CConstaterende datNoordoostpolder
Koppel je AI →
Document · PDF

D02 03 Contextanalyse najaar 2024.pdf

Gemeenteraad 27 januari 2025, gemeente NoordoostpolderBij agendapunt: 4: Lijst ingekomen stukken31.679 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 4

Postbus 9199 1800 GD Alkmaar (072) 5411 311 info@hvcgroep.nl hvcgroep.nl

footer: HVC is een handelsnaam van N.V. HVC

Rapport.

HVC contextanalyse. Editie najaar 2024

HVC is een handelsnaam van N.V. HVC

colofon. kenmerk status versie auteur(s) datum

HVC03102024 Definitief AV HVC 3 oktober 2024

Contextanalyse, najaar 2024

2

inhoud. 1 Inleiding 1.1 1.2

7

Doel & scope Leeswijzer

7 7

2 Broeikasgasemissies

8

2.1 2.2 2.3

Wereldwijd Europa Nederland

8 9 10

3 Duurzame energie

12

3.1 3.2 3.3

3.4

3.5

3.6

3.7

Wereldwijd Ontwikkeling in Europa 3.2.1 Aandeel hernieuwbare energie Ontwikkeling in Nederland 3.3.1 Energieproductie uit hernieuwbare bronnen 3.3.2 Energieverbruik uit hernieuwbare bronnen Ontwikkeling per duurzame bron 3.4.1 Energie uit afval 3.4.2 Biomassa 3.4.3 Geothermie 3.4.4 Aquathermie 3.4.5 Zon 3.4.6 Wind 3.4.7 Bronnenmix Beleid, wet- en regelgeving, subsidies 3.5.1 Europese wetgeving 3.5.2 Nederlandse wetgeving 3.5.3 Europese subsidies 3.5.4 Subsidies Nederland (SDE++, ISDE) Energiemarkt 3.6.1 Contracten 3.6.2 Ontwikkeling energieprijzen 3.6.3 CO2-emissiehandel Specifieke thema’s 3.7.1 Waterstof 3.7.2 Netcongestie

4 Afval- en grondstoffen 4.1

4.2

Wetgeving en beleid internationaal 4.1.1 Herziening kaderrichtlijn afval (Europees) 4.1.2 Rapport van Mario Draghi over concurrentievermogen van de EU 4.1.3 Corporate Sustainability Reporting Directive (CSRD) Algemene ontwikkelingen afvalbeheer Nederland 4.2.1 Nationaal programma circulaire economie 4.2.2 Herziening instrument UPV

Contextanalyse, najaar 2024

12 13 15 16 17 18 19 20 20 21 22 22 26 29 31 31 32 38 39 41 41 41 45 49 49 51

56 56 56 56 57 57 57 58

3

4.3

4.4

4.5

4.6

4.7

4.8

4.9

4.2.3 CO2-heffing en EU emissiehandelssysteem (EU ETS) 4.2.4 Circulair Materialenplan loopt vertraging op 4.2.5 Afvalpreventie 4.2.6 Lachgascilinders 4.2.7 Pfas-rechtszaak Samenstelling huishoudelijk (rest)afval 4.3.1 Samenstelling huishoudelijk afval 4.3.2 Samenstelling huishoudelijk restafval Inzamelen 4.4.1 Marktverschuiving inzamelen huishoudelijk afval van privaat naar publiek 4.4.2 EU-kaderrichtlijn Afval 4.4.3 Participatietraject standaardisering inzameling 4.4.4 Beïnvloeding kwaliteit ingezamelde stromen 4.4.5 Elektrificatie inzamelvoertuigen 4.4.6 Bedrijven krijgen tweede afvalbak zodat er minder de oven in hoeft Diftar/recycletarief 4.5.1 Toename tariefdifferentiatie op afvalaanbod zet door 4.5.2 Recente invoering diftar bij Waardlanden 4.5.3 Recycle-keuze; nieuwe vorm van prijsprikkel Ontwikkelingen per deelstroom 4.6.1 Plastic-, metaal- en drankverpakkingen (PMD) 4.6.2 Gemeenten willen forse herziening Ketenovereenkomst 4.6.3 Chemische recycling van kunststoffen 4.6.4 Gescheiden inzamelen van gft: alles uit de kast 4.6.5 Textiel 4.6.6 Luiers 4.6.7 AEEA 4.6.8 Batterijen (Secundaire) grondstoffen 4.7.1 Oud papier en karton (OPK) 4.7.2 Hout 4.7.3 Ferro en non ferro 4.7.4 CO2 als grondstof Afvalverbranding 4.8.1 Europese ontwikkelingen verbrandingsmarkt 4.8.2 Vraag en aanbod in Nederlandse verbrandingsmarkt 4.8.3 Ontwikkelingen nascheidingscapaciteit 4.8.4 CO2-afvang

4.8.5 Stikstofemissies Ontwikkelingen per bedrijf 4.9.1 Stilstand AVR in de Botlek door brand 4.9.2 Status verkoop AEB 4.9.3 Twence 4.9.4 Door AVR aangespannen rechtszaken

5 Rioolwaterzuiveringsinstallaties en zuiveringsslib 5.1

5.2

Europese en Nederlandse wetgeving 5.1.1 Europese Kaderrichtlijn Water 5.1.2 Water en bodem sturend Energie-(en klimaat)neutrale rioolwaterzuiveringsinstallaties 5.2.1 Jaarlijkse Klimaatmonitor

Contextanalyse, najaar 2024

58 59 59 60 60 61 61 62 64 64 66 66 66 67 67 68 68 70 70 71 71 71 73 74 76 77 78 78 79 79 81 82 83 84 84 84 85 86 88 88 88 89 89 89

91 91 91 91 92 92

4

5.3

5.4

5.5

5.6 5.7

5.2.2 Slibvergisting 5.2.3 RWZI’s als energie-hubs 5.2.4 Toename CO2-footprint van chemische hulpstoffen Ontwikkelingen rioolwaterzuiveringsinstallaties 5.3.1 Verwijdering van stikstof en fosfor uit afvalwater 5.3.2 Toename medicijnresten en microverontreinigingen 5.3.3 Innovatieprogramma microverontreinigingen 5.3.4 Ozon en actief kool Ontwikkelingen verwerking zuiveringsslib 5.4.1 Algemene ontwikkelingen 5.4.2 Slibverwerkingscapaciteit Grondstoffen uit slib 5.5.1 Terugwinning fosfaat uit zuiveringsslib 5.5.2 Vetzuren en natuurlijke plasticvervanger Caleyda (PHA2USE) 5.5.3 Kaumera 5.5.4 Stikstof 6.6.5 99 Transport van slib Overige ontwikkelingen bij waterschappen 5.7.1 Brede investeringsopgave waterschappen 5.7.2 Wetterskip Fryslân 5.7.3 Waterschap Amstel, Gooi en Vecht 5.7.4 Hoogheemraadschap Hollands Noorder Kwartier, Zuiderzeeland en WSHD

Contextanalyse, najaar 2024

92 93 93 94 94 94 95 96 96 96 96 97 97 98 98 98 99 100 100 100 100 100

5

Contextanalyse, najaar 2024

6

1 Inleiding 1.1 Doel & scope In deze contextanalyse vindt u de recente ontwikkelingen op de gebieden waarop HVC actief is namelijk duurzame energie, afval- en grondstoffen en zuiveringsslib. In deze versie van najaar 2024 zijn de ontwikkelingen beschreven sinds de contextanalyse najaar 2023 en de update daarvan in het voorjaar van 2024. We bekijken de externe ontwikkelingen op de gebieden waar HVC actief is met haar aandeelhouders zoveel mogelijk ‘van buiten naar binnen’ en ‘van grof naar fijn’. Van de wereldwijde opgave tot reductie van broeikasgasemissies tot wat dit voor Nederland en specifiek HVC en haar gemeenten betekent. De verscheidenheid aan thema’s en onderwerpen zijn groot. Wij hebben geprobeerd in deze contextanalyse zo volledig en actueel mogelijk te zijn, echter kan het voorkomen dat een lezer bepaalde aspecten mist of onvolledig beschreven vindt. Mocht u suggesties hebben voor een volgende editie, laat dit dan uw contactpersoon van HVC weten. Via de inhoudsopgave kunt u in het digitaal document (control + klikken) als lezer rechtstreeks naar de verschillende hoofdstukken en paragrafen. De hoofdstukken kunnen ook apart worden gelezen. Het geeft de actuele stand van zaken weer op diverse onderwerpen.

