CConstaterende datNoordoostpolder
Koppel je AI →
Document · PDF

9.1 Motivering BOPA

Gemeenteraad 31 augustus 2026, gemeente NoordoostpolderBij agendapunt: 9: Bindend advies Voorsterweg 31 te Marknesse (NLR)32.671 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 4 van 4

het aantal landbouwhuisdieren met geuremis- siefactor per diercategorie niet mag toenemen. 3. In afwijking van het eerste en tweede lid kan aan artikel 5.92, tweede lid, worden voldaan door toepassing te geven aan artikel 5.109, tweede of derde lid, of 5.117. 5109 (in samen- | Geur door het | 1. Een omgevingsplan dat het houden van land- | Nee hang met 5.109a, | houden van land- | bouwhuisdieren met geuremissiefactor toelaat, 5.110, 5.111, | bouwhuisdieren in | bevat als waarde voor de toelaatbare geur door 5.112, 5.115, | een dierenverblijf | die activiteit op een geurgevoelig gebouw de 5.116)) | standaardwaarde, bedoeld in tabel 5.109.1. 2. Het omgevingsplan kan een lagere of hogere waarde bevatten dan de standaardwaarde, mits die waarde niet hoger is dan de grenswaarde, bedoeld in tabel 5.109.2. 3. Als sprake is van een geurgevoelig gebouw dat heeft opgehouden een functionele binding te hebben met een dierenverblijf in de directe om- geving daarvan, kan het omgevingsplan een ho- gere waarde bevatten dan de grenswaarde, be- doeld in het tweede lid. 4. Op het berekenen van de geur waarvoor het omgevingsplan een waarde bevat als bedoeld in het eerste lid, of in afwijking daarvan een waarde die hoger of lager is dan die waarde, zijn de bij ministeriºle regeling gestelde regels van toepassing.

5.117 | Flexibiliteit – af- | Als zwaarwegende economische belangen of | Nee wijken van grens- | zwaarwegende andere maatschappelijke belan- waarde en afwij- | gen dit rechtvaardigen, kan in afwijking van: a. ken van onder- | artikel 5.109, tweede lid, een omgevingsplan een grens | hogere waarde bevatten dan de grenswaarde, afstand | bedoeld in dat lid; of b. artikel 5.110, 5.112, tweede lid, of 5.116, eerste lid, in een omge- vingsplan een afstand worden aangehouden die kleiner is dan de afstand, bedoeld in die artikelen § 5.1.4.6.4. Geur door andere agrarische activiteiten § 5.1.5. Beschermen van landschappelijke of stedenbouwkundige waarden en cultureel erfgoed § 5.1.5.2. Kust Motivering BOPA: Marknesse, Voorsterweg 31, 2026-01-09, definitief | 83 Motivering BOPA: Marknesse, Voorsterweg 31, 2026-01-09, definitief 84 5.129 Behoud vrije hori- zon Een omgevingsplan laat geen activiteiten toe die een belemmering vormen voor het uitzicht op de vrije horizon vanaf de gemiddelde hoogwaterlijn met de blik op zee. Nee § 5.1.5.4. Ladder voor duurzame verstedelijking 5.129g Zorgvuldig ruim- tegebruik en te- gengaan van leegstand 1.

Dit artikel is van toepassing op een stedelijke ontwikkeling die bestaat uit de ontwikkeling of uitbreiding van een bedrijventerrein, een zeeha- venterrein, een woningbouwlocatie, kantoren, een detailhandelvoorziening of een andere stede- lijke voorziening en die voldoende substantieel is. 2. Voor zover een omgevingsplan voorziet in een nieuwe stedelijke ontwikkeling, wordt met het oog op het belang van zorgvuldig ruimtegebruik en het tegengaan van leegstand in het omge- vingsplan rekening gehouden met: a.de behoefte aan die stedelijke ontwikkeling; en b. als die stedelijke ontwikkeling is voorzien bui- ten het stedelijk gebied of buiten het stedelijk groen aan de rand van de bebouwing van stede- lijk gebied: de mogelijkheden om binnen dat ste- delijk gebied of binnen dat stedelijk groen aan de rand van de bebouwing van stedelijk gebied in die behoefte te voorzien. 3. Voor de toepassing van het tweede lid, onder b, wordt tot het stedelijk gebied niet gerekend een stedelijke ontwikkeling waarvoor: a. op grond van het omgevingsplan een omge- vingsvergunning voor een omgevingsplanactivi- teit is vereist; en b. nog geen toepassing is gegeven aan het tweede lid. 4.

Als een omgevingsplan voorziet in de vesti- ging van een dienst als bedoeld in artikel 1 van de Dienstenwet en de beoordeling van de be- hoefte aan een stedelijke ontwikkeling betrek- king heeft op de economische behoefte, de marktvraag of de mogelijke of actuele economi- sche gevolgen van die vestiging, heeft die beoor- deling alleen tot doel na te gaan of de vestiging van een dienst in overeenstemming is met een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Nee § 5.1.5.5. Cultureel erfgoed en werelderfgoed 5.130 Behoud cultureel erfgoed 1. In een omgevingsplan wordt rekening gehou- den met het belang van het behoud van cultureel Nee Motivering BOPA: Marknesse, Voorsterweg 31, 2026-01-09, definitief 85 erfgoed, met inbegrip van bekende of aantoon- baar te verwachten archeologische monumenten. 2. Met het oog op het belang van het behoud van cultureel erfgoed worden in een omgevings- plan in ieder geval regels gesteld ter bescher- ming van daarvoor in aanmerking komend cultu- reel erfgoed, waarbij rekening wordt gehouden met de volgende beginselen a. het voorkomen van ontsiering, beschadiging of sloop van op grond van het omgevingsplan beschermde mo- numenten en archeologische monumenten; b. het voorkomen van verplaatsing van op grond van het omgevingsplan beschermde monumen- ten of een deel daarvan, tenzij dit dringend is vereist voor het behoud van die monumenten; c.

