D06 02 Regionaal Programma Flevoland 2026 - 2029.pdf
Tekst van het document
Er wordt naar gestreefd dat er in de regio meer praktijkgerichte routes worden aangeboden en dat er dus meer erkende leerbedrijven zijn die studenten begeleiden. 5. Tevredenheid van jongeren met de begeleiding bij het zoeken naar een werkplek/stageplek/bbl-plek We streven ernaar dat 80 procent van de jongeren na afronding van de begeleiding aangeeft tevreden te zijn met de begeleiding. Dit wordt uitgevraagd als onderdeel van de monitor van het regionaal programma (jongerenperspectief – vragenlijst onder jongeren na afronding van het traject over het nut van en de tevredenheid over de begeleiding). Het voorstel is om aan de bestaande vragenlijst, die jongeren invullen nadat zij zijn gestart op hun werkplek, aanvullende vragen toe te voegen over de: • Ervaren kwaliteit van de begeleiding tijdens het zoekproces naar een passende plek;
42
• •
Mate waarin jongeren zich ondersteund en betrokken voelen bij het vinden van een plek die aansluit bij hun interesses en mogelijkheden; Duidelijkheid en effectiviteit van het traject dat zij hebben doorlopen om tot een geschikte stage-, leerwerkplek te komen.
6. Verantwoording en monitoring door projectaanvragers Projectaanvragers leveren vóór aanvang van het project:
•
Een nulmeting van de beginsituatie, zowel kwantitatief als kwalitatief;
•
Concrete projectdoelen, passend bij de aard en opzet van het traject;
•
d. Voor een maatregel die wordt uitgevoerd op een onderwijsinstelling: Wordt er geen onderscheid gemaakt op basis van de woonplaats van de jongere? Voor overige maatregelen: Wordt er geen onderscheid gemaakt op basis van de gemeente binnen de Doorstroompuntregio waar een jongere woont? Indien dit wel gebeurt, waarom is een dergelijk onderscheid noodzakelijk? e. Waarom is de maatregel aanvullend op de wettelijke taken van onderwijsinstellingen en gemeenten?
Documentatie die transparante monitoring van voortgang en resultaten mogelijk maakt. In aanvulling op de kwantitatieve monitoring wordt ook kwalitatieve informatie verzameld via focusgroepen met begeleiders en ketenpartners. Deze sessies richten zich op procesmatige aspecten zoals samenwerking, succesfactoren, knelpunten en de doorwerking van de maatregel in de praktijk. Uitvoerders van de maatregel • Mbo-instellingen • Pro- en vso-scholen • Gemeenten (afdeling Werk en Inkomen, leerplicht/doorstroompunt) • Werkgevers, leerbedrijven en brancheorganisaties • S-BB • Regionaal Werkcentrum Flevoland (vanaf 2026) De maatregel is beschikbaar voor alle jongeren die in de regio Flevoland wonen en/of in Flevoland naar school gaan. Er wordt binnen deze maatregel geen onderscheid gemaakt op basis van de woonplaats of ingeschreven onderwijsinstelling van de jongere.
Waarom is de maatregel aanvullend op de wettelijke taken van onderwijsinstellingen en gemeenten? De begeleiding van studenten naar en op stage- en leerwerkplekken is in principe een wettelijke taak van onderwijsinstellingen en erkende leerbedrijven. Daarnaast hebben zowel mbo-instellingen als gemeenten al diverse initiatieven ontwikkeld om jongeren te ondersteunen bij hun loopbaanontwikkeling. Reguliere inzet van onderwijsinstellingen en gemeenten: • MBO-instellingen zijn vanuit de kwalificatieplicht en de kwaliteitsagenda MBO verantwoordelijk voor loopbaanoriëntatie en begeleiding, het bieden van passende stage- en leerwerkplekken, en de borging van kwaliteit van die plekken via samenwerking met erkende leerbedrijven. • Gemeenten spelen een rol bij de begeleiding van kwetsbare jongeren via bijvoorbeeld leerplicht/doorstroompunt en trajectbegeleiding richting werk of opleiding. In sommige gevallen gebeurt dit in samenwerking met onderwijsinstellingen. • Regionale werkcentrum Flevoland, die medio 2026 operationeel wordt, zal naar verwachting een verbindende rol gaan spelen tussen onderwijs, werkgevers en gemeenten.
43
De maatregel ‘Ontwikkel en verduurzaam stage- en leerwerkplekken’ richt zich op het versterken en uitbreiden van wat reeds gebeurt. Het gaat hierbij om inzet die niet binnen de reguliere bekostiging en taken van onderwijsinstellingen of gemeenten valt, maar die wél noodzakelijk is voor het realiseren van duurzame en inclusieve leer- en werkplekken voor met name kwetsbare jongeren. De maatregel is aanvullend omdat: • De begeleiding van kwetsbare jongeren (bijvoorbeeld jongeren met multiproblematiek en nieuwkomers) vraagt om intensievere en meer persoonsgerichte ondersteuning, die verder gaat dan reguliere begeleiding. • Werkgevers worden in deze maatregel actief ondersteund via training en begeleiding in pedagogisch-didactische vaardigheden, zodat zij jongeren beter kunnen begeleiden op de werkvloer. • Effectieve matching tussen kwetsbare jongeren en werkgevers (op basis van motivatie, vaardigheden en ontwikkelpotentieel) vereist een actieve bemiddelingsrol, die aanvullend is op bestaande processen binnen scholen of gemeenten.
