D07 03 Bijlage 3 bij nota - Beleidsregels jeugdhulp gemeente Noordoostpolder 2024 definitief.pdf
Tekst van het document
No. 23.0001427 Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Noordoostpolder; gelet op: - titel 4:3 van de Algemene wet bestuursrecht; - de Jeugdwet; - de Verordening jeugdhulp gemeente Noordoostpolder 2022; - het Besluit maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp gemeente Noordoostpolder 2024; overwegende dat het college het voor de beoordelingsvrijheid bij de uitvoering van de wet noodzakelijk vindt om aan te geven op welke wijze daar mee wordt omgegaan en daartoe beleidsregels wenst vast te stellen; besluit de volgende beleidsregels vast te stellen Beleidsregels jeugdhulp gemeente Noordoostpolder 2024
1
No. 23.0001427
Hoofdstuk 1 Algemene uitgangspunten 1.1 Inleiding Beleidsregels ontlenen hun status aan art. 4.81 lid 1 Algemene wet bestuursrecht (Awb): "Een bestuursorgaan kan beleidsregels vaststellen met betrekking tot een hem toekomende of onder zijn verantwoordelijkheid uitgeoefende, dan wel door hem gedelegeerde bevoegdheid." Bij beleidsregels gaat het om een bij besluit vastgestelde algemene regel niet zijnde een algemeen verbindend voorschrift zoals de Verordening jeugdhulp. Beleidsregels gaan over de vaststelling van feiten, wetsinterpreterend beleid of over hoe bepalingen in de Verordening door het college worden toegepast. Concreet betekent dit voor de uitvoeringspraktijk dat alle (min of meer) gelijke gevallen op een gelijke manier worden afgehandeld volgens het door het college vastgestelde beleid dat als zodanig ook is bekendgemaakt middels publicatie. 1.2 Begripsbepalingen 1.
In deze beleidsregels en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: Bewust keuzegesprek: een gesprek waarin de vaardigheden van ouders of jeugdigen worden getoetst rondom het beheren en uitgeven van het persoonsgebonden budget (pgb), Budgethouder: degene aan wie het pgb is toegekend (de ouder of jeugdige); Budgetperiode: de periode waar een pgb betrekking op heeft; Besluit: Besluit maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp gemeente Noordoostpolder 2024; Derde: degene aan wie het pgb wordt besteed; Gewaarborgde hulp: hulp van een derde die door de budgethouder is ingeschakeld en van wie voldoende aannemelijk is gemaakt dat deze kan instaan voor nakoming van de aan het pgb verbonden verplichtingen; Ondersteuningsplan: een systeemgericht plan dat is opgesteld tussen jeugdigen en/of ouder(s) en jeugdhulpaanbieders waar aan de hand van de resultaten uit het onderzoeksverslag, doelen zijn geformuleerd. De ingezette jeugdhulp en de voortgang van de doelen wordt beschreven om het afgesproken resultaat uit het onderzoeksverslag te behalen, Sociaal netwerk: personen uit de huiselijke kring zoals een familielid, huisgenoot, (voormalig) echtgenoot of andere personen met wie de jeugdige of zijn ouder(s) een sociale relatie onderhoudt; Verordening: Verordening jeugdhulp gemeente Noordoostpolder 2022; Wet: Jeugdwet (Jw). 2.
Begrippen die in deze Beleidsregels worden gebruikt en niet nader worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de wet en de daarop gebaseerde lagere regelgeving, de Verordening, het Besluit en de Awb. 1.3 Goed samenhangend stelsel Met de Jeugdwet is in 2015 het verzekerd recht op zorg vervangen door een jeugdhulpplicht voor gemeenten als ouders en jeugdigen er (eenvoudig gezegd) samen niet uitkomen. Dit nieuwe jeugdstelsel heeft het uiteindelijke doel het versterken van de eigen kracht van de jongere en van het zorgend en probleemoplossend vermogen van diens gezin en sociale omgeving (TK 2012/13, 33 684, nr. 3, p. 2). Een jeugdige en/of zijn ouder(s) kan (individuele) jeugdhulp nodig hebben in verband met opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen voor zover de eigen
2
No. 23.0001427 mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen ontoereikend zijn. Zij kunnen in dat geval een beroep doen op de (mede) door de gemeente Noordoostpolder georganiseerde jeugdhulp. Als de jeugdige en/of zijn ouder(s) dat wenst, kan de noodzakelijke maatwerkvoorziening ook in de vorm van een persoonsgebonden budget (pgb) worden verstrekt. Eigen verantwoordelijkheid De wetgever stimuleert burgers regie te nemen over hun leven en zelf verantwoordelijk te zijn voor hun eigen ontplooiing. Voor de Jeugdwet geldt het uitgangspunt dat de verantwoordelijkheid voor het gezond en veilig opgroeien van jeugdigen allereerst bij de ouder(s) en de jeugdige zelf ligt. Personen uit de naaste omgeving kunnen daarbij ook hulp bieden. Een jeugdige en/of zijn ouder(s) kan (individuele) jeugdhulp nodig hebben in verband met opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen voor zover de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen ontoereikend zijn. Zij kunnen in dat geval een beroep doen op de door gemeente Noordoostpolder georganiseerde jeugdhulp.
1.4 Taak van het college Het college zorgt voor deskundige toeleiding naar, advisering over, en bepaling van en het inzetten van de aangewezen jeugdhulp waardoor de jeugdige in staat wordt gesteld: gezond en veilig op te groeien en te groeien naar zelfstandigheid; en voldoende zelfredzaam te zijn en maatschappelijk te participeren, rekening houdend met zijn leeftijd en ontwikkelingsniveau. Deze wettelijke jeugdhulpdoelen (te bereiken resultaten) worden hierna kort uitgelegd. Gezond en veilig opgroeien en groeien naar zelfstandigheid Bij het gezond en veilig opgroeien gaat het niet alleen om de lichamelijke gezondheid, maar ook om de geestelijke gezondheid, een gezonde leefstijl en continuïteit in opvoeding en verzorging. Bij het veilig opgroeien moet gedacht worden aan geborgenheid, structuur en regelmaat, veiligheid thuis en veiligheid buitenshuis. Onder het groeien naar zelfstandigheid wordt bedoeld dat jeugdigen zelfstandigheid bereiken om mee te kunnen doen aan de maatschappij. Zelfredzaamheid Activiteiten op het gebied van de persoonlijke verzorging zijn gericht op het opheffen van een tekort aan zelfredzaamheid bij algemene dagelijkse levensverrichtingen. Persoonlijke verzorging kan ook worden gegeven als het gaat om het aanleren van de activiteiten.
Het kan dan gaan om het aanleren van een bepaalde vaardigheid bij de jeugdige maar het kan ook bij de ouder worden geboden. Maatschappelijk participeren Dit gaat over het mee kunnen doen in de maatschappij. Het gaat dan om de mogelijkheden van de jeugdige om actief betrokken te zijn bij de maatschappij, maar ook op hoe hij zelf zijn steentje bij kan dragen aan de maatschappij, mee kan denken en mee kan doen, mogelijkheden heeft voor het beoefenen van sport en cultuur en voorbereid is op zijn toekomst door het behalen van een diploma, het vinden van werk en het zelf in zijn levensonderhoud te kunnen voorzien.
3
No. 23.0001427 Leeftijd en ontwikkelingsniveau Het spreekt voor zich dat wat hiervoor is gezegd afhankelijk is van de leeftijd en ontwikkelingsniveau van de jeugdige. Dit in vergelijking met leeftijdsgenoten zonder behoefte aan jeugdhulp. Het is niet altijd mogelijk om bijvoorbeeld volledige zelfstandigheid te bereiken. Dit omdat het gelet op de beperkingen van een jeugdige simpelweg niet mogelijk is om hun tekort aan zelfredzaamheid met jeugdhulp op te heffen. Het college heeft dan een inspanningsverplichting om een zo goed mogelijk resultaat te bereiken. 1.4.1 Resultaatverplichting Bij de jeugdhulpplicht hoort een resultaatverplichting. Dat wil zeggen als er een maatwerkvoorziening nodig is, dan is dat gericht op het bereiken van de resultaten zoals hiervoor omschreven. Beoordelingsruimte Het college heeft ruimte bij de beoordeling met welke maatwerkvoorziening(en) een of meerdere resultaten worden bereikt. Dat staat in de wet. Het is wel zo dat het passende jeugdhulp moet zijn. Ook dat staat in de wet. 1.4.2 Gecontracteerde partijen Noordoostpolder werkt met gecontracteerde jeugdhulpaanbieders en voert, bij ambulante jeugdhulp, regie op de te behalen resultaten die tijdens het onderzoek gezamenlijk zijn vastgesteld. Dat kan door de jeugdhulp tussentijds te evalueren of bij een nieuwe aanvraag (herindicatie). De gecontracteerde partijen hanteren een systeemgerichte aanpak.
