D07 03 Bijlage 3 bij nota - Beleidsregels jeugdhulp gemeente Noordoostpolder 2024 definitief.pdf
Tekst van het document
Het doel hierin is altijd terugwerken naar volledig thuis, al dan niet met ondersteuning van het eigen netwerk of een algemene voorziening. Uitzondering
21
No. 23.0001427 Begeleiding groep basis kan in hoge uitzondering gericht zijn, indien er sprake is van een (licht) verstandelijke/meervoudige beperking, op het stabiliseren en/of voorkomen van verergering van de problematiek. Hierbij is de hulpvraag van dien aard, dat het netwerk of een algemene voorziening niet in deze specifieke hulpvraag kan voorzien. Begeleiding groep basis dient er toe dat de jeugdige op verantwoorde wijze in de vertrouwde thuissituatie kan blijven wonen. Waar? De begeleiding wordt geboden in groepsverband op de locatie van de jeugdhulpaanbieder. De jeugdhulpaanbieder heeft vanuit de systeemgerichte benadering oog voor de begeleiding in de thuissituatie. De jeugdhulpaanbieder biedt, indien nodig, deze begeleiding aan vanuit het principe doen wat nodig is en wat passend is bij de situatie.
Resultaten die centraal staan Bij begeleiding groep basis kunnen de volgende resultaten centraal staan: • Het aanleren, verbeteren, oefenen en structureren van dagelijkse (opvoed)vaardigheden en handelingen waardoor de veerkracht bij de jeugdige en ouder(s) wordt vergroot en zelfstandige deelname van de jeugdige in groepsverband weer mogelijk is; • Het leren toepassen van aangeleerde (gedrags)vaardigheden in verschillende situaties; • Het vergroten van de zelfredzaamheid en het versterken van de opvoedsituatie van de jeugdige, de ouder(s), waardoor de ontwikkeling en de veiligheid van de jeugdige gewaarborgd zijn; • Integratie in de samenleving en het vergroten van de sociale participatie (denk aan algemene voorzieningen, sociaal netwerk, school, vrije tijd en arbeid). Bijzonderheden • Begeleiding groep basis wordt afgegeven per dagdeel. Een dagdeel bestaat uit 4 uur. Een dag kent maximaal 2 dagdelen. • De aanbieder biedt, waar nodig, ouderbegeleiding. Dat wil zeggen: handvatten bieden als onderdeel van de doelen van het ondersteuningsplan. Dat past binnen de systeemgerichte benadering. • Begeleiding groep basis is niet mogelijk tijdens schooltijd of ter vervanging van onderwijs.
• Onder begeleiding groep basis wordt niet verstaan een reguliere dagstructurering die in de woon-/verblijfssituatie wordt geboden; een welzijnsactiviteit zoals zang, bingo, uitstapjes en dergelijke; en 1e lijns vaktherapieën. • Onder begeleiding groep basis wordt niet verstaan hulp van een opvangvraagstuk. 5.2.2 Kinderbehandelcentrum Begeleiding groep specialistisch kan worden geboden door het Kinderbehandelcentrum aan jeugdigen met complexe problematiek. Op het kinderbehandelcentrum wordt een behandelomgeving geboden die in het teken staat van ontwikkeling en het stimuleren daarvan. Het Kinderbehandelcentrum beschikt over deskundigen en multidisciplinair team waar ook zorg op grond van de Zorgverzekeringswet geboden kan worden. 5.3 Kortdurend verblijf Kortdurend verblijf is logeren in een instelling van de jeugdhulpaanbieder. Als voorwaarde geldt dat kortdurend verblijf tijdelijk wordt ingezet om de belastbaarheid van jeugdige en ouder(s)/opvoeder(s) te versterken. Eenvoudig gezegd: ouders worden even ontlast van
22
No. 23.0001427 hun oudertaak. Kortdurend verblijf is bedoeld voor jeugdigen die gezien de hulpbehoefte tijdelijk zijn aangewezen op (permanent) toezicht en is aanvullend op wonen in de thuissituatie. Er wordt vanuit een systeemgericht ondersteuningsplan begeleiding geboden waarmee invulling wordt gegeven aan de door het college vastgestelde te bereiken resultaten. Richt zich op Kortdurend verblijf is gericht op het tijdelijk overnemen van het (permanente) toezicht op de jeugdige met een behoefte aan jeugdhulp gericht op het ontlasten van de ouder(s). Kortdurend verblijf is geplande jeugdhulp en heeft een ontwikkelingsgerichte functie voor de jeugdige en de ouder(s). De begeleiding richt zich op het versterken van de opgroeien opvoedsituatie, waardoor er meer stabiliteit en draagkracht binnen het systeem ontstaat. Het doel hierin is altijd dat een jeugdige zoveel mogelijk thuis woont, al dan niet met hulp van het netwerk of een algemene voorziening. Stabiliseren Kortdurend verblijf kan in hoge uitzondering gericht zijn, indien er sprake is van een (licht) verstandelijke/meervoudige beperking, op het stabiliseren en/of voorkomen van verergering van de problematiek. Hierbij is de hulpvraag van dien aard, dat het netwerk of een algemene voorziening niet in deze specifieke hulpvraag kan voorzien.
Kortdurend verblijf dient er toe dat de jeugdige op verantwoorde wijze in de vertrouwde thuissituatie kan blijven wonen. Omvang Kortdurend verblijf wordt in beginsel verstrekt voor maximaal drie etmalen per week waarbij maximaal 52 etmalen per jaar geldt. Resultaten die centraal staan Bij kortdurend verblijf staan de volgende resultaten centraal: • Het tijdelijk overnemen van het (permanente) toezicht op de jeugdige ter ontlasting van de ouder(s), waardoor de jeugdige thuis kan blijven wonen. • Het vergroten van de zelfredzaamheid en het versterken van de opvoedsituatie in combinatie met / en het netwerk van de jeugdige en de ouder(s), waardoor een meer stabiele thuissituatie ontstaat en de ontwikkeling en de veiligheid van de jeugdige gewaarborgd zijn; • Integratie in de samenleving en het vergroten van de sociale participatie (denk aan algemene voorzieningen, sociaal netwerk, school, vrije tijd en arbeid). Bijzonderheden • Kortdurend verblijf kan niet worden opgespaard om in een aaneenliggende periode, langer dan 3 etmalen achter elkaar, te gebruiken. • Het is een aanvulling op het wonen in de thuissituatie. Het is niet wonen in een instelling voor het grootste deel van de week. • Kortdurend verblijf onderscheidt zich dus wezenlijk van jeugdhulp met verblijf dat in een regionaal verband wordt ingekocht.
Met andere woorden, wanneer er sprake is van een beschikking voor verblijf, dan kan hiernaast geen losse beschikking voor kortdurend verblijf worden afgegeven. • Een jeugdige in een pleeggezin/gezinshuis heeft dus een regionale beschikking voor jeugdhulp met verblijf. Op basis van deze beschikking moet alle noodzakelijke verblijfszorg geboden worden.
23
No. 23.0001427
Hoofdstuk 6 Jeugdhulp overig Artikel 1.2 Verordening 6.1 Inleiding Naast de vormen van jeugdhulp die in de vorige twee hoofdstukken zijn opgenomen heeft Noordoostpolder ook andere vormen van jeugdhulp gecontracteerd. Sommige vormen van jeugdhulp zijn regionaal ingekocht. 6.2 Jeugd-GGZ Jeugd-ggz biedt hulp aan jeugdigen met een psychische stoornis die zo ernstig is dat zij daardoor in hun ontwikkeling worden bedreigd. Het gaat om geneeskundige geestelijke gezondheidszorg gericht op herstel van een psychische stoornis of voorkomen van verergering. Jeugd-ggz valt onder het overkoepelende begrip jeugdhulp (art. 1.1 Jw, begripsbepaling jeugdhulp). 6.2.1 Preventieve Jeugd-GGZ Preventieve Jeugd-GGZ is een algemene voorziening en vrij toegankelijk. Vanuit de preventieve Jeugd GGZ zijn er bij de huisartsen praktijkondersteuners Jeugd GGZ beschikbaar. Zij werken onder de eindverantwoordelijkheid van de huisarts en opereren onafhankelijk van een GGZ-aanbieder. De POH Jeugd GGZ gaat uit van het versterken van de kracht van de jeugdige (zelfredzaamheid), betrekt de context en werkt samen met de jeugdige aan het behouden, versterken en herstellen van gezondheid. Door positionering binnen de huisartsenpraktijk en aandacht voor problemen op meerdere gebieden is integrale, vraaggerichte zorg voor mensen met psychische problemen mogelijk.
