CConstaterende datNoordoostpolder
Koppel je AI →
Document · PDF

9.1 Motivering BOPA

Gemeenteraad 31 augustus 2026, gemeente NoordoostpolderBij agendapunt: 9: Bindend advies Voorsterweg 31 te Marknesse (NLR)32.671 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

Uit het bij deze adviesaanvraag gevoegde, door de brandweer ingevulde haalbaarheids- formulier blijkt dat de brandweer concludeert dat de kans op structurele schade aan het hotel bij een explosie zeer onwaarschijnlijk wordt geacht en daarmee ook de kans op een ramp. Uitgaande van die informatie zijn er vanuit de RAV en GHOR geen kanttekeningen. Het plaatsen van de LH2 tank betreft geen gezondheidsgevoelige functie. Ook zal het geen nadelige gevolgen op de gezondheid hebben. Met voorliggend wijzigingsbesluit wordt in voldoende mate rekening gehouden met het aspect Gezondheid. 4.2 Weging van het waterbelang 4.2.1 Algemeen Als er voor de ontwikkelingen waterbelangen spelen geldt de waterschapsverordening. Bepaalde onderwerpen, zoals lozingen in de bodem en riolering en aansluiten op de riole- ring, zijn geregeld in de bruidsschat, Hoofdstuk 22 van het omgevingsplan Noordoostpol- der. Watertoets – Weging van het waterbelang Het watertoetsproces dat sinds november 2003 wettelijk verplicht is door de verankering in het Besluit op de ruimtelijke ordening, komt onder de Omgevingswet terug als ‘Weging van het waterbelang’. Op basis van artikel 2.2 houden bestuursorganen rekening met el- kaars taken en bevoegdheden en zorgen voor afstemming en samenwerking hierover.

Motivering BOPA: Marknesse, Voorsterweg 31, 2026-01-09, definitief 29 De wettelijke basis van de weging van het waterbelang ligt in het Besluit Kwaliteit Leef- omgeving. Artikel 5.37 regelt dat bevoegd gezag bij ruimtelijke ontwikkelingen waterbe- langen meewegen bij besluitvorming. De weging van het waterbelang is een proces dat ervoor zorgt dat bij alle ruimtelijke plannen de waterhuishouding voldoende toekomstbe- stendig is ingericht en alle waterbelangen gewogen worden. In de waterparagraaf van het ruimtelijk plan staat hoe er binnen het plan omgegaan wordt met de waterhuishou- ding. Uit de waterparagraaf blijkt de betrokkenheid van de waterbeheerder in het planproces en de wijze waarop het wateradvies van de waterbeheerder is meegenomen in de uitwer- king van het plan. In deze afweging worden de gevolgen van het plan voor het beheer van het watersysteem aangegeven en de benodigde maatregelen bepaald voor een toe- komstbestendige waterhuishouding, waarin onder andere aspecten als waterveiligheid, waterkwantiteit en waterkwaliteit geborgd zijn. Er zijn drie mogelijke procedures voor de weging van het waterbelang. De effecten van het plan op de waterhuishouding bepalen welke procedure geldt. Bij de procedure geen waterschapsbelang kan de weging volledig digitaal doorlopen worden. De korte procedure is voor ruimtelijke plannen met beperkte gevolgen voor de waterhuishouding.

De nor- male procedure is gericht op ruimtelijke plannen met relatief vergaande consequenties voor de waterhuishouding. Bij de korte en normale procedure is informeel vooroverleg met Waterschap Zuiderzeeland nodig. In deze waterparagraaf zijn de relevante streefbeelden, uitgangspunten en randvoor- waarden verwerkt, aangevuld met een concrete uitwerking van de gevolgen voor de wa- terhuishouding. Wet- en regelgeving en beleid water KRW De Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) heeft als doelstelling het bereiken van een goede ecologische en chemische toestand voor alle oppervlaktewaterlichamen en het be- schermen en herstellen van alle grondwaterlichamen (verbinding infiltratie- en kwelge- bieden). Door de inrichting van watergangen af te stemmen op de ecologie kan de ecolo- gische toestand verbeterd worden. De KRW heeft het streven om emissies naar opper- vlakte- en grondwater terug te dringen. De gemiddelde jaarlijkse grondwateronttrekking mag de beschikbare grondwatervoorraad op lange termijn niet overschrijden. Waterbeleid voor de 21e eeuw De Commissie Waterbeheer 21ste eeuw heeft advies uitgebracht over het toekomstige waterbeleid in Nederland. Een andere aanpak in het licht van verwachte ontwikkelingen inzake zeespiegelstijging, toenemende neerslag en rivierwaterafvoer en verdergaande bodemdaling is noodzakelijk.

De adviezen van de commissie staan in het rapport Anders omgaan met water, Waterbeleid voor de 21ste eeuw (WB21). De kern van het rapport WB21 is dat water de ruimte moet krijgen, voordat het die ruimte zelf neemt. In het Wa- terbeleid voor de 21e eeuw worden twee principes (drietrapsstrategieºn) voor duurzaam waterbeheer geïntroduceerd: • vasthouden, bergen en afvoeren; • schoonhouden, scheiden en zuiveren. Motivering BOPA: Marknesse, Voorsterweg 31, 2026-01-09, definitief 30 Omgevingswet Op 1 januari 2024 is de Omgevingswet in werking getreden. Met de implementatie van de Omgevingswet verandert de wet- en regelgeving voor ruimtelijke projecten. De wet vervangt vele wetten en gaat uit van een integrale benadering van alle aspecten van de fysieke leefomgeving, zoals ruimtelijke ordening, milieukwaliteit, natuur, bodem Øn wa- ter. Voor de Omgevingswet stellen provincies en gemeenten omgevingsvisies en omge- vingsplannen op. Alle ambities en keuzes over het beheer, beschermen en benutten van de leefomgeving staan hierin. Belangrijk onderdeel van het ruimtelijk proces is de partici- patie van alle belanghebbenden. Omgevingsvisies en omgevingsplannen komen in de plaats van de bestaande structuurvisies en bestemmingsplannen. Uiterlijk in 2032 dienen alle bestaande plannen vervangen te zijn. Water is een essentieel onderdeel van onze leefomgeving.

Belangrijke opgaven zijn het voorkomen en beperken van overstromingen, wateroverlast en waterschaarste. Zeker in samenhang met het beschermen en verbeteren van de waterkwaliteit. De Omgevingswet beschrijft wat onder het beheer van een watersysteem valt. Het beheer is gericht op: • het voorkomen en waar nodig beperken van overstromingen, wateroverlast en waterschaarste, in samenhang met; • het beschermen en verbeteren van de chemische en ecologische kwaliteit van die watersystemen en; • de vervulling van de aan die watersystemen toegekende maatschappelijke func- ties’. Het waterschap neemt regels over waterstaatswerken op in de waterschapsverordening. Hierin is aangegeven wat wel en niet mag bij waterkeringen en wateren, de zogenaamde waterstaatswerken, en staan regels over het beheer en onderhoud. Vanaf januari 2024 heeft deze de Keur en de Algemene regels bij de Keur vervangen. Waterwet De Waterwet stelt integraal waterbeheer op basis van de ‘watersysteembenadering' cen- traal. De verantwoordelijkheden in het oppervlaktewater- en grondwaterbeheer van Rijk, provincie, waterschappen en gemeenten zijn in de Waterwet helderder vastgelegd. De Waterwet is nagenoeg geheel opgegaan in de Omgevingswet. De bepalingen rondom het huidige deltaprogramma en de financiºle bepalingen over de verontreinigingsheffing en de provinciale grondwaterheffing gaan later over naar de Omgevingswet.

Programma’s Water en Ruimte In een programma leggen het Rijk, provincies, waterschappen en gemeenten maatrege- len vast om de gewenste kwaliteit van de fysieke leefomgeving te bereiken. Het onder- werp ‘ruimtelijke ontwikkelingen in relatie tot water’ is daarbij een belangrijk onderdeel. Centraal hierin staat het werken aan schoon, veilig en voldoende water, dat klimaatadap- tief en toekomstbestendig is. Ook is er aandacht voor de raakvlakken van water met an- dere sectoren. Daarnaast zijn allerlei functies afhankelijk van water, zoals de natuur, de landbouw en de scheepvaart. Programma’s zijn, in tegenstelling tot omgevingsvisies, meer gericht op uitvoering op korte termijn. En waar in de omgevingsvisie vooral een integrale benadering van belang is, richten programma’s zich vaak op slechts één of een paar onderdelen van de fysieke leefomgeving. De vastgestelde maatregelen in programma’s zijn een uitwerking van het globale beleid dat in omgevingsvisies over water en ruimte is opgenomen.