het bevorderen van het gebruik van monu- menten, zo nodig door wijziging van die monu- menten, rekening houdend met de monumentale waarden; d. het voorkomen van aantasting van: 1°. de omgeving van rijksmonumenten, voorbe- schermde rijksmonumenten en monumenten die op grond van het omgevingsplan zijn beschermd, voor zover die monumenten door die aantasting worden ontsierd of beschadigd; en 2°. het karakter van in het omgevingsplan be- schermde stads- of dorpsgezichten of be- schermde cultuurlandschappen door de sloop van bestaande gebouwen, de bouw van nieuwe gebouwen of andere belangrijke veranderingen; en e. het conserveren en in stand houden van ar- cheologische monumenten, bij voorkeur in situ. 3. In het belang van de archeologische monu- mentenzorg kunnen in een omgevingsplan ook: a. regels worden gesteld over eisen aan onder- zoek naar de archeologische waarde van een lo- catie of aan de wijze van het verrichten van op- gravingen of archeologische begeleiding van an- dere activiteiten die tot bodemverstoring leiden; en b. gevallen worden aangewezen waarin kan wor- den afgezien van onderzoek naar de archeolo- gische waarde van een locatie of het opleggen van plichten met die strekking. Motivering BOPA: Marknesse, Voorsterweg 31, 2026-01-09, definitief 86 4.

Als in een omgevingsplan regels worden ge- steld over het verrichten van archeologisch on- derzoek, bepaalt het omgevingsplan dat die re- gels niet van toepassing zijn op activiteiten met een oppervlakte van minder dan 100 m2. 5. In afwijking van het vierde lid kan in een om- gevingsplan een andere oppervlakte worden vastgesteld 5.131 (behoud werel- derfgoed) In een omgevingsplan wordt rekening gehouden met het belang van het behoud van de uitzon- derlijke universele waarde van werelderfgoed. Nee § 5.1.6. Behoud van ruimte voor toekomstige functies 5.1.6.2 Autowegen, auto- snelwegen en hoofdspoorwegen 1. Reserveringsgebieden voor de uitbreiding of aanleg van een autoweg, autosnelweg of hoofd- spoorweg zijn de locaties, die bij ministeriºle re- geling zijn aangewezen en waarvan de geometri- sche begrenzing bij ministeriºle regeling is vast- gelegd. 2.

De breedte van een reserveringsgebied voor de uitbreiding van een autoweg of autosnelweg wordt gemeten vanaf de buitenste kantstreep en bedraagt ten hoogste: a.34 m aan weerszijden van de weg voor de mo- gelijke uitbreiding met ØØn rijstrook per rijrich- ting; b.38 m aan weerszijden van de weg voor de mo- gelijke uitbreiding met twee rijstroken per rij- richting; c.41 m aan weerszijden van de weg voor de mo- gelijke uitbreiding met drie rijstroken per rijrich- ting; of d.45 m aan weerszijden van de weg voor de mo- gelijke uitbreiding met vier rijstroken per rijrich- ting. Nee § 5.1.7. Behoeden van de staat en werking van infrastructuur of voorzieningen voor nadelige gevolgen van activiteiten § 5.1.7.2 Landsverdediging en nationale veiligheid 5.150 (aanwijzing mili- taire terreinen en terreinen met een militair object) 1. Militaire terreinen en terreinen met een mili- tair object zijn de locaties, genoemd in bijlage XIV, onder A, waarvan de geometrische begren- zing bij ministeriºle regeling is vastgelegd. 2. Onveilige gebieden bij militaire schietbanen zijn de locaties, genoemd in bijlage XIV, onder B, waarvan de geometrische begrenzing bij ministe- riºle regeling is vastgelegd. 3.

Gebieden waar bouwwerken een militaire zend- en ontvangstinstallatie kunnen verstoren Nee Motivering BOPA: Marknesse, Voorsterweg 31, 2026-01-09, definitief 87 zijn de locaties, genoemd in bijlage XIV, onder C, waarvan de geometrische begrenzing bij ministe- riºle regeling is vastgelegd. 4. Gebieden waar zich een militaire laagvlieg- route voor jacht- en transportvliegtuigen be- vindt, zijn de locaties, genoemd in bijlage XIV, onder D, waarvan de geometrische begrenzing bij ministeriºle regeling is vastgelegd. 5. Gebieden waar bouwwerken het radarbeeld kunnen verstoren, zijn de locaties binnen een straal van 75 km rondom de radarstations, ge- noemd in bijlage XIV, onder E, waarvan de geo- metrische begrenzing bij ministeriºle regeling is vastgelegd § 5.1.7.4. Rijksvaarwegen 5.160 (aanwijzing vrij- waringsgebieden rijksvaarwegen) Een rijkswater, uitgezonderd de Noordzee, de Waddenzee, de Westerschelde en het IJssel- meer, dat een vaarweg is, heeft aan weerszijden van die vaarweg een vrijwaringsgebied met een breedte die afhankelijk is van de afmetingen van het scheepvaartverkeer op de vaarweg, maar die ten hoogste 50 m bedraagt en waarvan de geo- metrische begrenzing bij ministeriºle regeling is vastgelegd. Nee 5.161a Geen belemme- ringen communi- catie-, navigatie- en radarappara- tuur burgerlucht- vaart 1.

Gebieden waar bouwwerken communicatie-, navigatie- en radarapparatuur buiten Schiphol of overige burgerluchthavens van nationale en regi- onale betekenis kunnen verstoren, zijn de loca- ties, genoemd in bijlage XVa, waarvan de geo- metrische begrenzing bij ministeriºle regeling is vastgelegd. Nee § 5.1.7.6. Landelijke fiets- en wandelroutes 5.161b Behoud van lan- delijke fiets- en wandelroutes Voor zover een omgevingsplan voorziet in nieuwe ontwikkelingen die de landelijke fiets- en wandelroutes, genoemd in bijlage XVI, kunnen doorsnijden, wordt het belang van de instand- houding van deze fiets- en wandelroutes bij het omgevingsplan betrokken. Nee § 5.1.7.7. Hyperscale datacentra § 5.1.7a. Gebruik van bouwwerken 5.161.c aanwijzing wo- ningbouwcatego- rieen Een omgevingsplan dat bouwactiviteiten toelaat waarvoor op grond van artikel 13.11, eerste lid, van de wet kosten moeten worden verhaald, kan regels over te realiseren categorieºn woningen bevatten, voor zover het gaat om: Nee Motivering BOPA: Marknesse, Voorsterweg 31, 2026-01-09, definitief 88 a. sociale huurwoningen, zijnde huurwoningen met een aanvangshuurprijs onder de grens, be- doeld in artikel 13, eerste lid, onder a, van de Wet op de huurtoeslag; b.

