D06 02 Regionaal Programma Flevoland 2026 - 2029.pdf
Tekst van het document
Doorstroompuntregio 18: Flevoland Januari 2026
Inhoudsopgave 1.
Inleiding ....................................................................................................................3
2.
Contactgegevens ........................................................................................................4
3.
Streefcijfers................................................................................................................5
4.
Afspraken...................................................................................................................6
5.
Maatregelen ............................................................................................................ 15
6.
Begroting ................................................................................................................. 53
7.
Literatuur ................................................................................................................. 56
8.
Ondertekening .......................................................................................................... 57
Bijlage: Regionale analyse Flevoland
1
1. Inleiding Met ingang van 1 januari 2026 start het Regionaal Programma 2026–2029, in samenhang met de invoering van de Wet van School naar Duurzaam Werk. Deze periode markeert voor de doorstroompuntregio Flevoland een fundamentele verandering: de overgang van een verdeelsleutel naar een opgavegerichte inzet van middelen. De regio Flevoland staat aan de vooravond van een nieuwe fase waarin samenwerking geen keuze meer is, maar een randvoorwaarde. Vanaf 2026 vraagt dit regionaal programma van onderwijsinstellingen, gemeenten en Doorstroompunt om gezamenlijk op te trekken, kennis te delen en te werken volgens een eenduidige aanpak, in samenwerking met werkgevers, sociaal domein, zorg en veiligheid. Wendbaarheid en flexibiliteit zijn hierin cruciaal: middelen moeten doelgericht en tijdig kunnen worden ingezet om te kunnen inspelen op actuele regionale opgaven. Ter voorbereiding op deze transitie is het afgelopen jaar intensief samengewerkt door onderwijsinstellingen, gemeenten en het Doorstroompunt om deze verandering van werkwijze mogelijk te maken. Gezamenlijk zijn duidelijke voorwaarden geformuleerd waaraan projectaanvragen moeten voldoen, in overeenstemming met én aanvullend op de landelijke regeling. Deze voorwaarden zorgen voor aansluiting bij de regionale opgaven en versterken de aanvullende, bovenwettelijke inzet van betrokken instellingen.
Daarnaast is een afwegingskader opgesteld waarmee projectaanvragen kunnen worden beoordeeld op hun bijdrage aan de doelstellingen van het programma. Dit maakt het mogelijk om beschikbare middelen transparant en doelgericht toe te wijzen. Ook is een monitoringsinstrument ontwikkeld waarmee de effectiviteit van maatregelen en projecten meetbaar wordt. Dit maakt gerichte sturing op impact mogelijk. Alle maatregelen en samenwerkingsafspraken in dit programma zijn tot stand gekomen in nauwe afstemming met onderwijsinstellingen, gemeenten en het Doorstroompunt, en worden door hen gedragen. De regio Flevoland is klaar om gezamenlijk uitvoering te geven aan dit programma, met als doel tastbare resultaten voor de jongeren die het betreft. Onder de titel Flevoland Verbindt leggen we samen de route af van 2026 naar 2029. Een route waarin partners intensief samenwerken, verantwoordelijkheid delen, grenzen tussen domeinen overbruggen en jongeren begeleiden naar een duurzame plek in de samenleving. Deze route is niet vastomlijnd, maar vraagt om gedeeld eigenaarschap, aanpassingsvermogen en het lef om te leren: met de jongere als vertrekpunt.
2
2. Contactgegevens Naam Doorstroompuntregio Nummer Doorstroompuntregio Contactschool Contactpersoon contactschool E-mail Telefoonnummer Naam contactgemeente Contactpersoon contactgemeente E-mail Telefoonnummer Naam centrumgemeenten Contactpersoon centrumgemeente E-mail Telefoonnummer Regionale analyse Is de regionale analyse toegevoegd bij de subsidieaanvraag?
Flevoland 18 ROC van Amsterdam - Flevoland Carlijn Pastoor - Roeleveld c.pastoor@rocvf.nl 06-54213293 Gemeente Almere Maaike van Rooijen Mjvrooijen@almere.nl 06-25150214 Gemeente Almere Marjon van Eersel mjvaneersel@almere.nl 06-42321919
Bijgevoegd als bijlage.
3
3. Streefcijfers (conform artikel 2.3) Beoogd maximum aantal nieuwe vsv’ers per studiejaar, over studiejaar 2025/2026
Voor schooljaar 2025/2026 zijn de streefcijfers als volgt uitgewerkt: • % vsv in het vo: 0,93% (stand per schooljaar 23/24: 0,95%) • % vsv in het mbo: 7,05% (stand per schooljaar 23/24: 7,4%) • % vsv dat een jaar later onderwijs volgt: 24,17% (stand per schooljaar 23/24: 23,17%) • % vsv dat een jaar later werk heeft: 38,38% (stand per schooljaar 23/24: 35,38%)
Beoogd maximum aantal nieuwe vsv’ers per studiejaar, over de studiejaren 2026/2027 t/m 2029/2030.
Referentiewaarde: 3,12 Absoluut aantal: 729 nieuwe vsv’ers in schooljaar 2029-2030
Motivatie voor deze streefcijfers
Beoogd maximum aantal jongeren zonder werk of opleiding, over de jaren 2026 t/m 2029 Motivatie voor deze streefcijfers
Referentiewaarde: 1391 (berekend over schooljaar 23/24 inclusief verhoging van 28% n.a.v. verhoging door nieuwe definitie)
Schooljaar 26/27: 1226 nieuwe vsv’ers Schooljaar 27/28: 1061 nieuwe vsv’ers Schooljaar 28/29: 895 nieuwe vsv’ers Schooljaar 29/30: 729 nieuwe vsv’ers Door de gewijzigde vsv-definitie stijgt het aantal nieuwe vsv’ers met circa 28%. Het landelijk doel voor schooljaar 2029/2030 wordt daarom bijgesteld van 18.000 naar 23.000 nieuwe vsv’ers. Volgens de door het CBS vastgestelde referentiewaarden bedraagt de waarde voor Flevoland 3,12. Dit betekent dat de regio, uitgaande van de nieuwe definitie van vsv, dient te streven naar een maximum van 729 nieuwe vsv’ers in schooljaar 2029/2030. Referentiewaarde volgens de tabellenset van het CBS: 5440 Schooljaar 25/26: 5.284 jongeren zonder onderwijs en zonder arbeid Schooljaar 26/27: 5.128 jongeren zonder onderwijs en zonder arbeid Schooljaar 27/28: 4.972 jongeren zonder onderwijs en zonder arbeid Schooljaar 28/29: 4.815 jongeren zonder onderwijs en zonder arbeid De regio Flevoland streeft ernaar het benchmarkgemiddelde te behalen zoals vastgesteld in de regionale analyse, opgesteld met behulp van de LPBL-tool. Dit benchmarkgemiddelde bedraagt 7,7%. Op dit moment bevindt 8,7% van de jongeren in Flevoland zich buiten zowel onderwijs als arbeid. Het doel is om dit percentage uiterlijk in het schooljaar 2029/2030 terug te brengen naar ten minste het benchmarkgemiddelde.
4
4. Afspraken (conform artikel 2.4) a. + b. Afspraken over de samenwerking bij uitvoering wettelijke taken en maatregelen
Van onderwijs naar Doorstroompunt/ gemeente (afdeling Werk en Inkomen) De regio Flevoland streeft naar een sluitende aanpak voor jongeren die vanuit het pro, vso of mbo uitstromen richting werk. Om deze overgang eenduidig te begeleiden, hebben onderwijsinstellingen, gemeenten (Werk & Inkomen) en doorstroompunten in gezamenlijkheid een regionaal overgangsdocument ontwikkeld. Dit document, vastgesteld binnen de werkgroep ‘Aanvullende Loopbaanbegeleiding’, sluit aan op het landelijke format van De Beleidsonderzoekers en wordt ondersteund door een praktische handleiding waarin het gesprek met jongeren over overdracht centraal staat. De handleiding sluit aan bij de taal en belevingswereld van jongeren. In 2026 wordt gestart met gefaseerde digitalisering via Grip Connect, zodat uitwisseling veilig en AVG-proof verloopt. Tot die tijd vindt overdracht per beveiligde e-mail plaats. Aanvullende loopbaanbegeleiding o Onderwijsinstellingen bieden aanvullende loopbaanbegeleiding aan jongeren die uitstromen naar werk of vervolgonderwijs: – Voor vso/pro gedurende maximaal twee jaar na uitstroom; – Voor mbo: gedurende maximaal één jaar na diplomering. o Binnen het mbo wordt aanvullende loopbaanbegeleiding aangeboden aan alle studenten in niveau 1- en 2-opleidingen. Voor studenten op mbo-niveau 3 en 4 wordt deze begeleiding beschikbaar gesteld op basis van behoefte.
