D02 03 Contextanalyse najaar 2024.pdf
Tekst van het document
Daarom vindt de ACM het belangrijk dat warmtegebruikers goed worden beschermd en spitst het onderzoek toe op warmteleveranciers die een hoog financieel rendement behalen. Transitievisies Warmte (TVW’s) PBL heeft de Transitievisies Warmte (TVW’s) van Nederlandse gemeenten geanalyseerd 3 op drie aspecten: welke plannen voor de verduurzaming van gebouwen bevatten de TVW’s, welke voorwaarden en obstakels hebben gemeenten daarbij aangetekend, en welke mogelijke effecten kunnen deze plannen teweegbrengen in het licht van de nationale doelstellingen voor verduurzaming van de gebouwde omgeving. Hiervoor zijn de TVW’s van 338 van de 352 gemeenten geanalyseerd. Uit deze analyse blijkt dat gemeenten het doel van een aardgasvrije gebouwde omgeving breed onderschrijven. Het belangrijkste nationale doel voor de TVW’s is om 1,5 miljoen woning-equivalenten te verduurzamen voor 2030. Voor duurzame warmte installaties hebben de plannen in de TVW’s een maximale potentie van 1 miljoen woningequivalenten. Daarnaast zijn er ook 0,7 miljoen woningequivalenten waarvoor isolatiemaatregelen worden voorzien. Dit zou tezamen een emissiereductie kunnen opleveren van circa 2,1 megaton CO2-equivalenten ten opzichte van 2020. De status van deze plannen is echter vaak nog onderzoekend of voorbereidend, en slechts een kwart is al klaar voor de uitvoerende fase.
3 https://www.pbl.nl/sites/default/files/downloads/pbl-2023-overzicht-transitievisies-warmte-signalen-
obstakels-potentieel_5051.pdf
Contextanalyse, najaar 2024
35
Aandeel gemeenten naar type einddoel in Transitievisies Warmte. Op basis van de plannen in de TVW’s eind 2021/begin 2022, is de verwachting dat deze een beperkte bijdrage leveren aan de nationale doelstellingen voor 2030. De potentie voor na 2030 is groter maar voor beide geldt een grote bandbreedte van onzekerheid. Bij de volgende actualisatie van de TVW’s, aangekondigd voor 2026, zullen plannen concreter en uitgebreider moeten worden. Nationaal Programma Lokale Warmtetransitie In 2018 startte het interbestuurlijk Programma Aardgasvrije Wijken (PAW), met als doel te leren hoe de wijkgerichte aanpak kan worden ingericht en opgeschaald. In drie rondes zijn 66 proeftuinen geselecteerd en gestart, gedeeltelijk bekostigd middels een bijdrage vanuit het Rijk. Jaarlijks is dit leerproces gemonitord. Met het vaststellen van de Transitievisie Warmte (TVW) is in bijna alle gemeenten een nieuwe fase aangebroken voor de lokale warmtetransitie, namelijk die van het in uitvoering brengen van deze visies. Vanaf 1 januari 2023 is het Nationaal Programma Lokale Warmtetransitie (NPLW) opgericht om gemeenten hierbij te gaan ondersteunen. De kennis- en leeractiviteiten van het PAW en het ophalen van de lessen van de geselecteerde proeftuinen worden voortgezet onder de noemer van NPLW.
Realisatie warmtenetten Energiebedrijven hebben door de opgelopen bouwkosten en een dalende energievraag een streep gezet door diverse nieuwe projecten voor stadswarmte. Zij voorzien grote financiële schade. Energieleverancier Vattenfall verwacht dat het bedrijfsresultaat in 2024 twee derde lager uitvalt dan begroot. Eneco en Ennatuurlijk zeggen enkele miljoenen te moeten afschrijven. Collectieve warmte wordt als duurzaam alternatief voor verwarming op gas, met name in steden gezien. Warmte stroomt via leidingnetwerken naar huizen. Na de cv-ketel (83% van de woningen) is stadswarmte (6%) op dit moment de meest gebruikte vorm van verwarming in Nederland. Woningcorporaties, gemeenten en energiebedrijven hebben afspraken gemaakt over het aansluiten van honderdduizenden huizen op stadswarmte, om de klimaatdoelen te halen. Eneco, Vattenfall en Ennatuurlijk zijn de drie grootste stadswarmteleveranciers in Nederland, goed voor driekwart van alle aansluitingen. Zij zijn gestopt met nagenoeg alle grote nieuwe warmteprojecten, omdat die niet langer winstgevend zijn. Van de ongeveer 400.000 voor de komende jaren geplande aansluitingen gaat zeker 80% niet door. De kosten voor het aanleggen van de netten zijn door inflatie gestegen en de landelijke vraag naar energie daalt.
Tijdens de energiecrisis hebben veel mensen hun huizen geïsoleerd en Nederland heeft mildere winters door klimaatverandering. Energiebedrijven investering niet langer in nieuwe netten. Het
Contextanalyse, najaar 2024
36
wetsvoorstel Wet collectieve warmte bepaalt dat warmteleveranciers in publiek bezit moeten komen, terwijl zij nu goeddeels in private handen zijn. Uit vrees voor onteigening en miljoenenverlies staakte Eneco al projecten in Utrecht en Rotterdam. Vattenfall sluit in Amsterdam geen bestaande woonwijken meer aan. Energieleverancier Ennatuurlijk gaat van 180.000 geplande aansluitingen in de komende drie jaar naar maximaal 10.000. Ondanks de zorgen is energielevering aan bestaande stadswarmteklanten niet in gevaar, zeggen de drie energiebedrijven. Anders dan bij gas en stroom kunnen klanten niet overstappen naar een andere leverancier. Om huishoudens te beschermen tegen deze monopolies bepaalt toezichthouder Autoriteit Consument & Markt (ACM) ieder jaar een maximumtarief. Het nieuwe kabinet kan een belangrijke rol spelen door investeringsrisico’s weg te nemen, menen de energiebedrijven. Volgens Vattenfall kunnen de investeringen in nieuwe stadswarmtenetten gesocialiseerd worden door alle Nederlanders via de energierekening mee te laten betalen. Nu betalen alleen de huidige stadswarmteklanten, maar de energietransitie is een verantwoordelijkheid van ons allemaal. De ACM vindt de maatregelen die zijn voorgesteld om de warmtetarieven te dempen “uitvoerbaar en handhaafbaar”. De toezichthouder waarschuwt dat het dempende effect niet betekent dat de tarieven daadwerkelijk zullen dalen.
Het betreft hier een zogenoemde Nota van wijziging bij het huidige Warmtebesluit, dat hoort bij de huidige Warmtewet. De wijziging is geen onderdeel van de nieuwe Warmtewet, de Wet collectieve warmte, die in juni naar de Tweede Kamer is gestuurd. De warmtetarieven kwamen in 2024 hoog op de agenda te staan, na publieke twijfel bij Amsterdamse en Rotterdamse woningcorporaties om nog woningen op warmtenetten aan te sluiten. Het leidde tot het nemen van twee maatregelen: ten eerste om de gasbelasting uit de berekening voor het maximale warmtetarief halen (in de huidige wet is het warmtetarief immers gebaseerd op de prijs van aardgas), en ten tweede een ander cv ketel-onderhoudscontract gebruiken als referentie. De voorgestelde aanpassing van de maximumtarieven voor de eindgebruikers houdt echter geen rekening met de kostenontwikkeling bij bedrijven. Daardoor dalen de inkomsten en daarmee de rendementen van publieke en private warmtebedrijven. Dat maakt investeren lastig en duur en zet leveringszekerheid onder druk. De aangepaste peilmomenten kunnen echter pas in de maximumtarieven van 2026 worden verwerkt, stelt de ACM. Peilmomenten zijn de momenten waarop de ACM gasleveranciers naar hun tarief vraagt, om daar vervolgens de maximumtarieven voor warmte op te baseren.
