CConstaterende datNoordoostpolder
Koppel je AI →
Document · PDF

D11 03 Contextanalyse najaar 2025.pdf

Gemeenteraad 15 december 2025, gemeente NoordoostpolderBij agendapunt: 5: Lijst ingekomen stukken27.458 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 4

HVC Contextanalyse, najaar 2025

1

Colofon Status :

Definitief

versie :

1

auteurs:

HVC

NV HVC Postbus 9199 1800 GD Alkmaar (072) 5411 311 info@hvcgroep.nl

datum:

8 oktober 2025

HVC Contextanalyse, najaar 2025

hvcgroep.nl

2

1

Inleiding

1.1 1.2

Doel & scope Leeswijzer

2

Klimaat en Economie

2.1 2.1.1 2.1.2 2.1.3 2.1.4

5 6

3.3.4 3.3.5 3.3.6 3.3.7

Aquathermie Zon Wind Bronnenstrategie

Klimaatbeleid Broeikasemissies Europese Unie Klimaatdoelen Europese Unie CO2 emissies Nederland Klimaatbeleid Nederland

7

3.4 3.4.1 3.4.2

Specifieke thema’s Netcongestie Waterstof

4

Afval- en Grondstoffen

2.2 2.2.1 2.2.2 2.2.3 2.2.4

Economie Verduurzaming industrie Ontwikkelingen kapitaalmarktrente Ontwikkelingen arbeidsmarkt Ontwikkelingen energieprijzen

11

4.1 4.1.3 4.1.4 4.1.5 4.1.1 4.1.5 4.1.2 4.1.6

Wet en regelgeving Europese Unie Green Deal en Clean Industrial Deal CO2-heffing en EU emissiehandelssysteem (EU ETS) Circular Critical Raw Materials (CCRM) Herziening Kaderrichtlijn Afval (WFD) Circular Economy Act (CEA) Packaging and Packaging Waste Regulation (PPWR) Corporate Sustainability Reporting Directive (CSRD)

3

Duurzame Energie

3.1 3.1.1 3.1.2

Energietransitie Nationaal Plan Energiesysteem Warmtetransitie

15

4.2 4.2.1 4.2.2 4.2.3 4.2.4

Circulaire Economie in Nederland 35 Nationaal Programma Circulaire Economie (NPCE) Ontwerp Circulair Materialenplan (CMP) Uitgebreide Producenten Verantwoordelijkheid (UPV) Nationaal Exploratie Programma Kritieke Grondstoffen (NEP)

3.2 3.2.1 3.2.2

Wet- en regelgeving, subsidies Wetgeving Subsidies

17

3.3 3.3.1 3.3.2 3.3.3

Ontwikkeling per duurzame bron Energie uit afval Biomassa en slib Geothermie

22

4.3 4.3.1 4.3.2 4.3.3

Kengetallen huishoudelijk afval Huishoudelijk afval per inwoner Benchmark huishoudelijk afval, recyclepercentage Belastingplan 2026

HVC Contextanalyse, najaar 2025

28

31

37

3

4.4 4.4.1 4.4.2 4.4.3 4.4.4 4.4.5

Specifieke thema’s Verschuiving naar publieke inzameling Uniformering inzameling Recycle tarief en recyclekeuze AI en digitalisering Transport

40

4.5 4.5.1 4.5.2 4.5.3 4.5.4 4.5.5

Ontwikkelingen per deelstroom Plastic, metaal- en drankverpakkingen (PMD) Oud papier & karton (OPK) Groente-, fruit-, tuinafval en etensresten (GFTe) Grof huishoudelijk afval Overige stromen: Textiel, luiers, afvalhout

43

4.6 4.6.1 4.6.2 4.6.3 4.6.4 4.6.5 4.6.6 4.6.7

Verbranding huishoudelijk restafval Beleidsvisie afvalverbranding Aanscherpingen fiscale maatregelen afvalverwerking Ontwikkelingen nascheidingscapaciteit Stikstof / vergunningsverlening Bodemas Lachgascilinders Overige ontwikkelingen in de sector

49

5

Waterschappen

5.1 5.1.1 5.1.2 5.1.3 5.1.4 5.1.5

Europese en Nederlandse wetgeving Omgevingswet Waterschapswet Kader Richtlijn Water Herziene Richtlijn Stedelijk Afvalwater Afschaffing vrijstelling afvalstoffenheffing verbranding zuiveringsslib

HVC Contextanalyse, najaar 2025

59

5.1.6

Waterschapsheffing

5.2 5.2.1 5.2.2

Energie- en klimaatneutraliteit Jaarlijkse klimaatmonitor Energieneutraliteit

60

5.3 5.3.1 5.3.2

Ontwikkelingen afvalwaterketen Extra zuiveringsstappen op RWZI PFAS

62

5.4 5.4.1 5.4.2 5.4.3

Ontwikkelingen zuiveringsslibketen Slibverwerking in de toekomst Landen om ons heen Slibvergisting

63

5.5 5.5.1 5.5.2 5.5.3 5.5.4 5.5.5

Grondstoffen uit afvalwater en slib Terugwinning fosfaat Terugwinning stikstof Vetzuren en natuurlijke plasticvervanger Cellulose uit zeefgoed CO2 afvang

64

5.6 5.6.1 5.6.2

Circulariteit CO2-prestatieladder CO2-beprijzing

66

5.7 5.7.1 5.7.2 5.7.3

Overige ontwikkelingen bij waterschappen Biodiversiteit Klimaatadaptatie AI

66

4

1

Inleiding

1.1

Doel & scope

De afvalsector en de duurzame energiesector staan beide midden in een periode van snelle verandering. In de afval- en grondstoffenketen spelen thema’s zoals de CO₂-heffing, het EU-ETS, de nieuwe afspraken tussen VNG en Verpact, aankomende UPV’s, technologische innovaties en aangescherpte EUrichtlijnen. Tegelijkertijd kent de energietransitie haar eigen uitdagingen: de komst van de nieuwe warmtewet (Wcw), toenemende netcongestie, negatieve elektriciteitsprijzen en stilstand in vergunningstrajecten door stikstofregels. Deze contextanalyse geeft achtergrond bij deze ontwikkelingen en schetst de actuele stand van zaken in zowel inzameling- en afvalverwerking als duurzame energieopwekking en -distributie. De missie van HVC Als toonaangevend publiek bedrijf is HVC samen met haar 52 gemeenten, 8 waterschappen en inwoners dagelijks actief om de broeikasgasuitstoot te verlagen door de energiehuishouding te verduurzamen, afval te verminderen en grondstoffen te hergebruiken. Wij zien het als onze taak om u en onze andere gemeenten en waterschappen daarin verder te helpen met onder meer uitvoering, advies, onderzoek, ontwikkeling, communicatie met inwoners en samenwerking met andere relevante partijen. HVC is immers van u en zo werken we samen aan een duurzame toekomst.

HVC Contextanalyse, najaar 2025

Het belangrijkste doel, het reduceren van CO₂, verbindt de 11 activiteiten van HVC met elkaar. Zo produceren we een hoeveelheid duurzame energie - warmte, stroom en groen gas - die overeenkomt met het elektriciteitsverbruik van ruim een half miljoen huishoudens. In 13 gemeenten halen we woningen en bedrijven van het aardgas en sluiten we deze aan op duurzame bronnen, zoals geo- en aquathermie. We zijn op weg naar 50.000 aardgasvrije woningequivalenten in de komende 5 jaar. HVC verwerkt het afval van onze 52 aandeelhoudende gemeenten. In 28 gemeenten zamelen we bij 642.488 huishoudens zelf in waardoor we direct invloed hebben op de kwantiteit en kwaliteit van gescheiden afval dat daarna hoogwaardig gerecycled kan worden. Andere kernactiviteiten van HVC zijn het ontwikkelen van zon- en windparken, het vergisten en composteren van groente-, fruit- en tuinafval en het verwerken van het rioolslib van 8 waterschappen. Grote kracht van HVC is de lange ervaring en technische knowhow, het lef om in ambitieuze transitieprojecten te stappen en de ‘vereenzelviging met de maatschappelijke opgave'. Het gaat niet om financiële winstmaximalisatie, maar om maximale milieuwinst. Onze bedrijfsmatige aanpak houdt ons financieel gezond. Ons uitgangspunt is: samen kunnen we meer bereiken.