Mbo-instellingen bepalen zelf op welke wijze zij studenten op niveau 3 en 4 informeren over dit ondersteuningsaanbod. o Na het behalen van een diploma blijven onderwijsinstellingen jongeren begeleiden en voorbereiden op het betreden van de arbeidsmarkt en een passende werkplek behouden. o In deze periode vindt afstemming plaats met gemeenten over eventuele aanvullende faciliteiten, zoals het doen van een aanvraag voor het doelgroepenregister of andere voorzieningen, afhankelijk van de ondersteuningsbehoefte van de jongere. o Zolang jongeren staan ingeschreven bij een onderwijsinstelling, ligt de primaire verantwoordelijkheid voor begeleiding bij de onderwijsinstelling zelf. Wel kan (indien nodig) ondersteuning worden gevraagd van de gemeente (Werk en Inkomen) o Wanneer na diplomering van de jongere de begeleiding door de onderwijsinstelling wordt overgenomen door de gemeente, ligt de primaire verantwoordelijkheid bij de gemeente. Overgangsdocument Wanneer wordt een overgangsdocument opgesteld? Doelgroep Diploma / sk Verplicht Pro-leerling stroomt uit
Diploma
ja
VSO-leerling met uitstroomprofiel arbeid stroomt uit MBO-student niveau 1 en 2 stroomt uit MBO-student niveau 3 en 4 stroomt uit
Diploma
ja
Diploma en/of ja sk SK
soms
Toelichting Alleen als aanvullende loopbaanbegeleiding wordt overgedragen aan gemeente Alleen als aanvullende loopbaanbegeleiding wordt overgedragen aan gemeente Alleen als aanvullende loopbaanbegeleiding wordt overgedragen aan gemeente Alleen als de student behoefte heeft aan aanvullende loopbaanbegeleiding en deze wordt overgedragen aan de gemeente
5
Jongere stroomt SK of uit naar diploma vervolgonderwijs Uitvaller wordt Geen SK overgedragen aan doorstroompunt
nee
Niet van toepassing
Niet verplicht, Niet wettelijk verplicht. Wens wel aan te vanuit doorstroompunt is er bevelen wel om deze informatie ook met hen te delen. Hier worden in 2026 afspraken over gemaakt.
De uitstroomschool is verantwoordelijk voor het invullen van het overgangsdocument en het verkrijgen van de benodigde toestemming van de jongere. Het format voor het overgangsdocument zal op de website van de Doorstroompuntregio Flevoland geplaatst worden. Mbo-verklaring De regio Flevoland wil dat alle jongeren, ook degenen die zonder diploma het mbo verlaten, zicht houden op hun ontwikkelde kennis, vaardigheden en praktijkervaring. Een uniforme verstrekking van mbo-verklaringen draagt bij aan betere doorstroommogelijkheden naar vervolgonderwijs of werk. Daarom zijn regionale afspraken gemaakt om deze wettelijke taak uit te voeren, als onderdeel van een bredere aanpak rondom begeleiding en nazorg bij ongediplomeerde uitstroom. Jongeren die ongediplomeerd uitstromen, ontvangen een mbo-verklaring met daarin: • Welke onderdelen van de opleiding zijn behaald, • Welke stages zijn gevolgd, • En welke competenties zijn ontwikkeld. Deze verklaring: • Ondersteunt jongeren bij herintrede in het onderwijs, • Vergroot hun kans op werk, aangezien deze verklaring werkgevers inzicht biedt in de inzetbaarheid en vaardigheden van de jongere. Mbo-instellingen zijn wettelijk verplicht een mbo-verklaring af te geven aan studenten die voortijdig uitvallen zonder diploma. In de praktijk gebeurt dit echter nog niet consequent bij alle opleidingen.
Daarom is regionaal afgesproken dat alle mboinstellingen en opleidingen in Flevoland vanaf 2026 een mbo-verklaring opstellen bij ongediplomeerde uitstroom. •
• •
Binnen de mbo-instelling wordt een functionaris aangewezen als verantwoordelijke. Deze functionaris: o Spreekt iedere jongere die voortijdig uitstroomt, o Verzorgt een warme overdracht naar het doorstroompunt, o Draagt zorg voor het afgeven van de mbo-verklaring, o Meldt bij het doorstroompunt dat jongere in het bezit is van een mboverklaring. Het doorstroompunt gebruikt de mbo-verklaring bij het organiseren van passende vervolgtrajecten en vraagt hiernaar wanneer deze ontbreekt. De arbeidsmarktregio Flevoland zet in op meer bekendheid van de mboverklaring bij werkgevers en vakbonden, onder meer via het betrekken van SBB en het Regionaal Werkcentrum bij het zichtbaar maken van de waarde van mbo-verklaringen.
Schoolaanwezigheid • In de regio worden gezamenlijke afspraken gemaakt over de werkwijze rondom schoolaanwezigheid, zowel binnen het vo als mbo. Deze afspraken worden georganiseerd in het kader van Maatregel 3: Signaleer risico’s vroegtijdig en verwijs door. • Leerplichtambtenaren en doorstroomcoaches zijn op preventieve basis aanwezig op onderwijsinstellingen en voeren verzuimgesprekken met jongeren. Er worden duidelijke afspraken gemaakt over de criteria en situaties waarin deze gesprekken plaatsvinden.
6
•
Ter ondersteuning van een eenduidige werkwijze wordt een stroomschema opgesteld dat inzicht geeft in: o Wie betrokken is in de begeleiding van de jongere; o Welke taken en verantwoordelijkheden gelden per fase; o Wanneer overdracht plaatsvindt en op welke wijze dit gebeurt. Dit stroomschema zal in Q2 2026 operationeel zijn. De werkwijze en het stroomschema worden jaarlijks geëvalueerd en waar nodig aangepast of verder ontwikkeld, op basis van praktijkervaringen en monitoring. Dit stroomschema zal ook op de website van de Doorstroompuntregio Flevoland geplaatst worden.
Van Doorstroompunt naar gemeente (werk en inkomen) • Wanneer een jongere geen onderwijs volgt en ondersteuning richting werk nodig heeft, vindt een warme overdracht plaats van het Doorstroompunt naar de gemeente, afdeling Werk & Inkomen. • Voor de begeleiding naar werk wordt (waar mogelijk) aangesloten bij het ondersteuningsaanbod vanuit de Participatiewet. Hierbij wordt maatwerk geboden op basis van de individuele ondersteuningsbehoefte van de jongere. • De samenwerkingsafspraken tussen het Doorstroompunt en de gemeente (Werk en Inkomen) worden vastgelegd in het eerdergenoemde stroomschema (zie onderdeel Schoolaanwezigheid), zodat de verantwoordelijkheden, overdrachtsmomenten en werkwijze helder zijn voor alle betrokken partijen. Van gemeente (Werk en Inkomen) naar Doorstroompunt • Voor jongeren zonder startkwalificatie schakelt de gemeente het Doorstroompunt in. Wanneer terugkeer naar voltijdsonderwijs tot de mogelijkheden behoort, neemt het Doorstroompunt de verdere begeleiding op zich. Deze afspraak maakt onderdeel uit van het eerdergenoemde stroomschema.
c. Laagdrempelige en toegankelijke ondersteuning voor jongeren met meervoudige problematiek
d. het verbeteren van de voorbereiding op en de overgang naar het mbo, met speciale aandacht voor overstappende vso-leerlingen,
Bovenstaande afspraken zijn in samenwerking met Doorstroompunt, gemeenten (afdeling Werk en Inkomen) en onderwijs opgesteld. De instanties streven ernaar om dit beleid, waar passend, op te nemen in de eigen beleidsregels. C. Laagdrempeligheid en toegankelijkheid van ondersteuning voor jongeren met meervoudige uitdagingen Op zowel de v(s)o- als de mbo-instellingen zijn multidisciplinaire teams. Partners uit zorg- en welzijnsdomein, domein inkomen en domein veiligheid maken deel uit van deze teams of sluiten periodiek aan. Bij signalering van meervoudige problematiek zorgen zij voor een eenvoudige doorverwijzing, waarmee jongeren snel toegang krijgen tot passende hulp. Deze samenwerking bestaat al meerdere jaren en wordt gecontinueerd. Afspraken en werkwijze worden periodiek geëvalueerd. De werkafspraken betreffen concreet: • Toegankelijke verwijsroutes, zowel voor professionals als jongeren zelf. • Casuïstiekbespreking, waarin onderwijsprofessionals, gemeenten, jongerenwerkers, schuldhulpverleners en zorgpartners gezamenlijk afstemmen. • Aanwezigheid van hulp op school, waarbij jongeren laagdrempelig terecht kunnen voor specifieke informatie en specifieke deskundigheid over thema’s waaronder financiën en veiligheid. • Gerichte communicatie richting leerlingen en studenten, zodat zij weten welke voorzieningen en vormen van ondersteuning voor hen beschikbaar zijn. D.