In de huidige, vigerende Warmtewet bestaat een koppeling tussen de gasprijs en de warmteprijs, vanuit de gedachte dat een warmteklant nooit duurder uit mag zijn dan iemand die zij huis met aardgas verwarmt. Dat staat algemeen bekend als het ‘niet meer dan anders’ principe. Wanneer de nieuwe Warmtewet van kracht wordt, de Wet collectieve warmte, wordt deze koppeling losgelaten. Maar zolang die nieuwe Warmtewet nog niet geldt, bestaat dit principe dus nog. Normaal wordt op één peilmoment ergens in de periode november-december door de ACM gekeken naar de hoogte van aardgasprijs, om daar de maximale warmtetarieven voor het volgende jaar op te baseren. Het is aan huidige kabinet en de minister van Klimaat en Groene Groei om de wijzigingen van het Warmtebesluit definitief te maken. HVC en warmtenetten In de onderstaande grafiek is de groei van het aantal warmteklanten in woningequivalenten (WEQ) weergegeven tot medio september 2024. Naast de daadwerkelijke groei van warmtenetten is de werkvoorraad op basis van gesloten contracten ruim 10.000 WEQ tot 2028 (peildatum medio september 2024) voor de gebouwde omgeving. Ook onderzoekt HVC bij diverse aandeelhouders of de aanleg van nieuwe warmtesystemen haalbaar is. Bijvoorbeeld in Rijswijk en Maassluis.
Contextanalyse, najaar 2024
37
Groei van aantal warmteklanten bij de warmtenetten van HVC. Subsidie warmtenetten De overheid heeft in het Klimaatakkoord de ambitie vastgesteld om tussen 2025 en 2030 jaarlijks 80.000 woningen aan te sluiten op een warmtenet. Om deze ontwikkeling te stimuleren komt een subsidie beschikbaar voor warmtebedrijven om te blijven investeren in nieuwe warmtenetten. De Warmtenetten Investeringssubsidie (WIS) staat in 2024 open van 1 juli tot en met 13 december. Er is een bedrag van € 400 miljoen beschikbaar gesteld. En vergoedt het deel van de investering dat zich niet terugverdient, de ‘onrendabele top’. De subsidie moet warmtebedrijven stimuleren om versneld te investeren in de aanleg van die warmtenetten en is voor bedrijven die snel kunnen starten met de aanleg van een warmtenet, en dus al ver zijn met hun plannen. De Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO.nl) voert de regeling uit in opdracht van het ministerie. Subsidieaanvragen worden door RVO.nl inhoudelijk beoordeeld op basis van het projectplan. HVC en WIS In de 1e tranche (2023) heeft HVC voor twee projecten in Monster en Den Helder een WIS subsidie ontvangen. Voor de openstelling van 2024 staat HVC op het punt om een aanvraag in te dienen voor Alkmaar (Rochdale) en worden mogelijkheden verkend in de Drechtsteden om gebruik te maken van de nieuwe subsidieronde.
3.5.3 Europese subsidies Het Europees innovatiefonds biedt overheden en bedrijven financiële stimulansen om te investeren in innovatieve koolstofarme technologieën. Het fonds wordt gefinancierd door de opbrengsten uit de emissierechten uit het bestaande EU-emissiehandelssysteem (ETS) voor de periode 2021-2030, wat goed is voor € 38 miljard aan subsidie. De Europese Commissie kent € 3,6 miljard toe aan 41 grootschalige projecten die innovatieve technologieën ontwikkelen voor schone energie in Europa. Vier Nederlandse projecten zijn in deze ronde geselecteerd en ontvangen een investering afkomstig uit het Europese Innovatiefonds. Het gaat hierbij om de volgende projecten:
Contextanalyse, najaar 2024
38
•
•
•
•
Het project “H2Sines.Rdam” wil hernieuwbare energie van de haven van Sines in Portugal naar de Rotterdamse haven verschepen, door vloeibare waterstof (LH2) voor het transport te gebruiken. Dit is een stap in de richting om zwaar zeevervoer koolstofvrij te maken. Het project “H2 Maasvlakte” bouwt een electrolyser voor groene waterstof, aangedreven door windenergie. De waterstofproductie is bedoeld voor afname in raffinaderijen in het Rotterdamse havengebied, bijvoorbeeld voor de productie van synthetische biobrandstoffen. Het project “EnergHys”, dat een complete waardeketen van opschaalbare hernieuwbare waterstofproductie wil opzetten, hoopt de mobiliteitssector en industriële klanten te helpen, die momenteel nog afhankelijk zijn van grijze waterstof (waterstof geproduceerd door fossiele brandstoffen). Het project “CFC Pilot for CCS” maakt gebruik van carbonaatbrandstofcellen (CFK’s) om CO 2stromen af te vangen en te concentreren, met als doel de effectieve kosten van koolstofafvang en -opslag te verlagen, met name in energie-intensieve industrieën.
3.5.4 Subsidies Nederland (SDE++, ISDE) SDE++ De Stimuleringsregeling Duurzame Energieproductie en Klimaattransitie (SDE++) is de belangrijkste subsidieregeling om door middel van de productie van duurzame energie, een reductie van de emissies van broeikasgassen te realiseren. De overheid heeft op 10 september 2024 de SDE++ regeling weer opengesteld. Dit jaar is er een openstellingsbudget beschikbaar van € 11,5 miljard (in 2023 € 8 miljard). Als het volledige budget wordt aangevraagd en gerealiseerd, levert dit volgens de overheid een verwachte CO2-besparing op van zo’n 4,7 Mton in 2030. De ‘hekjes’ die vorig jaar geïntroduceerd zijn in de SDE-regeling komen dit jaar ook terug. Met een hekje rond een deel van het budget wordt een minimumbedrag voor een specifiek domein gereserveerd. Daardoor komen technieken die op de korte termijn minder kosteneffectief zijn, maar op de langere termijn noodzakelijk zijn voor de energietransitie, vaker aan bod. De hekjes bestaan net als vorig jaar uit de domeinen Lage temperatuurwarmte, Hoge temperatuurwarmte en Moleculen. Vergassing van afval is een categorie die in 2024 in het kader van de SDE++ regeling nog niet wordt opengesteld.
Wel is vergassing van reststromen voor de productie van groen gas, methanol, transportbrandstoffen, chemicaliën of syngas met financiering vanuit het Klimaatfonds opgenomen als thema in de regeling Demonstratie Energie- en Klimaatinnovatie (DEI+), die in 2024 van 15 februari tot en met eind augustus open stond. ISDE Investeringssubsidie duurzame energie en energiebesparing (ISDE) is er voor woningeigenaren en zakelijke gebruikers. In 2024 is het budget verhoogd van € 560 miljoen naar € 600 miljoen. Elk jaar komt er nieuw budget beschikbaar. De ISDE loopt door tot 2030. Woningeigenaren kunnen subsidie aanvragen voor: • • • • • • •
isolatiemaatregelen warmtepompen zonneboilers aansluiting op warmtenet elektrische kookvoorzieningen en zakelijke gebruikers voor: warmtepompen
Contextanalyse, najaar 2024
39
• •
zonneboilers kleinschalige windturbines
HVC en subsidies HVC maakt gebruik van alle beschikbare instrumenten die beschikbaar zijn. De belangrijkste subsidie is de SDE++. Voor alle zon- en windprojecten die HVC opzet wordt deze toegepast. Fossiele subsidie De afgelopen tijd is een maatschappelijke discussie ontstaan over voordelen voor gebruikers van fossiele brand- en grondstoffen waardoor duurzame alternatieven onvoldoende tot stand kunnen komen. Voorbeelden van fossiele subsidies in Nederland zijn: • Vrijstellingen van belasting op kolen en gas om elektriciteit mee op te wekken. Alleen de gebruikers van die elektriciteit moeten belasting betalen en niet de producenten. •
Kortingen op de energiebelasting voor bedrijven in de glastuinbouw.
•
Lagere tarieven in de energiebelasting voor grootverbruikers van aardgas en elektriciteit.
•
Vrijstellingen van belastingen op kerosine, stookolie en diesel in de luchtvaart en de scheepvaart.
Het kabinet heeft afgesproken onderzoek te doen naar afbouw van de financiële prikkels voor fossiele brandstoffen en de financiële stimulering voor deze brandstoffen waar mogelijk te beëindigen, zoveel mogelijk in samenspraak met andere landen met oog op het voorkomen van weglek. Op basis van eigen onderzoek concludeert het kabinet dat in Nederland via belastingregeling jaarlijks tussen 39,7 miljard en 46,4 miljard euro aan ‘fossiele subsidies’ worden uitgekeerd. Het kabinet vindt afbouw hiervan noodzakelijk. In veel gevallen kan Nederland echter niet zelfstandig besluiten tot afschaffing bijvoorbeeld omdat het gaat om Europese afspraken waaronder de belastingvrijstelling op kerosine voor vliegtuigen en op stookolie voor de binnenvaart. Ook in andere landen worden ‘fossiele subsidies’ verleend. De Europese Rekenkamer publiceerde begin 2022 een rapport waarin stond dat meer dan de helft van de EU-landen meer subsidie verstrekt voor fossiele brandstoffen dan voor hernieuwbare energie, waardoor het EU-klimaatbeleid ondermijnd wordt. En in vrijwel al die landen gaat het met het afbouwen van die subsidies langzaam. De in opdracht van het kabinet opgestelde impactanalyses met betrekking tot het afschaffen van deze fossiele subsidies laten zien dat het afschaffen van fossiele subsidies een subtiele bezigheid is. De afschaffing van elke subsidie brengt risico's met zich mee.
