CConstaterende datNoordoostpolder
Koppel je AI →
Document · PDF

D06 02 Regionaal Programma Flevoland 2026 - 2029.pdf

Gemeenteraad 16 februari 2026, gemeente NoordoostpolderBij agendapunt: 4: Lijst ingekomen stukken22.234 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

•

Een nulmeting van de beginsituatie, zowel kwantitatief als kwalitatief;

•

Concrete projectdoelen, passend bij de aard en opzet van het traject;

•

d. Voor een maatregel die wordt uitgevoerd op een onderwijsinstelling:

Documentatie die transparante monitoring van voortgang en resultaten mogelijk maakt. In aanvulling op de kwantitatieve monitoring wordt ook kwalitatieve informatie verzameld via focusgroepen met begeleiders en ketenpartners. Deze sessies richten zich op procesmatige aspecten zoals samenwerking, succesfactoren, knelpunten en de doorwerking van de maatregel in de praktijk. Uitvoerders van de maatregel De maatregel wordt uitgevoerd door alle vo-, vso-, VAVO, ISK- en mboinstellingen binnen de regio Flevoland, in nauwe samenwerking met leerplicht, het doorstroompunt en relevante ketenpartners zoals jeugdhulp en maatschappelijke organisaties. 23

Wordt er geen onderscheid gemaakt op basis van de woonplaats van de jongere? Voor overige maatregelen: Wordt er geen onderscheid gemaakt op basis van de gemeente binnen de Doorstroompuntregio waar een jongere woont? Indien dit wel gebeurt, waarom is een dergelijk onderscheid noodzakelijk? e. Waarom is de maatregel aanvullend op de wettelijke taken van onderwijsinstellingen en gemeenten?

De gezamenlijke uitvoering zorgt voor een integrale aanpak, waarin onderwijs, begeleiding en zorg op elkaar zijn afgestemd. De maatregel is beschikbaar voor alle jongeren die in de regio Flevoland wonen en/of in Flevoland naar school gaan. Er wordt binnen deze maatregel geen onderscheid gemaakt op basis van de woonplaats of ingeschreven onderwijsinstelling van de jongere.

Waarom is de maatregel aanvullend op de wettelijke taken van onderwijsinstellingen en gemeenten? Onderwijsinstellingen hebben op grond van artikel 9.2.12 en 9.2.13 van de WEB, artikel 44 en 44a van de WEC en artikel 2.31a en 2.31b van de WVO 2020 een zorgplicht voor leerlingen binnen hun onderwijsstructuur. Deze zorgplicht richt zich op begeleiding en ondersteuning binnen de eigen instelling. Deze ondersteuning is echter onvoldoende toereikend voor jongeren met complexe ondersteuningsbehoeften, zoals mogelijk geldt voor leerlingen uit het vso, pro, ISK, VAVO en ongediplomeerde instromers in het mbo. Tijdens overgangsmomenten tussen onderwijsniveaus is vaak intensievere, persoonsgerichte begeleiding vereist dan binnen de reguliere zorgplicht kan worden geboden. In deze maatregel kan de beleidsregel oriëntatieprogramma's in het mbo, die op 1 augustus 2024 in werking is getreden, aanvullend worden ingezet. Deze regeling biedt mbo-instellingen de ruimte om studenten gedurende maximaal één studiejaar te begeleiden bij het maken van een passende en duurzame studiekeuze, onder meer via loopbaanoriëntatie, persoonlijke begeleiding en inschrijving op een opleidingsdomein in plaats van een specifieke opleiding. De maatregel beoogt uitval en onnodige studiewissels te voorkomen en geldt als landelijke pilot tot en met 31 juli 2028.

Maatregel 3 Beschrijving maatregel

Signaleer risico’s vroegtijdig en verwijs door Inhoud van de maatregel Deze maatregel richt zich op het vroegtijdig signaleren van risico’s die kunnen leiden tot vsv. Het doel is om jongeren tijdig passende ondersteuning te bieden, waardoor het risico op uitval wordt verkleind en het aantal vsv’ers vermindert. De focus ligt op het systematisch monitoren van schoolaanwezigheid en het vroeg herkennen van verzuimpatronen, zowel geoorloofd als ongeoorloofd. Ook frequent geoorloofd verzuim, bijvoorbeeld als gevolg van medische, sociale of persoonlijke omstandigheden, kan duiden op onderliggende problematiek en daarmee op een verhoogd risico op schooluitval. Er wordt ingezet op een datagedreven werkwijze, waarbij gebruik wordt gemaakt van bestaande onderwijsdata zoals aanwezigheidsregistraties, voortgangsresultaten en leerling- of studentkenmerken. Deze aanpak sluit aan bij landelijke adviezen rond vroegsignalering en preventie, en maakt het mogelijk om interventies tijdig, gericht en onderbouwd in te zetten. Door verzuim vroegtijdig te signaleren en jongeren snel te koppelen aan passende ondersteuning, wordt de kans op voortijdig schoolverlaten aanzienlijk verkleind. 24

De maatregel stimuleert onderwijsinstellingen, gemeenten en ketenpartners om gezamenlijk te werken aan een signaleringsaanpak, waarin informatie over aanwezigheid en welzijn zorgvuldig en in onderling vertrouwen wordt gedeeld.

a. De maatregel is gericht op jongeren die: 1. geen onderwijs volgen; 2. geen werk hebben; of 3. een groot risico hebben op het niet volgen van onderwijs of het niet hebben van werk

b. Er is een duidelijke relatie tussen de regionale analyse en de maatregel

Het ontwikkelen van een regionale werkwijze wordt gezien als een noodzakelijke tussenstap om samenwerking en afstemming tussen partners te versterken. Gedurende de looptijd van de programmaperiode is het van belang dat deze werkwijze wordt verankerd in de reguliere processen van onderwijsinstellingen en samenwerkingspartners. Op die manier blijft de aanpak ook na afloop van het programma effectief en levert zij ook na de huidige programmaperiode een bijdrage aan het terugdringen van voortijdig schoolverlaten. Doelgroep van de maatregel De maatregel richt zich primair op leerlingen en studenten in het vo en mbo die een verhoogd risico lopen op schooluitval. Dit risico uit zich met name in de vorm van frequent of langdurig verzuim, zowel geoorloofd als ongeoorloofd. Hoewel de nadruk ligt op deze risicogroep, heeft de maatregel een breed preventief karakter. In de praktijk profiteren daardoor alle ingeschreven jongeren binnen het vo en mbo van de aanpak, ook wanneer zij op het moment van inzet nog niet tot de directe risicogroep behoren. Relatie tussen de regionale analyse en de maatregel Uit de Regionale Analyse Flevoland (2025) blijkt dat het percentage vsv in de regio Flevoland significant hoger ligt dan in vergelijkbare regio’s.

De uitval concentreert zich met name in het mbo op niveau 3 en 4, maar ook binnen de bovenbouw van het vmbo, havo en vwo ligt het uitvalpercentage ruim boven het landelijk gemiddelde. Daarnaast signaleert de analyse knelpunten in het verzuimbeleid en de verzuimregistratie binnen onderwijsinstellingen. Het ontbreken van een eenduidige en proactieve aanpak belemmert een tijdige en effectieve interventie. Hierdoor nemen de risico’s op uitval, herhaalde uitval en het missen van vroege signalen aanzienlijk toe. Tegen deze achtergrond is een versterkte regionale aanpak noodzakelijk, gericht op:

• •

Vroegsignalering van risicogedrag en verzuimpatronen; Adequate opvolging binnen onderwijsinstellingen, met inzet van passende ondersteuning;

•

Intensieve samenwerking tussen onderwijs, gemeenten en zorgpartners. De voorgestelde maatregel sluit hier direct op aan. Ze is gericht op het vroegtijdig herkennen van risico’s, het gericht doorverwijzen van jongeren en het versterken van de verbinding tussen onderwijs en zorg. Het uiteindelijke doel is het voorkomen van voortijdig schoolverlaten en het bieden van passende ondersteuning aan jongeren die (dreigen te) uitvallen. Uit de analyse blijkt bovendien dat in schooljaar 2022–2023 circa 0,33% van de vo-leerlingen in Flevoland langdurig relatief verzuimde, tegenover een landelijk gemiddelde van 0,16%. Dit onderstreept de urgentie van gerichte maatregelen. Voor het mbo ontbreken zowel landelijk als regionaal actuele en betrouwbare cijfers over relatief verzuim. Dit komt mede doordat veel mbostudenten niet meer leerplichtig zijn en verzuimregistraties minder specifiek of uniform worden bijgehouden. Hierdoor is de beschikbaarheid en 25

c. Wat is het beoogde maatschappelijk effect van de maatregel? Waaruit blijkt dat de maatregel effectief is, of hoe wordt dit tijdens de looptijd van het programma geëvalueerd?