Motivering BOPA: Marknesse, Voorsterweg 31, 2026-01-09, definitief 31 Er zijn een aantal verplichte programma’s waarin maatregelen over ruimtelijke ontwikke- lingen in relatie tot water kunnen staan: • Nationaal waterprogramma (Rijk) – gericht op het beheer van rijkswateren • Regionaal waterprogramma (provincie) – gericht op regionale oppervlaktewaterli- chamen, grondwaterlichamen en waterwinlocaties • Waterbeheerprogramma (waterschap) – gericht op de watersystemen in beheer bij het waterschap Watervisie en Waterbeheerprogramma Waterschap Zuiderzeeland De Watervisie verbindt waterthema’s en maatschappelijke opgaven. Voor een gezonde en duurzame ontwikkeling van het gebied is het nodig om het natuurlijke systeem (bodem en water) en de ruimtelijke en economische ontwikkelingen met elkaar te verbinden in een gezamenlijke aanpak. Niet met maakbaarheid als vertrekpunt, maar toekomstbe- stendigheid. Het Waterbeheerprogramma 2022-2027 bevat de strategische en tactische doelen voor de komende planperiode en beschrijft op hoofdlijnen welke maatregelen het waterschap neemt om deze doelen te behalen. Het beheergebied wordt waterrobuust en klimaatbe- stendig ingericht. Investeringen in het watersysteem zorgen dat er ook in de toekomst voldoende water is bij langdurige droogte Øn voldoende bescherming bij hoogwater.

Stedelijk Waterplan Noordoostpolder De watervisie van de gemeente Noordoostpolder is opgenomen in het Stedelijk Water- plan Noordoostpolder (april 2006). Als aanvulling op het Stedelijk waterplan is in 2011 door het waterschap Zuiderzeeland en de gemeente Noordoostpolder een bestuurlijke “Maatwerkovereenkomst stedelijk water” ondertekend. Door ondertekening van deze be- stuursovereenkomst zijn tussen de waterbeheerder en de gemeente afspraken gemaakt over de invulling van de gezamenlijke taakuitoefening voor het beheer en onderhoud van het stedelijk water. De beoogde doelen op strategisch, tactisch en operationeel niveau ten aanzien van het stedelijk water zijn daardoor beter verankerd. Verdere actualisatie met het oog op onder andere de klimaatadaptatie is verwerkt in het gezamenlijk met het Waterschap Zuiderzeeland opgestelde Watertakenplan Noordoostpolder 2019-2024. Op grond van o.m. de Waterwet is voor gemeenten, naast het inzamelen en transporte- ren van vrijkomend stedelijk afvalwater een formele taak weggelegd voor het afvoeren van overtollig regenwater. In zoverre het inzamelen en transporteren van relatief schoon regenwater buiten de afvalwaterstroom doelmatig kan worden uitgevoerd, vindt deze ge- scheiden van de afvoer van het stedelijk afvalwater plaats.

Het “gebiedseigen water” wordt op plaatsen waarvoor mogelijkheden aanwezig zijn, vastgehouden en geborgen in aanwezig stedelijk water en/of retentiestroken. Het bergen en vasthouden van regenwa- ter op locatie mag niet leiden tot (water)overlast voor de woonomgeving. Tot slot heeft de gemeente een watertaak waterhuishoudkundige maatregelen te treffen om structureel nadelige gevolgen van de grondwaterstand voor de aan de grond gegeven bestem- ming(en) zoveel mogelijk te voorkomen of te beperken. In de Waterschapsverordening Waterschap Zuiderzeeland, onderdeel uitmakend van de Omgevingswet, is aangegeven wat wel en niet mag bij waterkeringen en wateren (de zogenaamde waterstaatswerken). Motivering BOPA: Marknesse, Voorsterweg 31, 2026-01-09, definitief 32 4.2.2 Situatie plangebied en conclusie De tank wordt geplaatst op de recent aangelegde bestaande verharding. In 2013 was ter plaatse meer verharding aanwezig in de omgeving van deze locatie dan momenteel het geval is. Daarom is voor deze omgeving sprake van een netto afname in verharding. Het totaal verhard oppervlak zal door de voorliggende wijziging niet toe- of afnemen. Er vinden dan ook geen wijzigingen plaats die invloed hebben op de waterhuishouding of de afvalwaterketen.

De relevante bestaande waterhuishoudkundige werken, zoals waterkeringen en opper- vlaktewater, zijn opgenomen in Regels op Kaart en/of gereguleerd in de regels van het omgevingsplan. Met voorliggend wijzigingsbesluit wordt in voldoende mate rekening gehouden met het aspect Water. 4.3 Verkeersgeneratie, -afwikkeling & (fiets)parkeren 4.3.1 Algemeen In paragraaf 5.1.7 van het Bkl zijn diverse onderwerpen benoemd waarvoor de staat en werking moet worden behoed. Het gaat hier om onderwerpen die zien op landsverdedi- ging en nationale veiligheid, de elektriciteitsvoorziening, rijksvaarwegen, apparatuur voor de burgerluchtvaart en landelijke fiets- en wandelroutes. Ook kunnen woningbouwcate- gorieºn worden aangewezen. Dit is mogelijk indien de wijziging van het omgevingsplan bouwactiviteiten toelaat die kostenverhaalplichtig zijn (zie ook paragraaf 4.6 van dit Handboek, hier wordt ingegaan op het onderdeel kostenverhaal in het omgevingsplan). Uit artikel 6.162 Bkl blijkt dat als een omgevingsplan voorziet in nieuwe ontwikkelingen met gevolgen voor de inrichting van de openbare buitenruimte, dan wordt in het omge- vingsplan rekening gehouden met het belang van het bevorderen van de toegankelijkheid van die openbare buitenruimte voor personen met een functiebeperking. Parkeerbeleid 2025 Het neerzetten van een waterstoftank zal niet bijdragen aan een toename van de par- keerbehoefte.

Voor het vullen van de tank is voldoende gelegenheid aanwezig op eigen terrein. Voor het aantal parkeerplaatsen binnen het ontwerp is uitgegaan van het behou- den van de bestaande parkeerplaatsen, waarmee aan de parkeerbehoefte voldaan. 4.3.2 Situatie plangebied en conclusie Er wordt een zeer geringe toename verwacht aan het aantal verkeersbewegingen (voor het vullen van de waterstoftank), welke in niet-significante mate invloed hebben op de mobiliteit. Met voorliggend wijzigingsbesluit wordt in voldoende mate rekening gehouden met het aspect verkeer en parkeren. Motivering BOPA: Marknesse, Voorsterweg 31, 2026-01-09, definitief 33 4.4 Geluid 4.4.1 Algemeen Veel functies in de fysieke leefomgeving hebben te maken met geluid. Ze maken geluid of ze worden eraan blootgesteld. De regels over geluid gaan over het beheersen van ge- luid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen en de bescherming van geluidgevoe- lige gebouwen en andere gebouwen en plekken. Ook zijn direct werkende regels in het omgevingsplan opgenomen. Dit zijn de regels voor het bepalen en beoordelen van geluid door een toegelaten activiteit.