Verbeteren van de voorbereiding op en de overgang naar het mbo, met speciale aandacht voor overstappende vso-leerlingen De regio Flevoland wil de begeleiding van jongeren tijdens belangrijke overgangsmomenten binnen het onderwijs versterken, met specifieke aandacht voor leerlingen vanuit het vso en nieuwkomers.
7
nieuwkomers en voldoende passende stageplekken en leerbanen
Afspraken 1. Samenwerking en gezamenlijke verantwoordelijkheid
•
Onderwijsinstellingen (vo, vso, pro, ISK, VAVO en mbo), gemeenten, leerplicht, het Doorstroompunt en andere ketenpartners maken afspraken zodat alle stappen in de overgang op elkaar worden afgestemd. Hiermee wordt het duidelijk wie waarvoor verantwoordelijk is en hoe de verschillende betrokkenen elkaar kunnen informeren.
•
Bovenstaande ondersteuning is onderdeel van de wettelijke verantwoordelijkheden van onderwijsinstellingen, zoals: o Loopbaanoriëntatie en -begeleiding, o Voorbereiding op vervolgonderwijs, o Overdracht via het doorstroomdossier (artikel 2.31a/b WVO 2020), o Uitstroomprofiel en ontwikkelperspectief (artikel 44/44a WEC), o Samenwerking met vervolginstellingen en gemeenten, o Zorgplicht, intake en begeleiding (artikel 9.2.13 WEB), o En afspraken over aansluiting met vo-instellingen (artikel 9.2.12 WEB).
2. Ondersteuning bij kwetsbare overstapmomenten
•
Afspraken worden gemaakt over begeleiding bij: o De overgang van vo en pro naar mbo; o De overgang van vso naar mbo; o De overgang van ISK naar vo of mbo; o De doorstroom tussen mbo-niveaus; o De terugstroom van vso naar vo.
•
Jongeren ontvangen aanvullende begeleiding via: o Overstapcoaches; o Maatwerktrajecten; o Nauwe samenwerking met o.a. jeugdhulp, jongerenwerk, sociale diensten en leerplicht.
3. Inzet overstapcoaches en monitoring
•
Overstapcoaches worden ingezet als persoonlijk begeleider, met aandacht voor: o Studiekeuze, aanmelding en intake; o Begeleiding bij praktische zaken zoals vervoer en financiën; o Extra aandacht voor vso-leerlingen en nieuwkomers.
•
De regio heeft het systeem “De Overstap” van Intergrip per 2026 aangeschaft, deze omvat een: o Aanmeldmonitor v(s)o–mbo; o Doorstroomdossier waarin ondersteuningsbehoeften worden overgedragen voorafgaand aan de start van de opleiding. De benodigde ondersteuning wordt hiermee adequaat en tijdig georganiseerd .
• Deze instrumenten worden regionaal geïmplementeerd. Bovenstaande afspraken worden verder toegelicht in maatregel 2. 4. Overstaptafels en coördinatie
•
Tweemaal per jaar worden regionale overstaptafels georganiseerd, waarin: o Decanen en professionals kwetsbare leerlingen bespreken die de overstap maken; o Aanmeldingen worden gevolgd; o En instellingen aangesproken worden bij achterblijvende acties.
8
Door deze overstaptafels wordt ervoor gezorgd dat alle jongeren die behoefte hebben aan een overstapcoach deze ondersteuning ook (tijdig) krijgen. 5. Stageplekken en leerbanen
•
Er worden afspraken gemaakt met het onderwijs, gemeenten, S-BB en werkgevers over voldoende en passende: o Stageplekken; o Leerwerkplekken; o En praktijkgerichte routes voor jongeren met een ondersteuningsbehoefte.
•
Hierbij is bijzondere aandacht voor jongeren uit het vso en nieuwkomers, voor wie reguliere stages en leerbanen vaak onvoldoende aansluiten. Deze afspraken worden mede uitgevoerd binnen maatregel 7.
e. het tegengaan van ongediplomeerde uitstroom naar werk
6. Doorontwikkeling en kennisdeling • Via leernetwerkbijeenkomsten wordt onderzocht welke begeleiding en informatie overstappende leerlingen nodig hebben voor een goede studiekeuze en overstap naar vervolgonderwijs. E. Het tegengaan van ongediplomeerde uitstroom naar werk De regio Flevoland geeft prioriteit aan het voorkomen van ongediplomeerde uitstroom naar werk. Jongeren worden zo veel mogelijk begeleid naar het behalen van een startkwalificatie. De regio stimuleert praktijkgericht leren voor jongeren voor wie regulier onderwijs (tijdelijk) niet passend is. De aanpak sluit aan bij de Kwaliteitsagenda mbo en is onderdeel van bestaande wettelijke taken van scholen, gemeenten en het doorstroompunt. De regionale aanpak richt zich op gezamenlijke afstemming, warme overdracht, maatwerktrajecten, leerwerkplekken en ondersteuning binnen en buiten reguliere structuren. Afspraken 1. Voorkomen van ongediplomeerde uitstroom
•
Onderwijsinstellingen en gemeenten spreken af om jongeren die dreigen uit te vallen tijdig in beeld te brengen via: o LOB-activiteiten en SLB-gesprekken o Monitoring door zorgcoördinatoren, mentoren en stagebegeleiders; o Signalering van belemmeringen zoals financiële druk, mantelzorg of mentale klachten.
•
Bij signalen wordt tijdig doorverwezen naar passende ondersteuning: schuldhulpverlening, participatiebudget, jeugdhulp of leerplicht.
•
Jongeren die uitstromen zonder diploma ontvangen een mbo-verklaring voor de behaalde onderdelen.
2. Begeleiding op de werkvloer en bij stages
•
Jongeren op stage of in leerwerktrajecten worden begeleid door praktijkbegeleiders die: o Voortgang bewaken; o Tijdig knelpunten signaleren; o Contact onderhouden met school, werkgever en eventuele hulpverlening; Deze afspraak worden verder toegelicht in maatregel 7. 3. Duurzame leerwerkplekken
•
De regio zet in op het creëren van duurzame leerwerkplekken voor jongeren van 16–27 jaar:
9
o o o
Vooral voor jongeren die beter leren in de praktijk; Onder andere gericht op praktijkverklaringen of (deel)certificaten; Bij erkende leerbedrijven, met aandacht voor werknemersvaardigheden en werkritme.
•
Gemeenten (via Participatiewet/participatiebudget), onderwijs en werkgevers spreken af wie verantwoordelijk is voor begeleiding, bekostiging en nazorg. Deze afspraak worden verder toegelicht in maatregelen 6 en 7. 4.Toeleiding naar werk of vervolgonderwijs Doorstroomcoaches worden gekoppeld aan scholen en werken nauw samen met mentoren en BPV-coördinatoren. Het uitgangspunt is altijd om jongeren zo veel mogelijk te behouden voor de huidige opleiding. Waar dit niet haalbaar blijkt, wordt gekeken naar een passend alternatief dat aansluit bij de ontwikkeling en mogelijkheden van de jongere. Gezamenlijk begeleiden zij jongeren bij hun vervolgstappen richting: o Regulier vervolgonderwijs, o Een passende leerwerkplek of o (Tijdelijke) uitstroom naar werk met ontwikkelperspectief.
•
Bij belemmeringen (financieel, sociaal, psychisch) wordt een passende route gezocht in afstemming met het sociaal domein.
