9.1 Motivering BOPA
Tekst van het document
Het voorzorgbeleid magneetvelden is erop gericht om, zo veel als redelijkerwijs mogelijk is, te voorkomen dat burgers (volwassen en kinderen) langdurig worden blootgesteld aan magneetvelden, die afkomstig zijn van de elektriciteits-infrastructuur. In het nieuwe be- leid staat nog steeds het advies om (alleen) bij bovengrondse hoogspanningslijnen af- stand te houden. De magneetveldzone, met een grenswaarde van 0,4 microtesla, bepaalt die afstand. In de onderstaande afbeelding is de locatie van de voorgenomen ontwikke- ling aangegeven met een rode cirkel. Bron: RIVM-Netkaart De voorgenomen ontwikkeling ligt niet in een magneetveld van een hoogspanningsnet. Vanuit het aspect Hoogspanningsleidingen is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies.
Motivering BOPA: Marknesse, Voorsterweg 31, 2026-01-09, definitief 53 4.15.2 Luchthavens In en nabij het gebied gelden beperkingen in verband met de luchtvaart, mede bij het testen van drones. Binnen het bestemmingsplan gelend voor het gebeid bevindt zich een klein gebied met een maximale bouwhoogte van 12 meter nabij het helikopterplatform en een algemene bouwhoogte van 15 meter. Aangezien de NLR onderzoek doet naar de luchtvaart is er een eigen luchtvaartregeling van kracht. Deze is hieronder weergegeven in een figuur: Bron: Hoogterestricties rond luchthaventerrein Koninklijk Nederlands Lucht- en Ruimtevaartcentrum. Hierin zijn de betreffende hoogtebeperkingen 45 meter in het rode gebied en 80 meter in het roze gebied. De voorgenomen ontwikkeling zal ruim onder deze hoogte blijven en be- vindt zich ook niet in het naderingsvlak van de landingsstrook. Er wordt geen invloed verwacht van dit beperkingengebied op de voorgenomen ontwikkeling. 4.15.3 Overig De voorgenomen ontwikkeling ligt niet in het beperkingengebied van een rijksweg, van waterstaatswerken, van spoorwegen of van een beperkingengebiedactiviteit bij mijn- bouwinstallatie in waterstaatswerk. 4.16 Milieueffectrapportage 4.16.1 Algemeen Een milieueffectrapportage (m.e.r.) brengt het effect van een project op het milieu in beeld. De regelgeving voor de m.e.r.
is te vinden in afdeling 16.4 van de Omgevingswet (Ow) en in hoofdstuk 11 en bijlage V bij het Omgevingsbesluit (Ob). Uit bijlage V van het
Motivering BOPA: Marknesse, Voorsterweg 31, 2026-01-09, definitief 54 Ob kan worden bepaald of een plan mer-plichtig of mer-beoordelingsplichtig is. In deze bijlage is een tabel opgenomen met vier kolommen: • In kolom 1 staan de projecten opgesomd; • In kolom 2 zijn de gevallen genoemd waarin een project-mer verplicht is; • In kolom 3 staan de gevallen genoemd waarin de project-mer-beoordelingsplicht geldt; • Tot slot bevat kolom 4 de besluiten waarvoor dan de mer-verplichtingen gelden. Het gaat dan om besluiten waarmee de toestemming voor het project wordt ver- leend. Bij de project-mer-beoordeling is een mededeling nodig aan het bevoegd gezag. Deze mededeling bevat een beschrijving van de eisen die zijn opgenomen in artikel 11.10 van het Omgevingsbesluit en bijlage III van de Europese m.e.r.-richtlijn. Het bevoegd gezag neemt het resultaat van de beoordeling of sprake is van aanzienlijke milieueffecten, met de bijbehorende motivering, op in het besluit en, voor zover hier sprake van is, in het ontwerp van het besluit (artikel 11.11, lid 2 Omgevingsbesluit). In de motivering van de beslissing (art. 11.11 lid 3 Omgevingsbesluit) wordt in ieder geval verwezen naar: 1. de relevante criteria van bijlage III bij de mer-richtlijn; en 2. als is beslist dat geen milieueffectrapport moet worden gemaakt: a.
de kenmerken en maatregelen, bedoeld in artikel 11.10, derde lid Ob, als degene die voornemens is het project uit te voeren deze heeft voorgesteld; en b. het moment waarop die maatregelen moeten zijn gerealiseerd. Kenmerken en maatregelen als bedoeld in artikel 11.10, lid 3 Ob Bij een mededeling als bedoeld in artikel 16.45, eerste lid, van de wet, verstrekt degene die voornemens is het project uit te voeren in ieder geval een beschrijving van: 1. het project, met in ieder geval een beschrijving van: a. de fysieke kenmerken van het gehele project en, als dat van toepassing is, van sloopactiviteiten; b. de locatie van het project, met bijzondere aandacht voor de kwetsbaarheid van het milieu in de gebieden waarop het project van invloed kan zijn; 2. de mogelijk aanzienlijke milieueffecten van het project; en 3. voor zover er informatie over deze effecten beschikbaar is: de mogelijk aanzien- lijke milieueffecten van het project ten gevolge van: a. de verwachte residuen en emissies en de productie van afvalstoffen; en b. het gebruik van natuurlijke bronnen, waaronder bodem, land, water en biodi- versiteit.
4.16.2 Situatie plangebied Bij het aanvragen van de omgevingsvergunning voor de waterstoftank is het volgende besluit genomen door de omgevingsdienst Flevoland & Gooi en Vechtstreek: In bijlage V van het Omgevingsbesluit is opgenomen voor welke categorieºn (’activitei- ten’) en drempelwaarden (’gevallen’) een m.e.r. of m.e.r-beoordeling van toepassing is. De aangevraagde activiteit is niet genoemd in bijlage V van het Omgevingsbesluit. Hoe- wel de locatie een testlocatie is van de NLR valt de aangevraagde activiteit (opslagtank voor gassen) niet onder categorie H7 "Testbanken voor motoren, turbines of reactoren". Een m.e.r.-beoordeling is daarmee voor deze aanvraag niet nodig. Eerder is voor de test- locatie aan de Voorsterweg 29-31 in Marknesse wel een m.e.r- beoordeling gedaan. Het Motivering BOPA: Marknesse, Voorsterweg 31, 2026-01-09, definitief 55 bevoegd gezag heeft tot slot ook beoordeeld of er sprake is van categorie 13 (Installaties voor de opslag van aardolie of petrochemische of chemische producten) uit bijlage V van het Omgevingsbesluit. Het bevoegd gezag is van oordeel dat er geen sprake is van een chemisch product in de aangevraagde situatie, omdat de waterstof als brandstof binnen de eigen testlocatie wordt gebruikt.
4.16.3 Conclusie De voorgenomen activiteit wordt niet aangemerkt als een stedelijk ontwikkelingsproject en/of landinrichtingsproject als bedoeld in de Omgevingswet. Het bevoegd gezag heeft bij de aanvraag van de omgevingsvergunning al aangegeven dat er geen m.e.r. verplich- ting geldt voor de voorgenomen ontwikkeling. Met voorliggend wijzigingsbesluit wordt in voldoende mate rekening gehouden met het aspect milieueffectrapportage. Motivering BOPA: Marknesse, Voorsterweg 31, 2026-01-09, definitief 56 5. Conclusie ETFAL Om een evenwichtige toedeling van functies aan locaties te kunnen beoordelen zijn alle voor de fysieke leefomgeving relevante aspecten (voor zover betrekking hebbend op de gevraagde activiteit) nader onderzocht en afgewogen (zie de hoofdstukken 3 en 4). Voor veel thema’s vormt het plaatsen van de LH2 tank geen significante verandering. Op het gebied van omgevingsveiligheid en geluid zijn onderzoeken uitgevoerd bij het aan- vragen van de omgevingsvergunning. Deze onderzoeken hebben uitgewezen dat de voor- genomen ontwikkeling een evenwichtige toedeling van functies betreft, maar dat van- wege de foutieve ligging van de geluidszone op dit moment sprake is van een overschrij- ding van de zone. Op dit moment wordt gewerkt aan de aanpassing van de zone middels een hersteloperatie onder het overgangsrecht.