Maatregel 8 Beschrijving maatregel
a. De maatregel is gericht op jongeren die: 1. geen onderwijs volgen; 2. geen werk hebben; of 3. een groot risico hebben op het niet volgen van onderwijs of het niet hebben van werk
b. Er is een duidelijke relatie tussen de regionale analyse en de maatregel
Aanvragers van deze maatregel dienen in hun aanvraag duidelijk te maken op welke wijze zij aansluiting zoeken en afstemming organiseren met het (op te richten) Regionaal Werkcentrum. Begeleid jongeren actief naar kansrijke banen Inhoud van de maatregel Deze maatregel richt zich op het actief vinden, motiveren en begeleiden van NEET-jongeren richting duurzame en passende banen, al dan niet in combinatie met scholing. Het doel is om arbeidsparticipatie te bevorderen en te voorkomen dat jongeren langdurig buiten beeld raken. De begeleiding sluit nauw aan bij de persoonlijke situatie en ontwikkelpotentie van jongeren, en omvat het gehele traject van toeleiding, matching en nazorg. Daarbij wordt ingezet op een outreachende aanpak: jongeren worden actief opgespoord. Binnen deze aanpak worden jongeren gemotiveerd en geactiveerd om na te denken over hun toekomstperspectief en begeleid naar passende leer- en werktrajecten. Er wordt aandacht besteed aan (studie)loopbaanoriëntatie en arbeidsmarktvoorlichting, met nadruk op kansen binnen regionale kraptesectoren. Daarnaast ontvangen jongeren ondersteuning bij sollicitaties en contacten met werkgevers, en worden zij gecoacht op werknemersvaardigheden, motivatie en werkritme. Om uitval te voorkomen, vindt ook begeleiding plaats op de werkplek, bijvoorbeeld via jobcoaches of trajectbegeleiders.
Waar nodig worden jongeren verder begeleid richting scholing of certificering als opstap naar duurzaam werk. Doelgroep van de maatregel Deze maatregel richt zich op jongeren die (dreigen te) behoren tot de NEETdoelgroep. Bijvoorbeeld jongeren: • Die willen instromen in sectoren met arbeidsmarktkrapte; • Die werken onder kwetsbare arbeidsvoorwaarden; • Met weinig werkervaring of een afstand tot de arbeidsmarkt; • Die begeleiding nodig hebben voor werkbehoud; • Die buiten beeld zijn van reguliere voorzieningen en actief moeten worden benaderd. Relatie tussen de regionale analyse en de maatregel De regionale analyse Flevoland (2025) laat zien dat het aandeel NEETjongeren in Flevoland hoger ligt dan in de benchmark-regio's. Het is belangrijk om de NEET-jongeren die ondersteuning nodig hebben te vinden en te begeleiden. 44
c. Wat is het beoogde maatschappelijk effect van de maatregel? Waaruit blijkt dat de maatregel effectief is, of hoe wordt dit tijdens de looptijd van het programma geëvalueerd?
Uit de regionale analyse Flevoland (2025) blijkt daarnaast dat het aandeel NEET-jongeren per gemeente sterk varieert: van 5,1% in Urk tot 9,5% in Lelystad. Deze spreiding wijst op verschillen in sociaaleconomische omstandigheden, opleidingsniveau en arbeidsmarktkansen. Uit de regressieanalyse van LPBL blijkt dat in vier van de vijf gemeenten het werkelijke aandeel NEET-jongeren hoger ligt dan verwacht op basis van populatiekenmerken. Dit duidt op een verbeterpunt in het bereiken en begeleiden van jongeren naar duurzame banen. Beoogd maatschappelijk effect van de maatregel Het doel van deze maatregel is dat de arbeidsdeelname onder jongeren wordt vergroot, en dat meer jongeren een duurzame baan hebben. De effectiviteit van de maatregel wordt gemonitord aan de hand van de volgende indicatoren: 1. Het aantal jongeren dat wordt bereikt met deze maatregel 2. Het aandeel jongeren dat begeleiding heeft ontvangen en succesvol begeleid wordt naar werk (al dan niet in combinatie met scholing) 3. Het aandeel NEET-jongeren binnen de regio Flevoland 4. De tevredenheid van jongeren met de begeleiding Hieronder wordt per indicator uitgewerkt hoe dit zal worden gemonitord: 1. Het aantal jongeren dat wordt bereikt met deze maatregel Bij indiening van projectaanvragen dient het verwachte aantal te bereiken jongeren al te worden opgenomen.
De daadwerkelijke deelnameaantallen worden jaarlijks gemonitord en als onderdeel van de programmamonitoring gedeeld met de coördinatoren van het regionaal programma. 2. Het aandeel jongeren dat begeleiding heeft ontvangen en succesvol wordt begeleid naar werk (al dan niet in combinatie met scholing) Aan het einde van een begeleidingstraject wordt er geregistreerd of een jongere succesvol is begeleid naar werk. We streven ernaar 80 procent van de jongeren die worden begeleid ook daadwerkelijk met succes wordt begeleid naar werk (al dan niet in combinatie met scholing). Aan het einde van ieder monitoringsjaar worden (als onderdeel van de monitoring van het regionaal programma) deze gegevens gedeeld met de coördinatoren van het regionaal programma. 3. Het aandeel NEET-jongeren binnen de regio Flevoland Op dit moment kent de regio Flevoland een NEET-percentage van 8,7 procent. Zoals eerder benoemd, zijn aan dit percentage nog enkele onnauwkeurigheden verbonden. Na de publicatie van het landelijke NEETdashboard zullen op basis van de beschikbare gegevens streefcijfers worden vastgesteld. De regio Flevoland streeft ernaar het NEET-percentage terug te brengen tot maximaal het niveau van benchmarkregio’s. De benodigde data wordt jaarlijks beschikbaar gesteld via het NEET-dashboard en biedt daarmee een basis voor monitoring, evaluatie en bijsturing. 4.