5. Regionale afstemming onderwijs–arbeidsmarkt
•
Onderwijsinstellingen stemmen het aanbod van praktijkgerichte opleidingen af op: o Actuele arbeidsmarktbehoeften; o Bestaande vacatures; o Leerbedrijfscapaciteit; o Wensen van jongeren.
•
f. bijscholing of omscholing van jongeren zonder startkwalificatie tijdens een baan door middel van praktijkleren in het mbo of door middel van non-formele scholing met een branchewaardering zoals opgenomen in erkende sectorale ontwikkelpaden
Dit gebeurt in samenwerking met: o Het Regionaal Werkcentrum Flevoland (vanaf 2026), o SBB, brancheorganisaties en werkgeversnetwerken. F. Bijscholing of omscholing van jongeren zonder startkwalificatie tijdens een baan (door middel van praktijkleren in het mbo of non-formele scholing met een branchewaardering, zoals opgenomen in erkende sectorale ontwikkelpaden) De regio Flevoland ondersteunt jongeren zonder startkwalificatie bij hun verdere ontwikkeling via praktijkleren. Door het benutten van praktijkverklaringen, mbocertificaten en branchewaarderingen wordt zichtbaar gemaakt wat jongeren leren en kunnen op de werkvloer. Hiermee vergroten zij hun inzetbaarheid, zelfvertrouwen en kans op deelname aan onderwijs of werk. Deze inzet sluit aan bij:
• • •
De Kwaliteitsagenda mbo; Het landelijke programma Leven Lang Ontwikkelen; En bouwt voort op wettelijke verantwoordelijkheden van onderwijs, gemeenten en leerbedrijven.
Afspraken 1. Gebruik van praktijkverklaringen
•
Mbo-instellingen en pro-scholen zetten de praktijkverklaring actief in voor jongeren voor wie een startkwalificatie (nog) niet haalbaar is.
•
De verklaring maakt inzichtelijk welke vaardigheden jongeren in de praktijk hebben opgedaan.
•
Deze verklaring is erkend en bruikbaar richting werk of als opstap naar een vervolgopleiding en/of werk.
10
Daarnaast worden afspraken gemaakt tussen het leerbedrijf, SBB, (waar passend) de gemeente en de onderwijsinstelling over de benodigde scholing en ondersteuning van praktijkopleiders. Zo wordt geborgd dat ook zij beschikken over de kennis en vaardigheden om jongeren met ondersteuningsbehoefte goed te begeleiden. Deze afspraak wordt toegelicht in maatregel 6. 2. Non-formele scholing en branchewaardering
•
De regio stimuleert non-formele scholingstrajecten die leiden tot branchewaarderingen.
•
Deze trajecten sluiten aan bij erkende sectorale paden en maken ontwikkeling mogelijk, ook zonder formele inschrijving in het mbo.
•
Jongeren kunnen via deze trajecten een volgende stap zetten naar werk of formeel onderwijs.
3. Sectorale ontwikkelpaden
•
De samenwerking tussen mbo-instellingen, gemeenten, werkgevers, SBB en het Regionaal Werkcentrum Flevoland (vanaf 2026) wordt versterkt.
•
Sectorale ontwikkelpaden in o.a. zorg, techniek, logistiek en horeca worden beschikbaar gesteld voor jongeren zonder startkwalificatie of jongeren die willen bijscholen of omscholen om een baan te verwerven of behouden.
•
g. het investeren in de vakkundigheid van het personeel dat door de onderwijsinstellingen en gemeenten is belast met de uitvoering van de wettelijke taken en maatregelen
Deze paden combineren werkervaring met scholing, begeleiding en (branche)erkenning. G. Investeren in de vakkundigheid van professionals binnen onderwijs en gemeenten In Flevoland is de ambitie uitgesproken om meer uniform en samenhangend te werken binnen de regio. Het doel is om als onderwijsinstellingen, doorstroompunten en gemeenten van elkaar te leren, goede werkwijzen uit te wisselen en werkzame elementen uit bestaande aanpakken breder in te zetten. Vanaf 2026 wordt daarom gestart met regionale leernetwerkbijeenkomsten, waarin onderwijsprofessionals, gemeenten en doorstroomcoaches periodiek met elkaar in gesprek gaan. De nadruk ligt op:
• • •
Het versterken van onderlinge samenwerking; Het ontwikkelen van een gedeelde taal en werkwijze; Het uitwisselen van ervaringen.
Deze bijeenkomsten dragen bij aan het onderdeel deskundigheidsbevordering binnen het Regionaal Programma. De eerste ervaringen met de nieuwe wetgeving en beleidsmaatregelen, met name gericht op de doelgroep 23–27 jaar, vormen hiervoor het uitgangspunt. Uiterlijk in het derde kwartaal van 2026 (Q3 2026) wordt een inventarisatie uitgevoerd naar aanvullende behoeften op het gebied van deskundigheid en kennisdeling. Op basis hiervan wordt een plan van aanpak opgesteld, waarmee gedurende de looptijd van het programma aandacht wordt besteed aan de ontwikkeling van vakmanschap en regionale samenhang in de uitvoering. In samenwerking met de onderwijsregio’s Almere en Lelystad wordt het opleidingsprogramma verbonden aan lopende professionaliseringsactiviteiten, zoals: • Het programma “Behouden personeel voor professionalisering”; • Scholing over onderwijs in grootstedelijke context; Er wordt verkend of uitbreiding mogelijk is naar de overige onderwijsregio’s binnen de regio Flevoland.
11
h. de vormgeving en organisatie van het regionaal bestuurlijk overleg
H. Vormgeving en organisatie van het regionaal bestuurlijk overleg Het regionaal overleg kent twee sturingslagen: 1. Strategisch Bestuurlijk Overleg: Formuleert een strategische visie en stelt beleidsprioriteiten vast die zorgen voor een goede afstemming tussen onderwijs en arbeidsmarkt. Toetst het gehanteerde afwegingskader op effectiviteit en toepasbaarheid. Stuurt, waar nodig, tussentijds bij in de inzet van middelen om optimale resultaten te behalen. Herijkt, indien nodig, de binnen de regio gemaakte afspraken om aansluiting bij de doelen te waarborgen. Stelt het regionaal programma vast en draagt zorg voor de uitvoering en voortgang daarvan. Samenstelling Bestuurlijk overleg: Het overleg bestaat uit een evenwichtige vertegenwoordiging van zowel gemeenten als onderwijsinstellingen en is als volgt samengesteld: Gemeentelijke vertegenwoordiging (vier wethouders): Wethouders met onderwijs en/of arbeidsmarkt in portefeuille, waaronder de wethouder van de centrumgemeente en een wethouder van de contactgemeente: o Twee wethouders namens de gemeente Almere o Eén wethouder namens de gemeente Lelystad o Eén wethouder namens de gemeenten Dronten, Urk en Noordoostpolder Onderwijsvertegenwoordiging (vier bestuurders): Onderwijsbestuurders, waaronder de bestuurder van de contactschool.
De vertegenwoordiging is zorgvuldig samengesteld met het oog op regionale dekking: o Twee bestuurders namens de mbo-instellingen o Eén bestuurder namens de vo-instellingen o Eén bestuurder namens de vso/pro-instellingen
2. Tactisch Beleidsoverleg: Het Tactisch Beleidsoverleg vervult een ondersteunende en adviserende rol ten behoeve van het Strategisch Bestuurlijk Overleg. De belangrijkste taken zijn: o Het onderbouwen van strategische besluitvorming met inhoudelijke adviezen. o Het adviseren over de toekenning van projectaanvragen, op basis van een vastgesteld afwegingskader. o Het geven van advies over de financiële verantwoording van projecten en programma’s. o Het evalueren van eerder vastgesteld beleid en het, waar nodig, doen van voorstellen tot herziening. o Het adviseren van de stuurgroep over de voortgang van projecten, op basis van resultaten uit het monitoringsinstrument. o Het bevorderen van afstemming tussen regionale en lokale belangen. Samenstelling:
12
o o o o
Vijf beleidsadviseurs op het gebied van onderwijs en/of arbeidsmarkt namens de gemeenten binnen de regio Flevoland. Twee beleidsprofessionals namens de mbo-instellingen. Twee beleidsprofessionals namens de vo-instellingen. Eén beleidsprofessional namens de vso/pro-instellingen.