De wettelijke verwijzers (huisarts, jeugdarts of medisch specialist) kunnen alleen doorverwijzen naar het gecontracteerde aanbod. Een verwijzing naar een nietgecontracteerde partij kan niet, de hulpvraag loopt dan via de gemeente (reguliere procedure). 1.5 Maatwerkvoorziening Hebben jeugdigen en/of ouder(s) jeugdhulp nodig, dan kunnen zij een beroep doen op de door de gemeente Noordoostpolder georganiseerde jeugdhulp. De gemeente Noordoostpolder voert de regie op het te behalen resultaat zoals dat in de beschikking is vastgesteld. Onder een maatwerkvoorziening wordt individuele jeugdhulp verstaan. Onder jeugdhulp in deze beleidsregels kan een maatwerkvoorziening worden verstaan maar ook vrij toegankelijke jeugdhulp. 1.5.1 Uitgangspunten Er gelden een aantal algemene uitgangspunten: De verantwoordelijkheid voor het gezond en veilig opgroeien, kunnen groeien naar zelfstandigheid, voldoende zelfredzaam kunnen zijn en maatschappelijk kunnen participeren van jeugdigen ligt allereerst bij de ouders zelf. Daaronder valt: de gebruikelijke hulp, de eigen mogelijkheden en het eigen probleemoplossend vermogen, hulp van het sociaal netwerk of organisaties en instellingen binnen Noordoostpolder. Het versterken van eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen staat voorop staat bij het verlenen van maatwerkvoorzieningen. Dit uitgangspunt sluit aan bij de bedoeling van de wet.
Dit betekent ook dat het college eerst kijkt of dat met opvoedondersteuning of ondersteuning aan het gezin kan worden bereikt. Een maatwerkvoorziening voor de jeugdige kan worden gecombineerd met de eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen.
4
No. 23.0001427 Om te zorgen dat ouders hun rol als verzorgers en opvoeders kunnen blijven vervullen kan een maatwerkvoorziening worden verleend om ouders (het gezin) tijdelijk te ontlasten als dat nodig is. Bijvoorbeeld kortdurend verblijf, logeren of een andere vorm van jeugdhulp die gericht is op het tijdelijk ontlasten. Het uitgangspunt is dat ouders verantwoordelijk zijn voor het vervoer naar de locatie waar de maatwerkvoorziening wordt geboden. Dat wordt vastgesteld tijdens het onderzoek. Het college kan vervoer inzetten. Het college kan besluiten dat een maatwerkvoorziening niet wordt verleend omdat de gevraagde hulp volgens het college niet noodzakelijk is.
Hoofdstuk 2 Procedure Artikelen 2.3 lid 1 en 2.6 Jw Hoofdstuk 2 van de Verordening 2.1 Inleiding De Verordening is voor wat betreft de toegang tot jeugdhulp procedureel ingericht zodat het voor jeugdigen en ouders duidelijk is hoe het college te werk gaat nadat zij de hulpvraag hebben gemeld. De Verordening bepaalt dat algemene voorzieningen vrij toegankelijk zijn en dat een verzoek om jeugdhulp ook kan verlopen via de wettelijke verwijzers, zonder tussenkomst van de gemeente. Een jeugdige en/of zijn ouder(s) kan gebruik maken van cliëntondersteuning en van de diensten van een vertrouwenspersoon (art. 2.1 Verordening). 2.2 Toegang tot jeugdhulp Jeugdigen of ouders kunnen op twee manieren in aanmerking komen voor jeugdhulp. Hebben jeugdigen of ouders een behoefte aan jeugdhulp dan kunnen hun hulpvraag melden bij het college. Een maatwerkvoorziening kan ook worden verkregen via de zogeheten wettelijke verwijzers. 2.2.1 Wettelijke verwijzers De zogeheten wettelijke verwijzers kunnen jeugdigen en hun ouders verwijzen naar de gecontracteerde jeugdhulp. De wettelijke verwijzers zijn: de huisarts, de jeugdarts en de medische specialist. Zij kunnen alleen verwijzen naar jeugdhulpaanbieders die door het college zijn gecontracteerd.
Wenst de jeugdige of zijn ouder(s) de jeugdhulp in de vorm van een persoonsgebonden budget (pgb) te ontvangen, dan zal de hulpvraag bij het college gemeld moeten worden. 2.2.2 Melding hulpvraag Omdat de wet geen regels stelt over het indienen van een aanvraag, gelden de regels van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De jeugdige en/of zijn ouder(s) kunnen hun hulpvraag melden bij het college. Het college brengt in samenspraak met de jeugdige en/of zijn ouder(s) eerst zorgvuldig de behoefte aan jeugdhulp en de mogelijke oplossingen in kaart. Dat onderzoek behoort tot de voorbereiding van het besluit (art. 3:2 Awb). De Centrale Raad van Beroep heeft een stappenplan geformuleerd waarin voorwaarden zijn opgenomen waaraan een goed onderzoek ten minste moet voldoen (CRVB:2017:1477). Van dat onderzoek wordt een onderzoeksverslag verstrekt. 2.3 Cliëntondersteuning Art. 2.2.4 Wmo 2015 draagt het college op in ieder te geval te zorgen voor cliëntondersteuning. Het gaat in alle gevallen om onafhankelijke ondersteuning voor
5
No. 23.0001427 ingezetenen waarbij hun belang het uitgangspunt moet zijn. Cliëntondersteuning is domeinoverstijgend en heeft ook betrekking op de Jeugdwet. Dit maakt integrale dienstverlening aan inwoners nog beter mogelijk. Na de melding van de hulpvraag informeert het college de jeugdige en zijn ouder(s) over deze mogelijkheid. Het college kan deze cliëntondersteuning aanbieden, maar de jeugdige en zijn ouder(s) kunnen zich ook laten bijstaan door andere (externe) ondersteuners. Denk aan een bestaande cliëntenof belangenorganisatie. Van belang is verder nog dat het college moet zorgen dat cliëntondersteuning en het beslissen op een aanvraag niet in één hand kunnen liggen. De cliëntondersteuner moet immers onpartijdig (kunnen) zijn en alleen in het belang van de jeugdige en zijn ouder(s) handelen. 2.4 Vertrouwenspersoon Het Ministerie van VWS is ervoor verantwoordelijk dat jeugdigen en hun ouders een beroep kunnen doen op een onafhankelijk vertrouwenspersoon (art. 1a lid 1 Jw). Het Advies- en Klachtenbureau Jeugdzorg (AKJ) voert dit vertrouwenswerk in de praktijk uit. Jeugdigen, ouders en pleegouders kunnen op deze organisatie terugvallen als ze problemen hebben met (personen werkzaam bij) de gemeente, de jeugdhulpaanbieder, de gecertificeerde instelling of Veilig Thuis.
2.5 Familiegroepsplan Het familiegroepsplan is een hulpverleningsplan of plan van aanpak dat de ouders opstellen samen met personen die tot het sociaal netwerk van de jeugdige behoren (art. 1.1 Jw). De jeugdhulpaanbieder moet de jeugdige of ouders bij het leveren van jeugdhulp als eerste de mogelijkheid bieden een familiegroepsplan op te stellen. Dat geldt ook voor de gecertificeerde instelling als sprake is van een ondertoezichtstelling (art. 4.1.2 Jw). Aanbieders en instellingen kunnen het familiegroepsplan gebruiken bij het bieden van jeugdhulp. Zij moeten namelijk werken volgens een plan. Het familiegroepsplan is erop gericht om ouders en hun netwerk (met eventuele ondersteuning) in eigen kring de problemen op te kunnen laten lossen, in een prille fase waarin opgroei- en opvoedingsproblemen zijn gesignaleerd (RBNHO:2017:988). 2.6 Voorlichtingsplicht overig Tijdens het onderzoek wordt de jeugdige en/of zijn ouder(s) ook: verteld welke mogelijkheden er bestaan om te kiezen voor een pgb en wordt hij/zij in begrijpelijke bewoordingen ingelicht over de gevolgen van die keuze; geïnformeerd over het gebruik en oneigenlijk gebruik van maatwerkvoorzieningen, al dan niet in de vorm van een pgb en de manier waarop het college vorm kan geven aan de controle.