sociale koopwoningen, zijnde koopwoningen met een koopprijs vrij op naam van ten hoogste de kostengrens, bedoeld in de Voorwaarden en Normen Nationale Hypotheekgarantie; c. middenhuurwoningen, zijnde huurwoningen met een aanvangshuurprijs van ten minste het bedrag, bedoeld in artikel 13, eerste lid, onder a, van de Wet op de huurtoeslag, en ten hoogste de maximale huurprijs behorende bij 186 punten op grond van de waardering van de kwaliteit als bedoeld in artikel 10, eerste lid, van de Uitvoe- ringswet huurprijzen woonruimte met inbegrip van, voor zover van toepassing, de vermeerde- ring, bedoeld in artikel 8a, eerste, derde, vierde of vijfde lid, van het Besluit huurprijzen woon- ruimte; en d. woningen die alleen mogen worden gebouwd in particulier opdrachtgeverschap. 2Een omgevingsplan dat regels als bedoeld in het eerste lid, aanhef en onder a, b, of c, bevat, bepaalt dat het gebruik van bedoelde woningen als sociale huurwoningen, sociale koopwoningen respectievelijk middenhuurwoningen in stand blijft voor een in het omgevingsplan omschreven doelgroep gedurende een in het omgevingsplan bepaalde termijn. 3De termijn, bedoeld in het tweede lid, be- draagt: a. voor sociale huurwoningen: ten minste tien jaar na ingebruikname; b. voor sociale koopwoningen: ten minste een jaar en ten hoogste tien jaar na ingebruikname; en c.

voor middenhuurwoningen: ten minste tien jaar na ingebruikname. 4Een omgevingsplan dat regels als bedoeld in het eerste lid, aanhef en onder d, bevat, verze- kert dat bouwactiviteiten als bedoeld in artikel 13.11, eerste lid, van de wet op percelen voor particulier opdrachtgeverschap worden verricht Motivering BOPA: Marknesse, Voorsterweg 31, 2026-01-09, definitief 89 door een burger of een groep van burgers, geor- ganiseerd als rechtspersoon zonder winstoog- merk of krachtens een overeenkomst, die: a. ten minste een zakelijk recht op het gebruik van de grond verkrijgt; en b. volledige zeggenschap heeft en verantwoorde- lijkheid draagt over het gebruik van de grond en over het ontwerp en de bouw van de woning. § 5.1.8. Bevorderen van de toegankelijkheid van de openbare buitenruimte voor personen 5.162 Toegankelijkheid openbare buiten- ruimte Voor zover een omgevingsplan voorziet in nieuwe ontwikkelingen met gevolgen voor de in- richting van de openbare buitenruimte, wordt in het omgevingsplan rekening gehouden met het belang van het bevorderen van de toegankelijk- heid van die openbare buitenruimte voor perso- nen met een functiebeperking. nee Afdeling 5.2.

Instructieregels over de uitoefening van taken voor de fysieke leefomgeving 5.163 Voorkomen be- lemmeringen ge- bruik en beheer hoofdspoorwegin- frastructuur en rijkswegen In een omgevingsplan dat van toepassing is op de hoofdspoorweginfrastructuur of op een weg in beheer bij het Rijk worden geen regels gesteld die het gebruik, de instandhouding, de verbete- ring of de vernieuwing van die infrastructuur be- lemmeren. nee 5.164 Lokale spoorwe- gen binnen ver- voerregio’s Dit artikel is van toepassing op lokale spoorwe- gen binnen de op grond van artikel 20, derde lid, van de Wet personenvervoer 2000 aangewezen gebieden. nee 5.165 Lozen industrieel afvalwater in openbaar vuilwa- terriool Als industrieel afvalwater dat niet afkomstig is van een milieubelastende activiteit die in hoofd- stuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving is aangewezen, wordt geloosd op het openbaar vuilwaterriool, laat een omgevingsplan die lozing alleen toe, als wordt voldaan aan de eisen van bijlage I, afdeling C, bij de richtlijn stedelijk af- valwater.

nee 5.165a Bebouwingscon- tour jacht In een omgevingsplan wordt voor de toepassing van de artikelen 11.71, vierde lid, en 11.76, derde lid, aanhef en onder a, van het Besluit ac- tiviteiten leefomgeving een bebouwingscontour jacht aangewezen aansluitend aan stedelijk ge- bied en aansluitend aan lintbebouwing langs we- gen, waterwegen of waterkeringen. nee 5.165b Bebouwingscon- tour houtkap In een omgevingsplan wordt voor de toepassing van artikel 11.111, tweede lid, aanhef en onder a, van het Besluit activiteiten leefomgeving een nee Motivering BOPA: Marknesse, Voorsterweg 31, 2026-01-09, definitief 90 B. Instructieregels Omgevingsverordening Flevoland (d.d. 9 september 2025) bebouwingscontour houtkap aangewezen aan- sluitend aan stedelijk gebied. Hoofdstuk en/of paragraaf en/of ar- tikel met instructie- regel (soms zijn ook niet instructie- regels volledig- heidshalve opgeno- men) Onderwerp Tekst artikel/subparagraaf Van toepas- sing op initia- tief (ja/nee) Zo ja, toelichting wat van toepassing Hoofdstuk 3 Stiltegebieden. Titel 3.2 Activiteiten Artikel 3.4 Verbod op versto- ring van ervaring natuurlijke gelui- den in een stilte- gebied. 1. Het is binnen een stiltegebied verboden zon- der omgevingsvergunning een toestel te ge- bruiken waardoor de ervaring van de na- tuurlijke geluiden kan worden verstoord. nee 2.