De tevredenheid van jongeren met de begeleiding Er wordt naar gestreefd dat 80 procent van de jongeren na afronding van de begeleiding aangeeft tevreden te zijn met de begeleiding. Dit wordt uitgevraagd als onderdeel van de monitor van het regionaal programma (jongerenperspectief – vragenlijst onder jongeren na afronding van een traject over het nut van en tevredenheid over de geboden begeleiding). 5. Verantwoording en monitoring door projectaanvragers Projectaanvragers leveren bij hun aanvraag: 45
d. Voor een maatregel die wordt uitgevoerd op een onderwijsinstelling: Wordt er geen onderscheid gemaakt op basis van de woonplaats van de jongere? Voor overige maatregelen: Wordt er geen onderscheid gemaakt op basis van de gemeente binnen de Doorstroompuntregio waar een jongere woont? Indien dit wel gebeurt, waarom is een dergelijk onderscheid noodzakelijk? e. Waarom is de maatregel aanvullend op de wettelijke taken van onderwijsinstellingen en gemeenten?
Maatregel 9 Beschrijving maatregel
•
Een nulmeting van de beginsituatie, zowel kwantitatief als kwalitatief;
•
Concrete projectdoelen, passend bij de aard en opzet van het traject;
•
Documentatie die transparante monitoring van voortgang en resultaten mogelijk maakt.
In aanvulling op de kwantitatieve monitoring wordt ook kwalitatieve informatie verzameld via focusgroepen met begeleiders en ketenpartners. Deze sessies richten zich op procesmatige aspecten zoals samenwerking, succesfactoren, knelpunten en de doorwerking van de maatregel in de praktijk. Uitvoerders van de maatregel • Gemeenten (afdeling Werk en Inkomen, leerplicht en doorstroompunt) • Regionaal Werkcentrum Flevoland (vanaf 2026) • Werkgevers en brancheorganisaties • Jobcoaches, trajectbegeleiders en werkgeversdienstverlening • Onderwijsinstellingen • Jongerenwerk en maatschappelijke organisaties met een signaleringsfunctie. De maatregel is beschikbaar voor alle jongeren die in de regio Flevoland wonen. Er wordt binnen deze maatregel geen onderscheid gemaakt op basis van de woonplaats.
Waarom is de maatregel aanvullend op de wettelijke taken van onderwijsinstellingen en gemeenten? Hoewel het begeleiden van jongeren naar werk een wettelijke taak is van gemeenten, vraagt het bereiken begeleiden van de NEET-doelgroep om extra inzet. Deze maatregel biedt daarom een aanvullende impuls voor: • Versterking van de samenwerking tussen gemeenten, werkgevers, onderwijs en maatschappelijke partners; • Outreachend werken, gericht op jongeren die niet vanzelf in beeld komen; • Nazorg en begeleiding op de werkplek, die vaak buiten de standaard trajectduur valt; • Aanvullende jobcoaching en begeleiding; • Afstemming van begeleiding met het sociaal domein, zodat belemmeringen op andere leefgebieden (schulden, huisvesting, gezondheid) geen obstakel vormen voor werk. Bied aanvullende begeleiding bij overgang werk–werk Inhoud van de maatregel De overgang van onderwijs naar de arbeidsmarkt is voor veel jongeren een kwetsbare fase. Niet iedere jongere vindt direct een passende plek of beschikt over de benodigde vaardigheden en begeleiding om duurzaam deel te nemen aan de arbeidsmarkt. Dit geldt in het bijzonder voor jongeren uit het vso en pro met een uitstroomprofiel richting arbeid.
Het doel van deze maatregel is dat jongeren uit het vso en pro bij baanverlies tijdig en persoonlijk worden begeleid naar nieuw, passend en duurzaam werk, zodat zij niet terugvallen in werkloosheid of uit beeld raken. Door inzet op warme overdracht, gerichte begeleiding en nauwe samenwerking tussen werkgevers, Werkgeversservicepunten (WSP), gemeenten en onderwijsinstellingen, wordt de arbeidsparticipatie van deze doelgroep versterkt. 46
De maatregel richt zich op voormalige pro- en vso jongeren die na een eerste werkervaring te maken krijgen met baanverlies of -wisseling en daarbij ondersteuning nodig hebben. De begeleiding bestaat uit: • Ondersteuning bij de overstap naar nieuw werk, inclusief sollicitatiehulp en arbeidsmatching; • Jobcoaching en nazorg op de werkvloer in de eerste maanden na plaatsing; • Loopbaanbegeleiding gericht op doorontwikkeling en het vinden van vervolgonderwijs of kwalificaties; • Ondersteuning bij het voorkomen van herhaald uitval of terugval in werkloosheid • Afstemming met werkgevers om begeleiding te verankeren op de werkplek. Deze aanpak draagt bij aan het voorkomen van NEET-situaties, het behoud van arbeidsritme en het vergroten van zelfredzaamheid onder jongeren. Daarnaast helpt het om regionale arbeidsmarktkrapte te verminderen, doordat jongeren sneller en beter worden gematcht op functies in kansrijke sectoren. Jaarlijks stromen landelijk circa 2.500 tot 3.100 jongeren uit het vso uit met het uitstroomprofiel arbeidsmarkt. In het schooljaar 2022–2023 had 44% van deze jongeren direct na uitstroom werk (OCW, 2024). Er is echter onvoldoende inzicht in het baanbehoud binnen deze doelgroep, noch in de mate waarin zij van baan wisselen of uitvallen.