2.7 Inlichtingen- en medewerkingsplicht Om een onderzoek volledig uit te kunnen voeren, is het van belang dat de jeugdige en/of zijn ouder(s) het college de gegevens en bescheiden verschaft die voor het onderzoek nodig zijn en waarover hij redelijkerwijs de beschikking kan krijgen (art. 4:2 Awb). Alleen de inlichtingenplicht voor jeugdigen en/of zijn ouder(s) die is verbonden aan een verstrekt pgb is wettelijk geregeld (art. 8.1.2 Jw). De verordening bepaalt daarom dat de jeugdige en/of zijn ouder(s) ook verplicht zijn op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden te doen waarvan hun redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat deze aanleiding kunnen zijn tot heroverweging van een besluit over jeugdhulp in natura (art. 8.2 lid 1 Verordening).
6
No. 23.0001427 2.7.1 Medewerkingsplicht Ouders en jeugdigen verlenen medewerking aan het onderzoek als het college daar om vraagt (art. 8.1.2 lid 3 Jw). Deze algemene medewerkingsverplichting voor de uitvoering van de wet geldt niet alleen bij de aanvraag maar ook gedurende de indicatie als daar aanleiding voor is. Het niet verlenen van medewerking kan er toe leiden dat het college de behoefte aan jeugdhulp niet kan vaststellen (CRVB:2019:276, CRVB:2021:410, CRVB:2021:510). Het kan gaan om een onderzoek naar de concrete gezinssituatie en de daarin aanwezige problematiek waarvoor ook onderzoek in de thuissituatie (door middel van observatie) verricht moet worden door een deskundige (RBGEL:2023:5013). 2.7.2 De jeugdige In het kader van medewerking verlenen geldt ook het uitgangspunt dat de jeugdige altijd wordt gezien en als dat aangewezen is, wordt gesproken. Dat geldt in ieder geval bij de vraag om deskundigenadvies (zie art. 2.6 lid 3 Verordening). Denk in dat kader ook aan het recht van de jeugdige om zijn mening te vormen en vrijelijk te uiten (art. 12 IVRK). Daarvoor geldt de leeftijdsgrens van 12 jaar, tenzij de jeugdige daartoe nog niet in staat is natuurlijk. De mening van de jeugdige moet worden meegewogen bij de beoordeling van de aanvraag, tenzij de jeugdige zijn mening niet kan geven gelet op de problematiek of leeftijd natuurlijk.
2.8 Stappenplan voor het onderzoek Het is van groot belang dat het onderzoek in goede samenspraak met de jeugdige en/of zijn ouder(s) plaatsvindt, alleen dan kan de hulpvraag goed in kaart worden gebracht. Bij elke stap van het onderzoek moet de gemeente zorgen voor voldoende deskundigheid. Het kan bijvoorbeeld nodig zijn dat een specifieke (jeugdhulp)deskundige bij het onderzoek wordt betrokken. Bijvoorbeeld een gedragswetenschapper of een (jeugd)arts. Van jeugdigen en ouders wordt verwacht dat zij medewerking verlenen aan het onderzoek. Het onderzoek bestaat uit de volgende stappen: 1. In stap 1 wordt vastgesteld wat de (eigenlijke) hulpvraag van de jeugdige en/of zijn ouder(s) is. Daarvoor kunnen meerdere gesprekken nodig zijn. 2. In stap 2 wordt vastgesteld of er opgroei- en opvoedingsproblemen en/of psychische problemen en stoornissen zijn. En zo ja, welke problemen en stoornissen dat zijn. 3. In stap 3 wordt vastgesteld welke hulp er naar aard en omvang nodig is om wettelijke jeugdhulpdoelen te behalen. 4. In stap 4 wordt vastgesteld of er oplossingen zijn die voorgaan op het verlenen van een maatwerkvoorziening. Dat wil bijvoorbeeld zeggen of: - jeugdigen en ouders, al dan niet met hulp van het sociaal netwerk, (een deel van) de problemen zelf kunnen oplossen. Ook hulp van organisaties of instellingen in de gemeente valt hieronder.
- gebruik van vrij-toegankelijke jeugdhulp een toereikende oplossing is. 2.8.1 Methode en bijlagen bij de beleidsregels Het onderzoek is de leidraad voor het onderzoeksverslag. De gehanteerde methode die hierbij wordt gebruikt voldoet aan de eisen die de Centrale Raad van Beroep daaraan stelt. Hierna wordt een en ander per stap uitgelegd. Eén of meerdere bijlagen van deze beleidsregels kunnen helpen bij het onderzoek naar de opgroei- en opvoedingsproblemen en/of psychische problemen en stoornissen. Het gaat om de volgende bijlagen: bijlage 1 Gebruikelijke hulp bijlage 2 Aandachtspunten resultaatgebieden (kind gerelateerd) bijlage 3 Aandachtspunten ouderschap 7
No. 23.0001427 bijlage 4 Ouder gerelateerde aandachtspunten bijlage 5 Richtlijn ouderschap bijlage 6 Onderscheid licht, matig, zwaar 2.8.2 Stap 1 van het stappenplan Een volledig beeld is nodig Het college kan niet altijd alleen uitgaan van de hulpvraag die de jeugdige en/of zijn ouder(s) bij de gemeente neerleggen. Het college moet zelf actief onderzoek doen naar de problemen van het gezin en rekening houden met de hulp die zij hierbij wensen. Pas dan wordt een volledig beeld verkregen van de (gezins)situatie (bijv. RBOBR:2021:53, RBOBR:2018:469, RBGEL:2017:3439). De aanwezigheid van het sociaal netwerk van de jeugdige en zijn ouder(s) kan van grote meerwaarde zijn. Zij kunnen informatie geven die van belang is voor het onderzoek. Ook kunnen zij onderdeel uitmaken van de eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen van de jeugdige en zijn ouder(s). Of dat het geval is komt bij stap 4 van het stappenplan aan bod. In het gesprek wordt in samenspraak met de jeugdige en zijn ouder(s) bekeken welk resultaat men wil bereiken en welke oplossingen passend zouden kunnen zijn. Er wordt specifiek jeugdhulp gevraagd De hulpvraag kan niet bestaan uit de vraag aan het college om een specifieke maatwerkvoorziening toe te kennen. Dit gelet op het wettelijk kader en het stappenplan van de Centrale Raad van Beroep.
De gemeente houdt wel rekening met de wens van de jeugdige of zijn ouder(s) om de gevraagde maatwerkvoorziening te ontvangen. 2.8.3 Stap 2 van het stappenplan Bij deze stap worden de opgroei- en opvoedingsproblemen en/of psychische problemen en stoornissen inzichtelijk in kaart gebracht en vervolgens welke problemen en stoornissen er zijn. Het hoeft daarbij niet alleen te gaan om de jeugdige die kampt met bepaalde problematiek; ouders kunnen door die problematiek opvoedingsproblemen ondervinden. Opvoedingsproblemen Bij opvoedingsproblemen gaat het om problemen bij het onderhouden, verzorgen en grootbrengen van een jeugdige, met name in sociale, emotionele, intellectuele en morele zin, die door de ouder(s) niet binnen een gebruikelijke termijn en met gebruikelijke middelen op te lossen zijn. Zorgmomentenoverzicht Als dat nodig is kan het college van ouders een zorgmomentenoverzicht (dag/week) vragen waarin de situaties waar de jeugdige hulp bij nodig heeft adequaat worden beschreven. Het college kan dit overzicht vergelijken met Bijlage 1 Gebruikelijke hulp van deze beleidsregels. 2.8.4 Stap 3 van het stappenplan In stap 3 van het stappenplan wordt vastgesteld welke hulp er naar aard en omvang nodig is om de wettelijke jeugdhulpdoelen te behalen.