Jeugdigen en hun naasten kunnen altijd laagdrempelig bij de POH Jeugd GGZ terecht. 6.2.2 Basis Jeugd-GGZ Basis Jeugd-GGZ is niet vrij toegankelijk en wordt op aanvraag verleend. Het gaat bij basis Jeugd-GGZ om behandeling van jeugdigen met een (sterk vermoeden van) DSM-5 stoornis. De behandeling is gericht op het verminderen of voorkomen van verergering van psychische problemen, waardoor een blijvende verbetering in het (maatschappelijk) functioneren wordt gerealiseerd. Naast de verbetering op het vlak van de geestelijke gezondheidszorg richt de behandeling zich op een verbetering van het functioneren van de jeugdige in het gezin, in sociale relaties en op het vlak van aanpalende levensdomeinen (bijvoorbeeld onderwijs en vrije tijd). 6.2.3 Specialistische Jeugd-GGZ Specialistische Jeugd-GGZ is niet vrij toegankelijk en wordt op aanvraag verleend. Het gaat bij specialistische Jeugd-GGZ om behandeling van jeugdigen waarbij sprake is van een hoog risico en/of hoge complexiteit bij vermoeden van een DSM5-benoemde stoornis. De jeugdige wordt individueel behandeld. De behandeling is gericht op maatschappelijk herstel en op het verminderen of voorkomen van verergering van problemen, waardoor een blijvende verbetering in het functioneren wordt gerealiseerd.
Naast de verbetering op het vlak van de geestelijke gezondheidszorg richt de behandeling zich op een verbetering van het functioneren van de jeugdige in het gezin, in sociale relaties en op het vlak van aanpalende levensdomeinen (bijvoorbeeld onderwijs en vrije tijd). 6.2.4 Specifieke Specialistische GGZ Onder specifieke specialistische GGZ worden die specialistische behandelingen verstaan, die specifiek en regionaal zijn ingekocht.
psychiatrische
24
No. 23.0001427 6.3 Dyslexie Dyslexie is een aangeboren beperking bij lezen en spellen. Ondersteuning bij dyslexie wordt in eerste instantie geboden door hulp en aanpassingen in het onderwijs. Blijkt dat er sprake is van ernstige dyslexie (ED) dan is het college verantwoordelijk voor dyslexiezorg. Die verantwoordelijkheid beperkt zich tot de diagnose en behandeling van ED van kinderen die basisonderwijs volgen (CRVB:2018:3454). Meestal gaat het om jeugdigen in de leeftijd tussen 7 en 12 jaar. Hierbij past het college het door het Nederlands Kwaliteitsinstituut Dyslexie (NKD) protocol ‘Dyslexie, Diagnose en Behandeling 3.0’ toe. 6.4 Residentieel verblijf Als de jeugdige hulp en/of zorg ontvangt in een andere (woon)omgeving waar hij ook slaapt spreken we van residentiële jeugdhulp. Een voorbeeld hiervan is pleegzorg. De jeugdige verblijft dan in het gezin van de pleegouders en wordt door hen verzorgt en opgevoed. Ook het verblijf van een jeugdige in een instelling in verband met de behandeling van een psychische stoornis en het verblijf in gezinshuis zijn vormen van residentiële jeugdhulp. Bij residentiële jeugdhulp verblijft de jeugdige dus ook s ’nachts buiten zijn eigen omgeving (de gezinssituatie van ouders). 6.5 Vaktherapie Het college biedt alleen vaktherapie als het onderdeel is van een breder, multidisciplinair behandeltraject of een systeemgerichte benadering.
Beeldende therapie, dans-, drama- en muziektherapie, psychomotorische (kinder)therapie en speltherapie vallen onder vaktherapie. 6.6 Jeugdhulp op basis van bestuurlijke afspraken Sinds 1 februari 2020 kan verblijf in een gezinshuis worden verstrekt (of doorlopen) aan jeugdigen in de leeftijd tot 21 jaar. Er geldt wel de voorwaarde dat in overleg tussen gemeente, jeugdige, gezinshuisouder(s) en, als de behandelverantwoordelijke is betrokken bij de jeugdige er een perspectief voor de toekomst is vastgesteld. Verblijf in een gezinshuis kan overigens wel onder de verlengde jeugdhulp vallen (tot 23 jaar).
Hoofdstuk 7 Persoonsgebonden budget Artikel 8.1.1 Jw Hoofdstuk 5 Verordening Besluit maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp 7.1 Inleiding Een persoonsgebonden budget (pgb) is een bedrag waarmee de budgethouder de geïndiceerde maatwerkvoorziening kan inkopen als wordt voldaan aan de voorwaarden. Het college moet de ouder(s) of jeugdige tijdens het onderzoek informeren over welke mogelijkheden er zijn om te kiezen voor een pgb en wat de gevolgen van die keuze zijn. Het pgb wordt door de Sociale verzekeringsbank (Svb) betaald aan een derde met wie de budgethouder een overeenkomst heeft afgesloten. De huisarts, de medisch specialist en de jeugdarts kunnen alleen een verwijzing naar gecontracteerde jeugdhulp in natura doen. De wet bepaalt een aantal voorwaarden die het college moet beoordelen of wordt voldaan aan de voorwaarden om voor een pgb in aanmerking te komen (art. 8.1.1 lid 2 Jw).
25
No. 23.0001427 7.2 Spoedeisende situatie: geen pgb Het kan voorkomen dat een vorm van jeugdhulp met spoed moet worden ingezet. Het spreekt voor zich dat in die gevallen een pgb niet aan de orde kan zijn omdat het onderzoek volgens het stappenplan (nog) niet is uitgevoerd. 7.3 Geen terugwerkende kracht Artikel 3.2 lid 1 Verordening Heeft het college een indicatie voor een maatwerkvoorziening vastgesteld, dan kan het voorkomen dat de jeugdige en/of zijn ouder(s) het college verzoekt om een pgb met terugwerkende kracht te verstrekken. Het college weigert zo’n verzoek als de maatwerkvoorziening al voor de melding van de hulpvraag of de beslissing op de aanvraag is gerealiseerd. Er kan wel een indicatie voor een maatwerkvoorziening worden verstrekt, maar niet met terugwerkende kracht. Er geldt alleen een uitzondering als de jeugdige en/of zijn ouder(s) schriftelijk toestemming hebben gekregen van het college. 7.4 Beoordelen voorwaarden recht op pgb Heeft het college vastgesteld dat de ouder(s) of jeugdige is aangewezen op een maatwerkvoorziening (natura), dan kan de ouder(s) of jeugdige verzoeken om de maatwerkvoorziening in de vorm van een pgb te ontvangen. Zo’n verzoek wordt aangemerkt als aanvraag. Dat wil zeggen dat het college daar een besluit over moet nemen. 7.5 Criteria In deze beleidsregels worden verschillende criteria genoemd die het college hanteert bij de beoordeling.
Daarmee is geen limitatief overzicht bedoeld, er kunnen ook andere criteria of voorbeelden aan de orde zijn. De wet bepaalt een aantal voorwaarden die het college moet beoordelen om het recht op pgb vast te stellen. Deze voorwaarden zijn cumulatief. Dat wil zeggen dat aan alle voorwaarden moet zijn voldaan om voor een pgb in aanmerking te komen. Het gaat om: Pgb-vaardigheid. Motivatie-eis wens pgb. Voldoen aan kwaliteitseisen. 7.6 Verplichting Budgetplan Artikel 5.1 lid 2 Verordening Als verplichting geldt om een Budgetplan in te dienen. Een Budgetplan draagt er onder meer aan bij dat het college beter kan beoordelen of wordt voldaan aan de wettelijke voorwaarden van art. 8.1.1 lid 2 Jw en de eventuele overige bepalingen in de verordening. Denk in dit kader ook aan de voorwaarden die gelden als de jeugdige en/of zijn ouder(s) het pgb wenst te besteden aan een persoon van het sociaal netwerk. Het spreekt voor zich dat het college het ingevulde Budgetplan met de budgethouder wenst te bespreken. Dat is niet vrijblijvend. Wordt er geen Budgetplan ingediend of het Budgetplan is niet volledig of op juiste wijze ingediend, dan wordt de budgethouder uitgenodigd dat te herstellen. Dat geldt ook als de budgethouder of diens vertegenwoordiger een bespreking daarover weigert of zonder tegenbericht niet verschijnt op een uitnodiging van het college.