Coördinatie binnen de sturingslagen: • Doorstroompuntcoördinator, programmamanager VSV en coördinator arbeidsmarkt coördineren beide overleglagen • Netwerkcoördinator vso-pro sluit aan bij het Tactisch Beleidsoverleg De coördinatie van de verschillende overlegstructuren is als volgt ingericht:
•
De doorstroompuntcoördinator, de programmamanager VSV en de coördinator arbeidsmarkt zijn gezamenlijk verantwoordelijk voor de afstemming en coördinatie van zowel het Strategisch Bestuurlijk Overleg als het Tactisch Beleidsoverleg.
•
i. de wijze waarop jongeren worden betrokken bij de uitvoering van het regionaal programma
De netwerkcoördinator vso-pro is verantwoordelijk voor de afstemming en coördinatie binnen het Tactisch Beleidsoverleg. Daarnaast bereidt zij inhoudelijk het Strategisch Bestuurlijk Overleg voor, met specifieke aandacht voor de aansluiting van het vso en pro binnen de regionale samenwerking. I. Betrekken van jongeren bij de uitvoering van het regionaal programma De regio Flevoland waarborgt dat jongeren, en in het bijzonder jongeren uit kwetsbare groepen, worden betrokken bij de ontwikkeling, uitvoering en evaluatie van het regionaal programma. Jongerenparticipatie is niet alleen een voorwaarde, maar ook een instrument om te komen tot beleid dat aansluit op hun leefwereld. Afspraken 1. Verplichte jongerenparticipatie bij projectaanvragen
•
Bij iedere aanvraag voor financiering binnen het regionaal programma moet de aanvrager concreet beschrijven hoe jongeren: o Zijn betrokken bij de voorbereiding en uitvoering; o Worden geraadpleegd bij tussentijdse bijstelling; o En op welke wijze hun input daadwerkelijk wordt verwerkt.
•
Jongerenparticipatie is daarmee een verplicht én inhoudelijk onderdeel van de aanvraagbeoordeling.
2. Monitoring van jongerenervaringen
•
De regio voert systematisch onderzoek uit naar de ervaringen en belevingen van jongeren ten aanzien van lopende projecten en maatregelen.
•
Deze monitoring maakt gebruik van diverse methoden: o Laagdrempelige interviews op school of stageplek; o Kleinschalige groepsgesprekken met gespreksbegeleiders die ervaring hebben met kwetsbare jongeren; o En korte vragenlijsten die op het juiste moment en via vertrouwde professionals worden uitgezet
•
De uitkomsten worden meegenomen in de rapportages binnen het monitoringsinstrument.
3. Toegankelijke participatievormen voor de doelgroep
•
De regio erkent dat jongeren uit het pro, vso, ISK en mbo met ondersteuningsbehoefte zich niet vanzelfsprekend uitspreken in formele bijeenkomsten zoals panels of netwerkbijeenkomsten. Daarom wordt ingezet op veilige en begeleide vormen van participatie, zoals:
13
Gesprekken op school of werkplek onder begeleiding van een bekende professional; o Visuele en ervaringsgerichte methoden (zoals kaartspel of storytelling). J. Aandacht voor nieuwkomers De regio Flevoland anticipeert op de groeiende instroom van nieuwkomers binnen onderwijs en arbeidsmarkt. Veel van deze jongeren hebben behoefte aan ondersteuning op meerdere domeinen, waaronder taalontwikkeling, onderwijsloopbaan, financiële stabiliteit en welzijn. Een samenhangende aanpak is essentieel om hun kansen op succesvolle doorstroom en participatie te vergroten. Binnen het instrument De Overstap vormen nieuwkomers daarom een expliciet benoemde doelgroep. Zij worden meegenomen in de uitvoering, zodat hun ondersteuningsbehoefte tijdig wordt gesignaleerd én afgestemd met de ontvangende onderwijsinstelling. Dit voorkomt vertraging en vergroot de kans op een soepele overgang.
o
j. aandacht voor nieuwkomers
De regio Flevoland richt zich hierbij op de volgende pijlers:
•
Tijdige signalering van onderwijs- en ondersteuningsbehoeften, met aandacht voor taal, leerbaarheid en sociaal-emotionele ontwikkeling;
•
Effectieve begeleiding bij de overstap naar vervolgonderwijs, werk of een leerwerkplek, inclusief warme overdracht;
•
Maatwerkvoorzieningen op het gebied van taalontwikkeling, loopbaanoriëntatie, werkervaring, interculturele communicatie en psychosociale ondersteuning;
•
Opstelling van een doorstroomdossier per jongere, waarin begeleiding, voortgang en eventuele knelpunten inzichtelijk zijn voor alle betrokken partijen.
Daarnaast is er binnen Maatregel 7 ruimte om aanvullende ondersteuning te bieden tijdens stages en leerwerkplekken. Denk hierbij aan begeleiding op het gebied van interculturele communicatie, oriëntatie op de Nederlandse werkcultuur en het versterken van sociale vaardigheden in een nieuwe omgeving.
14
5. Maatregelen (conform artikel 2.5) Maatregel 1 Beschrijving maatregel
Bied maatwerkbegeleiding bij risico op schooluitval Beschrijving van de maatregel Jongeren die risico lopen op voortijdige uitval vanwege multiproblematiek kunnen ondersteuning krijgen via maatwerk-begeleidingstrajecten. Deze ondersteuning is gericht op het bieden van passende ondersteuning, het versterken van motivatie en het creëren van toekomstperspectief, zodat jongeren hun onderwijsloopbaan succesvol kunnen voortzetten. De maatregel wordt uitgevoerd via: • Coachklassen (zowel binnen als buiten de onderwijsinstellingen georganiseerd); Coachklassen vormen een kleinschalige, begeleide leeromgeving, waar jongeren extra ondersteuning ontvangen op het gebied van sociaalemotionele ontwikkeling, studievaardigheden en toekomstperspectief. De coachklassen bieden structuur, persoonlijke aandacht en maatwerkbegeleiding aan jongeren die dreigen uit te vallen. Binnen deze leeromgeving kunnen zij werken aan zelfvertrouwen, motivatie en vaardigheden, met als doel een succesvolle terugkeer en afronding van het reguliere onderwijsprogramma. • Aanvullende individuele- en groepsbegeleidingstrajecten.
a. De maatregel is gericht op jongeren die: 1. geen onderwijs volgen; 2. geen werk hebben; of 3. een groot risico hebben op het niet volgen van onderwijs of het niet hebben van werk
Overgang van de plusvoorziening Voor de eerste zeven maanden van het Regionale Programma 2026–2029 wordt de huidige plusvoorziening gecontinueerd. Deze voorziening valt onder deze maatregel. Vanuit deze plusvoorziening worden zowel de aanvullende individuele- en groepsbegeleiding als de coachklassen gefinancierd. Doelgroep van de maatregel De maatregel richt zich op jongeren in het vo en mbo die vanwege persoonlijke, sociaal-emotionele of motivatie-gerelateerde problematiek een verhoogd risico lopen op schooluitval. Binnen deze maatregel ligt de focus op jongeren met externaliserende problematiek en jongeren met multiproblematiek op meerdere leefgebieden (met uitzondering van internaliserende problematiek). Ook jongeren met motivatieproblematiek vallen binnen de doelgroep. Kenmerken: • Impulsief, grensoverschrijdend gedrag. • Problemen met gezag, schoolregels of groepsdynamiek. • Conflicten met docenten of medeleerlingen, of risico op schorsing/verwijdering. • Ernstige motivatieproblemen die leiden tot langdurig verzuim, onderpresteren of dreigende schooluitval. • Multiproblematiek op verschillende leefgebieden, zoals thuissituatie, vrije tijd, financiën of justitie. Criteria voor aanmelding: • De jongere vertoont gedrag of motivatieproblemen die het leerproces of de schoolomgeving verstoren.
• Er is sprake van frequente incidenten, waarschuwingen, maatregelen of langdurige demotivatie. • Begeleiding vanuit school (bijvoorbeeld via het zorg- en ondersteuningsteam of leerlingbegeleider) heeft onvoldoende tot effect geleid.
15
•
Er is sprake van onderliggende psychosociale, gedragsmatige of gezinsproblemen die het functioneren beïnvloeden.