Welke maatwerkvoorziening is nodig Zoals gezegd wordt bij deze stap beoordeeld of er volgens maatwerkvoorziening nodig is waardoor de jeugdige: gezond en veilig op te groeien en groeien naar zelfstandigheid; en voldoende zelfredzaam te zijn en maatschappelijk te participeren,
het
college
een
8
No. 23.0001427 rekening houdend met zijn leeftijd en ontwikkelingsniveau. Ook worden de te bereiken resultaten vastgesteld. Blijkt bij stap 2 van het onderzoek dat er (ook) andere hulp nodig is, dan op grond van de Jeugdwet, dan komt de beoordeling daarvan bij stap 4 van het stappenplan aan de orde. Het gaat bij stap 3 van het stappenplan nog niet om de maatwerkvoorziening die het college daadwerkelijk zal gaan verlenen. Dat gebeurt pas nadat stap 4 van het stappenplan is doorlopen. 2.8.5 Stap 4 van het stappenplan Na het doorlopen van stap 4 van het stappenplan wordt vastgesteld of het college een maatwerkvoorziening zal verlenen. En zo niet, wat de reden daarvan is. En zo ja, welke dat is om de vastgestelde resultaten te bereiken (zie hoofdstuk 4, 5 en 6 van deze beleidsregels). Het college kijkt eerst of er afpelfactoren zijn. Het gaat om: 1. Gebruikmaking van een andere wet. 2. Geen jeugdhulp. 3. Gebruikelijke hulp. 4. Eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen. 5. Vrij toegankelijk aanbod. 6. Geen noodzaak. 1. Gebruikmaking van een andere wet Uit het onderzoek kan al duidelijk zijn dat de jeugdige aanspraak kan maken op een andere wet. Denk aan het Leerlingenvervoer, de Zorgverzekeringswet of de Wet passend onderwijs. Ook kan het college vinden dat, gelet op problematiek, aanspraak bestaat (kan bestaan) op een indicatie op grond van de Wet langdurige zorg (Wlz).
Van ouders wordt in zo’n geval verwacht dat een aanvraag bij het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ) wordt gedaan. Ouders kunnen bij die aanvraagprocedure gebruikmaken van cliëntondersteuning. Jeugdhulp en Wlz kunnen wel samengaan als een behoefte van ouders of jeugdigen niet onder de Wlz valt. Dat is het geval als de jeugdhulp voor de jeugdige noodzakelijk is (RBZWB:2017:4537). Denk bijvoorbeeld aan opvoedondersteuning. 2. Geen jeugdhulp Op basis van het onderzoek kan het college vinden dat er geen sprake is van jeugdhulp. Dat kan te maken hebben met aanspraken die geregeld zijn in een andere wet (zie hiervoor onder 1) maar ook situaties waarin geen sprake kan zijn van jeugdhulp. De volgende voorbeelden worden genoemd: • Hulp met als doel het realiseren van (passend) onderwijs valt niet onder Jeugdwet. Dat geldt ook voor het thuis doorlopen van een onderwijsprogramma (RBDHA:2018:8310, RBROT:2020:5711). • Vervoer naar diverse (hobby)activiteiten is geen jeugdhulp (RBROT:2019:7883). • Tandartsbezoeken waarbij de behandeling onder narcose moet plaatsvinden, begeleiding bij de controle door de kinderarts en het laten innemen van de medicatie (RBOVE:2016:4171). • Begeleiding van en naar de zwemles (RBOVE:2016:5199). • Hulp in de vorm van alleen opvang van de jeugdige. 3. Gebruikelijke hulp Op basis van het onderzoek kan de gemeente vinden dat sprake is van gebruikelijke hulp.
Zie verder hoofdstuk 3 en bijlage 1 bij deze beleidsregels.
9
No. 23.0001427
4. Eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen Op basis van het onderzoek kan de gemeente vinden dat naast gebruikelijke hulp ook nog sprake is van eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen. Zie verder hoofdstuk 3 van deze beleidsregels. 5. Vrij toegankelijk aanbod Op basis van het onderzoek kan het college vinden dat gebruikmaking van het vrijtoegankelijk aanbod een voldoende oplossing biedt. 6. Geen noodzaak Op basis van het onderzoek kan blijken dat er weliswaar sprake is van een behoefte aan jeugdhulp, maar dat college kan vinden dat er geen noodzaak is voor het verlenen van een maatwerkvoorziening. Dat kan bijvoorbeeld te maken hebben met de leeftijd en/of het ontwikkelingsniveau van de jeugdige. In de praktijk zal dit meestal voorkomen bij een verzoek om een specifieke jeugdhulpvoorziening (aard en omvang) van ouders of jeugdigen. 2.8.6 Reikwijdte en integraal werken De gebieden die tijdens het onderzoek na de melding van de hulpvraag worden uitgevraagd vallen niet allemaal (volledig) binnen de reikwijdte van de Jeugdwet. Het breed uitvragen op verschillende gebieden maakt het mogelijk om jeugdigen of ouders op een goede manier door te geleiden naar andere regelingen maar ook om de maatwerkvoorziening af te stemmen op die regelingen, als daar aanleiding voor is (art. 2.9 onderdeel b Jw). Op die manier wordt (betere) integrale dienstverlening bereikt.
Het kan bijvoorbeeld zijn dat de ouder(s) is aangewezen op begeleiding op grond van de Wmo 2015.
Hoofdstuk 3 Eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen Artikel 2.1 en art. 2.3 lid 1 Jw Artikel 3.1 lid 1 onder b Verordening 3.1 Inleiding Het college hoeft geen jeugdhulp te verlenen als de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de jeugdige en/of zijn ouder(s) Hierbij past een actieve rol van de ouders en het kind om in eerste instantie te trachten de op hun weg komende problemen zelf of met behulp van hun eigen netwerk op lossen (TK 2012/13, 33 684, nr. 3, p. 136). Deze uitgangspunten zijn (ook) in art. 2.1 Jw verankerd; de verantwoordelijkheid voor het gezond en veilig opgroeien van jeugdigen ligt allereerst bij de ouders en de jeugdige zelf en er moet worden uitgegaan van de eigen kracht van de jeugdige, zijn ouder(s) en het sociaal netwerk. In dit hoofdstuk wordt voor de leesbaarheid het begrip eigen kracht gebruikt, waarmee de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van jeugdigen en ouders worden bedoeld. 3.2 Redelijke wetsuitleg De wet schrijft niet voor wat nu precies onder eigen kracht kan vallen. De invulling die het college daaraan geeft, moet vallen binnen een redelijke wetsuitleg. Daartoe dienen deze beleidsregels.
Komt het college tot het oordeel dat de eigen kracht van de jeugdige en/of zijn ouder(s) (deels) toereikend zijn, dan kan een aanvraag om jeugdhulp geheel of gedeeltelijk worden afgewezen (CRVB:2019:2362 en vergelijk ook CRVB:2019:2815). Gebruikelijke hulp en eigen kracht hebben in ieder geval betrekking op jeugdhulp in de
10
No. 23.0001427 vorm van: persoonlijke zorg, begeleiding en het vervoer naar en van de locatie waar de jeugdhulp wordt geboden. 3.3 Zorg van ouders voor kinderen Ouders hebben naast het recht ook een plicht om hun minderjarig kind te verzorgen en op te voeden (art. 1:247 Burgerlijk Wetboek). Daaronder wordt mede verstaan de zorg en de verantwoordelijkheid voor het geestelijk en lichamelijk welzijn en de veiligheid van het kind alsmede het bevorderen van de ontwikkeling van zijn persoonlijkheid. De zorgplicht van ouder(s) strekt zich in ieder geval uit over: verzorging, begeleiding en opvoeding die de ouder(s) normaal gesproken geeft aan het kind. Dat betekent ook dat als één van de ouders uitvalt, de andere ouder dat overneemt. Verder behoren ouders hun kinderen een passend leefklimaat te bieden in een beschermende woonomgeving. De zorgplicht van ouders voor kinderen draagt bij aan: het gezond en veilig kunnen opgroeien, het groeien naar zelfstandigheid en het voldoende zelfredzaam zijn (worden) en maatschappelijk kunnen participeren. De zorgplicht van ouders gaat over gebruikelijke hulp maar kan zich ook uitstrekken tot meer: de eigen kracht (zie 3.7 van deze beleidsregels). 3.4 Gebruikelijke hulp Gebruikelijk hulp raakt direct aan de zorgplicht van ouder(s).