Het is verboden zich met motorvoertuig of bromfiets te bevinden buiten de openbare weg of buiten andere voor bestemmingsver- keer openstaande wegen of terreinen. nee 3. Het is verboden een toertocht voor motor- voertuigen of bromfietsen te houden of aan een zodanige toertocht deel te nemen waar- voor geen ontheffing op grond van de We- genverkeerswet 1994 is verleend. nee Titel 3.3 Kwaliteit stiltegebied Artikel 3.7 Richtwaarde maximale geluid- belasting geluid- bron binnen het invloedgebied stilte Als richtwaarde voor de maximale geluidbelas- ting vanwege een geluidbron binnen het invloed- gebied stilte geldt een geluidniveau van 35 dB(A) gemiddeld per uur op 50 meter in het stil- tegebied gerekend vanaf de grens van het stilte- gebied. nee Artikel 3.8 Richtwaarde maximale geluid- belasting geluid- bron binnen het stiltegebied Als richtwaarde voor de maximale geluidbelas- ting vanwege een geluidbron binnen het stiltege- bied geldt een geluidniveau van 35 dB(A) gemid- deld per uur op 50 meter van de geluidbron.

nee Titel 3.4 Instructieregels Motivering BOPA: Marknesse, Voorsterweg 31, 2026-01-09, definitief 91 Artikel 3.9 Beoordelingsre- gels omgevings- vergunning voor verstoring van er- varing natuurlijke geluiden in een stiltegebied De omgevingsvergunning voor het gebruik van een toestel als bedoeld in Artikel 3.4, eerste lid, wordt alleen verleend indien het belang waartoe het stiltegebied is aangewezen zich daartegen niet verzet en voldoende rekening wordt gehou- den met de in Artikel 3.7 en Artikel 3.8 bedoelde richtwaarden. nee Artikel 3.10 Doorwerking om- gevingswaarden 1. Bij het uitoefenen van de navolgende be- voegdheden wordt rekening gehouden met de in Artikel 3.7 en Artikel 3.8 bedoelde richtwaarden: a. het beslissen over een omgevingsver- gunning voor een milieubelastende acti- viteit; b. het vaststellen van een omgevingsplan; c. de bevoegdheden als bedoeld in de Al- gemene Plaatselijke Verordeningen van de gemeenten als bedoeld in artikel 147 van de Gemeentewet; d. de bevoegdheden tot het treffen van verkeersmaatregelen op basis van de Wegenverkeerswet 1994. nee 2.

Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing indien de ge›noemde bevoegd- heden betrekking hebben op een toestel dat wordt gebruikt voor de uitoefening van land- , tuin- of bosbouw of beroepsmatige visserij of ten behoeve van het onderhoud van het gebied of van daarin aanwezige bouwwer- ken en andere constructies. nee Hoofdstuk 6 Grondwaterkwaliteit Titel 6.4 Instructieregels Afdeling 6.4.1 Instructieregels voor het omgevingsplan Paragraaf 6.4.1.1 Activiteiten op een bron van bekende historische grondwaterverontreiniging Artikel 6.14 Bouwen op een bron van bekende historische grond- waterverontreini- ging i. Het omgevingsplan bepaalt dat het bouwen van een gebouw of gedeelte van een ge- bouw dat de bodem raakt op een bron van een bekende historische grondwaterveront- reiniging alleen is toegelaten als een bron- aanpak overeenkomstig Artikel 6.15 wordt uitgevoerd voor zover er sprake is van een mobiele bodemverontreiniging. nee Motivering BOPA: Marknesse, Voorsterweg 31, 2026-01-09, definitief 92 ii. Er is sprake van een mobiele bodemveront- reiniging als bedoeld in Artikel 6.14, eerste lid indien de verontreinigende stof: a. in het vaste deel van de bodem voor- komt in concentraties hoger dan de in- terventiewaarde bodemkwaliteit als be- doeld in bijlage IIA van het Besluit acti- viteiten leefomgeving; en b.

in het grondwater voorkomt in concen- traties hoger dan de signaleringspara- meter beoordeling grondwatersanering als bedoeld in bijlage Vd van het Besluit kwaliteit leefomgeving. nee iii. Het aannemelijk maken of er sprake is van een mobiele bodemverontreiniging kan vol- gen uit: a. het uitvoeren van een voorafgaand bo- demonderzoek, als bedoeld in paragraaf 5.2.2 van het Besluit activiteiten leef- omgeving; of b. het overleggen van een beschikking krachtens artikel 29 juncto artikel 37, eerste lid, van de Wet bodembescher- ming, zoals die artikelen luidden voor het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, waarin is vastgesteld dat bij het huidig dan wel voorgenomen gebruik van de bodem of bij een moge- lijke verspreiding van een verontreini- ging, geen sprake is van zodanige risi- co’s voor mens, plant of dier dat spoe- dige sanering noodzakelijk is. nee iv. Een gebouw als bedoeld in het eerste lid omvat ook de daaraan grenzende aaneenge- sloten tuin of het daaraan aangrenzende aaneengesloten terrein. nee v. Artikel 6.14, eerste lid geldt niet voor bijbe- horende bouwwerken als bedoeld in bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving van ten hoogste 50 m2. nee Motivering BOPA: Marknesse, Voorsterweg 31, 2026-01-09, definitief 93 Artikel 6.15 Eisen aan bron- aanpak 1.

Het omgevingsplan bepaalt dat bij de uit- voering van een bronaanpak, bedoeld in Ar- tikel 6.14, eerste lid, afdekken als sane- ringsaanpak, bedoeld in artikel 4.1241 van het Besluit activiteiten leefomgeving, niet is toegestaan. nee 2. Het omgevingsplan regelt dat een maat- werkvoorschrift met betrekking tot de uit- voering van een bronaanpak, bedoeld in Ar- tikel 6.14, eerste lid, waarin een andere sa- neringsaanpak dan bedoeld in artikel 4.1240 van het Besluit activiteiten leefomgeving is toegestaan, alleen kan worden gesteld als de andere saneringsaanpak leidt tot het voorkomen of beperken van verontreini- gende stoffen naar het grondwater. nee 3. Burgemeester en wethouders dragen er zorg voor dat gedeputeerde staten een afschrift krijgen van: a. de melding, bedoeld in artikel 4.1236 van het Besluit activiteiten leefomge- ving; en b. het evaluatieverslag, bedoeld in artikel 4.1246 van het Besluit activiteiten leef- omgeving na beºindiging van de bo- demsanering. nee 4.