Middels maatwerkvoorschriften is het mo- gelijk om voor geluid voorgaande ontwikkeling mogelijk maken. Op het gebied van stikstofdepositie is de plaatsing van de LH2 tank mogelijk binnen de huidige vergunning. Uit de Quickscan flora en fauna blijkt dat er tevens geen beschermde soorten aanwezig zijn, welke door het plaatsen en/of gebruik van de LH2 tank verstoord kunnen worden. Motivering BOPA: Marknesse, Voorsterweg 31, 2026-01-09, definitief 57 6. BOPA: Voorstel voor het opnemen van het initi- atief in het omgevingsplan. De voorliggende BOPA wordt uiteindelijk opgenomen in het Omgevingsplan Noordoost- polder. In dit hoofdstuk is het voorstel beschreven op welke wijze het initiatief in het Omgevingsplan Noordoostpolder te zijner tijd wordt vertaald. Met name door aan te ge- ven onder welke activiteiten er regels moeten worden opgenomen of aangepast. 6.1 Voorzet voor de door te voeren wijzigingen In het plangebied, navolgende weergegeven met een blauwe omkadering en rode arce- ring, dient het plaatsen van een waterstoftank van maximaal 15 meter hoog met een in- houd van 40 m3 vloeibare waterstof (LH2) toegestaan te worden. De waterstoftank met een maximale hoogte van 15 meter (11 meter tankhoogte, 15 meter inclusief afblaas- pijpje en constructie) wijkt af van de maximaal toegestane bouwhoogte van 10 meter voor andere-bouwwerken (een bouwwerk, geen gebouw zijnde).
De activiteit ‘Opslag van vloeibare waterstof‘ behoort tot milieucategorie 3.1 en voldoet daarmee niet aan de regels van het ter plaatse geldende Omgevingsplan (momenteel maximaal milieucategorie 2). Ook aan de geldende geluidsvoorschriften kan niet worden voldaan. Daarom dient een hogere milieucategorie (3.1) te worden vastgesteld. Ligging en begrenzing van het plangebied Bron: BRT kaart Voor geluid dient de geluidcontour van de voorgestelde zone uit de notitie met kenmerk (AH.2022.1114.03.N001) aangehouden te worden. In het kort: Gebruik: - Aansluiten bij het tijdelijk omgevingsplan (voorheen bestemmingsplan ‘Beheersver- ordening ‘Landelijk gebied’); - Ter plaatse van plangebied toestaan: - ‘Opslag van vloeibare waterstof’ als milieucategorie 3.1 activiteit.
Motivering BOPA: Marknesse, Voorsterweg 31, 2026-01-09, definitief 58 Bouwen: - Bouwhoogte van bouwwerken geen gebouwen zijnde verhogen naar 15 meter; - Bouwwerken geen gebouwen zijnde met een maximale inhoud van 40 m 3 toevoegen Instructieregels: - Zie bijlage 1. Aanwijzingen: Indien de ‘Aanduiding ‘zone als bedoeld in art. 41Wgh’, zoals opgenomen in het van toe- passing verklaarde bestemmingsplan ‘Waterloopbos e.o.’ is aangepast Øn al in overeen- stemming is gebracht met de geluidcontour van de voorgestelde zone met kenmerk AH.2022.1114.03.N001, is geen aanpassing noodzakelijk. 6.2 Uitwerking in de regels Het plan, zoals verwoord in hoofdstuk 2 en paragraaf 6.1, wordt door de gemeente uitge- werkt in de regels die in het Omgevingsplan gemeente Noordoostpolder worden opgeno- men. Motivering BOPA: Marknesse, Voorsterweg 31, 2026-01-09, definitief 59 7. Kostenverhaal In deze paragraaf is getoetst of de betreffende ontwikkeling niet evident onuitvoerbaar is. Vastgesteld moet kunnen worden dat er geen financieel-economische redenen zijn waardoor het op voorhand aannemelijk is dat de ontwikkeling niet uitgevoerd kan wor- den. 7.1 Regels kostenverhaal Overheden zijn verplicht om de kosten te verhalen. Het afsluiten van een overeenkomst tussen de initiatiefnemer van de bouwactiviteit en het bevoegd gezag heeft daarbij de voorkeur.
Als het niet mogelijk is een overeenkomst af te sluiten, is de publiekrechtelijke weg verplicht. Dan verhaalt het bevoegd gezag de kosten op basis van de regels in een omgevingsplan, een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit of een projectbesluit. Kostenverhaal geldt voor kostenverhaalplichtige activiteiten. Het Omgevingsbesluit bevat relevante regels over (verplicht) kostenverhaal (zie artikel 8.13 Ob voor aangewezen ac- tiviteiten waarvoor kostenverhaal verplicht is, artikel 8.14 Ob voor de mogelijkheden om af te zien van kostenverhaal en artikel 8.15 Ob voor de kostensoortenlijst). Pas nadat is betaald, is het toegestaan de activiteiten uit te voeren (zie artikel 13.12 Ow). EØn van de bouwactiviteiten waarvoor kosten verhaald worden is de bouw van een of meer gebou- wen met een woonfunctie (zie artikel 8.13 aanhef en sub a Ob). Er zijn bij de inwerking- treding van de Omgevingswet nog geen activiteiten vanwege gebruikswijzigingen aange- wezen. 7.2 Situatie plangebied De LH2 tank en de grond waarop deze komt te staan zijn beide in bezit van de NLR. Ook is al een omgevingsvergunning verleent. De overige kosten voor het plaatsen van de tank zijn geen significante belemmering voor de financieel economische haalbaarheid. Alle voorbereidings- en uitvoeringskosten komen daarmee voor rekening van de initiatief- nemer.
Ook worden voor het in behandeling nemen van en de procesbegeleiding vanuit de gemeente kosten gerekend. Deze worden verrekend via de leges. Er worden geen belemmeringen verwacht aangaande het kostenverhaal. 7.3 Overeenkomst Tussen de gemeente en de initiatiefnemer zal een overeenkomst worden getekend. In deze overeenkomst regelt de gemeente de nadeelcompensatie. De situatie kan zich voor- doen dat omwonenden nadeel ondervinden door een wijziging van het omgevingsplan dan wel een omgevingsvergunning. Aspecten zoals vermindering van woongenot, verlies van uitzicht, aantasting privacy, verhoging verkeersdruk en dergelijke zijn hierbij van be- lang. Op grond van artikel 15.1 Omgevingswet kent het college op een aanvraag voor nadeelcompensatie toe als de initiatiefnemer nadeel ondervindt door het plan. De ge- meente wenst geen financiºle lasten te dragen van planologische procedures die op ver- zoek en in het belang van een particulier worden doorgevoerd. Dat geldt ook voor na- deelcompensatie. Deze kosten verhaalt het college op de initiatiefnemer. Motivering BOPA: Marknesse, Voorsterweg 31, 2026-01-09, definitief 60 8. Participatie en keten In dit hoofdstuk staat hoe het participatietraject er voor de beoogde ontwikkeling uitziet. Welke adviezen zijn gevraagd en uitgebracht, welke ketenpartners zijn geconsulteerd.
Welke andere belanghebbenden zijn op de hoogte gebracht en hoe zag dit traject eruit. 8.1 Participatie Participatie is onder de Omgevingswet een belangrijk aspect in de procedure van een ruimtelijke ontwikkeling. Een ontwikkeling heeft namelijk niet alleen invloed op de fy- sieke leefomgeving, maar ook op de mensen die daar wonen, werken en recreºren. Het is daarom van belang dat deze mensen in een vroeg stadium worden betrokken bij het initiatief. Goede participatie aan de voorkant helpt om een project gedragen te krijgen en kan bezwaren achteraf voorkomen. 8.1.1 Beleidskader De basis voor het participatiebeleid van gemeente Noordoostpolder zijn de vier sleutels van het Relevant Gesprek: 1. waarom ga je in gesprek; 2. waar over ga je in gesprek; 3. met wie; en 4. hoe. Deze vier stappen pas je toe, nadat je de impact van het project hebt ingeschat. De vuistregel is: hoe hoger de impact, hoe intensiever de participatie. In Noordoostpolder kennen we drie niveaus: • Participatieniveau 1: beperkte impact; • Participatieniveau 2: gemiddelde impact; • Participatieniveau 3: grote impact. 8.1.2 Situatie plangebied De ingreep betreft participatieniveau 2, vanwege de beperkte tot gemiddelde impact van de voorgenomen ontwikkeling. Vanuit de NRL is ongeveer eens per kwartaal een overleg met de omgeving. Daarnaast is daarbij al overleg geweest aangaande het plaatsen van de LH2 tank.