7.7 Bewust keuzegesprek Wenst de ouder(s) of jeugdige de maatwerkvoorziening in de vorm van een pgb te ontvangen, dan wordt een bewust keuze gesprek gevoerd (zie begripsbepaling). Is vastgesteld dat de ouder(s) of jeugdige pgb-bekwaam is voor wat betreft het beheren en
26
No. 23.0001427 uitgeven van het pgb, dan wordt met behulp van het budgetplan beoordeeld of is voldaan aan de kwaliteitseisen. 7.8 Besteding pgb ouders en sociaal netwerk Artikel 5.1 lid 3 en 4 Verordening Uit het verzoek om een pgb kan blijken dat de jeugdige en/of zijn ouder(s) het pgb wensen te besteden aan een persoon uit het sociaal netwerk. Het gaat om personen uit de huiselijke kring zoals: de ouder(s) van de jeugdige zelf, een familielid, huisgenoot, (voormalig) echtgenoot of andere personen met wie de jeugdige of zijn ouder(s) een sociale relatie onderhoudt. De Verordening stelt voorwaarden wanneer dat is toegestaan (zie hierna). Het ligt op de weg van de jeugdige en/of zijn ouder(s) om dat aan te tonen. Dat kan bijvoorbeeld blijken uit het Budgetplan. 7.8.1 Beoordeling aantoonbaar beter, effectiever en doelmatiger Deze voorwaarde heeft betrekking op ouders of een persoon uit het sociaal netwerk. Uit de informatie of het Budgetplan die de jeugdige en/of zijn ouder(s) overleggen, moet duidelijk worden dat de besteding van het pgb aan de ouder(s) of een andere persoon uit het sociaal netwerk, eenvoudig gezegd, uiteindelijk tot een beter resultaat zal leiden. Dit gelet op het belang van de jeugdige die recht heeft op passende jeugdhulp. Dit ten opzichte van de inzet in natura.
Dat kan het geval zijn als de persoon uit het sociaal netwerk, volgens een deskundige, de meest aangewezen persoon is om de jeugdhulp te bieden. Dit gelet op de problematiek van de jeugdige. Het kan ook te maken hebben met de aangewezen jeugdhulp, die: niet goed vooraf is in te plannen, op ongebruikelijke tijden of op veel korte momenten per dag geboden moet worden, op verschillende locaties moet worden geleverd, op afroep te organiseren moet zijn, door de aard van de problematiek van de jeugdige alleen (of beter) door de betreffende persoon kan worden geboden. Er is geen limitatieve opsomming beoogd. 7.9 Pgb-vaardigheid De budgethouder moet pgb-vaardig zijn. Dat wil zeggen dat de budgethouder in staat moet zijn om de aan het pgb verbonden taken (verplichtingen) op verantwoorde wijze uit te voeren. Bij deze taken wordt in ieder geval gedacht aan het sluiten van overeenkomsten en het aansturen en aanspreken van de jeugdhulpverleners (of personen uit het sociaal netwerk) op hun verplichtingen. Het college moet vaststellen of: 1. de aan het pgb verbonden taken op verantwoorde wijze kunnen worden uitgevoerd. 2. de beheerstaken met voldoende afstand en kritisch kunnen worden vervuld. 7.9.1 Hulp bij pgb-vaardigheid De budgethouder kan een vertegenwoordiger hebben.
Dat is een persoon of rechtspersoon die hem vertegenwoordigt als de budgethouder niet in staat kan worden geacht tot een redelijke waardering van zijn belangen. Eenvoudig gezegd: de budgethouder zelf is niet pgb-vaardig. Bij een vertegenwoordiger kan het gaan om een persoon die door de budgethouder gemachtigd is of een wettelijke vertegenwoordiger die is aangesteld door de rechtbank (bewindvoerder of mentor). Het college moet dan vaststellen of de vertegenwoordiger pgb-vaardig is (zie verder hierna). Bewindvoerder
27
No. 23.0001427 Met de aanstelling van een bewindvoerder is het risico dat het pgb niet besteed zal worden aan de daarvoor bestemde doelen voldoende ondervangen (vergelijk RBGEL:2019:4940). Bewind gaat immers over vermogensrechtelijke handelingen. Het spreekt voor zich dat het college niet bevoegd is een oordeel te geven of de bewindvoerder de taken uit hoofde van de bewindvoering op juiste wijze uitvoert. Maar het college zal wel moeten vaststellen of de bewindvoerder de (andere) taken die aan het pgb zijn verbonden op juiste wijze uitvoert. Denk bijvoorbeeld aan het aansturen en aanspreken van de jeugdhulpverlener (of personen uit het sociaal netwerk) en het evalueren van de geboden jeugdhulp. Mentor Een mentor behartigt de niet-vermogensrechtelijke belangen zoals rechtshandelingen voor verzorging, verpleging, behandeling en begeleiding. Een mentor kan zonder verdere machtiging een aanvraag doen maar is (zonder machtiging van ouders of jeugdigen) niet bevoegd om het pgb-beheer (vermogensrechtelijke handelingen) uit te voeren. Handelwijze vertegenwoordiger Is de handelwijze van de vertegenwoordiger eerder aanleiding geweest voor de herziening of intrekking van een pgb, dan kan deze persoon niet meer de pgb-vaardigheid van de budgethouder overnemen. Dit ter bescherming van de budgethouder.
Denk bijvoorbeeld aan: • onjuiste declaraties of onregelmatigheden daarin, • de situatie dat eerder is gebleken dat geen of niet voldoende kwalitatieve jeugdhulp is ingekocht. Belang van de budgethouder De vertegenwoordiger mag alleen handelen in het belang van de budgethouder en dus niet ook zijn eigen belang dienen. Een vertegenwoordiger zorgt er feitelijk voor dat (namens) de budgethouder de verplichtingen die aan het pgb zijn verbonden ook daadwerkelijk worden nagekomen; hij biedt de budgethouder gewaarborgde hulp. Dat is van belang omdat de gevolgen van het niet of onvoldoende nakomen van verplichtingen in principe voor rekening en risico van de budgethouder komen. Denk aan de weigering van een pgb, het intrekken van het recht op pgb of de terugvordering van een ten onrechte of tot een te hoog bedrag betaald pgb. Gewaarborgde hulp Blijkt uit onderzoek dat de vertegenwoordiger de gewaarborgde hulp niet kan bieden of daar tenminste twijfels over bestaan, dan zal het college de jeugdige of zijn ouder(s) in de gelegenheid moeten stellen om een andere vertegenwoordiger te machtigen die in staat is de pgb-vaardigheid op zich te nemen. Lukt dat niet, dan zal de gemeente het pgb weigeren en een maatwerkvoorziening in natura verlenen. 7.9.2 Conflicterende belangen Het kan voorkomen dat de vertegenwoordiger ook degene is aan wie het pgb wordt besteed.
In dat geval weigert het college het pgb omdat de aan het pgb verbonden taken niet op verantwoorde wijze kunnen worden uitgevoerd. Immers kan niet worden vastgesteld dat de beheerstaken met voldoende afstand en kritisch kunnen worden vervuld (vergelijk CRVB:2019:3761, CRVB:2019:2803). Het kan gaan om een derde aan wie het pgb wordt besteed maar ook om een vertegenwoordiger die een daaraan gelieerde persoon is. Daaronder wordt bijvoorbeeld een medewerker verstaan die bij deze derde in dienst is of er op een andere manier verwevenheid bestaat.
28
No. 23.0001427 7.9.3 Besteden pgb aan ouder(s) Is de jeugdige budgethouder en wenst hij het pgb te besteden aan zijn ouder(s), dan liggen conflicterende belangen voor de hand. De jeugdige moet in staat worden geacht om bijvoorbeeld degene die de jeugdhulp biedt aan te sturen en zonodig bij te sturen. Dat is bij een kind-ouderrelatie tegennatuurlijk. Daarnaast kan een loyaliteitsconflict ontstaan omdat de jeugdige indirect verantwoordelijk is voor het inkomen van de ouder(s). 7.9.4 Ouders onderdeel van het gezinssysteem Het kan voorkomen dat tijdens het onderzoek blijkt dat de ouder(s) bijdragen aan het standhouden van de problemen omdat zij er een (wezenlijk) onderdeel van uitmaken. Het spreekt voor zich dat het college dan geen pgb verstrekt dat aan ouders mag worden besteed. 7.9.5 Persoon sociaal netwerk is de derde Conflicterende belangen zijn ook aan de orde als iemand uit het sociaal netwerk zowel als vertegenwoordiger optreedt maar ook degene is aan wie het pgb wordt besteed. Ook dat is niet toegestaan. Een uitzondering kan zich voordoen als: uit deskundigenadvies blijkt dat de maatwerkvoorziening alleen door deze persoon kan worden geboden, en het niet mogelijk is iemand anders in te schakelen als vertegenwoordiger. Deze persoon mag daarbij op geen enkele wijze druk uitoefenen op de ouder(s) en jeugdige bij de keuze van een pgb ter besteding aan die persoon.