Toelatingscriteria voor de maatregel: • Leeftijd tussen 12 en 27 jaar. • Ingeschreven bij een vo- of mbo-instelling. • Er is sprake van (dreigende) schooluitval, onderpresteren of zorgwekkend verzuim. • De jongere ervaart belemmeringen op meerdere leefgebieden. • De jongere staat open voor begeleiding of kan daartoe gemotiveerd worden. • Er is afstemming met het zorg- en ondersteuningsteam van de school.
b. Er is een duidelijke relatie tussen de regionale analyse en de maatregel
c. Wat is het beoogde maatschappelijk effect van de maatregel? Waaruit blijkt dat de maatregel effectief is, of hoe wordt dit tijdens de looptijd van het programma geëvalueerd?
Uitsluitingscriteria: • Jongeren met ernstige (verslaving)problematiek waarvoor specialistische behandeling of klinische opname noodzakelijk is. • Jongeren zonder onderwijsinschrijving of met een inschrijving op het vso of pro. • Jongeren waarbij sprake is van een gebrek aan motivatie of medewerking van henzelf en/of hun ouders/verzorgers, waardoor begeleiding niet uitvoerbaar is. Relatie met de regionale analyse • Het vsv-percentage in Flevoland ligt hoger dan in de benchmarkregio’s. In het meest recente meetjaar ligt het aandeel vsv’ers meer dan 30% boven het gemiddelde van regio’s met een vergelijkbare populatie. • Het vsv in de bovenbouw van het vo ligt in Flevoland significant hoger dan in de benchmarkregio’s. In de bovenbouw van het vmbo bedraagt het vsv-percentage 1,3%, tegenover 0,95% in vergelijkbare regio’s. In de bovenbouw van havo/vwo is het vsv-percentage 1,25%, vergeleken met 0,65% in de benchmarkregio’s. • Het percentage langdurig verzuim in het vo in Flevoland bedraagt 0,33%, tegenover 0,16% in de benchmarkregio’s. • Binnen het mbo ligt de uitval hoog op niveau 1 en zorgwekkend hoog op niveaus 3 en 4. Op deze niveaus ligt het percentage vsv’ers meer dan 50% boven het gemiddelde van vergelijkbare regio’s. Dit laatste geldt voor het ROC van Flevoland en Deltion.
• De analyse benoemt daarnaast een toename van jongeren die thuiszitten, en benadrukt dat persoonlijke problematiek een belangrijke oorzaak vormt van voortijdig schoolverlaten. • De analyse laat zien dat een groeiende groep jongeren met multiproblematiek tussen wal en schip valt. Beoogd maatschappelijk effect Deze maatregel is gericht op het bieden van effectieve ondersteuning aan jongeren met multiproblematiek, met als doel het voorkomen van schooluitval en het bevorderen van onderwijsdeelname. De effectiviteit van de maatregel wordt gemeten aan de hand van de volgende indicatoren:
1. Het aantal jongeren dat wordt bereikt met de maatregel 2. Aanwezigheid en verzuim op school 3. Aandeel jongeren dat 12 maanden na start van het begeleidingstraject nog staat ingeschreven bij een onderwijsinstelling 16
4. De tevredenheid van jongeren over de geboden begeleiding 5. Verantwoording en monitoring door projectaanvragers 1. Het aantal jongeren dat wordt bereikt met de maatregel In schooljaar 2024–2025 zijn vanuit de plusvoorziening 834 jongeren bereikt. Binnen het toekomstige regionale programma (2026–2029) wordt projectaanvragers gevraagd een prognose van het aantal te bereiken jongeren op te nemen in hun aanvraag. Deze cijfers worden opgenomen in het monitoringsinstrument voor voortgangsbewaking. Gezien de verwachte afschaling van de plusvoorziening per 1 augustus 2026, wordt in dit programma nog geen streefgetal vastgesteld voor het aantal jongeren dat via deze maatregel bereikt dient te worden. 2. Aanwezigheid en verzuim op school Aan het begin van elk begeleidingstraject wordt het verzuim- en aanwezigheidspercentage van de deelnemende jongeren geregistreerd via de reguliere administratie van de betreffende onderwijsinstelling. Deze registratie vormt de nulmeting voor verdere monitoring. Gedurende het traject wordt de aanwezigheid van de jongeren gevolgd en geëvalueerd door de onderwijsinstelling. Hierbij is er aandacht voor signalen van terugval of dreigend verzuim, zodat tijdig passende ondersteuning kan worden ingezet. Het beoogde resultaat is een aantoonbare afname van het verzuim en een verbetering van de aanwezigheid onder alle deelnemende jongeren.
Deze aanwezigheidspercentages worden afgezet tegen de normen zoals vastgesteld in maatregel 3. 3. Aandeel jongeren dat 12 maanden na start van het begeleidingstraject nog staat ingeschreven bij een onderwijsinstelling Op dit moment is er onvoldoende inzicht in het aandeel jongeren dat binnen 12 maanden na de start van een traject uitvalt binnen de huidige plusvoorziening. Om deze lacune in beeldvorming te verkleinen, wordt in de nieuwe programmaperiode ingezet op jaarlijkse monitoring van deze uitvalcijfers. De eerste meting, zoals opgenomen in de projectaanvraag, fungeert hierbij als nulmeting. Op basis hiervan wordt jaarlijks gerapporteerd over de voortgang en de effectiviteit van de ingezette ondersteuning. Het streven is dat minimaal 80% van de deelnemende jongeren 12 maanden na de start van hun traject nog staat ingeschreven bij een onderwijsinstelling. Voor de monitoring wordt, waar mogelijk, gebruikgemaakt van het dashboard VSV. Deze kwantitatieve data wordt aangevuld met informatie van onderwijsinstellingen en met kwalitatieve inzichten, onder andere verzameld via focusgroepen die deel uitmaken van de jaarlijkse evaluatie. 4. De tevredenheid van jongeren over de geboden begeleiding In het huidige programma ontbreekt inzicht in de tevredenheid van jongeren over de geboden begeleiding binnen de plusvoorziening.
Om hier in de nieuwe programmaperiode verandering in te brengen, wordt ingezet op het meten van de klanttevredenheid onder deelnemers. Na afloop van ieder begeleidingstraject vullen jongeren een gestandaardiseerde vragenlijst in waarin hun tevredenheid over de ontvangen begeleiding wordt uitgevraagd. Het streefdoel is dat minimaal
17
80% van de jongeren aangeeft (zeer) tevreden te zijn over het traject en de ondersteuning die zij hebben ontvangen. Naast kwantitatieve metingen wordt in het kader van de programmamonitoring ook kwalitatieve feedback verzameld via focusgroepen met jongeren. Deze gesprekken bieden verdiepende inzichten in hun ervaringen, behoeften en verbeterpunten, en vormen daarmee een aanvulling op de cijfermatige uitkomsten. 5. Verantwoording en monitoring door projectaanvragers Projectaanvragers leveren vóór aanvang van het project:
•
Een nulmeting van de beginsituatie, zowel kwantitatief als kwalitatief;
•
Concrete projectdoelen, passend bij de aard en opzet van het traject;
•
d. Voor een maatregel die wordt uitgevoerd op een onderwijsinstelling: Wordt er geen onderscheid gemaakt op basis van de woonplaats van de jongere? Voor overige maatregelen: Wordt er geen onderscheid gemaakt op basis van de gemeente binnen de Doorstroompuntregio waar een jongere woont? Indien dit wel gebeurt, waarom is een dergelijk onderscheid noodzakelijk? e. Waarom is de maatregel aanvullend op de wettelijke taken van onderwijsinstellingen en gemeenten?
Documentatie die transparante monitoring van voortgang en resultaten mogelijk maakt. In aanvulling op de kwantitatieve monitoring wordt ook kwalitatieve informatie verzameld via focusgroepen met begeleiders en ketenpartners. Deze sessies richten zich op procesmatige aspecten zoals samenwerking, succesfactoren, knelpunten en de doorwerking van de maatregel in de praktijk. Uitvoerders van de maatregel De maatregel wordt uitgevoerd door vo- en mbo-instellingen, met een focus op de bovenbouw van het vo en op alle niveaus van het mbo. Hierbij wordt nauw samengewerkt met gemeenten en, waar nodig, met jeugdhulp en maatschappelijke partners. De maatregel is beschikbaar voor alle jongeren die in de regio Flevoland wonen en/of in Flevoland naar school gaan. Er wordt binnen deze maatregel geen onderscheid gemaakt op basis van de woonplaats of ingeschreven onderwijsinstelling van de jongere.