Met betrekking tot de vergunningverleningen voor de verscheidene onder- zoeksactiviteiten op het terrein, waaronder de meest recente voor waterstoftank, is de omgeving al uitgebreid betrokken geweest. Daarnaast streeft de NLR om eens in het kwartaal een overleg met de buurt te laten plaatsvinden. Aangezien de feitelijke situatie voor de omgeving niet significant afwijkt van hoe deze was bij de vergunningsverlening zal de huidige participatie volstaan. 8.1.3 Conclusie Uit de aangeleverde informatie blijkt dat het participatieproces zorgvuldig is doorlopen. Motivering BOPA: Marknesse, Voorsterweg 31, 2026-01-09, definitief 61 8.2 Afstemming instanties Een bestuursorgaan houdt bij de uitoefening van zijn taken en bevoegdheden op grond van de Omgevingswet rekening met de taken en bevoegdheden van andere bestuursor- ganen en stemt zonodig met deze andere bestuursorganen af. Deze afstemming met in- stanties is geregeld in artikel 2.2 Omgevingswet. 8.2.1 Het Rijk In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) zijn de nationale belangen die juridische borging vereisen opgenomen. Het Barro is gericht op doorwerking van natio- nale belangen in gemeentelijke bestemmingsplannen. Geoordeeld wordt dat voorliggend initiatief geen nationale belangen schaadt. Daarom is afgezien van het voeren van voor- overleg met het Rijk.
8.2.2 Provincie Flevoland De provincie Flevoland is geïnformeerd over het project. Het initiatief past binnen het omgevingsprogramma Flevoland. De provincie heeft geen opmerkingen over dit initiatief. Motivering BOPA: Marknesse, Voorsterweg 31, 2026-01-09, definitief 62 Bijlagen Bijlage 1: Analyse/ afvinklijst instructieregels Losse Bijlagen: Bijlage 2: Akoestisch onderzoek door de Haan, d.d. 24 april 2024 met kenmerk AH.2024.0265.00.NOO1 Bijlage 3: Onderzoek externe veiligheid testinstallatie vloeibaar wate rstof NLR door Stantec B.V., d.d. 9 juli 2024 met kenmerk 327200902 Bijlage 4: Memo onderzoek externe veiligheid testinstallatie vloeibaa r waterstof NLR door Stantec B.V., d.d. 16 september 2024 met kenmerk 327200902 Bijlage 5: Stikstofvergunning verleent door Provincie Flevoland, d.d. 7 november 2020 met kenmerk 2710477 Bijlage 6: Vergunning opslag vloeibare waterstof verleent door O mgevingsdienst Flevo- land Gooi en Vechtstreek, d.d. 8 juli 2024 met kenmerk Z2024- 011274/D2024-220808 Bijlage 7: Quickscan Flora & Fauna, December 2025 door Stantec B.V. met kenmerk 327101507 Bijlage A: Analyse / afvinklijst instructieregels De afvinklijst bevat (op dit moment) de: A. instructieregels uit het Bkl en B. instructieregels uit de Omgevingsverordening Flevoland .
Instructieregels Besluit kwaliteit leefomgeving (versie 21 december 2024) Hoofdstuk en/of | Onderwerp | Tekst artikel/subparagraaf | Van toepas- | Zo ja, toelichting wat van toepassing paragraaf en/of ar- | sing op initi- tikel met instruc- | atief tieregel (soms zijn | (ja/nee) ook niet instructie- regels volledig- heidshalve opgeno- men) Hoofdstuk 5. Omgevingsplannen Afdeling 5.1. Instructieregels met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties 5.1a | Dienstenrichtlijn | Een omgevingsplan voldoet aan artikel 14, aan- | Nee | Omgevingsplan mag nooit in strijd zijn met de diensten- hef en onder 5, van Richtlijn nr. 2006/123/EG | richtlijn. Geen specifieke regels opnemen in Omgevings- van het Europees Parlement en de Raad van de | plan, artikelen omgevingsplan mogen alleen niet in strijd Europese Unie van 12 december 2006 betref- | zijn met de dienstenrichtlijn. fende de diensten op de interne markt (PbEU 2006, L 376). § 5.1.2. Waarborgen van de veiligheid 5.2 | Branden, rampen | 1. In een omgevingsplan wordt voor risico’s van | Ja en crises | branden, rampen en crises als bedoeld in artikel 10, onder a en b, van de Wet veiligheidsregio’s, rekening gehouden met het belang van: a. het voorkomen, beperken en bestrijden daar- van; b. de mogelijkheden voor personen om zich daarbij in veiligheid te brengen; en c.
de geneeskundige hulpverlening, bedoeld in artikel 1 van die wet. 2. Het eerste lid laat onverlet de in paragrafen 5.1.2.2 tot en met 5.1.2.7 gestelde specifieke regels over het waarborgen van de veiligheid. 5.7 (5.8, 5,9, 5.10, | Plaatsgebonden | 5.7.1. In een omgevingsplan wordt een grens- | Ja 5,11) | risico: kwetsbare | waarde voor het plaatsgebonden risico van een gebouwen en lo- | activiteit in acht genomen van ten hoogste 1 op caties en zeer | de 1.000.000 per jaar voor kwetsbare en zeer kwetsbare gebou- | kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties. (…) wen Motivering BOPA: Marknesse, Voorsterweg 31, 2026-01-09, definitief | 63 5.10.1. In afwijking van artikel 5.7 kan in een omgevingsplan een grenswaarde voor het plaats- gebonden risico van een activiteit in acht worden genomen van ten hoogste 1 op de 100.000 per jaar (...) 5.11.1. In een omgevingsplan wordt rekening gehouden met een standaardwaarde voor het plaatsgebonden risico van een activiteit van 1 op de 1.000.000 per jaar voor beperkt kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare locaties (...) 5.12 +5.13 | Aandachtsgebie- | Een brandaandachtsgebied is de locatie begrensd | Ja | Zie Memo onderzoek externe veiligheid testinstallatie vloei- den | door de afstand, waar als gevolg van een onge- | baar waterstof NLR door Stantec B.V., d.d.
16 september woon voorval dat leidt tot een plasbrand of een | 2024 met kenmerk 327200902 fakkelbrand de warmtestraling ten hoogste 10 kW/m2 is. 5.12 +5.13 | Aandachtsgebie- | Een explosieaandachtsgebied is de locatie be- | Ja | Zie Memo onderzoek externe veiligheid testinstallatie vloei- den | grensd door de afstand, waar als gevolg van een | baar waterstof NLR door Stantec B.V., d.d. 16 september ongewoon voorval dat leidt tot: | 2024 met kenmerk 327200902 a.een kokende vloeistof-gasexpansie-explosie (Boiling Liquid Expanding Vapor Explosion, BLEVE) de warmtestraling ten hoogste 35 kW/m2 is; of b.een explosie, anders dan onder a, de overdruk ten hoogste 10 kPa is. 5.12 | Aandachtsgebie- | Een gifwolkaandachtsgebied is de locatie be- | Nee den | grensd door de afstand, waar als gevolg van een ongewoon voorval dat leidt tot een gifwolk, per- sonen in een gebouw overlijden door blootstel- ling aan ten hoogste de bij ministeriºle regeling vastgestelde concentratie van een gevaarlijke stof gedurende een daarbij aangegeven periode. In afwijking van het derde lid wordt een gif- wolkaandachtsgebied voor de toepassing van deze paragraaf begrensd door een afstand van 1,5 km vanaf de locatie binnen de begrenzing van de activiteit, bepaald volgens bij ministeriºle regeling gestelde regels, als de afstand, bedoeld in het derde lid, groter is dan 1,5 km.
5.14 | Voorschriftenge- | Brandvoorschriftengebied | Nee bieden 5.14 | Voorschriftenge- | Explosievoorschriftengebied | Nee bieden Motivering BOPA: Marknesse, Voorsterweg 31, 2026-01-09, definitief | 64 5.15 | Aandachtsgebie- | 1. In een omgevingsplan wordt voor beperkt | Ja | Zie Memo onderzoek externe veiligheid testinstallatie vloei- den voor externe | kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebou- | baar waterstof NLR door Stantec B.V., d.d. 16 september veiligheidsrisico’s: | wen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties | 2024 met kenmerk 327200902 groepsrisico | binnen een brandaandachtsgebied, een explosie- aandachtsgebied en een gifwolkaandachtsgebied rekening gehouden met de kans op het overlij- den van een groep van tien of meer personen per jaar als rechtstreeks gevolg van een onge- woon voorval veroorzaakt door een activiteit. 2. Aan het eerste lid wordt in ieder geval voldaan als een omgevingsplan binnen een aandachtsge- bied: a. geen beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties toelaat; of b.
waar het omgevingsplan beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en be- perkt kwetsbare en kwetsbare locaties toelaat, waarborgt: 1°.dat maatregelen zijn getroffen ter bescher- ming van personen in die gebouwen en op die lo- caties; of 2°.dat het aantal doorgaans aanwezige personen of de tijd dat die aanwezig zijn in die gebouwen en op die locaties beperkt is 5.16 | Risicogebied ex- | Een risicogebied externe veiligheid is de locatie | nee terne veiligheid | die in een omgevingsplan kan worden aangewe- zen, als binnen het gebied activiteiten als be- doeld in bijlage VII, onder E, onder 3 tot en met 5.2, 6 tot en met 9 en 11 tot en met 13, worden toegelaten. 5.18 | Belemmeringen- | Een belemmeringengebied buisleiding is de loca- | nee gebied buisleiding | tie aan weerszijden van een buisleiding als be- gevaarlijke stof- | doeld in artikel 3.101, eerste lid, onder a tot en fen | met d, van het Besluit activiteiten leefomgeving, gemeten vanuit het hart van de buisleiding tot een afstand van: a. 5 m; of b. 4 m, als door de buisleiding aardgas wordt vervoerd, met een druk van 1.600 tot en met 4.000 kPa.