1.2 Leeswijzer In hoofdstuk 1 wordt het doel en de scope van de contextanalyse geschetst. Hoofdstuk 2 laat de stand van zaken ten aanzien van de broeikasgasemissies wereldwijd en in Nederland zien. In hoofdstuk 3 ‘Duurzame energie’ vindt u informatie over de actuele ontwikkelingen op het gebied van duurzame energie, wet- en regelgeving, subsidies en de energiemarkt. Daarnaast is er aandacht voor specifieke thema’s zoals waterstof en netcongestie. In hoofdstuk 4 ‘Afval- en grondstoffen’ worden algemene ontwikkelingen in het afvalbeheer beschreven. Tevens is er aandacht voor marktontwikkelingen op het gebied van inzamelen en ontwikkelingen in ketens van specifieke afvalstromen en secundaire grondstoffen. Ten aanzien van de Afvalenergiecentrales (AEC’s) wordt onder andere ingegaan op de (West) Europese markt en op ontwikkelingen met betrekking tot de toekomstige verbrandingscapaciteit, CO 2-afvang en stikstofemissies. In hoofdstuk 5 ‘rioolwaterzuiveringsinstallaties en zuiveringsslib’ wordt aandacht besteed aan ontwikkelingen op het gebied van microverontreinigingen, de rol van rioolwaterzuiveringsinstallaties (RWZI’s) als energiehub en enkele andere specifieke thema’s.

Contextanalyse, najaar 2024

7

2 Broeikasgasemissies 2.1 Wereldwijd De wereldwijde CO2-uitstoot uit energie kwam in 2023 uit op een hoeveelheid van ruim 37 miljard ton. Een stijging ten opzichte van het jaar ervoor met 1,1% (= 410 miljoen ton). Stijging van de CO2-uitstoot in India en China was daar debet aan. Die werd niet voldoende gecompenseerd door een daling van de CO2-uitstoot in ontwikkelde economieën. De rijke landen hebben het afgelopen jaar met het opwekken van hun energie de laagste CO2-uitstoot in vijftig jaar gehad. De ontwikkelde economieën profiteerden van een verdere groei van energie uit wind en zon, verruilden steenkool vaker voor gas en bespaarden op hun energieverbruik.

Ontwikkeling wereldwijde emissie van CO2 (in Gigaton) Volgens het Statistical Review of World Energy steeg de CO2-uitstoot in 2023 uiteindelijk met 2% tot meer dan 40 Gigaton aan CO2. Daarmee is voor het eerst de grens van 40 gigaton overschreden. Het energieverbruik steeg naar 620 ExaJoules. Methaan Het Global Methane Budget 2024 (ESA) schetst een beeld van de huidige stand van zaken van de wereldwijde methaanemissies. Menselijke activiteiten zijn verantwoordelijk voor ten minste tweederde van de wereldwijde methaanemissies. De top vijf uitstoters van antropogeen methaan in 2022 waren China (16%), India (9%), de VS (7%), Brazilië (6%) en Rusland (5%). Met name de emissies van de exploitatie van steenkool in China en de olie- en gaswinning in het Midden-Oosten leveren een belangrijke bijdrage. Afspraken tussen landen om hun methaanuitstoot te verlagen, leveren nog niet het gewenste resultaat op. Integendeel: de wereldwijde uitstoot van het krachtige broeikasgas methaan blijft stijgen, signaleert de Europese ruimtevaartorganisatie ESA in het op 10 september 2024 verschenen rapport. De trends

Contextanalyse, najaar 2024

8

gaan precies de tegenovergestelde kant op van wat nodig is om de planeet leefbaar te houden en de opwarming zelfs ook maar onder de 2 graden te houden, constateren de onderzoekers. ESA noemt de ontwikkelingen "zorgwekkend". De laatste twee decennia is de uitstoot met 20% gestegen en de afgelopen vijf jaar ziet de organisatie in satellietmetingen een versnelling. De zogeheten 'methaanbelofte' die inmiddels door 158 landen is ondertekend, heeft nog geen doorbraak gebracht. De belofte houdt in dat landen uiterlijk in 2030 hun methaanuitstoot met 30% hebben verlaagd. De EU en de VS namen samen het initiatief ervoor op de klimaattop in Glasgow van 2021. Grote uitstoters als China, India en Rusland hebben hun handtekening tot dusver niet gezet. Van alle gassen die door toedoen van mensen de lucht ingaan, levert methaan (CH4) na koolstofdioxide (CO2) de grootste bijdrage aan de opwarming van de aarde. Methaan zit in veel kleinere concentraties in de atmosfeer dan CO2 en blijft daar relatief kort hangen, maar het heeft per eenheid een veel sterker opwarmend effect. Over twintig jaar gerekend is methaan een ruim tachtig keer zo sterk broeikasgas als CO2.

2.2 Europa De Europese Unie (EU) moet een energietransitie maken om haar broeikasgasemissies doeltreffend te verminderen en klimaatneutraal te worden. Daartoe moet naast energiebesparing en vermindering van het verbruik ook worden overgestapt naar schonere vormen van energie. De richtlijn energie-efficiëntie is een van de voorstellen die de Europese Commissie heeft ingediend in het kader van het Fit for 55-pakket, het plan van de EU om de emissies tegen 2030 met ten minste 55% te verminderen ten opzichte van 1990. De Europese Raad bepaalde zijn standpunt over de herziening van de richtlijn in juni 2022. In maart 2023 werd een voorlopig akkoord met het Europees Parlement bereikt. In juli 2023 nam de Raad de nieuwe energie-efficiëntie richtlijn aan. De herziening van de richtlijn energie-efficiëntie heeft tot dusver een besparing van een derde opgeleverd. Maar met het oog op minstens 55% minder broeikasgassen in 2030 moet de EU nog energie efficiënter worden.

Contextanalyse, najaar 2024

9

2.3 Nederland De Nederlandse uitstoot van CO2 en andere broeikasgassen is in 2023 gedaald met 6%. De totale uitstoot lag 34% lager dan in 1990. In het Klimaatakkoord is vastgelegd dat de uitstoot in 2030 met 55% moet zijn gedaald. De daling komt door een forse daling van de inzet van steenkolen voor elektriciteitsproductie en door de groei van elektriciteit uit hernieuwbare bronnen. Bij de verwarming van gebouwen ging de uitstoot met 10% omlaag, omdat er minder aardgas werd gebruikt. Deze uitstootdaling komt vooral door betere isolatie, inzet van warmtepompen, het lager instellen van de thermostaat en zachtere winters. De industrie gebruikte ook minder kolen en gas, maar wel meer aardolie. In totaal ging de uitstoot met 3% omlaag en zorgen industriële bedrijven nu voor iets minder dan een derde van de Nederlandse uitstoot. Van de landbouw ging de uitstoot juist iets omhoog, vooral omdat tuinders meer aardgas gebruikten in hun kassen. De methaanuitstoot door de veehouderij bleef min of meer gelijk en is nu goed voor bijna 10% van de totale Nederlandse uitstoot. Vorig jaar steeg de uitstoot van onze mobiliteit met 2% door toegenomen gebruik van benzine. De internationale luchtvaart telt voor de nationale statistieken niet mee, maar heeft meer uitgestoten dan een jaar eerder. De CO 2-uitstoot door vliegtuigen ging in 2023 met 9% omhoog.

Ontwikkeling uitstoot broeikasgassen in Nederland

In 2023 werd de jaarlijkse Klimaat- en energieverkenning (KEV) van het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) gepresenteerd. Daarin staan onder andere de ramingen voor broeikasgasemissies. Uit de verkenning van het PBL blijkt dat Nederland voor het eerst op pad ligt om de doelstelling van 55% reductie van broeikasgasemissies, ten opzichte van 1990, te gaan halen. Volgens de berekeningen van het PBL is Nederland goed op weg om in 2030 een emissiereductie van tussen de 46 en 57% te gaan realiseren. Daarin speelt het extra pakket aan maatregelen zoals dit voorjaar aangekondigd in de Voorjaarsnota Klimaat een belangrijke rol.

Contextanalyse, najaar 2024

10

De gezamenlijke uitstoot van andere broeikasgassen methaan, lachgas en F-gassen is in 2022 56% lager dan in 1990. Deze halvering was in 2010 al bijna gerealiseerd (-46 procent). Het aandeel CO2 in de totale uitstoot van broeikasgassen steeg eerst van 74% in 1990 naar 85% in 2010 en nam daarna af naar 83% in 2022. Het zogenaamde Urgenda-doel beoogde een uitstoot in 2020 en latere jaren, die minimaal 25% lager is dan die in 1990. Het Urgenda-doel werd in 2020 wel gehaald (-26,0%), in 2021 net niet (-24,8%) en in 2022 ruim (-30,5%). Door een hogere aardgasprijs werd in 2022 fors bezuinigd op het verbruik van aardgas. In 2023 werd het Urgenda-doel nog ruimer gehaald (-34%). Er werd in 2023 meer elektriciteit met zonne- en windenergie opgewekt met daarbij minder inzet van kolen en aardgas in de elektriciteitsproductie.