a. De maatregel is gericht op jongeren die: 1. geen onderwijs volgen; 2. geen werk hebben; of 3. een groot risico hebben op het niet volgen van onderwijs of het niet hebben van werk b. Er is een duidelijke relatie tussen de regionale analyse en de maatregel
Op basis van de wettelijke verplichting tot twee jaar aanvullende loopbaanbegeleiding na uitstroom (door vso- en pro-instellingen, in samenwerking met gemeenten), ontstaat in de praktijk informatie over: • De mate van baanbehoud bij deze doelgroep • Redenen waarom jongeren hun baan (dreigen te) verliezen Deze inzichten worden benut om de effectiviteit van de begeleiding te vergroten en waar nodig het ondersteuningsaanbod aan te passen. Doelgroep van de maatregel Deze maatregel richt zich op oud-leerlingen van pro- of vso-scholen tot 27 jaar die actief waren op de arbeidsmarkt, maar hun baan hebben verloren (vanwege ontslag of niet verlengen contract) en moeite hebben met doorstroom naar nieuw werk.
Relatie tussen de regionale analyse en de maatregel De regionale analyse Flevoland (2025) laat zien dat de arbeidsmarkt in Flevoland krap is, met hardnekkige personeelstekorten in sectoren zoals zorg, techniek, logistiek en ICT. Tegelijkertijd blijkt dat jongeren uit het pro en vso relatief vaak instromen in tijdelijke functies, waarin contractbeëindiging of ontslag veel voorkomt. Hierdoor ontstaat een mismatch: terwijl werkgevers dringend personeel zoeken, valt een deel van de jongeren met arbeidsvermogen af zodra een eerste baan wegvalt. De analyse benadrukt dat deze groep jongeren onvoldoende profiteert van de regionale arbeidsmarktkansen, omdat zij zonder ondersteuning moeite hebben zelfstandig opnieuw werk te vinden, minder snel worden opgepakt door reguliere dienstverlening, en weinig toegang hebben tot sociale netwerken of werkgeverscontacten. Daarnaast signaleert de Regionale Analyse Flevoland (2025) dat jongeren die vanuit een kwetsbare positie uitstromen naar de arbeidsmarkt, bij verlies van werk vaak onzichtbaar worden. Zij melden zich niet altijd tijdig 47
bij W&I of het WSP, waardoor zij uit beeld raken en onnodig lang thuis komen te zitten. Dat vergroot het risico op uitval, schulden, psychische klachten en uiteindelijk NEET-status. Juist in Flevoland, waar het aandeel NEET-jongeren hoger ligt dan in vergelijkbare regio’s, vormt dit een knelpunt.
c. Wat is het beoogde maatschappelijk effect van de maatregel? Waaruit blijkt dat de maatregel effectief is, of hoe wordt dit tijdens de looptijd van het programma geëvalueerd?
Deze maatregel geeft een antwoord op die knelpunten door gericht werknaar-werk-ondersteuning te bieden voor jongeren uit het pro en vso, specifiek op het moment dat zij hun baan verliezen. Door snelle opvolging, warme overdracht en gerichte bemiddeling naar sectoren met grote vraag, worden deze jongeren niet alleen behouden voor de arbeidsmarkt, maar worden ook de regionale personeelstekorten verlicht. Beoogd maatschappelijk effect van de maatregel Het doel van de maatregel is dat voormalige jongeren vanuit vso-pro betere begeleiding krijgen bij de overgang van werk naar werk, waardoor minder jongeren uitvallen en jeugdwerkloosheid afneemt. De effectiviteit van de maatregel wordt gemonitord aan de hand van de volgende indicatoren: 1. Het aantal jongeren dat wordt bereikt met deze maatregel 2. Het aandeel jongeren dat begeleiding heeft ontvangen en na een jaar actief is op de arbeidsmarkt 3. De tevredenheid van jongeren met de begeleiding Hieronder wordt per indicator uitgewerkt hoe dit zal worden gemonitord: 1. Het aantal jongeren dat wordt bereikt met deze maatregel Op dit moment is het niet mogelijk om een betrouwbare inschatting te maken van de omvang van de doelgroep. Wel is het uitgangspunt dat alle jongeren die deze ondersteuning nodig hebben, toegang krijgen tot passende begeleiding.