In het kader van het beschermen van de gezondheid en het milieu (artikel 2.1, lid 3, on- der b en c Ow) stelt het Besluit kwaliteit leefomgeving regels voor het beheersen van ge- luid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen en de bescherming van geluidgevoe- lige gebouwen en andere gebouwen en plekken (afdeling 3.5 Bkl). De wetgever maakt onderscheid tussen geluidbronnen met een geluidproductieplafond (gpp) als omgevings- waarde en bronnen met een basisgeluidemissie (bge). Geluid afkomstig van wegen, spoorwegen en industrieterreinen heeft invloed op de omgeving. Het bevoegd gezag beoordeelt geluid van deze bronnen bij geluidgevoelige gebouwen (artikel 3.20 Bkl). Voor een aantal geluidgevoelige gebouwen (artikel 3.20 Bkl) en stilte- gebieden (artikel 7.11 Bkl) gelden specifieke regels. In de aanwijzing van geluidgevoelige gebouwen is de functie (zoals wonen, onderwijs of zorg) bepalend (artikel 3.20 Bkl). Voor andere gebouwen of locaties bepaalt de gemeente zelf de mate van bescherming tegen geluid. Dat doet de gemeente vanuit haar taak ’evenwichtige toedeling van functies aan locaties’. Geluidsgevoelige gebouwen De geluidsgevoelige gebouwen worden aangewezen in artikel 3.21 Bkl. Daarnaast moet ook onder andere rekening worden gehouden met artikel 3.18, lid 3 en 4 Bkl. Het betreft gebouwen, waaronder een gebouw of een gedeelte van een gebouw dat een woonfunctie heeft.

De geluidsnormen hebben betrekking op het geluid op de gevel van een geluidsge- voelig gebouw en hebben primair als doel het beschermen van de gezondheid door het stellen van eisen aan het geluid op en rond woningen, waar mensen langdurig verblijven en slapen. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen de voorgevel, zijgevel en achterge- vel. Gebouwen met de volgende functies zijn ook geluidgevoelig: • onderwijsfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan; • gezondheidszorgfunctie met bedgebied en nevengebruiksfuncties daarvan of; • bijeenkomstfunctie voor kinderopvang met bedgebied en nevengebruiksfuncties daarvan. Ter bescherming van de gezondheid zijn voor het aspect geluid instructieregels opgeno- men in paragraaf 5.1.4.2 en paragraaf 5.1.4.2a Bkl. Het omgevingsplan bevat op grond van en in overeenstemming met instructieregels waarden voor geluid (immissienormen) die leiden tot een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Motivering BOPA: Marknesse, Voorsterweg 31, 2026-01-09, definitief 34 4.4.2 Situatie plangebied en conclusie De ontwikkeling houdt geen realisatie van een weg en/of spoorweg in. Ook is erg geen sprake van de realisatie van een geluidgevoelig gebouw. Het aspect geluid van wegen of andere kaders voor dit omgevingsaspect is niet aan de orde bij een evenwichtige toede- ling van functies.

Met voorliggend wijzigingsbesluit wordt in voldoende mate rekening ge- houden met het aspect geluid. Voor het geluid van bedrijven wordt verwezen naar de pa- ragraaf ‘milieubelastende activiteiten’. 4.5 Luchtkwaliteit 4.5.1 Algemeen De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen staan beschreven in de in- structieregels opgenomen in het Bkl. Ter bescherming van de gezondheid zijn voor het aspect luchtkwaliteit instructieregels opgenomen in paragraaf 5.1.4.1 Bkl. Volgens deze regels gelden zogeheten omgevingswaarden voor onder andere de in de buitenlucht voorkomende stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10). In deze paragraaf wordt beschreven welk effect de voorgenomen ontwikkeling heeft op de luchtkwaliteit in de leefomgeving. Een activiteit is toelaatbaar als aan ØØn van de vol- gende voorwaarden wordt voldaan: • er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grens- waarde; • het project leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; • het project draagt alleen niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreini- ging. Op het gebied van luchtkwaliteit is in de provinciale verordening niets opgenomen. In de omgevingsvisie wordt gezegd dat luchtkwaliteit een factor is waar rekening mee moet worden gehouden voor wat betreft een goed woon- een leefklimaat.

4.5.2 Situatie plangebied Onderzoek NIBM De beoordeling van de luchtkwaliteit vindt niet overal plaats. Voor een activiteit die niet in betekende mate (NIBM) bijdraagt aan de luchtverontreiniging, is geen toetsing aan de rijksomgevingswaarden voor stikstofdioxide en fijnstof nodig. Uit artikel 5.53 en 5.54 Bkl volgt dat een project niet in betekende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit als de toena- me van de concentratie NO2 en PM10 niet hoger is dan 1,2 ug/m3. Dat is 3% van de om- gevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties. Motivering BOPA: Marknesse, Voorsterweg 31, 2026-01-09, definitief 35 Er zijn twee mogelijkheden om aannemelijk te maken dat een project binnen de NIBM- grens blijft: 1. Motiveren dat het project binnen de getalsmatige grenzen van een aangewezen ca-tegorie blijft. Onder deze ‘standaardgevallen NIBM’ vallen kantoren, woonwijken en het telen van gewassen. Dit moet wel onder een bepaalde omvang blijven conform arti- kel 5.54 Bkl. Valt een project binnen de genoemde categorie, maar niet binnen de ge- stelde grenzen? Het is dan mogelijk om alsnog via detailberekeningen aanne-melijk te maken dat de 3%-grens niet wordt overschreden. 2. Op een andere manier aannemelijk maken dat een project de 3%-grens niet ove r- schrijdt.

Veelal kan een kwalitatieve berekening met de NIBM-tool op een eenvoudige en snelle manier inzichtelijk maken of een project in betekende mate bijdraagt aan de lucht- verontreiniging. Wanneer deze tool aangeeft dat er sprake is van een betekende mate, dan zijn aanvullende detailberekeningen nodig. Het plaatsen en het gebruik van de LH2 tank zal niet in betekende mate bijdragen aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Daarentegen zal onderzoek naar waterstof als brandstof voor de lucht- en ruimtevaart juist kunnen bijdragen aan een algemene verbe- tering van de luchtkwaliteit. Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit (CIMLK) Uit oogpunt van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties dient beoordeeld te worden of het aanvaardbaar is om het project op deze locatie te realiseren. Hierbij kan de blootstelling aan de ter plaatse bestaande luchtverontreiniging een rol spelen, ook als het project zelf ’niet in betekenende mate’ bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Het Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit (CIMLK) is het instrument voor het mo- nitoren en berekenen van de luchtkwaliteit. Het CIMLK geeft inzicht in de mate van bloot- stelling aan luchtverontreiniging verspreid over heel Nederland. De overheid toetst en mo- nitort de luchtkwaliteit vooral in de zogenoemde aandachtsgebied en.

Aandachtsgebieden zijn locaties met hogere concentraties stikstofdioxide (NO 2) of fijnstof (PM 10), die nemen deel aan de jaarlijkse monitoring. Het CIMLK heeft als doel luchtkwali teitgegevens over Nederland voor iedereen op ØØn plaats, uniform en laagdrempel ig beschikbaar te stellen, en daarmee de wet- en regelgeving voor luchtkwaliteit (digitaal) te ondersteunen. Voor de kwaliteit van de buitenlucht bestaan verschillende soort en normen. Wettelijke grenswaarden en actiedrempels zijn meestal een compromis tussen haalbaarh eid en ge- zondheid. Veel van de wettelijke normen komen direct uit Europese richtlijnen. Het CIMLK is het instrument waarmee de concentraties luchtverontreinigende sto ffen worden bere- kend. In het kader van een goede afweging van functies aan locaties zijn de achtergrond- concentraties NO2, PM10 en PM2,5 van het wegverkeer in de omgeving van het plangebied inzichtelijk gemaakt op basis van de gegevens in de kaart van het CIMLK. In de volgende afbeeldingen zijn de concentraties NO2, PM10 en PM2,5 voor het monitorings- jaar 2030 nabij het plangebied weergegeven. Deze concentrat ies zijn afkomstig uit moni- toringsronde van 2023. Motivering BOPA: Marknesse, Voorsterweg 31, 2026-01-09, definitief 36 Bron: Atlas Leefomgeving op basis van RIVM 2023 Bron: At- las Leefomgeving op basis van RIVM 2023 Bron: Atlas Leefomgeving op basis van RIVM 2023

Motivering BOPA: Marknesse, Voorsterweg 31, 2026-01-09, definitief 37 4.5.3 Conclusie Met voorliggend wijzigingsbesluit wordt in voldoende mate rekening gehouden met het aspect Luchtkwaliteit. 4.6 Geur 4.6.1 Algemeen In het kader van het beschermen van de gezondheid en het milieu (artikel 2.1 lid 3 onder b en c Ow) worden voor verschillende functies en activiteiten regels gesteld op het ge- bied van geur(hinder). Het gaat onder meer om veehouderijen en andere landbouwactivi- teiten, de mengvoederindustrie, horeca, rioolwaterzuiveringsinstallaties, slachterijen, en (andere) milieubelastende activiteiten. Regels over geur zijn verdeeld over verschillende Amvb’s. Het verschilt per type activiteit waar de regels zijn opgenomen. Geurgevoelige gebouwen In artikel 5.91, eerste lid, van het Bkl is vastgelegd welke gebouwen in ieder geval geur- gevoelig zijn. Het betreft een gebouw of een gedeelte van een gebouw met een: • woonfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan; • onderwijsfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan; • gezondheidszorgfunctie met bedgebied en nevengebruiksfuncties daarvan; of • bijeenkomstfunctie voor kinderopvang met bedgebied en nevengebruiksfuncties daarvan. 4.6.2 Situatie plangebied en conclusie Het plaatsen van de LH2 tank betreft geen geurgevoelige functie. Ook heeft het geen na- delige gevolgen op de geur in de omgeving.