Contextanalyse, najaar 2024

11

3 Duurzame energie 3.1 Wereldwijd De wereldwijde jaarlijkse toevoeging van hernieuwbare capaciteit is met bijna 50% gestegen tot bijna 510 Gigawatt (GW) in 2023. China heeft in 2023 evenveel zonnepanelen in gebruik genomen als de hele wereld in 2022, terwijl de windtoevoegingen ook met 66% jaar-op-jaar groeiden. Wereldwijd waren zonnepanelen alleen al goed voor driekwart van de wereldwijde capaciteitsuitbreiding van hernieuwbare energie. We zijn er daarmee nog niet. Onder het bestaande beleid en de bestaande marktomstandigheden wordt aangegeven dat de wereldwijde hernieuwbare capaciteit tegen 2028 7.300 GW zal bedragen. Dit groeitraject zou leiden tot een wereldwijde capaciteitstoename tot 2,5 keer het huidige niveau in 2030. Wat achterblijft bij de doelstelling van een verdrievoudiging. Overheden kunnen de kloof dichten om tegen 2030 meer dan 11.000 GW te bereiken door bestaand beleid sneller uit te voeren.

De uitdagingen vallen uiteen in vier hoofdcategorieën en verschillen per land: • beleidsonzekerheden en vertraagde beleidsreacties op de nieuwe macro-economische omgeving; • onvoldoende investeringen in netinfrastructuur die een snellere uitbreiding van hernieuwbare energiebronnen verhinderen; • omslachtige administratieve belemmeringen en vergunningsprocedures en kwesties met betrekking tot sociale acceptatie; • onvoldoende financiering in opkomende en zich ontwikkelende economieën. Het aanpakken van deze uitdagingen kan leiden tot bijna 21% hogere groei van hernieuwbare energiebronnen, waardoor de wereld op koers ligt om de wereldwijde verdrievoudigingsbelofte te halen. Bron: Internationaal Energieagentschap (IEA). Zonnepanelen en windenergie zullen straks goed zijn voor 95% van de wereldwijde uitbreiding van hernieuwbare energie en profiteren van lagere opwekkingskosten dan zowel fossiele als niet-fossiele brandstofalternatieven. In de komende vijf jaar zullen naar verwachting verschillende mijlpalen op het gebied van hernieuwbare energie worden bereikt: • In 2024 wekken wind en zon samen meer elektriciteit op dan waterkracht. •

In 2025 overtreffen hernieuwbare energiebronnen steenkool om de grootste bron van elektriciteitsopwekking te worden.

•

Wind en zon overtreffen elk de nucleaire elektriciteitsopwekking in respectievelijk 2025 en 2026.

•

In 2028 zijn hernieuwbare energiebronnen goed voor meer dan 42% van de wereldwijde elektriciteitsopwekking, waarbij het aandeel van wind- en zonne-energie verdubbelt tot 25%.

Contextanalyse, najaar 2024

12

3.2 Ontwikkeling in Europa Op 11 april 2024 is alle duurzame energie die in de Europese Unie wordt geproduceerd ‘op’ voor dit jaar, als we alles achter elkaar zouden gebruiken. Die dag is de Europese Green Energy Day. Elk jaar schuift deze dag een stukje op, zodat we in 2050 uit kunnen komen op 31 december: dan is alle energie hernieuwbaar. Daar moet nog veel voor gebeuren. In alle lidstaten timmeren bedrijven, burgers en overheden aan de weg naar duurzame energie. Door het aandeel duurzame energie te vergroten, wordt Europa minder afhankelijk van fossiele import uit andere landen. Bron: Nederlandse Vereniging Duurzame Energie.

Contextanalyse, najaar 2024

13

Nederland moet de richtlijn over de ontwikkeling van duurzame energie volledig gaan omzetten in nationale wetten. Dat heeft de Europese Commissie laten weten. De EU-landen hadden een bindend doel afgesproken om tegen 2030 minstens 32% van de totaal verbruikte energie uit hernieuwbare bronnen te halen. Evenals specifieke streefcijfers voor de warmtedistributie, koeling en de transportsector. Om in 2040 in Europa in onze eigen klimaatneutrale energie- en grondstoffenbehoefte te voorzien is zes keer zoveel productie daarvan nodig. CE Delft onderzocht in juni 2024 of Europa daar technisch gezien toe in staat is. Dat kan, maar hier zijn inspanningen voor nodig. -

De beschikbaarheid van CO2-vrije energie-/grondstofbronnen moet een factor zes groeien om aan de vraag vanuit de verschillende sectoren te voldoen in 2040.

-

Het technisch potentieel aan CO2-vrijebronnen is er, maar dit is nog geen economisch potentieel. Europa moet het aantrekkelijk maken om te investeren in CO2-vrije bronnen.

-

De vraag naar biomassa is groter dan het potentieel aan duurzame biomassa (reststromen); dit kan worden opgelost door het ontwikkelen van biomassaproductie op marginale gronden, het elektrificeren van de energievraag en/of vraagvermindering.

Het technisch potentieel is, in de studie Energy Sources and Demand, voor 2040 in kaart gebracht voor de 27 EU-lidstaten en het Verenigd Koninkrijk, Noorwegen en Zwitserland. Daarbij is rekening gehouden met ontwikkelsnelheden, uitvoeringsmogelijkheden, maar niet met economisch aantrekkelijkheid, eventuele schaarste aan bepaalde metalen en ecologische beperkingen.

Contextanalyse, najaar 2024

14

Bron, CE Delft 2024

3.2.1 Aandeel hernieuwbare energie Op Europees niveau was het aandeel hernieuwbare energie 23% in 2022. Het aandeel hernieuwbare energie in Nederland was met 15% lager dan het Europese gemiddelde. Alleen in Luxemburg, België, Malta en Ierland was het aandeel hernieuwbare energie nog lager. Wel is het aandeel hernieuwbare energie in Nederland in de afgelopen vijf jaar sterker gegroeid dan in de meeste andere EU-landen. Zweden was met 66% hernieuwbare energie koploper in de EU, gevolgd door Finland 48% en Letland 43%. De Europese Commissie is tevreden over de resultaten van het Europese energiebeleid van de afgelopen vijf jaar. Tot juli van 2024 is de helft van de elektriciteit in de EU uit hernieuwbare energie opgewekt. Windenergie is na kernenergie nu de grootste energiebron in de EU en heeft gas ingehaald. Er is nog veel werk te doen. Het energieverbruik daalt niet snel genoeg om de doelstellingen in 2030 te halen en de elektrificatie en verduurzaming van gebouwen moet sneller.

Contextanalyse, najaar 2024

15

3.3 Ontwikkeling in Nederland Nederland werkt aan een energiesysteem waarbij nauwelijks nog CO 2 vrijkomt. In 2050 moet de energievoorziening bijna helemaal duurzaam en CO2-neutraal zijn. De regeringsleiders van de Europese Unie hebben in december 2020 afgesproken te streven naar een Europees CO 2 reductiedoel van 55%. Een overgang naar een duurzame energievoorziening is belangrijk om klimaatverandering tegen te gaan. Ook zijn er in Nederland steeds minder fossiele brandstoffen, vooral aardgas, beschikbaar. En wil Nederland niet volledig afhankelijk zijn energie uit andere landen De Nederlandse Green Energy Day, de dag dat alle duurzame energie die we in Nederland produceren ‘op’ is voor dit jaar (als we alles achter elkaar zouden gebruiken), valt op 8 maart 2024. Die dag schuift ieder jaar een stukje op. De mogelijkheden verschillen sterk per land. Zweden is koploper van de Europese Unie als het gaat om duurzame energie, mede dankzij de grote hoeveelheid waterkracht en doordat er veel ruimte voor zon- en windenergie is.

Contextanalyse, najaar 2024

16

3.3.1 Energieproductie uit hernieuwbare bronnen In 2023 kwam 48% van de elektriciteitsproductie uit hernieuwbare bronnen zoals zon, wind en water. In de periode mei tot en met juli 2023 was meer dan de helft van de elektriciteit hernieuwbaar. De productie uit hernieuwbare bronnen steeg in 2023 met 21%, vergeleken met een jaar eerder. De elektriciteitsproductie uit fossiele bronnen daalde. En niet eerder werd er zoveel elektriciteit uitgevoerd.