Bij aanvang van het project wordt de projectaanvrager gevraagd een nulmeting te verrichten en een inschatting te geven van het aantal beoogde deelnemers. Op basis van deze gegevens en de eerste monitoringsresultaten worden in 2027 streefwaarden vastgesteld voor de daaropvolgende jaren. 2. Het aandeel jongeren dat begeleiding heeft ontvangen en na een jaar actief is op de arbeidsmarkt Het streven is dat minstens 80% van de jongeren 12 maanden na de start van het traject actief is op de arbeidsmarkt. Aan het einde van ieder monitoringsjaar worden (als onderdeel van de monitoring van het regionaal programma) deze gegevens gedeeld met de coördinatoren van het regionaal programma. 3. De tevredenheid van jongeren met de begeleiding Er wordt naar gestreefd dat 80 procent van de jongeren na afronding van de begeleiding aangeeft tevreden te zijn met de begeleiding. Dit wordt uitgevraagd als onderdeel van de monitor van het regionaal programma (jongerenperspectief – vragenlijst onder jongeren na afronding van een traject over het nut van en tevredenheid over de geboden begeleiding). 4. Verantwoording en monitoring door projectaanvragers Projectaanvragers leveren bij hun aanvraag:
•
Een nulmeting van de beginsituatie, zowel kwantitatief als kwalitatief;
•
Concrete projectdoelen, passend bij de aard en opzet van het traject;
48
•
d. Voor een maatregel die wordt uitgevoerd op een onderwijsinstelling: Wordt er geen onderscheid gemaakt op basis van de woonplaats van de jongere? Voor overige maatregelen: Wordt er geen onderscheid gemaakt op basis van de gemeente binnen de Doorstroompuntregio waar een jongere woont? Indien dit wel gebeurt, waarom is een dergelijk onderscheid noodzakelijk? e. Waarom is de maatregel aanvullend op de wettelijke taken van onderwijsinstellingen en gemeenten?
Documentatie die transparante monitoring van voortgang en resultaten mogelijk maakt.
In aanvulling op de kwantitatieve monitoring wordt ook kwalitatieve informatie verzameld via focusgroepen met begeleiders en ketenpartners. Deze sessies richten zich op procesmatige aspecten zoals samenwerking, succesfactoren, knelpunten en de doorwerking van de maatregel in de praktijk. Uitvoerders van de maatregel • Gemeenten (afdeling Werk & Inkomen, leerplicht/doorstroompunt) • Pro- en vso-scholen • Werkgevers en leerbedrijven • Jobcoaches en trajectbegeleiders • Regionaal Werkcentrum Flevoland (vanaf 2026) De maatregel is beschikbaar voor alle jongeren die in de regio Flevoland wonen en/of in Flevoland naar school gaan. Er wordt binnen deze maatregel geen onderscheid gemaakt op basis van de woonplaats of ingeschreven onderwijsinstelling van de jongere.
Waarom is de maatregel aanvullend op de wettelijke taken van onderwijsinstellingen en gemeenten? Vso- en pro-instellingen hebben een wettelijke taak om jongeren tot twee jaar na uitstroom te begeleiden richting en op de arbeidsmarkt, in samenwerking met gemeenten. Deze begeleiding richt zich echter primair op de overgang van onderwijs naar werk. De bestaande begeleiding schiet tekort bij: • Jongeren die na uitstroom naar werk hun baan verliezen of dreigen te verliezen; • Jongeren met multiproblematiek, een zwakke arbeidsmarktpositie of beperkte zelfredzaamheid; • Het realiseren van duurzame arbeidsparticipatie na een eerste baan. Gemeenten zijn verantwoordelijk voor de ondersteuning van jongeren via het participatiebeleid. Voor jongeren uit het vso en pro die hun baan verliezen, is vaak intensieve en langdurige begeleiding nodig. Deze doelgroep heeft regelmatig beperkte schoolse, sociale en arbeidsvaardigheden en kampt vaker met multiproblematiek. De benodigde begeleiding overstijgt vaak de reguliere capaciteit van gemeenten. Bestaande voorzieningen zijn meestal niet ingericht op directe, persoonlijke ondersteuning bij werk-naar-werktrajecten voor deze jongeren.
Maatregel 10 Beschrijving maatregel
Deze maatregel gaat verder dan genoemde wettelijke verantwoordelijkheden binnen de Participatiewet en de reguliere taken van onderwijsinstellingen of werkgevers. Bovenwettelijk is met name de proactieve opvolging van jongeren die hun werk verliezen, ook wanneer zij (nog) geen beroep doen op een uitkering en dus niet automatisch in beeld komen bij gemeenten. Daarnaast is het ontwikkelen van een regionale werk-naar-werk aanpak, inclusief warme overdrachten en domeinoverstijgende samenwerking, niet wettelijk verplicht. Implementeer de wet Van School naar Duurzaam Werk Inhoud van de maatregel
49
Deze maatregel richt zich op het versterken van de randvoorwaarden voor een succesvolle uitvoering van maatregelen 1 tot en met 9. Het doel is om de uitvoering duurzaam, professioneel en samenhangend te organiseren, zodat jongeren beter worden ondersteund bij hun ontwikkeling van school naar werk.