Waarom is de maatregel aanvullend op de wettelijke taken van onderwijsinstellingen en gemeenten? Hoewel onderwijsinstellingen op grond van de WEB (art. 9.2.12 en 9.2.13) zorgplichtig zijn voor het bieden van passende begeleiding aan jongeren, laat de Regionale Analyse Flevoland (2025) zien dat een groeiende groep jongeren met multiproblematiek tussen wal en schip valt. Binnen de eerste lijn bieden scholen begeleiding door mentoren, studiecoaches en zorgcoördinatoren. Zij signaleren problemen, voeren ondersteunende gesprekken en verwijzen indien nodig door. In de tweede lijn wordt extra ondersteuning geboden via interne zorg- en ondersteuningsteams, schoolmaatschappelijk werk en samenwerkingsverbanden passend onderwijs. Voor een klein deel van de jongeren is deze reguliere ondersteuning echter niet toereikend. Zij hebben, vaak acuut, behoefte aan meer specifieke, intensieve en kortdurende begeleiding, die verder reikt dan wat binnen de onderwijscontext mogelijk is. Dit vraagt om begeleiders met specialistische kennis van de problematiek waarmee deze jongeren te maken hebben, en een goed inzicht in de sociale
18
kaart van de regio om op maat te kunnen doorverwijzen en de samenwerking met (jeugd)zorg en veiligheid goed te organiseren. Ook de wettelijke taken van gemeenten en veiligheidspartners, zoals vastgelegd in de Jeugdwet en de Wet publieke gezondheid, richten zich op het bieden van tijdige, effectieve en passende hulp aan jongeren bij opgroei- en opvoedproblemen, psychische problematiek en (dreigende) onveiligheid. De gemeente heeft hierin een regierol en is verantwoordelijk voor de samenhang tussen preventie, zorg en veiligheid. In het verlengde hiervan beschrijft het Actieprogramma Zorg voor de Jeugd (VWS, VNG, 2018) het belang van domeinoverstijgende samenwerking, onder meer tussen onderwijs, jeugdhulp, politie en wijkteams. Desondanks blijkt uit landelijke en regionale gegevens, zoals de CBS Jeugdmonitor 2024, de Monitor Sociaal Domein Jeugd (VNG, 2023) en de Regiobeelden Jeugd (NJi, 2024), dat jongeren met meervoudige of complexe problematiek regelmatig tussen de verschillende systemen in vallen. Bijvoorbeeld omdat geen van de betrokken instanties zich (primair) verantwoordelijk voelt of omdat de hulpvraag niet goed aansluit bij het bestaande aanbod. Dit leidt tot uitstel van hulp of zelfs uitval uit begeleiding.
Binnen het domein van zorg en veiligheid is het de verantwoordelijkheid van gemeenten om via hun regierol te zorgen voor samenhangende ondersteuning en zorg, waarbij ook samenwerking tussen onderwijs, jeugdhulp, veiligheid, en maatschappelijke ondersteuning wordt georganiseerd. Echter, in de praktijk blijkt (zoals uit regionale cijfers van o.a. de monitor Sociaal Domein en de Jeugdmonitor) dat jongeren met meervoudige problematiek vaak tussen verschillende domeinen in vallen. Hierdoor blijft passende hulp uit of wordt deze pas laat ingezet. Deze maatregel biedt daarom een aanvullend vangnet voor deze specifieke doelgroep. Door de inzet van gespecialiseerde begeleiding op het snijvlak van onderwijs, zorg en veiligheid wordt bijgedragen aan vroegtijdige signalering, effectieve doorgeleiding en het voorkomen van escalatie of uitval. De maatregel ondersteunt hiermee het streven naar een sluitende aanpak, zoals aanbevolen in het Toekomstscenario Kind- en Gezinsbescherming (2021) en de aanbevelingen uit het rapport "Van systeemwereld naar leefwereld" (Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd, 2022). Maatregel 2 Beschrijving maatregel
Versterk begeleiding bij onderwijs-overgangen Beschrijving van de maatregel Deze maatregel richt zich op het voorkomen van vsv door het versterken van begeleiding tijdens overgangsmomenten binnen de onderwijsloopbaan. Overstappen tussen onderwijsniveaus of -instellingen zijn momenten waarop jongeren extra kwetsbaar zijn. De maatregel richt zich op jongeren die de overstap maken tussen of binnen de volgende onderwijssectoren:
• • • • • •
Van vso naar vo; Van vso naar mbo; Van vo (inclusief pro) naar mbo; Van VAVO naar mbo; Van ISK naar vo of mbo; En bij doorstroom tussen mbo-niveaus (bijv. entree → niveau 2)
19
Binnen deze groep is met aandacht voor jongeren met een ondersteuningsbehoefte (waaronder nieuwkomers en jongeren vanuit het vso) of zonder vo-diploma. De begeleiding van overstappende jongeren wordt vormgegeven door de inzet van overstapcoaches, die een centrale rol spelen in het begeleiden en coördineren van de overgang van leerlingen tussen onderwijssectoren. Deze begeleiding wordt ondersteund met het digitale systeem De Overstap van Intergrip, dat bestaat uit twee hoofdcomponenten: 1. Monitor Aanmeldingen v(s)o–mbo: een instrument waarmee aanmeldingen en overdrachten van leerlingen tijdig worden gevolgd en eventuele knelpunten in het overstapproces vroegtijdig gesignaleerd kunnen worden; 2. Doorstroomdossier: een dossier waarin de ondersteuningsbehoeften van jongeren worden vastgelegd, gedeeld en opgepakt door de betrokken onderwijsinstellingen en partners. Het Bestuurlijk Overleg VSV heeft op 8 oktober 2025 besloten tot de aanschaf en gefaseerde implementatie van De Overstap. De implementatie start begin 2026 met de Monitor Aanmeldingen v(s)o–mbo, gevolgd door de gefaseerde invoering van het Doorstroomdossier. Daarnaast worden in navolging van de regio Groot-Amsterdam tweemaal per jaar overstaptafels georganiseerd. Tijdens deze bijeenkomsten bespreken decanen, zorgcoördinatoren, overstapcoaches en gemeentelijke partners gezamenlijk de dossiers van kwetsbare overstappers.
Daarbij worden ontbrekende of verlate aanmeldingen gesignaleerd en worden concrete vervolgafspraken gemaakt om de continuïteit van de begeleiding te waarborgen. De overstapcoach begeleidt jongeren intensief en persoonlijk tijdens de overgangsfase van de ene onderwijssetting naar de volgende. Deze begeleiding is gericht op het versterken van continuïteit, het bieden van stabiliteit en het vergroten van kansengelijkheid. De overstapcoach: • Ondersteunt bij praktische zaken zoals aanmelding, vervoer en financiële regelingen; • Begeleidt jongeren bij het maken van passende studie- en loopbaankeuzes; • Fungeert als vast aanspreekpunt in een periode van veel veranderingen; • Stem af met betrokken professionals vanuit onderwijs, gemeenten, (jeugd)zorg en veiligheid om de begeleiding goed te laten aansluiten op de context van de jongere. De begeleiding start in de laatste zes maanden van de huidige school of opleiding en kan, indien nodig, worden voortgezet tot maximaal zes maanden na de start op de nieuwe onderwijsinstelling. Deze doorlopende ondersteuning draagt bij aan een soepele overgang en voorkomt vroegtijdige uitval. Binnen het mbo kan de begeleiding bij doorstroom ook worden ingevuld door interne coaches.
In situaties waarbij een jongere doorstroomt van een entreeopleiding naar mbo-niveau 2, kan de overstapcoachrol tijdelijk worden overgenomen of voortgezet vanuit de entreeopleiding. Dit zorgt voor continuïteit en behoud van het opgebouwde vertrouwen in de cruciale eerste maanden van de nieuwe leerroute.
20
a. De maatregel is gericht op jongeren die: 1. geen onderwijs volgen; 2. geen werk hebben; of 3. een groot risico hebben op het niet volgen van onderwijs of het niet hebben van werk
Doelgroep van de maatregel De maatregel richt zich op jongeren die een verhoogd risico op uitval hebben bij de overgang binnen de schoolloopbaan. Het gaat met name om:
•
Jongeren die zonder diploma instromen in het mbo, waaronder havisten met een overgangsbewijs van havo 3 naar 4;
• • •
Jongeren afkomstig uit het pro en het vso; Jongeren afkomstig uit ISK die doorstromen naar het vo of mbo; Jongeren uit het VAVO die doorstromen naar het mbo.