Met voorliggend wijzigingsbesluit wordt in voldoende mate rekening gehouden met het aspect Geur. 4.7 Trilling 4.7.1 Algemeen De beoordeling van het aspect trillingen vindt zijn grondslag in artikel 4.2 van de Omge- vingswet. Trillingshinder kan op twee manier optreden. • Toevoeging van een milieubelastende activiteit met een trillingsemissie. In artikel 22.88 van de bruidsschat, die onderdeel uitmaakt van het tijdelijke om- gevingsplan, zijn maximale waarden voor continue. De maximale waarden voor herhaald voorkomende trillingen staan in artikel 5.87a uit het Bkl. • Toevoeging van een trillingsgevoelig gebouw. De Omgevingswet beschermt trillinggevoelige gebouwen tegen trillingen van acti- viteiten. In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) staan hiervoor instructieregels. Voor de activiteiten wonen, wegen, vaarwegen en spoorwegen zijn er geen in- structieregels voor trillingen. De gemeente kan hier eigen regels voor opstellen. Het onderdeel trillingen is geregeld in paragraaf 22.3.5 van de Bruidsschat. Daarin wor- den regels gesteld aan trillingen in een frequentie van 1 tot 80 Hz door een activiteit in Motivering BOPA: Marknesse, Voorsterweg 31, 2026-01-09, definitief 38 een trillinggevoelige ruimte van een trillinggevoelig gebouw, die op een locatie is toegela- ten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevings- planactiviteit.

Er gelden maximale waarden voor continue trillingen en voor herhaald voorkomende tril- lingen. De maximale waarden zijn opgenomen in de tabellen in artikel 22.88 en 5.87a van de Bruidsschat. Wat is een trillinggevoelig gebouw? Volgens artikel 5.80, eerste lid, Bkl is een trillinggevoelig gebouw een gebouw of een ge- deelte van een gebouw met een: • woonfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan; • onderwijsfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan; • gezondheidszorgfuncties met bedgebied en nevengebruiksfuncties daarvan; of • bijeenkomstfunctie voor kinderopvang met bedgebied en nevengebruiksfuncties daarvan. Weg- en spoorverkeer Weg- en spoorwegverkeer kunnen trillingen veroorzaken in woningen, scholen en derge- lijke. Dit moet het bevoegd gezag betrekken bij de ruimtelijke inpassing van spoor(we- gen) en/of trillinggevoelige gebouwen, in het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Gemeentelijke wegen en/of trillinggevoelige gebouwen bij wegen Verkeer over een oneffen wegdek veroorzaakt trillingen. Bij het passeren van vooral zware voertuigen, zoals vrachtwagens en bussen, kunnen trillingen ontstaan met een kortdurend karakter. De aard van deze trilling is afhankelijk van het type voertuig en de belading, de rijsnelheid en de vorm van de oneffenheden, zoals bij een brug.

In de meeste gevallen speelt het aspect trillingen geen rol bij de ruimtelijke inpassing. Er gelden geen instructieregels van het Rijk. In deze situatie kan het bevoegd gezag ge- bruikmaken van de SBR-richtlijn. Hiervoor gelden geen instructieregels van het Rijk. 4.7.2 Situatie plangebied en conclusie Het plaatsen van de waterstoftank betreft geen trilling gevoelige activiteit. Daarnaast leidt de voorgenomen ontwikkeling niet tot trillingen in de omgeving. Met voorliggend wijzigingsbesluit wordt in voldoende mate rekening gehouden met het aspect trillingen. 4.8 Omgevingsveiligheid 4.8.1 Algemeen In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit de veiligheid gewaar- borgd wordt. Gedoeld wordt op het waarborgen van de veiligheid ter voorkoming van een branden, rampen of crises. De hoofdlijnen van het wettelijk kader omtrent de externe veiligheid zijn opgenomen in instructieregels in afdeling 5.1.2 Bkl. In bijlage VII van het Bkl zijn activiteiten aangewe- zen als risicobronnen. Deze risicobronnen zijn van belang voor de regels over het plaats- gebonden risico en aandachtsgebieden. Het betreft de volgende activiteiten: Motivering BOPA: Marknesse, Voorsterweg 31, 2026-01-09, definitief 39 • Activiteiten met gevaarlijke stoffen bij bedrijven. Dit zijn verschillende milieube- lastende activiteiten uit het Besluit activiteiten leefomgeving.

• Het basisnet vervoer gevaarlijke stoffen (weg, water en spoor). • Buisleidingen met gevaarlijke stoffen die zijn aangewezen als milieubelastende ac- tiviteit in het Besluit activiteiten leefomgeving. • Windturbines die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit ac- tiviteit leefomgeving. Het werken met aandachtsgebieden voor externe veiligheidsrisico’s is een nieuwe manier van omgaan met het groepsrisico (artikel 5.12 t/m 5.15 Bkl). Een aandachtsgebied geldt van rechtswege. Deze worden vastgelegd in het Register Externe Veiligheid en zijn digi- taal raadpleegbaar. Voor het project moet binnen deze aandachtsgebieden rekening wor- den gehouden met het groepsrisico. Hier wordt aan voldaan door in het aandachtsgebied geen beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen toe te laten en ook geen beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties. Deze gebouwen en locaties zijn wel toe- laatbaar als er daarvoor extra maatregelen worden genomen. Dat dient te geschieden met voorschriftengebieden. Voor een project dient in principe een aandachtsgebied als voorschriftengebied te worden aangewezen als er met het project kwetsbare gebouwen worden toegestaan. In een voorschriftengebieden gelden de extra bouweisen van paragraaf 4.2.14 Besluit bouwwer- ken leefomgeving (hierna: Bbl).

Daarnaast staan in het Bkl ook instructieregels voor de volgende risicobronnen die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteiten leefomgeving: • Opslaan, bewerken en herverpakken van vuurwerk (afdeling 5.1.2.4 Bkl); • Opslaan en bewerken van ontplofbare stoffen voor civiel gebruik (afdeling 5.1.2.5 Bkl); • Exploiteren van een IPPC-installatie voor het maken van explosieven (afdeling 5.1.2.5 Bkl); • Opslaan en bewerken van ontplofbare stoffen voor militair gebruik (afdeling 5.1.2.5 Bkl). Naast door het werken met, opslag of vervoer van gevaarlijke stoffen, kunnen ook an- dere activiteiten binnen of buiten het deelplangebied dat wordt gewijzigd aanleiding ge- ven tot branden, rampen of crises. In de Handreiking Bouwstenen Fysieke Veiligheid in het Omgevingsplan van de Veilig- heidsregio’s zijn hiervoor de volgende thema’s aangewezen: a. bluswater en bereikbaarheid; b. natuurbranden; c. windturbines; d. overstroming en klimaatadaptatie; e. evenementen; f. het gebruik van gebouwen en g. rookoverlast. Bij het opstellen van de wijziging van het omgevingsplan wordt aangesloten bij de uit- werking volgens de Handreiking Bouwstenen Fysieke Veiligheid in het Omgevingsplan.