Artikel 6.15, derde lid is enkel van toepas- sing indien het saneren van de bodem wordt uitgevoerd vanwege een op grond van Arti- kel 6.14, eerste lid verplichte bronaanpak nee Artikel 6.16 Activiteiten op een bron van een bekende histori- sche grondwater- verontreiniging Het omgevingsplan bepaalt dat degene die een activiteit uitvoert op een bron van een bekende historische grondwaterverontreiniging in het be- lang van bescherming van de bodem en het wa- tersysteem maatregelen neemt die redelijkerwijs van hem kunnen worden verlangd om verdere verontreiniging van de bodem en het grondwater te voorkomen of te beperken of, als dat redelij- kerwijs mogelijk is in samenhang met de activi- teit die wordt verricht, ongedaan te maken. nee Paragraaf 6.4.1.2 Lozen op of in de bodem Artikel 6.17 Lozen van grond- water op of in de bodem i. Met het oog op het beschermen van de bo- dem- en het watersysteem stelt een omge- vingsplan voorwaarden aan het lozen van nee Motivering BOPA: Marknesse, Voorsterweg 31, 2026-01-09, definitief 94 grondwater op of in de bodem dat afkomstig is van: a. een bodemsanering of grondwatersa- nering; b. een onderzoek voorafgaand aan een grondwatersanering; en c. graven in een bodem met een kwaliteit boven de interventiewaarde bodemkwa- liteit. ii.

Het omgevingsplan bepaalt dat ten minste vier weken voor het begin van de activiteit, bedoeld in het eerste lid, en ten minste vier weken voor de activiteit wijzigt, aan het col- lege van burgemeester en wethouders ge- gevens en bescheiden worden verstrekt over: a. de aard en omvang van de lozing; en b. de verwachte datum van het begin van de activiteit. nee iii. Het omgevingsplan bepaalt dat voor het lo- zen van dat grondwater op of in de bodem, dat afkomstig is van een activiteit als be- doeld in het eerste lid, de emissiegrens- waarden: a. de waarden, bedoeld in bijlage XIX, on- der A bij het Besluit kwaliteit leefomge- ving zijn; of b. de concentraties van verontreinigende stoffen als bedoeld in bijlage XIX, onder B bij het Besluit kwaliteit leefomgeving waaronder gevaar van verontreiniging van het grondwater uit te sluiten is voor zover die stoffen niet zijn aangegeven in bijlage XIX, onder A bij het Besluit kwaliteit leefomgeving. nee iv. Artikel 6.17, tweede lid is niet van toepas- sing bij het lozen van grondwater afkomstig van graven in bodem met een kwaliteit bo- ven de interventiewaarde bodemkwaliteit als: a. het lozen niet langer dan 48 uur duurt; nee Motivering BOPA: Marknesse, Voorsterweg 31, 2026-01-09, definitief 95 b. het lozen plaatsvindt bij wonen. v.

Artikel 6.17, derde lid is niet van toepassing bij het lozen van grondwater afkomstig van graven in bodem met een kwaliteit boven de interventiewaarde bodemkwaliteit indien dit gaat om graven in een bodemvolume kleiner dan 25 m3. nee Artikel 6.18 Verbod op recht- streeks lozen van verontreinigende stoffen in het grondwater 1. Een omgevingsplan bepaalt dat het recht- streeks lozen van verontreinigende stoffen zonder doorsijpeling door bodem of onder- grond, in het grondwater verboden is. nee 2. Artikel 6.18, eerste lid geldt niet voor water- onttrekkingsactiviteiten waarvoor op grond van artikel 16.4 van het Besluit activiteiten leefomgeving, de omgevingsverordening of waterschapsverordening een omgevingsver- gunning is vereist of waar op grond van de waterschapsverordening voorschriften aan zijn gesteld. nee Artikel 6.19 Maatwerkvoor- schrift verbod op rechtstreeks lo- zen in het grond- water Het omgevingsplan bepaalt dat bij maatwerk- voorschrift een rechtstreekse lozing van veront- reinigende stoffen in het grondwater als bedoeld in Artikel 6.18, eerste lid kan worden toege- staan, indien de lozing is toegestaan op grond van artikel 11, derde lid onder j van de Kader- richtlijn Water en op voorwaarde dat de lozing niet verhindert dat de voor dat grondwaterli- chaam vastgestelde milieudoelstellingen worden bereikt.

nee Artikel 6.20 Maatwerkvoor- schrift lozen van brijnwater Bij het opstellen van een maatwerkvoorschrift als bedoeld in Artikel 6.19 waarmee het lozen van brijnwater in het grondwater wordt toege- staan, wordt de Beleidsregel omgevingsvergun- ningsplichtige milieubelastende activiteiten on- der de Omgevingswet in acht genomen. nee Hoofdstuk 8 Bescherming landschap Titel 8.3 Instructieregels Artikel 8.8 Instructieregel omgevingsplan: motiveringsplicht omgevingskwali- teit 1. Een omgevingsplan dat een nieuwe ontwik- keling in het landelijk gebied toelaat, be- trekt daarbij het provinciale beleid voor Nee Motivering BOPA: Marknesse, Voorsterweg 31, 2026-01-09, definitief 96 landschap en motiveert de omgevingskwali- teit van de ontwikkeling bijvoorbeeld met behulp van het HARK-model. 2. De motivering bevat in ieder geval: a. een onderbouwing waaruit blijkt op welk gebied de nieuwe ontwikkeling be- trekking heeft en dat aan de genoemde voorwaarden is voldaan; b. een beschrijving van de in het plange- bied voorkomende omgevingskwaliteit en de wijze waarop de nieuwe ontwik- keling hier een positieve bijdrage aan levert en streeft naar verhoging van de omgevingskwaliteit. Hierbij wordt aan- gegeven hoe de ontwikkelingen aanslui- ten op de ruimtelijke en landschappe- lijke structuur; c.