In 2023 werd in totaal 120 miljard kWh elektriciteit geproduceerd, 1% meer dan een jaar eerder. Uit fossiele bronnen was dat 58 miljard kWh, een daling van 12% ten opzichte van het jaar ervoor. Uit kolen en aardgas werd minder elektriciteit geproduceerd. Dit werd mede veroorzaakt doordat er goedkopere wind- en zonne-energie beschikbaar was. Het aandeel hernieuwbare energie was 15% van het totale energieverbruik in 2022. In 2021 was dit nog 13%. De meeste hernieuwbare energie komt uit biomassa namelijk 40%. 28% van de hernieuwbare energie is afkomstig uit windenergie en 22% uit zonne-energie. Buitenluchtwarmte en bodemenergie, meestal benut met een warmtepomp, droegen samen 7% bij. Waterkracht en aardwarmte droegen gezamenlijk 3% bij.

Contextanalyse, najaar 2024

17

3.3.2 Energieverbruik uit hernieuwbare bronnen Energieverbruik uit hernieuwbare bronnen is gestegen naar 17%. Het verbruik van hernieuwbare energie bedroeg 308 Peta Joule (PJ) in 2023. Dat is 11% meer dan een jaar eerder. Het totale energieverbruik is gedaald naar ruim 1.800 PJ, 2% lager dan in 2022.

CBS, ontwikkeling aandeel hernieuwbare energie in bruto energetisch eindverbruik van energie in Nederland, 2023. De helft van de in Nederland opgewekte stroom werd in 2023 groen geproduceerd. In 2022 was 41% groen. Deze toename is veroorzaakt door zowel een toename in de productie van groene stroom als door een daling met 5% van de vraag naar elektriciteit. Zonnepanelen, nu verantwoordelijk voor 17,6% van alle stroom, zijn de grootste bron van hernieuwbare energie. Daarna volgen windmolens op land (15,1%), windparken op zee (9,9%) en biomassacentrales (7,3%). De overige 50% van de stroom werd op conventionele wijze opgewekt, bijvoorbeeld door middel van gas- en kolencentrales. Door de groei van de productie van groene elektriciteit, zijn er nu steeds meer momenten waarop er méér hernieuwbare stroom werd opgewekt dan we in Nederland nodig hadden of konden exporteren. Op de stroommarkt vertaalt zich dit in negatieve stroomprijzen: klanten die toch stroom willen afnemen, krijgen daarvoor betaald door de leverancier. In 2023 ging het hierbij om ruim 300 uur (in 2022 was dit 85 uur). In 2023 is meer hernieuwbare energie geproduceerd dan in 2022. Het gaat dan niet alleen om energie voor stroom maar ook voor transport en voor warmte in bijvoorbeeld gebouwen en de industrie.

In totaal is het aandeel van hernieuwbare energie nu 17% en daarmee is het doel uit het Energieakkoord voor 2023 (16%) gehaald.

Contextanalyse, najaar 2024

18

3.4 Ontwikkeling per duurzame bron

In 2022 is 47 miljard kWh elektriciteit geproduceerd uit windenergie, waterkracht, zonne-energie en biomassa. Dat is 40% van het totale elektriciteitsverbruik. In 2021 was dit aandeel 33%. De productie van elektriciteit uit zon nam met 46% toe. Dit is de grootste relatieve stijging voor 2022, maar ook in absolute zin is de elektriciteitsproductie uit zon het hardst gegroeid met ruim 5 miljard kWh. De productie van windmolens nam in 2022 met 13% toe. Voor de elektriciteitsproductie uit biomassa is een daling van 19% te zien.

Contextanalyse, najaar 2024

19

3.4.1 Energie uit afval Afval dat niet gerecycled kan worden, wordt omgezet in energie. Centrales leveren elektriciteit aan het elektriciteitsnet en warmte aan fabrieken, woonwijken en tuinbouwkassen. Door afval in te zetten als brandstof besparen we op het gebruik van fossiele brandstoffen. In Nederland verbranden we jaarlijks ongeveer 7,6 miljoen ton afval. Ongeveer de helft van de hernieuwde energie die hierbij vrijkomt, komt van biomassa. Rijkswaterstaat berekent dit jaarlijks aan de hand van gegevens over de samenstelling van het verbrande afval. Gemiddeld wordt ongeveer 20% van de energie-inhoud bij afvalverbranding teruggewonnen als elektriciteit en 23% als warmte. Afvalenergiecentrales verbranden constant afval. Dit levert een stabiele elektriciteitsproductie op, omdat de aanvoer van afval redelijk gelijkmatig is.

Bron: Nationaal Energie Dashbord, opwek van elektriciteit door het verbranden van afval in 2024.

3.4.2 Biomassa De grootste hoeveelheid hernieuwbare energie komt uit biomassa zoals hout, mest of voedselresten. Uit biomassa kan elektriciteit, warmte of brandstof voor vervoer gemaakt worden. In 2023 was het verbruik van hernieuwbare energie uit biomassa ruim 3% lager dan een jaar eerder. Dit wordt vooral veroorzaakt doordat er 31% minder biomassa is mee gestookt bij elektriciteitscentrales. De hoeveelheid hernieuwbare energie uit biomassaketels voor elektriciteitsproductie bij bedrijven was 61% hoger dan in 2022. De reden voor deze stijging is dat van een groter deel van de ingezette biomassa is aangetoond dat deze voldoet aan de geldende Europese duurzaamheidscriteria. Dat is een voorwaarde om de energieproductie te mogen meetellen voor het aandeel hernieuwbare energie volgens de Europese rekenmethode. De verwachting is dat rond 2030 biomassa vrijwel niet meer gebruikt wordt om elektriciteit op te wekken, omdat er dan meer wind- en zonne-energie zou zijn en subsidies voor mee stook van biomassa stoppen. Als warmtebron speelt biomassa naar verwachting de komende jaren een grotere rol.

Contextanalyse, najaar 2024

20

Subsidies Besloten is om geen subsidie te verstrekken aan omgebouwde kolencentrales die biomassa verbranden. De minister overwoog om wel subsidie te verlenen aan de omgebouwde kolencentrales, die voor het eerst zouden kunnen zorgen voor 'negatieve emissies'. Door houtresten te verbranden en de CO2 die daarbij vrijkomt permanent op te slaan onder de Noordzee, zou op papier sprake zijn van CO2-verwijdering. Het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) had onlangs kritiek op de plannen om subsidie te verlenen aan CO2-opslag bij energiecentrales. Volgens het planbureau is het inefficiënt om CO2 af te vangen bij centrales die in de toekomst maar weinig uren zullen draaien. Het Duitse RWE wil de zogeheten BECCS-technologie inzetten bij zijn twee Nederlandse kolencentrales. Het bedrijf denkt zo 11 tot 14 miljoen ton CO2 per jaar te kunnen afvangen en opslaan. Dat zou een bijdrage kunnen leveren aan de Nederlandse klimaatdoelen, maar milieuorganisaties zijn tegenstander van energieopwekking met houtresten. Daarvoor worden bomen gekapt. Op papier wordt alleen duurzaam resthout gebruikt, maar in het verleden is gebleken dat dit hout ook uit beschermde bossen kan komen. Vanwege deze zorgen wordt al geen subsidie meer gegeven aan nieuwe biomassacentrales. CO2-verwijdering via biomassa: hoe zit dat? Bij de verbranding van biomassa komt CO2 vrij, maar op papier is het proces CO2 neutraal.

Internationaal is afgesproken dat de CO2-uitstoot uit biomassa niet meetelt in de boekhouding die landen bijhouden van hun uitstoot. Het idee is dat bomen continu CO2 uit de lucht halen om te groeien. De uitstoot bij verbranding van hout wordt weer gecompenseerd door de groei van nieuwe bomen die op de plek van de oude komen. Alleen als sprake is van permanente ontbossing telt dat volgens de internationale richtlijnen mee als CO2-uitstoot. Door de CO2-uitstoot bij verbranding van biomassa op te vangen en permanent op te slaan, bijvoorbeeld onder de Noordzee, ontstaan 'negatieve emissies'. De nieuwe bomen blijven CO2 uit de lucht halen, terwijl de CO2 uit de oude bomen niet in de lucht komt. In jargon heet deze technologie bioenergy with carbon capture and storage (BECCS). In een brief aan de Tweede Kamer schrijft de minister om wel een subsidiepot te willen creëren voor CO2-opslag bij biomassacentrales. Maar "om overstimulering te voorkomen" zullen alleen kleinere centrales in aanmerking komen. De kolencentrales vissen achter het net. Het is onduidelijk wat het besluit betekent voor de plannen van RWE, dat al vergunningen heeft aangevraagd om CO2-opslag mogelijk te maken bij zijn centrales in de Eemshaven en Geertruidenberg. Vanaf 2030 mogen de twee centrales geen steenkool meer verbranden. Het huidige kabinet heeft afgesproken geen subsidie te verlenen aan BECCS.

Volgens de minister zullen negatieve emissies in de toekomst nodig zijn. Ook de EU gaat in haar klimaatplannen uit van miljoenen tonnen aan CO2-verwijdering uit de lucht, als compensatie voor de CO 2-uitstoot die ook in 2050 nog resteert. Het kabinet werkt op verzoek van de Tweede Kamer aan een langetermijnvisie voor mogelijkheden van CO2-verwijdering in Nederland.