Motivering BOPA: Marknesse, Voorsterweg 31, 2026-01-09, definitief 40 4.8.2 Situatie in en bij het plangebied Voor het aanvragen van de omgevingsvergunning is een onderzoek externe veiligheid testinstallatie vloeibaar waterstof NLR (Voorsterweg 29-31 te Marknesse) uitgevoerd. De onderzoeksrapportage is als separate bijlage bij voorliggende motivering toegevoegd. De resultaten van het onderzoek zijn hierna kort samengevat. Uit de onderzoeksresultaten blijkt dat de 10-6 contour van het plaatsgebonden risico ruim binnen de inrichtingsgrenzen van NLR ligt. Op basis hiervan stelt het onderzoek dat plaatsgebonden risico geen belemmering oplevert voor het plaatsen van de testinstallatie vloeibaar waterstof met een opslagtank van 40 m3. In het onderzoek zijn ook de brand- en explosieaandachtsgebieden bepaald die rond de testinstallatie aanwezig zijn. Het brandaandachtsgebied is niet over (beperkt) kwetsbare of zeer kwetsbare gebouwen en locaties gelegen. Het explosieaandachtsgebied is van- wege de overdruk wel over kwetsbare gebouwen gelegen. Uit het onderzoek blijkt dat er geen sprake is van een groepsrisico door de beperkte populatiedichtheid en verblijfstijd binnen het aandachtsgebied. In het onderzoek is geen rekening gehouden met het transport van LH2 over de weg. Door het toevoegen van 6 extra transporten met LH2 per jaar zal dit geen effect hebben op de conclusie.

De Veiligheidsregio is om nader advies gevraagd. De Veiligheidsregio concludeert in haar advies dat het plaatsgebonden risico contour niet tot buiten de terreingrens komt en deze vormt daarmee geen issue. De aandachtsgebieden komen wel over de terreingrens en zijn daarom wel belangrijk voor de gemeente om mee te nemen in de afweging. De 0,1 bar contour van explosieaandachtsgebied komt over de gebouwen aan de over- kant van de Voorsterweg heen (waaronder het hotel). De brandweer heeft daarnaast ook gekeken tot hoever de 0,3 bar contour zou komen. De brandweer heeft ook naar de 0,3 bar gekeken omdat dit de grens is waarbij er scheuren in gebouwen kunnen ontstaan. In de basis is het niet ideaal dat de aandachtsgebieden over de kwetsbare gebouwen aan de overkant van de weg heen gaan, maar kan de gemeente dit wel toestaan als de ge- meente dat wil. 4.8.3 Conclusie Omdat de 0,3 bar contour niet over het hotel heen ligt acht de brandweer de kans op structurele schade aan het hotel, en daarmee dus ook de kans op een ramp bij een ex- plosie zeer onwaarschijnlijk. De brandweer is van mening dat de gemeente het aan- dachtsgebied kan accepteren als de gemeente dat wenst. Met voorliggend wijzigingsbesluit wordt in voldoende mate rekening gehouden met het aspect Omgevingsveiligheid.

4.9 Hinder wind, licht en (slag)schaduw 4.9.1 Windhinder De voorgenomen ontwikkeling ligt beschut en wordt niet hoger dan 15 meter. Er is geen invloed van windhinder. Motivering BOPA: Marknesse, Voorsterweg 31, 2026-01-09, definitief 41 4.9.2 Lichthinder De voorgenomen ontwikkeling vormt geen significante bron van licht. Ook is het gebied niet aangewezen als gebied waar (strengere) richtnormen gelden. Er is geen invloed van lichthinder. 4.9.3 Slagschaduw Op grond van artikel 5.89c van het Bkl wordt bij het wijzigen van het omgevingsplan re- kening gehouden met de slagschaduw door windturbines in verblijfsruimten van slag- schaduwgevoelige gebouwen. Als met het wijzigen van het omgevingsplan het in werking hebben van een windturbine wordt toegelaten of in de omgeving van een windturbine de vestiging van een slagschaduwgevoelig gebouw wordt toegestaan, dan moet worden ge- borgd dat daarbij tevens wordt voldaan aan artikel 5.89f van het Bkl. Uit dit artikel blijkt dat in het omgevingsplan wordt opgenomen dat in verblijfsruimten van een slagschaduw- gevoelig gebouw dat op een afstand van minder dan twaalfmaal de rotordiameter van de windturbine is gelegen ten hoogste gemiddeld zeventien dagen per jaar gedurende niet meer dan twintig minuten per dag slagschaduw door de windturbine kan optreden.

4.9.4 Situatie in en bij het plangebied De voorgenomen ontwikkeling maakt geen windturbine mogelijk, vormt geen (signifi- cante) bron van licht en wordt niet hoger dan 15 meter. 4.9.5 Conclusie Met voorliggend wijzigingsbesluit wordt in voldoende mate rekening gehouden met de aspecten hinder wind, licht en (slag)schaduw. 4.10 Bodem 4.10.1 Algemeen Ter bescherming van de gezondheid en het milieu zijn voor het aspect bodem instructie- regels in het Bkl opgenomen. De inhoud van deze regels is via het Aanvullingsbesluit bo- dem Omgevingswet opgenomen in paragraaf 5.1.4.5 Bkl. Het aanvullingsbesluit bepaalt voor welke activiteiten kan worden volstaan met een melding. Er worden drie basisvor- men van bodemgebruik onderscheiden: landbouw/natuur, wonen en industrie. De kaders zijn gebaseerd op de risicogrenswaarden die voor de betreffende situaties zijn afgeleid. De algemene doelstelling van het bodembeleid is het waarborgen van de gebruikswaarde van de bodem en het faciliteren van het duurzaam gebruik van de functionele eigen- schappen van de bodem. Dit door in onderlinge samenhang: h. beschermen van de bodem tegen nieuwe verontreinigen en aantastingen; i. evenwichtig toedeling van functies aan locaties, rekening houdend met de kwali- teiten van de bodem; j. duurzaam en doelmatig beheren van de resterende historische verontreinigingen en -aantastingen.

De gemeente stelt de waarde voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem vast. Deze waarde mag niet hoger zijn dan het blootstellingsniveau van het maximaal toelaatbaar Motivering BOPA: Marknesse, Voorsterweg 31, 2026-01-09, definitief 42 risico voor de mens. Dit is opgenomen in bijlage VA van het Bkl. De toelaatbare kwaliteit van de bodem is een voorwaarde voor bouwen op verontreinigde bodem en is geen om- gevingswaarde. Het Rijk stelt instructieregels aan gemeenten voor het toelaten van een bouwactiviteit op een bodemgevoelige locatie. De gemeente moet: k. Op grond van artikel 5.89i en artikel 5.89j Bkl de waarde vaststellen waarboven er bij de realisatie van gebouwen op bodemgevoelige locaties maatregelen nodig zijn; l. Op grond van artikel 5.89k Bkl aangeven welke sanerende of andere bescher- mende maatregelen nodig zijn bij overschrijding van de waarde; m. Op grond van artikel 5.89l Bkl een meldingsplicht instellen voor locaties die op grond van het omgevingsplan niet vergunningplichtig zijn; n. Op grond van artikel 5.89m Bkl een bepaling opnemen over de ingebruikname. Deze regels zorgen voor zowel een evenwichtige toedeling van functies aan locaties als het beschermen van de gezondheid en van het milieu, in het bijzonder van de bodem- kwaliteit.

Bodemgevoelig gebouw Een bodemgevoelig gebouw is een gebouw of een gedeelte van een gebouw dat de bo- dem raakt en waar personen meer dan 2 uur per dag aaneengesloten aanwezig zijn. 4.10.2 Beleidskader 4.10.2.1 Provinciale omgevingsverordening In paragraaf 6.4.1.1 van de POV zijn instructieregels opgenomen m.b.t. activiteiten op een bron van bekende historische grondwaterverontreiniging (is zowel water- als bodem- aspect; grondwater maakt deel uit van de bodem), zoals bij het thema water is toege- licht. In paragraaf 6.4.1.2 zijn instructieregels opgenomen m.b.t. lozen op of in de bo- dem. 4.10.2.2 Gemeentelijke Nota Bodembeheer De onderdelen bodemfunctieklassenkaart en het door de gemeente vastgesteld gebieds- specifiek beleid maken zoals gezegd deel uit van het tijdelijke deel van het omgevings- plan. Omdat het overgangsrecht alleen zorgt voor een juridische gelijkstelling, wordt dit niet vanzelf zichtbaar in het DSO (de gemeente moet dit zelf zichtbaar maken in het DSO). Uiteindelijk moet de gemeente deze onderdelen van het tijdelijk deel van het om- gevingsplan overzetten naar het nieuwe deel van het omgevingsplan door deze om te zetten in maatwerkregels. Hiervoor heeft de gemeente tot uiterlijk 31 december 2031 de tijd. 4.10.3 Situatie plangebied en conclusie Er vinden voor het plaatsen van de LH2 tank geen bodemroerende activiteiten plaats.