5.20, 5.21, 5,22 | Opslaan vuurwerk | Nee 5.23, 5.24, 5.25 | Explosieaan- | Nee dachtsgebied vuurwerk Motivering BOPA: Marknesse, Voorsterweg 31, 2026-01-09, definitief | 65 5.27, 5.28, 5.29, | Civiele explosie- | Nee 5.30, 5.31 | aandachtsgebie- den 5.31, 5.32, 5.33, | Militaire explosie- | Nee 5.34 | aandachtsgebie- den 5.35 | Infrastructuur | Bij het toelaten van een autoweg, autosnelweg | Nee rondom Seveso- | of hoofdspoorweg worden de gevolgen van het inrichtingen | exploiteren van een Seveso-inrichting, bedoeld in artikel 3.51, eerste lid, van het Besluit activi- teiten leefomgeving, voor de veiligheid van weg- gebruikers en passagiers betrokken. § 5.1.3. Beschermen van de waterbelangen 5.36, 5.37 | Weging van het | 1. In een omgevingsplan wordt rekening gehou- | Nee waterbelang | den met de gevolgen voor het beheer van water- systemen. Daarbij worden, voor een duiding van die gevolgen, de opvattingen van het bestuurs- orgaan dat is belast met het beheer van die wa- tersystemen betrokken. 2. Het eerste lid laat onverlet de in paragraaf 5.1.3 gestelde specifieke regels over onderdelen van watersystemen in het omgevingsplan. 5.38 | Primaire waterke- | 1.
Voor zover een omgevingsplan van toepassing | Nee ringen | is op een primaire waterkering, wordt bij het toelaten van activiteiten gewaarborgd dat er geen belemmeringen ontstaan voor de instand- houding, het onderhoud of de versterking van de primaire waterkering. 5.39, 5.40 | Kust en bouwen | Het kustfundament is de locatie die is weergege- | Nee binnen kustfunda- | ven op de kaarten in bijlage XI en waarvan de ment | geometrische begrenzing bij ministeriºle regeling is vastgelegd. 5.41, 5.42, 5.43, | Grote rivieren | Het rivierbed van de grote rivieren is de locatie | Nee 5.47 | in de rivieren die zijn weergegeven op de kaart in bijlage XII, die wordt begrensd door de bui- tenkruinlijn van de primaire waterkering of de lijn van de hoogwaterkerende gronden bij die ri- vieren en waarvan de geometrische begrenzing bij ministeriºle regeling is vastgelegd. 5.48, 5.49 | IJsselmeergebied | Het IJsselmeergebied is de locatie, bestaande uit | Nee de oppervlaktewaterlichamen, genoemd in arti- kel 3.12, onder e, waarvan de geometrische be- grenzing bij ministeriºle regeling is vastgelegd. § 5.1.4. Beschermen van de gezondheid en van het milieu § 5.1.4.1. Kwaliteit van de buitenlucht Motivering BOPA: Marknesse, Voorsterweg 31, 2026-01-09, definitief | 66 5.50 | Luchtkwaliteit | 1.
Is van toepassing bij de aanleg van een weg- | Nee wegtunnels, | tunnelbuis met een tunnelbuislengte van 100 m, auto(snel)wegen | een wijziging hiervan waardoor de lengte 100m> of de aanleg van een auto(snel)weg. 2. Als de activiteiten leiden tot een verhoging van de concentratie in de buitenlucht van PM10, dan moeten omgevingswaarden in acht worden genomen in een omgevingsplan 5.51 | (luchtkwaliteit in | Van toepassing op de aanleg, wijziging of activi- | Nee aandachtsgebie- | teiten die zorgen op verkeerstoename op wegen, den) | vaarwegen of spoorwegen. Geldt ook voor MBA waar in het BAL regels zijn voorgesteld. In artikel 5.51 worden de agglomeraties die zijn aangewezen 5.52. | (uitgezonderde | De artikelen 5.50 en 5.51 zijn niet van toepas- | nee locaties luchtkwa- | sing voor zover het gaat om de verhoging van de liteit) | concentratie in de buitenlucht van stikstofdioxide of van PM10 op: a. een locatie waartoe het publiek geen toegang heeft en waar geen vaste bewoning is; of b. de rijbaan van wegen en de middenberm van wegen, tenzij voetgangers normaliter toegang tot de middenberm hebben.
5.53 | Niet in beteke- | De artikelen 5.50 en 5.51 zijn niet van toepas- | nee nende mate lucht- | sing voor zover het toelaten van activiteiten leidt kwaliteit | tot een verhoging van de kalenderjaargemid- delde concentratie in de buitenlucht van zowel stikstofdioxide als PM10 van 1,2 μg/m3 of min- der, tenzij het gaat om het exploiteren van een veehouderij, bedoeld in artikel 3.200 van het Be- sluit activiteiten leefomgeving: a. waarvan de emissie van PM10 vanuit de die- renverblijven meer bedraagt dan 800 kg per jaar; en b. op een locatie in de volgende gemeenten en waarvan de geometrische begrenzing bij ministe- riºle regeling is vastgelegd: 1°.Asten; 2°.Barne- veld; 3°.Deurne; 4°.Ede; 5°.Nederweert; 6°.Renswoude; en 7°.Scherpenzeel. 2. Bij het bepalen van de verhoging wordt opge- teld de verhoging veroorzaakt door een toename van de verkeersintensiteit op wegen, vaarwegen en spoorwegen van en naar de locatie waar de activiteit wordt verricht. 3.
Als sprake is van meerdere activiteiten, wordt de verhoging veroorzaakt door die activiteiten Motivering BOPA: Marknesse, Voorsterweg 31, 2026-01-09, definitief | 67 Motivering BOPA: Marknesse, Voorsterweg 31, 2026-01-09, definitief 68 opgeteld, voor zover de verwachte datum van het begin van de activiteiten ligt in een periode van vijf jaar na vaststelling van het omgevings- plan, voor zover het gaat om een verhoging ver- oorzaakt door een toename van de verkeersin- tensiteit als gevolg van het toelaten van activi- teiten die: a. gebruikmaken of zullen maken van dezelfde ontsluitingsweg; en b. aan elkaar grenzen, zullen grenzen of in el- kaars directe nabijheid zijn gelegen, tot een af- stand van ten hoogste 1.000 m, waarbij activi- teiten die niet meer bijdragen aan de concentra- tie dan 0,1 μg/m3 buiten beschouwing blijven. 5.54 standaard geval- len NIBM 1. Het toelaten van activiteiten leidt in ieder ge- val tot een verhoging van de kalenderjaargemid- delde concentratie van stikstofdioxide en PM10 van 1,2 μg/m3 of minder als bedoeld in artikel 5.53 voor zover het gaat om een verhoging als gevolg van het toelaten van: a.
gebouwen met een kantoorfunctie en neven- gebruiksfuncties daarvan, met: 1°.ØØn ontsluitingsweg: een bruto-vloeropper- vlakte van ten hoogste 100.000 m2; of 2°.twee ontsluitingswegen: een gelijkmatige ver- keersverdeling en een bruto-vloeroppervlakte van ten hoogste 200.000 m2; b. gebouwen met een woonfunctie en nevenge- bruiksfuncties daarvan, met: 1°.ØØn ontsluitingsweg: ten hoogste 1.500 wo- ningen; of 2°.twee ontsluitingswegen: ten hoogste 3.000 woningen; c. zowel gebouwen met een kantoorfunctie als gebouwen met een woonfunctie en nevenge- bruiksfuncties van die gebruiksfuncties, met: 1°.ØØn ontsluitingsweg: het aantal woningen maal 0,0008 en een bruto-vloeroppervlakte van kantoorfuncties en nevengebruiksfuncties daar- van in vierkante meter maal 0,000012 dat sa- men opgeteld kleiner is dan of gelijk is aan 1,2; of 2°.twee ontsluitingswegen: een evenredig aantal woningen en een evenredig grote bruto-vloerop- pervlakte van kantoorfuncties; Nee d. het telen van gewassen in kassen, bedoeld in artikel 3.205 van het Besluit activiteiten leefom- geving, voor zover het gaat om: 1°.niet-verwarmde kassen; of 2°.verwarmde kassen niet groter dan 2 ha; e. het telen van gewassen in de open lucht en het behandelen van gewassen direct voor of na de teelt, bedoeld in artikel 3.208 van het Besluit activiteiten leefomgeving; f.
het telen van gewassen in een gebouw, anders dan een kas, bedoeld in artikel 3.211 van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het gaat om: 1°.witloftrek; of 2°.teelt van eetbare paddenstoelen; of g. het exploiteren van een spoorwegemplace- ment, bedoeld in artikel 3.295b van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het gaat om het begin van de activiteit of een wijziging die leidt tot een toename van het aantal diesel- tractie-uren van ten hoogste 7.500 per jaar. § 5.1.4.2. Geluid door activiteiten 5.59 ( in samen- | Geluid door activi- | 1. In een omgevingsplan wordt rekening gehou- | Ja | Zie: Akoestisch onderzoek door de Haan, d.d. 24 april hang met 5.55, | teiten | den met het geluid door activiteiten op geluidge- | 2024 met kenmerk AH.2024.0265.00.NOO1 5.58, 5.64) | voelige gebouwen. 2. Een omgevingsplan voorziet erin dat het ge- luid door een activiteit op geluidgevoelige gebou- wen aanvaardbaar is. 3. Op het bepalen van het geluid door activitei- ten op geluidgevoelige gebouwen zijn de bij mi- nisteriºle regeling gestelde regels van toepas- sing. 5.60 | Waar waarden | Een omgevingsplan bepaalt dat de waarden voor | Ja | Zie: Akoestisch onderzoek door de Haan, d.d. 24 april gelden | het geluid door een activiteit: | 2024 met kenmerk AH.2024.0265.00.NOO1 a. op een geluidgevoelig gebouw, anders dan een woonschip of woonwagen, gelden: 1°.
op de gevel, als het gaat om een geluidge- voelig gebouw; en 2°. op de locatie waar een gevel mag komen, als het gaat om een nieuw te bouwen geluidgevoelig gebouw; b. op een woonschip of woonwagen gelden op de begrenzing van de locatie voor het plaatsen van dat woonschip of die woonwagen; en c. in een geluidgevoelige ruimte gelden in de ge- luidgevoelige ruimte. Motivering BOPA: Marknesse, Voorsterweg 31, 2026-01-09, definitief | 69 Motivering BOPA: Marknesse, Voorsterweg 31, 2026-01-09, definitief 70 5.61 Functionele bin- ding Als een omgevingsplan waarden bevat over het geluid door een activiteit, bepaalt het omge- vingsplan dat die waarden niet van toepassing zijn op het geluid door die activiteit op een ge- luidgevoelig gebouw dat een functionele binding heeft met die activiteit. nee 5.62 Voormalige func- tionele binding Als een omgevingsplan waarden bevat over het geluid door een activiteit: a. in de agrarische sector als bedoeld in de arti- kelen 3.200, 3.205, 3.208, 3.211, 3.215, 3.218, 3.221 of 3.225 van het Besluit activiteiten leef- omgeving; b. verricht op een bedrijventerrein; of c. in de horecasector; kan het omgevingsplan bepalen dat die waarden niet van toepassing zijn op het geluid door die activiteit op een geluidgevoelig gebouw dat eer- der functioneel verbonden was met die activiteit.
nee § 5.1.4.2.2 Geluid door activiteiten, anders dan door specifieke activiteiten 5.65 (afwijken hiervan mogelijk dmv van artikel 5.70, 5.71) Standaardwaar- den en grens- waarden voor ge- luidgevoelige ruimten 1. Een omgevingsplan bevat: a. als waarden de standaardwaarden, bedoeld in tabel 5.65.1, voor het toelaatbare geluid door een activiteit op een geluidgevoelig gebouw; en b. als waarden de grenswaarden, bedoeld in ta- bel 5.65.2, voor het toelaatbare geluid in geluid- gevoelige ruimten binnen in- en aanpandige ge- luidgevoelige gebouwen. 2. Als een omgevingsplan een activiteit toelaat op een in het omgevingsplan aangewezen bedrij- venterrein, kan (is geen instructieregel) het om- gevingsplan, in afwijking van het eerste lid, aan- hef en onder a, voor het langtijdgemiddelde be- oordelingsniveau LAr,LT van geluid en het maxi- maal geluidniveau LAmaxdoor die activiteit op geluidgevoelige gebouwen op dat bedrijventer- rein als waarden de standaardwaarden, bedoeld in tabel 5.65.1, verhoogd met 5 dB(A), bevatten. 3.
Als een omgevingsplan een activiteit toelaat in een in het omgevingsplan aangewezen agrarisch gebied (behoort niet tot het plangebied) kan het omgevingsplan, in afwijking van het eerste lid, aanhef en onder a, in samenhang met tabel 5.65.1, eerste rij, voor het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau LAr,LT van geluid door die activiteit op geluidgevoelige gebouwen binnen Nee Motivering BOPA: Marknesse, Voorsterweg 31, 2026-01-09, definitief 71 dat agrarische gebied als waarden de standaard- waarden, bedoeld in tabel 5.65.1, eerste rij, ver- laagd met 5 dB(A), bevatten. 4. Als een omgevingsplan een woonschip toelaat, kan het omgevingsplan, in afwijking van het eer- ste lid, aanhef en onder a, en het derde lid, voor het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau LAr,LT van geluid en het maximaal geluidniveau LAmax door de activiteit op dat woonschip als waarden de standaardwaarde, bedoeld in tabel 5.65.1, verhoogd met 5 dB(A), bevatten: 1°. als de locatie voor 1 juli 2012 voor een woonschip was bestemd; of 2°. als de locatie voor 1 juli 2012 in een ge- meentelijke verordening is aangewezen om door een drijvende woonfunctie te worden ingenomen en voor 1 juli 2022 voor een woonschip is be- stemd, of als de aanwezigheid van een woon- schip voor 1 juli 2022 in een omgevingsplan is toegelaten. 5.
Op het bepalen van het geluid waarvoor een omgevingsplan een waarde als bedoeld in het eerste lid, aanhef en onder b, bevat, zijn de bij ministeriºle regeling gestelde regels van toepas- sing. Tabel niet opgenomen 5.66 Flexibiliteit - af- wijken tot grens- waarden 1. Een omgevingsplan kan, gelet op de aard of locatie van de activiteit of cumulatie, andere waarden bevatten dan de standaardwaarden, be- doeld in artikel 5.65, eerste lid, aanhef en onder a, tweede, derde, of vierde lid. 2. Een omgevingsplan bevat op grond van het eerste lid alleen hogere waarden als: a. dat niet leidt tot een overschrijding van de grenswaarden, bedoeld in tabel 5.66, in geluidgevoelige ruimten binnen geluidgevoelige gebouwen, anders dan binnen in- en aanpandige geluidgevoelige gebouwen; of b. op het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit op grond van het omgevingsplan, een omgevingsvergunning of een maatwerkvoor- schrift voor een activiteit een hogere waarde gold en de waarde niet hoger is dan de grens- waarde, zijnde de waarde die op grond van het omgevingsplan, de omgevingsvergunning of het maatwerkvoorschrift was toegelaten. a.
zwaar- nee wegende bezwaren van bouwkundige aard be- staan tegen het treffen van maatregelen aan de gevel die nodig zijn om voor dat gebouw te vol- doen aan de grenswaarden, bedoeld in tabel 5.66, mits, als andere maatregelen mogelijk zijn om de geluidwering zoveel mogelijk te verbeteren, die andere maatregelen wel worden getroffen; b. de eigenaar geen medewerking verleent aan het onderzoek naar het geluid in geluidgevoelige ruimten binnen zijn gebouw en naar de noodza- kelijke geluidwerende maatregelen; of c. de eigenaar geen medewerking verleent aan het treffen van geluidwerende maatregelen. 4. Voor de toepassing van het tweede lid blijven buiten beschouwing: a. geluid door de inzet van motorvoertuigen of helikopters voor spoedeisende medische hulpverlening, ongevallenbestrijding, brandbe- strijding, gladheidbestrijding en het vrijmaken van de weg na een ongeval; en b. onversterkt menselijk stemgeluid. 5. Een omgevingsplan kan hogere waarden be- vatten dan de grenswaarden, bedoeld in artikel 5.65, eerste lid, aanhef en onder b, als op het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit op grond van het omgevingsplan, een omgevings- vergunning of een maatwerkvoorschrift voor een activiteit een hogere waarde gold. De waarde is niet hoger dan de grenswaarde, zijnde de waarde die op grond het omgevingsplan, de om- gevingsvergunning of het maatwerkvoorschrift was toegelaten. 6.
Op het berekenen van het geluid in geluidge- voelige ruimten binnen geluidgevoelige gebou- wen zijn de bij ministeriºle regeling gestelde re- gels van toepassing. Tabel niet opgenomen 5.67 | Flexibiliteit – | Een omgevingsplan kan, gelet op de aard of lo- | nee waarden maxi- | catie van de activiteit, voor de periode van 07.00 maal geluidniveau | tot 19.00 uur voor geluidgevoelige gebouwen of in de dagperiode | geluidgevoelige ruimten binnen in- of aanpan- dige geluidgevoelige gebouwen een maximaal geluidniveau LAmax als gevolg van die activiteit bevatten. Motivering BOPA: Marknesse, Voorsterweg 31, 2026-01-09, definitief | 72 5.68 | Flexibiliteit – | In afwijking van artikel 5.65 kan een omgevings- | nee waarden gelden | plan bepalen dat de waarden die het omgevings- niet bij festivitei- | plan bevat, niet van toepassing zijn op bepaalde ten | dagen of dagdelen in verband met de viering van: a. in het omgevingsplan aangewezen festivitei- ten; of b. festiviteiten die plaatsvinden op de locatie waar de activiteit wordt verricht, gedurende ten hoogste twaalf etmalen per jaar. 5.69 | Flexibiliteit – af- | In afwijking van artikel 5.60 kan een omgevings- | nee wijken van waar | plan bepalen dat de waarden voor het geluid waarden gelden | door een activiteit op een geluidgevoelig gebouw gelden op een locatie die dichter bij de activiteit is gelegen dan: a.
de gevel, bedoeld in artikel 5.60, onder a, on- der 1°; b. de locatie, bedoeld in artikel 5.60, onder a, onder 2°; of c. de begrenzing, bedoeld in artikel 5.60, onder b. 5.70 | Flexibiliteit geen | In afwijking van artikel 5.65 kan een omgevings- | nee waarden | plan, gelet op de aard of locatie van de activiteit, geheel of gedeeltelijk geen waarden bevatten. 5.72 | beperking flexibi- | beperking flexibiliteit militaire terreinen | nee liteit militaire ter- reinen 5.72a | regels over activi- | 1. Een omgevingsplan bepaalt dat een activiteit | Ja | Zie: Akoestisch onderzoek door de Haan, d.d. 24 april teiten die in aan- | als bedoeld in artikel 5.78b, eerste lid, onder b | 2024 met kenmerk AH.2024.0265.00.NOO1 zienlijke mate ge- | en c, niet wordt verricht. luid kunnen ver- | 2. Het eerste lid is niet van toepassing als een oorzaken | omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit voor een activiteit, bedoeld in dat lid, waarborgt dat het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau LAr,LT van het geluid op een afstand van 50 m vanaf de begrenzing van de locatie waar de acti- viteit wordt verricht, niet meer bedraagt dan de standaardwaarden, bedoeld in tabel 5.65.1. 5.73 | uitzonderingen | 1.
Een omgevingsplan bepaalt dat de waarden | nee geluidsbronnen | die het omgevingsplan bevat voor geluid door een activiteit op geluidgevoelige gebouwen of in geluidgevoelige ruimten niet van toepassing zijn op: Motivering BOPA: Marknesse, Voorsterweg 31, 2026-01-09, definitief | 73 a. het geluid door de inzet van motorvoertuigen of helikopters voor spoedeisende medische hulp- verlening, ongevallenbestrijding, brandbestrij- ding, gladheidbestrijding en het vrijmaken van de weg na een ongeval; en b. onversterkt menselijk stemgeluid, tenzij het muziekgeluid is of daarmee is vermengd. 2. Als een omgevingsplan naast of in plaats van de waarden regels bevat over geluid, zien die niet op activiteiten als bedoeld in het eerste lid, onder a. § 5.1.4.2.3 Geluid door specifieke activiteiten 5.74, 5.75 | Windturbines en | 1.
Een omgevingsplan dat het opwekken van | Nee windparken | elektriciteit met een windturbine of windpark toelaat, bevat als waarde de standaardwaarde 47 Lden en 41 Lnight voor het toelaatbare geluid door de activiteit op een geluidgevoelig gebouw (...) De artikelen 5.74 en 5.75 zijn niet van toepas- sing op het toelaten van een windpark met 3 of meer windturbines (...) 5.76, 5.77 | Civiele buiten- | Dit artikel is van toepassing op het geluid op een | Nee schietbanen, mili- | geluidgevoelig gebouw door het exploiteren van taire buitenschiet- | een in de buitenlucht of in een gebouw zonder banen en militaire | gesloten afdekking of met een open zijde gele- springterreinen | gen: a. civiele schietbaan waar met vuurwapens wordt geschoten; of b. militaire schietbaan of militair springterrein op een militair terrein als bedoeld in bijlage XIII. § 5.1.4.2a Geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen § 5.1.4.2a.2. Geluid door industrieterreinen met geluidproductieplafonds als omgevingswaarden 5.78e | Vastleggen be- | De begrenzing van een industrieterrein waarvoor | Ja | Zie: Akoestisch onderzoek door de Haan, d.d. 24 april grenzing indu- | geluidproductieplafonds als omgevingswaarden | 2024 met kenmerk AH.2024.0265.00.NOO1 strieterrein in om- | zijn vastgesteld, wordt vastgelegd in het omge- gevingsplan | vingsplan.
5.78f | Regels over acti- | Een omgevingsplan bevat regels over activiteiten | Ja | Zie: Akoestisch onderzoek door de Haan, d.d. 24 april viteiten - voldoen | gericht op het voldoen aan de geluidproductie- | 2024 met kenmerk AH.2024.0265.00.NOO1 aan geluidproduc- | plafonds die als omgevingswaarden zijn vastge- tieplafonds | steld voor een industrieterrein. 5.78g | beperking flexibi- | Een omgevingsplan bevat voor een activiteit bij | Nee liteit militaire ter- | of op een militair terrein of een terrein met een reinen | militair object als bedoeld in artikel 5.150, eerste lid, geen waarden die lager zijn dan de stan- Motivering BOPA: Marknesse, Voorsterweg 31, 2026-01-09, definitief | 74 Motivering BOPA: Marknesse, Voorsterweg 31, 2026-01-09, definitief 75 daardwaarden, bedoeld in tabel 5.65.1, ver- hoogd met 5 dB, voor het toelaatbare geluid door de activiteit op een afstand van 50 m vanaf de begrenzing van de locatie waar de activiteit wordt verricht. Artikel 5.58 is van overeenkom- stige toepassing. 2.Als een omgevingsplan naast of in plaats van de waarden regels bevat over geluid, zien die niet op activiteiten als bedoeld in het eerste lid. 5.78h uitzondering ge- luidbronnen 1. Als een omgevingsplan waarden bevat voor geluid door een activiteit, bepaalt het omge- vingsplan dat deze niet van toepassing zijn op: a.
het geluid door de inzet van motorvoertuigen of helikopters voor spoedeisende medische hulp- verlening, ongevallenbestrijding, brandbestrij- ding, gladheidbestrijding en het vrijmaken van de weg na een ongeval; en b. onversterkt menselijk stemgeluid, tenzij het muziekgeluid is of daarmee is vermengd. 2. Als een omgevingsplan naast of in plaats van de waarden regels bevat over geluid, zien die niet op activiteiten als bedoeld in het eerste lid, onder a. Nee § 5.1.4.2a.3 Geluid door wegen en lokale spoorwegen zonder geluidproductieplafonds als omgevingswaarden 5.78l Geluid in geluid- aandachtsgebied - rekening houden met en aanvaard- baarheid 1. In een omgevingsplan wordt rekening gehou- den met het geluid door wegen en spoorwegen op geluidgevoelige gebouwen. Nee 5.78q bepalen geza- menlijke geluid Bij de toepassing van de artikelen 5.78n en 5.78o wordt in het omgevingsplan het gezamenlijke geluid op de gevel van geluidge- voelige gebouwen bepaald. nee § 5.1.4.2a.4 Geluidgevoelige gebouwen in geluidaandachtsgebieden 5.78s Geluid in geluid- aandachtsgebied - rekening houden met en aanvaard- baarheid In een omgevingsplan wordt rekening gehouden met het geluid door wegen, spoorwegen en indu- strieterreinen op geluidgevoelige gebouwen in een geluidaandachtsgebied.