In het Belastingplan 2023 zette het kabinet al een stap in de afbouw van fiscale en niet-fiscale regelingen die invloed hebben op fossiel energiegebruik. In het Belastingplan 2024 wordt een aantal fiscale regelingen (gefaseerd) afgeschaft, zoals de vrijstelling voor duaal gebruik van kolen in de staalproductie (per 2028), de vrijstelling in de energiebelasting voor metallurgische en mineralogische procedés (per 2025) en het verlaagd tarief in de energiebelasting voor de glastuinbouw. Daarnaast is afgesproken om de bestaande inputvrijstelling ten aanzien van de energiebelasting op aardgas voor toepassing in installaties voor zogenoemde Warmte-krachtkoppeling (WKK’s) te beperken.
Contextanalyse, najaar 2024
40
3.6 Energiemarkt Zowel de elektriciteits- als de gasmarkt vertonen na min of meer stabiele prijzen in 2023 een dalende tendens. Dit komt door een relatief zachte winter, goed gevulde gasopslagen en een hoog aanbod van windenergie. In september 2024 is de gemiddelde stroomprijs per 1 kWh € 0,28 inclusief btw en Energiebelasting. De precieze stroomprijs per kWh stroom verschilt per huishouden en is afhankelijk van het energiecontract.
3.6.1 Contracten Bij een dynamisch prijscontract staat de prijs voor gas en elektriciteit niet vast. Dagelijks krijgt de klant een overzicht van de prijzen voor stroom en gas voor de volgende dag. Gasprijzen staan meestal een hele dag vast; stroomprijzen kunnen per uur verschillen. Dit in tegenstelling tot een vast contract waar het tarief voor 1 jaar of langer vaststaat of een variabel contract waarbij het tarief vaststaat voor 1 tot 6 maanden. Bij een dynamisch contract ziet de gebruiker wanneer energie het goedkoopst is en kan daar zijn gebruik op afstemmen. In ruim een half jaar tijd is het aantal huishoudens met een dynamisch energiecontract fors gestegen, van ca. 100.000 (begin 2023) naar ca. 230.000 (september 2023). Alhoewel dit aantal ten opzichte van het totaal aantal huishoudens nog vrij gering is (ca. 3,5%), heeft deze sterke groei er wel toe geleid dat naast een aantal ‘niche-spelers’ (waaronder EnergyZero (ANWB), Frank Energie en Tibber) ook Eneco, dergelijke contracten aanbiedt. Het aantal aanbieders van dynamische contracten zal in de toekomst toenemen omdat de nieuwe Energiewet die vanaf 2025 moet ingaan, leveranciers met meer dan 200.000 klanten verplicht een dynamisch contract aan te bieden.
3.6.2 Ontwikkeling energieprijzen Per 1 december 2023 betalen huishoudens met een variabel contract tussen de € 1,20 en 1,50 per kuub en tussen de € 0,30 en 0,40 per kilowattuur voor stroom, inclusief belastingen. De stroomprijs valt in 2024 lager uit.
Bron: Energievergelijk.nl
Contextanalyse, najaar 2024
41
Begin 2024 ligt de gasprijs rond de € 1,32 per kuub vanwege de hogere energiebelasting. De stroomprijs valt juist wat lager uit, gezien daar het belastingtarief omlaag gaat. Per augustus 2024 is de gasprijs wat lager ten opzichte van begin 2024, met een gemiddelde prijs rond de € 1,27 per kuub.
Bron: Energievergelijk.nl De energieprijs laat zich in 2024 vooral bepalen door het weer, de Europese gasreserves, het aanbod van gas en vloeibaar gas (LNG) op de gasmarkt, gastoevoer vanuit Rusland, de geopolitieke situatie in het Midden-Oosten en de vraag naar gas vanuit Azië in het bijzonder China en India. Ook voor de langere termijn blijven de marktprijzen afhankelijk van vraag en aanbod. Factoren die van belang zijn voor de ontwikkeling van de energieprijzen: • Vraag naar gas vanuit Europa al dan niet afhankelijk van het weer •
De vraag naar LNG vanuit Azië en andere werelddelen
•
Aanbod van gas uit Noorwegen en andere delen uit de wereld
•
Aanbod van vloeibaar gas met name uit de VS en Qatar
•
Geopolitieke spanningen Midden-Oosten en Oekraïne
•
De gastoevoer vanuit Rusland
•
De ontwikkeling van de olieprijs
In 2022 zijn de energieprijzen van huishoudens en bedrijven gestegen. In 2023 stabiliseerden de prijzen zich maar wel op een hoger niveau dan daarvoor.
Contextanalyse, najaar 2024
42
Prijsontwikkelingen elektriciteitsmarkt over meerdere jaren:
In september 2024 is een gemiddelde gasprijs van € 1,34 per m3 gemeten inclusief energiebelasting en btw. De gasprijs is inmiddels weer gestabiliseerd, maar door diverse factoren blijft de gasprijs nog onzeker en relatief hoog. Prijsontwikkelingen gasmarkt over meerdere jaren:
Contextanalyse, najaar 2024
43
Verwachting energieprijzen De verwachting is dat de gasprijs blijft schommelen tussen € 25 en 40 per MWh, wat neerkomt op € 1,10 tot 1,40 per kuub in de variabele energiecontracten als gevolg van de verhoogde energiebelasting. De stroomprijs zal meebewegen rond de € 0,25 tot 0,30 per kWh, gezien de historische correlatie tussen gas- en stroomprijzen. Risico’s voor een hogere gasprijs in 2024 zijn escalatie van de oorlog in Israël, mogelijke beperkingen in de LNG-aanvoer en de mogelijkheid dat Rusland de gastoevoer naar Europa volledig stopt. De Autoriteit Consument en Markt (ACM) verwacht dat huishoudens in 2025 meer gaan betalen aan de energienetbeheerder. Er wordt rekening gehouden met een tariefstijging van 11% voor transport van gas en elektriciteit. De tarieven zullen volgens de ACM ook daarna blijven stijgen. Omdat netbeheerders investeren in het verzwaren van het net. Onderzoek naar de stroomnettarieven geeft aan dat deze de komende decennia zullen gaan verdubbelen of zelfs verdrievoudigen. Verwachtingen langer termijn De energieprijzen zullen tot 2025 of 2026 op een relatief hoog niveau blijven. Er blijven risico’s bestaan die de prijzen tijdelijk kunnen laten pieken. Vanaf 2025/2026 komen grote gasprojecten beschikbaar, met name in Qatar. Waardoor er naar verwachting meer lucht in de markt komt.
Aardgas verbruik In het eerste halfjaar van 2023 is er 15,7 miljard kubieke meter aardgas gebruikt. Dat is 10% minder dan in het eerste halfjaar van 2022. Met name de industrie, elektriciteitscentrales en huishoudens verbruikten minder aardgas. De invoer van vloeibaar aardgas (LNG) was bijna 50% hoger, maar er werd minder gasvormig aardgas ingevoerd. De gasopslagen waren eind juni 2023 voor 78% gevuld.
CBS, ontwikkeling aardgasverbruik per halfjaar in Nederland, 2023. De winning van aardgas neemt af. Volgens onderzoek van TNO viel de gasproductie vorig jaar 8% lager uit dan verwacht. Ook de toekomstige jaarlijkse productie valt waarschijnlijk lager uit dan voorzien. Nederland wordt hierdoor nog afhankelijker van aardgas uit het buitenland. Een mogelijke oorzaak is dat Nederland minder aantrekkelijk is geworden voor investeringen van de olie- en gasindustrie door aanvullende belastingen. Ook zijn er mogelijk minder nieuwe projecten door zowel maatschappelijke weerstand tegen gaswinning als een gebrek aan politiek draagvlak voor gaswinning. Volgens TNO bedroeg de gasproductie vorig jaar 11 miljard kubieke meter, terwijl gasbedrijven 12
Contextanalyse, najaar 2024
44
miljard hadden verwacht. Daarbij hebben de gasproducenten de verwachte resterende gasproductie uit aangetoonde velden over de komende jaren met 24 miljard kubieke meter naar beneden bijgesteld. De gasvoorraad over het afgelopen jaar daalde van 131 naar 97 miljard kubieke meter. Nederland is nu voor 70% afhankelijk van import. Naar verwachting loopt dit over tien jaar op tot tussen de 80 en 90%.
