien dat hout, deuren, sanitair en andere bouwcomponenten een waardevolle grondstof zijn. Deze materialen worden zorgvuldig ingezameld, bewerkt en opnieuw op de