Gebruikelijke hulp omvat de verzorging, begeleiding en opvoeding die in het algemeen mag worden verwacht van ouders aan hun kind. Zoals bijvoorbeeld het bieden van een passend leefklimaat in een beschermende woonomgeving, het aanleren van vaardigheden en hulp in de dagstructuur. Het gaat om normale oudertaken voor elk kind ongeacht het hebben van problemen. Dat betekent ook dat als één van de ouder(s) uitvalt, de andere ouder dat overneemt. Gebruikelijke hulp wordt verder uitgelegd in bijlage 1 van deze beleidsregels. 3.4.1 Omvang van de gebruikelijke hulp In Bijlage 1 van deze beleidsregels staat hoe het college de omvang van de gebruikelijke hulp kan vaststellen. Dit op basis van het onderzoek bij stap 2 van het stappenplan. Een door ouders opgesteld zorgmomentenoverzicht kan daar onderdeel van uitmaken. 3.4.2 Toezicht, 24 uurs zorg in de nabijheid algemeen Toezicht dan wel 24 uurs zorg in de nabijheid valt in principe onder de verzorging, begeleiding en opvoeding die ouder(s) geacht worden te bieden aan kinderen. De mate waarin dat nodig is, is in het algemeen afhankelijk van de leeftijd en een normaal ontwikkelingsprofiel. Binnen zo’n ontwikkelingsprofiel is bijvoorbeeld pedagogische correctie, aansturing van gedrag en bieden van stimulans gebruikelijk. Zie Bijlage 1 van deze beleidsregels.
3.4.3 Permanent toezicht Permanent toezicht valt niet onder de normale oudertaak dan wel gebruikelijk hulp van ouder(s). Het gaat bij permanent toezicht om het onafgebroken toezicht en actieve observatie gedurende het gehele etmaal, waardoor tijdig kan worden ingegrepen. Het gaat om toezicht dat geboden moet worden op basis van actieve observatie die als doel heeft dreigende ontsporing in het gedrag of de gezondheidssituatie van de jeugdige vroegtijdig te signaleren, waardoor altijd tijdig ingegrepen kan worden en escalatie van onveilige, gevaarlijke, (levens)bedreigende gezondheids- en/of gedragssituaties voor de jeugdige kan worden voorkomen. Bij permanent toezicht kan elk moment iets (ernstig) misgaan (vergelijk CRVB:2017:3709).
11
No. 23.0001427 3.5 Situatie van ouders In dit onderdeel worden een aantal situaties van ouders besproken die zich voor kunnen doen. De volgende situaties komen aan bod: Ouders gescheiden of niet meer samenwonend. Werkende ouder(s). Capaciteiten van ouders. 3.5.1 Ouders gescheiden of niet meer samenwonend Ook in de situatie dat ouder(s) gescheiden zijn (of niet meer samenwonen), wordt onderzoek gedaan naar de vraag of de ouder (waar de jeugdige niet woonachtig is) de verzorging, begeleiding en opvoeding kan bieden in geval van een omgangsregeling. Is er sprake van co-ouderschap, dan geldt het uitgangspunt dat van hen wordt verwacht dat zij samen de verzorging, begeleiding en opvoeding bieden. Immers, bij co-ouderschap verdelen ouders feitelijk de zorg voor het kind. 3.5.2 Enkel een opvangvraagstuk? Ook werkende ouder(s) zijn verantwoordelijk voor de gebruikelijke hulp voor hun kinderen. In het algemeen geldt dat het bieden van (alleen) kinderopvang niet als jeugdhulp kan worden gekwalificeerd. Ouders die geen gebruik kunnen maken van de reguliere opvang kunnen mogelijk wel in aanmerking komen voor een Sociaal Medische Indicatie. Sociaal Medische Indicatie Naast de wettelijke doelgroep van de Wet kinderopvang (Wko) bestaat er ook een doelgroep, die de kinderopvang nodig heeft vanwege een Sociaal Medische Indicatie (SMI).
Het gaat om situaties waarin de ouder(s) door een sociale of medische situatie niet instaat zijn om voor hun kinderen te zorgen. Dit is geen vorm van jeugdhulp, maar een bijzondere regeling binnen de gemeente. 3.5.3 Capaciteiten van ouders Uit het onderzoek kan naar voren komen dat ouder(s) onvoldoende capaciteiten hebben om de gebruikelijke hulp te bieden aan de jeugdige met een behoefte aan jeugdhulp. Het college beoordeelt of een vrij-toegankelijke voorziening een passende oplossing kan bieden. En zo niet, of een maatwerkvoorziening is aangewezen. Dat is afhankelijk van de aard en de omvang van de problemen die ouder(s) ondervinden. Meestal zal het gaan om opvoedondersteuning, gericht om ouder(s) instrumenten in handen te geven waardoor zij (weer) in staat zijn de dagelijkse (gebruikelijke) hulp te bieden. Zie 2.9.3 van deze beleidsregels over wat onder opvoedingsproblemen wordt verstaan. Het kan bij de capaciteiten van ouders gaan om de gebruikelijke hulp maar ook andere noodzakelijke hulp aan jeugdigen (eigen kracht). Het college kan gebruik maken van bijlage 3 Aandachtspunten ouderschap en bijlage 4 Ouder gerelateerde aandachtspunten bij deze beleidsregels. 3.5.4 Afbakening Wmo en Jeugd Ouders kunnen in aanmerking komen voor jeugdhulp als zij problemen ondervinden bij de opvoeding.
Heeft de jeugdige echter geen problemen in de zin van de wet, dan hoeft het college geen maatwerkvoorziening te verlenen. Het gaat om situaties waarin alleen de ouder(s) een probleem heeft. In zulke gevallen kan bijvoorbeeld tijdelijk kindzorg worden ingezet op grond van de Wmo.
12
No. 23.0001427 3.6 Boven-gebruikelijke hulp In Bijlage 1 van deze beleidsregels staat hoe het college de omvang de gebruikelijke hulp kan vaststellen. Dit op basis van het onderzoek bij stap 2 van het stappenplan en het eventueel door ouders opgestelde zorgmomentenoverzicht. De uitkomst kan zijn dat sprake is van boven-gebruikelijke hulp. In dat geval kijkt het college of de noodzakelijke boven-gebruikelijke hulp binnen de eigen kracht valt, zie 3.9 van deze beleidsregels voor het afwegingskader. 3.7 Eigen kracht De wet schrijft niet voor wat nu precies onder eigen kracht kan vallen en ook in de rechtspraak is het nog niet uitgekristalliseerd. De invulling die het college daaraan geeft, moet vallen binnen een redelijke wetsuitleg. Daartoe dienen deze beleidsregels. Vindt het college dat de eigen kracht van de jeugdige en/of zijn ouder(s) (deels) toereikend zijn, dan kan een aanvraag om jeugdhulp geheel of gedeeltelijk worden afgewezen. De eigen kracht heeft in ieder geval betrekking op: Boven-gebruikelijke hulp. Hulp aan jeugdigen, niet zijnde behandeling, die ouders bieden, eerder geboden hebben of kunnen (blijven) bieden. Hulp van het sociaal netwerk. Hulp van organisaties of instellingen binnen Noordoostpolder. Vervoer naar en van de locatie waar de jeugdhulp wordt geboden. Het beschikken over een aanvullende zorgverzekering.
3.7.1 Persoonsgebonden De eigen kracht is persoonsgebonden; het kan betrekking hebben op de jeugdige of zijn ouder(s), maar ook op beiden. De gemeente zal in de individuele situatie moeten beoordelen of en in hoeverre de eigen kracht toereikend is (RBOVE:2016:1379). Herkennen én erkennen Eigen kracht kan als het vermogen worden aangemerkt om te herkennen én erkennen (begrijpen) dat er problemen bestaan om vervolgens te kunnen komen tot het treffen van maatregelen om deze problemen op te lossen. Vaardigheden Eigen kracht vraagt ook om vaardigheden. Daaronder kunnen ook capaciteiten worden verstaan. Denk bijvoorbeeld aan: het kunnen signaleren en analyseren en oplossingsgericht kunnen denken en handelen. Eigen kracht Het begrip eigen kracht kan ook feitelijk worden uitgelegd. Dat wil zeggen: het in staat zijn tot. Zo kan tijdens het onderzoek blijken dat ouder(s) de benodigde hulp al zelf bieden of geboden hebben en daartoe ook in staat blijken te zijn (bijv. RBROT:2023:4551, RBROT:2023:4549, RBROT:2023:4550). Ook het zelf treffen van maatregelen om de benodigde hulp te kunnen (blijven) bieden aan de jeugdige valt hieronder.