3.6.3 CO2-emissiehandel Het European Union Emissions Trading System (EU ETS) is van start gegaan in 2005. Samen met Nederland nemen 29 landen hieraan deel. En met ongeveer 10.000 Europese bedrijven die samen verantwoordelijk zijn voor 45% van de CO2-uitstoot in de EU, is het EU ETS het grootste emissiehandelssysteem ter wereld. Het EU ETS begon met zware industrie en energiebedrijven, die relatief veel CO2 uitstoten. Met de jaren is het EU ETS verder uitgebreid. In 2012 werd de luchtvaart onderdeel van ETS. Zeevaart volgde in 2024. Ook de gebouwde omgeving, transport en overige sectoren komen vanaf 2028 onder een ETS te vallen. De emissiehandel geeft bedrijven een keuze: betalen voor rechten om CO 2 uit te stoten, of dat geld investeren in schonere productiemethoden zodat de CO 2-uitstoot – blijvend – omlaag gaat. Elk jaar komen er minder emissierechten beschikbaar. Bedrijven kunnen dus samen steeds minder CO2 uitstoten, waardoor investeren in duurzaamheid steeds aantrekkelijker wordt. Dat maakt emissiehandel een belangrijke methode om de internationale klimaatdoelstellingen en -afspraken te behalen. Zo’n 37% van de Nederlandse ETS-uitstoot is afkomstig van elektriciteitsproductie.
25% komt van de chemische industrie, 17% van aardolieproductie, 8% van metaalproductie, 4% van de luchtvaart en de overige 8% van onder meer aardgas- en -oliewinning, teelt van gewassen en de voedings- en papierindustrie. Elk jaar stelt de Europese Commissie vast hoeveel CO 2 de ETS-bedrijven mogen uitstoten. Deze hoeveelheid wordt elk jaar lager, zodat uiteindelijk de doelstelling voor 2050 wordt bereikt. Het aantal ton CO2 dat uitgestoten mag worden, is meteen ook het aantal emissierechten dat dat jaar op de markt komt. Bron Nederlandse Emissie Autoriteit (NEA).
Contextanalyse, najaar 2024
45
De prijs die bedrijven betalen voor CO2-uitstoot is sterk gedaald. Een jaar geleden was de prijs € 100 per ton CO2, daarna is de prijs gedaald. Een lage prijs voor de CO 2-emissies betekent dat bedrijven minder gestimuleerd worden om verduurzamingsmaatregelen te treffen. Deze sterkte daling wordt veroorzaakt door verminderde industriële productie en verminderde vraag vanuit de energiesector door een relatief zachte winter en veel aanbod van elektriciteit uit kernenergie. Daarnaast is sprake van een overschot aan ETS-rechten in de markt. Omdat op termijn het aantal CO2-rechten op de markt af zal nemen, is de verwachting dat de CO2-prijs weer toeneemt.
Contextanalyse, najaar 2024
46
Een lagere CO2-prijs betekent dat lidstaten mogelijk meer subsidie moeten uitgeven aan duurzame energieprojecten. Want hoe verder de CO2 prijs daalt, hoe groter het financieringsgat wordt dat overheden met subsidie moeten dichten.
Ontwikkeling CO2-prijs per ton in het kader van EU-ETS. Na de schommelingen in 2022, vertoont de CO2-prijs in het kader van de Europese emissiehandel (EUETS), in 2023 een minder grillig verloop met een ’gemiddelde’ CO2-prijs van € 90. CO2 kosten CO2 kosten vormen in de toekomst naar verwachting een grotere kostenpost voor de industrie. Zo wordt er binnen het EU ETS grofweg een verdubbeling verwacht van de CO2 prijs tussen 2020 en 2030 naar ongeveer € 46 per ton CO2 in 2030 (PBL, 2018b). In de huidige wetgeving loopt het tarief van de CO2-heffing op van € 30,5 per ton in 2021 tot € 150,3 per ton in 2030 (Rijksoverheid 2023). Dit tarief is een minimumprijs ten opzichte van de prijs van CO2rechten in het EU-emissiehandelssysteem (EU-ETS).
Ontwikkeling CO2-prijs in het kader van EU-ETS
Contextanalyse, najaar 2024
47
Verhoging minimum CO2-prijs Na invoering van een minimumprijs voor de industrie in 2023, kwam reactie uit de Tweede Kamer. Doordat de aanvankelijke minimumprijs laag was ten opzichte van de verwachte ETS-prijzen, was de kans gering dat deze de komende jaren effectief zou worden. Het kabinet heeft met ingang van 2024 de minimum CO₂-prijs, zowel voor de industrie als de elektriciteitssector verhoogd. Aanvankelijk liepen die van € 18 per ton kooldioxide-equivalent in 2024 naar € 31,90 in 2030. Dat wordt nu € 51,70 in 2024 tot € 71,10 in 2030. Zo garandeert het kabinet dat de prijs die bedrijven voor de uitstoot van CO₂ betalen hoog blijft, ook als de ETS-prijs daalt. Het doel van deze regelingen is om industrie en bedrijven een prikkel te geven om hun CO₂-emissies te verlagen, door minder aardgas te verbruiken en hun productieproces verder te verduurzamen. Door het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) is begin 2024 een tariefstudie uitgevoerd. Gevraagd is om het effect te analyseren van de verhoging van het tarief van de CO₂- heffing industrie op emissies van broeikasgassen. Conclusie is dat verhoging tarief van de CO₂-heffing een extra prikkel kan geven voor verduurzaming in Nederland. Maar ook de kans vergroot op het afschalen van de productie.
Het PBL heeft geanalyseerd wat het effect is van de verhoging van het tarief van de CO₂-heffing industrie op de broeikasgasemissies van bedrijven die onder deze heffing vallen. Met het huidige beleid, waaronder het EU-ETS, toegang tot subsidies zoals de SDE++ en de CO₂-heffing industrie met het huidige tarief, kan een emissiereductie worden gerealiseerd. Deze reductie bedraagt 15 tot 18,5 megaton tussen 2021 en 2030, afhankelijk van de ETS-prijs. Daarvoor is wel nodig dat randvoorwaarden op orde zijn, waaronder tijdige beschikbaarheid van CO₂-vrije energiedragers, toegang tot energie-infrastructuur en tijdige vergunningverlening. Porthos Ondergrondse CO2-opslag, internationaal afgekort met CCS van carbon capture and storage, is het ondergronds opslaan van afgevangen kooldioxidegas dat vrijkomt bij de verbranding van (fossiele) brandstoffen. CCS is een techniek waarmee fossiele brandstoffen (bijna) klimaatneutraal kunnen worden toegepast. Door het broeikasgas CO2 dat uit de verbranding van deze koolwaterstoffen ontstaat af te vangen en in ondergrondse reservoirs op te slaan komt die CO2 niet in de atmosfeer terecht. Bij het project Porthos wordt CO2 van de industrie in de Rotterdamse haven afgevangen, getransporteerd en opgeslagen in lege gasvelden onder de Noordzee. In het havengebied van Rotterdam vindt 14% van de Nederlandse CO2-uitstoot plaats.
De aanleg van Porthos is zichtbaar van start gegaan nabij Rozenburg. Op land gaat zo’n 30 kilometer leiding de grond in. En in de Noordzee nog eens een leiding tot 20 kilometer uit de kust. Naar verwachting is het Porthos-systeem in 2026 operationeel. Porthos is belangrijk voor het realiseren van de Nederlandse klimaatdoelen voor 2030. De opslag van CO2 in lege gasvelden onder de Noordzee brengt de CO2-uitstoot terug met 2,5 Mton per jaar. Voor een deel van de industrie is CCS op dit moment de snelste manier om minder CO2 naar de atmosfeer uit te stoten tegen relatief lage kosten. Met CCS kunnen de chemische sector, waterstofproducenten en raffinaderijen de impact van hun productie op korte termijn verminderen én gelijktijdig werken aan innovaties van hun productieprocessen.