beeldmateriaal dat afhankelijk van de schaal van de ontwikkeling bestaat uit bijvoorbeeld ruimtelijke analyses, ruim- telijke concepttekeningen, kaartmateri- aal, doorsnedes, realistische impressies, modellen en/of visualisaties. Nee Hoofdstuk 14 Duurzame energie Titel 14.1 Windenergie Afdeling 14.1.1 Algemeen windenergie Artikel 14.7 Hardheidsclausule Ambtshalve of op verzoek van het college van burgemeester en wethouders van een gemeente kunnen gedeputeerde staten een of meer bepa- lingen van Titel 14.1 Windenergie buiten toepas- sing verklaren of daarvan afwijkingen toestaan voor zover toepassing daarvan gelet op het doel en het belang dat de desbetreffende bepaling beoogt te beschermen, zal leiden tot een onbil- lijkheid van overwegende aard jegens een be- langhebbende. Dit kan binnen het grondgebied van de provincie Flevoland. nee Afdeling 14.1.3 Instructieregels windenergie Paragraaf 14.1.3.1 Beoordelingsregels projectplan Motivering BOPA: Marknesse, Voorsterweg 31, 2026-01-09, definitief 97 Artikel 14.8 Projectplan: voor- stel voor project- gebied en plaat- singszones Een projectplan bevat een voorstel voor een pro- jectgebied en plaatsingszones die in het windge- bied liggen, weergegeven op een verbeelding met als ondergrond de GBKN 1:10.000.

nee Artikel 14.9 Projectplan: eisen ruimtelijke invul- ling Een projectplan voldoet aan de volgende eisen inzake de ruimtelijke invulling: a. windmolens worden geplaatst in een opstelling; b. de rotorbladen draaien in eenzelfde richting; c. de windmolens hebben eenzelfde ver- schijningsvorm; d. de windmolens hebben een maximale ashoogte van 120 meter met daarbij steeds het maximaal haalbare ver- mogen per windmolen. Indien initiatief- nemer een hogere ashoogte van een windmolen wil voor een hoger ver- mogen (MW) dient te worden aange- toond dat het maximaal haalbare ver- mogen per turbine bij een windmolen met as-hoogte van 120 meter ontoerei- kend is. nee Artikel 14.10 Projectplan: eisen bijdrage ten be- hoeve van het compenseren van de kwaliteit van het gebied i. Een projectplan voldoet aan de volgende ei- sen inzake de bijdrage ten behoeve van het compenseren van de kwaliteit van het ge- bied: a. het projectplan maakt inzichtelijk hoe de beoogde ruimtelijke ontwikkeling in- zake windenergie gepaard gaat met het verbeteren van de kwaliteit van de fy- sieke leefomgeving in of in de directe omgeving van het projectgebied. b.

de kwaliteitscompensatie kan zien op een fysieke verbetering van de aanwe- zige of potentiºle kwaliteiten van bo- dem, water, natuur, landschap, cultuur- nee Motivering BOPA: Marknesse, Voorsterweg 31, 2026-01-09, definitief 98 historie of van de extensieve recrea- tieve mogelijkheden van het gebied of de omgeving. c. het projectplan bevat een voorstel voor de wijze waarop de kwaliteitscompen- satie financieel, juridisch en feitelijk wordt geborgd en beschrijft hoe die past binnen de hoofdlijnen van het te voeren ruimtelijk beleid voor het ge- bied. ii. De waarde van de kwaliteitscompensatie be- draagt gedurende de gebruikstermijn jaar- lijks gemiddeld € 1.050,-- per MW opgesteld vermogen in de betreffende plaatsingszone. Er wordt jaarlijks geïndexeerd. Indien een kwaliteitscompensatie als bedoeld in het eerste lid niet is verzekerd, wordt het omge- vingsplan slechts vastgesteld indien een passende financiºle bijdrage in een windmo- lenparkfonds is verzekerd. nee Artikel 14.11 Projectplan: eisen aan fasering op- schalen en sane- ren Een projectplan voldoet aan de volgende eisen inzake de fasering van opschalen en saneren: a. Alle bestaande windmolens binnen het projectgebied worden gesaneerd; b. De sanering wordt zeker gesteld met een bindende overeenkomst met de rechthebbende(n); c.

De sanering vindt plaats binnen een half jaar na de ingebruikname van de nieuwe windmolens in de plaatsingszo- nes (saneringstermijn); d. Indien uit het projectplan blijkt dat het vanwege de economische uitvoerbaar- heid noodzakelijk is om af te wijken van de saneringstermijn van een half jaar, kan een te saneren windmolen gedu- rende een aaneengesloten periode van maximaal vijf jaar gelijktijdig met de nieuwe windmolens in werking blijven, nee Motivering BOPA: Marknesse, Voorsterweg 31, 2026-01-09, definitief 99 onder de voorwaarde dat zekerheid is gesteld met een bindende overeen- komst waaruit blijkt dat de sanering van de bestaande windmolen binnen die termijn van uiterlijk vijf jaar na inge- bruikname is verzekerd; e. De sanering van de windmolens wordt vastgelegd in een uitvoeringspro- gramma dat de locatie van de windmo- lens vermeldt en het tijdstip waarop deze uiterlijk worden gesaneerd; f. Bij het bepalen van de volgorde van de sanering wordt door initiatiefnemer de beoogde landschappelijke verbetering meegewogen, waarbij het uitgangspunt is dat het saneren van de oudste wind- molens en van de windmolens nabij de nieuwe opstelling voorrang krijgt boven het saneren van de jongere windmolens en van de windmolens die verder weg- gelegen zijn van de nieuwe windmolen- opstelling. Het projectplan maakt de gemaakte afweging inzichtelijk.