Dat wil zeggen de budgethouder mag niet door deze persoon worden beïnvloed. 7.9.6 Aandachtspunten overig pgb besteden aan sociaal netwerk Besteding van het pgb aan iemand uit het sociaal netwerk en ouders is beperkt in de Verordening, zie 7.8 van de beleidsregels. Daarnaast beoordeelt het college in ieder geval of:
• degene aan wie het pgb zal worden besteed is in staat is om de noodzakelijke • • • •
maatwerkvoorziening te bieden. En zo ja, waar blijkt dat uit? voldoende aannemelijk is dat degene aan wie het pgb wordt besteed niet overbelast is of dreigt te geraken. de persoon uit het sociale netwerk de omvang/intensiteit van de maatwerkvoorziening kan bieden. Denk in dit geval aan de 40-urige werkweek die deze persoon heeft. Reguliere werkzaamheden, maar ook andere activiteiten kunnen daarbij een rol spelen. de kwaliteit van de maatwerkvoorziening is voldoende gewaarborgd. Naar gelang de mate van beperkingen (kwetsbaarheid) van de jeugdige zullen de kwaliteitseisen in het algemeen strenger mogen zijn. voldoende distantie aanwezig is. Dit kan een belangrijke rol spelen bij het bereiken van het resultaat. Zo kan te veel (emotionele) betrokkenheid van de persoon uit het sociale netwerk een negatief effect hebben op de relatie tussen de jeugdige en degene die de hulp biedt. De jeugdige kan ook (te) afhankelijk worden van de persoon uit het sociaal netwerk.
7.9.7 Bevorderen autonomie jeugdige De wettelijke jeugdhulpdoelen zijn onder meer gericht op het groeien naar zelfstandigheid. In het algemeen is het zo dat jeugdigen daarvoor ook ‘los’ moeten komen van hun ouder(s). Afhankelijk van de leeftijd en ontwikkelingsniveau kan daarvoor professionele deskundigheid nodig zijn. Dit om bijvoorbeeld de autonomie te bevorderen. De gemeente beoordeelt daarom of besteding van het pgb aan de ouder(s) in de weg staat (kan staan)
29
No. 23.0001427 aan het groeien naar zelfstandigheid. Een dergelijke beoordeling kan ook nodig zijn als het om het sociaal netwerk gaat. 7.9.8 Behandeling of specialistische jeugdhulp Gaat het om behandeling of specialistische jeugdhulp, dan is het niet toegestaan het pgb te besteden aan iemand uit het sociaal netwerk, waaronder ook de ouders (art. 5.1 lid 5 Verordening). Bij deze vormen van jeugdhulp is professioneel te handelen aangewezen. Daar hoort ook professionele distantie bij. 7.9.9 Vaststellen pgb-vaardigheid Het college moet vaststellen of de ouder(s) of jeugdige dan wel de vertegenwoordiger pgb-vaardig is. Daarvoor wordt onderzocht of de ouder(s) of jeugdige: 1. Een goed overzicht van de eigen situatie kan houden. 2. Weet welke regels er horen bij een pgb. 3. Een overzichtelijke pgb-administratie kan bijhouden. 4. Kan communiceren met de gemeente, de SVB en jeugdhulpverleners. 5. Zelfstandig kan handelen en zelf voor jeugdhulpverleners kiezen. 6. Zelf afspraken kan maken, deze afspraken kan bijhouden en zich hier aan te houden. 7. Kan beoordelen of de jeugdhulp uit het pgb bij hem past. 8. Zelf de jeugdhulp kan regelen met één of meer jeugdhulpverleners. 9. Kan zorgen dat de jeugdhulpverleners die voor hem werken weten wat ze moeten doen. 10. Weet wat te doen als werkgever of opdrachtgever van een jeugdhulpverleners.
Deze 10 punten zijn gebaseerd op de handreiking en infographic pgb-vaardigheid van de Rijksoverheid. Onder een jeugdhulpverlener kan ook een andere persoon worden verstaan die de jeugdhulp biedt. 7.10 Motivatie-eis wens pgb De tweede voorwaarde om in aanmerking te komen voor een pgb, gaat over de vraag of de jeugdige of zijn ouder(s) hun wens voor een pgb voldoende motiveren. Het gaat om de motivering van het standpunt dat de maatwerkvoorziening in natura, voor hen niet passend is. Uit TK 2013/14, 33 684, nr. 11 blijken de volgende voorbeelden. Als: de jeugdhulp niet goed vooraf is in te plannen, de jeugdhulp op ongebruikelijke tijden of op veel korte momenten per dag geboden moet worden, jeugdhulp op verschillende locaties moet worden geleverd, het noodzakelijk is om 24 uur jeugdhulp op afroep te organiseren, of als de jeugdhulp door de aard van de beperking door een vaste hulpverlener moet worden geboden. Oriënteren op natura aanbod Het college kan de jeugdige of zijn ouder(s) vragen om aan te tonen dat zij zich hebben georiënteerd op het door het college gecontracteerde aanbod 'in natura' en daarbij aan te geven waarom dat aanbod niet passend is c.q. zij deze niet passend achten. Het college mag daar geen eisen aan stellen.
Dat wil zeggen als de jeugdige of zijn ouder(s) een motivering geven waaruit blijkt dat zij zich hebben georiënteerd op het gecontracteerde aanbod in natura, is dat in principe voldoende. Het college moet vervolgens inzichtelijk maken waarom het passender is jeugdhulp in natura toe te kennen in de plaats van een pgb (RBZWB:2021:4345).
30
No. 23.0001427 7.11 Kwaliteit Artikel 7.4 Verordening De Verordening bepaalt dat degene aan wie het pgb wordt besteed, moet voldoen aan de eisen die gelden voor de jeugdhulpaanbieders die door het college zijn gecontracteerd. In principe gelden deze eisen onverkort als de jeugdige of zijn ouder(s) het pgb besteed aan een professionele jeugdhulpverlener. Voor personen uit het sociaal netwerk kan dat anders liggen, als het pgb daardoor onbereikbaar wordt terwijl wel wordt voldaan aan de kwaliteitseisen die in het algemeen gesteld worden (kwalitatief verantwoorde jeugdhulp). Zo gelden voor personen uit het sociaal niet de opleidingseisen en/of registratie eisen (bijv. SKJ). Wel geldt de eis dat een geldige Verklaring Omtrent Gedrag (VOG) moet worden overlegd, behalve als het de eigen ouder(s) betreft. 7.11.1 Kwaliteit en veiligheid Reguliere werkweek Het aspect van veiligheid (in de zin van kwaliteit) heeft ook betrekking op de vraag of de jeugdhulphulpverlener of persoon uit het sociaal netwerk de noodzakelijke omvang van de jeugdhulp wel kan bieden. Deze vraag zal zich met name voordoen bij ZZP-ers en bij personen uit het sociaal netwerk. Een ZZP-er zal namelijk ook door andere ouder(s) of jeugdigen worden ingehuurd. Denk in dit geval aan de 40-urige werkweek (maximaal).