Contextanalyse, najaar 2024
48
3.7 Specifieke thema’s 3.7.1 Waterstof Wereldwijd stapelen de aankondigingen voor de bouw van groene waterstoffabrieken zich op. De daadwerkelijke bouw van die fabrieken blijft echter ver achter. Sterk gestegen kosten en onduidelijke regels maken dat ontwikkelaars afwachten of afhaken. Europa heeft hoge ambities als het gaat om groene waterstof. Zo wil de EU in 2030 10 miljoen ton groene waterstof produceren en 10 miljoen ton importeren. Dat is nodig ter vervanging van aardgas om de CO₂-uitstoot terug te dringen. Voor de productie in de EU is over 6,5 jaar tot 200 gigawatt aan elektrolysevermogen nodig. Dat is het proces waarmee met groene stroom waterstof wordt gemaakt. Het achterblijven van de daadwerkelijke realisatie betekent dat de ambities voor het grootschalig inzetten van groene waterstof steeds onrealistischer worden. De Europese Rekenkamer heeft kritiek geuit op het EU-beleid rond de productie van duurzame waterstof. Doelen die zijn gesteld voor 2030 zijn onhaalbaar. Om de waterstofeconomie op te tuigen zijn honderden miljarden euro's aan investeringen nodig. Een groot deel daarvan moet gaan naar de nieuwe zonne- en windparken die nodig zijn om grote hoeveelheden elektriciteit op te wekken. Met die groene stroom kan uiteindelijk waterstof worden gemaakt. Dat is nodig om de CO₂-uitstoot bij de productie van onder meer staal en kunstmest terug te dringen.
Momenteel is nog sprake van een kip-eiprobleem. Bedrijven die moeten verduurzamen vinden groene waterstof nog te duur en willen daarom geen langjarige contracten afsluiten. Waterstoffabrieken komen daardoor niet van de grond. Dat is ook in Nederland het geval. Wel ziet de Europese Rekenkamer Nederland als een van de vijf voorlopers op waterstofgebied. Na Spanje heeft Nederland het grootste aantal waterstofprojecten in voorbereiding, al gaat het vaak nog om plannen in een vroeg stadium. Duitsland en Zweden hebben meer vergevorderde projecten. Shell bouwt in Nederland een groene waterstoffabriek. Veel andere Nederlandse waterstofplannen hebben jaren vertraging opgelopen of zijn zelfs geannuleerd. De Europese Commissie zegt dat de ontwikkelingen rond groene waterstof zich nog in een "zeer vroeg stadium" bevinden en dat het daarom te vroeg is om te zeggen of dit een succesvolle markt wordt. Het is in ieder geval belangrijk dat de benodigde wetten en regelgeving inmiddels grotendeels af zijn, meldt de Commissie. De waterstofproductie valt in 2030 tegen omdat het Europees Parlement en de EU-lidstaten de doelen voor het gebruik ervan in industrie en transport hebben afgezwakt, stelt de Commissie in een reactie op het rapport van de Rekenkamer. Tussen 2030 en 2050 wordt wel groei verwacht.
Shell bouwt de eerste grote fabriek voor hernieuwbare waterstof in Europa, in het bereik van 200 megawatt. Zodra het in de tweede helft van dit decennium operationeel is, zal het gemiddeld 60 ton waterstof per dag produceren, aangedreven door offshore wind uit de Noordzee. De fabriek wordt gebouwd op de Tweede Maasvlakte. De groene waterstof uit de Holland Hydrogen 1 (HH1) zal een duurzaam antwoord zijn voor het zware vrachtvervoer en de industriesectoren die beperkte mogelijkheden hebben voor andere hernieuwbare oplossingen. De HH1-installatie zal worden aangedreven door wind afkomstig van het offshore windpark Hollandse Kust Noord.
Contextanalyse, najaar 2024
49
De Europese Commissie heeft het kabinet goedkeuring gegeven voor € 998 miljoen aan staatssteun via waterstofsubsidie OWE. Deze tweede ronde van de OWE moet bijdragen aan de bouw van ten minste 200 MW aan elektrolysercapaciteit. Behalve steun via de OWE, gaf de Europese Commissie goedkeuring voor € 80 miljoen aan maatwerksubsidie voor elektrolyserproject Djewels. Eerder heeft het vorige kabinet al eens € 246 miljoen toegekend via de OWE. Destijds kregen zeven kleinschalige projecten subsidie voor gezamenlijk 101 MW aan nieuw te bouwen elektrolysevermogen voor de productie van groene waterstof. Die eerste ronde was bedoeld voor elektrolysers met een vermogen van 0,5 MW tot maximaal 50 MW. Die bovengrens vervalt. Als gevolg verandert ook de naam van de subsidie. De OWE stond aanvankelijk voor de regeling Opschaling volledig hernieuwbare waterstofproductie via elektrolyse. Dat wordt nu de Subsidieregeling grootschalige productie volledig hernieuwbare waterstof via elektrolyse. De regeling moet investeerders over de streep trekken om groene waterstoffabrieken te gaan bouwen. Zij hebben te maken met een onrendabele top – het prijsverschil tussen hernieuwbare waterstof en conventionele waterstof (gemaakt met aardgas) – en grote technologische en financiële risico’s. Andere subsidies zoals de SDE++ en DEI+ bleken de afgelopen jaren niet geschikt om deze risico’s af te dekken.
Bedrijven kunnen in deze ronde een eenmalige investeringssubsidie krijgen tot 80% van de investeringskosten. Dat maximum varieerde in de vorige ronde tussen de 40% en 60%, afhankelijk van de grootte van het bedrijf. Daarnaast kunnen ondernemingen een exploitatiesubsidie krijgen voor de geproduceerde hernieuwbare waterstof. Die wordt uitgekeerd over een periode van vijf tot maximaal tien jaar na de bouw van de elektrolyser. Dit was in de eerste ronde zeven tot en met vijftien jaar. Bedrijven die in aanmerking willen komen, kunnen zich inschrijven via een tender die loopt tot 31 december. Zij moeten dus concurreren om de beschikbare subsidie. Maximaal kunnen ze een aanvraag doen voor de helft van het beschikbare budget, oftewel € 499 miljoen. Nederland heeft net als Europa ambitieuze doestellingen geformuleerd voor de productie van groene waterstof. In 2030 moet in Nederland voor 4 GW aan elektrolysecapaciteit staan. De kans dat dit gehaald wordt is klein. The Hydrogen Chemistry Company (HyCC) heeft de geplande realisatie van het groene waterstofproject H2eron uitgesteld tot op zijn vroegst 2028. Reden hiervoor zijn de tragere ontwikkeling van de waterstofmarkt en de stijgende kosten van waterstofprojecten. H2eron wil op het Chemiepark Delfzijl groene waterstof produceren uit water en hernieuwbare energie.
De waterstof kan worden gebruikt voor de productie van duurzame luchtvaartbrandstof (SAF), voor mobiliteit en door verschillende chemieproducenten, om daarmee hun CO₂-uitstoot te verminderen. De Europese Richtlijn Hernieuwbare Energie (RED) III verplicht industrieën en brandstofproducenten tot het gebruik van groene waterstof voor een deel van hun productie om daarmee de CO₂-uitstoot te verlagen. Deze regels bevinden zich echter nog in de implementatiefase in Nederland en leiden naar verwachting pas tegen 2030 tot een volwassen markt voor groene waterstof. Daarnaast zijn de kosten voor waterstofprojecten en hernieuwbare stroom de laatste jaren gestegen. In het licht van deze ontwikkelingen is de planning van het project aangepast. Ook wil HyCC de capaciteit van H2eron vergroten tot 50 megawatt om de kosten per kilogram geproduceerde waterstof te verlagen. Mobiliteit Op het gebied van schone mobiliteit vereist Europa dat er in 2030 langs alle Europese hoofdsnelwegen om de 150 kilometer waterstoftankstations te vinden zijn. Voor Nederland moeten dat er dertig zijn, verspreid over het hele land. Europa stelt voorwaarden aan deze stations, bijvoorbeeld qua grootte, capaciteit en toegankelijkheid. Er zijn zeventien waterstoftankstations in Nederland, waarvan er vier voldoen aan de Europese eisen die in 2030 gelden.