Hoewel niet alle jongeren zonder diploma automatisch een hoog risico op uitval kennen, laat de Regionale Analyse Flevoland (2025) zien dat juist deze groepen vaker kampen met motivatieproblemen, beperkte schoolse vaardigheden, psychosociale kwetsbaarheid en een verminderde binding met onderwijs. Volgens de OCW-Monitor VSV (2024) is de kans op voortijdige schooluitval bij ongediplomeerde instromers ruim twee keer zo groot als bij studenten met een startkwalificatie. Ook leerlingen uit het pro en vso vormen een risicogroep: de Inspectie van het Onderwijs (2024) rapporteert dat ongeveer één op de vijf van deze jongeren het mbo binnen het eerste studiejaar verlaat zonder diploma. Zij hebben vaak ondersteuningsbehoeften op meerdere leefgebieden en hebben meer tijd nodig om te wennen aan de structuur en verwachtingen van het mbo. Daarnaast is de ISK-doelgroep kwetsbaar vanwege taalachterstanden, beperkte kennis van het Nederlandse onderwijssysteem en sociaalemotionele stress. Uit de Evaluatie ISK-doorstroom (OCW, 2023) blijkt dat bijna 40% van de ISK-leerlingen binnen twee jaar uitvalt. Ten slotte blijkt ook de VAVO-doelgroep gevoelig voor uitval: volgens DUO (2023) valt een aanzienlijk deel van de doorstromers naar het mbo binnen het eerste jaar uit door een gebrek aan continuïteit in begeleiding en aansluiting. Concrete cijfers ontbreken.
b. Er is een duidelijke relatie tussen de regionale analyse en de maatregel
Hoewel deze groepen prioriteit krijgen binnen de maatregel, kunnen ook jongeren buiten deze doelgroepen in aanmerking komen wanneer sprake is van vergelijkbare risico’s of ondersteuningsbehoeften. Indien de onderwijsinstelling of samenwerkingspartners signaleren dat intensieve overstapbegeleiding noodzakelijk is om uitval te voorkomen, kan de maatregel ook voor deze jongeren worden ingezet. Relatie tussen de regionale analyse en de maatregel De Regionale Analyse Flevoland (2025) laat zien dat overgangsmomenten binnen het onderwijs risicofactoren zijn voor voortijdige schooluitval. De analyse benoemt specifiek dat: • Bijna één op de drie studenten zonder diploma instroomt op het mbo. Het percentage ongediplomeerde instromers bij het ROC van Flevoland ligt met 31% ruim boven het gemiddelde van de benchmarkregio’s. De stijging is vooral zichtbaar op mbo-niveau 4, waar het aantal ongediplomeerde instromers in korte tijd is verdubbeld. Uit interviews met het werkveld blijkt dat deze groepen vaker kampen met motivatieproblemen, beperkte schoolse vaardigheden, psychosociale kwetsbaarheid en een verminderde binding met onderwijs.
21
•
Binnen het vso en pro is de doorstroom naar het mbo relatief hoog (47% en 65%), maar de uitval in het eerste jaar is eveneens bovengemiddeld.
•
Binnen het mbo is sprake van hoge uitvalpercentages op niveau 1 en 2, en een zorgelijke stijging van uitval op niveau 3 en 4, die meer dan 50% boven het gemiddelde van vergelijkbare regio’s ligt.
•
Jongeren kiezen in Flevoland relatief vaak voor alternatieve of langere leerwegen (zoals vmbo–havo of mbo–hbo), waardoor het aantal overgangsmomenten en daarmee de kans op uitval toeneemt.
•
c. Wat is het beoogde maatschappelijk effect van de maatregel? Waaruit blijkt dat de maatregel effectief is, of hoe wordt dit tijdens de looptijd van het programma geëvalueerd?
Daarnaast signaleren scholen een toenemende mentale druk, motivatieproblemen en psychosociale kwetsbaarheid, die het succesvol afronden van de overstap bemoeilijken. Beoogd maatschappelijk effect De maatregel heeft als doel om kwetsbare jongeren die een overstap maken binnen het onderwijs extra begeleiding te bieden. Hiermee wordt beoogd het risico op uitval tijdens of na de overgang te verkleinen. De effectiviteit van de maatregel wordt gemeten aan de hand van de volgende indicatoren 1. Aandeel jongeren dat wordt bereikt met deze maatregel 2. Aandeel jongeren dat wordt bereikt met deze maatregel en uitvalt in het eerste jaar na de overgang • Van vso naar vo/mbo; • Van pro naar mbo; • Van VAVO naar mbo; • Van havo, ongediplomeerd, naar mbo 3. Aandeel jongeren dat wordt bereikt met deze maatregel en uitvalt in de eerste twee jaren na de overgang • Van ISK naar vo; • Van ISK naar mbo; 4. Tevredenheid van jongeren met de ontvangen overstapbegeleiding. 5. Verantwoording en monitoring door projectaanvragers De monitoring richt zich met name op het eerste jaar of eerste twee jaren na de overgang. Hierbij wordt aangesloten op landelijke referentiewaarde. 1. Aandeel jongeren dat wordt bereikt met deze maatregel Deze maatregel betreft een nieuw regionaal initiatief voor de regio Flevoland. Om deze reden is het aantal te bereiken jongeren op dit moment nog niet bekend.
In het projectaanvraagformulier wordt gevraagd hoeveel jongeren binnen het project bereikt worden, dit zal dienen als nulmeting voor de verdere monitoring en evaluatie van de maatregel. 2. Aandeel jongeren dat wordt bereikt met deze maatregel en uitvalt in het eerste jaar na de overgang • In het nieuwe regionale programma wordt ernaar gestreefd dat minimaal 80 procent van de jongeren die afkomstig zijn van het pro en vso het eerste leerjaar in het mbo afrondt zonder uitval. Hiermee sluiten we aan bij het landelijk gemiddelde. • Ook de overgang van VAVO naar mbo vraagt extra aandacht. In Flevoland wordt daarom gestreefd naar een situatie waarin de uitval onder VAVO-doorstromers niet hoger is dan de gemiddelde uitval onder reguliere vo-doorstromers naar het mbo (circa 15–20% landelijk, bron: OCW-Monitor VSV, 2024). 22
•
Er is momenteel geen informatie beschikbaar over het aandeel ongediplomeerde havisten dat uitvalt binnen een jaar na de overstap in de regio Flevoland. In de nieuwe programmaperiode wordt gestreefd naar betere monitoring van doorstroom en uitval, waarbij gebruik wordt gemaakt van het Dashboard VSV. We streven hierbij naar een uitvalpercentage dat niet hoger is dan de gemiddelde uitval onder reguliere vo-doorstromers naar het mbo (circa 15–20% landelijk, bron: OCW-Monitor VSV, 2024). Bovenstaande ontwikkelingen worden, voor zover mogelijk, gemonitord via het dashboard VSV, waarin uitval per onderwijssoort en school van herkomst worden geregistreerd. 3. Aandeel jongeren dat uitvalt in de eerste twee jaren na overgang (isk naar vo; isk naar mbo) De overgang van ISK-leerlingen naar het vo en mbo vormt een groeiende uitdaging. Landelijk laat de Evaluatie ISK-doorstroom (OCW, 2023) zien dat ongeveer 40% van de oud-ISK-leerlingen binnen twee jaar uitvalt. Regionale cijfers zijn op dit moment nog niet beschikbaar. Binnen de programmaperiode wordt daarom aangesloten bij dit landelijk referentiepercentage: de regio streeft ernaar dat de uitval onder oud-ISK-leerlingen niet hoger ligt dan het landelijk gemiddelde van 40%. De ontwikkeling wordt, voor zover mogelijk, gemonitord via het dashboard VSV, waarin uitval per onderwijssoort en school van herkomst worden geregistreerd. 4.
Tevredenheid van jongeren met de ontvangen overstapbegeleiding. Naast de kwantitatieve monitoring van uitval wordt ook de ervaren begeleiding van de jongere in kaart gebracht. Het streven is dat minimaal 80% van de jongeren na afronding van het traject aangeeft (zeer) tevreden te zijn over de ontvangen begeleiding. De tevredenheid wordt jaarlijks gemeten via de monitor van het regionaal programma (jongerenperspectiefvragenlijst), waarin jongeren reflecteren op de nut, kwaliteit en impact van de overstapbegeleiding. 5. Verantwoording en monitoring door projectaanvragers Projectaanvragers leveren vóór aanvang van het project: