6.1 Bestemmingsplan 'Landelijk gebied, Westermeerweg 3 te Tollebeek'.pdf
Tekst van het document
5.1
Geluid (Wet geluidhinder)
5.1.1
Algemeen
De Wet geluidhinder (Wgh) bevat geluidnormen en richtlijnen over de toelaatbaarheid van geluidniveaus als gevolg van rail- en wegverkeerslawaai en industrielawaai. De Wgh geeft aan dat een akoestisch onderzoek moet worden uitgevoerd bij het voorbereiden van de vaststelling van een bestemmingsplan indien het plan een geluidgevoelig object mogelijk maakt binnen een geluidszone van een bestaande geluidsbron of indien het plan een nieuwe geluidsbron mogelijk maakt. Het akoestisch onderzoek moet uitwijzen of de wettelijke voorkeursgrenswaarde bij geluidgevoelige objecten wordt overschreden en zo ja, welke maatregelen nodig zijn om aan de voorkeursgrenswaarde te voldoen. De functie 'zorgwonen' is aan te merken als een geluidsgevoelige functie. 5.1.2
Situatie plangebied
5.1.2.1 Industrielawaai In de omgeving van het plangebied is geen gezoneerd bedrijventerrein, zoals bedoeld in de Wet geluidhinder, aanwezig. Het aspect industrielawaai is niet van toepassing. Wat betreft de invloed van individuele bedrijven op de groepswoningen wordt verwezen naar paragraaf 5.5 (milieuzonering). 5.1.2.2 Railverkeerslawaai Railverkeerslawaai wordt in dit geval buiten beschouwing gelaten omdat de dichtstbijzijnde spoorlijn op zeer ruime afstand van het plangebied is gelegen. 5.1.2.3 Wegverkeerslawaai Er is een akoestisch onderzoek uitgevoerd voor het aspect wegverkeerslawaai. De uitgangspunten en resultaten worden in deze paragraaf beschreven. Het volledige onderzoek is opgenomen in bijlage 1 van deze toelichting. Voor het onderzoek is het bouwvlak van de locatie als maximale situering van bebouwing als uitgangspunt genomen. Aan de zijde van de weg ligt dit bouwvlak gelijk met de voorgeven van de bestaande bebouwing. Uit de berekeningen is naar voren gekomen dat ter plaatse van het bouwvlak voor de te realiseren woonzorgvoorziening de maximale geluidsbelasting als gevolg van de Westermeerweg 42 dB bedraagt aan de noordzijde van het bouwvlak op 4,5 meter hoogte. Er wordt daarmee aan de voorkeurswaarde van 48 dB voldaan.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
25
Bestemmingsplan “Landelijk gebied, Westermeerweg 3 te Tollebeek” Vastgesteld 5.1.3
Conclusie
Het aspect geluid vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
5.2
Bodemkwaliteit
5.2.1
Algemeen
Bij de vaststelling van een bestemmingsplan dient te worden bepaald of de aanwezige bodemkwaliteit past bij het toekomstige gebruik van die bodem en of deze aspecten optimaal op elkaar kunnen worden afgestemd. Om hierin inzicht te krijgen, is een bodemonderzoek verricht conform de richtlijnen NEN 5740. 5.2.2
Situatie plangebied
Door Econsultancy is een verkennend bodem- en asbest in bodemonderzoek uitgevoerd ter plaatse van het plangebied. Als gevolg hiervan is tevens een aanvullend bodemonderzoek uitgevoerd. Hieronder worden de onderzoeksresultaten weergegeven. Voor de rapportages van het verkennende en aanvullende bodemonderzoek wordt verwezen naar bijlage 2 en 3 van deze toelichting. Algemeen zintuigelijk Voorafgaand aan het bodemonderzoek is er een terreininspectie uitgevoerd. Tijdens de terreininspectie en op basis van het vooronderzoek zijn een aantal deellocaties geïdentificeerd. De bebouwingen uit 1956 zijn voorzien van gewone dakpannen. De kapschuur en de ligboxenstal zijn voorzien van (vermoedelijk asbesthoudende) golfplaten dakbedekking (aan de erfzijden voorzien van een dakgoot, achterzijden zonder dakgoot). Aan de zuidoostzijde van de woonboerderij bevindt zich een sterk begroeid depot. Het erf om de woonboerderij is deels verhard met bestrating (mix van klinkers en tegels). De schuren/stallen zijn grotendeels verhard met beton (deels stalroosters). Het noordoostelijk deel van de locatie is braakliggend. De oprit vanaf de weg naar de schuur is gedeeltelijk voorzien van een asfaltverharding.
De toplaag van het gehele terrein is, voor zover dat mogelijk was, geïnspecteerd op asbest, echter de inspectie was wegens de aanwezige verhardingen, sterke begroeiingen en plaatselijk wegens het depot, ernstig belemmerd. Er zijn op het maaiveld geen asbestverdachte materialen aangetroffen. Door de sterke begroeiing en door de aanwezigheid van een depot heeft er aanvullend onderzoek plaatsgevonden. Voor het aanvullend onderzoek is de aanwezige begroeiing verwijderd. Conclusie en aanbevelingen Op de onderzoekslocatie zijn een aantal deellocaties (A t/m H) onderzocht. Voor de resultaten en conclusie per afzonderlijke deellocatie wordt verwezen naar het onderzoekrapport. Hieronder zijn de verschillende deellocaties opgenomen. A: Opslag bestrijdingsmiddelen B: Grasland / akker C: Overig terrein (erfverharding, opslagschuren, tuin) D: Voormalige (bovengrondse) brandstoftank E: Druppelzone zuidzijde veestal F: Druppelzone oostzijde veestal G: Verdacht terreindeel om oude stal H: Sterk begroeid depot Gelet op de aard en mate van de aangetroffen verontreinigingen, bestaat er vooralsnog geen reden voor een nader onderzoek.
In het kader van de voorgenomen grondtransactie of in gebruikgeving van de onderzoekslocatie kan op basis van de onderhavige onderzoeksresultaten gesteld worden dat de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem bij ongewijzigd gebruik niet tot gebruiksbeperkingen of gezondheidsrisico’s zal leiden. Ook op basis van de onderzoeksresultaten wordt gesteld dat er geen aanleiding
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
26
Bestemmingsplan “Landelijk gebied, Westermeerweg 3 te Tollebeek” Vastgesteld bestaat tot het uitvoeren van een nader onderzoek asbest in bodem/puin. In geval van grondwerkzaamheden op de locatie behoeven er ten aanzien van asbest geen specifieke maatregelen te worden getroffen. Indien er werkzaamheden plaatsvinden, waarbij grond vrijkomt, kan de grond niet zonder meer worden afgevoerd of elders worden toegepast. De regels van het Besluit bodemkwaliteit zijn hierop mogelijk van toepassing. 5.2.3
Conclusie
Het aspect bodem vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan (woonzorgdoeleinden).
5.3
Luchtkwaliteit
5.3.1
Beoordelingskader
Om een goede luchtkwaliteit in Europa te garanderen heeft de Europese Unie een viertal kaderrichtlijnen opgesteld. De hiervan afgeleide Nederlandse wetgeving is vastgelegd in hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer. Deze wetgeving staat ook bekend als de Wet luchtkwaliteit. In de Wet luchtkwaliteit staan ondermeer de grenswaarden voor de verschillende luchtverontreinigende stoffen. Onderdeel van de Wet luchtkwaliteit zijn de volgende Besluiten en Regelingen: • •
Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen); Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen).
5.3.1.1 Besluit en de Regeling niet in betekenende mate Het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (NIBM) staat bouwprojecten toe wanneer de bijdrage aan de luchtkwaliteit van het desbetreffende project niet in betekenende mate is. Het begrip ‘niet in betekenende mate’ is gedefinieerd als 3% van de grenswaarden uit de Wet milieubeheer. Het gaat hierbij uitsluitend om stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10). Toetsing aan andere luchtverontreinigende stoffen uit de Wet luchtkwaliteit vindt niet plaats. In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Enkele voorbeelden zijn: • • •
woningen: 1500 met een enkele ontsluitingsweg; woningen: 3000 met twee ontsluitingswegen; kantoren: 100.000 m2 bruto vloeroppervlak met een enkele ontsluitingsweg.
Als een ruimtelijke ontwikkeling niet genoemd staat in de Regeling NIBM kan deze nog steeds niet in betekenende mate bijdragen. De bijdrage aan NO2 en PM10 moet dan minder zijn dan 3% van de grenswaarden. 5.3.1.2 Besluit gevoelige bestemmingen Dit besluit is opgesteld om mensen die extra gevoelig zijn voor een matige luchtkwaliteit aanvullend te beschermen. Deze 'gevoelige bestemmingen' zijn scholen, kinderdagverblijven en verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen. Woningen en ziekenhuizen/ klinieken zijn geen gevoelige bestemmingen. De grootste bron van luchtverontreiniging in Nederland is het wegverkeer. Het Besluit legt aan weerszijden van rijkswegen en provinciale wegen zones vast. Bij rijkswegen is deze zone 300 meter, bij provinciale wegen 50 meter. Bij realisatie van 'gevoelige bestemmingen' binnen deze zones is toetsing aan de grenswaarden die genoemd zijn in de Wet luchtkwaliteit nodig.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
27
Bestemmingsplan “Landelijk gebied, Westermeerweg 3 te Tollebeek” Vastgesteld 5.3.2
Situatie plangebied
In subparagraaf 5.3.1.1 worden voorbeelden aangegeven die aangemerkt worden als een project dat “niet in betekenende mate bijdraagt” aan luchtverontreiniging. In vergelijking hiermee is dit plan zeker aan te merken als een project dat “niet in betekenende mate bijdraagt” aan luchtverontreiniging. Tot slot wordt geconcludeerd dat deze ontwikkeling niet wordt aangemerkt als een gevoelige bestemming in het kader het Besluit gevoelige bestemmingen. 5.3.3
Conclusie
Gezien het vorenstaande vormt het aspect luchtkwaliteit geen belemmering voor de uitvoering van dit bestemmingsplan.
5.4
Externe veiligheid
5.4.1
Algemeen
Externe veiligheid is een beleidsveld dat is gericht op het beheersen van risico's die ontstaan voor de omgeving bij de productie, de opslag, de verlading, het gebruik en het transport van gevaarlijke stoffen. Bij nieuwe ontwikkelingen moet worden voldaan aan strikte risicogrenzen. Een en ander brengt met zich mee dat nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen moeten worden getoetst aan wet- en regelgeving op het gebied van externe veiligheid. Concreet gaat het om risicovolle bedrijven, vervoer gevaarlijke stoffen per weg, spoor en water en transport gevaarlijke stoffen via buisleidingen. Op de diverse aspecten van externe veiligheid is afzonderlijke wetgeving van toepassing. Voor risicovolle bedrijven gelden onder meer: • • • • •
het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi); de Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi); het Registratiebesluit externe veiligheid; het Besluit risico's zware ongevallen 2015 (Brzo 2015); het Vuurwerkbesluit.
Voor vervoer van gevaarlijke stoffen geldt de ‘Wet Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen’ (Wet Basisnet). Dat vervoer gaat over water, spoor, wegen of door de lucht. De regels van het Basisnet voor ruimtelijke ordening zijn vastgelegd in: • • •
het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt); de Regeling basisnet; de (aanpassing) Regeling Bouwbesluit (veiligheidszone en plasbrandaandachtsgebied).
Voor het transport van gevaarlijke stoffen per buisleiding geldt het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Het doel van wetgeving op het gebied van externe veiligheid is risico's waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle inrichtingen en activiteiten tot een aanvaardbaar minimum te beperken. Het is noodzakelijk inzicht te hebben in de kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en het plaatsgebonden en het groepsrisico. 5.4.2
Situatie in en bij het plangebied
Aan hand van de Risicokaart is een inventarisatie verricht van risicobronnen in en rond het plangebied. Op de Risicokaart staan meerdere soorten risico's, zoals ongevallen met brandbare, explosieve en giftige stoffen, grote branden of verstoring van de openbare orde. In totaal worden op de Risicokaart dertien soorten rampen weergegeven. In het volgende figuur is een uitsnede van de Risicokaart met betrekking tot het plangebied (aangegeven met de paarse contour) en omgeving weergegeven.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
28
Bestemmingsplan “Landelijk gebied, Westermeerweg 3 te Tollebeek” Vastgesteld
Figuur 5.1:
Uitsnede Risicokaart (Bron: www.risicokaart.nl)
Uit de inventarisatie blijkt dat de locatie: • • • •
zich niet bevindt binnen de risicocontour van Bevi- en Brzo-inrichtingen danwel inrichtingen die vallen onder het Vuurwerkbesluit (plaatsgebonden risico); zich niet bevindt in een gebied waarbinnen een verantwoording van het groepsrisico nodig is; niet is gelegen binnen de veiligheidsafstanden van het vervoer gevaarlijke stoffen; niet is gelegen binnen de veiligheidsafstanden van buisleidingen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen.
Aan de Vormtweg 9 (vakantiepark ’t Urkerbos) ten zuidoosten van het plangebied bevindt zich op circa 500 meter wel een bovengrondse propaantank. Het plangebied ligt op ruime afstand van de inrichtingsgrens (325 meter), waardoor een nadere verantwoording van het groepsrisico niet noodzakelijk is. 5.4.3
Conclusie
Een en ander brengt met zich mee dat het project in overeenstemming is met wet- en regelgeving ter zake van externe veiligheid.
5.5
Milieuzonering
5.5.1
Algemeen
Voor het bepalen van de aan te houden afstanden wordt de VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering' uit 2009 gehanteerd. Deze uitgave bevat een lijst, waarin voor een hele reeks van milieubelastende activiteiten (naar SBI-code gerangschikt) richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. De lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
29
Bestemmingsplan “Landelijk gebied, Westermeerweg 3 te Tollebeek” Vastgesteld en daarmee ook voor de uiteindelijke richtafstand. De VNG-uitgave gaat uit van gemiddeld moderne bedrijven. Indien bekend is welke activiteiten concreet zullen worden uitgeoefend, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting, in plaats van de richtafstanden. De afstanden worden gemeten tussen enerzijds de grens van de bestemming die de milieubelastende functie(s) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een milieugevoelige functie die op grond van het bestemmingsplan mogelijk is. Hoewel de richtafstanden in 'Bedrijven en milieuzonering' indicatief zijn, worden deze afstanden wel als harde eis gezien door de Raad van State bij de beoordeling of bedrijven op een passende afstand van woningen worden gesitueerd. 5.5.2
Gebiedstypen
In de VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering’ is een tweetal gebiedstypen onderscheiden; 'rustige woonwijk' en 'gemengd gebied'. Een rustige woonwijk is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Overige functies komen vrijwel niet voor. Langs de randen is weinig verstoring van verkeer. Op basis van de VNG-uitgave wordt het buitengebied gerekend tot een met het omgevingstype ‘rustige woonwijk’ vergelijkbaar omgevingstype. Het omgevingstype ‘gemengd gebied’ wordt in de VNG-uitgave ‘Bedrijven en milieuzonering’ omschreven als een gebied met een matige tot sterke functiemenging waarbij bijvoorbeeld direct naast woningen andere functies voor kunnen komen zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Het plangebied is gelegen in het buitengebied van Tollebeek. Rondom de locatie zijn verspreid liggend woonfuncties, agrarische bedrijven en agrarische cultuurgronden aanwezig. De gemeente Noordoostpolder merkt haar landelijk gebied aan als een ‘gemengd gebied’. Milieucategorie 1 2 3.1 3.2 4.1 4.2 5.1 5.2 5.3 6
5.5.3
Richtafstanden tot omgevingstype rustige woonwijk 10 m 30 m 50 m 100 m 200 m 300 m 500 m 700 m 1.000 m 1.500 m
Richtafstanden tot omgevingstype gemengd gebied 0m 10 m 30 m 50 m 100 m 200 m 300 m 500 m 700 m 1.000 m
Situatie plangebied
5.5.3.1 Algemeen Aan de hand van vorenstaande regeling is onderzoek verricht naar de feitelijke situatie. VNG-uitgave ‘Bedrijven en Milieuzonering’ geeft een eerste inzicht in de milieuhinder van inrichtingen. Hierbij spelen twee vragen een rol: 1. 2.
past de nieuwe functie in de omgeving? (externe werking); laat de omgeving de nieuwe functie toe? (interne werking).
5.5.3.2 Externe werking Hierbij gaat het met name om de vraag of de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling leidt tot een situatie die, vanuit hinder of gevaar bezien, in strijd is te achten met een goede ruimtelijke ontwikkeling. Daarvan is sprake als het woon- en leefklimaat van omwonenden in ernstige mate wordt aangetast.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
30
Bestemmingsplan “Landelijk gebied, Westermeerweg 3 te Tollebeek” Vastgesteld De ontwikkeling behelst de transformatie van het voormalig agrarische erf Westermeerweg 3 naar een woonzorglocatie waar tevens dagbesteding wordt aangeboden. Een dergelijke zorgfunctie kan deels worden vergeleken met een reguliere woonfunctie en deels met de categorieën ‘dagverblijf’ en ‘verpleeghuis’ zoals die zijn opgenomen in de handreiking bedrijven en milieuzonering. Voor een reguliere woonfunctie geldt geen richtafstand. De functies ‘dagverblijf’ en ‘verpleeghuis’ zijn respectievelijk ingeschaald in milieucategorie 1 en 2. Er zijn geen andere milieucategorieën in de lijst opgenomen die de lading van de toekomstige activiteiten van Triade beter beschrijven. Voor categorie 2 geldt een grootste richtafstand van 30 meter op basis van mogelijke geluidshinder. De gemeente Noordoostpolder merkt haar landelijk gebied aan als een ‘gemengd gebied’. Hierdoor kan de richtafstand 1 stap naar beneden bijgesteld worden. De grootste richtafstand is dan 10 meter. De dichtstbijzijnde gevoelige functies betreffen de woonfuncties aan de Westermeerweg 5a t/m 5c. De onderlinge afstand tot de dichtstbijzijnde woonbestemming is 0 meter.
Omdat deze zone voornamelijk wordt ingenomen de verplichte erfsingel is het niet aannemelijk dat er op minder dan 10 meter van de woonbestemming woonzorg- of dagbestedingactiviteiten plaats zullen vinden. Om dit te borgen is in het bestemmingsplan met een functieaanduiding een zone van tien meter rond de naastgelegen woonbestemming opgenomen. Binnen deze zone worden de woonzorg- en dagbestedingsactiviteiten uitgesloten. Hiermee is voldoende aangetoond dat de nieuwe functie ruimtelijk inpasbaar is. 5.5.3.3 Interne werking Hierbij gaat het om de vraag of nieuwe functie(s) binnen het plangebied hinder ondervinden van bestaande functies in de omgeving en andersom of de nieuwe functie(s) de bedrijfsvoering of ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende bedrijven aantasten. De functie (zorg)wonen is aan te merken als milieugevoelige functie. In de omgeving van het plangebied bevinden zich een aantal agrarische bedrijven. Bij veehouderijen geldt, op basis van de VNG-uitgave ‘Bedrijven en milieuzonering’, de grootste richtafstand veelal voor het aspect geur. Bij agrarische bedrijven zijn, in het geval van veehouderijen, echter niet de adviesafstanden maar de wettelijk aan te houden afstanden of de berekenende geuremissiecontouren voor vergunningplichtige veebedrijven bepalend. Hier wordt in paragraaf 5.6 nader op ingegaan.
De overige van toepassingen zijnde aspecten, stof, geluid en gevaar worden hierna getoetst. In de onderstaande tabel worden hinderveroorzakende activiteiten/functies benoemd welke zijn gelegen in de nabijheid van het plangebied. Tevens is aangegeven tot welke milieucategorie deze activiteit of functie wordt gerekend, welke richtafstand aangehouden moet worden tussen het plangebied en het bestemmingsvlak van de betreffende milieubelastende functie en wat de daadwerkelijke afstand hiertussen bedraagt. Functie
Categorie 2
Richtafstand gemengd gebied 10 met voor geluid
Daadwerkelijke afstand (circa) 220 meter
Westermeerweg 5 Akkerbouw (teelt aardappels, suikerbieten en overige wortel- en knolgewassen) Vormtweg 16 Agrarisch bedrijf Vormtweg 14 Agrarisch bedrijf
3.2
10 meter voor geluid.
250 meter
3.2
10 meter voor geluid
330 meter
In voorliggend geval wordt aan alle richtafstanden voldaan. Gezien de afstand tot omliggende milieubelastende functies mag er van worden uitgegaan dat ter plaatse van het plangebied sprake zal zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Andersom worden omliggende bedrijven niet in hun bedrijfsvoering of ontwikkelingsmogelijkheden belemmerd. 5.5.4
Conclusie
Het aspect milieuzonering vormt geen belemmering voor de in dit bestemmingsplan besloten ontwikkeling.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
31
Bestemmingsplan “Landelijk gebied, Westermeerweg 3 te Tollebeek” Vastgesteld
5.6
Geur
5.6.1
Wet geurhinder en veehouderij
De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) vormt het toetsingskader bij het verlenen van een omgevingsvergunning voor inrichtingen, als het gaat om geurhinder vanwege dierenverblijven van veehouderijen. De Wgv stelt één landsdekkend beoordelingskader met een indeling in twee categorieën. Voor diercategorieën waarvan de geuremissie per dier is vastgesteld wordt deze waarde uitgedrukt in een ten hoogste toegestane geurbelasting op een geurgevoelig object. Voor de andere diercategorie is die waarde een wettelijke vastgestelde afstand die ten minste moet worden aangehouden. Op grond van de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) dient voor diercategorieën, waarvoor per dier geen geuremissie is vastgesteld (bijvoorbeeld melkkoeien) en een geurgevoelig object de volgende afstanden aangehouden te worden: • •
ten minste 100 meter indien het geurgevoelige object binnen de bebouwde kom is gelegen, en ten minste 50 meter indien het geurgevoelige object buiten de bebouwde kom is gelegen.
Voor diercategorieën waarvoor in de Wgv een geuremissie per dier is vastgesteld geldt dat de geurbelasting op geurgevoelige objecten binnen de bebouwde kom niet meer dan kom 2 odour units per kubieke meter lucht mag bedragen. Voor geurgevoelige objecten buiten de bebouwde kom mag deze niet meer bedragen dan 8 odour units per kubieke meter lucht. 5.6.2
Situatie plangebied
Met voorliggend plan worden nieuwe geurgevoelige objecten gerealiseerd. Uit paragraaf 5.5 is reeds gebleken dat in de directe nabijheid van het plangebied zich geen veehouderijen bevinden. De dichtsbijzinde veehouderij bevindt zich op circa 250 meter afstand. Geconcludeerd wordt dat er ter plaatse van het plangebied een aanvaardbaar woon- en leefklimaat aanwezig is. Verder worden veehouderijen niet in hun bedrijfsvoering belemmerd. 5.6.3
Conclusie
Het aspect geur vormt geen belemmering voor voorliggend plan.
5.7
Ecologie
5.7.1
Algemeen
Bescherming in het kader van de natuur wet- en regelgeving is op te delen in gebieds- en soortenbescherming. Sinds 1 januari 2017 is het wettelijk kader ten aanzien van gebieds- en soortenbescherming vastgelegd in de Wet natuurbescherming. Bij gebiedsbescherming heeft men te maken met Natura 2000-gebieden en het Natuurnetwerk Nederland (voorheen EHS). Soortenbescherming gaat uit van de bescherming van dier- en plantensoorten. 5.7.2
Gebiedsbescherming
5.7.2.1 Algemeen Natura 2000 is een samenhangend netwerk van natuurgebieden in Europa. Natura 2000 bestaat uit gebieden die zijn aangewezen in het kader van de Europese Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en gebieden die zijn aangemeld op grond van de Europese Habitatrichtlijn (92/43/EEG). Deze gebieden worden in Nederland op grond van de Wet natuurbescherming beschermd. BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
32
Bestemmingsplan “Landelijk gebied, Westermeerweg 3 te Tollebeek” Vastgesteld Natuur Netwerk Nederland (NNN) (voorheen Ecologische Hoofstructuur) is de kern van het Nederlandse natuurbeleid. De NNN is in provinciale structuurvisies uitgewerkt. In of in de directe nabijheid van de NNN geldt het ‘nee, tenzij’- principe. In principe zijn er geen ontwikkelingen toegestaan als zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied aantasten. 5.7.2.2 Natura 2000 gebieden In de Wet natuurbescherming heeft Nederland de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn in nationale wetgeving verankerd. Nederland zal aan de hand van een vergunningenstelsel de zorgvuldige afweging waarborgen rond projecten die gevolgen kunnen hebben voor Natura 2000-gebieden. Deze vergunningen worden verleend door de provincies of door de Minister van Economische Zaken. Het plangebied ligt niet binnen een Natura 2000-gebied. Gronden die tot Natura 2000-gebied behoren, liggen op minimaal 730 meter afstand ten zuidwesten van het plangebied. In figuur 5.2 wordt de ligging van Natura 2000-gebied in de omgeving van het plangebied weergegeven.
Figuur 5.2: ligging van Natura 2000-gebied in de omgeving van het plangebied (Bron: Natuurbank Overijssel)
Gelet op de korte afstand is door BJZ.nu een stikstofdepositieberekening gemaakt met behulp van de AERIUSCalculator. Uit het onderzoek is naar voren gekomen dat zowel in de aanleg- als gebruiksfase geen sprake is van rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/j. Er is daarmee geen sprake van een stikstofdepositie met significant negatief effect op Natura 2000-gebieden. Het project is in het kader van de Wet natuurbescherming, ten aanzien van de effecten van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden, niet vergunningsplichtig. Het onderzoek is opgenomen in bijlage 4 van deze toelichting. 5.7.2.3 Natuurnetwerk Nederland (NNN) Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is de kern van het Nederlands natuurbeleid. Het NNN is in provinciale structuurvisies uitgewerkt. In of in de directe nabijheid van het NNN geldt het ‘nee, tenzij’- principe. In principe zijn er geen ontwikkelingen toegestaan als zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied aantasten. Het dichtstbijzijnde gebied dat is aangewezen als NNN ligt direct ten zuiden van het plangebied. In figuur 5.3 is de ligging van het plangebied ten opzichte van het NNN weergegeven.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
33
Bestemmingsplan “Landelijk gebied, Westermeerweg 3 te Tollebeek” Vastgesteld
Figuur 5.3 Ligging van het plangebied ten opzichte van het NNN (Bron: www.ruimtelijkeplannen.nl)
Zoals in afbeelding 3.1 en op de planverbeelding is te zien ligt het bouwvlak voor de nieuwe zorgpaviljoens op meer dan 5 meter afstand van het bos. De bestemming ‘Maatschappelijk’ waar bijbehorende voorzieningen, zoals groenvoorzieningen, waterhuishoudkundige voorzieningen, paden, parkeerplaatsen en tuinen mogelijk zijn ligt tevens niet binnen het als NNN aangewezen bosgebied. Het areaal NNN-gebied wordt hiermee niet aangetast. Verder heeft de ontwikkeling vanwege de lokale invloedsfeer, woon-zorgactiviteiten, geen negatief effect op de kernkwaliteiten en de omgevingscondities van het ten zuiden van het plangebied gelegen Natuurnetwerk Nederland bosgebied. Het NNN heeft verder geen schaduwwerking op naastliggende gronden. Voor deze gronden gelden geen beperkende bepalingen, zoals deze voor Natura 2000-gebieden wel gelden. 5.7.3
Soortenbescherming
5.7.3.1 Algemeen Sinds 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming van kracht. Het is verboden om alle soorten die beschermd zijn volgens de Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn, het Verdrag van Bern en het Verdrag van Bonn, evenals de in paragraaf 3.2 en 3.3 van de Wet natuurbescherming genoemde soorten te doden en te verwonden, evenals het beschadigen en vernielen van voortplantingsplaatsen of rustplaatsen. Bij ruimtelijke ontwikkelingen dient te worden getoetst of er sprake is van negatieve effecten op de aanwezige natuurwaarden. Natuurbank Overijssel heeft een quickscan natuurwaardenonderzoek uitgevoerd. Hieronder worden de resultaten ten aanzien van soortenbescherming weergegeven. De volledige rapportage is opgenomen in bijlage 5 van deze toelichting.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
34
Bestemmingsplan “Landelijk gebied, Westermeerweg 3 te Tollebeek” Vastgesteld 5.7.3.2 Resultaten Quickscan natuurwaardenonderzoek De voorgenomen activiteiten worden gezien als ‘ruimtelijke ontwikkeling’. Voor een aantal algemeen voorkomende en talrijke faunasoorten geldt in Flevoland een vrijstelling van de verbodsbepalingen ‘doden, verwonden en het opzettelijk beschadigen en vernielen van rust- en voortplantingslocaties’, als gevolg van werkzaamheden die in het kader van een ruimtelijke ontwikkeling worden uitgevoerd. Voor beschermde soorten die niet op deze vrijstellingslijst staan, is een ontheffing vereist om ze te mogen verwonden en doden of om opzettelijk rust- en voortplantingslocaties te mogen beschadigen en te vernielen. In het kader van de zorgplicht moet rekening worden gehouden met alle in het plangebied aanwezige planten en dieren en moet er gekozen worden voor een werkmethode en/of planning in de tijd, waardoor planten en dieren zo min mogelijk schade ondervinden als gevolg van de voorgenomen activiteiten. Het plangebied behoort vermoedelijk tot functioneel leefgebied van verschillende vogel-, amfibieën-, vleermuis- en grondgebonden zoogdiersoorten.
Voorgenoemde soorten benutten het plangebied hoofdzakelijk als foerageergebied, maar mogelijk nestelen er vogels, bezetten sommige grondgebonden zoogdiersoorten er een rust- en/of voortplantingsplaats en bezetten sommige amfibieënsoorten er een (winter)rustplaats. Er zijn in het plangebied geen vleermuizen waargenomen en er zijn geen aanwijzingen gevonden die op de aanwezigheid van een verblijfplaats van vleermuizen in het plangebied duiden. In het plangebied nestelen alleen vogelsoorten waarvan uitsluitend het bezette nest beschermd is, niet het oude nest of de nestplaats. Bezette vogelnesten zijn beschermd en mogen niet beschadigd of vernield worden. Gelet op de aard van de werkzaamheden kan geen ontheffing verkregen worden voor het beschadigen of vernielen van bezette vogelnesten. Beplanting mag alleen gerooid worden en bebouwing mag alleen gesloopt worden buiten de voortplantingsperiode van vogels. Voor de grondgebonden zoogdier- en/of amfibieënsoorten, die een rust- en/of voortplantingslocatie in het plangebied bezetten, geldt een vrijstelling van de verbodsbepalingen ‘doden en verwonden’ en het ‘beschadigen en vernielen van rust- en voortplantingslocaties’ (of de soort is niet beschermd). De functie van het plangebied als foerageergebied voor vogels, amfibieën en grondgebonden zoogdieren is niet beschermd.
Door het rooien van beplanting neemt de betekenis van het plangebied als foerageergebied voor vleermuizen tijdelijk af, maar het plangebied wordt niet als essentieel foerageergebied van vleermuizen beschouwd. De tijdelijke afname van de geschiktheid van het plangebied als foerageergebied leidt daarom niet tot wettelijke consequenties. In het kader van de zorgplicht wordt geadviseerd om rekening gehouden te worden met amfibieën in winterrust en dient voorkomen te worden dat geschikte voortplantingswateren voor amfibieën ontstaan in de periode maart-juli. Rugstreeppad In de vooroverlegreactie van de provincie Flevoland wordt aangeven dat er een extra onderzoek dient plaats te vinden naar de Rugstreeppad, deze is onvoldoende meegenomen in het uitgevoerde flora en fauna onderzoek. Door de ecoloog is het plangebied als niet of matig geschikt voor de rugstreeppad beschouwd, er zijn in het veldwerk geen voorplantingsplaatsen waargenomen. Omdat dit aanvullende onderzoek in het voorjaar dient plaats te vinden en omdat de aanwezigheid van de Rugstreeppad niet bepalend is voor de uitvoerbaarheid van deze ontwikkeling is ervoor gekozen dit onderzoek via een voorwaardelijke verplichting in het bestemmingsplan juridisch te waarborgen. 5.7.4
Conclusie
Mits bezette vogelnesten beschermd worden en nader onderzoek verricht naar de Rugstreeppad (voorwaardelijke verplichting), leiden de voorgenomen activiteiten niet tot wettelijke consequenties in het kader van soortbescherming. In het kader van de zorgplicht dient rekening gehouden te worden met de ecologie van amfibieën. Uit de uitgevoerde stikstofdepositieberekening is gebleken voren dat zowel in de aanleg- als gebruiksfase geen sprake is van rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/j. Er is daarmee geen sprake van een stikstofdepositie met significant negatief effect op Natura 2000-gebieden. Het project is in het kader van de Wet natuurbescherming, ten aanzien van de effecten van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden, niet vergunningsplichtig. Tevens heeft de ontwikkeling geen negatieve effecten op het naastgelegen NNN gebied. De Wet natuurbescherming vormt geen belemmering voor uitvoering van de voorgenomen activiteiten.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
35
Bestemmingsplan “Landelijk gebied, Westermeerweg 3 te Tollebeek” Vastgesteld
5.8
Archeologie & Cultuurhistorie
5.8.1
Archeologie
5.8.1.1 Algemeen Initiatiefnemers hebben op basis van de Erfgoedwet een archeologische zorgplicht bij projecten waarbij de bodem wordt verstoord. Hiervoor is onderzoek noodzakelijk: het archeologisch vooronderzoek. Als blijkt dat in het plangebied behoudenswaardige archeologische vindplaatsen aanwezig zijn, dan kan de initiatiefnemer verplicht worden hiermee rekening te houden. Dit kan leiden tot een aanpassing van de plannen, waardoor de vindplaatsen behouden blijven, of tot een archeologische opgraving en publicatie van de resultaten. 5.8.1.2 Situatie plangebied De gemeente Noordoostpolder heeft haar archeologische beleid vastgelegd in het rapport “Erfgoed in de polder, Actualisatie van de archeologische waarden en verwachtingen kaart van de gemeente Noordoostpolder (2018)”. Op de archeologische beleidsadvieskaart hebben de gronden binnen het plangebied voor een gedeelte een verwachtingswaarde WA-5 en voor een gedeelte geen verwachtingswaarde (zie ook figuur 5.4). Voor de gronden met verwachtingswaarde WA-5 geldt een onderzoeksplicht voor bodemingrepen groter dan 2.500 m2 en dieper dan 50 cm. Gelet op het bouwvlak (zie verbeelding) en is het niet aannemelijk dat binnen deze zone WA-5 meer dan 2.500 m² aan bebouwing wordt gerealiseerd. Een archeologisch onderzoek is daarom niet noodzakelijk.
Wel is voor deze gronden de dubbelbestemming ‘Waarde-Archeologische verwachtingswaarde WA-5’ Opgenomen. Hiermee is geborgd dat voor bodemingrepen groter dan 2.500 m² en dieper dan 50 cm een archeologisch onderzoek vereist is.
Figuur 5.4
Uitsnede archeologische beleidskaart (Bron: Gemeente Noordoostpolder)
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
36
Bestemmingsplan “Landelijk gebied, Westermeerweg 3 te Tollebeek” Vastgesteld 5.8.2
Cultuurhistorie
5.8.2.1 Algemeen Onder cultuurhistorische waarden worden alle structuren, elementen en gebieden bedoeld die cultuurhistorisch van belang zijn. Zij vertellen iets over de ontstaansgeschiedenis van het Nederlandse cultuurlandschap. Vaak is er een sterke relatie tussen aardkundige aspecten en cultuurhistorische aspecten. In de Bro is sinds 1 januari 2012 (artikel 3.1.6, vijfde lid, onderdeel a) opgenomen dat een bestemmingsplan “een beschrijving van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden” dient te bevatten. 5.8.2.2 Situatie plangebied Op basis van het gemeentelijke beleidsstuk “Erfgoed in de polder, Actualisatie van de archeologische waarden en verwachtingen kaart van de gemeente Noordoostpolder (2018)” en hierbij behorende kaart ‘Pionierserfgoed’ blijkt dat zich binnen het plangebied een cultuurboerderij aanwezig is. Het gaat om de aanwezige bedrijfswoning en aangebouwde schokbetonschuur. De bebouwing blijft behouden en krijgt een nieuwe functie bij de herontwikkeling van dit voormalige erf naar een woonzorgfunctie. Verder wordt opgemerkt dat de locatie zal worden voorzien van een landschappelijke inpassing die passend is bij het landschap van de Noordoostpolder. In paragraaf 3.2 is hier reeds aandacht aan besteed. 5.8.3
Conclusie
Het uitvoeren van een archeologisch onderzoek is in het kader van dit bestemmingsplan niet noodzakelijk. In het plangebied en in de omgeving van het plangebied komen cultuurhistorische waarden voor die worden behouden en versterkt.
5.9
Besluit milieueffectrapportage
5.9.1
Algemeen
De milieueffectrapportage is een wettelijk instrument met als doel het aspect milieu een volwaardige plaats in deze integrale afweging te geven. Een bestemmingsplan kan op drie manieren met milieueffectrapportage in aanraking komen: •
Op basis van artikel 7.2a, lid 1 Wet milieubeheer (als wettelijk plan); Er ontstaat een m.e.r.-plicht wanneer er een passende beoordeling op basis van art. 2.8, lid 1 Wet natuurbescherming nodig is.
•
Op basis van Besluit milieueffectrapportage (bestemmingsplan in kolom 3); Er ontstaat een m.e.r.-plicht voor die activiteiten en gevallen uit de onderdelen C en D van de bijlage van dit besluit waar het bestemmingsplan genoemd is in kolom 3 (plannen).
•
Op basis van Besluit milieueffectrapportage (bestemmingsplan in kolom 4); Er ontstaat een m.e.r.-(beoordelings)plicht voor die activiteiten en gevallen uit de onderdelen C en D van de bijlage van dit besluit waar het bestemmingsplan genoemd is in kolom 4 (besluiten).
In het Besluit m.e.r. neemt het bestemmingsplan een bijzondere positie in, want het kan namelijk tegelijkertijd opgenomen zijn in zowel kolom 3 als in kolom 4 van het Besluit m.e.r.. Of het bestemmingsplan in deze gevallen voldoet aan de definitie van het plan uit kolom 3 of aan de definitie van het besluit uit kolom 4 is afhankelijk van de wijze waarop de activiteit in het bestemmingsplan wordt bestemd. Als voor de activiteit eerst één of meerdere uitwerkings- of wijzigingsplannen moeten worden vastgesteld dan is sprake van ‘kaderstellend voor' en voldoet het bestemmingsplan aan de definitie van het plan. Is de activiteit geheel of gedeeltelijk als eindbestemming opgenomen voldoet het aan de definitie van het besluit. BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
37
Bestemmingsplan “Landelijk gebied, Westermeerweg 3 te Tollebeek” Vastgesteld Een belangrijk element in het Besluit m.e.r.. is het (in feite) indicatief maken van de gevalsdefinities (de drempelwaarden in kolom 2 in de D-lijst). Dit betekent dat het bevoegd gezag meer moet doen dan onder de oude regelgeving. Kon vroeger worden volstaan met de mededeling in het besluit dat de omvang van de activiteit onder de drempelwaarde lag en dus geen m.e.r. (beoordeling) noodzakelijk was, onder de nu geldende regeling moet een motivering worden gegeven. Voor deze toets wordt de term vormvrije m.e.r.beoordeling gehanteerd. 5.9.2
Situatie plangebied
5.9.2.1 Artikel 2.8 lid 1 van de Wet Natuurbescherming Het plangebied ligt op enige afstand van Natura 2000-gebied (ca. 730 meter). Uit de AERIUS-berekening (bijlage 3) blijkt dat de ontwikkeling niet leidt tot een toename van stikstofdepositie. Van een aantasting van de instandhoudingsdoelstellingen van het Natura 2000-gebied is geen sprake. Een passende beoordeling op basis van artikel 2.8 lid 1 van de Wet Natuurbescherming is in verband met deze ontwikkeling dan ook niet noodzakelijk. Er is daarom geen sprake van een m.e.r.-plicht op basis van artikel 7.2a van de Wet milieubeheer. 5.9.2.2 Drempelwaarden Besluit m.e.r. Voor wat betreft het gehele plangebied wordt voorzien in directe eindbestemmingen en vormt daarmee een besluit in het kader van het besluit me.r. In het voorliggende geval is geen sprake van activiteiten die op grond van onderdeel C van het Besluit milieueffectrapportage m.e.r.-plichtig zijn. Wel is er mogelijk sprake van een activiteit die is opgenomen in onderdeel D van het Besluit m.e.r., namelijk: ‘de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject’. Het voornemen betreft een functiewijziging van een voormalig agrarisch erf naar woonzorgvoorziening met dagbesteding. Het betreft zowel een functiewijziging als fysieke ontwikkeling. Zekerheidshalve wordt getoetst of er sprake is van een m.e.r-beoordelingsplicht.
Hiervan is sprake van indien de activiteiten de volgende drempelwaarden uit onderdeel D overschrijden: 1. 2. 3.
een oppervlakte van 100 hectare of meer, een aaneengesloten gebied en 2.000 of meer woningen omvat, of een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer.
Indien het plan wordt vergeleken met de drempelwaarden uit de D-lijst kan worden geconcludeerd dat er geen sprake is van een m.e.r.-beoordelingsplichtige activiteit aangezien deze pas geldt bij een aaneengesloten gebied en 2.000 of meer woningen. Echter, zoals ook in het voorgaande aangegeven, dient ook wanneer ontwikkelingen onder drempelwaarden blijven, het bevoegd gezag zich er van te vergewissen of activiteiten geen aanzienlijke milieugevolgen kunnen hebben. Indien hierbij de drempelwaarden uit de D-lijst voor deze activiteit (o.a. 2.000 of meer woningen) wordt vergeleken met de omvang van de ontwikkeling (het realiseren van 24 woonzorgeenheden in combinatie met dagbesteding), wordt geconcludeerd dat sprake is van een wezenlijk ander schaalniveau en een activiteit die vele male kleinschaliger is. Gelet op de kenmerken van het project (zoals het karakter in vergelijking met de drempelwaarden uit het Besluit m.e.r.), de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële effecten zullen geen belangrijke nadelige milieugevolgen optreden. Eén en ander is tevens bevestigd in de in dit hoofdstuk en bod gekomen milieu- en omgevingsaspecten en de daarvoor, indien van toepassing, uitgevoerde onderzoeken. 5.9.3
Conclusie
Dit bestemmingsplan is niet m.e.r.-(beoordelings)plichtig. Tevens zijn geen belangrijk nadelige milieugevolgen te verwachten als gevolg van de vaststelling van dit plan.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
38
Bestemmingsplan “Landelijk gebied, Westermeerweg 3 te Tollebeek” Vastgesteld
HOOFDSTUK 6 6.1
WATERASPECTEN
Algemeen
In het moderne waterbeheer (waterbeheer 21e eeuw) wordt er gestreefd naar duurzame, veerkrachtige watersystemen met minimale risico's op wateroverlast of watertekorten. Belangrijk instrument hierbij is de watertoets, die sinds 1 november 2003 in ruimtelijke plannen is verankerd. Het doel van de watertoets is te garanderen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op een evenwichtige wijze in het plan worden afgewogen. Deze waterhuishoudkundige doelstellingen betreffen zowel de waterkwantiteit (veiligheid, wateroverlast, tegengaan verdroging) als de waterkwaliteit (riolering, omgang met hemelwater, lozingen op oppervlaktewater).
6.2
Beleidskaders
6.2.1
Waterbeheerplan 2016-2021
Het Waterbeheerplan 2016-2021 (WPB3) is de opvolger van WPB2+ en bevat langetermijndoelen (zichtjaar 2050), doelen voor de planperiode (2016-2021) en maatregelen die het waterschap (samen met gebiedspartners) uit gaat voeren. De doelen en maatregelen hebben betrekking op de kerntaken van het waterschap (waterveiligheid, schoon water, voldoende water) en het thema ‘water en ruimte’. Hierbij gaat het om reguliere werkzaamheden, zoals peilbeheer, onderhoud aan dijken en het zuiveren van afvalwater en om nieuwe ontwikkelingen. 6.2.2
Stroomgebiedsvisie Flevoland (2003)
De Noordoostpolder is gelegen binnen het plangebied van de stroomgebiedsvisie Flevoland. In de watervisie voor 2015 wordt het plangebied aangeduid als een gebied met een vitaal watersysteem. Voor de gemeente Noordoostpolder zijn de wateropgaven onderverdeeld in een aantal generieke maatregelen en in de resterende wateropgave. De generieke maatregelen houden onder andere in: • • •
afvoerblokkering in natuurgebieden; vasthouden van water in natuurgebieden en landbouwgebied; realisatie van duurzame oevers.
Oplossingsrichtingen voor de resterende wateropgave zijn onder andere bergen in open water en efficiënt uitmalen. 6.2.3
Beleid gemeente Noordoostpolder en waterschap Zuiderzeeland
De watervisie van de gemeente Noordoostpolder is opgenomen in het Stedelijk Waterplan Noordoostpolder (d.d. april 2006). Ten aanzien van het Stedelijk Waterplan is als aanvulling op dit plan, in 2011 door het waterschap Zuiderzeeland en de gemeente Noordoostpolder een bestuurlijke ‘Maatwerkovereenkomst stedelijk water’ ondertekend. Door ondertekening van deze bestuursovereenkomst zijn tussen de waterbeheerder en de gemeente afspraken gemaakt over de invulling van de gezamenlijke taakuitoefening voor het beheer en onderhoud van het stedelijk water. De beoogde doelen op strategisch, tactisch en operationeel niveau ten aanzien van het stedelijk water zijn daarbij beter verankerd. Waterschap Zuiderzeeland en de gemeente Noordoostpolder hebben begin 2019 samen het Watertakenplan Noordoostpolder 2019-2024 vastgesteld. Op grond van de Waterwet is er voor gemeenten, naast het inzamelen en transporteren van vrijkomend stedelijk afvalwater een formele taak weggelegd voor het afvoeren van overtollig regenwater. In zoverre het inzamelen en transporteren van relatief schoon regenwater buiten de afvalwaterstroom doelmatig kan worden uitgevoerd, vindt deze gescheiden van de afvoer van het stedelijk afvalwater plaats. Het ‘gebiedseigen BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
39
Bestemmingsplan “Landelijk gebied, Westermeerweg 3 te Tollebeek” Vastgesteld water’ wordt op plaatsen, waarvoor mogelijkheden aanwezig zijn, vastgehouden en geborgen in aanwezig stedelijk water en/of retentiestroken. Het bergen en vasthouden van regenwater op locatie mag niet leiden tot (water)overlast. Tot slot heeft de gemeente een watertaak waterhuishoudkundige maatregelen te treffen om structureel nadelige gevolgen van de grondwaterstand voor de aan de grond gegeven bestemming(en) zoveel mogelijk te voorkomen of te beperken. Voor zover gemeentelijke maatregelen doelmatig zijn en het niet de verantwoordelijkheid van het Waterschap of de provincie is om maatregelen te nemen. In de Keur van het waterschap Zuiderzeeland, onderdeel uitmakend van de Waterwet, is aangegeven wat wel en niet mag bij waterkeringen en wateren (de zogenaamde waterstaatswerken).
6.3
Watertoetsproces
6.3.1
Algemeen
Het waterbelang is sinds 1 november 2003 door middel van de Watertoets verankerd in het ‘Besluit ruimtelijke ordening’. In de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) zijn dertien nationale belangen genoemd, deels op het gebied van water. Basisprincipes van het nationaal en Europees beleid zijn: meer ruimte voor water, voorkomen van afwenteling van de waterproblematiek in ruimte of tijd en stand-still (géén verdere achteruitgang in de huidige chemische en ecologische waterkwaliteit). Het bovenstaande resulteert in twee drietrapsstrategieën: • •
Waterkwantiteit (vasthouden, bergen, afvoeren); Waterkwaliteit (schoonhouden, scheiden, zuiveren).
De waterparagraaf maakt inzichtelijk hoe het vigerend waterbeleid is vertaald naar waterhuishoudkundige inrichtingsmaatregelen, waarmee rekening moet worden gehouden bij het uitbreiden van woningbouw in Kraggenburg. Bij de inrichting van de stedenbouwkundige inrichting van dit uitbreidingsplan is rekening gehouden met de wijze waarop op deze locaties wordt omgegaan met water ten aanzien van: 1. 2. 3. 6.3.2
Veiligheid; Voldoende water; Schoon water. Proces van de Watertoets
Aan de hand van de doorlopen digitale watertoets moet voor het voorliggende plan de ‘normale procedure’ worden gevolgd. Hieronder is op basis van de op dit moment bekende gegevens, de ontvangen uitgangspuntennotitie en het advies van het waterschap een beschrijving van het watersysteem gegeven. Beschrijving van het watersysteem 1.
Veiligheid/Waterkeringen
Het plangebied ligt niet buitendijks en ligt niet in een keurzone van de waterkering. Op basis van de ingevoerde gegevens in de watertoets over het plangebied zijn er geen uitgangspunten voor het thema veiligheid van toepassing. 2.
Voldoende Water
Wateroverlast Met de voorgenomen erftransformatie wordt er netto niet of nauwelijks verhard oppervlak in landelijk gebied toegevoegd. Een eventuele toename zal niet meer bedragen dan 2.500 m2. Het is om die reden niet
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
40
Bestemmingsplan “Landelijk gebied, Westermeerweg 3 te Tollebeek” Vastgesteld noodzakelijk om te compenseren. Verder zal in het ontwerp rekening gehouden worden met waterdoorlatende verharding. Goed functionerend watersysteem In de uitgangspuntennotitie behorende bij het watertoetsresultaat wordt een streefbeeld met bijbehorende randvoorwaarden voor een goed functionerend watersysteem gegeven. Bij de verdere uitwerking van het plan zal hier rekening mee gehouden worden. 3.
Schoon water
Goede structuur diversiteit Bij de inrichting van het bestaande watersysteem wordt gestreefd naar het behouden van een ecologisch gezond watersysteem. Goede oppervlaktewaterkwaliteit Het grond- en oppervlaktewater biedt leef-, verblijf-, en voortplantingsmogelijkheden voor de (aquatische) flora en fauna in het beheergebied. De chemische toestand van deze wateren vormt hier geen belemmering voor. Er worden geen uitlogende bouwmaterialen (zoals zinken dakgoten) gebruikt, waardoor alle verharde nieuw aan te leggen en te bouwen oppervlakken als relatief schoon kunnen worden aangemerkt. Goed omgaan met afvalwater Na de herontwikkeling wordt het plangebied bewoond door maximaal 24 bewoners/cliënten en werken er maximaal 15 medewerkers op een dag. De huidige lozingsvergunning van de bedrijfswoning (septic tank van 1,5 m3) is onvoldoende om het afvalwater te kunnen opvangen. Er zal voor de woonzorgpaviljoens en bijbehorende bedrijfswoning conform de landelijke regelgeving en het waterschap beleid voor huishoudelijke lozingen een nieuwe zuiveringsvoorziening worden aangelegd overeenkomstig IBA klasse IIIb.
HOOFDSTUK 7 7.1
JURIDISCHE ASPECTEN EN PLANVERANTWOORDING
Inleiding
In de voorgaande hoofdstukken is ingegaan op het plangebied, het relevante beleid en de milieu- en omgevingsaspecten. In dit hoofdstuk wordt dieper ingegaan op de opzet van dit juridische deel. Daarnaast wordt een verantwoording gegeven van de gemaakte keuzes op de verbeelding en in de regels. Dat betekent dat er wordt aangegeven waarom een bepaalde functie ergens is toegestaan en waarom bepaalde bebouwing daar acceptabel is.
7.2
Opzet van de regels
7.2.1.
Algemeen
In de Wet ruimtelijke ordening (Wro) die op 1 juli 2008 in werking is getreden, is de verplichting opgenomen om ruimtelijke plannen en besluiten digitaal vast te stellen. De digitaliseringsverplichting geldt vanaf 1 januari 2010. In de ministeriële Regeling standaarden ruimtelijke ordening is vastgelegd dat de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP) de norm is voor de vergelijkbaarheid van bestemmingsplannen. Naast de SVBP zijn ook het Informatiemodel Ruimtelijke Ordening en de Standaard Toegankelijkheid Ruimtelijke Instrumenten normerend bij het vastleggen en beschikbaar stellen van bestemmingsplannen.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
41
Bestemmingsplan “Landelijk gebied, Westermeerweg 3 te Tollebeek” Vastgesteld De SVBP geeft normen voor de opbouw van de planregels en voor de digitale verbeelding van het bestemmingsplan. Dit bestemmingsplan is opgesteld conform de normen van de SVBP2012. Het juridisch bindend gedeelte van het bestemmingsplan bestaat uit planregels en bijbehorende verbeelding waarop de bestemmingen zijn aangegeven. Deze verbeelding kan zowel digitaal als analoog worden verbeeld. De verbeelding en de planregels dienen in samenhang te worden bekeken. De regels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken: 1. 2. 3. 4. 7.2.2
Inleidende regels (begripsbepalingen en wijze van meten); Bestemmingsregels; Algemene regels (o.a. afwijkingsregels); Overgangs- en slotregels. Algemene regels
Hoofdstuk 1 bevat de inleidende regels. Deze regels gelden voor het gehele plangebied en bevatten: •
Begrippen (Artikel 1)
In dit artikel zijn definities van de in de regels gebruikte begrippen opgenomen. Hiermee is een eenduidige interpretatie van deze begrippen vastgelegd. •
Wijze van meten (Artikel 2)
Dit artikel geeft onder meer bepalingen waar mag worden gebouwd en hoe voorkomende eisen betreffende de maatvoering begrepen moeten worden. De op de verbeelding of in de regels aangegeven bouwhoogte wordt gemeten vanaf peil tot het hoogste punt (exclusief elementen zoals een schoorsteen, liftopbouw en dergelijke). 7.2.3
Bestemmingsregels
Hoofdstuk 2 van de regels bevat de juridische vertaling van de in het plangebied voorkomende bestemmingen. De regels zijn onderverdeeld in o.a.: • • • • 7.2.4
Bestemmingsomschrijving: omschrijving van de activiteiten die zijn toegestaan; Bouwregels: eisen waaraan de bebouwing moet voldoen (bebouwingshoogte, bebouwingspercentage, etc.); Specifieke gebruiksregels: omschrijving van gebruiksactiviteiten die niet zijn toegestaan; Wijzigingsbevoegdheid: regels voor het wijzigen van de bestemming. Algemene regels
Hoofdstuk 3 bevat de algemene regels. Deze regels gelden voor het gehele plangebied. Dit hoofdstuk is opgebouwd uit: •
Anti-dubbeltelregel (Artikel 7)
Deze regel is opgenomen om een ongewenste verdichting van de bebouwing te voorkomen. Deze verdichting kan zich met name voordoen, indien een perceel of een gedeelte daarvan, meer dan één keer betrokken wordt bij de berekening van een maximaal bebouwingspercentage. •
Algemene gebruiksregels (Artikel 8)
Deze regel is opgenomen om aan te geven welk gebruik in elk geval strijdig is met de aan de grond gegeven bestemming; •
Algemene afwijkingsregels (Artikel 9)
In dit artikel worden de algemene afwijkingsregels beschreven. Deze regels maken het mogelijk om op ondergeschikte punten van de regels in het bestemmingsplan af te wijken.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
42
Bestemmingsplan “Landelijk gebied, Westermeerweg 3 te Tollebeek” Vastgesteld •
Algemene procedure (Artikel 10)
In dit artikel wordt aangeven welke procedure gevolgd dient te woorden bij afwijken via een omgevingsvergunning of wijziging van het bestemmingsplan. •
Overige regels (Artikel 11)
In dit artikel is aangegeven dat de wettelijke regeling waarnaar in de regels van het plan wordt verwezen, gelden zoals deze luiden op het moment van vaststelling van het plan. Daarnaast zijn er regels opgenomen omtrent parkeren. 7.2.5
Overgangs- en slotregels
In hoofdstuk 4 van de regels staan de overgangs- en slotregels. In de overgangsregels is aangegeven wat de juridische consequenties zijn van bestaande situaties die in strijd zijn met dit bestemmingsplan. In de slotregels wordt aangegeven hoe het bestemmingsplan wordt genoemd.
7.3
Verantwoording van de regels
Kenmerk van de Nederlandse ruimtelijke ordeningsregelgeving is dat er uitgegaan wordt van toelatingsplanologie. Een bestemmingsplan geeft aan welke functies waar zijn toegestaan en welke bebouwing mag worden opgericht. Bij het opstellen van dit bestemmingsplan zijn keuzes gemaakt over welke functies waar worden mogelijk gemaakt en is gekeken welke bebouwing stedenbouwkundig toegestaan kan worden. Het is noodzakelijk dat het bestemmingsplan een compleet inzicht biedt in de bouw- en gebruiksmogelijkheden binnen het betreffende plangebied. Het bestemmingsplan is het juridische toetsingskader dat bindend is voor de burger en overheid en geeft aan wat de gewenste planologische situatie voor het plangebied is. In deze paragraaf worden de gemaakte keuzes nader onderbouwd. Hierbij zullen de bestemmingen in dezelfde volgorde als in de regels worden behandeld. Groen – Erfsingel (Artikel 3) De voor ‘Groen – Erfsingel’ aangewezen gronden zijn bestemd voor opgaande afschermende beplanting, een bebouwingsvrije onderhoudsstrook en erfsloten. Binnen deze bestemming mag niet worden gebouwd. Tevens behoord dit gebied niet tot het achtererfgebied en er dus ook geen vergunningsvrije bebouwing is toegestaan.
Maatschappelijk - Zorginstelling (Artikel 4) De voor 'Maatschappelijk – Zorginstelling ' aangewezen gronden zijn bestemd voor maatschappelijke voorzieningen in de vorm van een zorginstelling, waaronder een woonzorgvoorziening en dagbesteding waar maximaal 24 cliënten/bewoners aanwezig mogen zijn. Daarnaast zijn de hierbij behorende voorzieningen, waaronder begrepen groenvoorzieningen, waterhuishoudkundige voorzieningen, parkeerplaatsen en tuinen toegestaan. Verder zijn nutsvoorzieningen en kunstobjecten mogelijk. Tevens zijn de gronden bestemd voor instandhouding en ontwikkeling van de afschermende erfsingel, met daarbij behorende erfsloot, direct aansluitend aan de zijgrenzen van de achtergrens van het erf. Conform het collegebesluit mag 20% van de gronden binnen het bestemmingsvlak worden bebouwd. Dit is doorvertaald naar 37% van het aangegeven bouwblok. Verder is voor de nieuwe bebouwing een maximum goot- en bouwhoogte opgenomen van 4 respectievelijk 6,5 meter. In de gebruiksregels is tot een met de bestemming strijdig gebruik het volgende gerekend: • • • •
woonzorg- en/of dagbestedingsactiviteiten ter plaatse van de aanduiding 'Specifieke vorm van maatschappelijk uitgesloten - woonzorg- en dagbestedingsactiviteiten'; het gebruik van een bedrijfsgebouwen als zelfstandige woonruimte, zonder koppeling met zorg; het huisvesten van meer dan 24 bewoners in de zorginstelling; het aanbieden van meer dan 24 plaatsen voor dagbesteding;
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
43
Bestemmingsplan “Landelijk gebied, Westermeerweg 3 te Tollebeek” Vastgesteld •
het zagen, kloven en verkopen van bomen en haardhout;
Ter juridisch borging van de aanleg en instandhouding van de erfsingels is tevens een voorwaardelijke verplichting opgenomen. Tevens is een voorwaardelijke verplichting opgenomen voor het uitvoeren van nader onderzoek naar de Rugstreeppad en eventuele hieruit volgende maatregelen ter bescherming van deze soort. Ten slotte is er een wijzigingsbevoegdheid opgenomen, waarmee de bestemming indien van toepassing kan worden gewijzigd in ‘Wonen – Voormalig agrarische erven’. Wonen – Voormalige agrarische erven (Artikel 5) De wijzigingsbevoegdheid zoals opgenomen in Artikel 4.5 van de regels maakt het mogelijk om na de beëindiging van de zorgactiviteiten, de bestemming ‘Maatschappelijk – Zorginstelling’ om te zetten in de bestemming ‘Wonen – Voormalige agrarische erven’. Deze bestemming is hoofdzakelijk bestemd voor wonen. Binnen deze bestemming mogen een woning, bijhorende bouwwerken en andere bouwwerken geen gebouwen zijnde worden gebouwd. Woningen mogen uitsluitend binnen het bouwvlak gebouwd worden. Binnen de bestemming zijn specifieke bouwregels opgenomen ten aanzien van de toegestane bebouwing. Tot een, met de bestemming, strijdig gebruik wordt in elk geval gerekend het gebruik van en het in gebruik laten nemen van gronden en bouwwerken zonder de aanplant en instandhouding van een erfsingel ter plaatse van de bestemming ‘Groen – Erfsingel’.
Waarde – archeologische verwachtingswaarde WA-5 (Artikel 6) De voor 'Waarde - Archeologische verwachtingswaarde WA-5' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor het behoud van de aldaar in of op de grond aanwezige archeologische verwachtingswaarden. Bij bodemingrepen groter dan 2.500 m2 en dieper dan 0,5 m beneden maaiveld is archeologisch onderzoek vereist.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
44
Bestemmingsplan “Landelijk gebied, Westermeerweg 3 te Tollebeek” Vastgesteld
HOOFDSTUK 8
ECONOMISCHE UITVOERBAARHEID
Artikel 6.12 van de Wet ruimtelijke ordening stelt dat de gemeenteraad gelijktijdig met de vaststelling van het bestemmingsplan moet besluiten om al dan niet een exploitatieplan vast te stellen. Hoofdregel is dat een exploitatieplan moet worden vastgesteld bij elk bestemmingsplan. Er zijn echter uitzonderingen. Het is mogelijk dat de raad verklaart dat met betrekking tot een bestemmingsplan geen exploitatieplan wordt vastgesteld indien het verhaal van kosten van de grondexploitatie anderszins is verzekerd of het stellen van nadere eisen en regels niet noodzakelijk is. De gemeentelijke kosten zijn beperkt tot de ambtelijke kosten, welke worden verhaald middels de gemeentelijke legesverordening. Wel wordt met de initiatiefnemer een planschadeovereenkomst gesloten, zodat het kostenverhaal voor de gemeente volledig is verzekerd. Dit brengt met zich mee dat vaststelling van een exploitatieplan achterwege kan blijven.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
45
Bestemmingsplan “Landelijk gebied, Westermeerweg 3 te Tollebeek” Vastgesteld
HOOFDSTUK 9 9.1
Vooroverleg
9.1.1
Het Rijk
VOOROVERLEG, INSPRAAK EN ZIENSWIJZEN
In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) zijn de nationale belangen die juridische borging vereisen opgenomen. Het Barro is gericht op doorwerking van nationale belangen in gemeentelijke bestemmingsplannen. Geoordeeld wordt dat dit bestemmingsplan geen nationale belangen schaadt. Daarom is afgezien van het voeren van vooroverleg met het Rijk. 9.1.2
Provincie Flevoland
Het conceptbestemmingsplan is ter vooroverleg naar de provincie Flevoland gestuurd. De provincie heeft in haar vooroverlegreactie op een aantal punten een advies gegeven (bijlage 7). De punten zijn verwerkt in het bestemmingsplan in die zin dat: • • • •
9.1.3
in het bestemmingsplan wordt uitgegaan van maximaal 24 bewoners nader onderzoek naar de Rugstreeppad is gewaarborgd via een voorwaardelijke verplichting; de impact op het ten zuiden gelegen NNN bosgebied nader is omschreven het bestemmingsplan voor wat betreft het aspect stikstof is aangepast op het vervallen van de PAS en er stikstofdepositieberekeningen zijn uitgevoerd om het effect van de ontwikkeling op de instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000 te onderbouwen. Waterschap Zuiderzeeland