a. De maatregel is gericht op jongeren die: 1. geen onderwijs volgen; 2. geen werk hebben; of 3. een groot risico hebben op het niet volgen van onderwijs of het niet hebben van werk
b. Er is een duidelijke relatie tussen de regionale analyse en de maatregel
Centraal staan: • Gezamenlijke professionalisering en deskundigheidsbevordering van professionals binnen onderwijs, gemeenten, doorstroompunten en het sociaal domein, bijvoorbeeld via scholing, training, intervisie en kennisuitwisseling. • Ontwikkeling en beheer van een gezamenlijke digitale infrastructuur, waaronder systemen zoals De Overstap en GRIP Connect van Intergrip, Dashboard vsv, het loopbaaninstrument van Paspoort voor Succes en de website van het Regionaal Programma, die informatie-uitwisseling en samenwerking ondersteunen. • Na de implementatie van De Overstap volgt een nader onderzoek met de werkgroep v(s)o-mbo naar de inzet van het doorstroomdossier, om gegevensuitwisseling tussen instellingen verder te optimaliseren. • Opzet en coördinatie van een regionaal leernetwerk, waarin onder andere onderwijsinstellingen, gemeenten (W&I, leerplicht en doorstroompunten) gezamenlijk leren, ervaringen delen en vernieuwende werkwijzen ontwikkelen. • Jongerenparticipatie, zodat de maatregelen binnen het regionale programma goed aansluiten bij de ervaringen, wensen en behoeften van jongeren zelf. • Monitoring, evaluatie en effectmeting, gericht op het volgen van de voortgang, het meten van de maatschappelijke impact en het waarborgen van de kwaliteit van uitvoering.
Door deze randvoorwaarden te versterken, wordt de uitvoeringskracht van het Regionaal Programma 2026-2029 vergroot en de continuïteit en kwaliteit van de begeleiding van jongeren geborgd. Doelgroep van de maatregel De maatregel richt zich op professionals die betrokken zijn bij de begeleiding van jongeren in de leeftijd van 12 tot 27 jaar. Het betreft jongeren die: • Schoolgaand of niet-schoolgaand zijn; • Met of zonder startkwalificatie; • Werkend zijn of op zoek naar werk. De professionals kunnen werkzaam zijn binnen: • Onderwijsinstellingen (vo, mbo, pro, vso); • Gemeenten; • Leerplicht en doorstroompunten; • Werkgevers en werkgeversnetwerken; • Het sociaal domein (zoals jeugdhulp, welzijn, schuldhulpverlening). Deze maatregel is dus indirect gericht op jongeren die geen onderwijs volgen, geen werk hebben of een groot risico hebben op het niet volgen van onderwijs of het niet hebben van werk. Relatie tussen de regionale analyse en de maatregel Uit de regionale analyse Flevoland (2025) blijkt dat de regio Flevoland te maken heeft met een toenemende diversiteit in de doelgroep jongeren, waaronder nieuwkomers en jongeren met multiproblematiek. Daarnaast neemt het aandeel vsv en het aandeel NEET-jongeren de afgelopen jaren toe. De uitvoering van maatregelen 1 t/m 9 vraagt van professionals meer handelingsbekwaamheid, samenwerking over domeinen heen en het
50
c. Wat is het beoogde maatschappelijk effect van de maatregel? Waaruit blijkt dat de maatregel effectief is, of hoe wordt dit tijdens de looptijd van het programma geëvalueerd?
vermogen om data en signalen beter te benutten voor gerichte ondersteuning. Om deze transitie te laten slagen, zijn goed toegeruste professionals en ondersteunende systemen essentieel. Deze maatregel biedt de basis om dat mogelijk te maken door: • Te investeren in deskundigheid en kennisdeling, • Digitale en organisatorische samenwerking te versterken, • De stem van jongeren actief te betrekken bij beleidsontwikkeling en uitvoering. Beoogd maatschappelijk effect van de maatregel Deze maatregel draagt bij aan het opbouwen van een duurzaam, professioneel en samenwerkend netwerk van partners dat in staat is jongeren effectief te begeleiden richting onderwijs, werk en maatschappelijke participatie. Door in te zetten op samenwerking, gedeelde verantwoordelijkheid en kennisdeling, worden de voorwaarden versterkt voor een blijvend effect op jongeren in kwetsbare posities. Verwachte maatschappelijke effecten: • Verbeterde kwaliteit en samenhang in begeleidingstrajecten; • Versterkte samenwerking tussen onderwijs, gemeenten, werkgevers en het sociaal domein; • Effectievere en snellere signalering van risico’s; • Verhoogde betrokkenheid van jongeren bij beleid en uitvoering; • Versterking van kennisdeling, ook bij personele wisselingen; • Beter functionerende digitale en organisatorische infrastructuur.
Streefdoelen binnen de looptijd van de maatregel: • Professionals ervaren in toenemende mate betere afstemming en samenwerking; • Jongeren geven aan zich meer gehoord en betrokken te voelen bij hun begeleidingstraject; • Er is sprake van een zichtbare toename in gedeeld eigenaarschap tussen netwerkpartners; • Informatie-uitwisseling tussen partners wordt als laagdrempeliger en effectiever ervaren; • Professionals geven aan dat ondersteuning beter aansluit bij de praktijk; • Beleidsmakers en uitvoerders herkennen een groei in gezamenlijke leer- en verbetercultuur. Merkbare, maar minder kwantificeerbare effecten: Omdat deze maatregel zich richt op de versterking van randvoorwaarden, zijn veel resultaten kwalitatief van aard, zoals: • Verbetering in onderlinge samenwerking en vertrouwen; • Positievere ervaringen van jongeren; • Duidelijker inzicht in verantwoordelijkheden en ondersteuningsstructuren; • Toename van de professionaliseringsbehoefte onder medewerkers. Monitoring via focusgroepen Om deze effecten systematisch in beeld te brengen, worden gedurende de programmaperiode focusgroepen ingezet als kwalitatief monitoringsinstrument: 1. Professionals uit onderwijs en gemeenten – voor signalen over samenwerking, uitvoerbaarheid en werkdruk; 2. Jongeren – voor ervaringen, behoeften en belemmeringen vanuit hun perspectief;
51
3. Netwerkpartners / beleidsmakers – voor reflectie op bestuurlijke en organisatorische randvoorwaarden. De eerste ronde focusgroepen vindt plaats in schooljaar 2026–2027. De inzichten uit deze bijeenkomsten worden gebruikt om: • Beleidsaanpassingen door te voeren; • Gerichte interventies te ontwikkelen; • Samenwerking en randvoorwaarden verder te versterken.