betrouwbaarheid van verzuimdata binnen het mbo beperkt, wat de noodzaak vergroot voor betere monitoring en afstemming in deze onderwijssector. Beoogd maatschappelijk effect Deze maatregel is gericht op het voorkomen van vsv door het versterken van de aanpak rond schoolaanwezigheid en verzuim in het vo en mbo. De effectiviteit wordt gemeten aan de hand van indicatoren. 1. Aanwezigheid van jongeren op school (vo en mbo) 2. Verzuim van jongeren op school (vo) 3. Aandeel bereikte jongeren waarin uitval is voorkomen 4. Ervaringen van jongeren en professionals 5. Verantwoording en monitoring door projectaanvragers 1. Aanwezigheid van jongeren op school (vo en mbo) Uit onderzoek van het Trimbos-instituut (2023) blijkt dat een aanwezigheidspercentage van minimaal 95% als gezond uitgangspunt geldt in het vo. Voor het mbo ligt het acceptabele percentage iets lager, vanwege de reisafstand en specifieke kenmerken van deze doelgroep. Daarom streven we voor leerlingen in het vo naar een aanwezigheid van ≥ 95% en voor studenten in het mbo naar een aanwezigheid van ≥ 85%. 2. Verzuim van jongeren op school (vo) We spreken van verzuim wanneer een leerplichtige leerling of een leerling zonder startkwalificatie zonder geldige reden afwezig is van onderwijs. Binnen het verzuim wordt onderscheid gemaakt tussen relatief en absoluut verzuim.

o Relatief verzuim houdt in dat de jongere wel is ingeschreven bij een onderwijsinstelling, maar (deels) ongeoorloofd afwezig is. o Absoluut verzuim betekent dat de jongere helemaal niet staat ingeschreven bij een onderwijsinstelling. Absoluut verzuim valt buiten deze maatregel, aangezien de jongere dan geen actieve onderwijsinschrijving heeft. De registratie van aanwezigheids- en verzuimpatronen wordt uitgevoerd door onderwijsinstellingen via hun reguliere verzuimadministratie. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen: o Relatief verzuim: meer dan 16 uur ongeoorloofd verzuim binnen een periode van 4 weken. o Langdurig relatief verzuim: meer dan 4 onderwijsweken aaneengesloten continu ongeoorloofd verzuim. Landelijk was het relatief verzuim in het vo ongeveer 6,6 procent (Nederlands Jeugdinstituut, 2023). In het vo streven we dan ook naar een relatief verzuim van ≤ 6,6%. Verder pleegde in 2022-2023 landelijk zo’n 0,16 procent van de leerlingen langdurig relatief verzuim. In het vo streven we dan ook naar een langdurig relatief verzuim van ≤ 0,16%. Cijfers van het mbo zijn hierin onbekend. Zowel landelijk als regionaal binnen Flevoland. Dit heeft er mee te maken dat het bij het mbo vaak gaat om studenten die niet meer leerplichtig zijn of dat de registratie minder specifiek is. Daardoor zijn cijfers van het mbo vaak minder betrouwbaar of

26

volledig. Om deze reden worden er geen indicatoren voor het mbo opgesteld. Deze gegevens worden jaarlijks verzameld via de reguliere verzuimregistratiesystemen van onderwijsinstellingen en aangeleverd via het monitoringsformulier van het Regionaal Programma Flevoland. 3. Aandeel bereikte jongeren waarin uitval is voorkomen De maatregel monitort het aantal casussen waarin uitval aantoonbaar is voorkomen, op basis van: o Casusregistratie en trajectverslagen o Monitoring via het dashboard VSV 4. Ervaringen van jongeren en professionals De maatregel wordt jaarlijks geëvalueerd met kwalitatieve én kwantitatieve methoden: o Jongerenperspectief: er wordt naar gestreefd dat minimaal 80% van de jongeren aangeeft tevreden te zijn over de begeleiding. Deze gegevens worden achterhaald via het jongerengesprek. Hierbij staan vragen centraal als; wat merken jongeren van het verzuimbeleid, wat zijn hun ervaringen daarmee. o Ervaringen van onderwijsinstellingen, gemeenten en ketenpartners worden opgehaald via focusgroepen. Indicatoren: a. Professionals ervaren een positieve ontwikkeling in het regionale beleid. b. Professionals ervaren een versterkte samenwerking ten opzichte van de beginsituatie. 5. Verantwoording en monitoring door projectaanvragers Projectaanvragers leveren vóór aanvang van het project:

•

Een nulmeting van de beginsituatie, zowel kwantitatief als kwalitatief;

•

Concrete projectdoelen, passend bij de aard en opzet van het traject;

•

Documentatie die transparante monitoring van voortgang en resultaten mogelijk maakt. In aanvulling op de kwantitatieve monitoring wordt ook kwalitatieve informatie verzameld via focusgroepen met begeleiders en ketenpartners. Deze sessies richten zich op procesmatige aspecten zoals samenwerking, succesfactoren, knelpunten en de doorwerking van de maatregel in de praktijk. d. Voor een maatregel die wordt uitgevoerd op een onderwijsinstelling: Wordt er geen onderscheid gemaakt op basis van de woonplaats van de jongere? Voor overige maatregelen: Wordt er geen onderscheid gemaakt op basis van de gemeente binnen de Doorstroompuntregio waar een jongere woont? Indien dit

Uitvoerders van de maatregel De maatregel wordt uitgevoerd door alle reguliere vo-en mbo-instellingen binnen de regio Flevoland, in nauwe samenwerking met leerplicht, het doorstroompunt en relevante ketenpartners binnen het sociaal domein zoals jeugdhulp, zorgpartners en maatschappelijke organisaties. De maatregel is beschikbaar voor alle jongeren die in de regio Flevoland wonen en/of in Flevoland naar school gaan binnen het reguliere vo of mbo. Er wordt binnen deze maatregel geen onderscheid gemaakt op basis van de woonplaats of ingeschreven onderwijsinstelling van de jongere.

27

wel gebeurt, waarom is een dergelijk onderscheid noodzakelijk? e. Waarom is de maatregel aanvullend op de wettelijke taken van onderwijsinstellingen en gemeenten?

Maatregel 4 Beschrijving maatregel

Waarom is de maatregel aanvullend op de wettelijke taken van onderwijsinstellingen en gemeenten? Het opzetten en uitvoeren van beleid gericht op het bevorderen van schoolaanwezigheid en het tegengaan van verzuim is een wettelijke taak van onderwijsinstellingen en gemeenten. Dit is onder andere vastgelegd in de Leerplichtwet en de onderwijsspecifieke wetgeving (zoals de WVO 2020, WEB en WEC), waarin onder meer wordt bepaald dat instellingen en gemeenten verantwoordelijk zijn voor: • Het waarborgen van leerplicht en kwalificatieplicht; • Het registreren van aan- en afwezigheid; • Het signaleren en opvolgen van verzuim; • Het opstellen van beleid ter voorkoming van schooluitval. In de praktijk is deze wettelijke taak doorgaans ingebed in een reactieve structuur, waarin pas wordt opgetreden nadat verzuim zich heeft voorgedaan. De voorliggende maatregel biedt een aanvullende impuls op deze wettelijke basis door: • De nadruk te leggen op preventieve signalering in plaats van enkel reactieve opvolging; • Regionale samenwerking tussen onderwijs, gemeenten, zorg en het sociaal domein structureel te versterken; • Jongeren vroegtijdig te verbinden aan passende ondersteuning, vóórdat problematiek escaleert. Deze maatregel is bedoeld als tijdelijke versneller om te komen tot een samenhangende regionale aanpak.