De tank wordt geplaatst op bestaande verharding. Bij het blussen van een eventuele brand wordt gebruik gemaakt van het meest geschikte middel voor het blussen van een water- stof brand. Hierbij wordt gekozen voor het best passende (schoonste) alternatief. Na een mogelijke brand zal worden voldaan aan de zorgplicht om bodemverontreiniging op te ruimen. Motivering BOPA: Marknesse, Voorsterweg 31, 2026-01-09, definitief 43 Met voorliggend wijzigingsbesluit wordt in voldoende mate rekening gehouden met het aspect bodem. 4.11 Archeologie, cultuurhistorie en cultureel erfgoed 4.11.1 Algemeen De instructieregels van het Rijk ten aanzien van cultureel erfgoed staan in artikel 5.130 van het Bkl en in de Erfgoedwet 2016. In artikel 5.130 wordt bepaald dat in een omge- vingsplan rekening moet worden gehouden met het belang van het behoud van cultureel erfgoed, met inbegrip van bekende of aantoonbaar te verwachten archeologische monu- menten. Met het oog hierop worden er in ieder geval regels gesteld ter bescherming van daarvoor in aanmerking komend cultureel erfgoed. Waarbij rekening wordt gehouden met de volgende beginselen: a. het voorkomen van ontsiering, beschadiging of sloop van op grond van het omge- vingsplan beschermde monumenten en archeologische monumenten; b.

het voorkomen van verplaatsing van op grond van het omgevingsplan be- schermde monumenten of een deel daarvan, tenzij dit dringend is vereist voor het behoud van die monumenten; c. het bevorderen van het gebruik van monumenten, zo nodig door wijziging van die monumenten, rekening houdend met de monumentale waarden; d. het voorkomen van aantasting van: 1. de omgeving van rijksmonumenten, voor beschermde rijksmonumenten en monumenten die op grond van het omgevingsplan zijn beschermd, voor zover die monumenten door die aantasting worden ontsierd of be- schadigd; en 2. het karakter van in het omgevingsplan beschermde stads- of dorpsgezich- ten of beschermde cultuurlandschappen door de sloop van bestaande ge- bouwen, de bouw van nieuwe gebouwen of andere belangrijke verande- ringen; en e. het conserveren en in stand houden van archeologische monumenten, bij voor- keur in situ. De Rijksdienst voor het Cultureel erfgoed heeft een Handreiking opgesteld met voor- beeldregels voor het omgevingsplan voor een aantal aspecten van cultureel erfgoed. Bij deze regels kan worden aangesloten, waarbij de regels moeten passen in het casco om- gevingsplan Noordoostpolder. Het gaat om voorbeeldregels voor gemeentelijke monu- menten, beeldbepalende of karakteristieke gebouwen, archeologische (gemeentelijke) monumenten, stads- en dorpsgezichten en cultuurlandschappen.

In Noordoostpolder is veel cultureel erfgoed aanwezig. Het gaat om: • rijks, provinciale en gemeentelijke monumenten, karakteristieke panden en beeld- bepalende elementen; • de omgeving van de monumenten onder a.; • het beschermde dorpsgezicht; • archeologische monumenten (gemeentelijke archeologische monumenten en de archeologische verwachtingswaarden). • Unesco Werelderfgoed. 4.11.2 Beleidskader Bescherming van cultureel erfgoed vindt plaats via de Erfgoedwet 2016. De geldende be- stemmingsplannen en beheersverordeningen bevatten doorgaans al regelingen voor de Motivering BOPA: Marknesse, Voorsterweg 31, 2026-01-09, definitief 44 bescherming van cultureel erfgoed. Deze zijn een goede basis voor het omgevingsplan. Verder is de bescherming vastgelegd in de Verordening Fysieke Leefomgeving (met ver- werking van de Erfgoedverordening 2012). De VFL bevat in ieder geval regels over de bescherming van gemeentelijke monumenten en beeldbepalende elementen. Verschillende bestemmingsplannen in Noordoostpolder zijn vastgesteld voordat de Erf- goednota uit 2013 is vastgesteld. Voor de archeologie geldt tevens dat de gemeentelijke archeologische beleidsadvieskaart 2017 via artikel 5.1 lid 1 onder a en artikel 22.8 van de Omgevingswet (voorheen via artikel 2.2.

van de Wabo) in werking is: zolang gemeen- telijke bestemmingsplannen nog niet ‘Malta-proof’ zijn, kan op deze wijze in de omge- vingsvergunning bescherming aan archeologische waarden in de bodem worden geboden bij de realisatie van een fysiek project. Archeologie In het belang van de archeologische monumentenzorg kunnen in een omgevingsplan ook regels worden gesteld over eisen aan onderzoek naar de archeologische waarde van een locatie of aan de wijze van het verrichten van opgravingen of archeologische begeleiding van andere activiteiten die tot bodemverstoring leiden en gevallen worden aangewezen waarin kan worden afgezien van onderzoek naar de archeologische waarde van een loca- tie of het opleggen van plichten met die strekking. Als in een omgevingsplan regels wor- den gesteld over het verrichten van archeologisch onderzoek, bepaalt het omgevingsplan dat die regels niet van toepassing zijn op activiteiten met een oppervlakte van minder dan 100 m2. Voor rijksmonumenten geldt een oppervlakte van 0 m2. In afwijking hiervan kan in een omgevingsplan (al dan niet voor bepaalde locaties) een andere oppervlakte worden vastgesteld.

In Noordoostpolder wordt aangesloten op de verwachtingswaarden die nu zijn opgenomen in het tijdelijke omgevingsplan (de regels uit de dubbelbestemmingen die zijn opgenomen in de bestemmingsplannen en beheers- verordeningen) en die aansluiten bij de archeologische verwachtingskaart van de ge- meente. 4.11.3 Cultureel erfgoed In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening is gehouden met binnen of buiten de locatie van de activiteit aanwezig cultureel erfgoed en Werelderf- goed. Wat onder cultureel erfgoed wordt verstaan is opgenomen in bijlage A (begrippen) van de Omgevingswet. Het gaat hierbij om monumenten, archeologische monumenten, stads- en dorpsgezichten, cultuurlandschappen en, voor zover dat voorwerp is of kan zijn van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties in het omgevingsplan, ander cultureel erfgoed als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet. De Erfgoedwet bevat de wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed en archeologie in Nederland. Het is op basis hiervan verplicht om de facetten historische (steden)bouwkunde en histo- rische geografie mee te nemen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel be- schermde als niet formeel beschermde objecten en structuren. Voor de bescherming van het landschap geldt voor Nederland het Europees landschaps- verdrag.

Dit verdrag erkent dat landschappen een onderdeel zijn van de fysieke leefom- geving. In artikel 1.2 lid 1 sub g Omgevingswet worden ‘landschappen’ als onderdeel van de fysieke leefomgeving aangemerkt. Het landschapsbeleid kan door Rijk, provincie of Motivering BOPA: Marknesse, Voorsterweg 31, 2026-01-09, definitief 45 gemeente in een omgevingsvisie zijn vastgelegd. Deels zijn landschapswaarden in in- structieregels van het Bkl verankerd. Artikel 5.129 Bkl bevat bijvoorbeeld een instructie- regel over het behoud van uitzicht op de vrije horizon van de zee. Een ander voorbeeld is de instructieregel over het cultureel erfgoed over onder andere bescherming van cultuur- landschappen. Hierna worden nader ingegaan op de aspecten archeologie en cultuurhistorie. 4.11.4 Archeologie Initiatiefnemers hebben op basis van de Erfgoedwet een archeologische zorgplicht bij projecten waarbij de bodem wordt verstoord. Hiervoor is onderzoek noodzakelijk: het ar- cheologisch vooronderzoek. Als blijkt dat in het plangebied behoudenswaardige archeolo- gische vindplaatsen aanwezig zijn, dan kan de initiatiefnemer verplicht worden hiermee rekening te houden. Dit kan leiden tot een aanpassing van de plannen, waardoor de vindplaatsen behouden blijven, of tot een archeologische opgraving en publicatie van de resultaten.