Artikel 14.12 Projectplan: eisen financiºle partici- patie 1. Een projectplan voldoet aan de volgende ei- sen inzake financiºle participatie: a. Het projectplan maakt inzichtelijk hoe de omgeving gelegenheid krijgt om fi- nancieel te participeren; b. Het projectplan maakt inzichtelijk hoe die financiºle participatie per fase op een eerlijke, eenvoudige en evenwich- tige wijze wordt uitgewerkt . nee 2. Ten aanzien van de financiºle participatie gelden per fase de volgende eisen: a. In de ontwikkel- en bouwfase biedt ini- tiatiefnemer in ieder geval aan bewo- ners en ondernemers gevestigd in het projectgebied, de gelegenheid om vanaf nee Motivering BOPA: Marknesse, Voorsterweg 31, 2026-01-09, definitief 100 de eerste risicodragende (ontwikkel- )fase financieel risicodragend te partici- peren bij de ontwikkeling van de nieuwe windmolens binnen dat project- gebied; b. In de exploitatiefase biedt initiatiefne- mer alle bewoners en ondernemers die gevestigd zijn in Zuidelijk en Oostelijk Flevoland gelegenheid om financieel te participeren in de exploitatie van de nieuwe windmolens (vanaf de fase vanaf ingebruikname); 1. Uitgangspunt is dat in de exploitatiefase minimaal 2,5% van de initiºle totale inves- teringsomvang door middel van participatie wordt ingevuld; 2.

Van dit minimumpercentage van 2,5% wordt alleen afgeweken indien de initiatief- nemer kan aantonen dat er een gebrek aan belangstelling voor participatie bestaat dat niet te wijten is aan voldoende participatie- mogelijkheden en/of communicatie daar- over. 3. Uitgangspunten bij de financiºle participatie zijn in elke fase: a. De risico’s en de verwachte financiºle rendementen van de participatie wor- den helder in beeld gebracht; b. Er wordt een redelijke vergoeding gege- ven voor het risico in relatie tot de po- tentiºle winstgevendheid; c. Participaties zijn vrij verhandelbaar, eventueel na een lock-in periode van maximaal 2 jaar; d. De initiatiefnemer legt de mogelijkhe- den voor bewoners en ondernemers tot financiºle projectparticipatie vast in een overeenkomst met de gemeente. nee Artikel 14.13 | Projectplan: eisen | Een projectplan maakt inzichtelijk hoe het | nee planparticipatie | draagvlak voor en burgerparticipatie bij het initi- atief worden verzekerd en hoe de omgeving in een vroeg stadium van de planvorming actief wordt betrokken bij de uitwerking van het initia- tief, daaronder in ieder geval doch niet limitatief begrepen de planvorming rond de nieuwe wind- molenopstellingen en de mogelijke inrichting van plaatsingszones. Paragraaf 14.1.3.2 Beoordelingsregels werkingsgebieden Artikel 14.14 | Beoordelingsre- | 1.

| Het aan te wijzen of de te wijzigen begren- | nee gels aanwijzen en | zing van een projectgebied maakt deel uit begrenzen pro- | van een goedgekeurd (aangepast) project- jectgebied | plan dat is gelegen in een windgebied; 2. | Een aanwijzing of wijziging van de begren- | nee zing van het projectgebied heeft geen on- evenredig negatief effect op de projecten voor opschalen en saneren binnen een eventueel resterend deel van het projectge- bied en/of binnen de andere aangewezen projectgebieden of op de omgeving; 3. | Een wijziging van de begrenzing van een | nee projectgebied is noodzakelijk vanwege ver- anderende omstandigheden, ontwikkelingen in de techniek of regelgeving, bedrijfsecono- mische redenen en de uitvoeringspraktijk. Artikel 14.15 | Beoordelingsre- | 1. | De aan te wijzen of de te wijzigen begren- | nee gels aanwijzen en | zing van een plaatsingszone maakt deel uit begrenzen plaat- | van een goedgekeurd (aangepast) project- singszones | plan voor het desbetreffende projectgebied; 2. | Een aanwijzing of wijziging van de begren- | nee zing van een plaatsingszone vindt plaats op basis van een integrale afweging en even- wichtige balans tussen de omgevingskwali- teit, het maatschappelijk draagvlak en het economisch perspectief.

Paragraaf 14.1.3.4 Instructieregels omgevingsplan Artikel 14.17 | Instructieregels | Een omgevingsplan sluit uit dat buiten windge- | nee omgevingsplan: | bied nieuwe windmolens worden gerealiseerd of geen windmolens | dat bestaande windmolens worden opgeschaald. buiten een wind- gebied Artikel 14.18 | Instructieregels | 1. | Binnen een windgebied voorziet een omge- | nee omgevingsplan: | vingsplan, binnen twee jaar na de goedkeu- ring van een projectplan, uitsluitend in Motivering BOPA: Marknesse, Voorsterweg 31, 2026-01-09, definitief | 101 windmolens bin- | nieuwe windmolens in een plaatsingszone nen een windge- | binnen een projectgebied conform dat pro- bied-plaatsings- | jectplan. zones | 2. | Een omgevingsplan mag op een locatie niet | nee meer voorzien in een windmolen, zodra de gebruiksperiode (maximaal 25 jaar) van de omgevingsvergunning voor de betreffende windmolen op die locatie is verstreken. Artikel 14.19 Instructieregels omgevings- plan: windmolens binnen een windgebied- projectgebieden Binnen een windgebied voorziet een omgevings- plan, binnen twee jaar na de goedkeuring van een projectplan, in de sanering van alle windmo- lens binnen een projectgebied conform dat pro- jectplan.