Combinatie met jeugdhulp
13
No. 23.0001427 Het college kan de jeugdhulp combineren met eigen kracht. Dat wil zeggen de jeugdhulp kan ertoe bijdragen dat de eigen kracht toereikend is dan wel blijft. Denk in dat kader aan: opvoedondersteuning, gezinsondersteuning en/of andere jeugdhulp voor de jeugdige. 3.8 Jeugdige vanaf 12 jaar Jeugdigen hebben (in ieder geval) vanaf 12 jaar het recht een mening te vormen en die vrijelijk te uiten (art. 12 van het IVRK). Dat wil zeggen dat de gemeente de mening van jeugdigen in deze leeftijd moet betrekken bij het onderzoek. Het kan voorkomen dat de jeugdige bepaalde hulp of zorg niet (meer) van zijn ouder(s) wil ontvangen terwijl de ouder(s) daartoe wel in staat is. Wanneer de jeugdige van 12 jaar of ouder geen (intieme) persoonlijke verzorging (meer) wil ontvangen van de ouder(s), dan wordt daarin geen hulp door hen verwacht. Dat vloeit mede voort uit de Wet Geneeskundige Behandelovereenkomst (WBGO) op grond waarvan jeugdigen vanaf 12 jaar een eigen beslissingsbevoegdheid hebben wat hun lichamelijke integriteit aangaat. Vanaf 16 jaar kan de jeugdige zelf een hulpvraag melden, tenzij de jeugdige niet handelingsbekwaam is. 3.9 Afwegingskader Stap 4 van het stappenplan Het college baseert zich bij de beoordeling of en in hoeverre sprake is van eigen kracht op de volgende feiten en omstandigheden: 1.
De behoefte aan jeugdhulp zoals vastgesteld bij stap 2 en 3 van het stappenplan. 2. In staat zijn. 3. Geen disbalans. Het college beoordeelt dit zonodig in onderlinge samenhang. 3.9.1 Behoefte aan jeugdhulp Volgens stap 2 en 3 van het stappenplan stelt het college vast: • of sprake is van opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen,
• en zo ja, welke problemen en stoornissen dat qua aard en omvang zijn, en • welke hulp naar aard en omvang nodig is om de wettelijke jeugdhulpdoelen te realiseren. Bij de beoordeling van de eigen kracht neemt het college de gebruikelijke hulp en de leeftijd en de ontwikkelingsfase van de jeugdige in aanmerking. 3.9.2 In staat zijn Het spreekt voor zich dat het college moet vaststellen dat ouders in staat zijn tot het bieden van bepaalde noodzakelijke hulp (eigen kracht). Bijvoorbeeld omdat: op het moment van de hulpvraag zelf al maatregelen zijn getroffen om de noodzakelijke hulp aan de jeugdige te kunnen bieden. Denk bijvoorbeeld door het (deels) opzeggen van een baan of opgenomen zorgverlof; is gebleken dat de noodzakelijke hulp ook daadwerkelijk wordt geboden (ouder beschikt over de capaciteiten), en er geen sprake is van disbalans op grond waarvan het niet mogelijk is om bepaalde noodzakelijke hulp te bieden. 3.9.3 Disbalans aannemelijk maken Een beroep op disbalans moet door de ouder(s) aannemelijk worden gemaakt en desgevraagd nader worden onderbouwd. Dat moet worden gedaan bij het onderzoek. Ouders kunnen daarvoor zelf een overzicht van de dag/week opstellen over wat goed en niet goed gaat, en wat de oorzaken (kunnen) zijn. Is de disbalans aannemelijk gemaakt,
14
No. 23.0001427 dan rust de plicht op het college om daar verder onderzoek naar te doen. Daarvoor kan ook de specifieke situatie van de ouder(s), bijvoorbeeld de fysieke en mentale gezondheidstoestand, worden onderzocht. Is bijvoorbeeld (dreigende) overbelasting vastgesteld én kan van de ouder(s) niet worden verwacht deze op te heffen, dan is de eigen kracht ontoereikend. Samenstelling van het gezin Het behoeft in het algemeen geen toelichting dat een kind met een behoefte aan jeugdhulp een zware wissel kan trekken op het gezin. Denk in dit verband aan gezinnen met minderjarige kinderen die geen behoefte aan jeugdhulp hebben en/of meerderjarige kinderen die onderdeel uitmaken van het gezin. Een gezin kan in disbalans geraken gelet op de verdeling van de beschikbare tijd van ouders. Het is in zo’n geval mogelijk om een maatwerkvoorziening te verlenen om ouders en het gezin te ontlasten. Dat kan met een maatwerkvoorziening in de vorm van het (deels) overnemen van zorg, hulp en/of ondersteuning in natura of kortdurend verblijf (logeren). Er zijn meer voorbeelden denkbaar. Life events Emotionele gebeurtenissen, ook wel aangeduid als life events, kunnen iemands leven behoorlijk beïnvloeden. Denk bijvoorbeeld aan: het verlies van een dierbare, arbeidsongeschikt raken, een baan verliezen, een echtscheiding/uit elkaar gaan, etc.
Ouders kunnen door een life event (tijdelijk) niet over eigen kracht beschikken. Dat wil zeggen: het is (deels) ontoereikend. Jeugdhulp mogelijk Zoals hiervoor al is gezegd kan het college jeugdhulp combineren met eigen kracht bedoeld om de disbalans op te heffen of te verminderen, bijvoorbeeld met: Gezinsondersteuning. Kortdurend verblijf, logeren of een andere vorm van jeugdhulp om ouders (het gezin) te ontlasten. Bijvoorbeeld begeleiding Groep. 3.10 Hulp van het sociaal netwerk Hulp van mensen uit het sociaal netwerk is onderdeel van de eigen kracht. Het college mag van jeugdigen en ouders verwachten dat zij hulp vragen aan hun sociaal netwerk. Dat is onderdeel van het onderzoek. 3.11 Hulp van organisaties of instellingen Ook hulp die organisaties of instellingen binnen Noordoostpolder kunnen bieden is onderdeel van eigen kracht. Het college mag ouders verwijzen naar passende oplossingen. Denk aan hulp van: het kerkgenootschap, een sportvereniging, buurtsportcoaches of de scouting Emmeloord. Er zijn meer voorbeelden denkbaar. 3.12 Vervoer locatie jeugdhulp Het uitgangspunt is dat de ouder(s) het vervoer en/of de begeleiding bieden aan de jeugdige bij het vervoer (RBOBR:2021:5719). Daarbij is van belang of de locatie bereikt kan worden met het Openbaar Vervoer of met een algemeen gebruikelijk vervoermiddel. Denk aan een fiets of een (eigen) auto.
Wordt een maatwerkvoorziening in de vorm van kortdurend verblijf verstrekt om de ouder(s) en/of personen uit het sociaal netwerk te ontlasten, dan wordt van de ouder(s) in principe verwacht dat zij hun kind naar de ‘logeerlocatie’ brengen.
15
No. 23.0001427 Eigen mogelijkheden jeugdige Ook onderzoekt het college of de jeugdige in staat is om veilig zelfstandig lopend, al dan niet met een algemeen gebruikelijk loophulpmiddel, of zelfstandig met een algemeen gebruikelijk vervoermiddel te reizen naar de locatie waar de jeugdhulp wordt geboden. Personen sociaal netwerk Ook kunnen personen uit het sociaal netwerk (niet zijnde de ouders) de jeugdige begeleiden (brengen) naar en van de locatie waar de jeugdhulp wordt geboden. Deze hulp wordt vrijwillig geboden. Maatwerkvoorziening vervoer De jeugdige kan in aanmerking komen voor vervoer naar en van de locatie waar de maatwerkvoorziening wordt geboden (zie art. 3.4 Verordening). Dit als er volgens het college een medische noodzaak bestaat voor het vervoer en/of de jeugdige gelet op beperkingen in de zelfredzaamheid is aangewezen op het vervoer en het niet mogelijk is voor de ouder(s) om zelf voor het vervoer te zorgen. 3.12 Aanvullende zorgververzekering Hebben ouders een aanvullende zorgverzekering? Dan kan vanuit die aanvullende verzekering soms de nodige hulp worden geboden (bekostigd). Het college kan niet verwachten dat ouder(s) zo’n verzekering afsluiten.
3.13 Persoonsgebonden budget (dreigende) overbelasting Als de ouder(s) en/of de jeugdige een pgb wensen en er wordt voldaan aan de voorwaarden, dan is het niet toegestaan om dat pgb te besteden aan de (dreigende) overbelaste ouder of persoon uit het sociaal netwerk (zie art. 5.2 lid 1 aanhef en onder b Verordening). Daarnaast kan bij (dreigende) overbelasting ook niet meer worden gesproken van de mogelijkheid om het door het college vastgestelde resultaat te bereiken of aantoonbaar betere en effectievere ondersteuning dan jeugdhulp in natura (art. 5.1 lid 3 en 4 Verordening).
Hoofdstuk 4 Begeleiding individueel Artikel 1.2 Verordening 4.1 Inleiding De wettelijke begripsbepaling van jeugdhulp is erg breed en kan bestaan uit verschillende vormen van ondersteuning, hulp of zorg die gericht is op: • het verminderen, stabiliseren, behandelen en opheffen van of omgaan met de gevolgen van specifieke problematiek (jeugdigen en ouders), • het bevorderen van de deelname aan het maatschappelijk verkeer en van het zelfstandig functioneren van jeugdigen, • het bevorderen, behouden of compenseren van de zelfredzaamheid en/of participatie, • het ondersteunen bij of het overnemen van activiteiten op het gebied van de persoonlijke verzorging gericht op het opheffen van een tekort aan zelfredzaamheid bij jeugdigen. Dit hoofdstuk heeft betrekking op begeleiding individueel basis en begeleiding individueel specialistisch. 4.2 Algemene uitgangspunten Begeleiding individueel is gericht op:
16
No. 23.0001427 • Het vergroten van de zelfredzaamheid van de jeugdige en/of ouder(s); • Het versterken van de opvoedsituatie, de ontwikkeling en de veiligheid van de jeugdige; • Het aanleren, verbeteren, oefenen en structureren van dagelijkse (opvoed)vaardigheden en handelingen waardoor de ouders(s) psychosociale, psychische of gedragsmatige problemen in het gezin en/of op school het hoofd kunnen bieden; • Het mogelijk maken dat de jeugdige langer in het eigen (pleeg)gezin kan wonen, in plaats van een instelling; • Het (tijdelijk) overnemen van zorgtaken en toezicht bij tekortschietende vaardigheden en/of ontbrekende dagstructuur en/of als de eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen van ouder(s) ontoereikend zijn; • Het leren toepassen van aangeleerde (gedrags)vaardigheden in verschillende situaties; • Integratie in de samenleving en sociale participatie. 4.2.1 Begeleiding individueel basis Begeleiding individueel basis wordt ingezet wanneer er sprake is van enkelvoudige opgroeien opvoedproblemen en/of een verstandelijke beperking. Begeleiding individueel basis biedt ondersteuning vanuit een systeemgericht ondersteuningsplan waarmee invulling wordt gegeven aan de door het college vastgestelde te bereiken resultaten. Richt zich op Begeleiding individueel basis richt zich op het oefenen en structureren van dagelijkse vaardigheden.
De begeleiding is gericht op het versterken van de opgroei- en opvoedsituatie om deze beter aan te laten sluiten op de ontwikkelingsbehoefte van de jeugdige. Daarnaast kan dit ook gericht zijn op het tijdelijk overnemen van zorgtaken mede gericht op het versterken van de eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen van ouder(s) en jeugdigen. De begeleiding is gericht op stabilisatie, het toepassen en inslijpen van (nieuwe) vaardigheden en ter voorkoming van terugval. Waar De begeleiding kan geboden worden in de thuissituatie van de jeugdige en/of ouder(s) en/of locatie van de jeugdhulpaanbieder.
Resultaten die centraal staan Bij begeleiding individueel basis staan de volgende resultaten centraal: • Het aanleren, verbeteren, oefenen en structureren van dagelijkse (opvoed)vaardigheden en handelingen waardoor de eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen van ouder(s) en jeugdigen worden vergroot om de psychosociale, psychische of gedragsmatige problemen in de thuissituatie/op school zelfstandig te kunnen hanteren; • Het vergroten van de zelfredzaamheid en versterken van de jeugdige en de ouders(s) in de opvoedsituatie, waardoor de ontwikkeling en de veiligheid van de jeugdige gewaarborgd zijn; • Het leren toepassen van aangeleerde (gedrags)vaardigheden in verschillende situaties; • Integratie in de samenleving en sociale participatie (denk aan algemene voorzieningen, sociaal netwerk, school, vrije tijd en arbeid). Bijzonderheden • Begeleiding individueel basis is kortdurend van aard en wordt daarom voor maximaal een jaar geïndiceerd.
17
No. 23.0001427 • De begeleiding wordt ingezet om de jeugdige en/of ouder(s) te ondersteunen en daarnaast te kijken welke duurzame vorm van jeugdhulp mogelijk nodig is om stabiliteit in de thuissituatie te behouden. Er is hierbij speciaal aandacht voor het eigen netwerk en algemene voorzieningen. 4.2.2 Persoonlijke zorg Hierbij gaat het om het ondersteunen bij of het overnemen van activiteiten bij de algemene dagelijkse levensverrichtingen (ADL) op het gebied van de persoonlijke verzorging. Dit in verband met een verstandelijke, lichamelijke of zintuiglijke beperking of een somatische of psychiatrische aandoening of beperking, gericht op het opheffen van een tekort aan zelfredzaamheid. Onder ADL valt in ieder geval hulp bij: wassen/douchen, aan- en uitkleden, eten en drinken, toedienen van medicatie, toiletbezoek, reguliere huidverzorging, mond- en gebitsverzorging, scheren, hand- en voetverzorging. 4.2.3 Begeleiding individueel specialistisch Begeleiding individueel specialistisch wordt ingezet wanneer er sprake is van meervoudige opgroei- en opvoedproblemen. Deze problematiek wordt veroorzaakt door psychosociale problemen en/of verslavingsproblemen en/of (een ernstig vermoeden van) een psychische stoornis en/of verstandelijke beperking. Begeleiding individueel specialistisch kent een behandelcomponent.
Dat wil zeggen dat er betrokkenheid is van een psychiater, orthopedagoog-generalist of gz-psycholoog. Begeleiding individueel specialistisch werkt altijd vanuit een systeembenadering. Richt zich op Begeleiding individueel specialistisch is voor zowel de jeugdige als de ouder(s) gericht op het oplossen, verminderen of voorkomen van verergering, dan wel het leren omgaan met de gevolgen van de problematiek. De problemen zijn dusdanig verweven tussen de jeugdige en de ouder(s), waardoor begeleiding specialistisch altijd systeemgericht is. Er is sprake van een ondersteuningsplan en er zijn concrete en haalbare behandeldoelen waarmee invulling wordt gegeven aan de door het college vastgestelde te bereiken resultaten. De uitvoering van het ondersteuningsplan valt onder verantwoordelijkheid van een psychiater, orthopedagoog-generalist of gz-psycholoog. Stabilisatie De begeleiding is gericht op het aanleren en verbeteren van (nieuwe) vaardigheden en gedrag om verergering van de problemen te voorkomen. Door deze nieuw aangeleerde vaardigheden en gedrag, vindt stabilisatie plaats bij de jeugdige en ouder(s) in zowel de thuissituatie, op school als ook in de vrije tijd. Ouder(s) zijn weer in staat om de opvoeding en ontwikkeling van het kind te waarborgen. De begeleiding van kind en ouder(s) lopen parallel en hebben als doel de verbetering van de uitvoering van de opvoedingstaken.
Ouders kunnen op een positieve manier de ouderrol op zich nemen, waarmee een ontwikkelingsbedreiging van de jeugdige op de lange termijn wordt afgewend. Het kan dan ook zo zijn dat het bereiken van het vastgestelde resultaat leidt tot (deels) toereikende eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen van ouder(s) en jeugdigen.
18
No. 23.0001427 Waar De begeleiding kan geboden worden in de thuissituatie van de jeugdige en ouder(s) en/of op de locatie van de jeugdhulpaanbieder. Resultaten die centraal staan Bij begeleiding individueel specialistisch staan de volgende resultaten centraal: • Het verhelderen van de ernst van de problematiek/beperking en de samenhang tussen eventuele psychosociale problemen en/of psychische stoornis en/of verslavingsproblemen en het formuleren van een systeemgericht ondersteuningsplan; • Het toepassen van aangeleerde (gedrags)vaardigheden en nieuw gedrag in verschillende leefsituaties, gericht op het herstellen van veiligheid; • Het vergroten van de zelfredzaamheid en versterken van de jeugdige en de ouders(s) in de opvoedsituatie. De ontwikkeling en de veiligheid van de jeugdige thuis en/of op school/dagbesteding en/of in de vrije tijd zijn hierdoor gewaarborgd; • Integratie in de samenleving en sociale participatie (denk aan, algemene voorzieningen, sociaal netwerk, school, vrije tijd en arbeid).