d. Voor een maatregel die wordt uitgevoerd op een onderwijsinstelling: Wordt er geen onderscheid gemaakt op basis van de woonplaats van de jongere? Voor overige maatregelen: Wordt er geen onderscheid gemaakt op basis van de gemeente binnen de Doorstroompuntregio waar een jongere woont? Indien dit wel gebeurt, waarom is een dergelijk onderscheid noodzakelijk? e. Waarom is de maatregel aanvullend op de wettelijke taken van onderwijsinstellingen en gemeenten?
In de jaren daarna worden de focusgroepen herhaald. Hierbij wordt specifiek ingezoomd op de voortgang op eerder gesignaleerde knelpunten. Op deze manier draagt de maatregel actief bij aan een lerende uitvoeringspraktijk binnen het regionale programma. Uitvoerders van de maatregel • Coördinatoren van het Regionaal Programma 2026-2029: Programmamanager VSV, doorstroompuntcoördinator, arbeidsmarktcoördinator en netwerkcoördinator vso/pro • Onderwijsinstellingen (vo, vso, pro, mbo, ISK en VAVO) • Gemeenten (afdeling Werk & Inkomen, leerplicht/doorstroompunt) • Intergrip / Paspoort voor Succes • Regionaal Werkcentrum Flevoland (vanaf 2026) • Overige partners binnen het regionale leernetwerk
Waarom is de maatregel aanvullend op de wettelijke taken van onderwijsinstellingen en gemeenten? Hoewel professionalisering, samenwerking en monitoring onderdeel zijn van reguliere taken, reiken de ambities van deze maatregel verder dan de basisinspanning. De maatregel is aanvullend omdat zij: • Regionale afstemming en gezamenlijke kennisontwikkeling organiseert; • Domeinoverstijgende samenwerking versterkt tussen onderwijs, gemeente, arbeidsmarkt en sociaal domein; • Digitale systemen ontwikkelt en onderhoudt die gegevensdeling en voortgangsmonitoring mogelijk maken; • Extra middelen en organisatiekracht inzet voor deskundigheidsbevordering, gezamenlijke reflectie en innovatie; • Jongerenparticipatie borgt in de uitvoering van beleid.
52
6. Begroting Algemeen budget
Budget contactschool
Budget contactgemeente
Evt. overig budget
€ 1.329.552 Overhead: € 100.000
€ 1.584.512
Totaal: € 1.216.629.
Budget maatregel 1
Budget contactschool € 711.211
Het overige budget bestaat uit de verdeling van de extra specifieke uitkering Regionaal programma voortijdig schoolverlaten (beschikt op 29.04.2025). Dit is een bedrag van € 1.116.629. Daarnaast is er een restant € 100.000,- uit het voormalige programma overgeheveld naar het Regionaal Programma 2026 – 2029. Budget Evt. overig contactgemeente budget € 25.000 € 349.502
Budget maatregel 2
Budget contactschool
Budget contactschool
Evt. overig budget
€ 250.000
€ 6.089
€ 125.000
Budget maatregel 3
Budget contactschool € 147.924
Budget contactgemeente € 62.919
Evt. overig budget € 79.718
Budget maatregel 4
Budget contactschool
Budget contactgemeente € 124.575
Evt. overig budget
Budget maatregel 5
Budget contactschool € 20.417
Budget contactgemeente € 199.600
Evt. overig budget € 161.478
Budget maatregel 6
Budget contactschool
Budget contactgemeente € 114.633
Evt. overig budget € 18.239
Budget maatregel 7
Budget contactschool
Budget contactgemeente € 324.000
Evt. overig budget € 86.546
Budget maatregel 8
Budget contactschool
Budget contactgemeente € 446.289
Evt. overig budget € 201.146
Budget maatregel 9
Budget contactschool € 100.000
Budget contactgemeente
Evt. overig budget
Budget maatregel 10
Budget contactschool
Budget contactgemeente € 281.407
Evt. overig budget € 195.000
Eventuele toelichting bij begroting
De regio Flevoland staat aan de vooravond van een fundamentele transitie: de overgang van een verdeling van middelen op basis van vaste verdeelsleutels naar een werkwijze waarbij waarin financiering wordt 53
toegekend op basis van actuele regionale opgaven. Deze opgavegerichte benadering vraagt om een gefaseerde invoering met ruimte voor een overgangsperiode. Om deze overgang zorgvuldig vorm te geven, is ervoor gekozen om in de periode van 1 januari tot 1 augustus 2026 zowel de bestaande verdeelsleutel te hanteren als de extra middelen opgavegericht in te zetten. Onder begeleiding van KBA Nijmegen zijn verschillende scenario’s uitgewerkt om de overgang van verdeelsleutel naar opgavegericht werken zorgvuldig vorm te geven. KBA Nijmegen adviseert de bestaande verdeelsleutel in 2026 volledig te handhaven, en het additionele budget opgavegericht in te zetten, zodat vanaf 2027 volledig gestart kan worden met opgavegericht werken. In het bestuurlijk overleg van 8 oktober 2025 hebben de bestuurders besloten dit proces te willen versnellen. De regionale analyse onderstreept dat de regio Flevoland voor een grote opgave staat en dat een andere werkwijze noodzakelijk is. Op basis daarvan is besloten om per 1 augustus 2026 volledig opgavegericht te gaan werken. De regio Flevoland heeft tot 1 april 2026 de tijd om de projectaanvragen in te dienen. Dit loopt samen met de toekenning van het regionaal programma. In mei 2026 vindt de toekenning plaats, zodat partijen zich kunnen voorbereiden op een start van uitvoering per 1 augustus 2026.