Artikel 14.20 | Instructieregels | Binnen een windgebied voorziet een omgevings- | nee omgevingsplan: | plan in een regeling die tegengaat dat er binnen windmolens bin- | windgebied-buiten projectgebied nieuwe wind- nen een windge- | molens worden gerealiseerd of dat bestaande bied-buiten pro- | windmolens worden opgeschaald. jectgebieden Titel 14.2 Zonne-energie Afdeling 14.2.1 Algemeen zonne-energie Artikel 14.28 | Instructieregels | i. | Gerekend vanaf 15 november 2018 mag een | nee omgevingsplan | omgevingsplan voorzien in grondgebonden zonne-energie | opstellingen voor zonne-energie tot maxi- maal 500 hectare netto van het landelijk ge- bied van de provincie Flevoland’, waarvan de locatie en de omvang zijn aangegeven in de monitor met betrekking tot zonne-ener- gie in het landelijk gebied. ii. | Vanaf het moment dat gelet op de monitor | nee met betrekking tot zonne-energie in het lan- delijk gebied de eerste 500 hectare netto ontwikkelruimte als bedoeld in Artikel 14.25, eerste lid is volgelopen en de tweede 500 hectare netto ontwikkelruimte als bedoeld in Artikel 14.25, tweede lid een aanvang neemt, laat een nieuw(e wijziging van het) een omgevingsplan buiten de aangewezen uitzonderingsgebieden voor zonne-energie op agrarische gronden geen grondgebonden opstelling voor zonne-energie op agrarische gronden toe.

Motivering BOPA: Marknesse, Voorsterweg 31, 2026-01-09, definitief | 102 iii. | In afwijking van Artikel 14.28, tweede lid | nee mag een nieuw(e wijziging van een) omge- vingsplan een grondgebonden opstelling voor zonne-energie toelaten op gietwater- bassins in het gebied Uitzondering glastuin- bouw i.r.t. zonne-energie in landelijk ge- bied. iv. | Vanaf het moment dat gelet op de monitor | nee met betrekking tot zonne-energie in het lan- delijk gebied de eerste 500 hectare netto ontwikkelruimte als bedoeld In Artikel 14.25, eerste lid is volgelopen en de tweede 500 hectare netto ontwikkelruimte als be- doeld in Artikel 14.25, tweede lid een aan- vang neemt mag een omgevingsplan voor- zien in grondgebonden opstellingen voor zonne-energie tot in totaal maximaal 1000 hectare netto van het landelijk gebied van de provincie Flevoland, gerekend vanaf 15 november 2018, mits de locatie en de om- vang zijn aangegeven in de monitor met be- trekking tot zonne-energie in het landelijk gebied. v. | Een omgevingsplan mag op een locatie niet | nee meer voorzien in grondgebonden opstellin- gen voor zonne-energie, nadat de gebruiks- periode van de omgevingsvergunning voor de betreffende opstelling op die locatie is verstreken. vi.

| In afwijking van het Artikel 14.28, vijfde lid | nee mag een omgevingsplan, nadat de gebruiks- periode van de omgevingsvergunning voor de betreffende opstelling op die locatie is verstreken, blijven voorzien in grondgebon- den opstellingen voor zonne-energie, indien voor die locatie opnieuw een omgevingsver- gunning wordt verleend voor het realiseren van een nieuwe grondgebonden opstelling voor zonne-energie. Hoofdstuk 15 Natuurnetwerk Nederland Afdeling 15.3 Instructieregels Artikel 15.5 | Gemeenteraad: | i. | Een omgevingsplan, voor zover het betrek- | nee Bescherming NNN | king heeft op een gebied binnen of nabij het aangewezen Natuurnetwerk Nederland: Motivering BOPA: Marknesse, Voorsterweg 31, 2026-01-09, definitief | 103 Motivering BOPA: Marknesse, Voorsterweg 31, 2026-01-09, definitief 104 a. strekt mede tot bescherming, instand- houding en ontwikkeling van de wezen- lijke kenmerken en waarden van dat gebied, b. maakt alleen activiteiten mogelijk die per saldo niet leiden tot de achteruit- gang van de kwaliteit en oppervlakte van het natuurnetwerk, vermindering van de samenhang tussen die gebieden of tot nadelige gevolgen voor de wezen- lijke kenmerken en waarden van het natuurnetwerk.

Hoofdstuk 16 Natuurbescherming Afdeling 16.2.3 Activiteiten die houtopstanden betreffen Artikel 16.9 Activiteiten Deze afdeling is van toepassing op het vellen van houtopstanden en het herbeplanten van grond na het vellen van houtopstanden als be- doeld in afdeling 11.3 van het Besluit activiteiten leefomgeving. nee Artikel 16.9a Instructieregels houtopstanden Bij het vaststellen van een bebouwingscontour houtkap in een omgevingsplan als bedoeld in ar- tikel 5.165b van het Besluit kwaliteit leefomge- ving wordt deze contour zodanig bepaald dat houtopstanden groter dan 15 hectare en breder dan 30 meter buiten de bebouwingscontour val- len. nee Hoofdstuk 17 Geitenhouderijen Titel 17.3 Instructies omgevingsplan Afdeling 17.3.1 Instructieregels omgevingsplan Artikel 17.4 Instructieregels omgevingsplan 1. Een omgevingsplan sluit de nieuwvestiging van geitenhouderij uit. nee 2. Bij omgevingsplan worden aangewezen als vrijwaringszone geitenhouderijen de gebie- den bestaande uit een zone van twee kilo- meter van de rand van een woonkern en wordt de geometrische begrenzing daarvan vastgelegd. nee 3. Een omgevingsplan sluit de uitbreiding van bestaande geitenhouderijen gelegen binnen nee Motivering BOPA: Marknesse, Voorsterweg 31, 2026-01-09, definitief 105 twee kilometer van de rand van een woon- kern uit. 4.

De gemeenteraad stelt uiterlijk voor 1 janu- ari 2032 een omgevingsplan vast met in- achtneming van de regels uit dit hoofdstuk. nee Hoofdstuk 19 Schaliegas Titel 19.2 Instructieregels schaliegas Artikel 19.3 Instructieregels omgevingsplan: opsporen en win- nen van scha- liegas en schalie- olie In een omgevingsplan dat ziet op het toelaten van het opsporen of winnen van schaliegas en schalieolie wordt in de toelichting op het omge- vingsplan basis van onderzoek gemotiveerd dat provinciale belangen niet worden geschaad. nee

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://raad.noordoostpolder.nl/api/v1/meetings/2388/documents/45259