Voor een persoon uit het sociaal netwerk kunnen betaalde werkzaamheden maar ook andere activiteiten een rol spelen. Specifiek jeugdhulp met verblijf Als het pgb wordt besteed aan de inkoop van jeugdhulp met verblijf, dan gelden specifieke criteria. Denk bijvoorbeeld aan het landelijk kwaliteitskader gezinshuizen, tenzij het pgb voor personen uit het sociaal netwerk (niet beroepshalve werkzaam) onbereikbaar wordt. Nadrukkelijk wordt opgemerkt dat steeds sprake moet zijn van passende kwalitatieve jeugdhulp. 7.11.2 Kwaliteit en besteding pgb aan professionals Het kan gaan om iemand in dienst bij een professionele organisatie of die als ZZP-er werkzaam is. De gemeente beoordeelt in ieder geval of:
• de jeugdhulp aansluit aan bij de vastgestelde stoornissen of problemen van de jeugdige en de te behalen resultaten; • de jeugdhulpverlener beschikt over een relevante opleiding en is periodiek bijgeschoold. De opleidingseis zal kunnen verschillen naar gelang de aard van de noodzakelijke jeugdhulp;
• de jeugdhulpverlener beschikt over een Verklaring Omtrent Gedrag (VOG). Deze verklaring mag in principe niet ouder zijn dan drie maanden voorafgaand aan de aanvang van de jeugdhulp;
• de jeugdhulpverlener de omvang/intensiteit van de noodzakelijke jeugdhulp kan bieden. Deze vraag zal zich voornamelijk voordoen bij ZZP-ers. Die zullen namelijk ook door andere budgethouder(s) kunnen worden ingekocht. Denk in dit kader aan de 40-urige werkweek. • de beoogde jeugdhulpverlener niet al (te) lang betrokken is bij de jeugdige, zijn gezin en/of mensen uit het sociaal netwerk. Dat kan de professionele kijk op de jeugdige of het gezinssysteem vertroebelen. Dat wil zeggen dat de gemeente onderzoekt of er nog wel sprake is van voldoende professionele distantie om het resultaat te kunnen behalen. Dat kan bijvoorbeeld al blijken uit het ontbreken van voortuitgang in het behalen daarvan.
31
No. 23.0001427 7.12 Besteding pgb 7.12.1 Algemeen Artikel 5.2 lid 1 Verordening Voor het pgb geldt een ruime mate van bestedingsvrijheid. Dat wil zeggen dat het pgb mag worden besteed aan een maatwerkvoorziening waarmee het resultaat wordt bereikt. Vooropgesteld dat wordt voldaan aan voorwaarden. Om doorkruising met de wettelijke systematiek te voorkomen bepaalt de Verordening dat het pgb niet mag worden besteed aan: hulp die naar oordeel van het college valt binnen de eigen mogelijkheden en oplossend vermogen van de ouder(s) en jeugdigen; de ouder(s) dan wel personen uit het sociaal netwerk die overbelast zijn of dreigen te geraken. 7.12.2 Kostensoorten en declareren Artikel 5.2 lid 2, 3 en 4 Verordening In de Verordening zijn een aantal kostensoorten uitgezonderd. Dat wil zeggen dat het pgb daar niet aan mag worden besteed. Verder geldt dat de declaraties geen vast maandbedrag mogen bevatten. Dat wil zeggen er wordt altijd gedeclareerd in tijd. Ook geldt dat geen gebruik wordt gemaakt van een zogeheten verantwoordingsvrij bedrag. Gemeenten zijn vrij om dat te bepalen. 7.12.3 Termijn besteding pgb Artikel 3.2 lid 3 Verordening De Verordening schrijft voor binnen welke termijn de budgethouder het pgb moet besteden. Wanneer de budgethouder het pgb niet binnen de geldende termijn heeft besteed, dan doet het college onderzoek naar de reden hiervan.
Afhankelijk van de uitkomsten van het onderzoek kan er aanleiding zijn om over te gaan tot herziening of intrekking van het pgb-besluit. 7.13 Overige weigeringsgronden pgb Er nog twee wettelijke uitsluitingsgronden voor het pgb (art. 8.1.1 lid 4 Jw). Het college is bevoegd daarover een beleidsregel vast te stellen. 1. Duurdere maatwerkvoorziening Het kan voorkomen dat de budgethouder een duurdere maatwerkvoorziening wil inkopen terwijl het pgb alleen toereikend is om de geïndiceerde maatwerkvoorziening in te kunnen kopen. In dat geval weigert het college het meerdere van de kosten die daarmee gemoeid zijn (vergelijk CRVB:2018:2829). Het is dan aan de budgethouder om de meerkosten zelf te betalen. Let wel het college beoordeelt nog steeds of de kwaliteit van de in te kopen (duurdere) maatwerkvoorziening voldoet aan de daaraan te stellen eisen. Als college aanleiding heeft om te twijfelen of de budgethouder de in te kopen maatwerkvoorziening wel kan bekostigen, zal de budgethouder daar desgevraagd bewijsstukken van moeten overleggen. Dit om te voorkomen dat toch een maatwerkvoorziening van onvoldoende kwaliteit wordt ingekocht of de budgethouder een maatwerkvoorziening inkoopt waarmee hij niet gedurende de (gehele) budgetperiode kan voorzien in de behoefte aan jeugdhulp. Bijstorten diensten De regeling voor de vrijwillige storting is vereenvoudigd (voorheen art.
8 lid 6 Regeling Jeugdwet). In de praktijk is de werkwijze ontwikkeld dat wanneer een declaratie wordt ingezonden, en er onvoldoende geld beschikbaar is in het pgb, de SVB een uitnodiging
32
No. 23.0001427 stuurt aan de budgethouder om geld bij te storten. In die zin geldt dan de declaratie (in geval er onvoldoende geld is) als een aanvraag voor het betalen van jeugdhulp. Een budgethouder hoeft dan niet nog eens een aanvraag van een betaling te doen, maar hoeft enkel bij de SVB het benodigde bedrag bij te storten naar aanleiding van de uitnodiging van de SVB. Dit reduceert administratieve lasten voor de budgethouders.
2. Pgb-besluit eerder ingetrokken Heeft het college eerder een pgb-besluit ingetrokken, dan komt de jeugdige gedurende twaalf maanden niet voor een pgb in aanmerking (art. 8.1.1 lid 4 onderdeel b Jw). De termijn gaat in vanaf de datum van het herzienings- of intrekkingsbesluit. Er wordt gesproken van een zogeheten preventieve weigering. Dat wil zeggen dat het college een pgb-verzoek kan weigeren zonder te beoordelen of wordt voldaan aan de voorwaarden van de pgb-vaardigheid. 7.14 Hoogte pgb In hoofdstuk 5 van de Verordening is bepaald hoe de hoogte van het pgb voor de verschillende soorten maatwerkvoorzieningen wordt vastgesteld. Maatwerkvoorziening Er gelden gedifferentieerde percentages van de tarieven. Die zijn afhankelijk van de derde aan wie de budgethouder het pgb wil besteden. Het kan gaan om: • jeugdhulpverleners die in dienst zijn van een professionele organisatie; • jeugdhulpverleners die als ZZP-er werkzaam zijn; • personen uit het sociaal netwerk of die niet onder een van de hiervoor genoemde categorieën vallen. Begripsbepalingen In de Verordening zijn begripsbepalingen opgenomen van een professionele organisatie en een ZZP-er. Dat is van belang omdat de hoogte van het pgb daar op wordt gebaseerd. In principe moet zijn voldaan aan de begripsbepaling om in aanmerking te komen voor het van toepassing zijnde percentage van het tarief.
Uit de inschrijving bij de KvK blijkt ook de rechtsvorm. Zzp’ers kunnen bijvoorbeeld een eenmanszaak of een besloten vennootschap zijn (directeur-eigenaar). Ook kunnen Zzp’ers samenwerken in een coöperatie. Een coöperatie kan als rechtspersoon personeel in dienst hebben, maar dat hoeft niet. Sociaal netwerk Voor personen uit het sociaal netwerk geldt volgens de Verordening dat altijd een lager percentage van het tarief van toepassing is dan het tarief voor jeugdhulpverleners in dienst bij een professionele organisatie of een ZZP-er. Gemeenten hebben deze bevoegdheid op grond van art. 8.1.1 lid 3 Jw. 7.15 Verlenging indicatie Bij een verzoek om verlenging is sprake van een nieuwe melding van een hulpvraag en een daaropvolgende nieuwe aanvraag. Het college beoordeelt bij een verzoek om verlenging van de indicatie in de vorm van een pgb ook of tijdens de voorafgaande indicatie de resultaten (voldoende) zijn behaald. Wanneer ouder(s) of de jeugdige de jeugdhulp wederom aan dezelfde derde wenst te besteden wordt niet voldaan aan de voorwaarde van pgb-vaardigheid, tenzij een afdoende verklaring wordt gegeven waarom de resultaten niet
33
No. 23.0001427 zijn bereikt. Het college zal ouder(s) of de jeugdige in de gelegenheid moeten stellen om met een andere derde een overeenkomst aan te gaan die wel voldoet aan de vereisten. Wordt daar niet aan voldaan dan weigert het college het pgb en wordt een maatwerkvoorziening in natura verstrekt.
Lichte toetsing Na afloop van de indicatie kan de ouder(s) of de jeugdige zich opnieuw melden bij het college met het oog op een verlenging van de indicatie voor jeugdhulp. Wanneer het college vaststelt dat de ouder(s) of de jeugdige nog steeds is aangewezen op een maatwerkvoorziening, dan kan ook weer een verzoek worden gedaan om een pgb. Hebben zich in de voorafgaande periode van pgb-verlening geen onregelmatigheden voorgedaan en heeft het college ook anderszins geen reden om te twijfelen of (nog) wordt voldaan aan de voorwaarden (wet en verordening), dan kan het onredelijk zijn om met de ouder(s) of de jeugdige de intensieve beoordeling van voorwaarden opnieuw te doorlopen. In voorkomende gevallen betekent dit dat het college slechts een lichte toetsing toepast. Wel geldt onverkort dat (opnieuw) een Budgetplan moet worden opgesteld.
Hoofdstuk 8 Regels misbruik en oneigenlijk gebruik van de wet Artikel 2.9 onderdeel d Jw Hoofdstuk 7 Verordening 8.1 Inleiding De wet schrijft voor dat in de Verordening regels moeten staan om misbruik en oneigenlijk gebruik van de wet te voorkomen. Dat wil zeggen dat het college bevoegd is controles uit te voeren die betrekking hebben op de naleving van: de regels uit de wet, de regels uit de verordening en de voorwaarden die voortvloeien uit overeenkomsten met jeugdhulpaanbieders. Het gaat om controles op de rechtmatigheid en de kwaliteit van de jeugdhulp (tenzij de Inspectie daartoe bevoegd is) en/of jeugdhulp door derden in geval van een pgb. Daarvoor hoeft het college geen specifieke aanleiding te hebben, de controles kunnen bijvoorbeeld thematisch worden uitgevoerd. De controles kunnen zowel door het college als door de toezichthoudende ambtenaar worden uitgevoerd. Op het college rust een voorlichtingsplicht om tijdens het onderzoek de jeugdige en/of zijn ouder(s) te informeren over de rechten en plichten die aan het ontvangen van een maatwerkvoorziening (in natura of in de vorm van een pgb) zijn verbonden en over de consequenties van misbruik en oneigenlijk gebruik van de wet. De verantwoordelijkheid voor de naleving van de verplichtingen omtrent het pgb, evenals de gevolgen bij nietnaleving daarvan, rusten in de eerste plaats bij de budgethouder.
Om te zorgen dat een pgb ook daadwerkelijk wordt besteed waarvoor het is verstrekt kan het college of de toezichthoudende ambtenaar de budgethouder, maar ook de derde aan wie het pgb wordt besteed, vragen om daarover verantwoording af te leggen. Denk bijvoorbeeld aan de wel of niet uitgevoerde activiteiten met het oog op het te behalen resultaat. Daarvoor kan aanleiding zijn als het college daar twijfels over heeft. Onder de derde wordt ook de ouder(s) van de jeugdige verstaan of een aan een derde gelieerde (rechts)persoon. 8.2 Onderzoeksbevoegdheid college Het college is op grond van art. 7.1 Verordening bevoegd om onderzoeken in te stellen die betrekking hebben op de naleving van regels uit de wet, de Verordening en de voorwaarden
34
No. 23.0001427 die voortvloeien uit overeenkomsten met jeugdhulpaanbieders. Deze onderzoeken hebben betrekking op zowel de rechtmatigheid als de kwaliteit van de geboden jeugdhulp. Het kan dan bijvoorbeeld gaan om de beoordeling van de inhoudelijke activiteiten met bijbehorende resultaatafspraken. De jeugdhulpaanbieder, budgethouder en/of de derde aan wie het pgb wordt besteed zijn desgevraagd verplicht om hun medewerking te verlenen aan de verantwoording hierover (art. 7.3 Verordening). Afhankelijk van de uitkomsten van zo’n onderzoek (controle), kan het college daar vanzelfsprekend gevolgen aan verbinden. 8.3 Opschorten betaling pgb en opschorting inzet maatwerkvoorziening Om misbruik of oneigenlijk gebruik van de wet te voorkomen zal het college niet in alle gevallen direct over kunnen (of willen) gaan tot het herzien of intrekken van het toekenningsbesluit. Opschorting betaling pgb algemeen Een opschorting van de pgb-betaling is een beter instrument om ruimte te bieden voor herstelmaatregelen of nader onderzoek. Opschorting van de pgb-betaling is een bevoegdheid, waarvoor het college een gegrond vermoeden moet hebben. Daarnaast brengt gebruikmaking van de bevoegdheid een belangenafweging met zich mee.
Het belang van de budgethouder aan wie een maatwerkvoorziening (in de vorm van een pgb) is toegekend, wordt afgezet tegen (de ernst van) het gegronde vermoeden en de opschorting van de pgb-betaling. Er zijn situaties denkbaar waarbij de toepassing van de opschorting niet proportioneel is en/of (ook) niet voldoet aan het subsidiariteitsbeginsel. Dat wil zeggen dat het college gelet op het belang van de budgethouder - een minder belastend middel zal moeten inzetten om het beoogde doel te bereiken. De toezichthouder kan bijvoorbeeld op bezoek gaan bij de derde of de derde uitnodigen voor een gesprek waarbij desgevraagd bepaalde gegevens overlegd moeten worden. Aan de hand van de uitkomsten van dit gesprek kan het college bijvoorbeeld volstaan met een waarschuwing en een volgend onderzoek in de vorm van een gesprek aankondigen. Daaruit moeten dan in ieder geval verbeterpunten blijken. Een dergelijke werkwijze kan het college ook hanteren als het onderzoek zich richt op de budgethouder. Aan de andere kant kan de ernst van het gegronde vermoeden juist zwaar wegen waardoor er toch tot opschorting van de pgb-betaling wordt overgegaan. Denk aan situaties waarin het belang van de budgethouder onder druk staat omdat een gegrond vermoeden bestaat dat hij niet de juiste jeugdhulp (aard/omvang/kwaliteit) krijgt waarop hij is aangewezen.
Opschorting van de betaling kan met zich meebrengen dat het college moet zorgen voor een tijdelijke maatwerkvoorziening in natura. Dat zal zeker aan de orde zijn als het gegronde vermoeden betrekking heeft op de derde aan wie het pgb zal worden besteed. Immers in zo’n geval blijft de jeugdige bij opschorting van de betaling verstoken van de noodzakelijk bevonden jeugdhulp. In de Verordening zijn twee mogelijkheden neergelegd over de opschorting van de pgbbetaling. 8.4 Opschorting betaling pgb aan de Svb Artikel 7.5 Verordening Het college kan de betaling van het pgb aan de Svb voor maximaal 13 weken opschorten. Het gaat om situaties waarin het college het pgb heeft toegekend, maar het voorschot nog niet heeft uitbetaald aan de Svb en er aanleiding is om dat ook niet te doen. Daarvoor moet het college een gegrond vermoeden hebben. Dat wil zeggen er moet een aanwijzing (of meerdere) zijn om tenminste de conclusie te kunnen trekken dat er sprake kan zijn van
35
No. 23.0001427 het niet of onvoldoende voldoen aan verplichtingen die voortvloeien uit art. 8.1.4 lid 1 aanhef en onder a, d of e Jw. Het gaat om de volgende drie verplichtingen en/of voorwaarden.
1. Gegevens (inlichtingenplicht) Art. 8.1.4 lid 1 aanhef en onder a Jw gaat over het verstrekken van onjuiste of onvolledige gegevens van de jeugdige of zijn ouder(s) die bij de juiste of volledige verstrekking tot een ander besluit zou hebben geleid. 2. Voorwaarden Art. 8.1.4 lid 1 aanhef en onder d Jw gaat over de jeugdige of zijn ouder(s) die niet voldoet aan de voorwaarden die aan het pgb zijn verbonden. Art. 8.1 Verordening bepaalt dat deze bevoegdheid ook van toepassing is voor het niet voldoen aan de voorwaarden die aan de maatwerkvoorziening zijn verbonden. 3. Gebruik Art. 8.1.4 lid 1 aanhef en onder e Jw gaat over de jeugdige of zijn ouder(s) die het pgb niet of voor een ander doel gebruikt. Art. 8.2 Verordening bepaalt dat deze bevoegdheid ook van toepassing is voor de maatwerkvoorziening. Budgethouder of derde Die aanwijzingen kunnen betrekking hebben op de budgethouder maar volgens de Verordening ook op de derde (of daaraan gelieerde rechtspersoon). Het gaat dus (nog) niet om vaststaande feiten of bewijs dat daar sprake van is. Gedurende de termijn van de opschorting voert het college en/of de toezichthouder een onderzoek uit naar het gegronde vermoeden. Voorbeelden van een gegrond vermoeden zijn: Een door de Svb -op arbeidsrechtelijke aspecten- geaccordeerde overeenkomst die afwijkt van bijvoorbeeld het Budgetplan.
Het college geeft dan geen akkoord voor de overeenkomst. Een concrete tip of signaal die het college heeft ontvangen. Onduidelijkheid over de rechtmatigheid bij bijvoorbeeld de heroverweging van een besluit, de tussentijdse evaluatie of een verzoek om verlenging (herindicatie). Een (plotselinge) toename van het aantal jeugdigen waar een derde jeugdhulp aan biedt die qua omvang een 40-urige werkweek overschrijdt. Schriftelijke kennisgeving Het opschorten van de betaling van een pgb moet worden aangemerkt als besluit in de zin van een rechtshandeling. Immers, de opschorting van die betaling wijkt af van het toekenningsbesluit. Afhankelijk van het gegronde vermoeden, stelt het college de budgethouder in kennis van de opschorting. Heeft het gegronde vermoeden betrekking op de schending van de inlichtingenplicht van de budgethouder, dan ligt het niet voor de hand dat het college de bedoelde schriftelijke kennisgeving verstuurt. Het uitkomsten van het onderzoek kunnen daardoor mogelijk beïnvloed worden. Dit laat onverlet dat de budgethouder tegen de opschorting van de betaling van het pgb rechtsmiddelen kan inzetten. Inzet in natura
36
No. 23.0001427 Heeft het gegronde vermoede betrekking op de derde of een daaraan gelieerde (rechts)persoon, dan verstrekt het college hangende het onderzoek een tijdelijke maatwerkvoorziening in natura. Immers, middels het toekenningsbesluit is bepaald dat er voor de ouder(s) of jeugdige een noodzaak bestaat voor het verstrekken van een maatwerkvoorziening (al dan niet in de vorm van een pgb). Het college kan van de derde niet verwachten dat hij op de gok de jeugdhulp - zonder daarvoor betaald te worden voortzet. Er bestaat immers ook een risico voor die derde dat het pgb-besluit met terugwerkende kracht wordt ingetrokken. 8.5 Verzoek opschorting betaling door de Svb Artikel 7.6 Verordening Zoals gezegd zal het college niet in alle gevallen direct over kunnen (of willen) gaan tot het herzien of intrekken van het toekenningsbesluit. Het college kan de Svb verzoeken om de betaling van het pgb voor maximaal 13 weken op te schorten. Het gaat om situaties waarin het college het pgb heeft toegekend, al heeft uitbetaald aan de Svb en er aanleiding is om de Svb te verzoeken eventuele declaraties (nog) niet uit te betalen. Daarvoor moet het college een gegrond vermoeden hebben. Dat wil zeggen er moet een aanwijzing (of meerdere) zijn om tenminste de conclusie te kunnen trekken dat er sprake kan zijn van het niet of onvoldoende voldoen aan verplichtingen die voortvloeien uit art.
8.1.4 lid 1 aanhef en onder a, d of e Jw of art. 8.1 of 8.2 Verordening. Die aanwijzingen kunnen betrekking hebben op de budgethouder maar ook op de derde (of daaraan gelieerde rechtspersoon). Zoals gezegd gaat het dus niet om vaststaande feiten of bewijs dat er sprake is van onjuistheden of iets dergelijks, maar van een gegrond vermoeden dat daar sprake van kan zijn. Gedurende de termijn van opschorting voert het college en/of de toezichthouder een onderzoek uit naar het gegronde vermoeden. Schriftelijke kennisgeving Of het college de budgethouder schriftelijk in kennis stelt van de opschorting is afhankelijk van de situatie. Zie toelichting bij opschorting betaling. Inzet in natura Of het college voor de budgethouder tijdelijk een maatwerkvoorziening in natura inzet, is afhankelijk van de situatie. Zie toelichting bij opschorting betaling. Gevolgen onderzoek Het gevolg van het onderzoek kan zijn dat het besluit wordt herzien of ingetrokken en bij gevolg daarvan wordt overgegaan tot terugvordering. Zie verder Hoofdstuk 9 Heroverweging, beëindiging, herziening of intrekking en terug- en invordering van deze beleidsregels. Opschorting inzet maatwerkvoorziening Net als bij de pgb-besluiten zal het college bij maatwerkvoorziening in natura niet in alle gevallen direct over kunnen (of willen) gaan tot het herzien of intrekken van het toekenningsbesluit.
Schriftelijke kennisgeving Of het college de de jeugdige en/of zijn ouder(s) schriftelijk in kennis stelt van de opschorting is afhankelijk van de situatie. Vergelijk de toelichtingen bij opschorting betaling.
37
No. 23.0001427 8.6 Opschorting inzet maatwerkvoorziening Artikel 7.7 Verordening Net als bij de pgb-besluiten zal het college bij maatwerkvoorziening in natura niet in alle gevallen direct over kunnen (of willen) gaan tot het herzien of intrekken van het toekenningsbesluit. Schriftelijke kennisgeving Of het college de jeugdige of zijn ouder(s) schriftelijk in kennis stelt van de opschorting is afhankelijk van de situatie, vergelijk de verschillende toelichtingen onder opschorting betaling pgb van deze beleidsregels.
Hoofdstuk 9 Heroverweging, beëindiging, herziening of intrekking en terug- en invordering Artikel 8.1.3 Jw Hoofdstuk 8 Verordening 9.1 Inleiding Dit hoofdstuk gaat over de bevoegdheid van het college om terug te komen op een eerder afgegeven besluit. Daarvoor kan rechtvaardiging worden gevonden als er sprake is van de situaties zoals genoemd in de wet of de Verordening. Denk in dit verband ook aan de verplichting van ouders en jeugdigen om op verzoek van het college maar ook uit eigen beweging relevante feiten en omstandigheden bij het college te melden (art. 8.1.2 Jw en art. 8.2 Verordening). Omdat het in alle gevallen om een bevoegdheid van het college (kan-bepaling) gaat zal er een belangenafweging moeten plaatsvinden. Dat wil zeggen waarom het college wel of geen gebruik maakt van de bevoegdheid. 9.2 Beleidsuitgangspunt Het college hanteert als uitgangspunt dat als er: geen recht, slechts een gedeeltelijk recht of een gewijzigd recht bestaat op jeugdhulp dat gebruik wordt gemaakt van de bevoegdheid. In het geval van de terugvordering van het pgb of de geldswaarde van de maatwerkvoorziening, maakt het college in beginsel gebruik van de bevoegdheid omdat terugvordering een geschikt middel is wat bijdraagt aan een zorgvuldige besteding van middelen (vergelijk CRVB:2022:2207).
Het college weegt mee of betrokkene redelijkerwijs kon begrijpen dat hij ten onrechte een maatwerkvoorziening heeft ontvangen. Dringende redenen kunnen aan (herziening/intrekking) terugvordering in de weg staan. 9.3 Heroverweging besluit Het college is verplicht om pgb-besluiten te heroverwegen (art. 8.1.3 Jw). De wet schrijft niet voor wanneer het college dat moet doen. Het is aan de professional van Noordoostpolder om daar een inschatting van maken. Ook kan het college planmatig te werk gaan. Het gaat bij de heroverweging om besluiten waarvan de indicatieduur nog niet is verstrekken, het college heroverweegt dus een bestaand besluit waarbij jeugdhulp is toegekend. Periodiek onderzoek pgb Ook in geval van een toegekend pgb bepaalt het college in het individuele geval wanneer er aanleiding is om het besluit te heroverwegen. Ook hier gaat het immers om maatwerk. Zo’n heroverweging kan bijvoorbeeld samenhangen met de evaluatie van de geboden jeugdhulp tussen jeugdige of zijn ouder(s) en degene aan wie het pgb wordt besteed. Dat zal ook moeten blijken uit het opgestelde Budgetplan. Ook hier geldt dat als de indicatie voor een korte periode verstrekt dat het niet voor de hand ligt dat het besluit wordt
38
No. 23.0001427 heroverwogen. De jeugdige of zijn ouder(s) zal zich doorgaans opnieuw melden met een hulpvraag (verzoek om verlenging van de indicatie).
Nieuwe melding hulpvraag Het kan voorkomen dat jeugdige of zijn ouder(s) een nieuwe melding doet van een hulpvraag. Heeft die melding betrekking op de toegekende jeugdhulp, dan beoordeelt het college of er aanleiding is om het bestaande besluit te heroverwegen. De jeugdige of zijn ouder(s) kan bijvoorbeeld een wijziging melden in de behoefte aan jeugdhulp. Wel of geen nieuw besluit Nadat het college een bestaand besluit heeft heroverwogen kan daar een ander (nieuw) besluit op volgen, maar dat hoeft niet. Dat ligt vanzelfsprekend aan de uitkomst van de heroverweging. Het bestaande besluit kan dus intact blijven, maar kan ook worden herzien of ingetrokken onder toepassing van art. 8.1.4 Jw of een verordeningsbepaling. Denk bijvoorbeeld aan de situatie dat de jeugdige aanspraak kan maken op een indicatie op grond van de Wlz. 9.4 Beëindiging Artikel 8.1 Verordening Er wordt gesproken van een beëindiging als de inwerkingtreding van het besluit ingaat vanaf het heden of naar de toekomst toe. Beëindiging heeft dus, in tegenstelling tot een herziening/intrekking, geen terugwerkende kracht. Datum beëindiging De datum waarop het besluit wordt beëindigd is afhankelijk van de situatie. Overlijden Wanneer de jeugdige is overleden, kunnen gedurende de maand van overlijden nog betalingen door de Svb worden gedaan uit het nog beschikbare (resterende) pgb.
Dat wil zeggen voor de jeugdhulp die vóór het overlijden is geboden maar nog niet is gedeclareerd. 9.5 Herziening of intrekking Artikel 8.2 Verordening Het (deels) ongedaan maken van het recht over een periode in het verleden, wordt herzien/intrekken genoemd. Een herziening of intrekking van het besluit is het met terugwerkende kracht opnieuw beslissen over de aanspraak over een periode in het verleden. Daarbij kan het recht afwijkend worden vastgesteld (herzien) of worden ingetrokken als er in het geheel geen aanspraak heeft bestaan. Aanleiding De aanleiding om tot herziening of intrekking van het besluit over te gaan heeft te maken: met het verstrekken van onjuiste of onvolledige gegevens en de verstrekking van juiste of volledige gegevens zou tot een andere beslissing hebben geleid, met het niet voldoen aan de aan de maatwerkvoorziening of het pgb verbonden voorwaarden, als de maatwerkvoorziening of het pgb wordt niet of voor een ander doel gebruikt. Het college beoordeelt of er aanleiding is om het besluit te herzien of in te trekken (art. 8.1.4 lid 1 aanhef en onder a, d of e Jw of een bepaling van de Verordening).
39
No. 23.0001427 9.6 Terugvordering Artikel 8.3 Verordening De Verordening biedt het college de bevoegdheid tot het (geheel of gedeeltelijke) vorderen van de geldswaarde van een maatwerkvoorziening of een pgb (terugvordering) als het college het besluit heeft herzien of ingetrokken onder toepassing van art. 8.1.4 Jw. Omdat het niet in alle gevallen mogelijk is een al verstrekte maatwerkvoorziening in natura terug te vorderen, kan het college de waarde van die maatwerkvoorziening uitdrukken in een bedrag dat voor terugvordering in aanmerking komt. Hoogte terugvordering maatwerkvoorziening in natura In zo’n geval zal de geldswaarde bestaan uit het bedrag van de facturen die het college daarvoor (ten onrechte) aan de jeugdhulpaanbieder heeft betaald. Hoogte terugvordering pgb In geval van een pgb bedraagt de hoogte van de terugvordering het bedrag dat ten onrechte is verstrekt. Het kan wel zo zijn dat de Svb nog niet het (gehele) pgb heeft uitbetaald. In dat geval zal de Svb overgaan tot het terugstorten van het (resterende) pgb en is er voor dat deel geen aanleiding om tot terugvordering over te gaan.
9.6.1 Terugvordering: overig Er zijn ook andere situaties denkbaar waarin het college kan overgaan tot terugvordering, namelijk: bij het niet voldoen aan voorwaarden verbonden aan de maatwerkvoorziening of het pgb, als de maatwerkvoorziening of het pgb niet of wordt gebruikt voor een ander doel dan waarvoor het is verstrekt, bij een onverschuldigde betaling. Niet voldoen aan de voorwaarden Alvorens over te kunnen gaan tot terugvordering moet het college eerst een herziens- of intrekkingsbesluit nemen onder toepassing van art. 8.1.4 lid 1 aanhef en onder d Jw. Als gevolg van het herziens- of intrekkingsbesluit ontstaat of kan de vordering ontstaan. Dat is afhankelijk van de datum van inwerkingtreding van het besluit. Niet of voor een ander doel gebruikt Alvorens over te kunnen gaan tot terugvordering moet het college eerst een herziens- of intrekkingsbesluit nemen onder toepassing van art. 8.1.4 lid 1 aanhef en onder e Jw. Als gevolg van het herziens- of intrekkingsbesluit ontstaat of kan de vordering ontstaan. Dat is afhankelijk van de datum van inwerkingtreding van het besluit. 9.6.2 Onverschuldigde betaling Bij een onverschuldigde betaling gaat het om een betaling die zonder rechtsgrond wordt gedaan. Denk aan de administratieve vergissing door bijvoorbeeld de Svb.
Onder een zonder rechtsgrond verrichte betaling kunnen ook de (gemaakte) kosten van een maatwerkvoorziening in natura worden verstaan (art. 8.3 lid 1 Verordening). Uit CRVB:2006:AX5819 kan onder meer worden afgeleid dat in het geval van het ontbreken van een wettelijke bepaling op grond waarvan kan worden teruggevorderd, niet aan terugvordering in de weg staat, nu (ook) in het publiekrecht als in het algemeen rechtsbewustzijn levend beginsel is aanvaard, dat een zonder rechtsgrond verrichte betaling ongedaan moet worden gemaakt.
40
No. 23.0001427
Zelfstandig terugvorderingsbesluit Het gaat bij de onverschuldigde betaling om een zelfstandig terugvorderingsbesluit. Dat wil zeggen dat het college niet eerst een herzienings- of intrekkingsbesluit hoeft te nemen. Bevoegdheid Deze terugvorderingsbevoegdheid kan alleen worden uitgeoefend als de jeugdige of zijn ouder(s) redelijkerwijs had kunnen begrijpen dat ten onrechte een: maatwerkvoorziening in natura is ontvangen, pgb werd uitbetaald. Verjaringstermijn Op grond van art. 3:309 BW verjaart de rechtsvordering uit onverschuldigde betaling door verloop van vijf jaren na de aanvang van de dag, volgend op die waarop de schuldeiser (het college) zowel van het bestaan van zijn vordering, als met de persoon van de ontvanger bekend is geworden. De verjaringstermijn vangt aan voor het nemen van een terugvorderingsbesluit over de onverschuldigde betaling op het moment waarop het college bekend is geworden met feiten of omstandigheden op basis waarvan voldoende duidelijk is dat een besluit over terugvordering in de rede ligt (vergelijk CRVB:2007:BA2284 en CRVB:2008:BD6928). 9.7 Invordering Artikel 8.3 lid 3 Verordening De jeugdige of zijn ouder(s) is in beginsel verplicht om binnen zes weken na het verzenden van het terugvorderingsbesluit het gehele bedrag ineens terug te betalen (art. 4:87 lid 1 Awb).
Het college kan uitstel van betaling geven en daarbij als voorwaarde stellen dat de ouder(s) zich houdt aan de vast te stellen aflosregeling (art. 4:94 Awb). Als de ouder(s) zich niet houdt aan de aflosregeling kan het college het uitstel van betaling weer intrekken (art. 4:96 Awb). Het college stelt de aflosbedragen zo vast dat de ouder(s) nog de beschikking heeft over een inkomen van tenminste de beslagvrije voet. Het college kan het terug te vorderen bedrag invorderen bij dwangbevel (art. 8.1.4 lid 4 Jw). Dringende redenen Geheel of gedeeltelijk afzien van terugvordering (invordering) is mogelijk in het geval van dringende redenen. Deze dringende redenen moeten betrekking hebben op de gevolgen van de terugvordering (invordering) en dus niet op de omstandigheden die daartoe hebben geleid. Het gaat daarbij dan om een zodanige bijzondere situatie dat terugvordering (invordering) leidt tot onaanvaardbare financiële of sociale consequenties voor de ouder(s) (vergelijk CRVB:2015:4067). Het moet dan gaan om incidentele gevallen, waarin iets bijzonders en uitzonderlijks aan de hand is en waarin een individuele afweging van alle relevante omstandigheden plaatsvindt. Denk bijvoorbeeld aan voortdurende psychische problematiek en zelfs verergering van de klachten door de terugvordering (CRVB:2021:1475 en CRVB:2020:832).