5

1.2

Leeswijzer

In hoofdstuk 1 wordt het doel en de scope van de contextanalyse geschetst. Hoofdstuk 2 ‘Klimaat en Economie’ laat de stand van zaken ten aanzien van de broeikasgasemissies en het klimaat in Nederland zien. Daarnaast wordt ingegaan op een aantal externe factoren die impact hebben op het rendement van HVC. In hoofdstuk 3 ‘Duurzame Energie’ vindt u informatie over de actuele ontwikkelingen op het gebied van duurzame energie, wet- en regelgeving, subsidies en de energiemarkt. Daarnaast is er aandacht voor specifieke thema’s zoals waterstof en netcongestie. In hoofdstuk 4 ‘Afval- en Grondstoffen’ worden algemene ontwikkelingen van afvalbeheer beschreven. Tevens is er aandacht voor marktontwikkelingen op het gebied van inzamelen en ontwikkelingen in ketens van specifieke afvalstromen en secundaire grondstoffen. Ten aanzien van de Afvalenergiecentrales (AEC’s) wordt onder andere ingegaan op ontwikkelingen met betrekking tot de toekomstige verbrandingscapaciteit, CO2-afvang en stikstofemissies. In hoofdstuk 5 ‘Waterschappen’ wordt aandacht besteed aan ontwikkelingen op het gebied van rioolwaterzuiveringsinstallaties en zuiveringsslib.

HVC Contextanalyse, najaar 2025

6

2

Klimaat en Economie

De klimaatuitdagingen in Nederland staan hoog op de agenda. Met ambitieuze klimaatdoelen en een nationaal Klimaatplan zet Nederland stappen richting een CO₂-neutrale toekomst. Duurzaamheid staat echter onder druk door politieke verschuivingen; andere urgente dossiers zoals woningbouw, defensie, industrie en netcongestie krijgen voorrang. Tegelijkertijd spelen economische factoren een cruciale rol in de haalbaarheid en snelheid van deze transitie. De energiemarkt, de arbeidsmarkt en de financieringskosten beïnvloeden niet alleen het succes van klimaatmaatregelen, maar ook het rendement van bedrijven als HVC, die actief bijdragen aan de verduurzaming van Nederland.

2.1

Klimaatbeleid

2.1.1 Broeikasemissies EU In het eerste kwartaal van 2025 bedroegen de broeikasgasemissies in de EU in totaal 900 miljoen ton CO₂-equivalenten, wat 3,4% hoger is dan in hetzelfde kwartaal in 2024 (871 miljoen ton). De economische groei (GDP) steeg met ongeveer 1,2% jaar-op-jaar over dat kwartaal. Sectoren met de grootste stijgingen waren de levering van elektriciteit, gas, stoom en airconditioning (+13,6%) en huishoudens (+5,6%). Deze stijgingen compenseren niet de dalingen in andere sectoren zoals vervoer en opslag (−2,9%), landbouw, bosbouw en visserij (−1,4%) en industrie (−0,2%) vergeleken met het eerste kwartaal van 2024. De Eurostat-cijfers over het eerste kwartaal van 2025 gaan over broeikasgasemissies in CO₂-equivalenten (CO₂-eq), dus inclusief methaan (CH₄), lachgas (N₂O) en F-gassen. Eurostat rapporteert deze

HVC Contextanalyse, najaar 2025

kwartaalstatistieken alleen in CO₂-eq om een volledig beeld te geven. CO₂-emissies (verbranding van fossiele brandstoffen) worden jaarlijks door Eurostat en de Europese Milieuagentschap (EEA) gerapporteerd. (bron Eurostat) 2.1.2 EU klimaatdoelstelling voor 2040 In juli heeft de Europese Unie haar nieuwe klimaatdoel vastgesteld. In alle Europese lidstaten moet de uitstoot van broeikasgassen zoals CO2 in 2040 met 90 procent omlaag. De Commissie wil bovendien meer inzetten op CO₂-verwijdering en -opslag. Ook wil de Commissie dat lidstaten vanaf 2036 maximaal 3 procent aan 'koolstofkredieten' van buiten de Europese Unie inkopen. Het stond al vast dat dit in 2030 55 procent moet zijn. In 2050 moeten de lidstaten klimaatneutraal zijn. Een 'tussendoelstelling' voor 2040 moet het lidstaten makkelijker maken om het verplichte doel van 2050 te behalen. Het klimaatdoel werd maanden later aangekondigd dan de bedoeling was. Volgens Eurocommissaris Hoekstra (Klimaat) is "de context extreem ingewikkeld" en dan met name de geopolitieke onrust in de wereld, maar ook de Europese concurrentiepositie die onder druk staat. Met het plan wil de Commissie ambitieus klimaatbeleid voeren, bedrijven perspectief bieden en onafhankelijker worden van het buitenland. De EU importeert op grote schaal olie en gas. Het Europees Parlement moet echter wel nog instemmen met het doel.

In september bleek dat onder meer Duitsland, Frankrijk, Italië en Polen zich af keerden van het voorstel tot reductie met 90 procent voor 2040. In plaats van in september en principeakkoord over het 2040klimaatdoel te bereiken wordt dit doel onder druk van de grote EUlanden eerst medio oktober door de Europese regeringsleiders

7

besproken. Voorstanders van het voorstel (waaronder Nederland) vrezen dat hierdoor zal worden afgezwakt.

tweede kwartaal. Gecorrigeerd hiervoor komt de daling van de CO2uitstoot uit op 3,5 procent. (bron: CBS)

2.1.3. CO2-emissies Nederland In het tweede kwartaal van 2025 was de uitstoot van broeikasgassen in Nederland ruim 3 procent lager dan in hetzelfde kwartaal van 2024. Dat komt vooral doordat de industrie en de gebouwde omgeving minder hebben uitgestoten. De uitstoot van de sector elektriciteit was echter hoger. De industrie stootte 8 procent minder broeikasgassen uit in het tweede kwartaal van 2025 dan een jaar eerder. De daling komt vooral doordat de industrie minder aardgas, aardolie en steenkool gebruikte. Het CBS vermoedt dat dit (deels) te maken heeft met een krimp in omzet en productie in de energie-intensieve chemie en raffinagesector. De industrie is wel nog steeds de sector met verreweg de meeste uitstoot. Het CBS berekent ook de uitstoot van CO2 door alle Nederlandse economische activiteiten volgens de nationale rekeningen. Hierbij wordt in vergelijking met de uitstoot volgens de IPCC-definities ook de CO2-uitstoot van de internationale lucht- en zeevaart en de uitstoot door verbranding uit biomassa door personen en bedrijven behorend tot de Nederlandse economie meegenomen. In het tweede kwartaal van 2025 was de CO2-uitstoot van de Nederlandse economie ruim 4 procent lager dan in hetzelfde kwartaal een jaar eerder, terwijl het bruto binnenlands product (bbp) groeide met 1,5 procent.

De afname van de uitstoot komt vooral doordat huishoudens, de dienstensector en de industrie, vooral de chemische en aardolie-industrie, minder aardgas hebben verbruikt. Het lagere aardgasverbruik is mede te danken aan het relatief warme weer in het

HVC Contextanalyse, najaar 2025

8

2.1.4

Klimaatbeleid Nederland

Klimaatwet en Ontwerp Klimaatplan 2025-2035 Nederland legde in de Klimaatwet vast dat het in 2030 minimaal 55 procent minder CO2 moet uitstoten dan in 1990. In 2050 moet Nederland vervolgens klimaatneutraal zijn. De broeikasgassen die Nederland in 2050 nog uitstoot, worden gecompenseerd met koolstofverwijdering. Hierdoor is er netto geen uitstoot meer. Uit de Klimaatwet volgt dat de regering ten minste eens in de vijf jaar opnieuw een Klimaatplan vaststelt. In dit plan staat hoe het kabinet de komende 10 jaar toewerkt naar klimaatneutraal worden in 2050. In het Klimaatplan 2025-2035 staat onder meer dat het kabinet 90 procent minder broeikasgassen in 2040 een logische tussenstap vindt. Daarnaast bevat het Klimaatplan maatregelen op het gebied van netcongestie, de arbeidsmarkt en vergunningverlening. In het ontwerp-Klimaatplan 2025-2035 heeft de minister van Klimaat en Groene Groei (KGG) vier uitgangspunten geformuleerd voor de uitwerking van het klimaatbeleid in de komende jaren. Het klimaatbeleid moet volgens het ontwerp-Klimaatplan rechtvaardige uitkomsten opleveren, economisch perspectief bieden, ruimte aan maatschappelijk initiatief geven, en rekening houden met de samenhang tussen de verschillende transities (energie-, grondstoffenen voedseltransitie) die gelijktijdig moeten plaatsvinden om klimaatneutraliteit te bereiken.

Het Klimaatplan 2025-2035 is nog niet vastgesteld; het definitieve plan is op 14 maart 2025 door het kabinet aan de Tweede en Eerste Kamer aangeboden voor verdere behandeling, na een kritisch advies van de Raad van State op 4 maart 2025 en eerdere consultatie. Pas na parlementaire goedkeuring kan worden gesproken van een vastgesteld

HVC Contextanalyse, najaar 2025

klimaatplan. (bron: Tweede Kamer) Daarnaast informeert de overheid op verschillende manieren over de voortgang van de klimaatdoelen, waaronder de Klimaat- en energienota, Klimaat- en Energieverkenning (KEV) en de Dashboard Klimaatbeleid. Via de Klimaatmonitor van de Rijksoverheid is via een viewer een schat aan data over energie en klimaat te selecteren en te visualiseren. Deze monitor is speciaal ontwikkeld voor decentrale overheden. Klimaat- en Energieverkenning Jaarlijks neemt het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) in haar Klimaat- en Energieverkenning (KEV) alle maatregelen door die tot extra of tot minder CO2-uitstoot leiden, om te kijken of Nederland nog op koers ligt. Deze jaarlijkse KEV is een belangrijk verantwoordingsinstrument van het Nederlandse klimaat- en energiebeleid, op basis van de Klimaatwet. Ook monitort de KEV de voortgang en maakt het rapport inzichtelijk wat de te verwachten effecten van vastgestelde en voorgenomen beleidsmaatregelen zijn. Het PBL merkt, net als in 2024, in haar KEV van september 2025 op dat met minder dan vijf procent kans het "heel erg onwaarschijnlijk" is dat Nederland zijn klimaatdoelen voor 2030 haalt. Sinds 1990 is de uitstoot van Nederland met 36 procent gedaald. In 2019 stootte Nederland in totaal 185,3 megaton aan CO2equivalenten uit. In 2024 was dat gedaald naar 144,2 megaton.

In 1990, het referentiejaar, was de uitstoot 227,5 megaton CO2equivalenten. Maar deze daling zet niet door. Het PBL constateert dat het regeringsbeleid er het afgelopen jaar nauwelijks voor heeft gezorgd dat de uitstoot harder daalt. Dat er toch sprake van een daling is, komt vooral door andere oorzaken, bijvoorbeeld doordat de chemische industrie naar verwachting minder produceert.

9

Met nog vier jaar te gaan, zal Nederland de uitkomsten waarschijnlijk niet meer kunnen bijsturen, concludeert het Planbureau. Om beleid te maken is politieke stabiliteit en tijd nodig, en beide ontbreken. "Intussen is de horizon zo dicht genaderd, dat van vooruitkijken nauwelijks meer sprake is", schrijft het PBL. Wil het kabinet het doel echt halen, dan kan dat bijna niet meer zonder economische pijn en maatschappelijke weerstand, aldus het Planbureau.

Klimaat en Groene Groei (KGG) beloofde in de maanden erna te zoeken naar plannen om die extra megatonnen CO2 te besparen en zo het halen van de doelen weer 'waarschijnlijk' te maken. Bij de Voorjaarsnota bleek dat lastig: de minister stond voor grote dilemma's. Uiteindelijk werden haar plannen losgetrokken van de Voorjaarsnota, en kwamen die weken later. Hermans' plannen zouden volgens haar ministerie leiden tot zo'n 10 megaton aan extra CO2-besparing: niet voldoende, maar wel een stap in de richting. Het PBL komt met de maatregelen van de minister uit op 4 megaton CO2-besparing. Daar komt nog bij dat de berekeningen van het Planbureau zijn gebaseerd op beleid tot 1 mei van dit jaar. Twee belangrijke wijzigingen uit juni zijn niet meegenomen, terwijl die de uitstoot opstuwen. Zo is de CO2-belasting voor de industrie opgeschort. Ook het sluiten van maatwerkafspraken tussen grote bedrijven en de overheid is grotendeels definitief mislukt. Het idee was dat dertig vervuilende bedrijven subsidies zouden krijgen in ruil voor verregaande verduurzaming. Vanuit het PBL klinken waarschuwingen voor de periode ná 2030. Het grotere probleem is dat het laaghangende fruit de afgelopen jaren is geplukt, met onder meer wind- en zonne-energie, energiebesparing en de opkomst van elektrische auto’s.

Nu komt het aan op verdere schaalvergroting en een vergroening van lastiger onderdelen van de economie, zoals industriële processen, de luchtvaart, en de energievoorzieningsketens die daarbij horen. (bron: PBL)

Vorig jaar constateerde het PBL een gat van 16 tot 24 megaton CO2 tussen de doelen en de plannen. Demissionair minister Hermans van

HVC Contextanalyse, najaar 2025

Een lichtpunt: Nederland wordt „energie-onafhankelijker” door de energietransitie, ziet het PBL. Na het terugdringen van Gronings gas sinds 2015 is Nederland nu voor ongeveer 80 procent van zijn energie

10

afhankelijk van het buitenland. In 2030 is dat afgenomen naar het niveau van vóór 2015, tot onder de 70 procent. (bron: NOS)

2.2

Economie

hoeven te betalen voor hun CO2-uitstoot. De heffing, die in 2021 van start ging om de klimaatdoelstellingen te borgen, werd gezien als een financiële last voor Nederlandse bedrijven ten opzichte van Europese concurrenten.

2.2.1 Verduurzaming industrie De wegebbende aandacht voor het verduurzamen van de industrie past in een Europese trend. Vergroenen moet steeds vaker wijken voor zorgen over de internationale concurrentiepositie van de sector. Terwijl de Europese Commissie klimaatdoelen afzwakt, zoekt ook het kabinet naar manieren om het speelveld met buurlanden gelijk te trekken.

Een klacht van bedrijven was dat zij door de nationale heffing op achterstand komen te staan tegenover concurrenten in het buitenland. De heffing zou ervoor zorgen dat de industrie in Nederland naar verwachting 75 euro meer uitgestoten ton CO2 kwijt is dan de rest van Europa. Dat komt bovenop nettarieven die hoger zijn dan in de buurlanden en gunstige regelingen die in sommige omliggende landen wel, maar in Nederland niet bestaan.

Een meerderheid van de Kamer vindt dat grote Nederlandse bedrijven in de industrie te veel last ondervinden van de heffing ten opzichte van andere Europese bedrijven, wat kan leiden tot oneerlijke concurrentie. De Tweede Kamer heeft eerder dit jaar het kabinet opgeroepen snel met een plan van aanpak te komen om „een gelijk speelveld” met onze buurlanden te herstellen.

De Nederlandse CO2 heffing wordt niet helemaal afgeschaft, maar verlaagd en zo ingericht dat bedrijven in de praktijk geen kosten hieraan kwijt zijn. Dit heeft minister Hermans gedaan, zodat Nederland geen Europese subsidies mislopen ter waarde van 1,2 miljard, bedoeld voor verduurzaming en energiebesparing.

Eerder bracht Hermans al een geschrapte (fossiele) subsidie, de Indirecte Kostencompensatie (IKC), voor grote stroomverbruikers terug, nadat de industrie had geklaagd dat deze in buurlanden nog wel gold. betaald. Deze IKC is een maatregel waarmee grootverbruikers van energie, zoals bedrijven in de metaal-, papier- en kunststofsector, gecompenseerd kunnen worden voor hogere elektriciteitsprijzen door het Europese emissiehandelssysteem. De ongeveer 650 miljoen euro die daarbij gemoeid is, komt uit het klimaatfonds – dat is bedoeld voor vergroeningsplannen. CO2 heffing industrie De CO2-heffing voor de Nederlandse industrie is per 25 juni 2025 geschrapt door een Kamermeerderheid, wat betekent dat deze belasting niet langer van kracht is en bedrijven dus niet meer extra

HVC Contextanalyse, najaar 2025

Om het overige tekort te kunnen dekken heeft het kabinet Bernard Wientjes als voorzitter gevraagd om met de Overlegtafel CO2-heffing industrie – met vertegenwoordigers van onder andere het Rijk, groene NGO’s en industriële bedrijven – met alternatieven of ideeën voor aanpassingen aan het bestaand borgend instrumentarium te komen. Maatwerkafspraken Maatwerkafspraken, oftewel speciale afspraken tussen de overheid en de industrie over verduurzamen, waren een belangrijk onderdeel van het klimaatbeleid. De overheid beloofde subsidies aan de dertig grootste industrieën in Nederland in ruil voor vergaande klimaatmaatregelen. Afgelopen juni werd bekend dat de gesprekken met een groot aantal bedrijven zijn gestopt, onder meer met Shell (olie), BP (olie), Air

11

Liquide (gas), Air Products (gas), ExxonMobil (olie), LyondellBasell (plastic) en Dow Chemical (chemie). Tot nu toe zijn alleen maatwerkafspraken gemaakt met zoutfabrikant Nobian. Het wachten is nu op de grootste uitstoter, Tata Steel. De bedrijven die gestopt zijn, zeggen zelf dat dit niet betekent dat ze geen klimaatmaatregelen zullen nemen. 2.2.2 Energieprijzen Sinds maart 2025 hebben energieprijzen in Nederland niet hele extreme schommelingen doorgemaakt. De lichte schommelingen ware met name te verklaren door geopolitieke spanningen en marktontwikkelingen. Gasprijzen De gasprijzen kenden vanaf maart over de periode tot nu een lichte dalende trend. In juni was er een stijging van de gasprijzen te zien door geopolitieke spanningen in het Midden-Oosten. De forwardprijzen voor gas 2026 stegen naar bijna € 40 per MWh. Na een periode van ongeveer twee weken waren de prijzen weer op het niveau van daarvoor. De huidige prijzen voor 2026 liggen rond de € 32 per MWh. Elektriciteitsprijzen De elektriciteitsprijzen hebben vanaf maart juist een lichte stijgende lijn. Dit komt omdat de prijzen voor emissies in deze periode ook zijn gestegen. De elektriciteitsprijzen worden voor een groot deel gedreven door de gasprijzen en de emissieprijzen. Hier zien we ook een stijging van de prijzen in juni door de geopolitieke spanningen.