In het Regionaal Programma 2026–2029 wordt toegewerkt naar een borging van deze werkwijze, zodat deze aanpak verankerd wordt in het reguliere beleid van onderwijsinstellingen en gemeenten. Bied ondersteuning in basisvaardigheden aan nieuwkomers Inhoud van de maatregel Deze maatregel richt zich op het versterken van basisvaardigheden bij nieuwkomers die extra ondersteuning nodig hebben om volwaardig deel te nemen aan het onderwijs en zich te ontwikkelen richting vervolgonderwijs of de arbeidsmarkt. De focus ligt op het bevorderen van:

• • •

Taalvaardigheid (Nederlands als tweede taal); Studievaardigheden;

Digitale geletterdheid. Door middel van maatwerkondersteuning op deze terreinen worden achterstanden verkleind en wordt de kans op onderwijssucces vergroot. Voor veel nieuwkomers vormen de huidige exameneisen binnen het vo en mbo, in combinatie met taalachterstanden, een extra drempel bij het behalen van een diploma. Via gerichte begeleiding, aanvullende taallessen, maatwerktrajecten en de inzet van gespecialiseerde professionals worden zij beter voorbereid om aan deze eisen te voldoen. Naast het aanleren van inhoudelijke vaardigheden, richt de maatregel zich ook op het versterken van motivatie, zelfvertrouwen en zelfregulatie. Jongeren leren plannen, organiseren en reflecteren op hun eigen leerproces, wat bijdraagt aan een duurzame leerhouding en meer eigenaarschap. Een belangrijk onderdeel van deze maatregel is het ontwikkelen, bundelen en verspreiden van effectieve methodieken voor de leerondersteuning van

28

a. De maatregel is gericht op jongeren die: 1. geen onderwijs volgen; 2. geen werk hebben; of 3. een groot risico hebben op het niet volgen van onderwijs of het niet hebben van werk

nieuwkomers. Door kennisdeling en samenwerking tussen onderwijsinstellingen en maatschappelijke partners wordt de kwaliteit van begeleiding verhoogd en ontstaat er een meer samenhangende aanpak binnen de regio. Doelgroep van de maatregel Deze maatregel is gericht op nieuwkomers voor wie de reguliere ondersteuning binnen het onderwijs niet toereikend is. Het betreft jongeren die, naast hun status als nieuwkomer, kampen met uitdagingen die hun deelname aan het onderwijs belemmeren. De doelgroep bestaat met name uit nieuwkomers:

•

met achterstanden in de Nederlandse taal, die nog volop bezig zijn hun taalvaardigheid te ontwikkelen;

•

die extra ondersteuning nodig hebben bij het opbouwen van onderwijs- en studievaardigheden;

•

met beperkte digitale vaardigheden, waardoor zij moeite ervaren om volwaardig deel te nemen aan het onderwijsproces;

•

die ondersteuning nodig hebben bij plannen, organiseren en reflecteren op het eigen leerproces;

•

b. Er is een duidelijke relatie tussen de regionale analyse en de maatregel

bij wie sprake is van een combinatie van bovenstaande factoren, wat leidt tot een verhoogde ondersteuningsbehoefte. Relatie tussen de regionale analyse en de maatregel Uit de Regionale Analyse Flevoland (2025) blijkt dat het aantal nieuwkomers in de regio de afgelopen jaren aanzienlijk is toegenomen. Veel van deze jongeren volgen een traject in de ISK, maar beheersen na afloop, ook na twee jaar, vaak nog onvoldoende de Nederlandse taal om succesvol door te stromen naar regulier onderwijs of de arbeidsmarkt. De analyse maakt duidelijk dat taalachterstanden niet alleen de instroom belemmeren, maar ook de doorstroom binnen het onderwijs én het behalen van een startkwalificatie in de weg staan. Dit geldt ook voor jongeren met voldoende cognitieve capaciteiten om op een hoger niveau te presteren. Daarnaast worden beperkte digitale vaardigheden en onvoldoende studievaardigheden genoemd als belangrijke risicofactoren voor uitval, vooral op mbo-niveau 3 en 4, waar Flevoland significant lager scoort dan vergelijkbare regio’s. Hoewel er al initiatieven zijn, zoals pre-entree-trajecten bij het ROC van Flevoland, wijst de analyse op een gebrek aan toegankelijke en goed afgestemde ondersteuning. Het huidige aanbod aan aanvullende taal- en leerondersteuning is beperkt, versnipperd en onvoldoende verankerd binnen het reguliere onderwijs en de ondersteuning vanuit het sociaal domein.

Ook landelijke cijfers onderstrepen de urgentie van gerichte ondersteuning voor deze doelgroep:

•

Volgens onderzoek van OCW (2023) valt circa 40% van de oud-ISKleerlingen binnen twee jaar uit of wisselt van opleiding.

•

Jaarlijks volgen ruim 12.000 leerlingen onderwijs in een ISK (bron: DUO / LOWAN). Een aanzienlijk deel van hen ervaart belemmeringen bij de overstap naar regulier onderwijs vanwege taalachterstanden, beperkte studievaardigheden of sociaalemotionele problematiek.

29

•

c. Wat is het beoogde maatschappelijk effect van de maatregel? Waaruit blijkt dat de maatregel effectief is, of hoe wordt dit tijdens de looptijd van het programma geëvalueerd?

De Inspectie van het Onderwijs (2022) constateert dat oud-ISKleerlingen vaker dan gemiddeld Entree-opleidingen of mbo-niveau 1 niet afronden, ondanks hun potentieel om op een hoger niveau te slagen. Hoewel deze cijfers betrekking hebben op landelijke trends, geven ze een duidelijke indicatie van de noodzaak van extra ondersteuning voor deze groep jongeren. Specifieke regionale data voor Flevoland zijn momenteel nog beperkt beschikbaar. Binnen deze maatregel wordt daarom ook ingezet op monitoring en dataverzameling, gericht op het inzichtelijk maken van regionale ontwikkelingen, uitvalrisico’s en succesfactoren voor nieuwkomers. Beoogd maatschappelijk effect De effectiviteit van de maatregel wordt inzichtelijk gemaakt aan de hand van de volgende indicatoren: 1. Het aantal jongeren dat bereikt wordt met deze maatregel 2. Het aandeel jongeren dat in het vo binnen 12 maanden na de overstap uitvalt 3. Het aandeel jongeren dat in het mbo binnen 24 maanden na de overstap uitvalt 4. Tevredenheid van jongeren over de ontvangen begeleiding 5. Verantwoording en monitoring door projectaanvragers 1. Het aantal jongeren dat bereikt wordt met deze maatregel Aangezien deze maatregel nieuw is en geen onderdeel vormt van het huidige programma, is in het Regionaal Programma 2026–2029 nog geen streefwaarde vastgesteld.

Het beoogde aantal te bereiken jongeren wordt opgenomen in de individuele projectaanvragen en fungeert als nulmeting voor monitoring. 2. Het aandeel jongeren dat in het vo binnen 12 maanden na de overstap uitvalt Volgens onderzoek van OCW (2023) heeft circa 40% van de oud-ISKleerlingen twee jaar na uitstroom uit de ISK geen zichtbare onderwijsloopbaan meer. Aangezien leerlingen mogelijk minder dan 24 maanden vervolgonderwijs volgen na uitstroom uit de ISK, is ervoor gekozen deze indicator bij te stellen naar een periode van 12 maanden. Streefdoel: Het aandeel jongeren dat binnen 12 maanden na de overstap uitvalt, ligt onder de landelijke referentiewaarde van 40%. 3. Het aandeel jongeren dat in het mbo binnen 24 maanden na de overstap uitvalt Voor jongeren die na de ISK instromen in het mbo, geldt een uitvalmeting na 24 maanden. Streefdoel: Het aandeel jongeren dat begeleiding ontvangt en binnen 24 maanden uitvalt, ligt onder de landelijke referentiewaarde van 40%. 4. Tevredenheid van jongeren over de ontvangen begeleiding De tevredenheid wordt gemeten via een vragenlijst na afronding van het begeleidingstraject. Hierin wordt jongeren gevraagd naar hun waardering van de geboden ondersteuning en het ervaren nut van de begeleiding. Streefdoel: Minimaal 80% van de jongeren geeft aan (zeer) tevreden te zijn over de begeleiding. 5.

Verantwoording en monitoring door projectaanvragers Projectaanvragers leveren vóór aanvang van het project:

30

•

Een nulmeting van de beginsituatie, zowel kwantitatief als kwalitatief;

•

Concrete projectdoelen, passend bij de aard en opzet van het traject;

•

d. Voor een maatregel die wordt uitgevoerd op een onderwijsinstelling: Wordt er geen onderscheid gemaakt op basis van de woonplaats van de jongere? Voor overige maatregelen: Wordt er geen onderscheid gemaakt op basis van de gemeente binnen de Doorstroompuntregio waar een jongere woont? Indien dit wel gebeurt, waarom is een dergelijk onderscheid noodzakelijk? e. Waarom is de maatregel aanvullend op de wettelijke taken van onderwijsinstellingen en gemeenten?

Documentatie die transparante monitoring van voortgang en resultaten mogelijk maakt. In aanvulling op de kwantitatieve monitoring wordt ook kwalitatieve informatie verzameld via focusgroepen met begeleiders en ketenpartners. Deze sessies richten zich op procesmatige aspecten zoals samenwerking, succesfactoren, knelpunten en de doorwerking van de maatregel in de praktijk. Uitvoerders van de maatregel • Vo-scholen en mbo-instellingen • ISK-instellingen • Externe partners gespecialiseerd in basisvaardigheden en taalontwikkeling (waaronder taalaanbieders, bibliotheken en maatschappelijke organisaties) • Gemeenten (coördinatie en afstemming met taal- en leeraanbod binnen het sociaal domein) De maatregel is beschikbaar voor alle jongeren die in de regio Flevoland wonen en/of in Flevoland naar school gaan. Er wordt binnen deze maatregel geen onderscheid gemaakt op basis van de woonplaats of ingeschreven onderwijsinstelling van de jongere.

Waarom is de maatregel aanvullend op de wettelijke taken van onderwijsinstellingen en gemeenten? Onderwijsinstellingen hebben de wettelijke taak om onderwijs aan te bieden dat leidt tot een diploma, inclusief basisvakken zoals taal, rekenen en burgerschap. Deze taken zijn echter generiek ingericht en gericht op de gemiddelde leerling of jongere. Nieuwkomers wijken in ondersteuningsbehoefte af van deze 'gemiddelde doelgroep'. Zij starten met een taalachterstand, missen vaak studievaardigheden en hebben beperkte digitale zelfredzaamheid. Het reguliere aanbod van het onderwijs sluit hier onvoldoende op aan. Deze maatregel is aanvullend omdat het inzet op:

Maatregel 5 Beschrijving maatregel

•

Extra, op maat gesneden taalonderwijs buiten het reguliere curriculum, toegespitst op praktische taalvaardigheid die nodig is in vervolgonderwijs, op stage of werk.

•

Begeleiding in basisvaardigheden zoals digitale geletterdheid en studievaardigheden, die essentieel zijn voor succes in het onderwijs, maar voor de doelgroep nieuwkomers onvoldoende zijn ingebed in het reguliere aanbod.

Ondersteun mentale gezondheid van jongeren Inhoud van de maatregel Deze maatregel richt zich op het ondersteunen van jongeren met internaliserende problematiek, zoals angstklachten, depressieve symptomen, stress en sociaal terugtrekgedrag. Het gaat met name om jongeren die als gevolg van mentale gezondheidsproblemen (tijdelijk) niet of nauwelijks in staat zijn om deel te nemen aan regulier onderwijs. De maatregel is aanvullend op de bestaande zorgstructuur binnen onderwijsinstellingen en voorziet in extra ondersteuning voor jongeren bij wie psychische klachten het leerproces belemmeren. Het betreft 31

nadrukkelijk geen behandeling, maar passende ondersteuning binnen een onderwijssetting, gericht op behoud van schoolverbinding en het voorkomen van schooluitval of langdurig thuiszitten. De inzet kan bestaan uit één of meerdere van de volgende interventies: • Begeleiding door gespecialiseerde professionals, zoals een schoolpsycholoog, orthopedagoog of welzijnsprofessional, die vanuit de schoolomgeving ondersteuning bieden bij het omgaan met mentale klachten; • Inrichting van kleinschalige leergroepen of klassen speciaal voor jongeren met internaliserende problematiek. In deze veilige, gestructureerde setting werken jongeren aan persoonlijke doelen en bereiden zij zich voor op terugkeer naar regulier onderwijs; • Laagdrempelige ondersteuning met aandacht voor mentale belastbaarheid, sociale interactie en dagstructuur, gericht op het versterken van motivatie, veerkracht en psychisch welzijn; • Overbruggende ondersteuning tijdens wachtlijsten in de (jeugd)ggz. Wanneer jongeren wachten op behandeling, biedt het onderwijs in de tussentijd een begeleidende en stabiliserende rol, zonder de verantwoordelijkheid voor behandeling over te nemen; • Intensieve samenwerking met het sociaal domein, GGD en jeugdhulp, om snelle toeleiding naar passende zorg mogelijk te maken, en om te voorkomen dat jongeren uit beeld raken.

a. De maatregel is gericht op jongeren die: 1. geen onderwijs volgen; 2. geen werk hebben; of 3. een groot risico hebben op het niet volgen van onderwijs of het niet hebben van werk

Deze maatregel speelt in op een groeiende behoefte in het onderwijsveld. Steeds meer jongeren ervaren mentale klachten die hun schoolloopbaan beïnvloeden, terwijl de toegang tot jeugdhulpverlening vaak vertraagd is. In dergelijke situaties hebben jongeren een plek nodig om tot rust te komen, structuur te behouden en verbonden te blijven met school. Onderwijsinstellingen kunnen, mits goed ondersteund, een cruciale rol vervullen als veilige tussenruimte waarin jongeren kunnen herstellen, ontwikkelen en perspectief behouden, ook wanneer formele behandeling nog niet is opgestart. Doelgroep van de maatregel De maatregel is gericht op jongeren tussen de 12 en 27 jaar die zijn ingeschreven bij een onderwijsinstelling (vo, pro, vso of mbo), maar die door internaliserende problematiek onvoldoende in staat zijn om volwaardig deel te nemen aan het onderwijs. Het gaat om jongeren in een kwetsbare positie, waaronder jongeren die: • kampen met stress, prestatiedruk of overbelasting; • te maken hebben met lichte tot matige psychische klachten, zoals angst, somberheid of burn-outverschijnselen; • leven in een onveilige of instabiele thuissituatie, wat hun welzijn en leervermogen negatief beïnvloedt; • traumatische ervaringen hebben opgedaan in het land van herkomst of tijdens migratie, met blijvende impact op hun dagelijks functioneren en leerproces.

De maatregel is breed inzetbaar, met specifieke aandacht voor jongeren die tijdelijk niet, of slechts beperkt, kunnen deelnemen aan het reguliere onderwijs als gevolg van mentale klachten. Het betreft vaak jongeren die: • (nog) geen toegang hebben tot behandeling binnen de (jeugd)ggz, of • op een wachtlijst staan, terwijl hun ondersteuningsbehoefte acuut is. Ook bij jongeren die reeds in behandeling zijn binnen de ggz, kan aanvullende begeleiding vanuit de onderwijsomgeving van grote waarde 32

b. Er is een duidelijke relatie tussen de regionale analyse en de maatregel

zijn. Deze ondersteuning draagt bij aan het herstelproces en voorkomt dat jongeren het contact met onderwijs verliezen of langdurig uitvallen. Relatie tussen de regionale analyse en de maatregel Uit de Regionale Analyse Flevoland (2025) blijkt dat het mentale welzijn van jongeren in de regio onder druk staat. Onderwijsinstellingen signaleren een toenemende mate van stress, prestatiedruk, motivatieverlies en psychische klachten onder leerlingen en studenten. Deze ontwikkeling draagt bij aan de relatief hoge uitvalcijfers in zowel het vo als het mbo. Een groeiende groep jongeren ervaart mentale problematiek van zwaardere aard, waardoor zij (tijdelijk) niet of nauwelijks in staat zijn om regulier onderwijs te volgen. Dit leidt niet alleen tot verzuim en uitval, maar ook tot verlies van structuur, motivatie en toekomstperspectief. In dit kader is de Challenge Klas van Firda een bestaand regionaal voorbeeld van een effectieve voorziening. Deze klas biedt jongeren met mentale klachten een tussenvoorziening waarin zij verbonden blijven met school, hun dagstructuur behouden en kunnen werken aan herstel, ook tijdens wachttijden binnen de ggz. De eerste resultaten zijn veelbelovend: meer dan 80% van de deelnemers stroomt succesvol terug naar regulier onderwijs.

De voorgestelde maatregel bouwt voort op deze aanpak en sluit aan bij de bredere regionale behoefte om onderwijs en zorg beter met elkaar te verbinden. Door vroegtijdige signalering, passende ondersteuning binnen of nabij de onderwijsomgeving en samenwerking met het sociaal domein, wordt schooluitval voorkomen en krijgen jongeren de kans om binnen hun eigen tempo te herstellen en door te leren. De regionale signalen worden bevestigd door landelijke gegevens: • Volgens het Trimbos-instituut (2023) ervaart ruim één op de drie jongeren (12–25 jaar) mentale klachten, zoals angst, somberheid en stress. • De Gezondheidsmonitor Jeugd 2023 (GGD GHOR Nederland) rapporteert dat 22% van de jongeren vaak of altijd stress ervaart door schooldruk, een duidelijke toename ten opzichte van 2019. • In De Staat van het Onderwijs (Inspectie van het Onderwijs, 2024) wordt het psychisch welbevinden expliciet genoemd als risicofactor voor verzuim en schooluitval. • Tegelijkertijd zijn de wachtlijsten binnen jeugdzorg en ggz fors, waardoor jongeren met psychische klachten regelmatig zonder passende ondersteuning blijven. Dit vergroot het risico op uitval en sociaal isolement.

c. Wat is het beoogde maatschappelijk effect van de maatregel? Waaruit blijkt dat de maatregel effectief is, of hoe

Deze maatregel speelt hierop in door te investeren in laagdrempelige, nietmedische ondersteuning binnen of in de directe nabijheid van het onderwijs. Door nauwe samenwerking met het sociaal domein en zorgpartners wordt de kloof tussen signalering en behandeling verkleind en wordt voorkomen dat jongeren langdurig uit beeld raken. Hoewel veel van de beschikbare cijfers een landelijk karakter hebben, geven zij een duidelijke indicatie van de urgentie en het maatschappelijk belang van deze maatregel. Beoogd maatschappelijk effect van de maatregel Het doel van deze maatregel is het bieden van passende, niet-medische ondersteuning aan jongeren met internaliserende problematiek, zodat zij minder vaak uitvallen en beter in staat zijn om verbonden te blijven met het onderwijs. De maatregel draagt bij aan: 33

wordt dit tijdens de looptijd van het programma geëvalueerd?

• • • • •

Het voorkomen van schooluitval bij kwetsbare jongeren met mentale klachten; Het behouden van onderwijsparticipatie voor jongeren die psychisch kwetsbaar zijn; Het vergroten van veerkracht en zelfredzaamheid, zodat jongeren beter leren omgaan met hun klachten; Het verkorten van verzuimperiodes, ook in afwachting van (ggz)behandeling; Het verlagen van de druk op jeugdzorg en onderwijs, door inzet van laagdrempelige, effectieve ondersteuning binnen of nabij school.

De effectiviteit van de maatregel wordt gemeten aan de hand van de volgende indicatoren: 1. Aantal jongeren dat bereikt wordt met de maatregel 2. Ontwikkeling van schoolaanwezigheid bij begeleide jongeren 3. Aandeel jongeren dat binnen 12 maanden na de start van begeleiding uitvalt 4. Tevredenheid van jongeren over de begeleiding 5. Verantwoording en monitoring door projectaanvragers 1. Aantal jongeren dat bereikt wordt met de maatregel Deze maatregel is een relatief nieuw initiatief in de regio Flevoland. Het aantal te bereiken jongeren is daarom op voorhand nog niet vastgesteld. Projectaanvragers geven in hun aanvraag een inschatting van het aantal jongeren dat zij verwachten te bereiken. Dit dient als nulmeting voor monitoring en evaluatie gedurende de looptijd van het traject. 2. Ontwikkeling van schoolaanwezigheid bij begeleide jongeren Bij de start van elk begeleidingstraject wordt het aanwezige verzuim- en aanwezigheidsprofiel van de jongere geregistreerd via de reguliere administratie van de onderwijsinstelling. Gedurende het traject wordt het verzuim actief gemonitord, met als doel verbetering van de aanwezigheid bij alle deelnemende jongeren. Aanvullend wordt binnen het regionaal programma via focusgroepen met projectleiders kwalitatieve informatie verzameld over de ontwikkeling in motivatie, betrokkenheid en aanwezigheid. 3.

Aandeel jongeren dat binnen 12 maanden na de start van begeleiding uitvalt Met behulp van het VSV-dashboard en onderwijsregistraties wordt jaarlijks het aandeel jongeren gevolgd dat uitvalt binnen 12 maanden na de start van het traject. Streefwaarde: minimaal 80% van de jongeren blijft gedurende deze periode aangesloten bij het onderwijs. Deze doelstelling sluit aan bij positieve ervaringen met bijvoorbeeld de Challenge Klas van Firda, waar een vergelijkbaar percentage succesvol terugstroomt naar regulier onderwijs. 4. Tevredenheid van jongeren over de begeleiding Na afronding van elk traject vullen jongeren een vragenlijst in (onderdeel van de monitoring binnen het regionaal programma), waarin zij hun ervaring met de begeleiding evalueren. Streefwaarde: minimaal 80% van de jongeren geeft aan tevreden te zijn over het ontvangen traject en de ondersteuning. 5. Verantwoording en monitoring door projectaanvragers Projectaanvragers leveren vóór aanvang van het project:

34

•

Een nulmeting van de beginsituatie (zowel kwantitatief als kwalitatief); • Concrete en meetbare projectdoelen, passend bij het type begeleiding; • De benodigde documentatie voor transparante monitoring van voortgang en resultaten. Naast kwantitatieve verantwoording worden ook kwalitatieve gegevens verzameld via focusgroepen met begeleiders en ketenpartners. Deze bijeenkomsten richten zich op procesmatige inzichten, zoals de samenwerking met ketenpartners, ervaren knelpunten, en factoren die bijdragen aan succes of belemmering in de uitvoering. Uitvoerders van de maatregel

d. Voor een maatregel die wordt uitgevoerd op een onderwijsinstelling: Wordt er geen onderscheid gemaakt op basis van de woonplaats van de jongere?

Deze maatregel wordt uitgevoerd in samenwerking met de basiszorgstructuur van onderwijsinstellingen, en is aanvullend op de reguliere ondersteuning die scholen wettelijk behoren te bieden.

Voor overige maatregelen: Wordt er geen onderscheid gemaakt op basis van de gemeente binnen de Doorstroompuntregio waar een jongere woont? Indien dit wel gebeurt, waarom is een dergelijk onderscheid noodzakelijk?

e. Waarom is de maatregel aanvullend op de wettelijke taken van • onderwijsinstellingen en gemeenten?

• •

De uitvoering is in handen van een breed netwerk van betrokken professionals en organisaties, die gezamenlijk bijdragen aan signalering, begeleiding en monitoring: o Onderwijsinstellingen: Vervullen een signalerende en faciliterende rol. Zij bieden ruimte voor begeleiding op school, bewaken de onderwijskoppeling en monitoren de ontwikkeling van de jongere gedurende het traject. o Zorg- en welzijnsprofessionals: Denk aan schoolpsychologen, orthopedagogen en andere jeugd- en welzijnsprofessionals. Zij bieden individuele begeleiding of werken met jongeren in kleinschalige leergroepen, afgestemd op hun mentale belastbaarheid en ontwikkelingsbehoeften. o GGD Flevoland: Levert specialistische kennis op het gebied van mentale gezondheid. De GGD kan bijdragen aan signalering, preventie en het bieden van lichte begeleiding in of nabij de schoolcontext. o Gemeenten: Vervullen een coördinerende rol op regionaal niveau. Zij faciliteren de samenwerking tussen onderwijs en het sociaal domein, zorgen voor afstemming met de sociale kaart en ondersteunen de inzet van aanvullende voorzieningen vanuit jeugdbeleid of preventieve jeugdhulp. De maatregel is beschikbaar voor alle jongeren die wonen in de regio Flevoland en/of daar naar school gaan, ongeacht hun exacte woonplaats of de onderwijsinstelling waarbij zij zijn ingeschreven.