3.4.3 Geothermie Aardwarmte, ook wel geothermie, maakt gebruik van warmte uit de diepe ondergrond. Vanuit minimaal 500 meter onder de grond wordt warm water opgepompt, wat gebruikt wordt om leidingwater te verwarmen. Dit warme leidingwater warmt daarna ruimtes op, bijvoorbeeld in een woning. Hiervoor is een warmtenetwerk (stadsverwarming) nodig. Ook andere bronnen kunnen warmte leveren aan dit netwerk. Bijvoorbeeld biomassa, restwarmte en warmtepompen.

Contextanalyse, najaar 2024

21

Het opgepompte en vervolgens afgekoelde water gaat terug de grond in. Dit kan later opnieuw worden gebruikt, als de aarde het weer heeft opgewarmd. Eind 2022 waren er in Nederland 26 aardwarmtelocaties in bedrijf met in totaal 36 doubletten. Er zijn 100 projecten in voorbereiding. De totale warmteproductie uit geothermie is in 2022 ten opzichte van 2021 gestegen met 6% tot 6,4 PJ. Met deze productie is in totaal 193 miljoen m3 aardgas bespaard waardoor de emissie van 365.000 ton CO2 is vermeden. De overheid heeft maatregelen genomen om aardwarmte te stimuleren, waardoor de productie ervan goedkoper wordt. Het doel is om in 2030 15 Peta Joule aan duurzame energie op te wekken uit aardwarmte. Dat is ongeveer het gemiddelde gasen elektriciteitsverbruik van 2,2 miljoen huishoudens. HVC en geothermie Voor geothermie is in het Jaarverslag 2023 van HVC op pagina 28-29-30 de stand van zaken qua lopende ontwikkelingen uiteengezet. Een update daarop is dat het 1e doublet van Maasdijk op het punt staat om in gebruik te worden genomen voor warmtelevering. Voor Polanen worden de laatste voorbereidende bovengrondse werkzaamheden uitgevoerd en staat in bedrijfstelling gepland voor Q4 2025.

Daarnaast is voor een aantal projecten in voorbereiding (Den Helder, Lelystad, Heerhugowaard 2e doublet) een SDE++ aanvraag (vernieuwen huidige beschikking) voorzien vanwege de toegenomen kosten voor het realiseren en exploiteren van een geothermiebron.

3.4.4 Aquathermie Aquathermie het winnen van warmte of koude uit oppervlaktewater, afvalwater of drinkwater water om gebouwen te verwarmen of af te koelen, gebeurt al op zo’n 100 plekken in Nederland. Er zijn verschillende vormen. De thermische energie kan komen uit oppervlaktewater (TEO), afvalwater (TEA) – zoals rioolwater (riothermie) – en drinkwater (TED). Netwerk Aquathermie, STOWA en Warmte uit Water hebben in 2023 de Handreiking aquathermie 1 gelanceerd. Hiermee maken ze beschikbare tools en kennis voor iedereen die met aquathermie aan de slag wil, toegankelijk. In de Handreiking komen naast rapporten en tools ook veel praktijkvoorbeelden aanbod. De Handreiking bestaat uit drie onderdelen: ‘basis’, ‘proces’ en ‘verdieping’. Het eerste onderdeel wijst mensen die zich voor het eerst op aquathermie oriënteren de weg. Wat is aquathermie? En is het handig voor mijn project of wijk? Het tweede deel ‘proces’ omschrijft de verschillende fases van een aquathermieproject, van oriëntatie tot realisatie. HVC en aquathermie HVC ontwikkelt momenteel een aquathermiebron in Gorinchem in samenwerking met het Waterschap Rivierenland en het warmtenet ter plaatse.

3.4.5 Zon Wereldwijd wordt in 2024 een hoeveelheid van 592 Gigawattpiek aan zonnepanelen geïnstalleerd. Dat voorspellen analisten van marktonderzoeksbureau Bloomberg New Energy Finance (BloombergNEF). Aan het begin van 2024 gingen de analisten nog uit van een groei van 520 tot 655 Gigawattpiek met een middenscenario van 574 Gigawattpiek. Dat laatste scenario is nu geactualiseerd en naar boven 1 https://www.aquathermie.nl/handreiking/begin+handreiking/default.aspx

Contextanalyse, najaar 2024

22

bijgesteld tot 592 Gigawattpiek. Ook de komende jaren zal de installatiesnelheid toenemen waarbij in 2035 het installatieniveau voor het eerst rond de 1.000 Gigawattpiek – oftewel 1 Terawattpiek – zal komen. De uitstoot van schadelijke stoffen door stroomproductie is in de EU in twee jaar tijd met bijna een derde gedaald, blijkt uit onderzoek van de energiedenktank Ember. Zon en wind hebben voor het eerst meer stroom opgewekt dan fossiele bronnen. Dit komt doordat er in veel Europese landen steeds meer zonnepanelen en windmolens worden geplaatst. Tegelijkertijd loopt de productie met behulp van gas en vooral steenkool hard terug. Zon en wind produceerden in de eerste zes maanden van dit jaar 13% meer elektriciteit dan in de eerste helft van vorig jaar. Vooral windmolens produceerden meer, zo'n 20%. Stroomproductie met steenkolen daalde juist met 24%, terwijl aardgas met 14% terugliep. Vooral de grote EU-landen - Duitsland, Italië, Spanje en Frankrijk - gebruikten minder fossiele bronnen. Windmolens en zonnepanelen zijn inmiddels goed voor 30% van de totale stroomproductie in de Europese Unie. Dat is meer dan de 27% die kolen en gas voor hun rekening nemen. Andere belangrijke energiebronnen in Europa zijn waterkrachtcentrales en nucleaire energie, waarvan de productie in beide gevallen groeide.

Zon, wind, water en kerncentrales zijn samen goed voor bijna drie kwart van de totale stroomproductie in de EU. Beleid blijft nodig voor energietransitie. Door de afname van fossiele energiebronnen stoot de Europese stroomsector 31% minder schadelijke stoffen uit dan in de eerste helft van 2022. In de eerste zes maanden is in totaal 271 megaton uitgestoten. Dan gaat het niet alleen om CO2, maar ook om andere stoffen, zoals methaan. "Een ongekende afname in zo'n kleine periode", zeggen de onderzoekers. Wel wijzen ze erop dat beleid hard nodig blijft om de vaart in de energietransitie te houden. Zwaar weer De Europese zonnepanelenindustrie verkeert in ‘zwaar weer’. De groothandelsprijs van zonnepanelen in Europa is in 2023 gedaald met 52%. De prijs van high efficiency-zonnepanelen is gedaald met 41%. Zonder hulp vanuit de EU dreigen faillissementen in de sector en komt het Europese doel om 30 GW aan productiecapaciteit terug te halen naar Europa in gevaar. De prijsdaling van zonnepanelen is veroorzaakt door overcapaciteit in de gehele productieketen van zonnepanelen, waardoor de prijzen dalen. Elektriciteitsproductie zon In de maand juni 2023 werd 35% van alle elektriciteit in Nederland geleverd door de zon. De totale productie bedroeg drie Terawatt uur (TWh).

Door het zonnige weer werd per paneel 5% meer opgewekt en daarnaast is de hoeveelheid zonnepanelen met 25% gegroeid ten opzichte van 2022. Import zonnepanelen Nederland is de grootste importeur van zonnepanelen ter wereld. Daarbij komt 89% van de zonnepanelen uit China. Ongeveer 60% van de Nederlandse import wordt meteen doorgevoerd naar andere landen. De totale Nederlandse import van zonnepanelen bedroeg € 11,9 miljard. Met € 10,5 miljard is Nederland de belangrijkste importeur van zonnepanelen uit China. De VS is de tweede importeur van zonnepanelen, maar haalt nauwelijks panelen uit China. Brazilië staat op de derde plek. Daarna volgt Duitsland als de vierde importeur. Duitsland haalt in verhouding zelf weinig panelen direct uit China. Het gaat vooral om Chinese panelen die Nederland doorvoert naar Duitsland. Spanje is de vijfde importeur, maar haalt meer panelen direct uit China dan Duitsland.