De forwardprijzen voor elektriciteit 2026 liggen nu rond de € 85 per MWh.

Om inzicht te geven in de ontwikkelingen op de energiemarkt publiceert ACM de Monitor Consumentenmarkt Energie, en de Monitor Groothandelsprijzen en Leveringszekerheid Gas en de Monitor Groothandelsmarkt Elektriciteit. HVC en energieprijzen Energieprijzen spelen een belangrijke rol bij HVC. Als producent van duurzame energie kan worden geprofiteerd van hogere energieprijzen door verhoogde inkomsten uit energieproductie. Tegelijkertijd kunnen stijgende energieprijzen de operationele kosten verhogen, vooral in energie-intensieve processen, wat de marges kan beïnvloeden. 2.2.3 Arbeidsmarkt De arbeidsmarkt is een andere rendementsbepalende factor voor HVC, vooral door de aanhoudende krapte in technische beroepen. De stijgende lonen en de krappe arbeidsmarkt kunnen leiden tot hogere personeelskosten voor HVC en uitdagingen bij het aantrekken van gekwalificeerd personeel. De sector kampt met een ernstig tekort aan technisch personeel, wat de voortgang van de energietransitie belemmert. Volgens gegevens van NGinfra zijn er momenteel tussen de 100.000 en 150.000 technisch opgeleide arbeidskrachten te kort. Tegelijkertijd daalt de

HVC Contextanalyse, najaar 2025

12

instroom van nieuwe studenten aan technische mbo-opleidingen, wat de zorgen vergroot over de beschikbaarheid van vakmensen zoals installateurs van zonnepanelen en warmtepompen. Om de aantrekkelijkheid van technische functies te vergroten en personeel te behouden, zijn er aanzienlijke loonstijgingen doorgevoerd in de cao voor de technische installatiebranche. Daarnaast benadrukt het tekort aan technisch personeel en de stijgende lonen de noodzaak voor innovatieve wervings- en retentiestrategieën. Krapte arbeidsmarkt

Het aantal vacatures nam in het tweede kwartaal van 2025 af met 7 duizend en het aantal werklozen met 4 duizend. De spanning op de arbeidsmarkt bleef hierdoor gelijk op 101. Voor elke 100 werklozen waren er 101 openstaande vacatures. Aan het einde van het tweede kwartaal stonden er 389 duizend vacatures open. Sinds het tweede kwartaal van 2022 was er alleen in het vierde kwartaal van 2024 een toename. De meeste vacatures zijn in de zakelijke dienstverlening de zorg en de handel. (bron: CBS) Ontwikkeling CAO-lonen In het tweede kwartaal van 2025 zijn de cao-lonen (per uur inclusief bijzondere beloningen) met 5,3 procent toegenomen. Sinds het derde kwartaal van 2024, waarin de cao-loonstijging met 6,8 procent de hoogste in ruim veertig jaar tijd was, is de cao-loonstijging afgenomen. In het eerste half jaar van 2025 lag de loonontwikkeling ruim één procentpunt lager dan die in het laatste kwartaal van 2024. In de komende CAO-onderhandelingen voor 2026 eisen zowel de FNV (6%) als het CNV (3,5-5%) een stijging van het CAO-loon dat hoger is dan de verwachte inflatie (2,3%). In 2026 zullen de cao-lonen minder sterk stijgen dan in voorgaande jaren, verwacht het Centraal Planbureau (CPB). Het bureau verwacht dat de cao-lonen met 4,2% omhooggaan. Hoewel dit percentage lager is dan in 2025 en eerdere jaren, blijft het wel ver boven de geraamde inflatie. (bron: CBS)

HVC Contextanalyse, najaar 2025

13

2.2.4 Kapitaalmarktrente In 2025 heeft de Europese Centrale Bank (ECB) de rente geleidelijk verlaagd om de afzwakkende economie in de eurozone te ondersteunen. Tussen januari en september daalde de depositorente van 2,75% naar 2,00%, een verlaging van 75 basispunten. Deze stap volgde op een reeks renteverlagingen die in juni 2024 begon, toen de rente nog op 4% stond. De belangrijkste reden voor deze versoepeling is de afnemende inflatie, die inmiddels rond het streefdoel van 2% ligt. Daarnaast blijft de economische groei in Europa achter, met een verwachte toename van slechts 0,9% in 2025. bron: CPB 2025

Arbeidsmarkt activiteiten HVC Door de toenemende krapte op de arbeidsmarkt, met name in technische en logistieke functies, zet HVC actief in op het aantrekken van gekwalificeerd personeel. Het bedrijf investeert in het opleiden en ontwikkelen van collega’s, zowel intern als via externe trajecten. HVC is zichtbaar op diverse banenmarkten en wervingsevenementen om direct in contact te komen met potentiële kandidaten. Het werkgeversverhaal is geactualiseerd om beter aan te sluiten bij de wensen van werkzoekenden. Daarnaast zijn er professionele wervingscampagnes opgezet, ondersteund door een eigen recruitmentteam en een job-marketeer, die gericht inspelen op de arbeidsmarktontwikkelingen en de positionering van HVC als aantrekkelijke werkgever.

HVC Contextanalyse, najaar 2025

Bovendien drukken geopolitieke spanningen, zoals handelsonzekerheden met de Verenigde Staten, op de export en investeringen. Door de rente te verlagen, wil de ECB kredietverlening stimuleren en de binnenlandse vraag aanjagen. Impact rente ontwikkelingen op HVC De kapitaalmarktrente bepaalt in belangrijke mate de financieringskosten van investeringen in circulaire grondstoffenverwerking en duurzame energieopwekking. Schommelingen van de rente hebben daarom invloed op de kostprijs van nieuwe projecten en de financiële positie van HVC. Aangezien HVC beschikt over een portfolio van langlopende leningen met verschillende looptijden en een lineair aflossingspatroon wordt de impact van schommelingen van de rente op HVC gedempt.

14

3

Duurzame Energie

3.1

Energietransitie

3.1.1 Nationaal Plan Energiesysteem In het Nationaal Plan Energiesysteem (NPE) geeft het Rijk aan hoe een duurzaam, betaalbaar en betrouwbaar energiesysteem van de toekomst (2050) vorm gaat krijgen en hoe iedereen vanuit zijn eigen rol kan bijdragen. In dit plan worden keuzes gemaakt voor een energiesysteem dat alle gebruikerssectoren (gebouwde omgeving, mobiliteit, industrie en landbouw & landgebruik) in staat moet stellen om te verduurzamen. Het Rijk maakt in het NPE 5 richtinggevende keuzes: 1. Maximaal aanbod; maximale inzet op aanbod van duurzame energie en energie-infrastructuur. 2. Energiebesparing; besparen als belangrijke hoeksteen van het energiebeleid. 3. Slim inzetten energie en infrastructuur; schaarse energie en infrastructuur worden ingezet waar dit het meest nodig is vanuit systeemperspectief. 4. Internationale samenwerking; sterke internationale samenwerking en maximaal verbonden energiesysteem. 5. Samen sturen; met burgers en bedrijven, met ruimte voor participatie en initiatief. 3.1.2 Warmtetransitie De warmtetransitie speelt een hoofdrol in de Nederlandse klimaatdoelstellingen. Om deze te realiseren is aan de klimaattafel met de naam Gebouwde omgeving besloten te stoppen met het gebruik van aardgas, een fossiele energiebron. In het Klimaatakkoord is afgesproken dat 7 miljoen woningen en 1

HVC Contextanalyse, najaar 2025

miljoen gebouwen in 2050 van het aardgas af gaan. De eerste stap is het verduurzamen van 1,5 miljoen bestaande woningen. Dat moet in 2030 zijn afgerond. 70% van het energieverbruik in gebouwen wordt gebruikt om panden te verwarmen. De overgang van aardgas naar duurzame alternatieven voor koken, het verwarmen van woningen en van kraanwater, noemen we de warmtetransitie. Een Transitievisie Warmte geeft een eerste richting voor de aanpak van het isoleren en aardgasvrij maken van de gebouwde omgeving. Er staan voorstellen in voor duurzaam aardgasvrij verwarmen en koken. De warmtetransitie is meestal per wijk beschreven omdat de huizen vaak op gelijke wijze of in eenzelfde periode zijn gebouwd. Isolerende maatregelen van muren, vloeren, daken en type glas zijn dan toegepast volgens de inzichten en technieken die golden ten tijde van de aanleg van de wijk. Transitievisies Warmte (TVW’s) en het Warmteprogramma (WP) De Transitievisie Warmte is een plan van gemeenten om in 2050 van het aardgas af te zijn. De warmtetransitie wordt in 2025 en daarna uitgewerkt in een Warmteprogramma met een concreter tijdpad en maatregelen.

