5.3 Ontwerpwijziging omgevingsplan TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22f Emmeloord.pdf
Tekst van het document
Wegverkeerslawaai Nabij het plangebied zijn wegen in de omgeving aanwezig die kunnen leiden tot een te hoge geluidsbelasting op de gevels van de toekomstige woningen. Daarom is voor de beoogde ontwikkeling een akoestisch onderzoek uitgevoerd naar wegverkeerslawaai, zie hiervoor bijlage 5.
50
bestemmingsplan (ontwerp)
bestemmingsplan TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22f Emmeloord - Emmelhage fase 4
De ontwikkeling maakt 406 woningen mogelijk en dit leidt tot een verkeersgeneratie van 3.331 mvt/etmaal. Dit kan leiden tot een uitstralingseffect op de bestaande woningen gelegen aan de Espelerweg. Om te bepalen wat de effecten zijn van het verkeer op de geluidsbelasting op de bestaande gevels, is ervoor gekozen om dit ook mee te nemen in het akoestisch onderzoek.
Bovendien maakt dit plan de aanleg van een nieuwe rotonde mogelijk. De reconstructie van deze weg kan leiden tot een verhoogde geluidsbelasting. De effecten van de aanleg van de rotonde zijn daarom ook onderzocht in het akoestisch onderzoek.
Uit het akoestisch onderzoek naar de geluidbelasting op de nieuwe woningen binnen het plan Emmelhage fase 4 blijkt dat: De standaardwaarde voor de geluidbronsoort gemeentewegen beperkt wordt overschreden ter plaatse van de gevels van de nieuwe woningen binnen Emmelhage fase 4; Het merendeel van de woningen voldoet aan de standaardwaarde. Er is geen sprake van significante indirecte akoestische effecten door veranderend verkeer; Als gevolg van het aanleggen van een rotonde in de Espelerweg moet het geluid bij de bestaande omliggende woningen worden onderzocht en beoordeeld. Uit het onderzoek blijkt dat: De geluidbelasting op de gevels van de bestaande geluidgevoelige gebouwen (woningen) rondom de nieuwe rotonde neemt in geringe mate toe; De gemeente Noordoostpolder kan overwegen om een stuk van het referentiewegdek op Espelerweg te vervangen door een stiller wegdek. De gemeente zal deze maatregel toepassen. De berekende toename van geluid kan daarmee worden gemitigeerd; Bij veel bestaande woningen wordt de standaardwaarde niet overschreden; Bij woningen waar dit wel het geval is wordt het geluidsniveau in 2040 niet hoger dan 1,5 dB t.o.v.
het tijdstip van wijziging van het omgevingsplan (na mitigatie); Het gecumuleerde geluid wordt beoordeeld als redelijk tot matig bij de maatgevende woningen; Het binnenniveau bij de bestaande woningen dient, afhankelijk van de geluidsituatie te voldoen aan 36 of 41 dB. Voor de woning met de hoogste berekende geluidbelasting dient de geluidwering minimaal GA ;k = 59 - 36/41 = 23/18 dB(A) te bedragen, afhankelijk van de geluidsituatie bij de woningen. In het algemeen voldoet de gemiddelde woning aan deze waarde en is nader onderzoek niet nodig. 4.6.3 Conclusie Er kan worden voldaan aan de instructieregels van het Bkl en daarmee wordt het geluid van wegen als aanvaardbaar beoordeeld. Met deze wijziging van het omgevingsplan zijn regels opgenomen die betrekking hebben op het gezamenlijke geluid. Daarnaast wordt het referentiewegdek op de Espelerweg, zoals geadviseerd in het onderzoek, vervangen door een stiller wegdek.
bestemmingsplan (ontwerp)
51
bestemmingsplan TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22f Emmeloord - Emmelhage fase 4
4.7
Luchtkwaliteit
4.7.1 Algemeen Bij nieuwe ontwikkelingen moet rekening worden gehouden met de luchtkwaliteit. Vanaf 1 januari 2024 zijn de normen voor luchtkwaliteit vastgelegd in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Hoofdstuk 5, paragraaf 5.1.4.1 van het Bkl bevat instructieregels voor de kwaliteit van de buitenlucht, om de gezondheid en het milieu te beschermen. Bij het toelaten van een nieuwe ontwikkeling moet in een aantal situaties worden getoetst aan omgevingswaarden voor lucht. In een beperkt aantal gevallen is onderzoek nodig
Er zijn enkele situaties die de overheid nog wel landelijk moet beoordelen: het toestaan van milieubelastende activiteiten (mba); de aanleg van een tunnel langer dan 100 meter, of wanneer een bestaande tunnel minimaal 100 meter wordt verlengd; de aanleg van een autosnelweg. 4.7.2 Situatie plangebied De gemeente Noordoostpolder is geen aandachtsgebied voor stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10) volgens het Bkl. Conform artikel 5.51 Bkl geldt er geen verplichting om onderzoek te doen naar de vraag of de ontwikkeling leidt tot een verhoging van de concentraties luchtverontreinigende stoffen.
Bovendien maakt het plan de aanleg van een autosnelweg of tunnel langer dan 100 meter niet mogelijk. Ook staat het plan niet toe om milieubelastende activiteiten te realiseren.
De grootschalige concentratie- en depositiekaarten geven aan dat de luchtkwaliteit ter plaatse van voldoende kwaliteit is. 4.7.3 Conclusie De ontwikkeling is in overeenstemming met instructieregels voor luchtkwaliteit omdat het een woningbouwproject betreft op grote afstand van een aandachtsgebied voor luchtkwaliteit.
In het kader van ETFAL is de luchtkwaliteit ter plaatse onderzocht. Deze ligt ruim onder de grenswaarden van het Bkl. Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
4.8
Geur
4.8.1 Algemeen In het kader van het beschermen van de gezondheid en het milieu (artikel 2.1 lid 3 onder b en c Ow) worden voor verschillende functies en activiteiten regels gesteld op het gebied van geur(hinder). Het gaat onder meer om veehouderijen en andere landbouwactiviteiten, de mengvoederindustrie, horeca, rioolwaterzuiveringsinstallaties, slachterijen, en (andere) milieubelastende activiteiten. Regels over geur zijn verdeeld over verschillende Amvb's. Het verschilt per type activiteit waar de regels zijn opgenomen.
Activiteiten moeten voldoen aan de regels die in het (tijdelijke) omgevingsplan staan. Indien het tijdelijk omgevingsplan nog niet is aangepast en sprake is van een activiteit of inrichting die voorheen onder het Activiteitenbesluit milieubeheer viel, dan gelden de
52
bestemmingsplan (ontwerp)
bestemmingsplan TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22f Emmeloord - Emmelhage fase 4 regels uit de Bruidsschat.
De Bruidsschat bevat regels over: Geur door het houden van landbouwhuisdieren en paarden en pony's voor het berijden in een dierenverblijf (par. 22.3.6.2 BS); Geur door het houden van fokteven van nertsen (par. 22.3.6.3 BS); Geur door andere agrarische activiteiten, zoals o.a. het opslaan van vaste mest, champost of dikke fractie en het composteren of opslaan van groenafval (par. 22.3.6.4 BS); Geur door het exploiteren van zuiveringstechnische werken (par. 22.3.6.5 BS). Voor een aantal milieubelastende activiteiten geldt een vergunningplicht op basis van hoofdstuk 3 van het (Bal). In afdeling 8.5 'Omgevingsvergunning milieubelastende activiteit' van het (Bkl) staan beoordelingsregels. Het bevoegd gezag gebruikt deze beoordelingsregels bij het beoordelen van de vergunningaanvraag. In het Bkl staan algemene beoordelingsregels en specifieke beoordelingsregels voor geur.
In subparagraaf 22.3.6.2 van het omgevingsplan regelt de gemeente de geur van veehouderijen. In paragraaf 5.1.4.6 Bkl staan de instructieregels hiervoor. De instructieregels gelden alleen voor geur van landbouwhuisdieren in een dierenverblijf op een geurgevoelig gebouw en gaan over; Geurnormen in het omgevingsplan; Rekenen; Afstandseisen (bebouwingscontour geur); Randvoorwaarden. Geurgevoelige gebouwen In artikel 5.91, eerste lid, van het Bkl is vastgelegd welke gebouwen in ieder geval geurgevoelig zijn. Het betreft een gebouw of een gedeelte van een gebouw met een: a. Woonfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan; b. Onderwijsfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan; c. Gezondheidszorgfunctie met bedgebied en nevengebruiksfuncties daarvan; of d. Bijeenkomstfunctie voor kinderopvang met bedgebied en nevengebruiksfuncties daarvan. 4.8.2 Situatie plangebied Met de beoogde ontwikkeling worden geurgevoelige gebouwen mogelijk gemaakt. Derhalve is nadere toetsing noodzakelijk. Rondom het plangebied zijn geen intensieve veehouderijen, geitenhouderijen of andere bedrijfsmatige activiteiten gelegen die geurhinder veroorzaken. De afstand tussen het plangebied en de dichtstbijzijnde veehouderij bedraagt ongeveer 700 meter.
Ook worden in de nabije omgeving van het plangebied geen landbouwhuisdieren, paarden of pony's hobbymatig gehouden, waardoor geurhinder afkomstig daarvan ook kan worden uitgesloten. Het plan is derhalve niet in strijd met het Bkl en met de regels zoals opgenomen in H22 van de Bruidsschat. Aan de Espelerweg 12.2 bevindt zich een boerderijschool met woonzorgvoorziening. Op deze locatie worden twee schapen en drie kippen gehouden. Dit is naar aard en omvang vergelijkbaar met hobbymatige dierhouderij.
Daarnaast kan worden opgemerkt dat de gewenste woonactiviteiten in het plangebied geen activiteiten zijn die geurhinder veroorzaken.
bestemmingsplan (ontwerp)
53
bestemmingsplan TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22f Emmeloord - Emmelhage fase 4
4.8.3 Conclusie De ontwikkeling is in overeenstemming met instructieregels voor geur omdat geurhinder uitgesloten kan worden. Ook is het aspect geur niet relevant in het kader van ETFAL. Het aspect geur vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
4.9
Spuitzones
4.9.1 Algemeen Ter plaatse van agrarische gronden kan sprake zijn van het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen. Het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen kan gezondheidsrisicos met zich meebrengen. Bij ruimtelijke plannen in de omgeving van agrarische gronden dienen deze mogelijke gezondheidsrisicos te worden afgewogen. Er gelden geen wettelijke normen of afstandseisen voor het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen in de omgeving van woningen.
Toch wordt er, in het kader van een evenredige toedeling van functies aan locaties, gekeken hoe de woningen zich verhouden tot deze agrarische gronden. Hiervoor wordt veelal getoetst met een richtafstand van 50 meter tussen woningen en agrarische gronden. De 50 meter-contour is geen harde grens. Verkleinen van een spuitzone is in beginsel mogelijk maar dit dient wel goed te worden gemotiveerd. 4.9.2 Situatie plangebied Aan de noord- en westzijde van het plangebied liggen momenteel agrarische gronden. Op deze gronden is het toegestaan om gewasbeschermingsmiddelen toe te passen. Aan de noordzijde is een ruime groenstrook en watergang gesitueerd. De afstand tussen de agrarische gronden en de tuinen van de noordelijkst gelegen woningen bedraagt meer dan 50 meter en er wordt voldaan aan de richtafstand.
Ten westen van het gebied zal tussen de woningen een weg met een groenstrook liggen. De afstand tussen de voortuinen en de woningen zal ongeveer 40 meter bedragen. Daarmee wordt niet voldaan aan de richtafstand. Daarom is in de planregels van dit omgevingsplan een spuitvrije zone opgenomen, waarmee aan de richtafstand van 50 meter wordt voldaan. 4.9.3 Conclusie Voor het planvoornemen worden maatregelen getroffen om te voldoen aan de richtafstand van 50 meter.
4.10 Trilling 4.10.1
Algemeen
De beoordeling van het aspect trillingen vindt zijn grondslag in artikel 4.2 van de Omgevingswet. Trillingshinder kan op twee manieren optreden. 1. Toevoeging van een milieubelastende activiteit met een trillingsemissie. In artikel 22.88 van de bruidsschat, die onderdeel uitmaakt van het tijdelijke omgevingsplan, zijn maximale waarden voor continue trillingen en voor herhaald voorkomende trillingen opgenomen. 2. Toevoeging van een trillinggevoelig gebouw. De Omgevingswet beschermt trillinggevoelige gebouwen tegen trillingen van activiteiten. In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) staan hiervoor instructieregels. Voor de activiteiten wonen, wegen, vaarwegen en spoorwegen zijn er geen instructieregels voor trillingen. De gemeente kan hier eigen regels voor opstellen.
54
bestemmingsplan (ontwerp)
bestemmingsplan TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22f Emmeloord - Emmelhage fase 4
Het onderdeel trillingen is geregeld in paragraaf 22.3.5 van de Bruidsschat. Daarin worden regels gesteld aan trillingen in een frequentie van 1 tot 80 Hz door een activiteit in een trillinggevoelige ruimte van een trillinggevoelig gebouw, die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. Er gelden maximale waarden voor continue trillingen en voor herhaald voorkomende trillingen. De maximale waarden zijn opgenomen in de tabellen in artikel 22.88 en 5.87a van de Bruidsschat.
Wat is een trillinggevoelig gebouw? Volgens artikel 5.80, eerste lid, Bkl is een trillinggevoelig gebouw een gebouw of een gedeelte van een gebouw met een: a. woonfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan; b. onderwijsfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan; c. gezondheidszorgfuncties met bedgebied en nevengebruiksfuncties daarvan; of d. bijeenkomstfunctie voor kinderopvang met bedgebied en nevengebruiksfuncties daarvan. Weg- en spoorverkeer Weg- en spoorwegverkeer kunnen trillingen veroorzaken in woningen, scholen en dergelijke. Dit moet het bevoegd gezag betrekken bij de ruimtelijke inpassing van spoor(wegen) en/of trillinggevoelige gebouwen, in het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Gemeentelijke wegen en/of trillinggevoelige gebouwen bij wegen Verkeer over een oneffen wegdek veroorzaakt trillingen. Bij het passeren van vooral zware voertuigen, zoals vrachtwagens en bussen, kunnen trillingen ontstaan met een kortdurend karakter. De aard van deze trilling is afhankelijk van het type voertuig en de belading, de rijsnelheid en de vorm van de oneffenheden, zoals bij een brug. In de meeste gevallen speelt het aspect trillingen geen rol bij de ruimtelijke inpassing. In deze situatie kan het bevoegd gezag gebruikmaken van de SBR-richtlijn. Er gelden hiervoor geen instructieregels van het Rijk. 4.10.2
Situatie plangebied
Woningen worden aangemerkt als trillinggevoelige gebouwen. In de nabijheid van het plangebied is er geen sprake van bronnen die voor trillingen kunnen zorgen. In de nabije omgeving is geen spoorlijn gelegen. De enige bron van mogelijke trillingen is de Espelerweg. De afstand van de Espelerweg tot aan de woningen is dusdanig groot dat trilhinder door wegen kan worden uitgesloten. Daarnaast is wonen geen activiteit die zorgt voor trillingen. 4.10.3
Conclusie
De ontwikkeling is in overeenstemming met instructieregels voor trillingen omdat in de omgeving geen milieubelastende activiteiten aanwezig zijn die mogelijk trillingen veroorzaken ter plaatse van het plangebied. Verder zijn ook geen andere trillingsbronnen aanwezig in de omgeving waardoor trillingen in het kader van ETFAL niet relevant zijn. Het aspect trillingen vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
bestemmingsplan (ontwerp)
55
bestemmingsplan TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22f Emmeloord - Emmelhage fase 4
4.11 Omgevingsveiligheid 4.11.1
Algemeen
In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit de veiligheid gewaarborgd wordt. Gedoeld wordt op het waarborgen van de veiligheid ter voorkoming van branden, rampen of crises.
De hoofdlijnen van het wettelijk kader omtrent de externe veiligheid zijn opgenomen in instructieregels in afdeling 5.1.2 Bkl. In bijlage VII van het Bkl zijn activiteiten aangewezen als risicobronnen. Deze risicobronnen zijn van belang voor de regels over het plaatsgebonden risico en aandachtsgebieden. Het betreft de volgende activiteiten: Activiteiten met gevaarlijke stoffen bij bedrijven. Dit zijn verschillende milieubelastende activiteiten uit het Besluit activiteiten leefomgeving. Het basisnet vervoer gevaarlijke stoffen (weg, water en spoor). Buisleidingen met gevaarlijke stoffen die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteiten leefomgeving. Windturbines die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteit leefomgeving. Het werken met aandachtsgebieden voor externe veiligheidsrisico's is een nieuwe manier van omgaan met het groepsrisico (artikel 5.12 t/m 5.15 Bkl). Een aandachtsgebied geldt van rechtswege. Deze worden vastgelegd in het Register Externe Veiligheid en zijn digitaal raadpleegbaar. Voor het project moet binnen deze aandachtsgebieden rekening worden gehouden met het groepsrisico. Hier wordt aan voldaan door in het aandachtsgebied geen beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen toe te laten en ook geen beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties.
Deze gebouwen en locaties zijn wel toelaatbaar als er daarvoor extra maatregelen worden genomen. Dat dient te geschieden met voorschriftengebieden.
Voor een project dient in principe een aandachtsgebied als voorschriftengebied te worden aangewezen als er met het project kwetsbare gebouwen worden toegestaan. In een voorschriftengebied gelden de extra bouweisen van paragraaf 4.2.14 van het Besluit bouwwerken leefomgeving (hierna: Bbl). Daarnaast staan in het Bkl ook instructieregels voor de volgende risicobronnen die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteiten leefomgeving: opslaan, bewerken en herverpakken van vuurwerk (afdeling 5.1.2.4 Bkl); opslaan en bewerken van ontplofbare stoffen voor civiel gebruik (afdeling 5.1.2.5 Bkl); exploiteren van een IPPC-installatie voor het maken van explosieven (afdeling 5.1.2.5 Bkl); opslaan en bewerken van ontplofbare stoffen voor militair gebruik (afdeling 5.1.2.5 Bkl). Naast het werken met, de opslag of het vervoer van gevaarlijke stoffen, kunnen ook andere activiteiten binnen of buiten het deelplangebied dat wordt gewijzigd aanleiding geven tot branden, rampen of crises. In de Handreiking Bouwstenen Fysieke Veiligheid in het Omgevingsplan van de veiligheidsregios zijn hiervoor de volgende themas aangewezen: bluswater en bereikbaarheid; natuurbranden; windturbines; overstroming en klimaatadaptatie; evenementen; 56
bestemmingsplan (ontwerp)
bestemmingsplan TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22f Emmeloord - Emmelhage fase 4 het gebruik van gebouwen; rookoverlast. Bij het opstellen van de wijziging van het omgevingsplan wordt aangesloten bij de uitwerking volgens de Handreiking Bouwstenen Fysieke Veiligheid in het Omgevingsplan. Bij het gebruik van gebouwen is de gebruiksmelding aangepast naar uitsluitend de zeer kwetsbare gebouwen binnen brand- of explosieaandachtsgebieden. 4.11.2
Situatie in en bij het plangebied
Aan de hand van de veiligheidskaarten van de Atlas Leefomgeving is een inventarisatie verricht van risicobronnen in en rond het plangebied. Op deze kaarten staan meerdere soorten risico's, zoals ongevallen met brandbare, explosieve en giftige stoffen, grote branden of verstoring van de openbare orde. In figuur 4.11.1 is de veiligheidskaart weergegeven.
Figuur 4.11.1 Uitsnede veiligheidskaart met het plangebied (paarse ster) (bron: Atlas leefomgeving).
Uit voorgaande figuur blijkt dat het plangebied zich niet bevindt: binnen de plaatsgebonden risicocontour van milieubelastende activiteiten; binnen een brand-, explosie-, gifwolkaandachtgebied van nabijgelegen water, spoor, wegen, buisleidingen en risicovolle inrichtingen. Met de beoogde ontwikkeling worden geen risicovolle inrichtingen gerealiseerd, aangezien wonen geen risicovolle activiteit is.
Ontplofbare Oorlogsresten
bestemmingsplan (ontwerp)
57
bestemmingsplan TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22f Emmeloord - Emmelhage fase 4
Naast de Atlas Leefomgeving is ook de provinciale Flevoland Bodembelastingkaart Ontplofbare Oorlogsresten geraadpleegd (zie figuur 4.11.2). Hieruit blijkt dat het plangebied is aangewezen als een onverdacht gebied: er zijn geen of onvoldoende aanwijzingen voor de aanwezigheid van ontplofbare oorlogsresten. Voor grondroerende werkzaamheden hoeven daarom geen maatregelen getroffen te worden.
Figuur 4.11.2. Bodembelastingkaart Ontplofbare Oorlogsresten (plangebied aangegeven met zwarte ster) (bron: Provincie Flevoland).
Overig Naast externe veiligheidsrisicos dient ook rekening gehouden te worden met risicos van branden, rampen en crises. Ter plaatse van het projectgebied is geen verhoogde kans op branden. Op basis van de Atlas Leefomgeving is de kans op een overstroming vanuit zee, meer of rivier eenmaal per duizend jaar. Vanwege deze kans wordt hieronder kort ingegaan op de bereikbaarheid, bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid van het gebied.
Bestrijdbaarheid, bereikbaarheid en zelfredzaamheid Voor de volledigheid wordt kort ingegaan op de bestrijdbaarheid van calamiteiten binnen het projectgebied, de bereikbaarheid van het projectgebied en de zelfredzaamheid van personen binnen het projectgebied. Vanwege de relatief grote afstand tot relevante risicobronnen (ligging buiten brand-, explosie- en gifwolkaandachtsgebied) wordt geen aandacht besteed aan de bestrijdbaarheid aan de risicobron zelf, aangezien de bestrijdbaarheid afhankelijk is van het ongevalscenario. Het is niet nodig om bouweisen te stellen vanwege een omgevingsveiligheidsrisico.
In de toekomstige situatie blijft het projectgebied bestaan uit een woongebied. De aanwezige personen zullen over het algemeen zelfredzaam zijn. Aanwezige gehandicapten, kinderen en ouderen worden wel beschouwd als verminderd zelfredzame 58
bestemmingsplan (ontwerp)
bestemmingsplan TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22f Emmeloord - Emmelhage fase 4 personen. Hierbij wordt echter ervan uitgegaan dat in geval van nood de ouders/verzorgers de verminderd zelfredzame personen kunnen begeleiden. De aanwezigen zullen in staat zijn om zelfstandig, conform instructies, bijvoorbeeld via NL-Alert of het Waarschuwings- en Alarmeringssysteem (WAS), te handelen. Vanwege de ligging is het goed mogelijk om in iedere windrichting te vluchten, weg van de calamiteit.
De verschillende delen van Emmelhage fase 4 zijn bereikbaar via de hoofdontsluitingswegen. Alle deelgebieden zijn via tenminste twee toegangen ontsloten. Fase 4A en 4B zijn verbonden door een dam die toegankelijk is voor nood- en hulpdiensten. Hierbij is het van belang dat deze doorgang minimaal 2 meter breed is.
Daarnaast is op meerdere plekken een passeerstrook aangelegd bestaande uit grasbetontegels. Hierdoor is het voor hulpdiensten mogelijk om veilig het overige verkeer of geparkeerde voertuigen te passeren.
4.11.3
Conclusie
De ontwikkeling is in overeenstemming met instructieregels voor (externe) veiligheid, omdat het projectgebied niet in een aandachtsgebied ligt, geen risicobronnen mogelijk worden gemaakt en de bestrijdbaarheid, bereikbaarheid en zelfredzaamheid in het plangebied voldoende is. Het aspect omgevingsveiligheid vormt geen belemmering voor de gewenste ontwikkeling.
4.12 Hinder wind, licht en (slag)schaduw 4.12.1
Windhinder
Met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties dient te worden aangetoond dat er geen sprake is van onaanvaardbare gevolgen voor het windklimaat ter plaatse van eventueel aanwezige bestaande woningen en de directe omgeving. De rijksoverheid heeft voor dit aspect van de fysieke leefomgeving geen instructieregels opgesteld. Daarom heeft de gemeente de vrijheid om deze zelf in te vullen.
4.12.2
Lichthinder
Met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties dient te worden aangetoond dat geen sprake is van onaanvaardbare gevolgen voor de bezonningssituatie ter plaatse van eventueel aanwezige bestaande woningen. De rijksoverheid heeft voor dit aspect van de fysieke leefomgeving geen instructieregels opgesteld. Daarom heeft de gemeente de vrijheid om deze zelf in te vullen.
4.12.2.1
Kassen
In artikel 3.205 Besluit activiteiten leefomgeving wordt het telen van gewassen in kassen aangewezen als milieubelastende activiteit. Daarbij moet voldaan worden aan de regels die zijn gesteld in paragraaf 4.75 over assimilatiebelichting.
In paragraaf 4.75 geeft artikel 4.790 (lichthinder) voorschriften voor het gebruiken van assimilatiebelichting in een kas. Het voorschrift is hieronder opgenomen. Dit voorschrift is overeenkomstig artikel 3.56 t/m 3.59 van het Activiteitenbesluit, dat inmiddels is vervallen. Dit voorschrift heeft rechtstreekse werking en hoeft niet te worden opgenomen in het omgevingsplan.
bestemmingsplan (ontwerp)
59
bestemmingsplan TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22f Emmeloord - Emmelhage fase 4
4.12.2.2
Sportvelden
In de Bruidsschat is artikel 22.239 opgenomen ter voorkoming van lichthinder door sportvelden. Dit is overeenkomstig artikel 3.148 van het Activiteitenbesluit. Ons voorstel is om deze regel te behouden en op te nemen in hoofdstuk 11 Milieuaspecten van activiteiten. De gemeente kan voor het begrip lichthinder de Richtlijn lichthinder van de Nederlandse Stichting voor Verlichtingskunde (NSVV) gebruiken en op basis daarvan aanvullende regels stellen, bijvoorbeeld hoe sportverlichting moet worden uitgevoerd. Wanneer er nu geen problemen zijn ten aanzien van lichthinder, wordt geadviseerd voorlopig alleen de basisregel op te nemen.
4.12.3
Slagschaduw
Op grond van artikel 5.89c van het Bkl wordt bij het wijzigen van het omgevingsplan rekening gehouden met de slagschaduw door windturbines in verblijfsruimten van slagschaduwgevoelige gebouwen. Als met het wijzigen van het omgevingsplan het in werking hebben van een windturbine wordt toegelaten of in de omgeving van een windturbine de vestiging van een slagschaduwgevoelig gebouw wordt toegestaan, dan moet worden geborgd dat daarbij tevens wordt voldaan aan artikel 5.89f van het Bkl. Uit dit artikel blijkt dat in het omgevingsplan wordt opgenomen dat in verblijfsruimten van een slagschaduwgevoelig gebouw dat op een afstand van minder dan twaalfmaal de rotordiameter van de windturbine is gelegen ten hoogste gemiddeld zeventien dagen per jaar gedurende niet meer dan twintig minuten per dag slagschaduw door de windturbine kan optreden. 4.12.4
Situatie plangebied
In de nabijheid van het plangebied zijn geen kassen en sportvelden gelegen. Bovendien wordt een woonwijk mogelijk gemaakt en geen activiteiten die kunnen leiden tot lichthinder. Lichthinder is daarom uitgesloten.
De ontwikkeling voorziet niet in de aanleg van hoogbouw en is ook niet gelegen in de buurt van hoogbouw. Eveneens zijn in en nabij het plangebied geen windturbines toegestaan. Windhinder en slagschaduw kunnen daarom worden uitgesloten.
Met het plan worden windmolens niet mogelijk gemaakt en uitgesloten in de planregels. Hierdoor is het plan niet in strijd met de provinciale instructieregels. 4.12.5
Conclusie
Het plan is niet in strijd met de instructieregels. Het treffen van aanvullende maatregelen is niet noodzakelijk. Wel dient in de planregels een verbod opgenomen te worden voor het realiseren van windmolens, zodat het plan niet in strijd is met de provinciale instructieregels. Het aspect 'lichthinder' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het plan.
4.13 Bodem 4.13.1
Algemeen
Ter bescherming van de gezondheid en het milieu zijn voor het aspect bodem instructieregels in het Bkl opgenomen. De inhoud van deze regels is via het Aanvullingsbesluit bodem Omgevingswet opgenomen in paragraaf 5.1.4.5 Bkl. Het aanvullingsbesluit bepaalt voor welke activiteiten kan worden volstaan met een melding. Er worden drie basisvormen van bodemgebruik onderscheiden: landbouw/natuur, wonen en industrie. De kaders zijn gebaseerd op de risicogrenswaarden die voor de betreffende situaties zijn afgeleid.
60
bestemmingsplan (ontwerp)
bestemmingsplan TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22f Emmeloord - Emmelhage fase 4
De algemene doelstelling van het bodembeleid is het waarborgen van de gebruikswaarde van de bodem en het faciliteren van het duurzaam gebruik van de functionele eigenschappen van de bodem, door in onderlinge samenhang: beschermen van de bodem tegen nieuwe verontreinigen en aantastingen; evenwichtige toedeling van functies aan locaties, rekening houdend met de kwaliteiten van de bodem; duurzaam en doelmatig beheren van de resterende historische verontreinigingen en -aantastingen. De gemeente stelt de waarde voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem vast. Deze waarde mag niet hoger zijn dan het blootstellingsniveau van het maximaal toelaatbaar risico voor de mens. Dit is opgenomen in bijlage VA van het Bkl. De toelaatbare kwaliteit van de bodem is een voorwaarde voor bouwen op verontreinigde bodem en is geen omgevingswaarde.
Het Rijk stelt instructieregels aan gemeenten voor het toelaten van een bouwactiviteit op een bodemgevoelige locatie. De gemeente moet: Op grond van artikel 5.89i en artikel 5.89j Bkl de waarde vaststellen waarboven er bij de realisatie van gebouwen op bodemgevoelige locaties maatregelen nodig zijn. Op grond van artikel 5.89k Bkl aangeven welke sanerende of andere beschermende maatregelen nodig zijn bij overschrijding van de waarde. Op grond van artikel 5.89l Bkl een meldingsplicht instellen voor locaties die op grond van het omgevingsplan niet vergunningplichtig zijn. Op grond van artikel 5.89m Bkl een bepaling opnemen over de ingebruikname. Deze regels zorgen voor zowel een evenwichtige toedeling van functies aan locaties als het beschermen van de gezondheid en van het milieu, in het bijzonder van de bodemkwaliteit.
Bodemgevoelig gebouw Een bodemgevoelig gebouw is een gebouw of een gedeelte van een gebouw dat de bodem raakt en waar personen meer dan 2 uur per dag aaneengesloten aanwezig zijn. 4.13.2
Situatie plangebied
Met de beoogde ontwikkeling worden een bodemgevoelig gebouwen mogelijk gemaakt. Voor de beoogde ontwikkeling zijn twee bodemonderzoeken verricht. Het verkennend bodemonderzoek conform NEN 5740 en een verkennend bodemonderzoek asbest in puin conform NEN 5897 uitgevoerd (zie bijlage 6) en het milieuhygiënisch vooronderzoek conform NEN5725 (zie bijlage 6).
Milieuhygiënisch vooronderzoek Uit het onderzoek blijkt het volgende: Ter plaatse van de dam inrit in het zuidwesten van de onderzoekslocatie boring 01 en 02 is bodemvreemd materiaal aangetroffen (waarschijnlijk een laag bakstenen). Dit duidt op een mogelijke bodemverontreiniging. De bodem is verdacht op stoffen uit het standaardpakket grond. Er zijn sporen van baksteen in proefboring 03, 04 en 17 aangetroffen de mate van en soort bijmenging is onverdacht op bodemverontreiniging. Tijdens de terreinverkenning zijn geen andere zaken waargenomen waardoor de bodem als verdacht dient te worden beschouwd op bodemverontreinigingen. De bodemkwaliteitsklasse van de boven- en ondergrond voldoen volgens de
bestemmingsplan (ontwerp)
61
bestemmingsplan TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22f Emmeloord - Emmelhage fase 4 bodemkwaliteitskaart aan klasse landbouw/natuur, en voor PFAS geldt ook de klasse landbouw/natuur voor de bodem. Op basis van dit onderzoek wordt aanbevolen om ter plaatse van de zuidwestelijke dam een verkennend onderzoek uit te voeren om de milieuhygiënische kwaliteit vast te stellen. De aanwezigheid van bodemvreemd materiaal geeft aanleiding om bodemverontreiniging te vermoeden.
Verkennend bodemonderzoek inclusief asbest in puin Op basis van het uitgevoerde onderzoek kan worden geconcludeerd dat er geen sprake is van een bodemverontreiniging van betekenis en de onderzoeksresultaten geven geen aanleiding tot het uitvoeren van een nader bodemonderzoek. De locatie is voldoende onderzocht en in het kader van de Omgevingswet zijn geen vervolgstappen noodzakelijk.
Bodemfunctieklasse Op basis van de bodemfunctieklassenkaart, die onderdeel is van de Nota Bodembeheer, heeft het gebied de functie wonen. Daarnaast kent het gebied een ontgravings- en toepassingsklasse landbouw/natuur. Het is niet noodzakelijk om de bodemfunctieklasse te wijzigen. Wel geldt dat bij het aanbrengen van nieuwe gronden, indien de klasse ongewijzigd blijft, deze moeten voldoen aan de waarden van de klasse landbouw/natuur.
4.13.3
Conclusie
De onderzoeken hebben aangetoond dat de bodem van voldoende kwaliteit is voor de beoogde ontwikkeling. Het plan is niet in strijd met de instructieregels. Het is niet noodzakelijk om de bodem te saneren en het opstellen van aanvullende planregels is niet noodzakelijk. Het aspect bodem vormt geen belemmering voor de gewenste ontwikkeling.
4.14 Archeologie, cultuurhistorie en cultureel erfgoed 4.14.1
Algemeen
In deze paragraaf wordt toegelicht op welke wijze bij de activiteit rekening is gehouden met cultureel erfgoed en werelderfgoed, zowel binnen als buiten de locatie van de activiteit. Wat onder cultureel erfgoed wordt verstaan is opgenomen in bijlage A (begrippen) van de Omgevingswet. Het gaat hierbij om monumenten, archeologische monumenten, stads- en dorpsgezichten, cultuurlandschappen en, voor zover dat voorwerp is of kan zijn van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties in het omgevingsplan, ander cultureel erfgoed als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet. De Erfgoedwet bevat de wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed en archeologie in Nederland. Het is op basis hiervan verplicht om de facetten historische (steden)bouwkunde en historische geografie mee te nemen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren. Voor de bescherming van het landschap geldt voor Nederland het Europees landschapsverdrag. Dit verdrag erkent dat landschappen een onderdeel zijn van de fysieke leefomgeving. In artikel 1.2 lid 1 sub g Omgevingswet worden 'landschappen' als onderdeel van de fysieke leefomgeving aangemerkt. Het landschapsbeleid kan door Rijk, provincie of gemeente in een omgevingsvisie zijn vastgelegd. Deels zijn
62
bestemmingsplan (ontwerp)
bestemmingsplan TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22f Emmeloord - Emmelhage fase 4 landschapswaarden in instructieregels van het Bkl verankerd. Artikel 5.129 Bkl bevat bijvoorbeeld een instructieregel over het behoud van uitzicht op de vrije horizon van de zee. Een ander voorbeeld is de instructieregel over het cultureel erfgoed over onder andere bescherming van cultuurlandschappen.
Archeologie Initiatiefnemers hebben op basis van de Erfgoedwet een archeologische zorgplicht bij projecten waarbij de bodem wordt verstoord. Hiervoor is onderzoek noodzakelijk: het archeologisch vooronderzoek. Als blijkt dat in het plangebied behoudenswaardige archeologische vindplaatsen aanwezig zijn, dan kan de initiatiefnemer verplicht worden hiermee rekening te houden. Dit kan leiden tot een aanpassing van de plannen, waardoor de vindplaatsen behouden blijven, of tot een archeologische opgraving en publicatie van de resultaten.
Cultuurhistorie Onder cultuurhistorische waarden worden alle structuren, elementen en gebieden bedoeld die cultuurhistorisch van belang zijn. Zij vertellen iets over de ontstaansgeschiedenis van het Nederlandse cultuurlandschap. Vaak is er een sterke relatie tussen aardkundige aspecten en cultuurhistorische aspecten. Hierbij kan ook gedacht worden aan in de nabijheid het plangebied gelegen werelderfgoed. 4.14.2
Situatie plangebied
4.14.2.1
Archeologie
Voor het bestemmingsplan Emmelhage 2004 is een archeologisch onderzoek uitgevoerd. Op basis van dit onderzoek is het bestemmingsplan vastgesteld zonder archeologische dubbelbestemming. Het opnemen van een aanlegvergunningplicht in de wijziging van het omgevingsplan kan daarom achterwege blijven.
Meldingsplicht toeval vondsten Ook voor vrijgegeven (delen van) plangebieden bestaat altijd de mogelijkheid dat er tijdens graafwerkzaamheden toch losse sporen en vondsten worden aangetroffen. Voor graafwerkzaamheden in de voormalige Zuiderzee-afzettingen geldt een blijvende verwachting op het aantreffen van resten van scheepswrakken uit de middeleeuwen en nieuwe tijd, vliegtuigwrakken uit de Tweede Wereldoorlog en fossiele eiken.
4.14.2.2
Cultuurhistorie en cultureel erfgoed
Op basis van de cultuurhistorische waardenkaart van Flevoland en het gemeentelijke beleidsstuk Erfgoed in de gemeente Noordoostpolder blijkt dat zich binnen het plangebied geen rijks- dan wel gemeentelijke monumenten of andere cultuurhistorische waarden bevinden (zie figuur 4.14.1).
bestemmingsplan (ontwerp)
63
bestemmingsplan TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22f Emmeloord - Emmelhage fase 4
Figuur 4.14.1. Uitsnede Cultuurhistorische waardenkaart Flevoland (bron: provincie Flevoland).
De kavels en de directe omgeving waarop de beoogde uitbreiding van Emmelhage, fase 4, is gesitueerd, kennen een aantal karakteristieken die kenmerkend zijn voor de Noordoostpolder. Het gaat om een gebied met de waarde 'Openheid'. Gebieden met deze waarde kenmerken zich door grootschalige open ruimten en vrije uitzichten tot aan de horizon, waarin weinig verticale elementen zoals boerderijen, bossen en wegbeplanting voorkomen. Openheid van het landschap is karakteristiek voor grote delen van de provincie Flevoland. Het planvoornemen zal geen afbreuk doen aan deze omliggende cultuurhistorische waarden. 4.14.3
Conclusie
Het plan is niet in strijd met de (instructie)regels. Het treffen van aanvullende maatregelen en/of het opstellen van planregels is niet noodzakelijk. Het aspect 'cultureel erfgoed' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het plan.
4.15 Natuur 4.15.1
Algemeen
In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect natuur. Het gaat hierbij in de eerste plaats om regels voor de gebiedsbescherming van aangewezen Natura 2000-gebieden, regels voor de soortenbescherming van te beschermen planten diersoorten (waaronder vogels) en regels ter bescherming van houtopstanden. Voor deze aspecten zijn diverse regels opgenomen in het Bkl.
64
bestemmingsplan (ontwerp)
bestemmingsplan TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22f Emmeloord - Emmelhage fase 4
4.15.2
Gebiedsbescherming
4.15.2.1
Natura 2000-gebieden
De Europese Vogel- en Habitatrichtlijn beschermt Natura 2000-gebieden. Natura 2000 is een samenhangend netwerk van natuurgebieden in Europa. Natura 2000 bestaat uit gebieden die zijn aangewezen in het kader van de Europese Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en gebieden die zijn aangemeld op grond van de Europese Habitatrichtlijn (92/43/EEG). De minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit wijst de Natura 2000-gebieden aan. Op grond van artikel 2.43 Omgevingswet legt hij ook de instandhoudingsdoelstellingen vast. Dit gebeurt in een aanwijzingsbesluit.
Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten, mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze bij de voorbereiding van een omgevingsplan of bij het afwijken van het omgevingsplan in kaart te worden gebracht en beoordeeld. Natura 2000-gebieden hebben een externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden en verstoring kunnen veroorzaken, moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats.
Een ruimtelijk plan dat significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied kan alleen worden vastgesteld indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. Indien deze zekerheid niet is verkregen, kan het plan worden vastgesteld, indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden: 1. alternatieve oplossingen zijn niet voorhanden; 2. het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard; en 3. de noodzakelijke compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000-netwerk bewaard blijft. In afdeling 8.6 Bkl staat het beoordelingskader voor de omgevingsvergunning voor Natura 2000-activiteiten. Dit is door middel van het aanvullingsspoor Natuur gebeurd.
4.15.2.2
Natuurnetwerk Nederland (NNN)
Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is de kern van het Nederlandse natuurbeleid. Het NNN is in provinciale omgevingsvisies- en verordeningen uitgewerkt. In of in de directe nabijheid van het NNN geldt het 'nee, tenzij'- principe. In principe zijn er geen ontwikkelingen toegestaan als zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied aantasten.
In artikel 15.5 van de provinciale verordening Flevoland zijn regels opgenomen die relevant zijn ter bescherming van het NNN wanneer een omgevingsplan wordt vastgesteld.
Artikel 15.15 Een omgevingsplan, voor zover het betrekking heeft op een gebied binnen of nabij het aangewezen Natuurnetwerk Nederland: a. strekt mede tot bescherming, instandhouding en ontwikkeling van de wezenlijke kenmerken en waarden van dat gebied, b. maakt alleen activiteiten mogelijk die per saldo niet leiden tot de achteruitgang van de
bestemmingsplan (ontwerp)
65
bestemmingsplan TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22f Emmeloord - Emmelhage fase 4 kwaliteit en oppervlakte van het natuurnetwerk, vermindering van de samenhang tussen die gebieden of tot nadelige gevolgen voor de wezenlijke kenmerken en waarden van het natuurnetwerk. 4.15.3 Soortenbescherming Onder de Omgevingswet zijn veel dier- en plantsoorten beschermd. De bescherming richt zich op soorten van Europees belang, die onder de reikwijdte van de Vogel- en Habitatrichtlijn vallen, als om bepaalde soorten van nationaal belang. Soortenbescherming vindt plaats binnen en buiten het natuurnetwerk Nederland. Het kan de vorm hebben van wet- en regelgeving, maar ook van fysieke maatregelen die bescherming, vestiging of uitbreiding van een soortenpopulatie stimuleren. Op grond van artikel 2.18 lid 1 sub f Omgevingswet zijn in beginsel de provincies hiervoor verantwoordelijk. Echter, ook decentrale overheden kunnen hierover actief beleid voeren. Hierbij kan worden gedacht aan het vaststellen van bijvoorbeeld een programma voor soortenbescherming. Door strikte formulering van een flora- en fauna-activiteit moet bij vrijwel alle activiteiten in de fysieke leefomgeving nagegaan worden of: er soorten aanwezig zijn; en welke soorten dat zijn. In hoofdstuk 11 van het Besluit activiteiten leefomgeving wordt bepaald wanneer een vergunning nodig is.
In de provinciale omgevingsverordening is dit doorvertaald in Afdeling 16.2.2 'Activiteiten met betrekking tot dieren of planten in het wild'. Hierin bestaat benoemd voor welke soorten een vrijstelling geldt en voor welke soorten een omgevingsvergunning voor een flora-en-fauna-activiteit geldt. 4.15.4
Situatie plangebied
Het plangebied ligt in binnenstedelijk gebied en maakt geen deel uit van beschermde natuurgebieden. Het dichtstbijzijnde NNN-gebied ligt op een afstand van circa 2,5 kilometer van het plangebied (zie figuur 4.15.1). De afstand tot het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied, het IJsselmeer, bedraagt bijna 9 kilometer. Directe effecten zoals areaalverlies en versnippering zijn uitgesloten. Gezien de afstand tot natuurgebieden en de locatie van het plangebied kunnen ook verstoring en verandering van de waterhuishouding worden uitgesloten. Het plan is daarom niet in strijd met de provinciale instructieregel met betrekking tot de NNN.
66
bestemmingsplan (ontwerp)
bestemmingsplan TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22f Emmeloord - Emmelhage fase 4
Figuur 4.15.1. Uitsnede kaart met plangebied (zwarte ster) ten opzichte Natuurnetwerk Nederland/NNN gebieden (bron: atlasleefomgeving.nl)
van
Figuur 4.15.2 Uitsnede kaart met plangebied (blauwe ster) ten opzichte van Natura-2000 gebieden (bron: atlasleefomgeving.nl)
Gebiedsbescherming: stikstof Voor de ontwikkeling is een stikstofonderzoek uitgevoerd. Het stikstofonderzoek is
bestemmingsplan (ontwerp)
67
bestemmingsplan TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22f Emmeloord - Emmelhage fase 4 opgenomen in bijlage 8. In deze berekening is het hoogst maatgevende jaar en de exploitatiefase berekend. Door middel van een Aerius-berekening is inzichtelijk gemaakt of er sprake is van depositie van stikstof op omliggende Natura-2000 gebieden en in welke mate. Uit deze berekening blijkt dat nergens sprake is van een depositie die hoger dan 0,00 m/ha/jaar is. De kwaliteit van de natuurlijke habitats of de habitats van soorten verslechterd niet. Het project heeft geen significant effect op Natura-2000 gebieden.
Soortenbescherming Het gebied is mogelijk geschikt als biotoop voor beschermde soorten. Om een effect op beschermde soorten uit te sluiten is door het onderzoeksbureau Mateboer Milieutechniek een Quickscan Ecologie uitgevoerd (EC247115/SK) die als bijlage 9 is toegevoegd bij deze motivering. Op basis van het bureauonderzoek en het oriënterend veldbezoek kunnen de volgende conclusies met betrekking tot beschermde natuurgebieden en soorten worden getrokken: Voor grondgebonden zoogdieren en algemeen voorkomende amfibieën geldt de zorgplicht. Voor de beschermde amfibieën en vleermuizen is het opstellen van een werkprotocol noodzakelijk. Voor de rugstreeppad dienen aanvullende maatregelen te worden getroffen om schadelijke handelingen te voorkomen. Deze maatregelen dienen te worden opgenomen in het ecologisch werkprotocol. Het plangebied is geschikt als vliegroute voor de vleermuis. Het is noodzakelijk om de werkzaamheden uit te voeren in de daglichtperiode en een verlichtingsplan op te stellen binnen het ecologisch werkprotocol. Voordat de werkzaamheden van start gaan, wordt er een ecologisch werkprotocol opgesteld. Tijdens het uitvoeren van de w erkzaamheden wordt dit protocol nageleefd. 4.15.5
Conclusie
Het plan is niet in strijd met de instructieregels. Het opstellen van planregels is niet noodzakelijk. Bij het uitvoeren van de werkzaamheden is het noodzakelijk om het ecologisch werkprotocol na te leven. Het aspect 'natuur' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het plan.
4.16 Duurzaamheid en klimaatadaptatie 4.16.1
Algemeen
Er is geen specifiek toetsingskader voor het aspect duurzaamheid. Vanuit de doelen van de Omgevingswet is duurzaamheid een thema waarmee bij het aanvragen van een wijziging van het omgevingsplan rekening gehouden moet worden. Duurzaamheid is een veelomvattend begrip waar veel aspecten onder vallen, zoals de energietransitie, klimaatadaptatie en herbruikbaarheid.
Duurzaamheid Met het oog op die doelen moet het project aan het omgevingsaspect duurzaamheid worden getoetst. Duurzaamheid is een veelomvattend begrip waar veel aspecten onder vallen: de energietransitie, mobiliteit, herbruikbaarheid etc. Vanuit de doelen van de Omgevingswet is duurzaamheid een thema waarmee bij het aanvragen van wijziging omgevingsplan rekening moet worden gehouden. In artikel 22.52 van het omgevingsplan gemeente Noordoostpolder zijn regels op het gebied van energiebesparende maatregelen opgenomen.
68
bestemmingsplan (ontwerp)
bestemmingsplan TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22f Emmeloord - Emmelhage fase 4
Klimaatadaptatie Een ander doel van de Omgevingswet is onder meer het tegengaan van klimaatverandering, het beheer van geobiologische en geothermische systemen en ecosystemen en het beheer van natuurlijke hulpbronnen (artikel 2.1, lid 3, onder i, o en p van de Omgevingswet). 4.16.2
Situatie plangebied
De toekomstige woningen moeten voldoen aan de geldende BENG-normen. Hierdoor voorziet de ontwikkeling in het leveren van een bijdrage aan een duurzame huizenvoorraad. Tijdens het aanvragen van de omgevingsvergunning voor de bouwtechnische activiteit wordt nauwkeurig beschreven welke maatregelen getroffen worden om te voldoen aan de BENG-normen.
Ten opzichte van de huidige situatie neemt de verharde oppervlakte toe. Om dit zoveel mogelijk te compenseren, wordt het plangebied zo groen en blauw mogelijk ingericht, zoals beschreven in paragraaf 2.2 Beoogde situatie. De inrichting zorgt ervoor dat water kan infiltreren in de grond en opgevangen kan worden in de watergangen. Hierdoor wordt wateroverlast voorkomen en zijn er waterbuffers wanneer er sprake is van droogte.
Bovendien zorgt de groen-blauwe inrichting voor een verkoelend effect. Dit leidt tot een verlaging van de temperatuur in de toekomstige woonwijk. 4.16.3
Conclusie
Het aspect duurzaamheid en klimaatadaptatie uitvoerbaarheid van het plan.
vormt
geen belemmering voor de
4.17 Milieueffectrapportage 4.17.1
Algemeen
Een milieueffectrapportage (m.e.r.) brengt het effect van een project op het milieu in beeld. De regelgeving voor de m.e.r. is te vinden in afdeling 16.4 van de Omgevingswet (Ow) en in hoofdstuk 11 en bijlage V bij het Omgevingsbesluit (Ob). Uit bijlage V van het Ob kan worden bepaald of een plan mer-plichtig of mer-beoordelingsplichtig is. In deze bijlage is een tabel opgenomen met vier kolommen: In kolom 1 staan de projecten opgesomd; In kolom 2 zijn de gevallen genoemd waarin een project-mer verplicht is; In kolom 3 staan de gevallen genoemd waarin de project-mer-beoordelingsplicht geldt; Tot slot bevat kolom 4 de besluiten waarvoor dan de mer-verplichtingen gelden. Het gaat dan om besluiten waarmee de toestemming voor het project wordt verleend. Bij de project-mer-beoordeling is een mededeling nodig aan het bevoegd gezag. Deze mededeling bevat een beschrijving van de eisen die zijn opgenomen in artikel 11.10 van het Omgevingsbesluit en bijlage III van de Europese m.e.r.-richtlijn. Het bevoegd gezag neemt het resultaat van de beoordeling of sprake is van aanzienlijke milieueffecten, met de bijbehorende motivering, op in het besluit en, voor zover hier sprake van is, in het ontwerp van het besluit (artikel 11.11, lid 2 Omgevingsbesluit).
In de motivering van de beslissing (art. 11.11 lid 3 Omgevingsbesluit) wordt in ieder geval verwezen naar: 1. de relevante criteria van bijlage III bij de mer-richtlijn; en
bestemmingsplan (ontwerp)
69
bestemmingsplan TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22f Emmeloord - Emmelhage fase 4 2. als is beslist dat geen milieueffectrapport moet worden gemaakt: a. de kenmerken en maatregelen, bedoeld in artikel 11.10, derde lid, als degene die voornemens is het project uit te voeren deze heeft voorgesteld; en b. het moment waarop die maatregelen moeten zijn gerealiseerd. Kenmerken en maatregelen als bedoeld in artikel 11.10, lid 3 Ob. Bij een mededeling als bedoeld in artikel 16.45, eerste lid, van de wet, verstrekt degene die voornemens is het project uit te voeren in ieder geval een beschrijving van: 1. het project, met in ieder geval een beschrijving van: a. de fysieke kenmerken van het gehele project en, als dat van toepassing is, van sloopactiviteiten; b. de locatie van het project, met bijzondere aandacht voor de kwetsbaarheid van het milieu in de gebieden waarop het project van invloed kan zijn; 2. de mogelijk aanzienlijke milieueffecten van het project; en 3. voor zover er informatie over deze effecten beschikbaar is: de mogelijk aanzienlijke milieueffecten van het project ten gevolge van: a. de verwachte residuen en emissies en de productie van afvalstoffen; en b. het gebruik van natuurlijke bronnen, waaronder bodem, land, water en biodiversiteit.
4.17.2 Situatie plangebied De beoogde woningbouwontwikkeling is in het Omgevingsbesluit, bijlage V onder categorie J11 opgenomen als stedelijk ontwikkelingsproject. In het Omgevingsbesluit geldt voor een stedelijk ontwikkelingsproject geen directe mer-plicht bij het besluit Omgevingsplan maar wel een mer-beoordelingsplicht. Een mer-plicht kan wel ontstaan wanneer een passende beoordeling noodzakelijk is of uit de mer-beoordeling blijkt dat belangrijke negatieve gevolgen niet uitgesloten kunnen worden. Ook zal een mer-plicht aan de orde zijn wanneer het Omgevingsplan een kader vormt voor nog te nemen besluiten over een mer-beoordelingsplichtige activiteit. Uitzonderingen hierop zijn plannen met een klein gebied op lokaal niveau én als voor dat plan of programma een bestuursorgaan van een gemeente het bevoegd gezag is. Hiervoor geldt een plan-mer-beoordelingsplicht. Voor de beoogde ontwikkeling geldt een mer-beoordelingsplicht. Er is een beoordeling opgesteld, op basis waarvan het bevoegd gezag een mer-beoordelingsbesluit zal nemen. Het mer-beoordelingsbesluit, inclusief de beoordeling in de vorm van een aanmeldnotitie, is opgenomen in bijlage 10. 4.17.3
Conclusie
Uit de informatie van de aanmeldingsnotitie blijkt dat het plangebied niet is gelegen in kwetsbaar gebied en/of gebied met een beschermde status. Verder leiden de aard en omvang van het project niet tot aanzienlijke milieueffecten. In de beoordeling is uitgegaan dat de onderstaande maatregelen worden uitgevoerd. Het doorlopen van een volledige mer-procedure is niet noodzakelijk.
Maatregelen Verkeer: De weg langs de westelijke grens van het ontwikkelgebied heeft een lange rechtstand, en kent relatief weinig bebouwing, welke bovendien aan slechts aan één zijde van de weg is gepositioneerd. Dit nodigt uit tot hogere snelheden dan veilig en toegestaan is. Vooral bij de zijwegen en de kruising met het fietspad is dit een veiligheidsprobleem, wat gemitigeerd zal worden met snelheidsremmende maatregelen. Geluid: het referentiewegdek op Espelerweg vervangen door een stiller wegdek. Ecologie: Ecologisch werkprotocol wordt opgesteld. Tijdens het uitvoeren van de werkzaamheden wordt dit protocol nageleefd.
70
bestemmingsplan (ontwerp)
bestemmingsplan TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22f Emmeloord - Emmelhage fase 4
bestemmingsplan (ontwerp)
71
bestemmingsplan TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22f Emmeloord - Emmelhage fase 4
Hoofdstuk 5 Conclusie ETFAL Een evenwichtige toedeling van functies aan locaties betekent dat er balans bestaat tussen het beschermen en benutten ten gevolge van de verschillende functies die locaties binnen een gebied kunnen vervullen. Het bevoegd gezag moet beoordelen of bij realisering van de aangevraagde activiteit(en) sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Om dit te kunnen beoordelen moeten alle voor de fysieke leefomgeving relevante aspecten (voor zover die betrekking hebben op de aangevraagde activiteit) zorgvuldig worden onderzocht en afgewogen. Dat is in de voorgaande hoofdstukken gebeurd.
Voor de beoordeling van de evenwichtige toedeling van functies aan locaties zijn alle voor de fysieke leefomgeving relevante aspecten, voor zover betrekking hebbend op de gevraagde activiteit, nader onderzocht.
In de ruimtelijke motivering is getoetst aan het relevante beleid (hoofdstuk 3) en de gevolgen voor de leefomgeving (hoofdstuk 4). Hieruit is gebleken dat het plan in overeenstemming is met het rijks-, provinciaal en gemeentelijk beleid en dat het plan niet leidt tot negatieve gevolgen voor de leefomgeving.
De voorliggende wijziging van het omgevingsplan maakt de wijziging van een agrarische activiteit naar een woongebied mogelijk. Op grond van deze motivering kan geconcludeerd worden dat sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
72
bestemmingsplan (ontwerp)
bestemmingsplan TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22f Emmeloord - Emmelhage fase 4
Hoofdstuk 6 Kostenverhaal In dit hoofdstuk is getoetst of de betreffende ontwikkeling niet evident onuitvoerbaar is. Vastgesteld moet kunnen worden dat er geen financieel-economische redenen zijn waardoor het op voorhand aannemelijk is dat de ontwikkeling niet uitgevoerd kan worden.
6.1
Regels kostenverhaal
Op 15 december 2025 heeft de gemeenteraad van Noordoostpolder de grondexploitatie Emmelhage fase 4 (complex X011F) vastgesteld. Conform artikel 16.13 van de Omgevingswet geeft de toelichting van het omgevingsplan inzicht in de (financiële) uitvoerbaarheid van het plan. Omdat voorafgaand aan de vaststelling van de wijziging van het omgevingsplan de betreffende grondexploitatie is vastgesteld door de gemeenteraad is de financiële uitvoerbaarheid van de wijziging omgevingsplan voldoende geborgd. Voor Emmelhage fase 4 is een actieve grondexploitatie opgesteld. Bij actieve grondexploitatie verwerft de gemeente zelf gronden, maakt deze bouw- en woonrijp en geeft ze uit via kavels. De ontwikkelingskosten worden gedekt door de verkoop van woningbouwkavels, waarbij volledige kostendekking is gewaarborgd zonder afhankelijkheid van derden voor kostenverhaal. De grondexploitatie sluit met een geprognosticeerd positief financieel eindresultaat van 1.534.129 op eindwaarde per 31-12-2034. Hierdoor is het kostenverhaal in de zin van artikel 13.13, derde lid, van de Omgevingswet anderszins verzekerd en kan worden afgezien van het opnemen van kostenverhaalregels in het omgevingsplan..
bestemmingsplan (ontwerp)
73
bestemmingsplan TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22f Emmeloord - Emmelhage fase 4
Hoofdstuk 7 Participatie en keten In dit hoofdstuk wordt beschreven hoe het participatietraject voor de beoogde ontwikkeling eruitziet. Daarbij wordt toegelicht welke adviezen zijn gevraagd en uitgebracht, welke ketenpartners zijn geconsulteerd en welke andere belanghebbenden op de hoogte zijn gebracht. Ook wordt uiteengezet hoe dit traject is verlopen.
7.1
Participatie
Participatie is onder de Omgevingswet een belangrijk aspect in de procedure van een ruimtelijke ontwikkeling. Een ontwikkeling heeft namelijk niet alleen invloed op de fysieke leefomgeving, maar ook op de mensen die daar wonen, werken en recreëren. Het is daarom van belang dat deze mensen in een vroeg stadium worden betrokken bij het initiatief.
De gemeente heeft haar participatie vormgegeven door middel van een participatielogboek. Zie hiervoor bijlage 11.
7.2
Vooroverleg instanties
7.2.1 Het Rijk Advies van het Rijk (de ministeries) kan aan de orde zijn bij onder andere rijksmonumentenactiviteiten, en Natura-2000 activiteiten. Voor voorliggende ontwikkeling is dit niet aan de orde. 7.2.2 Provincie Flevoland De motivering en de planregels inclusief locaties van het voorliggende plan zijn voorgelegd aan de provincie Flevoland. De provincie Flevoland heeft hier inhoudelijk op gereageerd:
1. Voortgang overdracht Espelerweg Dit aspect is bij eerdere uitbreidingen van Emmelhage een vast gespreksonderwerp geweest. De Espelerweg ter hoogte van Emmelhage en de toekomstige uitbreidingen van de wijk zijn nu nog provinciaal eigendom en vallen onder provinciaal beheer. Omdat Emmelhage steeds verder wordt uitgebreid, komt de weg meer en meer binnen de bebouwde kom te liggen. Daarmee is het de vraag of dit deel van de Espelerweg nog wel tot de provinciale infrastructuur behoort, bijvoorbeeld vanuit een stedenbouwkundig perspectief, maar vooral ook kijkend naar de functie en het gebruik van de weg. Overdracht van de weg ligt voor de hand. Bestuurlijk is afgesproken om, voordat Emmelhage fase 4 in procedure wordt gebracht, afspraken te maken over de overdracht van een gedeelte van de Espelerweg. Wij dringen er daarom op aan om de voortgang in het dossier rond de overdracht van wegen te behouden en het ontwerpplan voor Emmelhage fase 4 pas in procedure te brengen zodra er bestuurlijke afspraken zijn gemaakt over de overdracht van de Espelerweg.
Reactie gemeente Gemeente en provincie koersen beide op overdracht van de Espelerweg. Op 13 oktober 2025 heeft de gemeenteraad van Noordoostpolder besloten dat de overdracht van de Espelerweg (met voorrang) plaats zal vinden. Dit besluit kan gezien worden als een principeakkoord inzake de overdracht. Het besluit laat zien dat de door de provincie gevraagde voortgang in het dossier blijft.
74
bestemmingsplan (ontwerp)
bestemmingsplan TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22f Emmeloord - Emmelhage fase 4
De overdracht van de Espelerweg staat overigens los van het aantonen van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Als voldoende is aangetoond dat het omgevingsplan uitvoerbaar is, kan de procedure doorgezet worden (voor nu: ontwerp ter inzage).
2. Infrastructuur en mobiliteit 2.1 U verwacht dat dit plangebied 3.331 extra voertuigbewegingen zal genereren. Voor de ontsluiting wordt een nieuwe ontsluitingsweg voorzien die door middel van een rotonde moet worden aangesloten op de provinciale Espelerweg. Wij gaan ervan uit dat de kosten voor deze aansluiting voor rekening van uw gemeente komen.
2.2 Wij vragen u in het (nog uit te voeren) verkeersonderzoek aandacht te besteden aan de gevolgen voor de doorstroming op regionaal niveau.
2.3 Over de Espelerweg rijdt nu buslijn 77. Het concessiebeheer ligt bij de provincie. Als provincie en gemeente tot overeenstemming komen over de overdracht van de Espelerweg, heeft dit consequenties voor de dienstregeling. Dit kan mogelijk financiële gevolgen hebben, waarover tijdig het gesprek moet worden aangegaan met vervoerder EBS en de provincie. Het is wenselijk dit te doen voordat een ontwerpwijziging van het omgevingsplan in procedure wordt gebracht.
Reactie gemeente: 2.1 De rotonde die fase 4 van Emmelhage ontsluit, is opgenomen in het plan voor deze fase en in de gemeentelijke grondexploitatie van Emmelhage fase 4. 2.2 De gemeente is van oordeel dat, op basis van het gemeentelijke verkeersmodel en de verwachte verkeersgeneratie, geen onoverkomelijke effecten op bovenlokaal niveau optreden. Er vinden zowel ambtelijke als bestuurlijke gesprekken plaats (zie punt 1). Indien de gemeente besluit de rotonde bij fase 4 aan te leggen, zal net als bij fase 2, overleg plaatsvinden tussen de provincie en de gemeente.