Contextanalyse, najaar 2024

23

HVC en de inkoop van zonnepanelen Zonnepanelen worden bij HVC via een EPC (Engineering, Procurement en Construction) aannemer ingekocht. De aannemer plant en voert alle engineering-, inkoop- en bouwactiviteiten uit die nodig zijn om een kapitaalproject te voltooien. Vanuit HVC wordt een breed pakket aan eisen gehanteerd. 75% van de zonnepanelen die in de wereld verkocht worden, worden in China geproduceerd. De panelen die HVC toepast komen ook uit China. Daar zijn fabrieken neergezet die allemaal conform TIER 1 produceren. TIER is een rangensysteem waarbij er naar de producenten wordt gekeken. Vorig jaar heeft HVC 100.000 panelen ingekocht en met de komst van Zonnepark Noordermeerdijk komen er 180.000 zonnepanelen bij. Salderingsregeling Zonnestroom die je zelf niet verbruikt, lever je aan het elektriciteitsnet. Je kunt die wegstrepen tegen de stroom die je op andere momenten van het net afhaalt. Dat heet salderen. Salderen is heel gunstig voor de zonnepaneelbezitter, maar minder voor het energiebedrijf. In de zomer leveren zonnepanelen veel stroom aan het elektriciteitsnet. Door dat grote aanbod is stroom op dat moment vaak goedkoop: het energiebedrijf krijgt er weinig geld voor. In ruil daarvoor krijgt de zonnepaneelbezitter in de winter dure stroom terug. Dat kost het energiebedrijf geld. Het zal het verschil op een andere manier proberen terug te krijgen.

Vaak verhogen ze de stroomprijs voor iedereen, ook voor mensen zonder zonnepanelen. Die betalen dus mee aan de salderingsregeling. Daarom is er discussie of de salderingsregeling wel eerlijk is.

Contextanalyse, najaar 2024

24

Het moet mensen uiteindelijk prikkelen om de zonnestroom zoveel mogelijk te gebruiken op de momenten dat die wordt opgewekt. De droger, vaatwasser en wasmachine aanzetten en vooral de elektrische auto laden als de zon schijnt. Het kabinet heeft de volgende stap gezet om de salderingsregeling voor zonnepanelen per 1 januari 2027 stop te zetten. De ministerraad heeft ingestemd met de voorbereidingen van een wetsvoorstel. Hiermee geeft het nieuwe kabinet invulling aan de afspraak uit het Hoofdlijnenakkoord om de salderingsregeling per 1 januari 2027 stop te zetten. Door de voorbereiding te treffen voor een wetsvoorstel om het salderen te beëindigen, geeft het nieuwe kabinet invulling aan het verzoek van de Tweede Kamer om een toekomstig kader dat duidelijkheid biedt aan consumenten, de installatiebranche en andere betrokken partijen. Bovendien wordt zo invulling gegeven aan een motie die het kabinet gevraagd had een voorstel tot aanpassing van de salderingsregeling mee te sturen bij het Belastingplan 2025. In de besluitenlijst van de ministerraad wordt nogmaals herhaalt dat het beëindigen van het salderen een fiscale maatregel is. ‘Die zorgt voor een efficiënter en eerlijker gebruik van het energiesysteem. De beëindiging van de salderingsregeling vermindert dus de belasting van het elektriciteitsnet en daarmee het risico op extra netcongestie.

Daarnaast brengt de salderingsregeling een aanzienlijke kostenpost met zich mee voor zowel de schatkist als voor leveranciers.’ Nu de ministerraad heeft ingestemd met de voorbereidende werkzaamheden om het salderen te stoppen, heeft minister Hermans van Klimaat en Groene Groei het wetsvoorstel voor een spoedadvies ingediend bij de Afdeling advisering van de Raad van State. HVC en salderen Salderen in Nederland vindt alleen plaats op kleinverbruikers aansluitingen. De zonneparken die HVC heeft zijn allemaal grootverbruikers aansluitingen. Daarmee geen direct effect. Wel een indirect effect op de prijsontwikkeling binnen Nederland. Doordat er kan worden gesaldeerd fungeert de saldering als het ware als een batterij, maar dan financieel. Afschaffing zorgt ervoor dat consumenten de geproduceerde zonnestroom direct gaan verbruiken. Dat is goed voor het energiesysteem, kan netcongestie verzachten en kan zorgen voor demping op de negatieve prijsontwikkeling (Day-AheadMarkt). Zonfolie Niet alle daken zijn geschikt voor zonnepanelen, die soms te zwaar zijn om door een dakconstructie gedragen te kunnen worden. Zonfolie is van dun materiaal gemaakt en erg flexibel. Het kan echter nog niet concurreren met stroom uit het stopcontact. Een nadeel van zonfolie is dat het rendement relatief laag is. 12% van het zonlicht wordt omgezet in elektriciteit.

Ter vergelijking: reguliere zonnepanelen halen een rendement van ruim 20%. Mede hierdoor is de kostprijs voor elektriciteit geproduceerd met zonfolie het dubbele ten opzichte van de kostprijs van reguliere zonnepanelen. Zonnepanelen Nederland heeft 4,8 Gigawattpiek zonnestroomvermogen geïnstalleerd in 2023. Hierdoor komt het totaal opgesteld vermogen uit op ca. 24,4 gigawattpiek. Per inwoner staat er nu 1.386 wattpiek – of 3,5 zonnepanelen – opgesteld, waardoor Nederland Australië voorbij is gegaan als wereldkampioen zonneenergie. Het verbruik uit zonne-energie (elektriciteit en warmte) groeide in 2023 ten opzichte van het jaar daarvoor met 17% naar 73 Peta Joule. De totale opgestelde capaciteit van zonnepanelen is gestegen naar meer dan 24 GW.

Contextanalyse, najaar 2024

25

CBS, groei opgesteld elektrisch vermogen per jaar in Nederland In 2023 werd er 21 miljard kWh aan elektriciteit uit zonne-energie opgewekt. Een toename van 24 procent vergeleken met een jaar eerder. Belangrijke oorzaak was de toename van het geplaatste vermogen aan zonnepanelen (+ 4,3 GW).

3.4.6 Wind Wind op zee Er zijn ambities van diverse Europese landen met betrekking tot de realisatie van wind op zee. Waarbij de huidige capaciteit van 16 GW moet groeien tot 61 GW in 2030 en 340 GW in 2050. De doelen zijn ambitieus en om ze te halen zal de jaarlijkse uitrol van hernieuwbare-energieprojecten op zee moeten stijgen. De Europese Rekenkamer stelt dat de uitbreiding van hernieuwbare offshore-energie in Europa, mogelijk schade zal toebrengen aan het zeemilieu, zowel onder als boven de zeespiegel. En die schade reikt verder dan de 3% Europese maritieme ruimte, die de hernieuwbare-energieprojecten op zee tot 2030 zullen innemen. Naar de mening van de Rekenkamer moeten lidstaten meer samenwerken om de impact op ruimte en ecologie te beperken. Ook zou de ecologische impact van duurzame energieprojecten op zee vooraf in ogenschouw genomen moeten worden. De planning voor de vergunningprocedures en bouw van windparken op zee verandert. In plaats van in 2030/2031, wil Nederland eind 2032 21 gigawatt (GW) aan windenergie op zee hebben staan. Dit geeft ontwikkelaars en bedrijven de tijd om windparken en netaansluitingen te realiseren. In de Kamerbrief van april 2024 staat de planning voor de vergunningsprocedure en ingebruikname van alle nieuwe windparken tot en met 2032.

Tot en met 2027 kunnen windparkontwikkelaars vergunningen aanvragen bij Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) voor windparken van in totaal ongeveer

Contextanalyse, najaar 2024

26

15 GW aan windenergie. Dit is inclusief de vergunningen voor de windparken IJmuiden Ver Alpha en Beta. Er volgt nog een Kamerbrief over de vergunningprocedures. Daarin staan meer details over hoe de procedure er precies uit gaat zien. Ook de grootte van de kavels en mogelijke verdere standaardisatie van windturbines komen hierin aan bod.

Wind op land Het Rijk en provincies zijn als onderdeel van het Energieakkoord (2013) een nationale doelstelling overeengekomen van 6.000 MW operationeel vermogen wind op land in 2020. Omdat deze doelstelling eind 2020 niet was gehaald, zijn er aanvullende afspraken gemaakt. Uit de Monitor Wind op Land blijkt dat ondertussen aan de oorspronkelijke doelstelling en aanvullende afspraken is voldaan.