Dit programma is een wettelijke verplichting (Wet gemeentelijke instrumenten warmtetransitie) en wordt samen met bewoners en partners opgesteld om de specifieke wijken aardgasvrij te maken, met focus op het terugdringen van de CO2-uitstoot en de afhankelijkheid van fossiele brandstoffen. Van de gegevens die in alle transitievisies warmte staan, heeft de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) een visualisatie gemaakt. De collectieve, individuele en gecombineerde oplossingen van gemeenten kunnen hierin worden bekeken. Dit is in de

15

Warmteatlas opgenomen. (bron: Nationaal Programma Lokale Warmtetransitie (NPLW).

De Warmteprogramma's moeten bijdragen aan het behalen van nationale doelstellingen zodat de warmtetransitie gestroomlijnd kan verlopen. Warmtenetten en Warmtebod In januari 2025 is door de Warmtealliantie een Warmtebod gedaan richting het kabinet. Op initiatief van het Uitvoeringsoverleg Klimaatbeleid Gebouwde Omgeving en het Nationaal Klimaat Platform is in het voorjaar 2024 een aantal partijen bij elkaar gebracht om te analyseren waarom de ontwikkeling van warmtenetten stagneert en wat er nodig is om die stagnatie te doorbreken. Meerdere partijen hebben zich vervolgens verenigd in een Warmtealliantie. HVC is gevraagd om hieraan een actieve bijdrage te leveren en neemt deel aan het kernteam. Het energiesysteem in Nederland wordt zwaar belast en biedt nauwelijks ruimte aan oplossingen die meer elektriciteit vragen. Langer wachten met het ontwikkelen van warmtenetten creëert een hogere belasting van het elektriciteitsnet en een toename van netcongestie.

Met ingang van 1 januari 2027 dient iedere gemeente een Warmteprogramma te hebben vastgesteld. Het Warmteprogramma is concreter dan de visie. Het is de bedoeling dat gemeenten doelstellingen voor isolatie, warmtenetten en elektrificatie van de warmtevoorziening gaan vastleggen. Het specificeert tevens het tijdspad voor het aardgasvrij maken van buurten en wijken. Een belangrijk onderdeel van het Warmteprogramma zijn de Wijkuitvoeringsplannen, die in samenwerking met bewoners, woningcorporaties en netbeheerders worden gemaakt.

HVC Contextanalyse, najaar 2025

In het Warmtebod wordt omschreven onder welke randvoorwaarden het proces kan worden vlot getrokken. Bewoners moeten weer vertrouwen krijgen in warmtenetten als een goede en betaalbare oplossing. Warmtebedrijven en hun toeleveranciers moeten aan de slag kunnen met voldoende zicht op continuïteit van werk. En gemeenten moeten de opgave vertalen naar haalbare en gedragen projecten die kunnen worden opgenomen in de Warmteprogramma’s. Het Warmtebod is goed ontvangen door het ministerie van KGG en Tweede Kamerleden. Tijdens de behandeling van de Wet collectieve warmte zijn onder andere moties aangenomen om met de Warmtealliantie in overleg te treden om de stimulering van collectieve

16

warmte beter te borgen. Hier wordt momenteel invulling aan gegeven door de Warmtealliantie in samenwerking met het ministerie van KGG en RVO. HVC en het Warmtebod HVC heeft meegeschreven en is een van de medeondertekenaars van het Warmtebod. HVC is één van de snelst groeiende warmtebedrijven en een van de grootste publieke warmtebedrijven van Nederland. In 2024 heeft HVC warmtenetten operationeel in de gemeenten Alkmaar, Heiloo, Dijk en Waard, Dordrecht, Zwijndrecht, Sliedrecht, Papendrecht, Hendrik-Ido-Ambacht, Assendelft, Velsen, Westland, Gorinchem en Hoorn. De projecten Maasdijk (drie doubletten) en Polanen (één doublet) komen in 2025 in bedrijf. Deze zijn onderdeel van het warmtesysteem Westland. In juni 2025 is besloten akkoord te gaan met de realisatie van het geothermieproject Wippolderlaan.

Noord Holland De provincie Noord-Holland is gestart met een onderzoek naar warmtenetten. Hiervoor is een 'Verkenner Warmte' aangesteld. De verkenner gaat in gesprek met belangrijke partijen om de voor- en nadelen voor een regionaal publiek warmtebedrijf in kaart te brengen. Daarnaast wordt onderzocht waar de vraag naar warmte een warmtenet mogelijk maakt en kijkt de provincie hoe leidingen voor het transport van warmte betaald moeten worden. In het najaar van 2025 worden de resultaten van beide onderzoeken bekend gemaakt. De verkenner levert in het voorjaar van 2026 een advies op dat moet leiden tot besluitvorming over een mogelijke concrete samenwerking met andere partijen. Woningen maar ook glastuinbouw of bedrijven kunnen aangesloten worden op een warmtenet. Publieke warmtenetten dragen volgens de provincie Noord-Holland bij aan een betere benutting van duurzame warmtebronnen, zoals restwarmte en aardwarmte, en spelen op die manier een belangrijke rol in de weg naar een klimaat-neutrale provincie in 2050.

3.2

Warmtesysteem Westland HVC

Wet- en regelgeving, subsidies

3.2.1 Wetgeving Wet Collectieve Warmte (Wcw) De nieuwe warmtewet, het wetsvoorstel Wet collectieve warmte (Wcw), is op 3 juli 2025 goedgekeurd door de Tweede Kamer. Deze wordt in het najaar van 2025 behandeld in de Eerste Kamer. De verwachting is dat de Wcw in de Eerste Kamer voldoende steun vindt. Op 7 oktober 2025 vindt een deskundigen sessie plaats, hiervoor is HVC uitgenodigd om aan deel te nemen. Publieke zeggenschap in de nieuwe warmtewet heeft gevolgen voor de inrichting van warmtebedrijven. Arcadis heeft onderzocht hoe

HVC Contextanalyse, najaar 2025

17

warmtebedrijven onder de nieuwe wet eruit kunnen zien. Het bedrijf komt tot een viertal modellen. Een (lokaal) publiek warmtebedrijf, een hybride model met publiek meerderheidsaandeel en privaat minderheidsaandeel, een gemeenschapsmodel met een warmtegemeenschap en tot slot een regionaal autonoom model. Die laatste variant heeft de voorkeur van het ministerie van Klimaat en Groene Groei. Het is een warmtebedrijf dat in handen is van meerdere overheden. Dat kan een combinatie zijn van gemeenten, maar ook provincies of staatsbedrijf EBN zouden daaraan deel kunnen nemen. Arcadis beschrijft voor elk van de modellen de eigendomssituatie, hoe de besluitvorming verloopt, hoe de regulering eruit ziet en waar de strategische verantwoordelijkheid ligt. Daarnaast stipt het bedrijf ook de juridische, financiële en organisatorische voorwaarden aan. Die ontlopen elkaar verrassend weinig blijkt. Elk model heeft baat bij heldere afspraken en duidelijke regelgeving. De invoering van de Wcw is een belangrijke stap. Daarnaast is het ook van groot belang dat partijen vertrouwen in elkaar hebben, met name in het hybride model waar publiek en privaat samen aandeelhouder zijn, als in het gemeenschapsmodel, waar de warmtegemeenschap niet zonder steun en vertrouwen van de gemeente kan. Overheidsfinanciering is, ongeacht het model, cruciaal.

Dat gaat om investeringssubsidies zoals de bestaande WIS voor warmteinfrastructuur, maar ook om het veelbesproken waarborgfonds dat noodlijdende warmtebedrijven opvangt. In het hybride model spelen ook prijsgaranties een belangrijke rol, en voor warmtegemeenschappen garantstellingen van overheidswege om überhaupt toegang tot financiering te krijgen. Het hangt van de lokale situatie af, welk model het beste past.

HVC Contextanalyse, najaar 2025

HVC en de nieuwe warmtewet In de nieuwe warmtewet krijgt publieke zeggenschap veel aandacht. Het stelt gemeenten in staat om regie te voeren op de warmtetransitie door een aanwijsbevoegdheid op warmtekavels. Belangrijke vraag is hoe nieuwe warmtebedrijven er onder de nieuwe wet uit gaan zien. HVC is een publiek warmtebedrijf waar aandeelhouders al gebruik van kunnen maken. Besluit gemeentelijke instrumenten warmtetransitie (Wgiw) Het verbod op fossiele brandstoffen per 2050 is geschrapt uit het ontwerp Besluit gemeentelijke instrumenten warmtetransitie. Ook hoeft een alternatief voor aansluiting op een warmtenet niet langer “gelijkwaardig” te zijn. Het ontwerpbesluit bevat de uitwerking van de wet die de bevoegdheid voor gemeenten om wijken van het gas te halen regelt. Het ontwerpbesluit hoort bij de Wet gemeentelijke instrumenten warmtetransitie (Wgiw). Deze is in december 2024 aangenomen door de Eerste Kamer. De wet regelt dat gemeenten wijken mogen aanwijzen waar de gaslevering wordt beëindigd. Die aanwijzing moet een stok achter de deur zijn voor bewoners om te kiezen voor het aansluiten op een warmtenet of een ander duurzaam alternatief. Het ontwerpbesluit werkt een aantal zaken verder uit, zoals de voorwaarden waaronder een gemeente een wijk mag aanwijzen en de regels rondom betaalbaarheid. Enkele bepalingen zijn na de consultatiefase gewijzigd.

Zo is de bepaling geschrapt dat na 1 januari 2050 gebouwen geen gebruik meer mogen maken van fossiele brandstoffen. In de toelichting schrijft de minister dat de uiteindelijke verantwoordelijkheid op het bordje van de woning- of gebouweigenaar gaat landen, als de gemeente haar zaken uiteindelijk niet op orde heeft. Anders is zij of hij in overtreding.

18

De Klimaatwet bepaalt dat Nederland in 2050 klimaatneutraal moet zijn. Dat betekent dat er gebruik zou kunnen worden gemaakt van fossiele brandstoffen, mits de uitstoot elders wordt gecompenseerd. De minister geeft aan dat het streven nog altijd is om fossiele brandstoffen uit te faseren, en dat de Wgiw plus het ontwerpbesluit belangrijke randvoorwaarden zijn om dat doel te halen. De eis dat een alternatief voor het aansluiten op een warmtenet gelijkwaardig moet zijn aan dat warmtenet, komt te vervallen. Het per warmtenet bepalen of een door een bewoner verkozen alternatief nu precies gelijkwaardig is of niet is lastig. Er zou dus vrijwel altijd een energie-adviseur aan te pas moeten komen om te bepalen of een alternatief al dan niet gelijkwaardig is. Ook toezichthouder Autoriteit Consument & Markt had om meer duidelijkheid gevraagd inzake het gelijkwaardige alternatief. Het schrappen van het gelijkwaardigheidsprincipe betekent dat elk alternatief nu is toegestaan, mits het aan de regels van het Bbl (bouwregelgeving) voldoet zoals de energie-efficiëntie eisen en geen fossiele brandstoffen verbruikt. Betaalbaarheid Een belangrijke zorg is de betaalbaarheid van warmtenetten. Via een amendement (wetswijziging) regelde de Tweede Kamer dat een gemeente de gaslevering pas mag beëindigen als de betaalbaarheid geborgd is.

In het ontwerp Besluit gemeentelijke instrumenten warmtetransitie staan nu de regels hoe die betaalbaarheid bezien moet worden. De betaalbaarheid moet worden bekeken vanuit het gemiddelde voor de wijk. Er komt dus geen garantie dat voor elk huishouden de woonlasten gelijk blijven. Ook moet daarbij worden nagegaan hoe de kosten en baten verspreid zijn over de wijk. Daarnaast moeten gemeenten rekening houden met de vraag of de eindgebruikers (dus

HVC Contextanalyse, najaar 2025

wel bewoners en huurders, maar niet verhuurders) de kosten die het einde van de gaslevering met zich meebrengt, kunnen dragen. Ook die financierbaarheid wordt weer bezien vanuit de gemiddelde kosten van de maatregelen voor de wijk, en dus niet per individueel huishouden. Het ontwerpbesluit bevat rekenregels, met posten waar rekening mee moet worden gehouden, en de bepaling dat de besparing op de energierekening wordt bepaald aan de hand van de vergelijking met een huishouden met een gasgestookte cv-ketel. Deze regels vereisen meer uitwerking en die gaat landen in een ministeriële regeling. Het ontwerpbesluit is naar de Eerste en de Tweede Kamer gestuurd in een voorhangprocedure. Dat betekent dat het parlement de kans krijgt om zich erover uit te spreken. Wordt hier geen gebruik van gemaakt dan wordt het ontwerpbesluit eind september doorgestuurd naar de Raad van State om te worden vastgesteld. Het precieze aantal aansluitingen op warmtenetten in Nederland is onbekend. Het gaat dan om collectieve warmtesystemen met meer dan tien aansluitingen. Het overheidsprogramma VIVET (Verbetering Informatievoorziening Energietransitie) gaat daarom een haalbaarheidsstudie doen naar het opzetten van een centraal register voor warmtenetaansluitingen, vergelijkbaar met de bestaande registers voor elektriciteits- en gasaansluitingen.

De schattingen van het aantal warmtenetaansluitingen verschillen. Het verschil tussen het Centraal Bureau voor de Statistiek en de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland is bijvoorbeeld zo’n 15%. Ook is het niet bekend hoeveel warmteleveranciers er zijn en ontbreekt het aan inzicht in de kosten. Het Ministerie wil werken aan een centraal register voor warmtenetaansluitingen, in het najaar van 2025 wordt hiervoor een opdracht verstrekt om dit in gang te gaan zetten.

19

Warmtetarieven 2026 De exacte warmtetarieven voor 2026 zijn nog niet bekend. Deze worden jaarlijks vastgesteld door de Autoriteit Consument en Markt (ACM). Een belangrijk gevolg van de Wet collectieve warmte (Wcw) is de invoering van kostengebaseerde tarieven. Dit betekent dat de prijs niet meer wordt bepaald door de gasprijs, maar door de werkelijke kosten van de warmtevoorziening, wat op termijn leidt tot meer voorspelbare tarieven. De eerste stap is het niet meer mogen doorbelasten van een hogere energiebelasting voor gas in het warmtetarief.

Ondernemers vroegen in 2024 voor 640 duurzame energieprojecten subsidie aan via de regeling Stimulering Duurzame Energieproductie en Klimaattransitie (SDE++). De meeste aanvragen waren voor zonnepanelen op daken. Opvallend is de groei van aanvragen voor warmtepompen, aquathermie en elektrische boilers. In 2024 is voor ruim 10,5 miljard euro SDE++-subsidie aangevraagd bij de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO). Daarvan keurde RVO 7 miljard euro goed, omdat niet alle projecten voldeden aan de voorwaarden. Er was 11,5 miljard euro beschikbaar, 4,5 miljard euro subsidie bleef onbenut.

De implementatie van de Wcw zal gefaseerd gebeuren, waardoor de volledige impact van de kostengebaseerde tarieven pas enkele jaren zichtbaar wordt. De verwachting van het ministerie van KGG is dat de ACM minimaal 2 tot 4 jaar nodig heeft om de nieuwe systematiek goed uit te werken. In aanloop naar dit nieuwe tariefstelsel heeft de ACM wel meer bevoegdheden om extra informatie op te vragen bij warmtebedrijven.

Met de SDE++-subsidieregeling kan in 2025 8 miljard euro worden verdeeld over de diverse hernieuwbare-energieprojecten en CO₂reducerende technieken. En ook in 2026 kan subsidie worden aangevraagd. Eerder was er twijfel of het kabinet daar geld voor kon vrijmaken. In een kamerbrief van 6 juni 2025 is voor 2026 voorlopig 8 miljard euro beschikbaar gesteld. Aanvragen kunnen worden ingediend van 7 oktober tot en met 6 november 2025.

De huidige situatie (2025) is: · Variabel tarief: in 2025 is het variabele tarief voor warmte per GJ (giga joule) lager dan in 2024. · Vaste kosten: de vaste kosten voor een standaardgebruiker zijn in 2025 ongeveer gelijk gebleven aan 2024 (bron ACM).

Budgettaire wijzigingen van het kabinet zorgen ervoor dat de SDE++subsidieregeling voor duurzame technieken naar verwachting zonder extra middelen vanaf 2027 niet meer opengesteld kan worden. Vanwege doorlooptijden zullen de effecten hiervan vooral na 2030 optreden.