Na indiening van de aanvraag kunnen de budgetten van de contactschool en de contactgemeente binnen de afzonderlijke maatregelen worden herverdeeld. Deze verschuivingen blijven binnen de betreffende maatregel en hebben geen invloed op de totale budgetverdeling tussen maatregelen. De reden hiervoor is dat de contactschool werkt volgens het G2verantwoordingsprotocol. Dit protocol vereist een jaarlijkse accountantscontrole per partij, ongeacht de hoogte van het bedrag. Om te voorkomen dat ook kleine bedragen tot een afzonderlijke controle leiden, wordt gestreefd naar een werkwijze waarin kleinere bedragen via de contactgemeente worden beschikt. Hiervoor geldt een drempelbedrag voor een accountantscontrole van € 125.000,-. De overheadkosten worden ingezet voor de programmamanager VSV en overige uitvoeringskosten van de contactschool. Tegelijkertijd is het van belang voldoende flexibiliteit te behouden om in te kunnen spelen op actuele ontwikkelingen en prioriteiten. Afwijken van de oorspronkelijke budgetverdeling per maatregel is wenselijk in de volgende situaties: • Aanwezigheid van voorliggende voorzieningen: wanneer bij de totstandkoming van het programma bepaalde lokale of regionale voorzieningen niet zijn meegenomen, maar inmiddels wel (deels) voorzien in de betreffende behoefte.
• Inhoudelijke noodzaak: wanneer een projectaanvraag aantoonbaar sterk bijdraagt aan het realiseren van de doelstellingen (bijv. een significante vermindering van vsv), maar binnen de standaard budgetverdeling buiten toekenning zou vallen. • Gebrek aan kwalitatief goede aanvragen binnen een maatregel: indien binnen een bepaalde maatregel onvoldoende inhoudelijk sterke of uitvoerbare aanvragen worden ingediend, kunnen middelen worden verschoven naar maatregelen waarin wél kwalitatief goede projecten zijn voorgesteld. • Behoefte aan aanvullende inzet op urgente thema’s: bijvoorbeeld bij nieuwe ontwikkelingen (zoals stijgende jeugdwerkloosheid, mentale problematiek of een toename in NEET-jongeren), kan aanvullende financiering nodig zijn, ongeacht de oorspronkelijke verdeling. • Bevordering van integraliteit: indien een project zich uitstrekt over meerdere maatregelen of sectoren en aantoonbaar bijdraagt aan het 54
verminderen van vsv en/of neet, kan een bredere financiële dekking noodzakelijk zijn. Afwegingen om van de budgetverdeling af te wijken worden gemotiveerd en afgestemd binnen het Tactisch Beleidsoverleg en vastgesteld door het Strategisch Bestuurlijk Overleg. Wijzigingen worden onderbouwd gecommuniceerd aan het ministerie van OCW.
55
7. Literatuur De Beleidsonderzoekers. (2022). Format overdrachtsdossier jongeren uit het pro, vso en mbo. Geraadpleegd via https://www.debeleidsonderzoekers.nl Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap. (2025). Regeling regionaal programma en Doorstroompuntfunctie 2026–2029 (Staatscourant 2025, nr. 32769). Den Haag: Ministerie van OCW. Inspectie van het Onderwijs. (2023). De Staat van het Onderwijs 2023. Utrecht: Inspectie van het Onderwijs. Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap. (2022). Voortijdig schoolverlaten in beeld: Regionale cijfers en trends 2021-2022. Den Haag: OCW. Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. (2024). Voortgangsrapportage Werken aan perspectief voor jongeren. Den Haag: SZW. NRO & KBA Nijmegen. (2023). Effecten van onderwijs-zorgarrangementen voor jongeren met complexe ondersteuningsbehoeften. Nijmegen: KBA. SZW & OCW. (2023). Handreiking Regionale Aanpak Jeugdwerkloosheid 2023–2026. Den Haag: Ministerie van SZW / Ministerie van OCW. VNG. (2024). Samen werken aan een sluitende aanpak voor jongeren: Praktijkvoorbeelden en richtlijnen. Geraadpleegd via https://www.vng.nl
56
8. Ondertekening Handtekening contactschool
De heer M.J. Vlasblom Functie: Voorzitter directie ROC van Flevoland Datum: 12 januari 2026 Handtekening:
Handtekening contactgemeente
Mevrouw M. Veeningen Functie: Wethouder Datum: Handtekening:
Handtekening centrumgemeente(n) overlappend met de Doorstroompuntregio
Mevrouw M. Veeningen Functie: Wethouder Datum: Handtekening:
1. Eventuele overige opmerkingen
57