Contextanalyse, najaar 2024

27

In 2023 is in Nederland voor 771 megawatt (MW) vermogen aan windmolens op land gebouwd. Samen kunnen deze in een gemiddeld windjaar 2,8 Terra wattuur (TWh) aan elektriciteit opwekken. Dat meldt de Monitor Wind op Land 2023 van Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO). In totaal stond er eind 2023 voor 6.816 MW aan windvermogen in Nederland opgesteld. Daarnaast zijn er voor 1.292 MW nog concrete plannen voor windturbines. Alle windmolens op land die eind 2023 elektriciteit opwekten, zijn samen goed voor 20,7 TWh. Dit is een toename van 2,8 TWh in vergelijking met 2022. De verwachting is dat de productie van windenergie in de komende 2 tot 3 jaar toeneemt tot 22,2 TWh. Eén TWh is een miljoen megawattuur (MWh). De groei in 2023 was vergelijkbaar met 2022, toen voor 759 MW aan vermogen is gebouwd. Maar aan de groei van de laatste jaren lijkt een einde te komen. Veel projecten in ontwikkeling lopen vertraging op, onder andere door bezwaarprocedures. Eind 2023 is nog 538 MW aan vermogen verwikkeld in ruimtelijke en vergunningsprocedures. Daarnaast is er nog voor 370 MW in ontwikkeling. Deze projecten hebben al een vergunning en krijgen subsidie uit de regeling Stimulering Duurzame Energieproductie en Klimaattransitie (SDE++). Door een steeds grotere elektriciteitsvraag is opwek van hernieuwbare (duurzame) elektriciteit nodig.

Bedrijven willen verduurzamen en mensen gebruiken steeds meer elektriciteit voor elektrisch rijden, koken en verwarmen. Gemeenten, provincies en waterschappen spraken daarom in het Klimaatakkoord af om bij te dragen aan de verduurzaming van Nederland door in 2030 ten minste 35 TWh aan duurzame elektriciteit op land op te wekken. Die duurzame elektriciteit komt van zonne- en windenergie. Er zijn 30 regio’s gevormd die elk een Regionale Energiestrategie (RES) hebben opgesteld. Deze plannen zijn samen goed voor 55 TWh. Het Nationaal Plan Energiesysteem (NPE) geeft aan dat een stijging van het aanbod van duurzame elektriciteit en warmte ook na 2030 nodig is. Productie De productie van elektriciteit uit hernieuwbare bronnen steeg in 2023 naar 57 miljard kWh. De elektriciteitsproductie uit windenergie nam vergeleken met het jaar daarvoor met 35% toe naar 29 miljard kWh. Deze groei komt mede door een toename van het opgestelde vermogen van windmolens, zowel op land als op zee. De totale capaciteit van windmolens kwam in 2023 uit op 11 GW. Flevoland levert met een verwachte energie opwek van 6,11 TWh op dit moment de meeste windenergie per jaar. Groningen is tweede met 2,73 TWh en Friesland derde met 2,00 TWh. Verbruik Het verbruik van windenergie is in 2023 vergeleken met een jaar eerder met 25% toegenomen naar 96 Peta Joule.

Daarvan werd 39 PJ geproduceerd door windmolens op zee en 57 PJ door windmolens op land. De toename van het verbruik van windenergie komt vooral doordat er veel nieuwe molens zijn bijgeplaatst. Op zee is de productiecapaciteit in 2023 met 55 procent toegenomen tot bijna 4 Gigawatt (GW). Op land nam de capaciteit met 10% toe tot bijna 7 GW. De grootste toenames waren in Flevoland, Noord-Brabant en Zeeland. Opgesteld vermogen zon en wind Het opgesteld vermogen verwijst naar de maximale hoeveelheid energie die onder normale omstandigheden door alle turbines of zonnepanelen kan worden geproduceerd. Het opgesteld vermogen van zonne-energie is de afgelopen jaren in Nederland bijna vertienvoudigd van rond de 2.000 GW in 2015 tot ongeveer 19.000 GW in 2022. Hoewel de capaciteit van zonne-energie aanzienlijk hoger is dan die van windenergie, betekent dit niet automatisch dat de productie van zonne-energie altijd hoger is dan die van windenergie.

Contextanalyse, najaar 2024

28

Energieopwek.nl, real-time elektriciteitsproductie uit wind- en zonne-energie

3.4.7 Bronnenmix CE Delft heeft een inschatting gemaakt van de verwachte warmtebronnenmix in 2030, op basis van de huidige situatie, de duurzaamheidseisen en de groeiambities uit het Klimaatakkoord (onderstaande figuur). Hierbij is gekeken naar grote warmtenetten die de basislast van de warmtevraag kunnen voorzien. Te zien is dat er wordt gediversifieerd en er warmtebronnen bijkomen. Met deze bronnenmix zou de doelstelling uit het Klimaatakkoord van een gemiddelde CO 2-intensiteit van 18,9 kilogram CO2 per Giga Joule worden gehaald met 10,5 kilogram CO2 per Giga Joule. Ook blijkt dat kleine netten gemiddeld een meer dan twee keer zo grote CO2-intensiteit hebben als grote tot middelgrote warmtenetten. Daarnaast valt het op dat de warmte afkomstig uit stoom- en gascentrales flink gaat dalen naar 2030.

Contextanalyse, najaar 2024

29

In 2022 bedroeg de totale warmteproductie 35 Peta Joule, in 2030 moet die toenemen naar 50 Peta Joule om de klimaatdoelen te halen.Deze toename moet worden gerealiseerd door zowel het uitbreiden van bestaande warmtenetten als door het ontwikkelen van nieuwe warmtenetten. De warmtebronnen die het meest zullen worden ontwikkeld zijn restwarmte van de industrie, geothermie, aquathermie en restwarmte uit datacentra. Restwarmte is vooral goed voor de basislast, terwijl gasketels in combinatie met biomassa de pieklast blijven voorzien. Momenteel wordt er 35 Peta Joule aan warmte voor warmtenetten geproduceerd. Deze warmte is vooral afkomstig uit aftapwarmte van stoom- en gascentrales, afvalverbrandingsinstallaties en biomassacentrales. De CO2-intensiteit van deze warmtebronnen is 40% hoger dan de doelstellingen in het Klimaatakkoord.

Aandeel per warmtebron in de huidige warmteproductie | © CE Delft

Contextanalyse, najaar 2024

30

Uit de berekening van CE Delft blijkt dat de onrendabele top van nieuwe warmtebronnen in 2030 € 374 miljoen per jaar bedraagt. Omdat de looptijd van de SDE++ meestal vijftien jaar is moet er € 6,7 miljard worden gereserveerd om de plannen voor nieuwe bronnen te voorzien. Deze indicatie laat zien dat vooral voor geothermie en e-boilers subsidie nodig is. Van de € 6,7 miljard is bijna € 3 miljard nodig voor geothermie en ruim een miljard euro voor de inzet van e-boilers. Naar verhouding kunnen deze twee warmtebronnen ook de meeste warmte produceren, respectievelijk 10 en 7 van de totaal 24 Peta Joule aan nieuwe warmteproductie. De duurzame bronnen zon, wind en biomassa zijn concurrenten geworden. Samen zijn ze goed voor 40% van de productie van elektriciteit. 18% daarvan is afkomstig van windenergie, 15% van zonnestroom en 7% van biomassa. Vandaag de dag levert aardgas met 40% nog de grootste bijdrage aan de elektriciteitsproductie. Kolen en aardolie zijn samen goed voor 15% van de elektriciteitsproductie en 3% wordt opgewekt door kerncentrales.

CBS, duurzame energie in Nederland per bron, 2023.

3.5 Beleid, wet- en regelgeving, subsidies 3.5.1 Europese wetgeving Het Europees Parlement (EP) heeft in september 2023 ingestemd met een voorstel om het gebruik van hernieuwbare energie te bevorderen. Via een herziening van de richtlijn hernieuwbare energie wordt het aandeel hernieuwbare energie in het eindenergieverbruik van de EU opgevoerd tot 42,5%. Deze doelstelling moet uiterlijk in 2030 worden bereikt. De EU-landen moeten streven naar een aandeel van 45%. Dit doel van 42,5% is een verhoging ten opzichte van het huidige 2030-doel van 32%. Het realiseren van dit doel zal gelet op het huidige aandeel voor de meeste Europese landen de nodige inspanning vragen.

Contextanalyse, najaar 2024

31

3.5.2 Nederlandse wetgeving Wet Collectieve Warmte De Wet Collectieve Warmte (Wcw) vervangt de huidige Warmtewet. Het doel van de nieuwe wet is om de ontwikkeling van nieuwe warmtenetten te vergemakkelijken en zo de energietransitie te bevorderen. In november 2023 is het wetsvoorstel voor de Wcw openbaar geworden. In het voorstel staat dat er in de komende jaren zo'n 2,6 miljoen extra aansluitingen moeten komen op collectieve warmtesystemen als alternatief voor gas. Belangrijke doelstellingen in dit wetsvoorstel zijn burgers zo veel mogelijk zekerheid te bieden, collectieve warmte te verduurzamen en de inrichting en sturing van collectieve warmtesystemen te moderniseren. Zo zorgt de wet voor bescherming van consumenten tegen onnodig hoge tarieven, biedt het meer transparantie en komen toekomstige warmtebedrijven voor meer dan 50% in handen van (lokale) overheden. Op deze manier is er meer publieke sturing die bijdraagt aan de duurzaamheid, betaalbaarheid en leveringszekerheid van de warmtelevering aan huishoudens en bedrijven. De huidige koppeling van warmtetarieven aan de gasprijs, wordt losgelaten en vervangen door tarieven die straks gebaseerd worden op de daadwerkelijke kosten.