Bijzonderheden • Begeleiding individueel specialistisch is kortdurend van aard. Het uitgangspunt is om deze begeleiding voor maximaal zes maanden te indiceren. • Bij deze vorm van begeleiding is een multidisciplinair team betrokken en te allen tijde direct inzetbaar. 4.3 Bereiken van een resultaat Tijdens het onderzoek wordt bekeken of de jeugdige is aangewezen op een maatwerkvoorziening in de vorm van begeleiding en zo ja, welke. Zo’n indicatie is natuurlijk ook afhankelijk van de aard en de omvang van de problematiek. Het gaat bij begeleiding om een te bereiken resultaat waarbij de nadruk ligt op jeugdhulp gericht op het vergroten en versterken van zelfredzaamheid, participatie en een veilige en gezonde ontwikkeling bij de jeugdige. 4.3.1 Aandachtspunten De jeugdige of zijn ouder(s) kan problemen ondervinden op verschillende resultaatgebieden (zie verder hierna). Het college maakt bij het onderzoek ook gebruik van Bijlage 2 Aandachtspunten resultaatgebieden (kind gerelateerd) bij deze beleidsregels. De aandachtspunten kunnen natuurlijk ook betrekking hebben op de ouder(s), zie daarvoor Bijlage 3 Aandachtspunten ouderschap, Bijlage 4 Ouder gerelateerde aandachtspunten en Bijlage 5 Richtlijn ouderschap bij deze beleidsregels. Aandachtpunten die tijdens het onderzoek naar voren komen kunnen van belang zijn om het te bereiken resultaat van de begeleiding vast te stellen.
4.3.2 Resultaat Het college stelt tijdens het onderzoek vast welk resultaat of welke resultaten bereikt moeten worden en welke aandachtspunten er eventueel van belang zijn. Daaruit volgt de begeleiding waarop de jeugdige is aangewezen qua aard en omvang. Begeleiding kan worden geïndiceerd in vier intensiteiten: licht, middel, zwaar of intensief. Het college maakt bij het onderzoek ook gebruik van Bijlage 5 Richtlijn ouderschap
19
No. 23.0001427
D
LICHT
RZORGING
enu
MATIG
ZWAAR
Het lukt de ouder niet altijd om het kind te stimuleren en/of toezicht te houden op het gebied van de lichamelijke verzorging op de genoemde gebieden
De ouder is niet goed in staat om het kind te stimuleren en/of toezicht te houden op het gebied van de lichamelijke verzorging op de genoemde gebieden
De ouder is beperkt of niet in st stimuleren en/of toezicht te ho van de lichamelijke verzorging o gebieden
Stelt niet altijd leeftijds-adequate grenzen. Heeft moeite om een emotionele, veilige relatie aan te gaan met het kind. Het lukt de ouder niet altijd om het kind te stimuleren en te ondersteunen bij het aanleren van vaardigheden.
De ouder stelt onvoldoende grenzen of stelt grenzen niet leeftijdsadequaat. Is beperkt in staat om een emotioneel veilige relatie aan te gaan met het kind. Toont beperkt interesse in de belevingswereld van het kind. Stuurt onvoldoende op wenselijk gedrag.
De ouder is niet in staat om te v emotionele behoeften van het k nemen. Ouder stelt geen grenze interesse in de belevingswereld onvoldoende op gedrag en geef voorbeeld.
Leerplichtige kinderen zijn zelden (max. 1 keer per maand) zonder geldige reden afwezig in de les. Er zijn met enige regelmaat problemen om huiswerk te maken. Ouders zijn beperkt betrokken bij school
Leerplichtige kinderen zijn regelmatig (2-5 keer per maand) zonder geldige reden afwezig. Hebben beperkte mogelijkheden om huiswerk te maken. Ouders zijn beperkt betrokken bij school.
Leerplichtige kinderen zijn frequ per maand) zonder geldige rede geen mogelijk-heden om huisw zijn minimaal betrokken bij scho
Opvang is soms noodzakelijk en niet altijd voldoende en betrouwbaar beschikbaar. Opvang voorziet in alle aspecten van lichamelijk basiszorg én toereikende uitvoering opvoedtaken
Noodzakelijke opvang voorziet in alle aspecten van basiszorg maar is onbetrouwbaar beschikbaar. Lichamelijke basiszorg is op orde maar één of meerdere opvoedtaken worden door opvang niet uitgevoerd.
Noodzakelijke opvang van één o amper beschikbaar of er is een belangrijk probleem gebieden van lichamelijke basis opvoedtaken worden door opva
beweging medische afspraken
ONELE ONDERSTEUNING
aarheid
eid men heid
eid aarheid
Bijlage 6 Onderscheid licht, matig, zwaar bij deze beleidsregels. Voor begeleiding basis en begeleiding specialistisch hanteert het college de volgende intensiteiten: Intensiteit Begeleiding basis licht Begeleiding basis middel Begeleiding basis zwaar Begeleiding basis intensief
Ondergrens uren per maand meer dan 4 uur meer dan 9 uur meer dan 18 uur meer dan 26 uur
Bovengrens uren per maand tot en met 9 uur tot en met 18 uur tot en met 26 uur -
Intensiteit Begeleiding licht Begeleiding middel Begeleiding zwaar Begeleiding intensief
specialistisch
Ondergrens uren per maand meer dan 1 uur
Bovengrens uren per maand tot en met 7 uur
specialistisch
meer dan 7 uur
tot en met 13 uur
specialistisch
meer dan 13 uur
tot en met 22 uur
specialistisch
meer dan 22 uur
-
Geen optelsom Het kan zijn dat op meerdere gebieden te behalen resultaten te formuleren zijn. Voor wat betreft de omvang van de indicatie voor begeleiding is het niet zo dat de ureninschatting per gebied bij elkaar worden opgeteld. Hat gaat om maatwerk: het bereiken van het resultaat is leidend. Zo kan bijvoorbeeld in een bepaalde volgtijdelijkheid worden gewerkt
20
No. 23.0001427 aan de te bereiken resultaten. Zo kan het te bereiken resultaat ertoe leiden dat binnen de duur van de indicatie of na een verzoek om verlening van de jeugdhulp wordt afgeschaald naar een lagere intensiteit.
Hoofdstuk 5 Begeleiding groep en kortdurend verblijf Artikel 1.2 Verordening 5.1 Inleiding De wettelijke begripsbepaling van jeugdhulp is erg breed en kan bestaan uit verschillende vormen van ondersteuning, hulp of zorg die gericht is op: • het verminderen, stabiliseren, behandelen en opheffen van of omgaan met de gevolgen van specifieke problematiek (jeugdigen en ouders), • het bevorderen van de deelname aan het maatschappelijk verkeer en van het zelfstandig functioneren van jeugdigen, • het bevorderen, behouden of compenseren van de zelfredzaamheid en/of participatie, • het ondersteunen bij of het overnemen van activiteiten op het gebied van de persoonlijke verzorging gericht op het opheffen van een tekort aan zelfredzaamheid bij jeugdigen. Dit hoofdstuk heeft betrekking op begeleiding groep en kortdurend verblijf. 5.2 Doelgroep en beoordelen problematiek Het college stelt de aard en omvang van de jeugdhulp vast. Daarna volgt een beoordeling van de voorliggende oplossingen. Denk bijvoorbeeld aan de eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen van ouders en jeugdigen of gebruik kunnen maken van algemene voorzieningen.
Is de jeugdige aangewezen op een maatwerkvoorziening begeleiding groep dan wordt aan de hand van de te behalen resultaten en aandachtspunten van de jeugdhulp vastgesteld welke vorm van begeleiding in groepsverband als passende jeugdhulp kan worden aangemerkt. Hiervoor maakt het college gebruik van de uitvraag zoals beschreven in 4.3 Bereiken van een resultaat van deze beleidsregels. 5.2.1 Begeleiding groep basis Begeleiding groep basis wordt ingezet wanneer er sprake is van een enkelvoudig problematiek. Begeleiding groep basis biedt activiteiten gericht op het oefenen, structureren en bestendigen van dagelijkse vaardigheden of handelingen en/of het oefenen met het aanbrengen van (dag)structuur. Begeleiding groep basis biedt jeugdhulp vanuit een ondersteuningsplan waarmee invulling wordt gegeven aan de door het college vastgestelde te bereiken resultaten. Richt zich op Begeleiding groep basis is gericht op het toepassen en inslijpen van aangeleerde vaardigheden en gedrag in het dagelijks leven. Hierbij is aandacht voor het functioneren en kunnen deelnemen aan activiteiten vanuit een groepsverband. Middels herhaling en methodische interventie binnen groepsverband wordt inzet van zwaardere jeugdhulp voorkomen. Ook richt de begeleiding zich op het versterken van de opgroei- en opvoedsituatie om deze beter aan te laten sluiten op de ontwikkelbehoefte van de jeugdige.