3.2.2 Subsidies SDE++ Jaarlijks wordt het kabinet over de vormgeving van de SDE++ geadviseerd door het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL). Inmiddels zijn in de SDE++ op basis van die adviezen verschillende categorieën opgenomen voor de productie van warmte uit aquathermie, geothermie en restwarmte vanuit bijvoorbeeld datacenters.

Warmtenetten Investeringssubsidie (WIS) De Warmtenetten Investeringssubsidie (WIS) opent in 2025 voor de 3e keer. Ondernemers kunnen hiermee subsidie aanvragen als ze willen investeren in een energie-efficiënt warmtenet om bestaande woningen en gebouwen van het aardgas te halen. Een belangrijke verandering is dat ze nu subsidie krijgen voor 30% van de investeringskosten. Hierdoor is voor ondernemers vooraf direct duidelijk hoeveel subsidie ze krijgen.

HVC Contextanalyse, najaar 2025

20

De subsidieronde van 2025 kent meer veranderingen. Zo gaat de nieuwe WIS flexibeler om met het aansluiten van grootverbruikers (groter dan 100 kW) op het warmtenet, zoals een zwembad. Deze grootverbruikers maken soms gebruik van dezelfde infrastructuur als kleinverbruikers. Daarom kunnen ondernemers nu ook subsidie aanvragen voor onderdelen van het warmtenet die warmte leveren aan kleinverbruikers én nieuwbouw of grootverbruikers. Hierdoor kunnen zij het warmtenet sneller aanleggen.

De overheid verstrekt subsidies om huizen te verduurzamen met de Investeringssubsidie Duurzame energie en Energiebesparing (ISDE). Bijvoorbeeld voor de aanschaf van zonneboilers, warmtepompen, elektrische kookplaten en isolatiemaatregelen. De kosten moeten eerst zelf worden betaald voorafgaande aan de aanvraag. Het beschikbare subsidiebudget voor investeringen in windturbines door zakelijke gebruikers bedraagt in 2025 5 miljoen euro.

Verder kunnen ondernemers nu ook subsidie krijgen voor bewezen technieken voor warmteopslag die het warmtenet ondersteunen. Deze leggen ze dan tegelijk met het nieuwe warmtenet aan. Ook tellen woningen mee die verwarmd worden met een gezamenlijke aansluiting (blokaansluiting) voor de minimale eis van 250 kleinverbruikersaansluitingen, kleiner dan of gelijk aan 100 kW.

Uit de Miljoenennota die op Prinsjesdag is gepresenteerd, blijkt dat het budget van de ISDE na 2025 naar beneden is bijgesteld. Het kabinet reserveert voor 2027 een derde van het budget van dit jaar. Het kabinet is wel voornemens in 2026 energiezuinige ventilatiesystemen op te nemen in de ISDE-subsidie. Voor 2025 zit er nog 578 miljoen euro in de ISDE pot. In 2026 wordt dit 534 miljoen euro en voor 2027 180 miljoen euro.

De WIS is opengesteld van 1 augustus 2025 tot 16 januari 2026. HVC heeft reeds twee aanvragen ingediend om gebruik te maken van de WIS. De Rekenkamer heeft geadviseerd om subsidies voor productie, transport en afnemers van warmte in de tijd beter op elkaar af te stemmen, en te beoordelen of het aantal subsidies kan worden gebundeld. Het kabinet onderzoekt in hoeverre het mogelijk is om de verschillende subsidies voor inpandige kosten (ISDE voor particulieren, SVVE voor VVE’s en de SAH voor sociale huurders) te bundelen.

HVC en subsidies HVC maakt gebruik van beschikbare subsidies voor diverse projecten en investeringen. De belangrijkste subsidies waar HVC aanspraak op maakt zijn de SDE++ en WIS.

Op Prinsjesdag is bekend geworden dat deze gecombineerde regeling niet voor 1-1-2027 van kracht zal worden en dat er nog geen dekking is gevonden in de begroting. Dit raakt vooral de woningcorporaties, aangezien de SAH momenteel is uitgeput en daar nog geen budget voor beschikbaar is gesteld. ISDE 2025

HVC Contextanalyse, najaar 2025

21

3.3

Ontwikkeling per duurzame bron

3.3.1 Energie uit afval In Nederland wordt jaarlijks 7,6 miljoen ton restafval verbrand in afvalverbrandingsinstallaties (AVI’s). Uit de verbranding van dat afval, dat niet recyclebaar is, wordt de energie teruggewonnen. Hierbij wordt warmte omgezet in elektriciteit. Dit wordt gezien als hernieuwbare energie.

In de grafiek is de jaarlijkse uitstoot van CO₂ te zien door de opwek van elektriciteit met afvalverbranding in Nederland. (bron: Nationaal Energie Dashboard) 3.3.2 Biomassa en slib Slibverbrandingsinstallatie Om rioolslib in een slibverbrandingsinstallatie te kunnen verbranden, moet het eerst gedroogd worden. Bij dit drogen komt droogdamp (brüden) vrij waar veel warmte in zit. Deze damp wordt gekoeld in warmtewisselaars. Daaruit wordt energie opgewekt. HVC en een robuust warmtesysteem Er is hard gewerkt aan de nieuwe Merwedeleiding bij Sliedrecht. Daarmee kan warmte via de slibverbrandingsinstallatie van HVC aan het warmtenet in Sliedrecht worden geleverd. HVC levert stoom aan Chemours en de retourleiding wordt gebruikt om het warmtenet te voeden. Warmte voor het net in de Drechtsteden komt daarmee uit drie verschillende bronnen: de Afvalenergiecentrale (via Chemours), de slibverbranding en een E-boiler.

De grafiek laat de jaarlijkse productie van elektriciteit in Nederland zien uit afval. De verbranding van afval gebeurt het hele jaar door. Hierdoor zitten er weinig tot geen schommelingen in de hoeveelheden. (bron: Nationaal Energie Dashboard)

HVC Contextanalyse, najaar 2025

3.3.3 Geothermie Aardwarmte was in 2024 goed voor 2% van het eindverbruik van energie uit hernieuwbare bronnen. On 2024 is in Nederland totaal 7,9 PJ (petajoule) aan aardwarmte (geothermie) geproduceerd. Deze productie van aardwarmte zorgt voor een besparing van meer dan 225 miljoen m3 aardgas per jaar. Dit staat gelijk aan de hoeveelheid aardgas die alle huishoudens in een stad als Den Haag jaarlijks verbruiken. Het productiecijfer van 2024 laat een stijging zien van 16% ten opzichte van voorgaande jaren. Na jaren van gelijke productie is dit een lichte groei. Er is nog wel een inhaalslag nodig om het doel van 4050 PJ in 2035 te halen. (bron CBS)

22

HVC en geothermie HVC heeft geothermiebronnen operationeel in Naaldwijk (Trias Westland) vanuit het samenwerkingsverband Trias Westland. En samen met warmtecoöperaties is het aardwarmteproject in Maasdijk gerealiseerd en is Monster (Polanen) in ontwikkeling. Ook wordt samengewerkt met glastuinbouwondernemers aan de ontwikkeling van een aardwarmteproject in Wateringen (Wippolderlaan) en in Den Hoorn. Met meerdere gemeenten onderzoekt en kijkt HVC naar mogelijkheden om geothermiebronnen te realiseren, zoals in de gemeenten Dijk en Waard en Lelystad.

Geothermie is geschikt wanneer warmte kan worden geleverd aan kassencomplexen, bedrijven of duizenden woningen. Er zijn wijken waar de keuze voor een warmtenet het logische alternatief vormt voor verwarming met aardgas. Projecten in de gebouwde omgeving komen echter moeizaam tot stand. De onzekerheden rond de warmtenetten en Wet collectieve warmte remmen de investeringen in geothermie af. Ook het niet kunnen krijgen van een aansluiting op het elektriciteitsnet leidt tot vertragingen voor nieuwe projecten. In Nederland zijn 28 aardwarmtelocaties met in totaal 42 aardwarmteproductieputten. In 2024 hebben 28 productieputten aardwarmte geproduceerd. Er zijn acht nieuwe doubletten die nog niet produceren en zes doubletten die op dit moment niet actief zijn. Het aandeel aardwarmte in Nederland leverde omgerekend 426.000 ton minder aan CO2-uitstoot op. (bron: Geothermie Nederland) Netcongestie en stikstof spelen overigens een steeds grotere rol bij vergunningverlening en aanleg van geothermie.