In 2040 zijn dieseltrucks verboden in Europa en vanaf 2030 moeten er in de EU al 400.000 emissievrije trucks op stroom of waterstof rijden. Vanaf 2025
Contextanalyse, najaar 2024
50
zijn de binnensteden van 29 Nederlandse gemeenten taboe voor fossiele bestelbusjes en vrachtwagens. In Nederland is € 125 miljoen vrijgemaakt om waterstof voor mobiliteit te stimuleren. De regeling zou volgens het kabinet veertig nieuwe waterstoftankstations en duizenden nieuwe waterstofvoertuigen moeten opleveren. Vanaf maart 2024 kunnen ondernemers subsidie aanvragen voor een waterstofproject. Bij elke aanvraag moet ten minste één tankstation in het plan zitten en de aanschaf van genoeg vrachtwagens of bussen om het tankstation vanaf de start rendabel te maken. Gemiddeld zijn voor één tankstation tien tot vijftien waterstofvrachtwagens nodig. In praktijk betekent dit vaak dat transportbedrijven en tankstationhouders hun krachten moeten bundelen in een subsidieaanvraag. Per waterstoftankstation kunnen ondernemers 40% van de kosten voor de bouw van het tankstation gesubsidieerd krijgen. Per vrachtwagen of bestelbus gaat het om 80% van het verschil in prijs met een dieselvariant. Bij een waterstoftankstations moeten zowel vrachtwagens als personenauto’s kunnen tanken. De subsidieregeling loopt van 2024 tot 2028. Hiermee wil het kabinet een landelijk dekkend netwerk van waterstoftankstations realiseren.
3.7.2 Netcongestie Op verschillende plekken in Nederland is er onvoldoende ruimte, capaciteit, op het elektriciteitsnet. Het gebruik en de opwek van elektriciteit neemt nog steeds toe. Dit zorgt voor ‘file’ op het elektriciteitsnet op piekmomenten: netcongestie.
Capaciteitskaart: afname. Bron: Netbeheer Nederland, 11 juni 2024
Contextanalyse, najaar 2024
51
De afnamekaart is bedoeld voor partijen die plannen maken waarvoor een nieuwe of verzwaarde grootverbruik aansluiting, een netaansluiting groter dan 3x80 Ampère, nodig is. De kaart geeft een indicatie of er ruimte beschikbaar is op het net op uw locatie voor (extra) afname van elektriciteit. Het is voor de netbeheerders een enorme opgave, ook in financiële zin, om deze capaciteitstekorten op te lossen. De Rijksoverheid en andere betrokken partijen werken daarom samen vanuit verschillende programma’s om netcongestie tegen te gaan. Een van die programma’s is het Landelijk Actieprogramma Netcongestie (LAN). In dit programma werken de genoemde partijen aan het energiesysteem van de toekomst, om het bestaande net zo efficiënt mogelijk te gebruiken. Door het energiesysteem flexibeler te maken, door energieopslag en -verbruik beter af te stemmen op energieaanbod.
TenneT en het ministerie organiseren in het najaar van 2024 informatiebijeenkomsten over de aanleg van een nieuwe hoogspanningsverbinding (380 KV) in Noord-Holland. Deze nieuwe hoogspanningsverbinding, met bijbehorende hoogspanningstations, is noodzakelijk om aan de vraag te kunnen blijven voldoen. Nationaal Plan Energiesysteem en Programma Energiehoofdstructuur In het Nationaal Plan Energiesysteem (NPE) van december 2023 geeft het Rijk aan hoe een duurzaam, betaalbaar en betrouwbaar energiesysteem van de toekomst in 2050 vorm gaat krijgen en hoe iedereen vanuit zijn eigen rol kan bijdragen. In dit plan worden keuzes gemaakt voor een energiesysteem dat alle gebruikerssectoren, gebouwde omgeving, mobiliteit, industrie en landbouw & landgebruik, in staat moet stellen om te verduurzamen. Het Rijk maakt in het NPE vijf richtinggevende keuzes: 1. Maximaal aanbod; maximale inzet op aanbod van duurzame energie en energie-infrastructuur. 2. Energiebesparing; besparen als belangrijke hoeksteen van het energiebeleid. 3. Slim inzetten energie en infrastructuur; schaarse energie en infrastructuur worden ingezet waar dit het meest nodig is vanuit systeemperspectief. 4. Internationale samenwerking; sterke internationale samenwerking en maximaal verbonden energiesysteem. 5. Samen sturen; met burgers en bedrijven, met ruimte voor participatie en initiatief.
De bestendiging en juridische borging van het NPE wordt gerealiseerd in de Energiewet. In de Energiewet wordt een uitwerking gegeven van het NPE en de keuzes die hierin worden gemaakt. In de Energiewet komt ook te staan hoe het NPE, periodiek wordt geactualiseerd. Het Programma Energiehoofdstructuur (PEH) omvat het ruimtelijk beleid voor de onderdelen van de energievoorziening die van nationaal belang zijn. Het gaat dan om hoogspanningskabels, buisleidingen, batterijen, elektrolysers en regelbare energiecentrales die nodig zijn voor een
Contextanalyse, najaar 2024
52
klimaatneutraal energiesysteem in 2050. Het PEH is een instrument om met gemeenten, provincies, havenbedrijven en netbeheerders afspraken te maken over de ruimte die hiervoor nodig is. Het laat zien welke nieuwe nationale energie-infrastructuur nodig is richting 2050 en waar deze slim geplaatst kan worden. Op vrijdag 1 maart 2024 is het Programma Energiehoofdstructuur vastgesteld door de minister voor Klimaat en Energie en de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties in de ministerraad. Op 5 maart 2024 is hiervan kennisgeving gedaan in de Staatscourant. De meest efficiënte vorm van ruimtegebruik is hergebruik van ruimte die al gebruikt is voor het fossieleenergiesysteem. Zo wil het kabinet voor het transport van waterstof een groot deel van de bestaande gasleidingen gebruiken in de gereserveerde buisleidingenstroken. De 21 plekken die nu zijn aangewezen voor energiecentrales, inclusief eerder gesloten kolencentrales, blijven bestemd voor duurzame-energiecentrales. Omdat er in de toekomst veel meer elektriciteit geproduceerd en gebruikt zal worden, is ook al in kaart gebracht waar in de toekomst meer hoogspanningslijnen en hoogspanningsstations nodig zullen zijn. Het PEH zal elke twee jaar worden geëvalueerd om te zien waar extra communicatie of monitoring nodig is.
Bovendien zal het PEH iedere vier jaar worden geactualiseerd om te anticiperen op nieuwe ontwikkelingen in het energiesysteem Het kabinet heeft het Planbureau voor de Leefomgeving gevraagd om een reflectie te geven op het NPE. Het NPE werkt als overkoepelende strategie voor toekomstig beleid, wordt iedere 5 jaar geactualiseerd en wordt opgenomen in de nieuwe Energiewet. Netcode De Netcode elektriciteit bevat voorschriften voor netbeheerders en netgebruikers op drie gebieden: het functioneren van de netten, het aansluiten van klanten op de netten en het transporteren van elektriciteit over de netten. De Autoriteit Consument & Markt (ACM) heeft een besluit gepubliceerd om de bestaande regels in de Netcode elektriciteit over het verplicht aanbieden van congestiemanagementdiensten te wijzigen en aan te vullen. In dit besluit expliciteert de ACM voorwaarden, waaronder de netbeheerder aangeslotenen met een transportvermogen van meer dan 1 MW kan verplichten om congestiemanagementdiensten aan te bieden.
Dit besluit verduidelijkt onder meer welke partijen en vermogens verplicht kunnen worden om congestiemanagementdiensten te leveren, binnen welke termijnen de aangeslotene voor dit vermogen een aanbod met voorgestelde vergoeding moet doen, tot welke hoeveelheden congestiemanagementdiensten dienen te worden aangeboden, op welke wijze congestiemanagementdiensten aangeboden moeten worden en welke vergoeding de aangeslotene aan de netbeheerder verschuldigd is als die zich niet aan de verplichting houdt. Het besluit moet bijdrage aan meer duidelijkheid en leiden tot een betere inschatting van de beschikbare ruimte. Het besluit draagt ook bij aan zekerheid voor de netbeheerder over het regelbaar vermogen van aangeslotenen dat bij inzet van de deelnameverplichting beschikbaar is voor congestiemanagement en de vergoedingen die de aangeslotenen hiervoor vragen. Hierdoor kan de netbeheerder bij het afhandelen van de wachtrij met transportverzoeken beter inschatten hoeveel aanvragen kunnen worden gehonoreerd bij besteding van de financiële grens voor congestiemanagement. Batterijen Batterijen zijn van belang voor het balanceren van een stroomnet met veel hernieuwbare energiebronnen en voor de elektrificatie van transport. TenneT verwacht circa 10 GW batterijen nodig te hebben in 2030 en richting 2050 40 tot 70 GW.
Contextanalyse, najaar 2024
53
TenneT en Giga Storage hebben in 2024 de allereerste tijdsduurgebonden aansluit- en transportovereenkomst afgesloten. De nieuwe overeenkomst geeft Giga Storage het recht om minimaal 85% van de tijd elektriciteit van het net af te nemen of terug in te voeden.