De huidige private beheerders van warmtenetten, waaronder Eneco, Vattenfall en Ennatuurlijk, hebben gereageerd op het wetsvoorstel, met name vanwege de verplichting van een publiek meerderheidsbelang. Op 19 juni 2024 is het wetsvoorstel Wet collectieve warmte aangeboden aan de Tweede Kamer. In deze versie is het advies van de Raad van State van 17 april 2024 verwerkt. De Raad van State begrijpt de wens van de regering dat gemeenten regie krijgen om de warmtetransitie in goede banen te leiden. Maar de eis dat in warmtebedrijven een of meer publieke partijen samen een meerderheidsbelang moeten hebben, komt bovenop andere mogelijkheden die overheden krijgen om regie te voeren. Er moet beter worden toegelicht waarom dit nodig is. De nieuwe tariefregulering zou burgers die warmte verbruiken de zekerheid moeten bieden dat zij niet meer betalen dan de redelijkerwijs gemaakte kosten voor warmte. Maar niet te veel betalen is niet hetzelfde als betaalbaarheid. De regering wordt geadviseerd om in de toelichting bij het wetsvoorstel meer aandacht te besteden aan de wijze waarop het voorstel bijdraagt aan maatschappelijk aanvaardbare tarieven voor toekomstige en bestaande warmteverbruikers. De eerder gecommuniceerde datum van inwerkingtreding van 1 januari 2025 lijkt niet haalbaar en is afhankelijk van de snelheid van de behandeling door de Eerste en Tweede Kamer.

Op grond van de Wet Collectieve Warmte (Wcw) moeten in de komende jaren 2,6 miljoen aansluitingen op een collectief warmtesysteem worden gerealiseerd. Daarnaast moet er verduurzaming plaatsvinden van de door warmtenetten geleverde warmte. Duurzame warmtebronnen zoals restwarmte en geothermie bieden hiervoor een optie, maar veel van deze bronnen zijn naar verwachting nog niet rendabel in de komende jaren. Om een financiële brug te slaan is de SDE++-regeling geïntroduceerd. Om te kijken hoeveel subsidiebudget er precies nodig is, onderzocht CE Delft in het rapport Verduurzaming bronnen voor warmtenetten hoe groot de totale onrendabele top is van de duurzame warmtebronnen die nodig zijn om de verduurzamingsdoelen voor warmtenetten in 2030 te behalen. Een belangrijk uitgangspunt van de Wcw is dat de gemeente de regie krijgt over de warmtetransitie. Zo mag niemand in een gemeente warmte leveren en transporteren tenzij de gemeente daar nadrukkelijk toestemming voor heeft gegeven. Die toestemming kan worden geregeld door een warmtebedrijf aan te wijzen die de exclusieve bevoegdheid en plicht krijgt om warmte te transporteren en leveren binnen een zogeheten warmtekavel. Een warmtekavel is een door de gemeente vastgesteld gebied waarbinnen een collectief warmtesysteem kan komen.

Contextanalyse, najaar 2024

32

De Wcw dwingt ook af dat aangewezen warmtebedrijven voor meer dan 50% in handen moeten zijn van publieke partijen. Is er tijdens de zogeheten ingroeiperiode van 7 jaar na inwerkingtreding van de wet geen bedrijf beschikbaar met een publiek meerderheidsbelang? Dan is het ook mogelijk om een privaat bedrijf aan te wijzen. Voor kleine warmtesystemen met maximaal 1.500 aansluitingen zijn de regels wat soepeler. Zij kunnen om ontheffing vragen voor het verbod op het leveren en transporteren van warmte. Zij hoeven dan niet door de gemeente aangewezen te zijn om toch warmte te kunnen leveren. De Wcw noemt wel een aantal voorwaarden waar deze kleine warmtesystemen in zo'n geval aan moeten voldoen. De Wcw introduceert ook nieuwe regels met betrekking tot tariefregulering. Op dit moment zijn de kosten voor warmte- en koudelevering gekoppeld aan de gasprijzen. Dit heet het 'niet meer dan anders' principe. Met de Wcw wordt deze koppeling stapsgewijs losgelaten en toegewerkt naar een op kosten gebaseerd tarief. De nieuwe wet bevat tot slot ook nieuwe eisen aan leveringszekerheid en verduurzaming van collectieve warmtesystemen.

HVC en de Wcw De Wcw stelt gemeenten in staat om regie te voeren op de warmtetransitie door een aanwijsbevoegdheid op warmtekavels. Het introduceert een nieuw tariefstelsel (geen gasreferentie meer), verplicht verduurzaming van warmtelevering met een afbouwpad naar geen CO2/GJ in 2050 en stuurt op een publieke marktordening (publiek meerderheidsbelang). HVC kan zich vinden in de koers van de wet en ziet graag dat de Wcw zo snel mogelijk van kracht wordt. Wel zijn er op onderdelen binnen de Warmtewet nog aandachtspunten om de wet werkbaarder te maken. Daar vindt een open dialoog over plaats met het ministerie.

Contextanalyse, najaar 2024

33

De Autoriteit Consument & Markt (ACM) heeft regels voor de rendementstoets warmte vastgesteld. Met de rendementstoets kan de ACM de komende jaren controleren of een warmteleverancier een onredelijk rendement behaalt. In dat geval kan de ACM de warmteleverancier dwingen om het te veel behaalde rendement het jaar daarna terug te betalen aan de afnemers. De rendementstoets biedt daarmee consumenten een extra bescherming tegen te hoge tarieven. De ACM houdt toezicht op het financieel rendement van leveranciers en publiceert elke 2 jaar de resultaten van deze monitoring. Uit de Rendementsmonitoring warmteleveranciers 2021 – 20222 blijkt dat het gemiddelde financiële rendement van warmteleveranciers is gedaald van 5% in 2021 naar ca. 2,7% in 2022. Deze daling wordt veroorzaakt door de hoge energieprijzen en een daling in het verbruik. De ACM heeft over het jaar 2023 de rendementen van alle 31 vergunninghoudende warmteleveranciers in kaart gebracht. Uit deze monitor blijkt dat de rendementen van warmteleveranciers in 2023 onderling fors verschillen, van een negatief rendement van 22 procent tot een positief rendement van 21 procent. Het gewogen gemiddelde sectorrendement over 2023 is 1,03%. De berekening van rendementen is gebaseerd op gegevens van vergunninghouders over zowel klein- als grootverbruikers.

De ACM heeft warmteleveranciers opgeroepen hun individuele rendementen te publiceren om de transparantie in de warmtemarkt te vergroten. Enkele warmteleveranciers doen dit overigens al.

2 https://www.acm.nl/nl/publicaties/acm-rendement-warmteleveranciers-2022-niet-gestegen-ondanks-

hoger-maximumtarief#:~:text=ondanks%20hoger%20maximumtarief,ACM%3A%20rendement%20warmteleveranciers%202022%20niet%20gestegen%2C%20ondanks%2 0hoger%20maximumtarief,een%20daling%20in%20het%20verbruik.

Contextanalyse, najaar 2024

34

HVC en de oproep van de ACM HVC heeft bij de ACM aangegeven geen bezwaar te hebben op het openbaar maken van het individuele rendement. Uiteindelijk heeft de ACM ervoor gekozen om dit niet meer te vragen, omdat vanuit de gehele warmtesector er geen eenduidige lijn was over de bereidheid hieromtrent. HVC publiceert jaarlijks het resultaat van het warmtebedrijf in het Jaarverslag. Echter niet het rendement van het warmtebedrijf. De motivatie hierachter is het mogelijke risico dat de ACM een andere grondslag of rekenmethodiek hanteert als HVC ten aanzien van het rendement. HVC levert gegevens aan bij de ACM maar ontvangen geen reactie of terugkoppeling daarop van de ACM. De grote spreiding in de rendementen van warmteleveranciers wordt gedreven door de hoge mate van heterogeniteit van de netten. Warmtesystemen verschillen van elkaar in type bronnen, temperatuurniveau, leeftijd, technieken, omvang, inkoopstrategie, etc. Ook de ‘levensfase’ waarin een warmtenet zich bevindt is van grote invloed op de kosten en op de berekening van het rendement, vooral als sprake is van (vrijwel) afgeschreven netten en/of bronnen. De ACM gaat in 2024 extra onderzoek doen naar de rendementen van een aantal warmteleveranciers. Huishoudens die zijn aangesloten op een warmtenet kunnen zelf niet kiezen van welke leverancier zij hun warmte afnemen.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://raad.noordoostpolder.nl/api/v1/meetings/2196/documents/40474