Uitvoering van archeologisch onderzoek moet voldoen aan de Regeling Erfgoedwet Ar- cheologie. Hierdoor is per 1 april 2024 KNA 4.2 van kracht. 4.11.5 Cultuurhistorie Onder cultuurhistorische waarden worden alle structuren, elementen en gebieden be- doeld die cultuurhistorisch van belang zijn. Zij vertellen iets over de ontstaansgeschiede- nis van het Nederlandse cultuurlandschap. Vaak is er een sterke relatie tussen aardkun- dige aspecten en cultuurhistorische aspecten. Hierbij kan ook gedacht worden aan in de nabijheid het plangebied gelegen werelderf- goed. 4.11.6 Situatie plangebied Archeologie Voor de provincie Flevoland is een kaart opgesteld met daarop de verwachtingswaarde voor archeologie. Het plangebied kent een hoge archeologische verwachtingswaarde. De locatie van de voorgenomen ontwikkeling is navolgend weergegeven in de kaart, waarbij het plangebied is omcirkeld met een blauwe cirkel. Bron: Archeologische Waarde en Verwachtingskaart Ten behoeve van de planontwikkeling zijn geen bodemingrepen voorzien, die de grond verstoren. Het uitvoeren van nader archeologisch onderzoek is dan ook niet noodzakelijk.

Motivering BOPA: Marknesse, Voorsterweg 31, 2026-01-09, definitief 46 Cultuurhistorie Op de Cultuurhistorische Waardenkaart van de Provincie Flevoland staat aangegeven welke archeologische en cultuurhistorische waarden (in potentie) aanwezig zijn. Uit na- volgende uitsnede van de Cultuurhistorische Waardenkaart van de provincie blijkt dat het plangebied niet ligt binnen cultuurhistorisch waardevolle gebieden. Navolgend is deze weergegeven met de locatie van de voorgenomen ontwikkeling weergegeven als oranje vlak. Bron: Cultuurhistorische waardenkaart provincie Friesland De voorgenomen ontwikkeling bevindt zich niet binnen (of grenzend aan) een gebied met cultuurhistorische waarde. De tank wordt tussen bestaand bebouwing op het perceel ge- plaatst. Het aspect is daarom niet van invloed. 4.11.7 Conclusie Met voorliggend wijzigingsbesluit wordt in voldoende mate rekening gehouden met de aspecten cultuurhistorie en archeologie. 4.12 Natuur 4.12.1 Algemeen In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt ge- houden met het aspect natuur. Het gaat hierbij in de eerste plaats om regels voor de ge- biedsbescherming van aangewezen Natura 2000-gebieden, regels voor de soortenbe- scherming van te beschermen planten diersoorten (waaronder vogels) en regels ter be- scherming van houtopstanden. Voor deze aspecten zijn diverse regels opgenomen in het Bkl.

4.12.2 Gebiedsbescherming 4.12.2.1 Natura 2000-gebieden De Europese Vogel- en Habitatrichtlijn beschermt Natura 2000-gebieden. Natura 2000 is een samenhangend netwerk van natuurgebieden in Europa. Natura 2000 bestaat uit ge- bieden die zijn aangewezen in het kader van de Europese Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en gebieden die zijn aangemeld op grond van de Europese Habitatrichtlijn (92/43/EEG). De minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit wijst de Natura 2000-gebieden aan.

Motivering BOPA: Marknesse, Voorsterweg 31, 2026-01-09, definitief 47 Op grond van artikel 2.43 Omgevingswet legt hij ook de instandhoudingsdoelstellingen vast. Dit gebeurt in een aanwijzingsbesluit. Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten, afzonderlijk of in combina- tie met andere plannen of projecten, mogelijkerwijs significante effecten optreden, die- nen deze bij de voorbereiding van een omgevingsplan of afwijken van het omgevingsplan in kaart te worden gebracht en beoordeeld. Natura 2000-gebieden hebben een externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden en verstoring kunnen veroorzaken, moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habi- tats. Een ruimtelijk plan dat significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied kan alleen worden vastgesteld indien uit een passende beoordeling de zekerheid is ver- kregen dat het plan de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten.

Indien deze zekerheid niet is verkregen, kan het plan worden vastgesteld, indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden: • 1) Alternatieve oplossingen zijn niet voorhanden; • 2) Het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbe- grip van redenen van sociale of economische aard; en • 3) De noodzakelijke compenserende maatregelen worden getroffen om te waar- borgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000-netwerk bewaard blijft. In afdeling 8.6 Bkl staat het beoordelingskader voor de omgevingsvergunning voor Na- tura 2000-activiteiten. Dit is door middel van het aanvullingsspoor Natuur gebeurd. 4.12.2.2 Natuurnetwerk Nederland (NNN) Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is de kern van het Nederlandse natuurbeleid. Het NNN is in provinciale omgevingsvisies- en verordeningen uitgewerkt. In of in de directe nabijheid van het NNN geldt het ’nee, tenzij’- principe. In principe zijn er geen ontwikke- lingen toegestaan als zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied aantasten. 4.12.3 Soortenbescherming Onder de Omgevingswet zijn veel dier- en plantsoorten beschermd. De bescherming richt zich op soorten van Europees belang, die onder de reikwijdte van de Vogel- en Habitat- richtlijn vallen, als om bepaalde soorten van nationaal belang. Soortenbescherming vindt plaats binnen en buiten het natuurnetwerk Nederland.

Het kan de vorm hebben van wet- en regelgeving, maar ook van fysieke maatregelen die bescherming, vestiging of uitbrei- ding van een soortenpopulatie stimuleren. Op grond van artikel 2.18 lid 1 sub f Omge- vingswet zijn in beginsel de provincies hiervoor verantwoordelijk. Echter, ook decentrale overheden kunnen hierover actief beleid voeren. Hierbij kan worden gedacht aan het vaststellen van bijvoorbeeld een programma voor soortenbescherming. Door strikte for- mulering van een flora- en fauna-activiteit moet bij vrijwel alle activiteiten in de fysieke leefomgeving nagegaan worden of: • er soorten aanwezig zijn; en • welke soorten dat zijn. Motivering BOPA: Marknesse, Voorsterweg 31, 2026-01-09, definitief 48 In hoofdstuk 11 van het Besluit activiteiten leefomgeving wordt bepaald wanneer een vergunning nodig is. 4.12.4 Situatie plangebied Gebiedsbescherming De voorgenomen ontwikkeling ligt niet binnen een Natura 200 gebied. In de onder- staande afbeelding is het plangebied weergegeven ten opzichte van het dichtstbijzijnde Natura 2000 gebied, De Wieden. Bron: Atlas Leefomgeving Natura 2000 gebieden. De voorgenomen ontwikkeling ligt niet binnen het Natuurnetwerk Nederland (NNN). De voorgenomen activiteit komt op meer dan 85 meter vanaf het NNN te staan. In de onder- staande afbeelding is het plangebied weergegeven ten opzichte van het dichtstbijzijnde NNN gebied.

Motivering BOPA: Marknesse, Voorsterweg 31, 2026-01-09, definitief 49 Bron: Atlas Leefomgeving Natuur Netwerk Nederland. In de wijde omgeving van het plan LH2 Waterstoftank te Marknesse zijn verschillende Natura 2000-gebieden aanwezig, waarvan De Wieden, het Zwarte en de Weerribben het meest nabijgelegen zijn. Er is een AERIUS berekening uitgevoerd. Het stikstofonderzoek is als afzonderlijke bijlage toegevoegd bij deze motivering. Hieruit blijkt dat bij een worst-case scenario de totale emissie ligt op 85,5 g/j NH3 en 2,4 kj/j NOx voor het jaar 2025. Dit valt ruim binnen de huidige vergunning van 11,07 kg/j NH3/j en 4.121,01 kg/j NOx voor stikstofdepositie van de NLR. Er is in de vergunning voldoende ruimte beschikbaar om de voorgenomen ont- wikkeling binnen de huidige wettelijke kaders te bewerkstellingen. Soortenbescherming De tank wordt geplaatst tussen twee relatief nieuwe gebouwen. Het terrein is in gebruik voor het uitvoeren van onderzoek, waarbij (lucht)verkeersbewegingen plaatsenvinden. Daarnaast is het terrein van de voorgenomen ontwikkeling volledig verhard. Daarom is er geen aanleiding om beschermde soorten te verwachten op relevant afstand van de voor- genomen ontwikkeling. Quickscan flora- en fauna-activiteiten Door Stantec is een quickscan naar flora- en fauna-activiteiten uitgevoerd. Deze toege- voegd als separate bijlage.