Het nieuwe type contract stelt Giga Storage in staat om haar batterijproject in Delfzijl op het elektriciteitsnet aan te sluiten. Deze nieuwe contractvorm zorgt ervoor dat de schaarse ruimte op het net efficiënter kan worden benut. Als er veel wind staat of de zon flink schijnt, kunnen enorme batterijen de opgewekte duurzame elektriciteit tijdelijk opslaan. Die groene stroom wordt bij een tekort gebruikt om de balans op het elektriceitsnet te handhaven en leveringszekerheid te garanderen. Batterijen verminderen de afhankelijkheid van kolen- en gascentrales voor productie van stroom zodra er weinig of geen zonneen windenergie is. Energieopslag op woning- en buurtniveau is nauwelijks van de grond gekomen in Nederland. CE Delft en Witteveen+Bos hebben in opdracht van het ministerie onderzoek gedaan naar de randvoorwaarden, kansen en knelpunten voor de uitrol van buurt- en thuisbatterijen. De belangrijkste knelpunten voor de inpassing buurt- en thuisbatterijen bestaan uit ruimtelijke inpassing en brandveiligheid. Veiligheidsvoorschriften met betrekking tot ruimtelijke inpassing ontbreken. Voor de buurtbatterij ontbreekt het aan wettelijke voorschriften en standaardisering van risicobeoordeling. Voor beide batterijtypen zijn cyberveiligheid, circulariteit, recycling en productie- en installatiecapaciteit uitdagingen.
Een batterij kan bijdragen aan netcongestie, congestieneutraal draaien of congestie verminderen. Wanneer een batterij de piekbelasting van het net verhoogt door te laden of ontladen draagt deze bij aan netcongestie. De batterij kan een positieve invloed hebben op het net wanneer deze wordt ingezet op de elektriciteitsmarkt om vraag en aanbod te matchen. Deelname aan deze markt kan het probleem echter ook verergeren wanneer het laden of ontladen samenvalt met hoge lokale netbelasting. Technisch zouden de batterijen, wanneer ze perfect worden ingezet, de pieken met 5 tot 30% kunnen verlagen in de huidige situatie. In gebieden die op slot zitten door netcongestie kunnen (buurt)batterijen mogelijk een uitkomst bieden. Batterijen kunnen onderdeel worden van een lokaal energiesysteem en extra elektriciteitsverbruik mogelijk maken. Wel is hiervoor een bepaalde hoeveelheid transportvermogen en energiedelen via bijvoorbeeld een groepscontract als contractvorm vereist. Momenteel zijn er fiscale en juridische knelpunten voor energiedelen tussen buurtbatterijen en huishoudens.
Contextanalyse, najaar 2024
54
CE Delft concludeert dat er nog geen businesscase is voor het lokaal opslaan en leveren van zonneenergie in een buurtbatterij tot 2030. Ook voor de thuisbatterijen is er geen businesscase rond te krijgen. De terugverdientijd is gelijk aan de technische levensduur van een batterij. In Nederland stonden in 2023 tussen de 5.000 en 10.000 thuisbatterijen opgesteld. Dat aantal is veel lager dan in de ons omringende landen. In Duitsland werden in het afgelopen jaar 573.000 nieuwe thuisbatterijen geïnstalleerd en staan er nu 1,1 miljoen. België had er in 2022 al meer dan 50.000. HVC en het Nieuwe Energiesysteem HVC ontzorgt aandeelhouders op het gebied van hun duurzame energieproductie vraagstukken. HVC financiert, ontwikkelt, realiseert en exploiteert. Er wordt meegepraat en gedacht over toekomstige ambities, inrichting van het ruimtelijk domein, het energieneutraal worden in 2040-2050 en verdere elektrificatie (tot zelfs 300% groei). Daarnaast wordt HVC zelf ook geconfronteerd met netcongestie. Dit alles beïnvloedt de bedrijfsprocessen van ondernemers. Er ontstaat vertraging of afstel van woonwijken en bedrijventerreinen binnen het gemeentelijk domein en het vertraagt de energietransitie. Momenteel zijn er vaker negatieve elektriciteitsprijzen, waardoor de verdiencapaciteit onder druk komt te staan. De verduurzaming wordt hierdoor complexer.
Enkelvoudige oplossingen, zoals wij dat nú doen volstaan niet meer. Dus niet enkel meer een windpark, zonnepark of zelfs een batterijoplossing realiseren. HVC wil veranderen naar een integraal onderdeel van de totale energieketen. En hiermee waar mogelijk aandeelhouders ontzorgen tot de kern van het energieprobleem en ze ondersteunen om te komen tot een Nieuw Energiesysteem. Netcongestie is een uitdaging voor iedereen. Netcongestie kan verzacht worden door op de juiste plekken duurzame energie en batterijen toe te voegen. Daarnaast dient de opwek en ook de vraag meer stuurbaar te worden. Met andere woorden energieverbruiken als het ook wordt opgewekt. Binnen HVC kan dit vorm worden gegeven om gezamenlijk met de aandeelhouders te werken aan een Nieuw Energiesysteem. Virtual Powerplant Een virtuele energiecentrale, ook wel bekend als een virtual power plant (VPP), is een geavanceerd energiesysteem dat bestaat uit een netwerk van gedistribueerde energiebronnen, zoals zonnepanelen, windturbines en batterijsystemen. Deze bronnen zijn verbonden via slimme technologieën en kunnen gezamenlijk worden beheerd en gecontroleerd als een geïntegreerde eenheid. Virtual Power Plants zijn innovatief doordat de nadruk ligt op duurzame energie en door het gebruik van slimme software voor de verdeling van de beschikbare capaciteit.
Toch zijn lokale elektriciteitsnetten niet nieuw en bestaan deze al vele jaren. Naast de gedeelde oplossing (Virtual Power Plant) bestaat er ook een individuele (Virtual Power Grid).
Contextanalyse, najaar 2024
55
4 Afval- en grondstoffen 4.1 Wetgeving en beleid internationaal 4.1.1 Herziening kaderrichtlijn afval (Europees) De Kaderrichtlijn afvalstoffen (richtlijn 2008/98) bevat het juridische kader voor de behandeling van afval in de EU. De richtlijn bepaalt dat bij het opstellen van wetgeving en beleidsinitiatieven voor de preventie en het beheer van afvalstoffen de volgende afvalhiërarchie als prioriteitsvolgorde moet worden gehanteerd: preventie, voorbereiding voor hergebruik, recycling, andere nuttige toepassingen (bijv. energieterugwinning) en verwijdering (artikel 4). Op 5 juli 2023 heeft de Europese Commissie een voorstel gepresenteerd om de Kaderrichtlijn afvalstoffen te herzien. Het doel van het voorstel is om het beheer van textielafval te verbeteren in overeenstemming met de afvalhiërarchie die in de kaderrichtlijn is vastgelegd. Het voorstel beoogt de lidstaten ook een duidelijke verantwoordelijkheid te geven voor een snelle vermindering van voedselverspilling in de voedselvoorzieningsketen en in huishoudens op hun grondgebied.
4.1.2 Rapport van Mario Draghi over concurrentievermogen van de EU Begin september presenteerde Mario Draghi, de voormalige voorzitter van de Europese Centrale Bank, een omvangrijk rapport over het concurrentievermogen van de Europese Unie. In het rapport onderstreept hij het belang van de circulaire economie als oplossing voor belangrijke uitdagingen, naast de noodzaak van grote investeringen. Een circulaire economie zou het koolstofarm maken kunnen bevorderen en de Europese afhankelijkheid van de aanvoer van cruciale grondstoffen kunnen verminderen. Over het geheel genomen is zijn oordeel over het Europese concurrentievermogen niet positief. Er moet een gemeenschappelijk plan komen om evenwicht te brengen tussen ambitieuze klimaatdoelstellingen en een concurrerend industriebeleid. Inzoomend op circulariteit beveelt Draghi aan een interne markt te creëren voor secundaire kritieke materialen. Van belang daarbij is effectief handhaven van de bestaande wetgeving op het gebied van afvalinzameling en -transport, wat opschaling en coördinatie van EU-exportcontroles op afval in de hand werkt. Ook moet onderzoek en innovatie op het gebied van alternatieve materialen worden gestimuleerd.