Er wordt dus geen onderscheid gemaakt op basis van gemeentegrenzen of onderwijsaanbieder; de ondersteuning is regionaal georganiseerd en afgestemd op de behoefte van de jongere. Waarom is de maatregel aanvullend op de wettelijke taken van onderwijsinstellingen en gemeenten? Deze maatregel biedt curatieve, laagdrempelige ondersteuning voor jongeren met internaliserende problematiek en is daarmee aanvullend op de wettelijke taken van onderwijsinstellingen en gemeenten. De inzet richt zich op jongeren die meer nodig hebben dan de reguliere basisondersteuning kan bieden, maar (nog) geen toegang hebben tot specialistische zorg. Scholen zijn wettelijk verantwoordelijk voor het bieden van een zorgstructuur waarin: • Problemen vroegtijdig worden gesignaleerd door mentoren, zorgcoördinatoren en onderwijspersoneel;

35

•

•

• •

•

• •

•

• •

• •

•

Maatregel 6 Beschrijving maatregel

Zorgbehoeften bespreekbaar worden gemaakt met de jongere en diens ouders; • Waar nodig wordt verwezen naar passende ondersteuning. Binnen deze structuur speelt het schoolmaatschappelijk werk een belangrijke rol. Zij bieden eerstelijnszorg en verwijzen door bij complexere of langdurige problematiek. In de praktijk zijn er echter beperkingen in tijd, middelen en expertise. Voor jongeren met ernstigere psychische klachten is vaak intensievere begeleiding nodig dan de school kan bieden. Gemeenten zijn verantwoordelijk voor: • De organisatie van jeugdhulp en toeleiding naar zorg; • Het onderhouden van de sociale kaart en samenwerking binnen het sociaal domein; • Afstemming met scholen en andere ketenpartners. In de praktijk blijkt dat passende hulp vanuit het sociaal domein niet altijd direct beschikbaar is, mede door capaciteitsproblemen en wachttijden, vooral binnen de GGZ. Dit zorgt ervoor dat jongeren met acute of groeiende problematiek tijdelijk zonder passende ondersteuning blijven. Deze maatregel biedt ondersteuning die buiten de reguliere financiering en wettelijke structuren valt, en vult het gat tussen signalering en specialistische zorg. De maatregel is daarmee aanvullend, niet vervangend: Scholen signaleren, gemeenten coördineren, en deze maatregel maakt extra ondersteuning mogelijk waar bestaande systemen tekortschieten.

Deze maatregel sluit aan bij de ambities uit de Kwaliteitsagenda VSV (OCW), die het belang onderstreept van: • Maatwerk voor kwetsbare jongeren; • Aandacht voor mentale gezondheid als voorwaarde voor onderwijssucces; • Versterkte samenwerking tussen onderwijs, zorg en gemeenten. Ook de Kwaliteitsagenda MBO 2023–2027 benadrukt: • Het belang van welzijn en mentale gezondheid van studenten; • De ontwikkeling van een brede begeleidingsstructuur binnen en rond mbo-instellingen; • De noodzaak van nabije samenwerking met jeugdhulp en gemeenten; • Het voorkomen van uitval bij studenten met persoonlijke of psychosociale belemmeringen. Deze maatregel sluit hier direct op aan door jongeren laagdrempelig te begeleiden binnen of nabij de onderwijsinstelling, en bij te dragen aan het realiseren van een veilige, ondersteunende leeromgeving. Richt erkende praktijkleertrajecten in Inhoud van de maatregel Deze maatregel richt zich op het aanbieden en uitvoeren van erkende praktijkleertrajecten voor jongeren voor wie het behalen van een startkwalificatie (nog) niet haalbaar is. Het doel is om deze jongeren een erkend leertraject te bieden waarmee zij hun positie op de arbeidsmarkt kunnen versterken, hun vaardigheden stap voor stap kunnen ontwikkelen en perspectief op verdere doorstroom of werk kunnen opbouwen. Afhankelijk van het niveau en de leerontwikkeling van de jongere leidt het traject tot:

36

•

Een praktijkverklaring: een bewijs van het beheersen van specifieke werkprocessen in de praktijk; • Of een mbo-certificaat: een officieel erkend certificaat voor een afgerond onderdeel van een mbo-opleiding. Deze praktijkgerichte leerroutes worden vormgegeven in nauwe samenwerking tussen onderwijsinstellingen, gemeenten, S-BB, werkgevers en het toekomstig Regionaal Werkcentrum. Binnen de trajecten wordt individuele begeleiding geboden, zowel op de werkplek als in de leeromgeving, waarbij er oog is voor de ontwikkeling, motivatie en leerbaarheid van de jongere. De maatregel sluit aan bij de: • Landelijke ambitie rondom LLO; • Sectorale ontwikkelpaden, waarin erkende leer-werktrajecten en modulair onderwijs centraal staan (bijvoorbeeld in de sectoren techniek, zorg, logistiek); • Mogelijkheden van de SLIM-regeling van het Ministerie van SZW, waarmee werkgevers financieel ondersteund kunnen worden bij het inrichten van leerplaatsen en praktijkbegeleiding.

a. De maatregel is gericht op jongeren die: 1. geen onderwijs volgen; 2. geen werk hebben; of 3. een groot risico hebben op het niet volgen van onderwijs of het niet hebben van werk

b. Er is een duidelijke relatie tussen de regionale analyse en de maatregel

Deze maatregel draagt bij aan het normaliseren van praktijkleren als volwaardige leerroute, die jongeren op eigen tempo en passend bij hun mogelijkheden de kans biedt om werkervaring op te doen, erkenning te krijgen en door te groeien richting arbeidsmarktdeelname. Doelgroep van de maatregel Deze maatregel ondersteunt jongeren voor wie het reguliere onderwijs onvoldoende aansluit. Het betreft met name: • Jongeren uit het vso en pro met uitstroomperspectief richting arbeid; • Entree-studenten met arbeidsmarktgericht perspectief; • Statushouders en anderstaligen met beperkte onderwijsachtergrond; • Jongeren die (nog) geen startkwalificatie kunnen behalen; • Jongeren met complexe persoonlijke of leerproblemen; • Jongeren die na minimaal een jaar werkervaring werkloos zijn geraakt en geen startkwalificatie hebben. Relatie tussen de regionale analyse en de maatregel Uit de Regionale Analyse Flevoland (2025) blijkt dat een aanzienlijk aantal jongeren in de regio nog niet beschikt over een startkwalificatie. Dit vormt een knelpunt in de aansluiting op de arbeidsmarkt en de doorstroom naar vervolgonderwijs. Sinds schooljaar 2021–2022 zijn binnen het project Praktijkverklaringen (gefinancierd vanuit de Aanpak Jeugdwerkloosheid) belangrijke stappen gezet.

De uitgifte van praktijkverklaringen is in de afgelopen jaren toegenomen: • 2021–2022: 63 verklaringen • 2022–2023: 168 verklaringen • 2023–2024: 175 verklaringen • 2024–2025: 171 verklaringen Deze resultaten tonen de waarde van praktijkleren aan. Tegelijkertijd laat het beperkte groeitempo zien dat er ruimte is voor opschaling. Om dit potentieel te benutten, is een sterkere verankering van praktijkleren binnen onderwijsinstellingen noodzakelijk, evenals een grotere bekendheid onder werkgevers. Daarnaast is het gebruik van mbo-certificaten in Flevoland nog beperkt. Naast de praktijkverklaring kunnen deze erkende deelkwalificaties een belangrijke rol spelen in de doorstroom naar een mbo-diploma of duurzame arbeid voor jongeren met afstand tot onderwijs of werk. 37

c. Wat is het beoogde maatschappelijk effect van de maatregel? Waaruit blijkt dat de maatregel effectief is, of hoe wordt dit tijdens de looptijd van het programma geëvalueerd?