nee 5.1.4.2a.5 Indirecte akoestische effecten van veranderend verkeer 5.78af Indirecte akoesti- sche effecten van veranderend ver- keer 1. Een omgevingsplan dat een toename van de verkeersintensiteit veroorzaakt op een weg of spoorweg voorziet erin dat het geluid door die weg of spoorweg op geluidgevoelige gebouwen niet meer dan 1,5 dB toeneemt als gevolg van die toename van de verkeersintensiteit. nee Motivering BOPA: Marknesse, Voorsterweg 31, 2026-01-09, definitief 76 5.1.4.3 Geluid rond luchthavens (gereserveerd) § 5.1.4.4 Trillingen 5.83 (in samen- hang met 5.79, 5.80, 5.81, 5.86) Trilling door acti- viteiten - reke- ning houden met aanvaardbaarheid 1. In een omgevingsplan wordt rekening gehou- den met trillingen door activiteiten in trillingge- voelige ruimten van trillinggevoelige gebouwen. 2. Een omgevingsplan voorziet erin dat trillingen door een activiteit in trillinggevoelige ruimten van trillinggevoelige gebouwen aanvaardbaar zijn. Nee 5.84 Functionele bin- ding Als een omgevingsplan waarden bevat voor tril- lingen door een activiteit, bepaalt het omge- vingsplan dat die waarden niet van toepassing zijn op trillingen door die activiteit in trillingge- voelige ruimten van een trillinggevoelig gebouw dat een functionele binding heeft met die activi- teit.
Nee 5.85 Voormalige func- tionele binding Als een omgevingsplan waarden bevat voor tril- lingen door een activiteit: a. in de agrarische sector als bedoeld in artikel 3.200, 3.205, 3.208, 3.211, 3.215, 3.218, 3.221 of 3.225 van het Besluit activiteiten leefomge- ving; b. verricht op een bedrijventerrein; of c. in de horecasector; kan het omgevingsplan bepalen dat die waarden niet van toepassing zijn op de trilling door die activiteit in trillinggevoelige ruimten van een tril- linggevoelig gebouw dat eerder functioneel ver- bonden was met die activiteit. Nee 5.87 Standaardwaar- den continue tril- lingen 1. Een omgevingsplan bevat voor de toelaatbare continue trillingen door een activiteit in trilling- gevoelige ruimten als waarden de standaard- waarden, bedoeld in tabel 5.87. 2. Bij de toepassing van het eerste lid bepaalt het omgevingsplan dat: a. continue trillingen voldoen aan de in het om- gevingsplan opgenomen waarden voor die trillin- gen, bedoeld onder A1; en b. als niet wordt voldaan aan een waarde als be- doeld onder a: continue trillingen voldoen aan de in het omgevingsplan opgenomen waarden onder A2 en A3. 3.
In afwijking van het eerste lid kan het omge- vingsplan een hogere waarde bevatten als op het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit op Nee Motivering BOPA: Marknesse, Voorsterweg 31, 2026-01-09, definitief 77 grond van het omgevingsplan, een omgevings- vergunning of een maatwerkvoorschrift voor een activiteit een hogere waarde gold. De waarde is niet hoger dan de grenswaarde, zijnde de waarde die op grond van de omgevingsvergun- ning of het maatwerkvoorschrift was toegelaten. 4. Op het bepalen van de trillingen waarvoor het omgevingsplan een waarde als bedoeld in het eerste lid of in afwijking daarvan een hogere of lagere waarde bevat, zijn de bij ministeriºle re- geling gestelde regels van toepassing. 5.87a Standaardwaar- den herhaald voorkomende tril- lingen 1. Een omgevingsplan bevat voor de toelaatbare herhaald voorkomende trillingen door een activi- teit in trillinggevoelige ruimten als waarden de standaardwaarden, bedoeld in tabel 5.87a. 2. Bij de toepassing van het eerste lid bepaalt het om- gevingsplan dat: a. herhaald voorkomende trillingen voldoen aan de in het omgevingsplan opgenomen waarden voor die trillingen, bedoeld onder A1; en b. als niet wordt voldaan aan een waarde als be- doeld onder a: herhaald voorkomende trillingen voldoen aan de in het omgevingsplan opgeno- men waarden onder A2 en A3. 3.
In afwijking van het eerste lid kan het omge- vingsplan een hogere waarde bevatten als op het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit op grond van het omgevingsplan, een omgevings- vergunning of een maatwerkvoorschrift voor een activiteit een hogere waarde gold. De waarde is niet hoger dan de grenswaarde, zijnde de waarde die op grond van de omgevingsvergun- ning of het maatwerkvoorschrift was toegelaten. 4. Op het bepalen van de trillingen waarvoor het omgevingsplan een waarde als bedoeld in het eerste lid of in afwijking daarvan een hogere of lagere waarde bevat, zijn de bij ministeriºle re- geling gestelde regels van toepassing. Nee 5.88 Afwijken van standaardwaar- den op bedrijven- terreinen tot aan grenswaarde 1. In afwijking van de artikelen 5.87, eerste en derde lid, en 5.87a, eerste en derde lid, kan een omgevingsplan hogere of lagere waarden bevat- ten. 2. Een omgevingsplan bevat op grond van het eerste lid alleen hogere waarden als: Nee Motivering BOPA: Marknesse, Voorsterweg 31, 2026-01-09, definitief 78 a. het gaat om een activiteit die wordt verricht op een in het omgevingsplan aangewezen bedrij- venterrein; en b. die waarden niet hoger zijn dan de grens- waarde, zijnde de waarden, bedoeld in de tabel- len 5.87 en 5.87a, vermenigvuldigd met de fac- tor 1,8. § 5.1.4.4a.
Slagschaduw van windturbines 5.89c ( in samen- hang met 5.89a+b+d+e+f) rekening houden met aanvaard- baarheid 1. In een omgevingsplan wordt rekening gehou- den met de slagschaduw door windturbines in verblijfsruimten van slagschaduwgevoelige ge- bouwen. 2. Een omgevingsplan voorziet erin dat de slag- schaduw door een windturbine in verblijfsruim- ten van slagschaduwgevoelige gebouwen aan- vaardbaar is. Nee § 5.1.4.5. Bodemkwaliteit 5.89i (in samen- hang met 5.89g+h) Waarde toelaat- bare kwaliteit bo- dem 1. Een omgevingsplan bevat waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie voor de in bijlage XIIIa aangewezen stoffen die de gezondheid bedrei- gen, uitgedrukt in milligram per kilo droge stof uit de bodem. 2. Een omgevingsplan kan per gebied of per ge- bruiksfunctie verschillende waarden voor de toe- laatbare kwaliteit van bodemgevoelige locaties bevatten. Nee 5.89j Waarde toelaat- bare kwaliteit bo- dem: blootstelling 1. Bij het vaststellen van de waarden, bedoeld in artikel 5.89i, wordt rekening gehouden met de interventiewaarden bodemkwaliteit, bedoeld in bijlage IIA bij het Besluit activiteiten leefomge- ving. 2. Een omgevingsplan kan hogere waarden be- vatten dan de waarden, bedoeld in bijlage IIA bij het Besluit activiteiten leefomgeving.
Een hogere waarde dan de interventiewaarde is een bere- kende concentratie die overeenkomt met: a. het levenslang gemiddelde blootstellingsni- veau van het maximaal toelaatbaar risico hu- maan, bedoeld in bijlage Vb bij dit besluit, uitge- drukt in microgram per kilogram lichaamsge- wicht per dag; en Nee Motivering BOPA: Marknesse, Voorsterweg 31, 2026-01-09, definitief 79 b. het blootstellingsniveau van de concentraties in lucht of onaanvaardbare hinder door geur- overlast, bedoeld in bijlage XIIIb bij dit besluit, uitgedrukt in microgram stof per kubieke meter. 3. De grenswaarde, bedoeld in het tweede lid, wordt berekend per locatie en voor de meest ge- voelige gebruiksfunctie. 4. Op het berekenen van de grenswaarde zijn de bij ministeriºle regeling gestelde regels van toe- passing. 5.89k Waarde toelaat- bare kwaliteit bo- dem: blootstelling Een omgevingsplan bepaalt dat het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemge- voelige locatie bij overschrijding van een waarde als bedoeld in artikel 5.89i, eerste lid, alleen is toegelaten als de in het omgevingsplan voorge- schreven sanerende of andere beschermende maatregelen worden getroffen. Nee 5.89ka Omgevingsver- gunning voor een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie 1.