Contextanalyse, najaar 2024
56
4.1.3 Corporate Sustainability Reporting Directive (CSRD) Op 5 januari 2023 is de Corporate Sustainability Reporting Directive (CSRD) in werking getreden. Deze nieuwe richtlijn moderniseert en versterkt de regels met betrekking tot sociale en milieu-informatie die bedrijven moeten rapporteren. Een brede groep van bedrijven in de Europese Unie moet in hun bestuursverslag een duurzaamheidsverslag opnemen volgens de standaarden van de CSRD. Vanaf 1 januari 2024 geldt de CSRD voor bedrijven die eerder aan de NFRD (voorloper van de CSRD) moesten voldoen. Vanaf 2025 wordt de duurzaamheidsrapportage verplicht voor grote bedrijven die eerder buiten de NFRD vielen. De nieuwe regels zullen ervoor zorgen dat investeerders en andere belanghebbenden toegang hebben tot de informatie die ze nodig hebben om investeringsrisico’s als gevolg van klimaatverandering, biodiversiteitsverlies en andere duurzaamheidskwesties te beoordelen. Ze zullen ook een cultuur van transparantie creëren over de impact van bedrijven op mens en milieu. Bedrijven moeten een 'dubbele materialiteitsanalyse' uitvoeren. In de dubbele materialiteitsanalyse wordt bepaald over welke thema’s een bedrijf moet rapporteren, zodat alleen over relevante zaken wordt gerapporteerd.
Als bijvoorbeeld klimaatverandering een relevant onderwerp is, moet de CO2voetafdruk van een bedrijf (scope 1 en 2) en van haar waardeketen (scope 3) worden gerapporteerd. Wat betekent dit voor HVC? Vanwege een gefaseerde implementatie van de CSRD moet HVC voor het eerst over 2025 een duurzaamheidsrapportage opnemen in het bestuursverslag wat onderdeel is van het jaarverslag. De dubbele materialiteitsanalyse is bijna gereed. De uitkomst zal dit najaar in diverse gremia worden besproken. Ook wordt gekeken wat dit gaat betekenen voor de informatie die opgenomen moet worden in de duurzaamheidsrapportage.
4.2 Algemene ontwikkelingen afvalbeheer Nederland 4.2.1 Nationaal programma circulaire economie In 2023 is in Nederland het Nationale Programma Circulaire Economie (NPCE) van start gegaan. Daarin staan maatregelen om de komende jaren zuiniger om te gaan met grondstoffen, met als doel om in 2050 volledig circulair te zijn. Circulair zijn betekent dat de milieueffecten van de Nederlandse productie en consumptie in 2050 binnen de draagkracht van de aarde moeten vallen. In het NPCE zijn 4 circulariteitsknoppen als strategieën genoemd om deze ambitie te behalen: 1. Grondstoffengebruik verminderen: Het verminderen van de Nederlandse grondstoffenvoetafdruk, zowel vanuit productie- als consumptieperspectief. 2. Grondstoffen substitutie: Het zoveel mogelijk vervangen van primaire grondstoffen door secundaire grondstoffen en duurzame hoogwaardige biogrondstoffen. Of het gebruik van andere beschikbare grondstoffen met een lagere milieudruk. 3. Levensduurverlenging: Het aansturen op een maximale levensduur voor producten en onderdelen, onder meer door hergebruik, refurbishment en reparatie.
Contextanalyse, najaar 2024
57
4. Hoogwaardige verwerking: Het verbeteren van schone, goed gesorteerde inzamelstromen en terugwinning van materialen om materialen tot op een gelijkwaardig niveau als het oorspronkelijke materiaal te recyclen.
4.2.2 Herziening instrument UPV Verpakkingen, elektronische apparaten, autobanden, batterijen, textiel: producten waar we als consument in het dagelijks leven mee te maken hebben waar ‘uitgebreide producentenverantwoordelijkheid’ (UPV) voor geldt. En dit worden in de (nabije) toekomst alleen nog maar meer productgroepen, zoals schoenen en luiers. Er is veel aan te merken op de UPV-systemen met name op het gebied van governance. De rol van de overheid is te beperkt, veel stakeholders voelen zich buitenspel gezet, en handhaving is gebrekkig. De boodschap dat UPV niet optimaal functioneert, is ook bij de Nederlandse overheid aangekomen. Nadat Staatssecretaris Heijnen in april 2022 haar visie voor UPV presenteerde aan de Kamer, werden verschillende moties ingediend en aangenomen. Naar aanleiding hiervan heeft het ministerie van I&W besloten om te starten met een traject om te komen tot verbetervoorstellen. Deze zijn in oktober 2023 gepubliceerd. Momenteel is Rijkswaterstaat bezig met een werkgroep UPV 2.0. De Universiteit van Utrecht heeft een whitepaper UPV opgesteld met aandacht voor de gemeentelijke zorgplicht in relatie tot uitgebreide producentenverantwoordelijkheid.
4.2.3 CO2-heffing en EU emissiehandelssysteem (EU ETS) De CO2-heffing is een geldbedrag dat een bedrijf of organisatie moet betalen aan de NEa per ton CO2uitstoot. De Nederlandse overheid bepaalt ieder jaar opnieuw hoe hoog dit geldbedrag is. In 2024 is de prijs 74,17 euro per ton CO2-uitstoot. Dit geldbedrag wordt ieder jaar hoger tot en met 2030. Alleen fossiele uitstoot wordt belast. De CO2-uitstoot van AEC’s wordt aangemerkt als ongeveer 1/3e fossiele CO2-uitstoot en 2/3e biogene uitstoot. Er wordt gemeten via weegbrug, niet via schoorsteen. Installaties die meedoen aan het EU ETS betalen niet het gehele geldbedrag van de CO2-heffing, omdat zij voor het EU ETS al een geldbedrag betalen per ton CO2-uitstoot. Dit geldbedrag dat zij betalen voor het EU ETS heet een emissierecht. Bedrijven die meedoen aan het EU ETS mogen daarom het geldbedrag van een emissierecht aftrekken van het geldbedrag wat ze moeten betalen voor de CO2-heffing. Voor 2024 was het geldbedrag van een emissierecht vastgesteld op 86,32 euro en het geldbedrag voor de CO2-heffing 74,17 euro. Bedrijven die meedoen aan het EU ETS hoeven over het jaar 2024 dus geen geldbedrag voor de CO2-heffing te betalen (€ 74,17 minus € 86,32 is minder dan € 0). Installaties die wel de CO2-heffing moeten betalen maar niet aan het EU ETS meedoen, betalen het volledige geldbedrag voor de CO2-heffing.
Voor afvalenergiecentrales geldt dat deze inmiddels ook onder het EU ETS vallen. Echter hebben AEC’s tijdelijk gratis rechten en is het nog onzeker hoe dit verder gaat. Mogelijk dat vanaf 2028 een effect merkbaar wordt in verwerkingstarieven. Vergroting CO2-reductieopgave voor afvalverbrandingsinstallaties in Belastingplan 2025 Op Prinsjesdag (17 september) maakte het kabinet in het Belastingplan 2025 bekend de CO2reductieopgave voor afvalverbrandingsinstallaties (AVI’s) te vergroten door de hoeveelheid beschikbare dispensatierechten voor het jaar 2030 flink te verminderen. Deze aanscherping moet worden bereikt
Contextanalyse, najaar 2024
58
met het voorstel van een zogeheten AVI-correctiefactor. De nieuwe correctiefactor wordt vanaf 1 januari 2025 toegevoegd aan de bestaande formule voor de toewijzing van dispensatierechten en moet leiden tot een hoeveelheid resterende dispensatierechten voor AVI’s in 2030 van 0,6 Mton. Dat betekent dat zij 1,9 Mton aan fossiele emissies moeten reduceren om de CO2-heffing industrie volledig te vermijden. De aanscherping van de heffing vindt de Vereniging Afvalbedrijven (VA) onevenredig ten opzichte van de overige industrie onder de heffing. Het kabinet wil de reductieopgave van afvalenergiecentrales in lijn brengen met die van de overige industrie. Volgens de VA is deze redenering niet houdbaar. De aanscherping voor AVI’s is zo’n drie keer zo hoog als voor de overige industrie, stelt de vereniging. Met de mogelijkheden van AVI’s tot reductie is de aanscherping niet haalbaar. De VA verwacht zelfs dat de maatregel vooral kostenverhogend gaat werken voor burgers en bedrijven en de positie van de Nederlandse afvalsector in de Europese afvalmarkt verslechtert. Daarnaast is de verwachting van de vereniging dat hierdoor ook recyclingactiviteiten in Nederland duurder gaan worden, door stijging van de verwerkingskosten van sorteer- en recyclingresidu. Effect van CO2-heffing op HVC en haar gemeenten Nu is nog een deel van CO2 uitstoot vrijgesteld (‘dispensatierechten’).