Beoogd maatschappelijk effect van de maatregel Het doel van deze maatregel is om jongeren voor wie het behalen van een startkwalificatie (nog) niet haalbaar is, te ondersteunen bij het versterken van hun positie op de arbeidsmarkt. Tegelijkertijd wordt ingezet op het stimuleren van doorstroom naar een mbo-diploma, zodat deze jongeren op termijn alsnog perspectief krijgen op het behalen van een startkwalificatie. De effectiviteit wordt gemeten aan de hand van de volgende indicatoren: 1. Het aantal jongeren dat bereikt wordt met deze maatregel 2. Het aantal jongeren dat een praktijkverklaring ontvangt 3. Het aantal jongeren dat een mbo-certificaat ontvangt 4. De arbeidsmarktpositie van jongeren die hebben deelgenomen aan een erkend praktijkleertraject 5. De tevredenheid van de jongere 6. Verantwoording en monitoring door projectaanvragers Hieronder wordt per indicator uitgewerkt hoe dit zal worden gemonitord: 1. Het aantal jongeren dat bereikt wordt met deze maatregel. In het schooljaar 2024-2025 zijn 171 praktijkverklaringen uitgegeven. Ervan uitgaande dat 80 procent van de jongeren die bereikt worden een praktijkverklaring ontvangt, zullen minimaal 205 jongeren bereikt moeten worden om dit resultaat te evenaren. Met deze maatregel wordt er een impuls gegeven aan het aantal jongeren dat bereikt wordt met de begeleiding naar een praktijkverklaring of mbo-certificaat.

Met name het aantal jongeren dat begeleid wordt naar een mbo-certificaat blijft achter. Om deze impuls te kunnen bewerkstellingen streeft de regio Flevoland ernaar om jaarlijks minimaal 250 jongeren te bereiken met deze maatregel. 2. Het aantal jongeren dat een praktijkverklaring ontvangt In het schooljaar 2024-2025 zijn 171 praktijkverklaringen uitgegeven. Dit aantal staat al even stil: in het schooljaar 2023-2024 zijn 175 praktijkverklaringen verstrekt en in schooljaar 2022-2023 waren dit er 168. Wel zien we dat de arbeidsmarktregio Flevoland landelijk van de 35 arbeidsmarktregio’s op plek 9 staat in de hoeveelheid praktijkverklaringen die jaarlijks worden verstrekt. Met deze maatregel willen we graag een impuls geven aan het aantal praktijkverklaringen. Binnen de regio Flevoland wordt ernaar gestreefd dat minimaal 80 procent van de jongere die begeleid wordt naar een praktijkverklaring deze ook behaald. De informatie over het aantal afgegeven praktijkverklaringen zal verkregen worden door middel van het dashboard Praktijkloket van de S-BB. 3. Het aantal jongeren dat een mbo-certificaat ontvangt In 2025 zijn er 25 mbo-certificaten afgegeven op de mbo-instellingen in de regio Flevoland aan jongeren tot 27 jaar. Dit is de nulmeting. We streven ernaar dat dit aantal minimaal is verdubbeld in 2027 en dat de groei doorzet in de daaropvolgende jaren binnen het regionaal programma.

De informatie over het aantal afgegeven mbo-certificaten zal jaarlijks opgevraagd worden bij de mbo-instellingen in de regio, waar mogelijk ook bij de S-BB. 4. De arbeidsmarktpositie van jongeren die hebben deelgenomen aan een erkend praktijkleertraject In een focusgroep (onderdeel monitoring regionaal programma) met de gemeente, het Doorstroompunt en partijen als het UWV en sociale ontwikkelbedrijven wordt de arbeidsmarktpositie van jongeren met een

38

mbo-certificaat en/of praktijkverklaring besproken. We streven ernaar dat er positieve merkbare ontwikkelingen zijn in de regio en dat de partijen die deelnemen aan de focusgroep ervaren dat de arbeidsmarktpositie van deze jongeren versterkt wordt. 5.

Tevredenheid van jongere

Via de monitoring van het regionaal programma wordt een jongerenperspectief-vragenlijst afgenomen na afronding van elk traject. Deze vragenlijst gaat onder andere over de tevredenheid van de jongeren met de begeleiding die ze hebben gekregen in het kader van het regionaal programma. Er wordt naar gestreefd dat minimaal 80% van de deelnemende jongeren (zeer) tevreden zijn over de geboden begeleiding. 6. Verantwoording en monitoring door projectaanvragers Projectaanvragers leveren vóór aanvang van het project:

d. Voor een maatregel die wordt uitgevoerd op een onderwijsinstelling: Wordt er geen onderscheid gemaakt op basis van de woonplaats van de jongere? Voor overige maatregelen: Wordt er geen onderscheid gemaakt op basis van de gemeente binnen de Doorstroompuntregio waar een jongere woont? Indien dit wel gebeurt, waarom is een dergelijk onderscheid noodzakelijk? e. Waarom is de maatregel aanvullend op de wettelijke taken van onderwijsinstellingen en gemeenten?

•

Een nulmeting van de beginsituatie, zowel kwantitatief als kwalitatief;

•

Concrete projectdoelen, passend bij de aard en opzet van het traject;

•

Documentatie die transparante monitoring van voortgang en resultaten mogelijk maakt.

In aanvulling op de kwantitatieve monitoring wordt ook kwalitatieve informatie verzameld via focusgroepen met begeleiders en ketenpartners. Deze sessies richten zich op procesmatige aspecten zoals samenwerking, succesfactoren, knelpunten en de doorwerking van de maatregel in de praktijk. Uitvoerders van de maatregel • Mbo-instellingen • Pro- en vso-scholen • S-BB • Gemeenten (afdeling Werk en Inkomen, leerplicht/doorstroompunt) • Werkgevers en werkgeversservicepunten • Regionaal Werkcentrum Flevoland (vanaf 2026) • Sociale ontwikkelbedrijven De maatregel is beschikbaar voor alle jongeren die in de regio Flevoland wonen en/of in de regio Flevoland naar school gaan. Er wordt binnen deze maatregel geen onderscheid gemaakt op basis van de woonplaats of ingeschreven onderwijsinstelling van de jongere.

Waarom is de maatregel aanvullend op de wettelijke taken van onderwijsinstellingen en gemeenten? De uitvoering van praktijkleertrajecten, met praktijkverklaringen en mbocertificaten als gevolg, betreft een doelgroep van onbekostigde en/of nietingeschreven studenten. De intensieve begeleiding die hiervoor nodig is (zoals het vinden van een werkplek, werkplekbezoeken, coaching en afstemming met werkgevers) valt buiten de reguliere taken en bekostiging van onderwijsinstellingen. Het vraagt om samenwerking, maatwerk en regie op regionaal niveau. Om kansengelijkheid voor alle jongeren in Flevoland te bevorderen, is het noodzakelijk om praktijkleren te normaliseren als volwaardige leerroute. Deze maatregel biedt de noodzakelijke impuls om dit te realiseren. Binnen deze maatregel zal daarom ook aansluiting gezocht worden met SLIM-

39

subsidies, zodat de inzet van regionale middelen zo effectief mogelijk benut kan worden. Maatregel 7 Beschrijving maatregel

Ontwikkel en verduurzaam stage- en leerwerkplekken Inhoud van de maatregel Niet iedere jongere komt optimaal tot zijn recht binnen een traditionele, schoolse leeromgeving. Voor een aanzienlijke groep jongeren geldt dat zij beter tot leren komen door praktische ervaring op te doen in een werkomgeving. Deze maatregel is gericht op het versterken, uitbreiden en verbeteren van leerwerkplekken en stages bij erkende leerwerkbedrijven binnen het initiële onderwijs. Binnen deze maatregel: • doen jongeren praktijkervaring op die aansluit bij hun leerstijl en ontwikkelbehoeften; • ontwikkelen zij werknemerscompetenties die essentieel zijn voor participatie op de arbeidsmarkt; • ontvangen zij intensieve begeleiding van praktijkbegeleiders, onderwijsprofessionals en gemeentelijke begeleiders, om de overstap naar werk of vervolgonderwijs te ondersteunen. Binnen elk traject wordt altijd gestreefd naar het behalen van een erkend diploma, zodat jongeren niet alleen praktijkervaring opdoen, maar ook formeel worden erkend voor hun ontwikkeling en inzet. De maatregel beoogt niet alleen het aanbieden van méér leerwerkplekken en stages, maar richt zich ook op het versterken van de kwaliteit en continuïteit van de begeleiding op deze plekken.