Als in een omgevingsplan is bepaald dat het is verboden om zonder omgevingsvergunning een bouwwerk te bouwen, worden in het omgevings- plan regels gesteld die ertoe strekken dat de om- gevingsvergunning voor een bodemgevoelig ge- bouw op een bodemgevoelige locatie bij over- schrijding van een waarde als bedoeld in artikel 5.89i, eerste lid, alleen wordt verleend als aan- nemelijk is dat de in het omgevingsplan voorge- schreven sanerende of andere beschermende maatregelen worden getroffen. 2. Het omge- vingsplan bepaalt dat bij een aanvraag om een omgevingsvergunning als bedoeld in het eerste lid, de volgende gegevens en bescheiden worden verstrekt: a. de onderzoeken, bedoeld in paragraaf 5.2.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving, tenzij het gaat om een locatie die is aangewezen in het omgevingsplan waar een overschrijding van een waarde als bedoeld in artikel 5.89i, eerste lid, re- delijkerwijs is uit te sluiten; en b. als de waarde, bedoeld in artikel 5.89i, eerste lid, wordt overschreden: gegevens en beschei- den die aannemelijk maken dat een sanerende of andere beschermende maatregel wordt getrof- fen, tenzij het gaat om een locatie die is aange- wezen in het omgevingsplan waar een over- schrijding van een waarde als bedoeld in artikel 5.89i redelijkerwijs is uit te sluiten.
Nee Motivering BOPA: Marknesse, Voorsterweg 31, 2026-01-09, definitief 80 5.89m Ingebruikname na maatregelen op verontreinigde bodem Een omgevingsplan bepaalt dat bij overschrijding van een waarde als bedoeld in artikel 5.89i, eer- ste lid, een bodemgevoelig gebouw, of een ge- deelte daarvan, op een bodemgevoelige locatie alleen in gebruik wordt genomen na de bouwac- tiviteit nadat het college van burgemeester en wethouders is geïnformeerd over de wijze waarop de sanerende of andere beschermende maatregelen, bedoeld in artikel 5.89k, zijn ge- troffen. Nee 5.89n Nazorg Een omgevingsplan bepaalt dat de volgende maatregelen in stand moeten worden gehouden, moeten worden onderhouden, of moeten worden vervangen, met daarbij op welke wijze en binnen welke termijn: a. een afdeklaag als bedoeld in artikel 4.1241 van het Besluit activiteiten leefomgeving die is aangebracht tijdens de sanering van de bodem door middel van een afdeklaag, die heeft plaats- gevonden op grond van artikel 4.1241 van het Besluit activiteiten leefomgeving, het omgevings- plan, een omgevingsvergunning of een maat- werkvoorschrift; en b. tijdelijke beschermingsmaatregelen die de bron van verontreiniging niet wegnemen maar die blootstelling aan de verontreiniging voorko- men, in verband met een toevalsvondst als be- doeld in artikel 19.9a van de wet. Nee § 5.1.4.5.3.
Aan- wijzing bodembe- heergebieden en indeling landbodem in bodemfunctie- klassen Indeling landbo- dem in bodem- functieklassen 1. In een omgevingsplan wordt de landbodem in bodemfunctieklassen ingedeeld voor: a. het toepassen van grond of baggerspecie, be- doeld in artikel 4.1265 van het Besluit activitei- ten leefomgeving; en b. het in het bij ministeriºle regeling aangewezen toepassingsgebied toepassen van mijnsteen of vermengde mijnsteen, bedoeld in artikel 4.1281 van het Besluit activiteiten leefomgeving. 2. Bij de indeling in bodemfunctieklassen wordt rekening gehouden met de functie die in het om- gevingsplan aan de locatie is toegedeeld. 3. De landbodem kan worden ingedeeld in de bo- demfunctieklassen landbouw/natuur, wonen en industrie, bedoeld in artikel 25d, vierde lid, on- der a, van het Besluit bodemkwaliteit. Nee § 5.1.4.6. Geur Motivering BOPA: Marknesse, Voorsterweg 31, 2026-01-09, definitief 81 5.92 Geur door activi- teiten – rekening houden met en aanvaardbaarheid 1. In een omgevingsplan wordt rekening gehou- den met de geur door activiteiten op geurgevoe- lige gebouwen. 2. Een omgevingsplan voorziet erin dat de geur door een activiteit op geurgevoelige gebouwen aanvaardbaar is. Nee 5.93 Waar waarden gelden 1. Een omgevingsplan bepaalt dat de waarden voor de geur door een activiteit op een geurge- voelig gebouw gelden: a.
op de gevel, als het gaat om een geurgevoelig gebouw; b. op de locatie waar een gevel mag komen, als het gaat om een nieuw te bouwen geurgevoelig gebouw; en c. in afwijking van de onderdelen a en b, als het gaat om een woonschip of woonwagen, op de begrenzing van de locatie voor het plaatsen van dat woonschip of die woonwagen. 2. Een omge- vingsplan kan, in afwijking van wat op grond van het eerste lid in het omgevingsplan is opgeno- men, bepalen dat de waarden voor de geur door een activiteit op geurgevoelige gebouwen gelden op een locatie die dichter bij de activiteit is gele- gen dan de gevel, bedoeld in het eerste lid, on- der a, de locatie, bedoeld in het eerste lid, onder b, of de begrenzing, bedoeld in het eerste lid, onder c. 3. Een omgevingsplan dat door toepassing van artikel 5.91, vijfde lid, waarden bevat voor de geur door een activiteit op een locatie, bepaalt dat die waarden gelden op de grens van de loca- tie. Nee 5.95 Functionele bin- ding 1. Als een omgevingsplan waarden of afstanden bevat voor geur door een activiteit, bepaalt het omgevingsplan dat die waarden of afstanden niet van toepassing zijn op de geur door die activiteit op een geurgevoelig gebouw dat een functionele binding heeft met die activiteit. 2.
De afstanden, bedoeld in de subparagrafen 5.1.4.6.3 en 5.1.4.6.4, zijn niet van toepassing als het geurgevoelige gebouw een functionele binding heeft met de activiteit. Nee 5.96 Voormalige func- tionele binding 1. Als een omgevingsplan waarden of afstanden bevat voor geur door een activiteit: a. in de agrarische sector als bedoeld in artikel 3.200, 3.205, 3.208, 3.211, 3.215, 3.218, 3.221 Nee Motivering BOPA: Marknesse, Voorsterweg 31, 2026-01-09, definitief 82 of 3.225 van het Besluit activiteiten leefomge- ving; b. verricht op een bedrijventerrein; of c. in de horecasector, kan het omgevingsplan bepalen dat die waarden of afstanden niet van toepassing zijn op de geur door die activiteit op een geurgevoelig gebouw dat eerder functioneel verbonden was met die activiteit. 2. De afstanden, bedoeld in de subparagrafen 5.1.4.6.3 en 5.1.4.6.4, kunnen buiten toepassing worden gelaten als het gaat om een activiteit als bedoeld in het eerste lid, onder a, b of c, en het geurgevoelige gebouw eerder functioneel ver- bonden was met die activiteit. 5.97 Bebouwingscon- tour geur 1. Een omgevingsplan dat regels bevat op grond van subparagraaf 5.1.4.6.2, 5.1.4.6.3 of 5.1.4.6.4, wijst een of meer bebouwingscontou- ren geur aan. In het omgevingsplan wordt de ge- ometrische begrenzing van een bebouwingscon- tour geur vastgelegd. 2.
Een omgevingsplan als bedoeld in het eerste lid wijst een bebouwingscontour geur aan rond stedelijk gebied. 3. In afwijking van het tweede lid kan stedelijk groen aan de rand van de bebouwing van stede- lijk gebied of lintbebouwing langs wegen, water- wegen of waterkeringen binnen de bebouwings- contour worden opgenomen. Nee § 5.1.4.6.2. Geur door het exploiteren van zuiveringtechnische werken § 5.1.4.6.3. Geur door het houden van landbouwhuisdieren in een dierenverblijf 5.106 (in samen- hang met 5.104 en 5.105) Geur door het houden van land- bouwhuisdieren in een dierenverblijf 1. Aan artikel 5.92, tweede lid, wordt voor de geur door het houden van landbouwhuisdieren met geuremissiefactor voldaan als toepassing wordt gegeven aan: a. artikel 5.109, eerste lid, 5.109a, 5.110 of 5.111; en b. artikel 5.116. 2. Aan artikel 5.92, tweede lid, wordt ook vol- daan door een afstand aan te houden die kleiner is dan de op grond van artikel 5.116 in acht te nemen afstand tussen een voorafgaand aan de wijziging van het omgevingsplan toegelaten acti- Nee viteit en een voorafgaand aan die wijziging toe- gelaten geurgevoelig gebouw, als het omge- vingsplan bepaalt dat op die locatie: a. de geur op een geurgevoelig gebouw door het houden van landbouwhuisdieren met geuremis- siefactor niet mag toenemen; en b.