HVC Contextanalyse, najaar 2025

3.3.4 Aquathermie Waterschappen zijn belangrijke bronhouders van aquathermie en zitten vooraan in de warmteketen. Uit het ODW blijkt dat aquathermie samen met geothermie het grootste aandeel heeft in het totale warmtepotentieel. Daarom is er door de Unie van Waterschappen met ondersteuning van het Rijk een versnellingsprogramma Aquathermie gestart. In dit programma worden de waterschappen ondersteund om de ontsluiting van de bron aquathermie versneld te laten plaatsvinden ten behoeve van nieuwe en bestaande warmtenetten. Dit gebeurt door locatieonderzoeken uit te voeren, het opstellen van modelcontracten, stappenplannen en handreikingen. In de alliantie ‘Warmte uit Water’ werkt Rijkswaterstaat samen met netbeheerder Alliander en de Vereniging Nederlandse Riviergemeenten aan het aanjagen en in praktijk ontwikkelen van de grootschalige toepassing (>5.000 woningen) van aquathermie. Met het Ontwikkelperspectief Duurzame Warmtebronnen (ODW) kunnen gemeenten en andere partijen in de warmtesector aan de slag om te verkennen wat de beste bronnenmix is en waar dan rekening

23

mee gehouden moet worden. Met het aanbieden van het ODW verwacht het kabinet een effectieve en bruikbare invulling te geven aan verzoeken die de Kamer heeft gedaan. De motie-Stoffer vraagt om een routekaart voor de uitrol van aquathermie en om het ondersteunend beleid, zoals SDE++, hierop af te stemmen. De motie-Van der Lee en Kröger verzoekt om een routekaart aquathermie op te stellen voor de periode na de Green Deal.

3.3.5 Zon Elektriciteitsproductie zon Woningen met zonnepanelen waren in 2024 goed voor 11.672 MWp. Dit is ongeveer 40% van het totale paneelvermogen. Niet-woningen met zonnepanelen zorgden voor de overige 60% aan opgesteld paneelvermogen, dat zijn bijvoorbeeld bedrijven, overheid of zonneparken. De totale opwek van elektriciteit met zonnepanelen bedroeg in 2024 22,257 Terrawattuur (TWh = een miljard kWh). De groei in productie komt door het toenemende vermogen, want in 2024 was het minder zonnig dan in 2023. De bijdrage van zonnestroom was 17,8 procent van de netto elektriciteitsproductie in Nederland. (bron CBS)

HVC en aquathermie HVC ontwikkelt een aquathermiebron in Gorinchem in samenwerking met het Waterschap Rivierenland. Deze bron is naar verwachting eind 2025 operationeel. In enkele andere gemeenten wordt onderzoek door HVC gedaan naar aquathermie als bron. Aquathermie is wel een bron die afhankelijk is van de productie van duurzame elektriciteit, het beschikbaar zijn van een netaansluiting en voldoende oppervlaktewater of een RWZI op een logische positie ten opzichte van het warmtenet.

HVC Contextanalyse, najaar 2025

24

De verwachting is dat de groei de komende jaren minder zal zijn dan in de afgelopen jaren, zowel relatief als absoluut. In de afgelopen periode is gesproken over het afschaffen van de salderingsregeling per 1 januari 2027 en de negatieve stroomprijzen. Voor de kleinverbruikers (particulieren en bedrijven met een laag elektriciteitsverbruik) blijft de salderingsregeling in combinatie met de hoge energiebelasting op elektriciteit een belangrijke stimulans om zonnepanelen aan te schaffen. Voor grote installaties kan subsidie worden aangevraagd voor zonnepanelen. De Stimuleringsregeling Duurzame Energieproductie en klimaattransitie (SDE++) is veruit de grootste bron van subsidie. Van het totaal bijgeplaatste vermogen in 2023 kwam bijna 47% voort uit SDE-aanvragen (RVO, 2024). Voor zakelijk gebruikers is er naast de SDE++ nog de Energieinvesteringsaftrek (EIA). Voor kleinverbruikers is er de eerder genoemde salderingsregeling of als zij zich verenigen in een coöperatie of vereniging van eigenaars (VvE) is er de Subsidieregeling Coöperatieve Energieopwekking (SCE). Niet alle geplande en voor subsidie beschikte projecten worden uiteindelijk gerealiseerd.

De Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) constateerde voor de SDE-projecten in 2022 een forse stijging van projecten die volledig werden ingetrokken (volledige vrijval) of waarbij er substantieel minder vermogen werd gerealiseerd dan beschikt (gedeeltelijke vrijval). Voor 2023 was de vrijval terug op het eerdere niveau met een vrijval van 1,65 GWp (RVO, 2024). Voor 2024 zijn er nog geen gegevens beschikbaar over de vrijval. De vrijval in 2023 kwam vooral voor bij gebouw-gebonden projecten van meer dan 1 MWp, en veel bij veldinstallaties of projecten met een paneelvermogen lager dan 1 MWp. Als oorzaken voor volledige of

HVC Contextanalyse, najaar 2025

gedeeltelijke vrijval noemt RVO aanpassing van de dakconstructie, tegenvallende business cases en netcongestie. Investeringen staan onder druk Eigenaren/exploitanten van zonneparken hebben te maken met negatieve stroomprijzen en lagere subsidies. Nieuwe projecten stagneren en bestaande komen in de financiële problemen. De opmars van zonnepanelen was tot voor kort juist een van de succesverhalen van de Nederlandse overstap naar schone energie. Nergens ter wereld lagen er in 2024 per hoofd van de bevolking meer panelen dan in Nederland. Dat kwam deels door de gunstige subsidieregelingen, die steeds verder worden ingeperkt. KPMG publiceerde in april 2025 een rapport over het verdienmodel voor grootschalige zonneprojecten. Daarin schetst KPMG hoe de kasstroom van projecten verslechtert doordat operationele kosten en rentelasten zijn gestegen terwijl het aantal uren met een negatieve stroomprijs snel toeneemt. Bij een negatieve stroomprijs moeten exploitanten betalen om stroom te leveren, tenzij ze de panelen uitzetten. Dit jaar was er al sprake van 466 uur waarin de stroomprijs negatief was, tegen 458 uur voor heel 2024. Ook het aantal dagen waarop prijzen zes uur of langer negatief zijn, loopt op. Exploitanten van oudere projecten worden gekort op subsidie, nieuwe projecten krijgen tijdens die uren geen subsidie meer.

KPMG benadrukt dat er ondanks de uitdagingen geen sprake is van een verkoopgolf. Volgens berekeningen komen de Nederlandse doelstellingen voor energieopwekking met zonnepanelen in gevaar. Want hoewel het overaanbod soms tot negatieve stroomprijzen leidt, is de groei van zonne-energie voor de energietransitie hard nodig. Om de klimaatdoelen te halen moet de elektriciteitsproductie uit zon tot

25

2030 jaarlijks met 3,5 TWh omhoog, en daarna zelfs met 5,5 TWh. De groei blijft nu steken op 2,1 TWh. HVC en investeringen in zon en wind Door negatieve prijzen, onbalanskosten, inflatie, rentestijging, invoedingstarief, netcongestie, minder draagvlak, onzekerheid SDE ++ en stijgende ontwikkelkosten zien we bij HVC dat investeringen in zon en wind onder druk komen te staan. Inkomsten dalen en risico’s nemen toe. 3.3.6

Wind

Het opgestelde vermogen voor windenergie is in 2024 toegenomen en bedroeg einde jaar 11,7 gigawatt. Eind 2023 was dit nog 10,7 gigawatt. De groei is te danken aan de toename van de capaciteit op zee. Die

HVC Contextanalyse, najaar 2025

groeide met 19 procent en was eind 2024 goed voor 4,7 gigawatt. Op land nam het opgestelde vermogen iets toe en kwam eind 2024 uit op bijna 7 gigawatt. De elektriciteitsproductie (genormaliseerd) is in 2024 met een vijfde gestegen naar 32,1 miljard kWh. Wind op zee was in 2024 goed voor 46 % van de totale elektriciteitsproductie uit wind. (bron CBS) Op land stagneert de groei van het vermogen aan windmolens. Hoewel de totale capaciteit sinds 2019 ongeveer verdubbeld is bedroeg de groei in 2024 slechts 2 %. Ook in de komende jaren wordt er weinig groei verwacht. Als gevolg van een uitspraak van de Raad van State worden nieuwe milieunormen opgesteld voor windmolens op land. Daardoor lopen vergunningstrajecten voor nieuwe projecten vertraging op. Verder wordt de ontwikkeling van nieuwe windparken op land geremd door onder andere de lange doorlooptijden van bezwaarprocedures, gebrek aan draagvlak en de toenemende ruimtevraag van defensie. (bron RVO). Door de jaren heen zijn met name hoge molens bijgeplaatst en kleine molens op land afgebroken. De opgestelde capaciteit aan windmolens hoger dan 70 meter neemt toe. Eind 2024 bestond ongeveer drie kwart van het opgestelde vermogen op land uit windmolens met een ashoogte van 96 meter of meer. Op grotere hoogte van het maaiveld staat meer wind dan op het maaiveldniveau.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://raad.noordoostpolder.nl/api/v1/meetings/2241/documents/43435