Er wordt geïnvesteerd in: • de doorontwikkeling van BBL-structuren; • het professionaliseren van praktijkbegeleiders, zowel binnen bedrijven als in het onderwijs; • het ondersteunen van werkgevers bij het creëren en onderhouden van passende leer(werk)plekken, met oog voor inclusie, begeleiding en ontwikkelperspectief.

a. De maatregel is gericht op jongeren die: 1. geen onderwijs volgen; 2. geen werk hebben; of 3. een groot risico hebben op het niet volgen van onderwijs of het niet hebben van werk

b. Er is een duidelijke relatie tussen de regionale analyse en de maatregel

Aanvragers van deze maatregel dienen in hun aanvraag duidelijk te maken op welke wijze zij aansluiting zoeken en afstemming organiseren met het (op te richten) Regionaal Werkcentrum Flevoland. Doelgroep van de maatregel Deze maatregel is gericht op het ondersteunen van zowel jongeren als werkgevers in het kader van praktijkgericht leren binnen het initiële onderwijs. De doelgroep bestaat uit: • Jongeren die beter tot hun recht komen in een praktijkgerichte leeromgeving dan in een traditionele, schoolse setting; • Jongeren die al een leerwerkplek of stage hebben, maar waarbij sprake is van een aanvullende begeleidingsbehoefte om deze succesvol te kunnen doorlopen; • Statushouders en anderstalige jongeren, voor wie culturele verschillen of taalbarrières het behouden van een leerwerkplek of het afronden van een stage bemoeilijken; • Werkgevers die leerwerkplekken willen aanbieden, maar extra ondersteuning nodig hebben in de begeleiding van jongeren met een complexe ondersteuningsvraag. Relatie tussen de regionale analyse en de maatregel De regionale analyse Flevoland (2025) laat zien dat het aantal jongeren dat kiest voor een BBL-opleiding toeneemt, maar dat het aandeel BBLstudenten bij Flevolandse mbo-instellingen nog steeds lager ligt dan in benchmarkregio’s. Dit wijst op onvoldoende aansluiting tussen opleidingsroutes en de veranderende leerbehoeften van jongeren. 40

Daarnaast blijkt uit regionale gesprekken dat het profiel van BBL-studenten is verschoven: het betreft vaker jongeren zonder werkplek bij aanvang van de opleiding, die meer structuur, begeleiding en persoonlijke ondersteuning nodig hebben dan voorheen. Deze ontwikkeling benadrukt de noodzaak van intensieve begeleiding op de werkvloer waarin maatwerk centraal staat. Omdat de jongeren bij aanvang van de opleiding vaker geen werkplek hebben, is begeleiding richting een werkplek ook gewenst. Er is dus behoefte aan praktijkgerichte routes met adequate begeleiding, zodat jongeren niet uitvallen, maar juist via werkervaring doorgroeien. Twee knelpunten bemoeilijken de groei en kwaliteit van praktijkleren: • Onvoldoende financiering voor intensieve begeleiding. Jongeren met multiproblematiek of een beperkte schoolloopbaan hebben vaak behoefte aan intensieve, individuele begeleiding op de leerwerkplek of stage. Deze vorm van begeleiding valt voor reguliere onderwijsinstellingen buiten de reguliere bekostiging van onderwijsinstellingen en leerbedrijven. • Hoge werkdruk en beperkte begeleidingscapaciteit bij werkgevers. In sectoren met personeelstekorten ontstaat regelmatig druk op jongeren om ook op lesdagen te werken. Dit verstoort hun leertraject, belemmert de balans tussen werk en opleiding, en verhoogt het risico op studie-uitval.

Tegelijkertijd vormt de begeleiding van kwetsbare jongeren voor veel werkgevers een uitdaging. Deze jongeren vragen om extra aandacht, tijd en pedagogisch-didactische ondersteuning, terwijl werkgevers hier vaak onvoldoende tijd of expertise voor hebben. Dit vormt een drempel om deze doelgroep een passende leerwerkplek te bieden. De regio Flevoland kent een hoog uitvalpercentage op mbo-niveau 1, mboniveau 3 en mbo-niveau 4. De laatste cijfers uit de LPBL Tool (juli 2025) laat zien dat de uitval op mbo-niveau 2 ook toeneemt. Bovenstaande cijfers worden door het werkveld verklaard doordat onder andere veel jongeren stoppen met de opleiding door het niet kunnen afronden van een stage of het niet vinden van een passende stageplaats. Dit wordt vaak gekoppeld aan onvoldoende begeleiding naar en op de stageplek, met name voor jongeren die binnen de school juist wel ondersteuning ontvangen. Voor deze jongeren blijkt de overgang van school naar praktijkomgeving een kwetsbaar moment in hun schoolloopbaan. c. Wat is het beoogde maatschappelijk effect van de maatregel?

Beoogd maatschappelijk effect van de maatregel Het doel van de maatregel is om uitval te voorkomen door beter aan te sluiten bij de behoefte van jongeren aan praktijkgerichte routes.

Waaruit blijkt dat de maatregel effectief is, of hoe wordt dit tijdens de looptijd van het programma geëvalueerd?

De effectiviteit van de maatregel wordt gemeten aan de hand van de volgende indicatoren: 1. Het aantal jongeren dat vanuit deze maatregel begeleid wordt bij het vinden van een leerwerkplek of stage 2. Het aantal jongeren dat vanuit deze maatregel aanvullend begeleid wordt op de leerwerkplek of stage. 3. Het aandeel bereikte jongeren dat binnen 12 maanden na start begeleiding nog ingeschreven staat op de onderwijsinstelling. 4. Het aanbod van leer- en werkplekken 5. Tevredenheid van jongeren met de begeleiding vanuit deze maatregel 6. Verantwoording en monitoring door projectaanvragers Hieronder wordt per indicator uitgewerkt hoe dit zal worden gemonitord: 1. Het aantal jongeren dat vanuit deze maatregel begeleid wordt bij het vinden van een leerwerkplek of stage. 41

Op dit moment is het niet mogelijk om een betrouwbare inschatting te maken van de omvang van de doelgroep. Wel is het uitgangspunt dat alle jongeren die deze ondersteuning nodig hebben, toegang krijgen tot passende begeleiding. Bij aanvang van het project wordt de projectaanvrager gevraagd een nulmeting te verrichten en een inschatting van het aantal beoogde deelnemers te maken. Op basis van deze gegevens en de eerste monitoringsresultaten worden in 2027 streefwaarden vastgesteld voor de daaropvolgende jaren. Er wordt gestreefd naar een geleidelijke groei in het bereik van de doelgroep gedurende de programmaperiode, zowel in aantallen als in effectiviteit van de geboden ondersteuning. Deze groei wordt gemonitord en waar nodig bijgestuurd op basis van de jaarlijkse voortgangsrapportages. 2. Het aantal jongeren dat vanuit deze maatregel aanvullend begeleid wordt op de leerwerkplek of stage. Net als bij de vorige indicator is het op dit moment niet mogelijk om een exacte inschatting te maken van de omvang van deze groep. Het streven blijft om iedere jongere met een aantoonbare ondersteuningsbehoefte passende begeleiding te bieden. De projectaanvrager wordt in het projectaanvraagformulier gevraagd een nulmeting uit te voeren en het verwachte aantal deelnemers te specificeren.

In 2027 worden, op basis van de verzamelde monitoringsgegevens, streefwaarden geformuleerd voor de resterende looptijd van de maatregel. Gedurende de programmaperiode wordt ernaar gestreefd om een geleidelijke toename te realiseren in zowel het aantal bereikte jongeren als de effectiviteit van de ondersteuning. Deze ontwikkeling wordt gevolgd via jaarlijkse monitoring, waarmee het mogelijk is om tijdig bij te sturen en de impact van de maatregel te vergroten. 3. Het aandeel bereikte jongeren dat binnen 12 maanden na start begeleiding nog ingeschreven staat op de onderwijsinstelling. Het streven is dat minstens 80% van de jongeren 12 maanden na de start van het traject nog ingeschreven staat bij een onderwijsinstelling. Voor zover mogelijk wordt gebruik gemaakt van het dashboard VSV, aangevuld met gegevens van onderwijsinstellingen en kwalitatieve bevindingen uit de monitoring. 4. Het aanbod van leer- en werkplekken Uit de regionale analyse Flevoland (2025) blijkt dat er meer behoefte is aan praktijkgerichte routes. Overzichten over actieve erkende leerbedrijven zijn op te halen uit rapportages van het S-BB. In deze rapportage is te zien dat in schooljaar 2024-2025 in de regio Flevoland 5677 erkende leerbedrijven zijn. 4320 daarvan zijn actief en hebben dus een student in schooljaar 2024-2025 begeleid op stage of leerwerkplek.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://raad.noordoostpolder.nl/api/v1/meetings/2317/documents/43929