Uit de Quickscan blijkt dat er binnen het plangebied geen bio- toop is die geschikt is voor beschermde soorten. Er zijn geen beschermede soorten/func- ties aangetroffen. Derhalve zijn nader onderzoek of een omgevingsvergunning niet aan de orde. In het plangebied zijn geen elementen aanwezig die voldoen aan de eisen die soorten van de Rode lijst stellen aan hun habitat. Tevens zijn geen invasieve exoten of

Motivering BOPA: Marknesse, Voorsterweg 31, 2026-01-09, definitief 50 beschermde houtopstanden waargenomen. Tijdens de werkzaamheden dient te worden voldaan aan de specifieke zorgplicht en dienen negatieve effecten op soorten zoveel mo- gelijk te worden voorkomen. 4.12.5 Conclusie Gebiedsbescherming Met betrekking tot stikstofdepositie zijn negatieve effecten op stikstofgevoelige habitat- en leefgebieden uit te sluiten over de gebruiksfase. Er is geen sprake van significant ne- gatieve effecten vanwege stikstof van het plan op Natura 2000-gebieden. Nader onder- zoek is niet aan de orde. Soortenbescherming Uit de Quickscan Flora en Fauna blijken er in het gebied zijn geen beschermde soorten aanwezig te zijn. Tevens zijn er geen invasieve exoten of beschermde houtopstanden aanwezig. Er dient te worden voldaan aan de specifieke zorgplicht. Algemeen De activiteit leidt niet tot significant negatieve effecten ten aanzien van natuur, aange- zien de plaatsing van de waterstoftank binnen de huidige vergunningen voor stikstofde- positie past. Tevens is er geen beschermde flora en fauna aanwezig en zijn nadelige ef- fecten op beschermde soorten uit te sluiten. Met voorliggend wijzigingsbesluit wordt in voldoende mate rekening gehouden met het aspect natuur.

4.13 Duurzaamheid en klimaatadaptatie 4.13.1 Algemeen Toetsing aan de aspecten duurzaamheid en klimaatadaptatie is sterk afhankelijk van het gemeentelijk beleid op deze thema’s. Het beoordelingskader kan dus per gemeente sterk verschillen. Daarnaast kan het gemeentelijk beleid ten aanzien van duurzaamheid en kli- maatadaptatie in het Omgevingsplan zijn vastgelegd in de vorm van omgevingswaarden. Op het gebied van Duurzaamheid en klimaatadaptatie is in de omgevingsvisie niets opge- nomen met enige relatie tot de voorgestane activiteit. 4.13.2 Beoordeling en conclusie Het onderzoeken van de toepassing van waterstof in de lucht- en ruimtevaart draagt enorm bij aan het verduurzamen van deze sectoren. Daarbij zijn de gevolgen van het plaatsen van de benodigde waterstoftank van dergelijke beperkte omvang dat nadelige effecten op de omgeving uit te sluiten zijn. Met voorliggend wijzigingsbesluit wordt in voldoende mate rekening gehouden met de aspecten duurzaamheid en klimaatadaptatie. Motivering BOPA: Marknesse, Voorsterweg 31, 2026-01-09, definitief 51 4.14 Milieubelastende activiteiten 4.14.1 Algemeen Een milieubelastende activiteit is een activiteit die nadelige gevolgen voor het milieu kan hebben. Hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) wijst de milieubelas- tende activiteiten aan, waarvoor rijksregels gelden.

Decentrale overheden kunnen aan- vullend regels stellen. Voor het behoud en de verbetering van de kwaliteit van de woon- en leefomgeving is een juiste afstemming tussen de verschillende functies en wonen noodzakelijk. Daarbij kan gebruik worden gemaakt van een milieuzonering die uitgaat van richtinggevende afstan- den tussen hinderlijke functies (in de vorm van gevaar, geluid, geur, stof) en gevoelige functies. In de brochure ‘Bedrijven en milieuzonering’ van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) (versie 2009) zijn deze richtafstanden opgenomen. Deze brochure heeft aan de basis gestaan van het geldende Omgevingsplan, waarbij wordt aangegeven dat maximaal milieu categorie 2 op het terrein is toegestaan. 4.14.2 Situatie plangebied en conclusie Waterstoftanks vallen onder de categorie Opslagen ‘Overige gevaarlijke stoffen in tanks’ (Tabel 2) met de subcategorie ‘overige opslagen onder drempelwaarde BRZO1’ en beho- ren daarmee tot milieucategorie 3.1 met een afstand van 50 meter voor het aspect Ge- vaar. Het opslaan van waterstof in een bovengrondse opslagtank heeft geen gevolgen voor de milieuaspecten bodem, geluid (de opslagtank zelf heeft geen noemenswaardige geluids- productie), lucht, geur, afval en afvalwater die hun grondslag hebben in het Bal.

Het op- slaan van waterstof in een bovengrondse opslagtank heeft wel gevolgen voor het thema externe veiligheid (milieucategorie 3.1). De Omgevingsveiligheid is in een voorgaande paragraaf al beschreven. Voor het aspect Geluid is een akoestische beoordeling opgesteld, die als bijlage bij deze motivering is gevoegd. In het rapport zijn de volgende conclusies opgenomen: • Uit de resultaten volgt dat op de vergunningpunten de geluidbelasting toeneemt. • De geluidcontour past niet binnen de vastgestelde zone. • De geluidcontour past wel binnen de voorgestelde zone uit de notitie met kenmerk (AH.2022.1114.03.N001). De voorgenomen verandering kan niet binnen de huidige vergunningvoorschriften wor- den doorgevoerd. Vanwege de overschrijding van de huidige zone is de wijziging niet in- pasbaar. Wel past de wijziging binnen de voorgestelde zone. De voorgestelde zone be- treft een aanpassing van de bestaande geluidzone naar een realistische ligging, die al in 2023 is voorgesteld maar nog niet is verwerkt. Vanwege de komst van een nieuw bedrijf op het terrein wijzigt de toegangsroute van vrachtwagens in de toekomst.

Aangezien voor de onderliggende ontwikkeling alleen op 1 Besluit risico’s zware ongevallen (per 1-1-2024 vervallen en onderdeel van de Omgevingswet) Motivering BOPA: Marknesse, Voorsterweg 31, 2026-01-09, definitief 52 het vulmoment een toename van geluid wordt verwacht, heeft deze wijziging geen in- vloed op het aspect geluid van de voorliggende activiteit. Met voorliggend wijzigingsbesluit wordt in voldoende mate rekening gehouden met het aspect milieubelastende activiteiten, mits de geluidcontour overeenkomstig de voorge- stelde zone wordt aangepast. 4.15 Beperkingengebieden 4.15.1 Hoogspanningsleidingen Op 21 april 2023 is het herijkte voorzorgbeleid voor magneetvelden in de elektriciteitsin- frastructuur in werking getreden. Het landelijk hoogspanningsnet van 380 en 220 kV(ki- lovolt) transporteert elektriciteit van de plek waar het wordt opgewekt. Hoogspannings- stations zetten deze spanningen om naar lagere spanningen (150, 110 en 50 kV) in het regionale hoogspanningsnet. Het regionale net verdeelt de elektriciteit verder naar ste- den en dorpen. Daar verlagen hoogspanningsstations de spanning verder naar tussen de 3 en 50 kV. Ondergrondse kabels transporteren de elektriciteit naar transformatorhuisjes in woonwijken. Bij transport van elektriciteit ontstaan magneetvelden.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://raad.noordoostpolder.nl/api/v1/meetings/2388/documents/45259